Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 871 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026)
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 27 februari 2026
De vaste commissie voor Asiel en Migratie, belast met het voorbereidend onderzoek
van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het
voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen
zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet
genoegzaam voorbereid.
INHOUDSOPGAVE
Gezamenlijke inbreng commissie
2
Inbreng leden van de fracties
8
Algemeen deel
8
1.
Inleiding
9
2.
Asiel- en migratiepact 2026
12
2.1.
Algemene beschrijving instrumenten Asiel- en migratiepact 2026
12
2.2.
Uitgangspunten uitvoering en implementatie in nationale regelgeving
13
3.
Terugkeer in het Asiel- en migratiepact
15
3.1.
Relevantie Terugkeerrichtlijn
15
3.2.
Uitsluiten toepasselijkheid Terugkeergrensprocedureverordening
15
4.
Uitvoering Kwalificatieverordening (EU) 2024/1347
16
4.1.
Algemeen
16
4.2.
Van een eenstatusstelsel naar een tweestatusstelsel
18
4.3.
Verblijfstitel
20
4.4.
Geldigheidsduur verblijfstitel wordt verkort van vijf naar drie jaar
20
4.5.
Verblijf gezinsleden
21
4.6.
Afschaffen verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd
23
5.
Uitvoering Procedureverordening (EU) 2024/1348
24
5.1.
Algemeen
24
5.2.
Schrappen nationale procedureregels
26
5.3.
Afschaffen voornemenprocedure
27
5.4.
Aanwijzing beslissingsautoriteit en andere bevoegde autoriteiten
28
5.5.
Verschillende behandelingsprocedures en beslistermijnen
28
5.6.
Beroep bij de rechter in asielprocedure
29
5.7.
(Verplichte) asielgrensprocedure
29
5.8.
Juridisch advies, counseling, rechtsbijstand
29
6.
Uitvoering Asiel- en migratiebeheerverordening (EU) 2024/1351
30
6.1.
Algemeen
30
6.2.
Uitvoering Asiel- en migratiebeheerverordening in onderhavig wetsvoorstel
33
7.
Implementatie herschikte Opvangrichtlijn (EU) 2024/1346
33
7.1.
Algemeen
33
7.2.
Toewijzing geografisch gebied
36
7.3.
Vrijheidsontneming asielzoekers op grond van artikel 59b Vw 2000
36
7.4.
Vrijheidsbeperking, vrijheidsontneming en meldplicht bij onderduikrisico
39
7.5.
Beroep bij de rechter bij vrijheidsontneming
40
7.6.
Wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen, de Wet op de expertisecentra, de Wet op
het primair onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs 2020
40
8.
Uitvoering Screeningsverordening (EU) 2024/1356
40
8.1.
Algemeen
40
8.2.
Screening aan de buitengrens en screening op het grondgebied van de lidstaten
41
8.3.
Toezicht en rechten van betrokkenen
42
9.
Uitvoering herziene Eurodac-verordening (EU) 2024/1358
43
9.1.
Algemeen
43
9.2.
Verplichting tot afname biometrische gegevens en invoer gegevens in Eurodac
43
9.3.
Toegang voor rechtshandhavingsdoeleinden
43
9.4.
Overige onderdelen van de verordening
43
10.
Wet arbeid vreemdelingen
44
10.1.
Hoofdlijnen van het voorstel
44
11.
Verhouding tot hoger recht
44
12.
Overgangsrecht en inwerkingtreding
45
13.
Uitvoerings- en administratieve lasten en financiële gevolgen
46
13.1.
Uitvoeringsgevolgen vreemdelingenketen
46
13.2.
Uitvoeringsgevolgen voor de AbRvS en rechtspraak
47
13.3.
Financiële gevolgen
47
14.
Consultatie en advies
48
Artikelsgewijze toelichting
48
Artikel I Vreemdelingenwet 2000
48
Overig
49
Gezamenlijke inbreng commissie
De vaste commissie voor Asiel en Migratie heeft in het kader van het voorbereidend
onderzoek van dit wetsvoorstel de leden Rajkowski (VVD-fractie) en Boomsma (JA21-fractie)
tot wetgevingsrapporteurs benoemd. De wetgevingsrapporteurs hebben ten behoeve van
het verslag een schriftelijke inbreng opgesteld met enkele vragen van verdiepende
en verduidelijkende aard aan de regering. Bij de hiernavolgende inbreng is zo veel
mogelijk de volgorde van de memorie van toelichting aangehouden. In algemene zin worden
vragen gesteld over de delegatie van regelgevende bevoegdheid, de uitvoeringsgevolgen
voor de rechtspraak en monitoring en evaluatie. Ook worden vragen gesteld over verschillende
elementen van de implementatie en uitvoering van de Procedureverordening, de Asiel-
en migratiebeheerverordening, de Opvangrichtlijn en de Screeningsverordening.
Algemeen
Maatregelen die reeds door de Tweede Kamer zijn aangenomen in het kader van de Asielnoodmaatregelenwet
en de Wet invoering tweestatusstelsel (conform de transponeringstabellen in Kamerstuk
32 317, nr. 988) worden in de gezamenlijke inbreng van de commissie buiten beschouwing gelaten. Kan
de regering (her)bevestigen dat de overeenkomstige maatregelen in onderhavig wetsvoorstel
materieel niet afwijken van de maatregelen zoals behandeld in de Asielnoodmaatregelenwet
en de Wet invoering tweestatusstelsel? Kan de regering uiteenzetten over welke overige
onderwerpen in dit wetsvoorstel nationale beleidskeuzes zijn gemaakt die niet rechtstreeks
voortvloeien uit het Pact? In hoeverre komen de nationale keuzes in Nederland overeen
met de wijze waarop het Pact wordt geïmplementeerd in buurlanden als België en Duitsland?
Delegatie van regelgevende bevoegdheid
De leden van de commissie constateren dat de Afdeling advisering van de Raad van State
(hierna: de Afdeling) opmerkingen heeft gemaakt over het gebruik van delegatie in
het wetsvoorstel. Veel regels worden gemaakt door de regering of een Minister, zonder
noodzakelijke voorafgaande betrokkenheid van het parlement. De Afdeling adviseert
om de delegatie van regelgevende bevoegdheid in het wetsvoorstel naar aard en omvang
te beperken en in de toelichting te motiveren waarom in voorkomende gevallen wordt
gekozen voor delegatie. De regering benoemt in reactie daarop onder meer het belang
van flexibiliteit en slagvaardigheid voor de uitvoering en meent dat verschillende
onderwerpen zich lenen voor uitwerking op een lager niveau van regelgeving.
Tegen deze achtergrond achten de leden van de commissie het van belang om, mede gelet
op de korte implementatietermijn, inzicht te krijgen in de beoogde invulling van de
delegatiegrondslagen. Kan de regering een schematisch overzicht verstrekken van de
in het wetsvoorstel opgenomen delegatiegrondslagen, de onderwerpen die bij lagere
regelgeving zullen worden uitgewerkt en een indicatie van de materiële uitwerking
daarvan?
Uitvoeringsgevolgen voor de rechtspraak
De leden van de commissie constateren dat de gevolgen voor rechtsprekende instanties
een aandachtspunt zijn bij dit wetsvoorstel. Deze leden merken op dat in de memorie
van toelichting en het nader rapport meerdere keren wordt benadrukt dat het ministerie
met de rechtspraak in gesprek blijft over de uitvoerbaarheid van de maatregelen. Daarbij
wordt erkend dat extra financiële middelen op korte termijn het structurele werklast-
en capaciteitsprobleem mogelijk niet kunnen oplossen. De beslisnota bij het wetsvoorstel
noemt in dit verband de mogelijkheid om wettelijke bepalingen die zien op nationale
keuzes separaat in werking te laten treden, maar in het wetsvoorstel wordt geen melding
gemaakt van een dergelijk voornemen.
De leden van de commissie vragen de regering toe te lichten welke concrete bespreekpunten
nog voorliggen in het overleg met de rechtspraak en wat de stand van zaken is van
deze gesprekken. Hoe beoordeelt de regering de uitvoerbaarheid van het voorstel voor
de rechtspraak? Wordt voorzien dat de maatregelen in dit wetsvoorstel ten koste kunnen
gaan van de tijdige behandeling van andere (vreemdelingen- of niet-vreemdelingenrechtelijke)
zaken? Zo ja, welk type zaken worden daardoor naar verwachting geraakt? Overweegt
de regering om gebruik te maken van gedifferentieerde inwerkingtreding van onderdelen
van dit wetsvoorstel die niet noodzakelijkerwijs uit het Pact voortvloeien? Zo ja,
welke onderdelen komen daarvoor in aanmerking? Op basis van welke criteria en in welk
stadium wordt dit besluit genomen?
Monitoring en evaluatie
De leden van de commissie constateren dat het wetsvoorstel geen evaluatiebepaling
bevat. Gelet op de ingrijpende aard van de wijzigingen en de grote gevolgen voor de
uitvoering, achten deze leden het relevant te weten op welke wijze de regering de
implementatie beoogt te monitoren en evalueren. Is de regering bereid te voorzien
in een evaluatie voor de verschillende onderdelen van het wetsvoorstel? Kan de regering
daarbij aangeven op welke succesfactoren dan geëvalueerd zal worden? Kan de regering
ook ingaan op de vraag of zij het instrument van de invoeringstoets in het geval van
onderhavig wetsvoorstel nuttig acht om op relatief korte termijn een beeld te krijgen
van de ervaringen en waar nodig te kunnen bijsturen?
Procedureverordening
Geluidsopname persoonlijk onderhoud
De leden van de commissie constateren dat het in de toekomstige asielprocedure verplicht
wordt een geluidsopname te maken van het gehoor met de asielzoeker over zijn vluchtmotieven.
In de huidige procedure wordt alleen een rapport van het gehoor opgemaakt. Het voorgestelde
artikel 83bb Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) voorziet erin dat de opname van het persoonlijk
onderhoud als bewijs wordt toegelaten in de beroepsprocedure. In de memorie van toelichting
wordt aangegeven dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) momenteel, in overleg
met de Raad voor de rechtspraak (Rvdr), onderzoekt via welke IV-voorziening deze opnames
toegankelijk kunnen worden gemaakt voor de rechterlijke macht. Daarbij wordt onderkend
dat het structureel opnemen, bewaren en in de beroepsfase beschikbaar stellen van
(delen van) het persoonlijk onderhoud aanzienlijke inspanningen vergt en extra IV-capaciteit
vraagt, zowel bij de IND als bij de rechtspraak.
De leden van de commissie vragen hoe de regering de uitvoerbaarheidsgevolgen voor
de IND en de rechtspraak van de verplichting om het persoonlijk onderhoud structureel
op te nemen, te bewaren en in de beroepsfase ter beschikking te stellen beoordeelt.
Wat is de stand van zaken van het onderzoek van de IND in overleg met de Rvdr en hoe
wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomst hiervan? Verwacht de regering dat rechters
en procespartijen in beroepsprocedures vaak geacht zullen worden om de geluidsopnames
te beluisteren? Ziet de regering ruimte voor mitigerende maatregelen om te voorkomen
dat deze verplichting leidt tot een onevenredige belasting van de capaciteit van de
IND en de rechtspraak? Staat de verordening het toe om nadere regels te stellen met
begrenzing van de gevallen waarin opnames kunnen worden betrokken of nadere procedurele
afspraken te maken over het gebruik daarvan?
De leden van de commissie constateren dat naast een geluidsopname artikel 14 van de
Procedureverordening ook verplicht tot het maken van een verslag van het persoonlijk
onderhoud. Volgens de memorie van toelichting blijft de mogelijkheid behouden voor
de vreemdeling om in de asielprocedure correcties en aanvullingen in te dienen bij
dit verslag. Klopt het dat de artikelsgewijze toelichting van artikel 83bb Vw 2000
ten onrechte nog uitgaat van het verval van de mogelijkheid voor aanvullingen en correcties,
terwijl de regering voornemens is om deze procedurestap te behouden?
Juridisch advies, counseling, rechtsbijstand
De leden van de commissie lezen dat de IND is gevraagd om met ingang van het Pact
de uitvoering van de juridische counseling op zich te nemen. Dit betreft kosteloze
juridische ondersteuning in het begin van de procedure. Inhoudelijk advies over individuele
zaken is voorbehouden aan de advocatuur vanaf het moment waarop de aanvrager in de
gelegenheid wordt gesteld om correcties en aanvullingen te leveren. Deze leden merken
op dat de Afdeling aandacht vraagt voor de ruime delegatie ten aanzien van de juridische
counseling. De regering geeft daarbij aan dat erkenning, toelating en accreditatie
van juridische counselors en organisaties zich bij uitstek lenen voor regeling bij
ministeriële regeling. Deze leden constateren dat de regering voornemens is de uitvoering
van de juridische counseling te beleggen bij de IND, die tevens beslissingsautoriteit
is in de asielprocedure. In de memorie van toelichting wordt benadrukt dat met het
voorgestelde artikel 36 Vw 2000 niet wordt beoogd het stelsel van de Wet op de rechtsbijstand
en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 te vervangen. Wel wordt verwezen naar
het voornemen uit het Regeerprogramma 2024 om de rechtsbijstand bij asielaanvragen
te beperken. In de memorie van toelichting benoemt de regering dat eventuele aanpassing
van de rechtsbijstandsregelgeving zal moeten gebeuren in een separaat traject.
De leden van de commissie vragen de regering toe te lichten op welke wijze de huidige
advocatenbijstand in de bestuurlijke fase van de asielprocedure is geregeld. Is het
mogelijk om voor het aanpassen van de rechtsbijstandregelgeving gebruik te maken van
de in dit wetsvoorstel opgenomen delegatiegrondslag aan de Minister (de in artikel
36, tweede lid, onderdeel c Vw 2000 genoemde «regels over het uitsluiten of beperken
daarvan») of is daarvoor een wetswijziging nodig? In de memorie van toelichting lezen
deze leden dat de regering het advies van de commissie Van Zwol betrekt bij de uitwerking
van de Nederlandse inrichting van de verplichtingen rondom juridische counseling (Kamerstuk
19 637, nr. 2501). Kan de regering nader toelichten welke punten zij meeneemt uit dit advies?
De leden van de commissie vragen hoe de rol van de IND als beslissingsautoriteit zich
verhoudt tot de taak van juridische counseling. Is de regering bekend met andere lidstaten
waarin de taken van beslissingsautoriteit en juridische counseling binnen één organisatie
zijn verenigd? Hoe wordt geborgd dat juridische counseling door de IND een aparte,
rolzuivere voorziening is? Heeft de regering andere uitvoerders voor de juridische
counseling overwogen en op basis van welke overwegingen is de keuze voor de IND gemaakt?
Hoe wordt er omgegaan met asielzoekers die ten tijde van de juridische counseling
verzoeken om inhoudelijk advies over hun individuele zaak?
De leden van de commissie vragen naar de verenigbaarheid van de voorgestelde Nederlandse
asielprocedure met het recht op een effectief rechtsmiddel zoals geborgd in artikel
13 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Deze leden constateren dat
een aantal van de eerdere nationale waarborgen voor effectieve rechtsbescherming (twee
gehoren, professionele rechtsbijstand vanaf het begin van de procedure en de mogelijkheid
een zienswijze in te dienen in reactie op een voornemen tot afwijzing) wordt beperkt
of vervalt met de implementatie van het Asiel- en migratiepact. Kan de regering de
stapeling van maatregelen met betrekking tot de asielprocedure expliciet toetsen aan
artikel 13 van het EVRM?
Asiel- en migratiebeheerverordening
Versoberde opvang na overdrachtsbesluit
De leden van de commissie merken op dat een asielzoeker op grond van de Asiel- en
migratiebeheerverordening het recht op opvangvoorzieningen verliest zodra hij in kennis
is gesteld van een overdrachtsbesluit aan een andere lidstaat («Dublinclaimanten»).
Deze leden constateren dat de wijze waarop onderdak zal worden geboden aan Dublinclaimanten,
evenals de mate van versobering van het onderdak, thans nog onderwerp is van nadere
uitwerking. Daarbij valt op dat de regering in de memorie van toelichting erkent dat
het versoberen van opvangvoorzieningen in de regel leidt tot hogere kosten. In dit
kader heeft de VNG gewezen in haar advies over dit wetsvoorstel op het risico van
dakloosheid en negatieve consequenties voor de leefbaarheid wanneer Dublinclaimanten
geen opvang meer wordt geboden. In de brief van 22 januari 2026 lezen deze leden dat
het in kaart brengen van verschillende aspecten rondom de versoberde opvang tijd vraagt
en dat de regering streeft naar een realistische en uitvoerbare implementatiestrategie
voor het einde van het jaar (Kamerstuk 32 317, nr. 992). Op welke wijze wordt opvang aan Dublinclaimanten geboden totdat de implementatiestrategie
van de «Dublinonderdaklocaties» gereed is? Hoe wordt de Kamer geïnformeerd over de
stappen die worden gezet bij de totstandkoming van de implementatiestrategie? Hoe
is de regering voornemens te bepalen waar versoberde opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten
zullen worden gerealiseerd en welke criteria daarbij worden gehanteerd? Welke rol
hebben gemeenten bij de besluitvorming over de locatie, schaal en inrichting van deze
versoberde opvangvoorzieningen? Welke maatregelen treft de regering om te voorkomen
dat hierdoor extra druk ontstaat op de openbare orde, zorgvoorzieningen en handhaving?
Tot hoeveel extra kosten verwacht de regering dat deze vorm van versoberde opvang
zal leiden?
Opvangrichtlijn
Onbenutte beleidsruimte
De leden van de commissie merken op dat de regering in de transponeringstabel bij
enkele gevallen van nationale beleidsruimte summier toelicht dat gekozen is om hier
geen gebruik van te maken. De leden van de commissie vragen wat de motivering is om
geen gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 18, tweede alinea van de Opvangrichtlijn
biedt om een eigen bijdrage te verzoeken voor taalcursussen en inburgeringscursussen,
terwijl dit wel geldt voor beroepsonderwijs. Wat is de motivering van de regering
om geen gebruik te maken van de optie die uit artikel 23, tweede lid, eerste alinea,
punten e en f van de Opvangrichtlijn volgt om integratiemaatregelen verplicht te stellen?
Toewijzing geografisch gebied
In het voorgestelde artikel 55.0a Vw 2000 wordt een bevoegdheid geïntroduceerd om
asielzoekers toe te wijzen aan een geografisch gebied in het kader van de uitvoering
van de herschikte Opvangrichtlijn. De leden van de commissie lezen dat de regering
de mogelijkheid wil hebben om hier gebruik van te kunnen maken, eventueel voor asielzoekers
afkomstig uit zogenaamde veilige landen van herkomst, maar lezen geen nadere toelichting
op dit voornemen. In welke situaties is de regering voornemens gebruik te maken van
de bevoegdheid om asielzoekers toe te wijzen aan een geografisch gebied? Voor hoeveel
asielzoekers beoogt de regering dit instrument in te zetten? Aan wat voor omvang en
geografische afbakening van een gebied denkt de regering daarbij? Welk onderscheid
maakt de regering tussen de toepassing van toewijzing aan een geografisch gebied en
andere vrijheidsbeperkende maatregelen zoals vreemdelingenbewaring? Op welke wijze
zullen deze gebieden worden aangewezen en wordt hiervoor het gebied rondom bestaande
opvangvoorzieningen als uitgangspunt genomen? Op welke wijze beoogt de regering deze
besluitvorming vorm te geven en hoe is zij voornemens om het lokaal bestuur en het
Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) te betrekken bij deze aanwijzing?
Screeningsverordening
Uitvoering screeningsautoriteit
De leden van de commissie constateren dat in het Nationale Implementatieplan de volgende
passage is opgenomen: «Als resultaat van het programma herontwerp I&R, is de taakorganisatie
Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers (DISA) ontstaan die per 1 januari 2025
de I&R werkzaamheden op zich neemt op de asiel aanmeldlocaties» (Kamerstuk 32 317, nr. 908). Deze leden begrijpen uit de memorie van toelichting dat de IND dit proces van identificatie
en registratie zal uitvoeren met ingang van het Pact. In de IND-analyse van de uitvoerbaarheid
van het Pact lezen deze leden daarnaast dat er geen structuur is voor uitwisseling
van screeningsformulieren tussen lidstaten.
De leden van de commissie vragen hoe de regering de uitvoerbaarheid van de screening
beoordeelt, gelet op deze organisatorische wijzigingen in korte tijd. Indien er een
uitvoeringstoets voor de screeningsprocedure beschikbaar is, kan de regering deze
delen met de Kamer? Zo nee, is nog voorzien in een uitvoeringstoets? Werkt de regering
aan de mogelijkheid om screeningsformulieren uit te wisselen met andere lidstaten
om het proces te versnellen? Wat is de status hiervan?
Verwerking van persoonsgegevens door het Toezichtsmechanisme
De leden van de commissie constateren dat het College voor de Rechten van de Mens
in reactie op het voorgenomen uitvoeringsbesluit heeft benadrukt dat een expliciete
wettelijke verwerkingsgrondslag noodzakelijk is om in het kader van het voorgestelde
Toezichtsmechanisme te kunnen voldoen aan de eisen die voortvloeien uit het medisch
beroepsgeheim en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De regering stelt
in de memorie van toelichting dat de Screeningsverordening een toereikende grondslag
biedt voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens.
De leden van de commissie vragen of de in de Screeningsverordening neergelegde grondslag
voor de verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens naar het oordeel van de regering
voldoende specifiek en concreet is om te kunnen voldoen aan de eisen van artikel 6
en artikel 9 AVG, mede gelet op de aard en gevoeligheid van medische gegevens. Hoe
weegt de regering de opmerking van het College voor de Rechten van de Mens dat doorbreking
van het beroepsgeheim noodzakelijk kan zijn voor de uitvoering van het Toezichtsmechanisme?
Kan de regering de verhouding duiden tussen het voorgestelde artikel 2hh Vw 2000 en
artikel 6, derde lid, van de Wet College voor de Rechten van de Mens waarin is vastgelegd
dat het beroepsgeheim niet wordt doorbroken bij de verstrekking van gegevens aan het
College voor de Rechten van de Mens?
De leden van de commissie vragen hoe de regering beoordeelt of bij de verwerking van
bijzondere persoonsgegevens daadwerkelijk wordt voldaan aan de aanvullende voorwaarden
die artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG stelt, te weten: dat de verwerking evenredig
is in verhouding tot het nagestreefde doel, dat de wezenlijke inhoud van het recht
op bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en dat passende en specifieke
maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en fundamentele belangen
van de betrokkene.
Vragen naar aanleiding van de in de Tweede Kamer georganiseerde technische briefing
en het rondetafelgesprek
De leden van de commissie lezen dat de regering in de memorie van toelichting bij
het wetsvoorstel stelt dat de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet
kan worden gehandhaafd onder het Pact. VluchtelingenWerk Nederland heeft deze maatregel
bij het rondetafelgesprek op 12 februari 2026 gekwalificeerd als een voornemen waar
het Pact niet toe verplicht. Kan de regering nader toelichten of de afschaffing van
de asielvergunning voor onbepaalde tijd rechtstreeks voortvloeit uit het Asiel- en
migratiepact of een nationale beleidskeuze betreft?
De leden van de commissie constateren dat in het wetsvoorstel is opgenomen dat minderjarige
vreemdelingen in de regel niet in vreemdelingenbewaring worden gesteld, maar dat dit
in uitzonderlijke omstandigheden kan plaatsvinden. Kan de regering nader toelichten
welke omstandigheden aanleiding kunnen geven voor het in vreemdelingenbewaring stellen
van minderjarigen? Welke alternatieven worden overwogen voordat wordt overgegaan tot
vreemdelingenbewaring van minderjarigen? Hoe weegt de regering de stelling van VluchtelingenWerk
Nederland dat de detentie van minderjarigen in strijd is met het Kinderrechtenverdrag
van de Verenigde Naties (VN)?
Inbreng leden van de fracties
Algemeen deel
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van een snelle, volledige en
zorgvuldige implementatie en uitvoering van het Pact. Het Pact biedt volgens deze
leden voor Nederland en de Europese Unie (EU) de kans om de instroom van asielzoekers
significant te verminderen en om de terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers te
bevorderen. Het Pact is daarnaast volgens deze leden een belangrijke stap naar een
nieuw asielstelsel waarbij asielaanvragen alleen nog maar buiten de EU kunnen plaatsvinden.
Voornoemde leden hebben nog wel een aantal vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van belang dat Nederlandse wetgeving
wordt afgestemd op het Europees Asiel- en Migratiepact. Snelle en zorgvuldige procedures
aan de buitengrenzen van Europa, solidariteit en het waarborgen van mensenrechten,
dragen volgens deze leden bij aan een humaner beleid.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de Wijziging van de Vreemdelingenwet
2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het
EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact
2026) (hierna: het wetsvoorstel) en hebben een aantal opmerkingen en vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden
danken de regering hiervoor en hopen op een spoedige behandeling van onderhavig wetsvoorstel,
zodat de Europese implementatiedeadline van 12 juni 2026 kan worden gehaald. Zij maken
graag van de gelegenheid gebruik om vragen te stellen aan de regering over deze Uitvoeringswet.
De leden van de JA21-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel
ter uitvoering en implementatie van het Pact, de memorie van toelichting en de onderliggende
verordeningen en richtlijn. Deze leden zijn van mening dat het noodzakelijk is en
urgent om de asielmigratie naar Nederland drastisch te beperken, dat opvang in principe
in landen in de buurt van de landen van herkomst en buiten de EU moet plaatsvinden
en dat de regering daartoe maximaal gebruik dient te maken van de mogelijkheden die
de internationale en Europese juridische kaders bieden. Tegelijkertijd spreken deze
leden de zorg uit dat de belangrijkste weeffouten van het asielstelsel niet worden
opgelost. De memorie van toelichting stelt dat het doel van deze wetgeving onder meer
is dat Nederland structureel tot de groep landen moet gaan behoren met de strengste
toelatingsregels van de EU. Is dat nog altijd het streven van deze regering? Zo ja,
kan de regering onderbouwen hoe dat verlangen gestalte heeft gekregen en/of daarvoor
aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn?
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen het wetsvoorstel. Hier zijn nog een
aantal vragen over.
De leden van de SGP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Zij hebben daarover nog enkele vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. De
nieuwe Opvangrichtlijn en nieuwe verordeningen vragen om wetswijzigingen. Deze leden
maken van de gelegenheid gebruik om hun zorgen te delen en hun vragen aan de regering
te stellen.
1. Inleiding
De leden van de VVD-fractie vragen op welke onderdelen van dit wetsvoorstel de regering
kiest voor normen die soepeler zijn dan de Europese minimumnormen die de onderliggende
bepalingen uit de desbetreffende richtlijn voorschrijven. Waarom heeft de regering
hiervoor gekozen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen en opmerkingen bij de manier
waarop het Pact in de implementatiewet een nationale invulling heeft gekregen. Deze
invulling geeft volgens deze leden duidelijke politieke keuzes aan, die op een aantal
punten schuren met principes van solidariteit en internationale mensen-en kinderrechtenverdragen.
Het detineren van kinderen is volgens deze leden bewezen schadelijk, onwenselijk en
onnodig.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat uit de afgelopen JBZ-Raden
bleek dat het solidariteitsprincipe nog niet vanzelfsprekend is en dat een aantal
landen – waaronder Nederland – ervoor kiest om de opvangplekken af te kopen in plaats
van mensen op te vangen. Een tweetal EU-landen – Hongarije en Slowakije – weigert
überhaupt mee te werken aan het solidariteitsmechanisme. In het coalitieakkoord staat
op pagina 36: «Zolang de opvangketen in Nederland niet op orde is, vult Nederland
het solidariteitsmechanisme financieel in». Deze leden zijn van mening dat de regering
alles op alles moet zetten om de keten dus op orde te brengen, met voldoende investeringen,
eerlijke spreiding en zo veel mogelijke kleinschalige en volwaardige opvang. Deze
leden zijn ook van mening dat Nederland het solidariteitsprincipe niet zou moeten
afkopen. Is de regering het eens met de stelling dat het solidariteitsprincipe alleen
werkt als zoveel mogelijk landen daaraan bijdragen? Is de regering het eens met de
stelling dat het solidariteitsprincipe alleen werkt wanneer landen die volgens de
systematiek geen recht hebben op een korting gezien de «significante migratiesituatie»
niet allemaal de relocatie afkopen? Wanneer is wat de regering betreft de keten op
orde en hoe gaat de regering ervoor zorgen dat dit zo snel mogelijk gebeurt?
Het Pact is ontworpen om de asielketen in Europa op orde te brengen, maar moet er
volgens de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ook voor zorgen dat de omstandigheden
voor mensen die vluchten voor oorlog en geweld verbeteren. Wat is er volgens de regering
verbeterd als het gaat om de rechten en levensomstandigheden van mensen die asiel
aanvragen? Kan de regering een vergelijking geven van de oude situatie en de nieuwe
situatie met het Pact? Tot in hoeverre heeft de regering oog voor onderwijs en andere
noodzakelijke faciliteiten voor kinderen, zoals genoeg ruimte en faciliteiten om te
spelen in alle verschillende locaties waar kinderen zijn?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat er deels maatregelen dwingend volgen
uit het Pact en deels nationale invulling mogelijk is. Gezien de omvang van de aanpassingen
die volgen uit het Pact en de impact op de uitvoeringsorganisaties was het wat deze
leden betreft beter geweest om prioriteit te geven aan de maatregelen waartoe het
Pact verplicht met eventueel in een later stadium verdere inkleuring. Waarom is hier
niet voor gekozen? Kan de regering zo precies mogelijk aangeven waar er binnen de
verschillende verordeningen ruimte zit voor nationale invulling, wat de verschillende
keuzes waren, welke keuze er is gemaakt en waarom? Denk bijvoorbeeld aan termijn hoger
beroep, detentie termijnen en detentie van minderjarigen. Deze leden ontvangen graag
een schematische weergave van de gemaakte keuzes bij nationale ruimte. Gelieve hierin
het tweestatusstelsel en het afschaffen van een vergunning voor onbepaalde tijd mee
te nemen, aangezien de juridische interpretaties uiteenlopen wat betreft de noodzaak
van deze maatregelen volgens het Pact. Ook zouden deze leden willen zien hoe Nederland
invulling geeft aan deze verschillende onderdelen ten opzichte van andere EU-lidstaten,
met name van België, Duitsland, Spanje, Griekenland en Italië. Zij zouden graag in
hetzelfde schema duidelijkheid krijgen over welke keuzes deze landen in de nationale
invulling maakten.
Voorts zijn de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie van mening dat met het Pact veel
verandert voor de asielketen en de uitvoeringsorganisaties niet onnodig belast moeten
worden. De implementatie van het Pact valt in dezelfde periode als twee nationale
asielwetten: de Asielnoodmatregelenwet en het tweestatusstelsel. Hierbij hebben deze
leden enkele vragen en vragen deze gelieve afzonderlijk te beantwoorden. Wat gebeurt
er als de Eerste Kamer deze nationale asielwetten niet aanneemt? Kan het migratiepact
probleemloos in werking treden? Welke onderdelen van de nationale wetten zitten niet
in de implementatiewetgeving van het Pact? Is het voor de uitvoeringsorganisaties
niet onnodig complex om twee nationale asielwetten in te voeren en het systeem op
zeer korte termijn weer op de schop te doen voor het Pact? Het Pact bestaat uit negen
verschillende grote onderdelen, die ieder volwaardige wetten hadden kunnen zijn. Waarom
is er niet voor gekozen om deze afzonderlijk naar de Kamer te sturen en te behandelen?
Is de regering het eens met deze leden dat gezien de complexiteit en de tijdsdruk
een opsplitsing van de wetsonderdelen ten goede was gekomen van de zorgvuldigheid
van behandeling en implementatie?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de werklast van de uitvoeringsinstanties
met de implementatie van het Pact (en de nationale asielwetten) zal toenemen, bijvoorbeeld
omdat de IND ook verantwoordelijk wordt voor de screeningsprocedure. Hierbij hebben
deze leden enkele vragen en vragen deze gelieve afzonderlijk te beantwoorden. Welke
maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat al deze taken goed kunnen worden
uitgevoerd, zonder dat de wachttijden nog verder oplopen? Behalve «screening» zal
er binnen de IND nog een nieuwe afdeling moeten worden opgezet: «juridische counseling».
Daarbij wordt ook de leeftijdsbeoordeling bij de IND belegd. Is het reëel dat de IND
op 12 juni 2026 voldoende capaciteit heeft om al deze taken naar behoren te vervullen?
Is het niet efficiënter en effectiever om de juridische counseling te beleggen bij
de voorziening die we reeds hebben? Wat is de verwachte groei in Full-Time Equivalent
(fte) voor de IND als gevolg van deze implementatiewet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat de werklast voor de Rechtspraak vermoedelijk
substantieel zal toenemen gezien de kans op beroepen toeneemt en de behandelduur van
zaken wordt verkort. Ook de Rvdr benadrukt dit in het advies van februari 2025. Hierbij
hebben deze leden enkele vragen en vragen deze gelieve afzonderlijk te beantwoorden.
Hoe wordt deze druk op de Rechtspraak gemitigeerd? Klopt het dat deze vergrote druk
op de Rechtspraak door kortere termijnen en het schrappen van procedurele stappen
niet noodzakelijkerwijs voortvloeit uit het Pact? Waarom is hier dan toch voor gekozen?
Hoe ziet de regering de zorg vanuit de beroepsgroep zelf, die helder aangeeft dat
er simpelweg onvoldoende mensen zijn om alle zaken af te handelen? Is de regering
het met de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie eens dat het gezien de lange wachttijden
onverantwoord is om de werkdruk op rechters en juristen te verhogen? Wat is de verwachte
groei in fte in de Rechtspraak als gevolg van deze implementatiewet? Hoeveel mensen
moeten er extra worden opgeleid?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat met de implementatiewet de toegang
tot het recht voor asielzoekers (in de bestuurlijke fase) wordt ingeperkt. Deze keuze
komt niet noodzakelijkerwijs voort uit het Pact. Deze leden vinden het problematisch
dat de rechtspositie van asielzoekers wordt verzwakt. Waarom is hiervoor gekozen?
De leden van de CDA-fractie vragen of de uitvoeringsorganisaties in de asielketen
voldoende zijn toegerust op de implementatie van het Pact vanaf 12 juni 2026. Zijn
er voorziene moeilijkheden of vertragingen in bepaalde delen van de keten, hebben
de ketenpartners voldoende capaciteit en zijn de systemen al toegerust op de nieuwe
maatregelen?
De leden van de CDA-fractie lezen signalen dat de implementatie van het Pact in meerdere
Europese lidstaten nog beperkt is voorbereid en dat daarom zorgen bestaan over de
uitvoerbaarheid van met name de terugkeerprocedure. Deze leden vragen de regering
om hierop te reageren. Klopt het dat de uitwerking van het Pact in andere Europese
lidstaten nog beperkt is doorgevoerd, waardoor de implementatiedeadline niet door
iedere lidstaat wordt gehaald? Hoe voorkomt de regering dat hierdoor delen van het
Pact, zoals de nieuwe terugkeerprocedure, niet volledig kan worden uitgevoerd?
De leden van de CDA-fractie vragen wat er gebeurt als de zes maanden detentie aan
de buitengrens is verlopen en het thuisland alsnog niet meewerkt aan terugkeer. In
navolging daarop vragen deze leden wat de vervolgprocedure is als een vreemdeling
wel formeel teruggestuurd wordt, maar niet terug kan. Ook vragen deze leden of de
regering verwacht dat er binnenkort afspraken gemaakt worden tussen Europa en veilige
derde landen over de nieuwe terugkeerprocedure.
De leden van de CDA-fractie constateren dat er een verschil is tussen de verblijfstitel
en de verblijfsvergunning. De Afdeling benadrukt dit verschil ook, maar de definitie
daarvan komt niet helemaal overeen met de bepalingen in de betreffende verordening.
Wat is volgens de regering het concrete verschil tussen de verblijfstitel en de verblijfsvergunning?
Kan de regering bevestigen dat wanneer een asielzoeker het pasje met de verblijfstitel
kwijtraakt, dit niets afdoet aan de bescherming?
2. Asiel- en migratiepact 2026
2.1. Algemene beschrijving instrumenten Asiel- en migratiepact 2026
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering van mening is dat, als het Pact
goed functioneert, dit zal leiden tot sterke reductie van de komst van asielzoekers
naar Nederland, en zo ja, welke. Kan de regering daar een inschatting van maken? Klopt
het volgens de regering, dat als het Pact werkt zoals beoogd, asielzoekers bijna alleen
nog zouden moeten komen via de hervestiging van het solidariteitsmechanisme of via
een internationale luchthaven, omdat asielzoekers die via een EU-buitengrens komen
dan daar ter plekke de (grens)procedure ingaan? Hoe realistisch acht de regering het
dat dit naar behoren gaat functioneren? Als een asielzoeker zich meldt waarvan niet
is vastgesteld hoe hij ons land heeft bereikt, zal hij in de regel via een ander EU-land
zijn gekomen. Hoe wordt omgegaan met asielzoekers die zich in Nederland melden, behalve
via een internationale luchthaven, die nog geen asielverzoek elders hebben gedaan?
De leden van de JA21-fractie vragen of asielzoekers wordt gevraagd welke route ze
hebben afgelegd. Geven asielzoekers daarop doorgaans antwoord? Als daaruit blijkt
dat ze bijvoorbeeld via Griekenland zijn gekomen, maar geen asiel hebben aangevraagd
in dat land, worden deze asielzoekers dan gezien als een soort Dublinclaimant en kunnen
die worden overgedragen aan de Grieken? Hoe wordt gecontroleerd of landen waar de
meeste asielzoekers aankomen, zoals Griekenland, Italië en Spanje, mensen daadwerkelijk
identificeren, hun gegevens opslaan en opnemen in de procedure? Ziet Nederland daar
zelf op toe, bijvoorbeeld via mensen die Nederland daar naartoe heeft gestuurd of
heeft Nederland daarin zelf geen rol? Waarom worden er in dit voorstel geen uitvoeringsregels
gesteld ten aanzien van de Crisis- en overmacht-verordening (EU) 2024/1359 (hierna:
Crisisverordening)? Zijn er andere EU-landen die wel uitvoeringsregels hebben gesteld
ten aanzien van deze verordening?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de Crisisverordening voorziet in noodmaatregelen
bij crisissituaties of instrumentalisering van migratie. Kan de regering uiteenzetten
onder welke omstandigheden Nederland een beroep kan doen op deze crisismaatregelen,
wie daarover beslist en hoe snel activering kan plaatsvinden? Kan de regering uiteenzetten
wanneer zij gebruik wenst te maken van de Crisisverordening? Is de regering bereid
een «noodrem»-bepaling in de Nederlandse wetgeving op te nemen met aanvullende maatregelen?
Welke landen zijn in beeld voor opvang buiten de EU en komen daarvoor in aanmerking?
De leden van de SGP-fractie vragen de regering uiteen te zetten in hoeverre en op
welke onderwerpen de implementatiewet de nationale beleidsruimte op het terrein van
asiel en migratie structureel beperkt.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering aan te geven welke onderdelen van het
Pact ruimte laten voor een restrictiever nationaal beleid dan het minimumniveau dat
door de EU wordt voorgeschreven. In welke mate kan Nederland in de toekomst zelfstandig
instroombeperkende maatregelen trekken zonder in strijd te komen met het Pact?
De leden van de SGP-fractie vragen de regering in te gaan op de vraag in hoeverre
het Pact daadwerkelijk zal leiden tot een daling van de instroom in Nederland. Wat
zijn de prognoses op dit punt en waarop zijn deze verwachting gebaseerd?
De leden van de SGP-fractie vragen hoe gaat worden voorkomen dat versnelde grensprocedures
in de praktijk alsnog leiden tot langdurig verblijf in Nederland. Welke aanvullende
maatregelen heeft de regering achter de hand, mocht hiervan toch sprake zijn?
De leden van de SGP-fractie wijzen op de aangenomen moties van het lid Diederik van
Dijk die het kabinet opdragen om bij de uitwerking van het Pact bevolkingsdichtheid
expliciet mee te wegen bij de bepaling van de Nederlandse solidariteitsbijdrage (Kamerstuk
36 410, nr. 87 en Kamerstuk 32 316, nr. 898). Welke acties zijn naar aanleiding van deze moties op Europees niveau genomen en
welke resultaten zijn er op dit punt geboekt? Blijft de regering ook in de toekomst
voortdurend aandacht vragen voor de hoge bevolkingsdichtheid van Nederland? Welke
mogelijkheden biedt het Pact om bij de nationale uitwerking factoren als bevolkingsdichtheid
mee te wegen, conform genoemde moties?
De leden van de SGP-fractie vinden dat de verdeelsleutel van de Crisisverordening
rekening zou moeten houden met de unieke demografische situatie van Nederland. Deelt
de regering de mening dat artikel 78 van het Pact ruimte biedt om een aangepaste verdeelsleutel
te hanteren? Is de regering bereid draagvlak te zoeken voor een gewijzigde verdeelsleutel
voor de crisisverordening waarin de bevolkingsdichtheid nadrukkelijk wordt meegewogen?
De leden van de SGP-fractie vinden dat de regering gesteld voor de keuze voor financiële
bijdrage of herplaatsing de draagkracht en situatie in het Nederlandse opvangsysteem
nadrukkelijk moet meewegen. Op dit moment heeft voor hen daarom een financiële bijdrage
de voorkeur boven herplaatsing van asielzoekers naar Nederland. Zij vragen wat de
financiële consequenties zijn indien Nederland kiest voor financiële bijdragen in
plaats van herplaatsing. In hoeverre is voorzien in ophoging van deze financiële bijdrage
over de jaren heen?
2.2. Uitgangspunten uitvoering en implementatie in nationale regelgeving
De leden van de VVD-fractie constateren dat de regering ervoor heeft gekozen om de
bestaande systematiek van de Vreemdelingenwet 2000 zoveel mogelijk in stand te houden.
Wat is volgens de regering de impact hiervan op de uitvoerbaarheid van de implementatiewet?
Zorgt deze keuze er volgens de regering voor dat bepaalde facultatieve aanscherpingen
uit het Pact niet kunnen worden ingevoerd?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Asielnoodmaatregelenwet en het voorstel voor
de Wet invoering tweestatusstelsel, die door de Kamer zijn aanvaard op 3 juli 2025,
vormgegeven zijn op basis van de stand van het Unierecht voor het toepasselijk worden
van het Pact. Een aantal maatregelen die in deze nationale wetten worden voorgesteld,
zijn ook terug te vinden in het Pact. Deze leden vragen of er onderdelen in de beide
nationale wetten zitten die niet direct in overeenstemming zijn met het Pact, nu het
Pact toepasselijk is geworden na het aanvaarden van de asielwetten door de Kamer.
De leden van de CDA-fractie lezen dat volgens de regering een strikte uitleg van het
overschrijfverbod, dat van toepassing is op verordeningen, niet past de in de situatie
van het asielrecht in onderhavig geval. Het Pact behelst namelijk een omvangrijk pakket
aan zowel materiële als procedurele regels. Deze leden begrijpen deze redenering in
het kader van een goede aansluiting op de nationale procedurele systematiek. Zij vragen
wel of de andere lidstaten dezelfde visie hebben over het overschrijfverbod in deze
situatie.
De leden van de JA21-fractie constateren dat de nationale asielprocedure sterk wordt
vereenvoudigd. Hoeveel tijd zal een gemiddeld asielverzoek volgens de reguliere procedure
naar verwachting in beslag gaan nemen? Verwacht de regering dat de vereenvoudiging
van de asielprocedure (en andere maatregelen die onderdeel vormen van het Pact) een
effect zal sorteren op de inwilligingspercentages? Kan de regering dit toelichten?
Wat zijn de belangrijkste beleidsvelden waar de nieuwe verordeningen nog specifieke
ruimte bieden voor nationaal beleid en kan de regering de daarin gemaakte keuzes toelichten?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de verordeningen ook facultatieve ruimte
laten om bepaalde aspecten nationaal in te vullen, zoals het als kennelijk ongegrond
of niet-ontvankelijk verklaren van asielverzoeken. Zijn er beleidsvelden of aspecten
van deze regelgeving waarbij de regering ervoor heeft gekozen om deze facultatieve
ruimte niet te benutten? Kan de regering dit toelichten? In welke gevallen kan het
besluit worden genomen om verzoeken tot bescherming ongegrond of niet-ontvankelijk
te verklaren, volgens de ruimte die de verordening biedt? In hoeverre worden deze
gevallen nu opgenomen in de voorliggende wetgeving dan wel de Asielnoodmaatregelenwet?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering ervoor kiest om de bestaande
wettelijke systematiek zoveel mogelijk in stand te laten, maar benadrukt ook dat de
combinatie van verordeningen, richtlijnen en nationale wetgeving het zeer complex
en weinig overzichtelijk maakt. Dat is uiteraard zeer onwenselijk. Op welke manier
kan de regering ervoor zorgen dat het bestaande juridische kader in zijn totaliteit
voldoende helder en inzichtelijk is voor burgers? Welke rol ziet de regering hier
nog voor zichzelf weggelegd? De termijnen voor behandeling van het beroep bij de rechter
zijn op dit moment gekoppeld aan procedures voor de behandeling van het verzoek om
internationale bescherming alsook aan verschillende gronden voor de afdoening van
het verzoek, waarbij de regering aangeeft het van belang te vinden die koppeling te
behouden om de termijnen «op een heldere manier te regelen». Kan de regering dat nader
toelichten? Waarom is dat de meest heldere manier? Welke ruimte biedt het acquis communautaire
om die termijnen te wijzigen? Verlening van de status als vluchteling of subsidiaire
bescherming, het rechtmatig verblijf en de geldigheidsduur worden nu geregeld met
de verblijfsvergunning asiel, maar er moet onderscheid worden gemaakt tussen de status
en de verblijfstitel. Wat gebeurt er als de geldigheidsduur van de verblijfstitel
verloopt, maar niet is vastgesteld dat dat de status van bescherming ook kan worden
beëindigd? Hoe vaak is de verwachting dat dit na inwerkingtreding van het pact zal
voorkomen?
De leden van de JA21-fractie constateren dat met het behoud van de wettelijke afdoeningsgronden
ook de aansluiting op de bepalingen in de Vw 2000 van toepassing blijft, waaronder
de schorsende werking van het beroep. Bij welke vormen van hoger beroep tegen welke
besluiten geldt een schorsende werking en bij welke niet? In hoeverre verplicht het
Europese recht de schorsende werking?
De leden van de SGP-fractie vragen of is voorzien in een voorhang- of nahangprocedure
bij Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) op grond van deze wet. Zo ja, op welke
onderdelen? Zo nee, waarom niet?
3. Terugkeer in het Asiel- en migratiepact
3.1. Relevantie Terugkeerrichtlijn
De leden van de VVD-fractie constateren dat de Terugkeerverordening nog geen onderdeel
is van dit wetsvoorstel omdat het Europese wetgevingstraject hiervoor nog niet is
afgerond. Verwacht de regering dat, in lijn met de wens van de Europese Commissie,
de Terugkeerverordening alsnog tegelijk met het Pact wordt geïmplementeerd? Verwacht
de regering voorts dat voor een volledige implementatie van deze verordening een supplementair
wetsvoorstel opgesteld dient te worden?
De leden van de JA21-fractie vragen of de automatische schorsende werking van beroep
tegen terugkeerbesluiten wordt beperkt tot gevallen waarin een reëel risico op schending
van het non-refoulementbeginsel bestaat. Klopt het dat de verordening daarin meer
mogelijkheden biedt? Zo ja waarom wijkt Nederland daarvan af? Wat is het huidige terugkeerpercentage
van afgewezen asielzoekers uit Nederland, uitgedrukt als percentage van het totaal
aantal personen met een vertrekplicht? Wat is de ambitie op dat vlak? Met welke specifieke
derde landen worden terugnameovereenkomsten nagestreefd of vernieuwd? Kan de regering
per land de stand van zaken vermelden? Wat is de concrete tijdlijn voor het sluiten
van nieuwe terugnameakkoorden? Met welke landen verwacht de regering binnen twaalf
maanden een overeenkomst te bereiken?
De leden van de JA21-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat uitgeprocedeerden langdurig
in Nederland verblijven zonder rechtmatig verblijf, zonder dat feitelijke uitzetting
plaatsvindt. Wat is de gemiddelde duur tussen definitieve afwijzing en daadwerkelijk
vertrek en met welke concrete maatregelen wordt deze termijn verkort? Het functioneren
van de grensprocedure, waarbij asielzoekers van wie de aanvraag wordt afgewezen niet
worden toegelaten tot het grondgebied, is, met name in landen als Italië en Griekenland,
van groot belang voor de werking van het Pact. Beschikken deze landen volgens de regering
over voldoende capaciteit hiertoe? Wat gebeurt er als daar te weinig opvangplekken
zijn?
3.2. Uitsluiten toepasselijkheid Terugkeergrensprocedureverordening
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat indien na 12 weken terugkeer nog
niet is gerealiseerd, dat de terugkeerprocedure uit de Terugkeerrichtlijn van toepassing
is. Kan de regering nader toelichten wat dit precies inhoudt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat terugkeerbeslissingen niet eerst
via vrijwillig vertrek verlopen, zoals wel in de EU-beginselen staat. Waarom is de
optie tot vrijwillig vertrek niet opgenomen in de grensprocedure?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering stelt dat het realiseren
van vertrek alleen in uitzonderingsgevallen meer tijd zal kosten dan de genoemde maximale
termijnen en uiteraard is het uitgangspunt dat detentie zo kort mogelijk duurt zodat
de vreemdeling kan terugkeren. In welke gevallen voorziet de regering dat terugkeer
langer dan de zes maanden zal duren en met nog een jaar kan worden verlengd? Kan de
detentie die in deze procedure (als ultimum remedium) tot de mogelijkheden behoort
ook worden uitgevoerd buiten Nederland, in een ander EU-land of in een derde land,
en onder welke voorwaarden? Hoeveel plekken zijn nu beschikbaar voor deze vorm van
detentie en voldoen die aan dezelfde kwaliteitsvoorwaarden als bij detentie na strafrechtelijke
veroordeling (los van de gezinslocatie in Zeist?), of gelden daarvoor andere voorwaarden?
In welke gevallen wordt een medische escorte ingezet ten behoeve van de uitzetting?
Hoe vaak is dit de afgelopen jaren gedaan?
4. Uitvoering Kwalificatieverordening (EU) 2024/1347
4.1. Algemeen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering ervoor kiest deze implementatiewet
op 12 juni 2026 in werking te laten treden. Voorwaarden voor gezinshereniging worden
in deze wet aangescherpt. Het kan dus zijn dat personen die voor 12 juni wel voldeden
aan de voorwaarden voor gezinshereniging dat na 12 juni niet meer doen. Wordt er voor
deze gevallen gezorgd voor overgangsrecht? Kan de regering onderbouwing geven dat
de onmiddellijke werking van de beperkingen ten aanzien van gezinshereniging niet
in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel?
De leden van de PVV-fractie vragen een nadere toelichting op het onderscheid tussen
de status van internationale bescherming en de verblijfstitel op grond waarvan de
bezitter van de status legaal op het grondgebied mag blijven. Deze leden lezen in
de memorie van toelichting dat het louter verlopen van de geldigheidsduur van de verblijfstitel
niet impliceert dat de status eindigt, maar dat daarvoor een formele intrekking is
vereist. Kan de regering uitleggen waarom een verblijfstitel met een beperkte duur
van enkele jaren wordt afgegeven, als het verlopen ervan geen gevolgen heeft voor
het rechtmatig verblijf, zolang er geen intrekking plaatsvindt?
De leden van de PVV-fractie vragen of het juist is dat de regering bewust kiest voor
een marginale toetsing bij het verlopen van een tijdelijke asielvergunning, waarbij
slechts oppervlakkig wordt nagegaan of de grond voor internationale bescherming nog
bestaat, zonder dat een volledige herbeoordeling plaatsvindt.
De leden van de PVV-fractie vragen of de IND altijd overgaat tot herbeoordeling wanneer
een nieuw ambtsbericht wordt gepubliceerd en het landenbeleid wordt aangepast. In
welke gevallen gaat de IND over tot herbeoordeling van een verblijfsvergunning? Hoe
vaak is dit in de afgelopen vijf jaar voorgekomen? Deze leden vragen voorts om een
concrete kwantificering van de effectiviteit van het beleid. Hoe vaak is in de afgelopen
vijf jaar een verblijfsvergunning asiel herbeoordeeld? In hoeveel van die gevallen
is de internationale bescherming vervolgens komen te vervallen? In hoeveel van die
gevallen is de vreemdeling daadwerkelijk uit Nederland vertrokken?
De leden van de JA21-fractie vragen in hoeverre wordt getoetst op artikel 8 van de
Verordening over de mogelijkheid tot binnenlandse bescherming en of deze praktijk
verandert. De vluchtelingenstatus kan worden ingetrokken op grond van «cessation»
of «exclusion» causes of als blijkt dat relevante feiten zijn achtergehouden, verkeerd
weergegeven, en/of valse documenten zijn gebruikt. Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar
een status ingetrokken vanwege het verkeerd weergeven van feiten, het weglaten van
feiten, dan wel het tonen van valse documenten, en wanneer werd dat vastgesteld? In
welke mate wordt naderhand gecontroleerd op deze feiten en wanneer wordt daartoe besloten?
Graag een toelichting.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe het recht op repatriëring op grond van Hoofdstuk
VI artikel 36 gestalte krijgt. Kan de regering toelichten wat dat behelst en hoe vaak
daarvan gebruik wordt gemaakt? De Kwalificatieverordening en het nationale beleid
openbare orde bij verlening en intrekking van asielvergunningen maken het mogelijk
om bij bepaalde misdrijven een asielvergunning te weigeren of in te trekken en een
inreisverbod op te leggen. Welke ruimte is er op grond van deze wetgeving en de bijbehorende
jurisprudentie om te komen tot een uitbreiding van het weigeren en intrekken van de
vergunningen? Is het mogelijk om een beleidslijn te hanteren waarin voor asielzoekers
en statushouders die zijn veroordeeld voor gewelds- en zedendelicten wordt overgegaan
tot intrekking of weigering van de vergunning?
De leden van de BBB-fractie merken op dat een belangrijke wijziging is dat het Nederlandse
eenstatusstelsel wordt losgelaten. Waar voorheen iedereen die internationale bescherming
kreeg één uniforme asielstatus ontving, wordt nu verplicht onderscheid gemaakt tussen
twee afzonderlijke statussen: de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus.
De IND moet voortaan expliciet vaststellen welke van deze twee statussen wordt toegekend.
De leden van de BBB-fractie constateren dat, hoewel de verordening rechtstreeks werkt
in de lidstaten, de verblijfsvergunning asiel een nationaal besluit blijft. Er ontstaat
daarmee een duidelijke scheiding tussen de internationale beschermingsstatus (die
voortvloeit uit het Unierecht) en de nationale verblijfstitel. De beschermingsstatus
blijft bestaan totdat deze formeel wordt ingetrokken. De verblijfstitel zelf krijgt
een geldigheidsduur van drie jaar en kan telkens met drie jaar worden verlengd. De
asielvergunning voor onbepaalde tijd wordt afgeschaft. Dit past binnen het uitgangspunt
van de verordening dat internationale bescherming in beginsel tijdelijk van aard is.
Dat betekent echter niet dat langdurig verblijf onmogelijk wordt: daarvoor blijven
andere routes bestaan, zoals de EU-langdurig-ingezetenstatus, een verblijfsrecht op
grond van artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) of naturalisatie.
Hoe voorkomt de regering dat het striktere nareisregime voor subsidiair beschermden
volledig wordt uitgehold via procedures op basis van artikel 8 EVRM, waarbij rechters
alsnog verblijf afdwingen? Kan de regering aangeven hoeveel extra artikel 8 EVRM-procedures
zij verwacht?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de verordening ook bepalingen over het verblijf
van gezinsleden bevat. Meegereisde gezinsleden behouden hun verblijfsrecht zolang
de hoofdpersoon internationale bescherming geniet. Voor nareizende gezinsleden ligt
dit genuanceerder en wordt onderscheid gemaakt naar gelang de beschermingsstatus van
de hoofdpersoon. In het geval van erkende vluchtelingen blijft de Gezinsherenigingsrichtlijn
van toepassing. Dat betekent dat, indien de aanvraag tot gezinshereniging binnen drie
maanden na statusverlening wordt ingediend, een relatief gunstig regime geldt zonder
zware aanvullende voorwaarden.
De leden van de BBB-fractie merken echter op dat voor subsidiair beschermden de Gezinsherenigingsrichtlijn
echter niet geldt. Nederland kiest ervoor aanvragen van deze groep te toetsen aan
artikel 8 EVRM, dat het recht op eerbiediging van het gezinsleven beschermt. Binnen
de beoordelingsruimte die dit artikel biedt, stelt de wetgever aanvullende voorwaarden.
Zo geldt een wachttermijn van twee jaar, wordt een inkomens- en huisvestingseis gesteld
en wordt de kring van gerechtigde gezinsleden beperkt tot het kerngezin: de echtgenoot
of echtgenote, minderjarige kinderen en – in het geval van een alleenstaande minderjarige
– de ouders. Mogelijkheden voor meerderjarige kinderen, ongehuwde partners en pleegkinderen
komen daarmee te vervallen. De regering verwacht dat deze aanscherpingen een dempend
en vertragend effect zullen hebben op de nareisinstroom en daarmee op de druk op opvangvoorzieningen
en andere publieke voorzieningen
4.2. Van een eenstatusstelsel naar een tweestatusstelsel
De leden van de D66-fractie constateren dat het voorliggende wetsvoorstel, evenals
het voorstel voor de Wet invoering tweestatusstelsel en de Asielnoodmaatregelenwet,
gezinshereniging voor enkele groepen afschaft. Het betreft onder andere ongehuwde
partners en pleegkinderen. Tijdens de behandeling van voornoemde wetsvoorstellen gaf
de Minister van Asiel en Migratie aan dat er altijd ambtshalve zal worden getoetst
of deze aanvragers volgens artikel 8 EVRM alsnog recht hebben op gezinshereniging.
Deze leden ondersteunen uiteraard het feit dat dit recht via deze weg blijft bestaan,
maar vrezen ook voor een hogere werklast voor de IND en langere procedures, terwijl
de uitkomst van de procedure niet zal verschillen. Kan de regering nogmaals toelichten
wat het effect van deze maatregel zal zijn en of het daarmee als doelmatig kan worden
bestempeld?
De leden van de VVD-fractie ondersteunen een zo snel mogelijke inwerkingtreding van
een tweestatusstelsel en constateren dat de Wet Invoering Tweestatusstelsel hiervoor
het snelste middel is. Deze leden vrezen bij de invoering van een tweestatusstelsel
wel dat de druk op de Rechtspraak toe zal nemen omdat asielzoekers die een verblijfsvergunning
op grond van subsidiaire bescherming krijgen zullen doorprocederen om als verdragsvluchteling
aangemerkt te worden. Welke maatregelen neemt de regering om deze druk zoveel mogelijk
te beperken, zonder hierbij afbreuk te doen aan het instroombeperkend effect van een
tweestatusstelsel?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering meent dat de invoering
van een tweestatusstelsel dwingend volgt uit het Pact. Hierover hebben deze leden
de volgende vragen. Zijn er EU-lidstaten die dit niet in hun (concept) implementatiewet
hebben opgenomen? Erkent de regering ook dat er Unierechtelijk ruimte is om niet te
differentiëren tussen de rechten van de twee statussen? De regering stelt dat de status
van een subsidiair beschermde eerder kan worden ingetrokken wegens een gewijzigde
situatie in het land van herkomst. Is de regering van mening dat dit dwingend uit
het Pact volgt? Zo ja, kan de regering toelichten hoe zij tot deze beslissing komt?
Kan de regering toelichten hoe de individuele omstandigheden – zoals gezinsvorming
of werk – worden betrokken bij een besluit tot intrekking van de verblijfstitel? Kan
de regering er dus voor kiezen om bij de intrekking van de verblijfsvergunning voor
beide groepen dezelfde regels te hanteren? Zo ja, erkent de regering dan ook dat daarmee
het procesbelang bij de rechter kleiner wordt? Zo nee, waarom niet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de regering stelt dat nationale
verschillen niet meer zijn toegestaan, omdat de Kwalificatieverordening verdere harmonisatie
beoogt van de status van internationale bescherming. Deze leden constateren echter
dat het doel van het vorige kabinet was om in Nederland het strengste asielbeleid
van alle EU-lidstaten te hebben. Deze leden constateren voorts dat deze implementatiewet
van het vorige kabinet komt en dat het huidige kabinet deze wet overneemt. De nationale
invulling zoals de scherpere nareisvoorwaarden voor subsidiair beschermden, die passen
bij de ambitie om het strengste asielbeleid van de EU te hebben, gaan volgens deze
leden tegen het principe in van verdere harmonisatie. Hoe ziet de regering dit?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering terecht stelt dat de
Kwalificatieverordening beoogt de rechten en plichten die aan beide groepen statussen
zijn verbonden, zoveel mogelijk gelijk te trekken. Juist daarom snappen deze leden
niet, waarom ook in dit wetsvoorstel, net als in de twee nationale asielwetten, de
regering er weer voor kiest om de verschillen tussen deze groepen groter te maken.
Zij hebben hier enkele vragen over. Erkent de regering dat het onderdeel van strengere
nareisvoorwaarden voor subsidiair beschermden niet in lijn is met verdere EU-harmonisatie?
Klopt het dat een groeiende meerderheid van lidstaten dezelfde rechten voor gezinshereniging
toekent aan vluchtelingen en subsidiair beschermden, zoals weergeven in de EMN benchmark
gezinshereniging vluchtelingen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat bij de totstandkoming van de Vreemdelingenwet
2000 voor een eenstatusstelsel is gekozen om te voorkomen dat een vreemdeling die
een subsidiaire beschermingsstatus kreeg, zou doorprocederen tegen de weigering om
hem de vluchtelingenstatus te geven. Deze leden vragen of dat risico nu weer ontstaat
met de invoering van een tweestatusstelsel, of dat met de aanvullende waarborgen uit
de Asielnoodmaatregelenwet daarop is geanticipeerd.
De leden van de CDA-fractie lezen dat onder het Pact altijd een inhoudelijke behandeling
van het beroep mogelijk moet zijn wanneer de beslissing op een asielaanvraag wel strekt
tot verlening van de subsidiaire beschermingsstatus, maar de vluchtelingenstatus wordt
geweigerd. Deze leden vragen of dit naar verwachting gaat leiden tot een hogere druk
op de IND en de Rechtspraak. Zo ja, hoe wordt geborgd dat dit niet leidt tot grote
vertragingen in de asielketen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de vreemdeling die de subsidiaire beschermingsstatus
verkrijgt, recht heeft op inhoudelijke behandeling van een beroep tegen afwijzing
van de vluchtelingstatus. Kan de regering een inschatting geven welk effect dit heeft
op de rechtspraak? Hoeveel extra inhoudelijke zaken worden verwacht ten gevolge van
deze maatregel uit de Kwalificatieverordening en wat gaat de regering doen om te voorkomen
dat het aantal vreemdelingenzaken zo hoog oploopt dat de doorlooptijden te lang worden?
Daarnaast vragen deze leden welke andere rechtsgebieden gevolgen zullen ondervinden
van een toenemende druk op de rechtspraak vanwege de vreemdelingenzaken.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering toe te lichten hoe de procedure of
beoordelingscriteria verschillen bij het intrekken van de status van subsidiaire bescherming
en de status van vluchteling. Wat is de huidige stand van de jurisprudentie ten aanzien
van de beoordeling of sprake is van non-refoulement in verband met art. 3 EVRM, wegens
het risico op schade of onmenselijke behandeling? Dit mede in het licht van de uitspraak
dat Nederland alleenstaande mannelijke asielzoekers uit België niet mocht terugsturen
naar dat land.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering te verduidelijken of met deze
invoeringswet gekozen is om precies dezelfde vormgeving van de verschillende rechten
van de twee statussen aan te houden als de Wet invoering tweestatusstelsel, inclusief
de aanvullende voorwaarden voor nareis bij subsidiair beschermden. Klopt het dat deze
verplichting niet volgt uit Europese richtlijnen en verordeningen? Deze leden vinden
het teleurstellend dat aan de opnieuw geformuleerde bezwaren van onder andere de Afdeling
niet tegemoet is gekomen door de regering.
4.3. Verblijfstitel
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering het verschil tussen een
verblijfsvergunning en een verblijfstitel concreet te maken.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering ervoor kiest om, in
plaats van aan te sluiten bij de systematiek uit de Kwalificatieverordening van een
status en een verblijfstitel, te blijven bij de systematiek van een asielvergunning.
In het nader rapport op pagina 21 staat het volgende: «Hier lijkt volgens de regering
dus een incongruentie te bestaan in de systematiek van de Kwalificatieverordening.
Het is aan het Hof van Justitie van de EU om zo nodig de juiste uitleg te bepalen».
Hoe verhoudt deze constatering zich tot het voornemen van de regering om de ruimte
van de nationale vreemdelingenrechter om prejudiciële vragen te stellen te beperken,
zoals blijkt uit de brief van de Secretaris-Generaal aan de informateur van 30 januari
2026 naar aanleiding van het informatieverzoek protocol EVRM? Schuilt er een juridisch
risico in het gelijkstellen van de beschermingsstatus aan een verblijfsvergunning,
terwijl de verblijfstitel eigenlijk de vergunning is?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat in het wetsvoorstel een tegenstelling
zit waarbij de kans groot is dat deze tot juridische procedures zal leiden. De regering
verkort de geldigheid van de verblijfsvergunning naar drie jaar en schaft de asielvergunning
van onbepaalde tijd af, waarbij de regering zich baseert op de bepaling over de verblijfstitel
in plaats van de status. Klopt het dat niet de geldigheidsduur van de asielvergunning
(status) wordt ingekort, maar alleen van de verblijfstitel, wat met deze implementatie
neerkomt op alleen een verblijfsdocument?
4.4. Geldigheidsduur verblijfstitel wordt verkort van vijf naar drie jaar
De leden van de VVD-fractie ondersteunen de ambitie om de verblijfstitel te verkorten
van vijf naar drie jaar. In hoeverre vindt er, in het geval een vreemdeling na drie
jaar opnieuw een verblijfstitel aanvraagt, een volledige nieuwe toets plaats om te
bezien of de vreemdeling recht heeft op een nieuwe vergunning? Welke maatregelen neemt
de regering om te voorkomen dat deze tweede beoordeling in de praktijk weinig voor
zal stellen? Is de regering daarnaast van plan om ook tijdens de duur van de verblijfstitel
te onderzoeken of er grond is om de vergunning in te trekken? Of zal dit alleen plaatsvinden
als er concrete signalen zijn?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat het nut is van de verkorting van
de verblijfstitel. Uit welk onderzoek blijkt asielzoekers een bewuste keuze maken
om asiel aan te vragen in een land met vergunningen met een langere verblijfsduur?
Ziet de regering ook de grote nadelen van een kortere verblijfsduur van de verblijfsvergunning
zoals de blijvende onzekerheid over verlenging en een drempel voor het verkrijgen
van vast werk, het bemoeilijken van afsluiten van leningen en starten van een eigen
bedrijf?
4.5. Verblijf gezinsleden
De leden van de PVV-fractie constateren dat bij nareizende huwelijkspartners een minimumleeftijd
van 18 jaar zal worden gehanteerd. Graag ontvangen zij een toelichting waarom de regering
afziet van een verhoging naar 21 jaar, gegeven het feit dat asielzoekers uit landen
waar uithuwelijken normaal is doorgaans slecht integreren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat gezinshereniging van vluchtelingen
zonder extra voorwaarden alleen mogelijk is als dit binnen drie maanden binnen de
toekenning van de vluchtelingenstatus wordt aangevraagd. Hier hebben deze leden enkele
vragen bij en vragen deze gelieve individueel te beantwoorden. Kan de regering toelichten
waarom vluchtelingen de aanvraag voor gezinshereniging binnen drie maanden moeten
doen, om niet te vallen onder de strengere eisen van subsidiaire beschermde? Kan de
regering aangeven of dit direct volgt uit het Pact of dat dit een nationale keuze
is en het dus mogelijk is om deze maatregel niet te implementeren? Zijn er andere
lidstaten die deze maatregel toepassen en zo ja, welke? Kan de regering aangeven hoeveel
procent van de vluchtelingen op dit moment na de drie maanden een aanvraag doet? Om
hoeveel vluchtelingen gaat dit en om hoeveel mensen die in het kader van gezinshereniging
hierheen komen gaat dit? Bij hoeveel houders van de vergunning op de a-grond met een
lopende gezinsherenigingsaanvraag zullen partner, meerderjarig of pleegkind na inwerkingtreding
van de wet worden afgewezen? Bij hoeveel daarvan is de negen maanden beslistermijn
reeds overschreden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat het vaak lastig is voor LHBTQI-stellen
om gezinshereniging toegekend te krijgen, aangezien zij soms in het land van herkomst
niet kúnnen trouwen en hun eventuele kinderen in het land van herkomst niet zijn erkend.
Wat zijn de gevolgen van deze implementatiewet voor gezinshereniging van LHBTQI-stellen?
Zorgt de regering ervoor dat het niet kunnen trouwen of het niet erkennen van kinderen
van LHBTQI-stellen geen reden is om gezinshereniging te weigeren?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het voor subsidiair beschermden
moeilijker wordt om gezinshereniging te krijgen en dat dit een keuze is die niet noodzakelijk
volgt uit het Pact. Zij hebben hier enkele vragen bij. Klopt het dat het een keuze
is om gezinshereniging te beperken voor subsidiair beschermden en dit niet dwingend
voortkomt uit het Pact? Wat zijn de gevolgen voor vluchtelingen met subsidiaire bescherming
die wel het recht hebben in Nederland te blijven, maar (mogelijk) nooit met hun gezin
kunnen herenigen omdat zij niet aan alle drie de vereisten kunnen voldoen? Welk percentage
subsidiair beschermden die nu gezinshereniging toegekend krijgen zullen dit onder
deze voorwaarden ook krijgen? Hoeveel houders van een vergunning op de b-grond hebben
naar schatting op 12 juni een lopende gezinsherenigingsaanvraag? Van hoeveel van hen
is de beslistermijn van negen maanden verlopen? Hoeveel van hen verblijven nog in
de centrale opvang? Wanneer zullen zij hun afwijzing van de gezinsherenigingsaanvraag
van de IND ontvangen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom is gekozen voor drie cumulatieve
eisen waardoor gezinshereniging vrijwel onmogelijk wordt en grote kans is dat op grond
van het evenredigheidsbeginsel de rechter dit onrechtmatig zal achten. Waarom is niet
alleen gekozen voor een reëel inkomensvereiste met een aan termijn gebonden inspanningsverplichting,
gezien de grote afstand tot de arbeidsmarkt? Acht de regering de combinatie van eisen
in overeenstemming met artikel 8 EVRM, mede gelet op de jurisprudentie van het Europees
Hof voor de Rechten van de Mens die eist dat gezinshereniging niet onmogelijk mag
worden gemaakt en dat er een individuele belangenafweging wordt gemaakt? Hoe ziet
de regering het feit dat de werklast met meer beroepszaken op artikel 8 EVRM voor
de IND verder zal toenemen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat ook ten aanzien van alleenstaande
minderjarige kinderen de regering voornemens is een wachttermijn van twee jaar te
hanteren voor nareis. Hoe acht de regering dit in overeenstemming met artikel 3 Internationaal
Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), dat verplicht het belang van het kind
de eerste overweging te laten zijn? Is de regering zich bewust van de ernstige schade
die een jarenlange scheiding van de ouders voor het kind tot gevolg heeft? Hoe verhoudt
de keuze om ook voor kinderen gezinshereniging te beperken zich tot de rechten die
voortkomen uit het IVRK, met name tot artikel 5 en 9?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de vorige regering over de
wachttijd voor alleenstaande minderjarige kinderen schreef dat de motivering was dat
er hierdoor minder minderjarige kinderen vooruit worden gestuurd. Een dergelijke redenering
betekent wel dat het belang van het kind voor dit motief wordt opgeofferd. Houdt deze
regering vast aan dit motief? Is de regering bekend met het voorbeeld uit Duitsland
waar in 2016 langdurige uitstel van gezinshereniging is toegepast op mensen die een
b-status kregen? Hier nam het aantal vluchtelingen met een b-status ineens snel toe
en nam toekenning van de a-status af, tegen de afspraken in. Ook werden er veel meer
beroepen ingesteld waarna in de helft van de gevallen alsnog een a-status werd toegekend.
Hoe gaat de regering ervoor zorgen dat niet hetzelfde gebeurt als in Duitsland? Wat
zijn volgens de regering de verschillen tussen dit Duitse voorbeeld en de Nederlandse
praktijk na de implementatie van de wet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de verblijfsvergunning asiel wordt
verleend met ingang van de dag na de bekendmaking van de beschikking. Hoe verhoudt
deze beslissing zich tot de declaratoire werking van vluchtelingschap? Betekent dit
dat vluchtelingen veel later in aanmerking komen voor een eventuele vergunning EU-langdurig
ingezetenschap of naturalisatie?
De leden van de CDA-fractie lezen dat nareizende gezinsleden van een vreemdeling die
de subsidiaire beschermingsstatus heeft, in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning
asiel op grond van artikel 29d Vreemdelingenwet 2000 indien onder andere de vreemdeling
met subsidiaire bescherming zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen
van bestaan. Kan de regering toelichten wat hier precies onder wordt verstaan en wat
niet? En wanneer wordt de AMvB gepubliceerd waarin nadere regels worden gesteld?
De leden van de CDA-fractie lezen dat alleenstaande minderjarige kinderen worden uitgezonderd
van het inkomens- en huisvestingsvereiste, maar niet van de wachttermijn van twee
jaar. De regering schrijft dat het stellen van een wachttermijn kan bijdragen aan
het verminderen van het vooruitreizen van alleenstaande minderjarige vreemdelingen.
Deze leden vragen of dit inderdaad de verwachting is, en wat het inhoudt voor de procedure
als de alleenstaande minderjarige vreemdeling tijdens de wachttermijn meerderjarig
wordt.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de beperking van de mogelijkheid tot nareis
als gezinslid tot gehuwde partners en minderjarige kinderen onverlet laat dat ongehuwde
levenspartners en meerderjarige kinderen zich kunnen beroepen op het recht op eerbiediging
van het gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 EVRM. Bij de aanvraag wordt telkens
een individuele belangenafweging gemaakt als er sprake is van een gezinsleven. Deze
leden vragen wat de verwachting is van de druk die op de rechtspraak komt te liggen
met deze maatregel.
De leden van de JA21-fractie vragen wat de huidige termijn is waarop aanvragen voor
gezinshereniging in behandeling kunnen worden genomen. Is deze de afgelopen zes maanden
toegenomen? Hoeveel statushouders wachten nu op de behandeling van een aanvraag voor
gezinshereniging? In hoeverre wordt nu bij aanvragen voor gezinshereniging door minderjarige
vreemdelingen getoetst of de gezinshereniging ook in een ander land kan plaatsvinden,
dat wil zeggen: het land waar de ouders zich nog bevinden, indien dat als veilig land
wordt beschouwd? Wat verklaart de toename van de instroom van minderjarige asielzoekers
naar Nederland? Meent de regering dat Nederland nu aantrekkelijker is voor deze jongeren
dan andere Europese landen en in hoeverre heeft dat te maken met specifieke Nederlandse
invulling van de Europese regels? Kan de regering dit toelichten?
4.6. Afschaffen verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd
De leden van de PVV-fractie vragen of, en onder welke voorwaarden, vreemdelingen met
een asielvergunning voor bepaalde tijd een Nederlands paspoort aan kunnen vragen.
Ook vragen zij of de regering een inschatting kan maken van hoeveel vreemdelingen
hier gebruik van zullen maken. Verder vragen deze leden hoeveel vreemdelingen met
een asielvergunning voor bepaalde tijd gebruik zullen gaan maken van de EU-langdurig
ingezetene status en hoeveel de regering verwacht in te willigen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Kwalificatieverordening vereist
dat lidstaten een asielvergunning afgeven van drie jaar of tenminste één jaar (in
het geval van subsidiair beschermden). Hieruit maken deze leden niet op dat een vergunning
van onbepaalde tijd niet mag van het Pact, met name door het woord «tenminste». Hierover
hebben deze leden de volgende vragen en vragen zij gelieve deze afzonderlijk te beantwoorden.
Kan de regering toelichten waarom zij van mening is dat de afschaffing van een verblijfsvergunning
voor onbepaalde tijd dwingend volgt uit het Pact? Zijn er andere EU-lidstaten die
hierin een andere afweging maken? Stopt Frankrijk met de verstrekking van de «Carte
de dix ans» vergunning? Waarom wil de regering afwijken van de vaste praktijk die
de EU-wetgever schetst in de preambule punt 100 Procedureverordening dat lidstaten
ervoor zorgdragen dat binnen tien jaar de meeste vluchtelingen een permanente status
hebben of al genaturaliseerd zijn? Wat is volgens de regering de meerwaarde van afschaffing?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de regering zich voor de afschaffing
van de vergunning onbepaalde tijd (die dus niet ingetrokken kan worden bij gewijzigde
situatie in het land van herkomst) deels baseert op jurisprudentie van het EU-Hof.
Hierin wordt verwezen naar Bilali (2019) en M’Bodj (2014). Maar zien deze beide casussen
niet op onterecht verleende beschermingsstatussen die moesten worden ingetrokken en
niet op een veranderde omstandigheid in het land van herkomst? Hoe ziet de regering
gelijke behandeling van statushouders in het werkveld en de toegang tot werk van statushouders
gezien een tijdelijke verblijfsvergunning arbeidsparticipatie in de weg staat? Hoe
valt de gestelde verplichting tot afschaffing van een verblijfsvergunning van onbepaalde
tijd te rijmen met de voor onbepaalde tijd geldige EU-verblijfsvergunning als langdurig
ingezetene die wel mag worden toegekend?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat voor een EU-verblijfsvergunning
als langdurig ingezetene een inkomenseis geldt, wat betekent dat een groot deel van
de vluchtelingen altijd in onzekerheid over een verblijfsvergunning zal verkeren.
Welk effect heeft dat volgens de regering op deze vluchtelingen, op hun participatie
en op de maatschappij? Mogen landen het niveau van dit inkomensvereiste zelf stellen?
Voor reguliere migranten bestaat de mogelijkheid om na tien jaar zonder inkomenseis
een vergunning onbepaalde tijd regulier te verwerven. Wat is het gerechtvaardigd onderscheid
om vluchtelingen een minder goede rechtspositie te geven dan reguliere migranten?
Moet voor vluchtelingen waar immers sprake is van gedwongen migratie en een lagere
kans op het voldoen aan een inkomensvereiste niet juist geen of een soepeler inkomensvereiste
worden gehanteerd, waarbij de nadruk ligt op een inspanningsverplichting? Wat is de
planning voor het mogelijk maken van naturalisatie voor individuen van wie tweemaal
de verblijfsvergunning is verlengd, zoals opgeschreven in het Coalitieakkoord 2026–2030
op pagina 40? Hoe verhoudt het afschaffen van de verblijfsvergunning onbepaalde tijd
zich tot de belofte in het Coalitieakkoord «Meedoen wordt de norm»? Erkent de regering
dat meedoen bemoeilijkt wordt als statushouders jaren in onzekerheid blijven?
De leden van de VVD-fractie constateren dat de verblijfsvergunning EU-langdurig ingezetene
een alternatief zal worden voor vreemdelingen die een verblijfsvergunning voor onbepaalde
tijd wensen te bemachtigen. In hoeverre bestaat er volgens de regering in Nederland
nog ruimte om de voorwaarden voor het verkrijgen van de EU-langdurig ingezetene status
verder aan te scherpen?
De leden van de JA21-fractie constateren dat om in aanmerking te komen voor de EU-status
van langdurig ingezetene de aanvrager het inburgeringsexamen moet hebben gedaan. Welke
eisen mogen aan dit inburgeringskader worden gesteld op grond van Europese wetgeving
en in hoeverre zijn de eisen waaraan moet worden voldaan en de procedure voor het
afnemen van het examen, facultatief?
5. Uitvoering Procedureverordening (EU) 2024/1348
5.1. Algemeen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van groot belang dat de procedures
zorgvuldig zullen plaatsvinden en dat het afschaffen van procedurele waarborgen geen
invloed heeft op de zorgvuldigheid van de feitenvaststelling en de besluitvorming.
Ook is er op deze manier een risico dat de werklast verschuift naar de rechterlijke
macht doordat er waarschijnlijk meer procedures en beroepen plaatsvinden. Zij hebben
hier enkele vragen bij en vragen gelieve deze afzonderlijk te beantwoorden. Hoe verhouden
het afschaffen van procedurele stappen zoals het aanmeldgehoor, de rust- en voorbereidingstijd,
het voornemen, de zienswijze en het recht op rechtsbijstand voorafgaand aan het gehoor
zich tot de waarborgen van het bestuursrechtelijke zorgvuldigheidsbeginsel en de Europeesrechtelijke
verplichting dat asielzoekers zich goed moeten kunnen voorbereiden op hun gehoor?
Worden de negatieve gevolgen van het wegvallen van deze waarborgen gecompenseerd met
alternatieve procedurele stappen, bijvoorbeeld in de voorlichting van asielzoekers?
De IND stelde in het NOS-artikel van 11 februari 2026 dat de rechter nu in ongeveer
15 procent van de gevallen aangeeft dat een IND-procedure niet zorgvuldig genoeg is
geweest.1 Zij verwachten dat dit onder het Pact wellicht 16 of 17 procent zal worden. Kan de
regering aangeven waar deze inschatting op is gebaseerd? Hoe verhoudt deze inschatting
zich tot de inschatting van de Rvdr, waarin zij stelt dat de maatregelen zorgen voor
een toename van de doorlooptijden en duizend extra asielzaken per jaar?
Een van de wijzigingen die wordt doorgevoerd met deze implementatiewet is de inkorting
van asielprocedures met kortere termijnen in de besluitvorming, zo lezen de leden
van de GroenLinks-PvdA-fractie. Zijn er waarborgen om die nieuwe termijnen, ondanks
de bestaande lange wachttijden, te halen? Zo ja, welke? Als er gebruik wordt gemaakt
van een tweesporenbeleid waarin nieuwe aanvragen met voorrang worden behandeld, hoe
wordt dan voorkomen dat de wachttijden van de bestaande voorraad nog verder oplopen?
Hoe ziet de regering het feit dat er in het verleden aparte regelingen moesten worden
opgetuigd om de beslisachterstanden op te lossen in relatie tot het tweesporenbeleid?
Ziet de regering het risico dat er weer asielzoekers jaren zullen moeten wachten in
Nederland? Als nu al wachtende asielzoekers nog langer in de procedure moeten blijven,
wordt daar dan rekening mee gehouden bij de toepassing van aanvullende nareisvoorwaarden
om een onaanvaardbaar lange scheiding van familieleden in het licht van artikel 8
EVRM te voorkomen?
De leden van de JA21-fractie vragen wat het gevolg is als geen geluidsopname wordt
gemaakt van het persoonlijk onderhoud, maar wel een schriftelijk verslag. Welke gevolgen
heeft dat voor het verzoek en de procedure? In hoeverre wordt voorzien in het gebruik
van artificial intelligence (AI) om verhoren te vertalen, accenten te herkennen en
daarmee het land en de regio van herkomst te kunnen inschatten, en/of om het onderhoud
om te zetten in schriftelijke teksten? Welke kansen ziet de regering daarbij? Wat
gebeurt er als zaken in de versnelde procedure niet tijdig beoordeeld zijn?
De leden van de BBB-fractie constateren dat de Procedureverordening beoogt de regels
voor de behandeling van asielaanvragen in de EU zoveel mogelijk gelijk te trekken
en dat lidstaten daardoor nog maar weinig ruimte hebben voor eigen procedureregels.
Het doel is om verschillen tussen nationale asielprocedures te verkleinen en de afhandeling
sneller en uniformer te maken. Voor Nederland betekent dit dat verschillende bekende
nationale procedureonderdelen verdwijnen. Zo vervallen onder meer de rust- en voorbereidingstermijn
(de periode waarin een asielzoeker zich kan voorbereiden op de procedure), de vaste
procesdagen en de voornemenprocedure (waarbij eerst een schriftelijk voornemen tot
afwijzing wordt uitgebracht waarop de asielzoeker kan reageren). De procedure wordt
flexibeler ingericht en minder formeel opgebouwd. Het gehoor (het persoonlijk interview)
wordt het centrale moment in de asielprocedure. Er zijn geen verplichte extra schriftelijke
rondes meer waarin standpunten worden uitgewisseld. De nadruk ligt dus sterker op
het mondelinge onderzoek tijdens het gehoor. Daarnaast stelt de verordening strikte
termijnen voor de afhandeling van asielzaken: niet-ontvankelijkheidsprocedures (bijvoorbeeld
als een andere lidstaat verantwoordelijk is) moeten in principe binnen twee maanden
worden afgerond, versnelde procedures moeten binnen drie maanden worden afgerond en
reguliere procedures moeten binnen zes maanden worden afgerond. Verlenging van deze
termijnen is slechts in beperkte gevallen mogelijk.
De leden van de BBB-fractie constateren dat na een rechterlijke uitspraak de druk
wordt opgevoerd: als de rechter een besluit vernietigt, moet de overheid binnen een
verkorte termijn opnieuw beslissen. Ook worden de beroepstermijnen (de tijd waarbinnen
een asielzoeker in beroep kan gaan tegen een besluit) verkort. In veel gevallen bedraagt
die termijn nog maar één of twee weken. Wat gebeurt er als de strikte EU-termijnen
structureel niet worden gehaald? Ontstaat dan automatisch rechtmatig verblijf of toegang
tot Nederland? Of kunnen wij andere landen dan afdwingen asielzoekers van ons over
te nemen op basis van het solidariteitsmechanisme?
De leden van de BBB-fractie constateren dat een asielverzoek als niet-ontvankelijk
kan worden beschouwd als een asielzoeker naar een veilig, derde land kan worden gestuurd
voor de behandeling van zijn verzoek om bescherming. Hiervoor is echter wel een «band»
vereist met een derde land, zoals een eerdere verblijfplaats, werk, familie of studie.
Kan de regering toelichten waarom hiervoor gekozen is? Waarom moet er sprake zijn
met een band met het derde land? De betreffende vluchteling heeft met Nederland toch
ook geen «band»? Erkent de regering dat het bandencriterium richting derde landen
in de praktijk zeer lastig te bewijzen is en daarmee vooral juridisch, maar nauwelijks
feitelijk, bijdraagt aan terugkeer?
5.2. Schrappen nationale procedureregels
De leden van de JA21-fractie constateren dat de Procedureverordening toestaat dat
de schorsende werking van rechtsmiddelen in bepaalde categorieën zaken, onder meer
bij kennelijk ongegronde aanvragen en bij bedreiging van de openbare orde of nationale
veiligheid, wordt beperkt of uitgesloten, mits een effectieve rechterlijke toets gewaarborgd
blijft. Is de regering bereid om voor asielzoekers die zijn veroordeeld voor (bepaalde)
misdrijven stelselmatig gebruik te maken van de mogelijkheid om beroep en (vooral)
hoger beroep niet automatisch schorsende werking te geven, zodat strafrechtelijke
veroordeling sneller kan worden gevolgd door feitelijke uitzetting? Zo nee, kan de
regering per relevant artikel uit de Procedureverordening aangeven waarom deze route
volgens haar niet mogelijk is?
De leden van de JA21-fractie vragen hoeveel vreemdelingen met een vertrekplicht en
(meerdere) strafrechtelijke veroordelingen thans in Nederland verblijven zonder dat
hun vertrek is gerealiseerd. Welke doelstelling formuleert de regering, uitgedrukt
in percentages en aantallen, voor vermindering van deze groep in de eerste drie jaar
na inwerkingtreding van het Pact? In hoeverre verwacht de regering dat de nieuwe terugkeer-
en bewaringstitels onder het Pact deze groep daadwerkelijk zullen doen afnemen? Is
de regering bereid in de nationale wetgeving expliciet vast te leggen dat het stapelen
van procedures (opvolgende asielaanvragen, herzieningsverzoeken, ambtshalve herbeoordelingen)
door vreemdelingen met ernstige strafrechtelijke antecedenten zoveel mogelijk als
niet in het geheel wordt beperkt, door onder het nieuwe EU-kader strenger om te gaan
met ontvankelijkheid en schorsende werking? Zo nee, waarom kiest de regering er niet
voor om hier de maximale ruimte van het pact te benutten?
5.3. Afschaffen voornemenprocedure
Hoewel de leden van de D66-fractie inzien dat de werklast van de IND is gebaat bij
het afschaffen van de voornemenprocedure, maken zij zich ook zorgen over het verschuiven
van deze last naar andere ketenpartners. De zorg bestaat dat deze wijziging zal leiden
tot meer bezwaar- en beroepsprocedures, wat leidt tot meer werkdruk bij de Rechtspraak
maar ook bij het COA, doordat aanvragers langer in de opvang verblijven. Deze leden
vragen de regering toe te lichten met welk flankerend beleid deze verschuiving van
werklast wordt voorkomen, ook bezien in het licht van de opmerkingen van de Rechtspraak
dat extra middelen het probleem niet direct kunnen oplossen omdat er ook een tekort
aan rechters bestaat.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de regering enerzijds, onder meer via
de in de Tweede Kamer aangenomen asielwetten van oud-Minister Faber, de asielprocedure
fors wil versnellen en efficiënter maken, onder andere door afschaffing van de voornemenprocedure
en andere maatregelen om de keten te ontlasten en de instroom te beperken. Anderzijds
wordt in het kader van de implementatie van het Pact de mogelijkheid behouden om na
het nader gehoor nog correcties en aanvullingen in te dienen op het gehoorverslag,
voordat de IND tot een direct besluit overgaat. Dit creëert een extra administratieve
stap die, ondanks de beoogde versnelling, vertraging kan veroorzaken en de procedure
onnodig verlengt. Deze leden wijzen erop dat uit het Pact geen verplichting voortvloeit
om een dergelijke mogelijkheid tot indienen van aanvullingen en correcties na het
gehoor te bieden. Voornoemde leden vragen waarom de regering desondanks kiest voor
deze mogelijkheid tot correcties en aanvullingen, terwijl dit haaks lijkt te staan
op de expliciete doelstelling van de asielwetten om de procedure efficiënter en korter
te maken. Waarom wordt hier geen gebruikgemaakt van de nationale beleidsruimte die
het Pact biedt om de procedure verder te versnellen en misbruik te voorkomen, in plaats
van extra administratieve lasten in te bouwen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat door het afschaffen van
de voornemenprocedure de bestuurlijke fase van de asielprocedure nu meer zal afwijken
van het algemeen bestuursrechtelijke uitgangspunt van «ongelijkheidscompensatie»,
waardoor de druk op de rechterlijke fase toeneemt om aan dit rechtsbeginsel te voldoen.
Kan de regering toelichten hoe deze afschaffing zich verhoudt tot het wetstraject
«Wet versterking waarborgfunctie Awb», waarin de verankering van het beginsel van
ongelijkheidscompensatie de kern vormt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering het toepassen van de
versnelde procedure beperkt kan blijven waar het Pact dit verplicht. Waarom kiest
de regering er niet voor om aanvragen van alleenstaande minderjarigen (amv's), gezien
hun kwetsbare positie, uit te zonderen van versnelde procedures?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de mogelijkheid die in het ontwerpbesluit
voor het Pact in artikel 3.109b van het Vreemdelingenbesluit wordt geboden om de vreemdeling
in de gelegenheid te stellen correcties en aanvullingen te doen op het verslag van
een verhoor. Waarom is hier gekozen voor een kan-bepaling, zo vragen deze leden. Is
het niet zo dat artikel 14 lid 3 uit de Procedureverordening een dwingende bepaling
bevat?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen verschillende inschattingen van uitvoeringsorganisaties,
namelijk de IND en de Rvdr, over de gevolgen van het afschaffen van de voornemenprocedure
voor de toename in bezwaar- en beroepsprocedures. Welke inschatting maakt de regering?
5.4. Aanwijzing beslissingsautoriteit en andere bevoegde autoriteiten
De leden van de CDA-fractie lezen dat in artikel 4, lid 6 van de Procedureverordening
is neergelegd dat lidstaten kunnen bepalen dat andere autoriteiten dan de beslissingsautoriteit
verantwoordelijk zijn voor de procedure ter bepaling van de verantwoordelijke lidstaat
in het kader van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Hiervoor heeft de regering
niet gekozen en dus wordt hiervoor ook de Minister van Asiel en Migratie verantwoordelijk.
Wat is de reden dat hiervoor is gekozen?
5.5. Verschillende behandelingsprocedures en beslistermijnen
De leden van de CDA-fractie lezen dat er verschillende verplichte behandelingsprocedures
voor de behandeling van de asielaanvraag worden geïntroduceerd met de Procedureverordening.
Bij aanvragen waarbij een van de gronden voor niet-ontvankelijkheid aan de orde kan
zijn, geldt bijvoorbeeld een behandelingsprocedure van twee maanden. Wat zijn de consequenties
als een behandelingstermijn niet wordt gehaald?
De leden van de CDA-fractie lezen dat het huidige artikel 42 Vw2000 inzake termijnen
voor de behandeling van een asielaanvraag wordt geschrapt vanwege een aantal bepalingen
in de Procedureverordening. Deze leden constateren dat op grond van artikel 42 lid
1 Vw2000 op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking wordt gegeven,
en dat deze termijn op grond van artikel 35 lid 4 van de Procedureverordening ongewijzigd
blijft op zes maanden. Wat is wetstechnisch de reden dat het artikel 42 Vw2000 in
zijn geheel wordt geschrapt, nu er geen aanpassing van de termijn van de beschikking
op van toepassing is? Heeft dat te maken met de mogelijke verlengingstermijnen of
heeft dat een andere reden?
De leden van de JA21-fractie vragen welke derde landen bij de behandelingsprocedure
worden beschouwd als veilig, in het kader van een mogelijke niet-ontvankelijkheidsverklaring
op grond van artikel 38. Hoe wordt dat bepaald en gemonitord? Als een asielzoeker
van de boot op de Middellandse zee wordt opgehaald en dus is vertrokken vanaf bijvoorbeeld
Tunesië, Marokko, Algerije of Turkije, hoe wordt dan beoordeeld of het asielverzoek
niet ontvankelijk is op deze gronden? Worden die landen als veilig beschouwd, met
mogelijke uitzonderingen voor specifieke vervolging of gevaar?
De leden van de JA21-fractie vragen in hoeverre de Procedureverordening stelt dat
grensprocedures verplicht zijn voor alle «kansarme» aanvragen, van personen afkomstig
uit landen met een inwilligingspercentage van minder dan 20 procent. Wordt deze ruimte
maximaal benut en zo nee, waarom niet? Kan de regering aangeven hoe groot het huidige
percentage kansarme aanvragen in Nederland is? In hoeverre wordt nu gekozen voor structurele
en maximale toepassing van versnelde procedures bij asielzoekers afkomstig uit (relatief)
veilige landen van herkomst? Deze leden constateren dat het inwilligingspercentage
in Nederland is gedaald van 58 procent in 2024 naar 36 procent in 2025, hetgeen impliceert
dat een aanzienlijk deel van de aanvragen kansarm is.
5.6. Beroep bij de rechter in asielprocedure
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de verwachting van de regering
is wat betreft de toename van de druk op de rechterlijke macht door de in veel gevallen
afwezige automatische schorsende werking van beroep en hoe kan deze worden verzacht.
5.7. (Verplichte) asielgrensprocedure
De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat Oostenrijk, Duitsland, Finland, Frankrijk
en Griekenland asielzoekers in de grensprocedure niet in detentie zullen plaatsen,
maar in open opvangplaatsen of wachtruimtes. Kan de regering toelichten of zij net
zoals deze leden verwachten dat asielzoekers de bestemde ruimtes/plekken zullen verlaten
en door zullen reizen naar onder andere Nederland waar zij alsnog de asielprocedure
door moeten lopen?
De leden van de PVV-fractie vragen voorts of de regering verwacht dat het aantal amv’ers
dat bewust vooruit wordt gestuurd door mensensmokkelaars of families zal toenemen,
nu deze groep niet in detentie mag worden geplaatst gedurende de grensprocedure en
dus in open opvang of alternatieve locaties verblijft. Indien ja, kan de regering
een concrete schatting geven van de verwachte toename in aantallen amv'ers die via
deze route naar Nederland of andere noordelijke lidstaten doorreizen en welke preventieve
of corrigerende maatregelen de regering voornemens is te treffen om dit misbruik tegen
te gaan en de instroom van alleenstaande minderjarigen te beperken?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat er gepaste zorg beschikbaar
moet zijn voor kwetsbare individuen, ook tijdens de asielgrensprocedure. Op welke
manier is er gepaste zorg voor mensen in een kwetsbare positie tijdens de asielgrensprocedure?
Hoe wordt in regelgeving verankerd dat mensen in een kwetsbare positie de juiste zorg
krijgen tijdens de asielgrensprocedure?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat de termijnen om beroep
in te stellen zeer kort zijn. Waarom is gekozen voor een termijn van zeven dagen en
niet tien dagen voor wanneer een verblijfsvergunning wordt ingetrokken en zij die
in aanmerking komen voor subsidiaire beschermingsstatus? Waarom is gekozen voor twee
weken en niet voor vier weken voor alle andere gevallen? Hoe verhoudt dit zich tot
effectieve rechtsbescherming dat de regering kiest voor de halvering van de huidige
beroepstermijn in eerste aanleg van vier weken naar twee weken?
5.8. Juridisch advies, counseling, rechtsbijstand
De leden van de D66-fractie hechten groot belang aan gedegen rechtsbijstand. Niet
alleen vanwege het recht op een eerlijk proces voor de aanvrager, maar ook omdat een
zorgvuldige procedure aan de voorkant uiteindelijk slepende, complexe procedures kan
voorkomen. Deze leden vragen de regering daarom toe te lichten of de manier waarop
het volgens dit voorstel wordt ingericht, met een combinatie van advies, counseling
en rechtsbijstand, voldoende steun biedt voor een zorgvuldige procedure. Daarnaast
vragen zij de regering om doorlopend te toetsen of deze manier van werken inderdaad
zorgt voor een efficiëntere procedures waarbij voldoende oog is voor het recht op
een eerlijk proces, of dat bijgestuurd moet worden.
De leden van de PVV-fractie vragen naar de huidige status van het voornemen van het
vorige kabinet om de rechtsbijstand te beperken in de administratieve fase.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering het voornemen heeft
om de uitvoering van de juridische counseling bij de IND te beleggen. Dit geldt zowel
voor counseling onder de Asielprocedureverordening als de Asielmigratie- en Beheerverordening.
Aangezien er een aantal processtappen wordt geschrapt is het essentieel dat de toegang
tot het recht voor asielzoekers gewaarborgd blijft. Deze leden hebben hier enkele
vragen over en vragen gelieve deze individueel te beantwoorden. Hoe wordt het nuttig
effect van dit recht gewaarborgd terwijl de counseling bij de beslissingsautoriteit
is belegd? Wordt op deze manier niet de zorgvuldigheid van de procedure belemmerd?
Erkent de regering dat onafhankelijkheid een belangrijke voorwaarde is voor het bieden
van juridische counseling? Hoe wordt deze onafhankelijkheid geborgd? Kan de regering
schetsen hoe de IND de legal counseling gaat invullen? Waar bestaat dit concreet uit?
Is er gekeken naar de mogelijkheid om de asieladvocatuur de juridische counseling
te laten doen? Zou deze optie kostenbesparend zijn? Is de regering bekend met het
experiment in Duitsland in 2017 waar binnen de immigratiedienst een afdeling juridische
bijstand voor asielzoekers verzorgde en met het feit dat deze vorm van counseling
na mislukking weer is afgeschaft? Waarom denkt de regering dat dit in Nederland wel
een succes zal zijn? Klopt het dat in Duitsland – naast de beslisautoriteiten – ook
niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) legal counseling en voorlichting kunnen
geven?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering nog in gesprek is met de IND over
het voornemen om de uitvoering van de juridische counseling bij de IND te beleggen.
Is hierover inmiddels overeenstemming bereikt en zo ja, wat zijn de uitkomsten?
De leden van de JA21-fractie vragen welke eisen de verordening voorschrijft aan de
aanbieders van juridische counseling. Moet de juridische counseling danwel de rechtsbijstand
bij de beroepsprocedure worden geboden door advocaten?
6. Uitvoering Asiel- en migratiebeheerverordening (EU) 2024/1351
6.1. Algemeen
De leden van de PVV-fractie constateren dat artikel 16, vierde lid, van de Uitvoerings-
en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 bepaalt dat, indien sprake is van
een reële dreiging voor de veiligheid van de asielzoeker of een ernstige schending
van de mensenrechten in de verantwoordelijke lidstaat, geen overdracht op basis van
een overnameverzoek of herplaatsing naar die andere lidstaat plaatsvindt. Deze leden
vragen de regering in welke concrete situaties een lidstaat, ondanks dat deze volgens
de criteria niet verantwoordelijk is, desondanks verplicht is de asielaanvraag zelf
te behandelen. Voorts vragen zij of er sancties of andere consequenties volgen wanneer
de volgens het Pact verantwoordelijke lidstaat een overnameclaim weigert of niet binnen
de gestelde termijnen reageert op een overnameverzoek. Zo ja, welke sancties zijn
dat precies (financieel, procedureel of anderszins), wie legt ze op, en hoe vaak zijn
dergelijke sancties in de praktijk al toegepast of opgelegd in de afgelopen jaren?
De leden van de JA21-fractie vragen of alle Dublinoverdrachten straks kunnen worden
afgedwongen. Of verwacht de regering dat dit in voorkomende gevallen nog op juridische
obstakels zal stuiten? Kan de regering ingaan op de risico’s dat grootschalige secundaire
migratie doorgaat en eerste aankomstlanden niet registreren? Op welke manieren worden
die risico’s gemitigeerd? Kan de regering verklaren waarom het feit dat terugnameverzoeken
zijn omgezet tot eenvoudige kennisgevingen (artikel 41 Asiel- en Migratiebeheerverordening)
in de praktijk zal leiden tot meer daadwerkelijke overdrachten?
De leden van de JA21-fractie vragen welke specifieke juridische instrumenten eraan
bijdragen dat overdrachten niet stranden in beroepsprocedures. Deze leden constateren
dat artikel 43 van de Asiel- en Migratiebeheerverordening de draagwijdte van het beroep
weliswaar beperkt tot een toets op onmenselijke of vernederende behandeling, maar
vragen of deze beperking verenigbaar is met artikel 47 van het EU-Handvest voor de
grondrechten en wat de verwachte gevolgen zijn voor het aantal geslaagde beroepen
tegen overdrachtsbesluiten. Wat gebeurt er indien een lidstaat structureel nalaat
asielzoekers te registreren of tegen te houden aan de buitengrens, zoals Italië en
Griekenland in het verleden hebben gedaan? Welk handhavingsmechanisme wordt in werking
gezet?
Indien de regering stelt dat sancties tegen niet-nalevende lidstaten mogelijk zijn,
kan zij dan concreet aangeven welke sancties in de praktijk politiek uitvoerbaar zijn,
gegeven dat landen als Hongarije en Polen eerder expliciet hebben geweigerd enige
vorm van herverdeling te accepteren en ook een veroordeling door het Hof van Justitie
niet tot gedragsverandering heeft geleid, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
Indien effectieve sanctionering van naleving door andere lidstaten niet afdwingbaar
blijkt, klopt het volgens de regering dan dat het Pact opnieuw afhankelijk is van
vrijwillige naleving door lidstaten? Kan de regering aangeven hoeveel Dublinoverdrachten
zij verwacht jaarlijks daadwerkelijk te realiseren onder het nieuwe Pact, uitgedrukt
in absolute aantallen en als percentage van het totaal aantal verzoeken?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering erkent dat, ook onder de nieuwe
verordening, de verantwoordelijkheid uiteindelijk alsnog verschuift naar de lidstaat
waar de asielzoeker verblijft indien overdracht feitelijk niet wordt gerealiseerd.
Zo ja, hoe voorkomt het Pact dat dit – zoals onder Dublin – opnieuw een krachtige
prikkel vormt voor doorreizen? Kan de regering de juridische status van de relocatieverplichting
uit het solidariteitsmechanisme duiden? Is er sprake van een resultaatsverbintenis
of een inspanningsverplichting? Wat zijn de juridische consequenties indien een lidstaat
de aan haar toegewezen relocaties niet uitvoert?
De leden van de JA21-fractie vragen of het bedrag van 20.000 euro per niet-herplaatste
asielzoeker kostendekkend is voor de opvang, procedure en eventuele terugkeer van
een asielzoeker in Nederland. Deze leden wijzen erop dat de gemiddelde kosten per
asielzoeker in Nederland, inclusief opvang, procedure, rechtsbijstand, medische zorg
en eventuele integratie, aanzienlijk hoger liggen. Kan de regering een specificatie
geven van de daadwerkelijke kosten per asielzoeker op jaarbasis?
Hoe wordt voorkomen dat het solidariteitsmechanisme in de praktijk verwatert tot een
structureel afkoopmechanisme voor een klein deel van de asielzoekers zonder dat de
instroom en secundaire migratie sterk afnemen, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
Hoe groot acht de regering de kans dat de solidariteit in financiële vorm zal worden
omgezet in Dublin-offsets? Kan de regering juridisch uiteenzetten welke concrete procedure
de Europese Commissie moet doorlopen om niet-naleving van het solidariteitsmechanisme
door een lidstaat te sanctioneren? Hoelang duurt een dergelijke procedure gemiddeld
van signalering tot daadwerkelijke sanctie?
Is er sprake van een automatische sanctie bij niet-naleving, of is sanctionering afhankelijk
van een politiek besluit, zo vragen de leden van de JA21-fractie. Wat is het scenario
indien meerdere lidstaten gelijktijdig weigeren relocaties uit te voeren of financiële
bijdragen te voldoen? Hoe wordt Nederland in dat geval beschermd tegen een herhaling
van de situatie zoals die bestond onder Dublin, waarin een klein aantal lidstaten
onevenredig zwaar belast werd?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de verdeling van verantwoordelijkheid tussen
lidstaten voor de behandeling van asielaanvragen voortaan wordt geregeld in de Asiel-
en migratiebeheerverordening, die de huidige Dublinverordening vervangt. Net als onder
het Dublinsysteem blijft het uitgangspunt dat één lidstaat verantwoordelijk is voor
de behandeling van een asielaanvraag. Daarmee wordt voorkomen dat meerdere lidstaten
dezelfde aanvraag behandelen of dat asielzoekers in verschillende landen procedures
starten. Nieuw is echter dat deze verordening een verplicht solidariteitsmechanisme
invoert. Waar solidariteit onder het oude systeem grotendeels vrijwillig was, wordt
zij nu juridisch verankerd. Lidstaten die te maken krijgen met een hoge instroom of
structurele druk op hun asiel- en opvangsysteem kunnen een beroep doen op steun van
andere lidstaten. Die andere lidstaten zijn vervolgens verplicht bij te dragen. Zij
kunnen daarbij kiezen hoe zij bijdragen, maar niet óf zij bijdragen. De bijdrage kan
verschillende vormen aannemen, zoals herplaatsing van asielzoekers (overname van personen
die in de onder druk staande lidstaat zijn aangekomen), een financiële bijdrage of
operationele steun, bijvoorbeeld in de vorm van personeel, expertise of materiële
ondersteuning.
De leden van de BBB-fractie constateren dat meerdere lidstaten aanzienlijke kortingen
hebben bedongen omdat zij zelf een «significante migratiesituatie» zouden hebben.
Nederland ontvangt echter geen enkele korting en moet het volledige aandeel bijdragen.
Waarom wordt Nederland niet aangemerkt als lidstaat met een «significante migratiesituatie»,
terwijl opvang, huisvesting en procedures aantoonbaar onder zware druk staan?
De leden van de BBB-fractie lezen dat Hongarije en Slowakije weigeren volledig mee
te doen, zonder dat de Raad daar consequenties aan verbindt. Wat is de sanctie als
lidstaten structureel weigeren bij te dragen? Kan de regering uiteenzetten hoe zij
voorkomt dat Nederland, als relatief rechtsstatelijk en uitvoeringsgetrouw land, structureel
de lasten draagt van een pact dat elders onvoldoende wordt nageleefd?
Volgens de leden van de BBB-fractie kunnen extra zorgen ontstaan doordat Duitsland
en Frankrijk van plan lijken hun toegezegde opvangplekken grotendeels via Dublin-compensaties
in te vullen, in plaats van met daadwerkelijke nieuwe relocaties. Spanje heeft in
een stemverklaring aangegeven dat dit tegen de bedoeling van het Pact ingaat en de
EU-solidariteit ondermijnt. Deze leden vragen daarom of grote lidstaten inderdaad
Dublin-compensaties inzetten, hoeveel daadwerkelijke relocaties er dan overblijven
en hoe groot het risico is dat dit precedentwerking heeft voor de komende jaren, waardoor
het hele Pact verzwakt wordt.
Kan de regering uitleggen hoe zij kijkt naar bovenstaande zaken? De leden van de BBB-fractie
vragen wat het Pact nog waard is, als er nu al op deze manier mee omgegaan wordt?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de IND het vereiste in artikel 34.3
uit de Asiel- en migratiebeheerverordening uit gaat voeren. Heeft de IND deze expertise
zelf in huis, of hoe wordt deze binnengehaald?
6.2. Uitvoering Asiel- en migratiebeheerverordening in onderhavig wetsvoorstel
De leden van de PVV-fractie lezen dat in het geval een asielzoeker zich niet bevindt
in de verantwoordelijke lidstaat het recht op opvang en andere voorzieningen vervalt.
Kan de regering uiteenzetten wat «Dublinclaimanten», ondanks de inperking, alsnog
ontvangen en hoe dit vormgegeven wordt?
De leden van de VVD-fractie ondersteunen het doel van dit wetsvoorstel om asielaanvragen
zo veel mogelijk in behandeling te laten nemen door de lidstaat dat hiervoor wettelijk
verantwoordelijk is. In hoeverre verwacht de regering dat de uitvoering van de Asiel-
en migratiebeheerverordening ertoe gaat leiden dat de problemen met het uitzetten
van asielzoekers naar andere Europese lidstaten tot het verleden gaat behoren?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het wegvallen van het recht op opvang
bij overplaatsing niet afdoet aan de verplichting om ook asielzoekers die moeten worden
overgedragen in bepaalde minimumvoorwaarden te voorzien. Wat houden deze minimale
voorzieningen in? Hoe wordt deze minimale vorm van opvang ingericht? Waar hebben asielzoekers
recht op in deze opvangvorm?
De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering hoe het zit met vreemdelingen die
de landsgrenzen van Europa hebben bereikt, zonder aanmelding of aanvraag door verschillende
landen weet te reizen en uiteindelijk aankomt in Nederland om daar een aanvraag te
doen voor een asielvergunning. Geldt in zulke gevallen de buitengrensprocedure en
zo ja, waar vindt dit dan plaats? Is dat de plek waar de vreemdeling zich voor het
eerst in Nederland meldt, of wordt hiervoor een standaard plek aangewezen, zoals Schiphol?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Asiel- en migratiebeheerverordening voorziet
in een solidariteitsmechanisme tussen lidstaten. Deze leden vragen de regering toe
te lichten welke concrete gevolgen dit mechanisme naar verwachting heeft voor Nederland,
zowel financieel als qua opvangcapaciteit. Maakt Nederland al gebruik van dit mechanisme
en wat zijn hierbij de financiële kaders?
Welke aanvullende nationale maatregelen is de regering bereid te nemen om secundaire
migratie richting Nederland tegen te gaan, en op welke wijze benut de regering hier
de ruimte die het Pact expliciet aan lidstaten laat, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
7. Implementatie herschikte Opvangrichtlijn (EU) 2024/1346
7.1. Algemeen
De leden van de PVV-fractie vragen de regering welke maatregelen vastgelegd zijn in
het verplichte noodplan wanneer er zich een onevenredig hoge instroom voordoet. Daarnaast
vragen deze leden wanneer er sprake is van een onevenredig hoge instroom en hoe dit
zich verhoudt tot de Crisisverordening.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van groot belang dat de voorzieningen
voor kwetsbare groepen goed geborgd worden in de opvang. Zij hebben hier enkele vragen
over. Hoe wordt in de Nederlandse implementatie van de herziene Opvangrichtlijn concreet
en wettelijk geborgd dat bijzondere opvangbehoeften van asielzoekers – zoals bij kinderen,
zwangere vrouwen, mensen met medische of psychische problematiek, slachtoffers van
marteling en LHBTIQ-personen – systematisch, deskundig en uiterlijk binnen 30 dagen
worden vastgesteld, zoals art. 24 en 25 van de richtlijn vereisen? Welke concrete
maatregelen, inclusief tijdspad, neemt de regering om – mede in het licht van de uitspraak
van het Gerechtshof Den Haag in 2022 (ECLI:NL:GHDHA:2022:2429) waarin is vastgesteld
dat de opvang niet voldeed aan de minimumnormen van de Opvangrichtlijn – uiterlijk
in 2026 voldoende reguliere opvangplekken te realiseren die een adequate levensstandaard
garanderen en kunnen voorzien in de bijzondere opvangbehoeften van kinderen en personen
in een kwetsbare positie, zodat afbouw van (crisis)noodopvang daadwerkelijk plaatsvindt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat onderwijs en voldoende
faciliteiten voor kinderen fatsoenlijk geregeld moeten worden in de opvang. Ook taalonderwijs
voor volwassenen is van groot belang voor de integratie. Op welke manier wordt invulling
gegeven aan artikel 18 van de herziene Opvangrichtlijn waarin staat dat lidstaten
asielzoekers toegang moeten geven tot taalcursussen, inburgerings- of beroepsopleidingscursussen?
Worden professionele taalonderwijzers ingezet of wordt er gebruik gemaakt van vrijwilligers?
In welke opvangvormen en aan welke groepen vluchtelingen worden taallessen aangeboden
en aan wie niet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat veelvuldige verhuisbewegingen een
grote impact hebben op asielzoekers, specifiek op kinderen. Leerlijnen in het onderwijs
worden doorbroken en het is ingewikkeld de onderwijsbehoefte van kinderen en volwassenen
in beeld te krijgen. Daarnaast heeft het openen en sluiten van locaties gevolgen voor
het goed kunnen organiseren van zorg en (taal)onderwijs. Ook hebben veelvuldige verhuisbewegingen
een negatieve impact op vroege integratie en participatie. Is de regering bereid om
verhuizingen zoveel mogelijk te voorkomen? Zo ja, op welke manier? Kan de regering
garanderen dat de beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen zoals zorg
en (taal)onderwijs voorwaardelijk zijn bij het bepalen of een locatie geschikt is
als opvanglocatie en dat deze voorzieningen moeten zijn ingericht voordat een opvanglocatie
wordt geopend?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat regels over het onderduikrisico,
vrijheidsbeperking en vermindering van voorzieningen in lagere wetgeving verder worden
uitgewerkt in plaats van in de implementatiewet. Deze leden zijn van mening dat deze
uitwerkingen essentiële elementen van de wet zijn waar de Kamer medezeggenschap over
behoort te hebben. Waarom is ervoor gekozen om deze elementen niet in de implementatiewet
uit te werken?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat door de toenemende druk op detentiecapaciteit
en aanhoudende personeelstekorten in de vreemdelingendetentie hier weinig ruimte is
voor extra opvang. Hierover hebben zij enkele vragen. Waar verblijven vreemdelingen
tijdens de screening? Welke organisaties zullen toegang tot ze hebben? Worden er dagprogramma’s
beschikbaar gesteld? In hoeverre is het mogelijk contact te hebben met de buitenwereld
zonder dat dit wordt gecontroleerd?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen voorts dat er een noodplan opgesteld
dient te worden in het geval de komst van asielzoekers sterk toeneemt in aantal. Hierover
hebben zij de volgende vragen. Worden er voorbereidende handelingen verricht bijvoorbeeld
in de aanpassing van de Omgevingswet, zodat het noodplan ook daadwerkelijk uitgevoerd
kan worden en de fundamentele rechten van asielzoekers in de opvang ook gegarandeerd
worden in noodsituaties? Wanneer kan de Kamer het noodplan verwachten, wat zal hierin
worden opgenomen? Wat zijn de meetbare voorwaarden om het noodplan te activeren?
De leden van de JA21-fractie constateren dat het Pact de mogelijkheden voor bewaring
bij onderduikrisico en ter bescherming van de openbare orde (artikelen 10 en 11 herschikte
Opvangrichtlijn, in samenhang met artikel 44 Asiel- en Migratiebeheerverordening)
harmoniseert en verruimt. Is de regering bereid deze gronden in de Vw 2000 en het
Vb 2000 zo effectief mogelijk in te vullen, zodat de samenleving maximaal kan worden
beschermd tegen vreemdelingen met een strafrechtelijke achtergrond of herhaald overlastgevend
gedrag? In hoeverre is daar nu in voorzien? In hoeverre noopt implementatie van het
Pact tot een uitbreiding van het aantal opvangplekken waar vrijheidsbeperkende maatregelen
worden opgelegd? Kan de regering hier een toelichting op geven? Wat wordt de inzet
van deze regering ten aanzien van Bed-, Bad-, Broodlocaties met slechts basale voorzieningen?
Wil de regering dergelijke locaties inrichten, en zo ja, voor welke groepen?
De leden van de BBB-fractie merken op dat de Opvangrichtlijn, als enige richtlijn
binnen het Pact, ziet op de fase waarin een asielzoeker nog geen inhoudelijke beslissing
op zijn aanvraag heeft ontvangen. Juridisch is deze fase bijzonder belangrijk, omdat
hierin wordt bepaald onder welke voorwaarden iemand op het grondgebied mag verblijven,
welke voorzieningen worden verstrekt en welke vrijheidsbeperkingen kunnen worden opgelegd.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de richtlijn lidstaten verplicht opvang
te bieden die voorziet in basale levensbehoeften, zoals onderdak, voeding en kleding,
alsmede medische zorg en onderwijs voor minderjarigen. Tegelijkertijd koppelt de richtlijn
deze opvang nadrukkelijk aan procedureel gedrag. Indien een asielzoeker niet meewerkt,
zich onttrekt aan toezicht, een overdrachts- of terugkeerprocedure frustreert of een
risico vormt voor de openbare orde, kan opvang worden beperkt, ingetrokken of vervangen
door vrijheidsbeperkende maatregelen.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat vrijheidsontneming expliciet wordt toegestaan,
mits deze proportioneel is, als laatste redmiddel wordt toegepast en onder rechterlijk
toezicht staat. In de praktijk betekent dit dat opvang niet langer louter een sociale
voorziening is, maar tevens een juridisch instrument om asielzoekers beschikbaar te
houden voor procedure en handhaving. Voor Nederland heeft dit gevolgen zoals een verdere
juridisering van COA-besluiten, een strakkere koppeling tussen de IND-procedure en
de opvangstatus, en een toename van rechterlijke procedures over vrijheidsbeperking.
De leden van de BBB-fractie vragen de regering in hoeverre de herschikte Opvangrichtlijn
de facto een minimumopvangstandaard vastlegt die niet verder kan worden versoberd.
Tevens vragen zij hoe de regering het risico beoordeelt dat deze minimumopvangstandaard
een aanzuigende werking heeft.
Ten aanzien van Dublinclaimanten vragen de leden van de ChristenUnie-fractie hoe de
opvang voor hen eruit zal komen te zien. Zij lezen in artikel 21 van de Opvangrichtlijn
dat zij geen recht hebben op opvang. Tegelijk kunnen zij niet aan hun lot worden overgelaten
en heeft ieder recht op menswaardige opvang. Kan de regering schetsen welke opgave
er voor het COA ligt voor deze mensen? Hoe anders is deze opvang ten opzichte van
de huidige situatie? Is het niet eenvoudiger om geen aparte opvangfaciliteiten voor
Dublinclaimanten op te zetten, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
Ten aanzien van de opvang van kwetsbare groepen vragen de leden van de ChristenUnie-fractie
naar de screening. In arikel 25 Opvangrichtlijn wordt beschreven dat medewerkers de
bijzondere opvangbehoeften moeten beoordelen. Kan de regering schetsen hoe deze beoordeling
eruit moet komen te zien? Hoe geeft de IND hier vorm aan en is er voldoende capaciteit
voor deze beoordeling met expertise? Hoe ziet deze beoordeling er voor minderjarigen
uit, zo vragen deze leden.
7.2. Toewijzing geografisch gebied
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het toewijzen van asielzoekers tot
een geografisch gebied ook wordt toegepast op asielzoekers die afkomstig zijn uit
veilige landen. Hier hebben zij enkele vragen bij. Hoe ziet deze toewijzing eruit?
Komt dit neer op detentie? Hoe en wanneer kunnen asielzoekers dit geografische gebied
verlaten? Klopt het dat het een keuze is om asielzoekers uit veilige landen in een
vorm van detentie te plaatsen en dit niet dwingend voortvloeit uit het pact?
De leden van de JA21-fractie vragen op welke manier de regering denkt gebruik te kunnen
maken van de toewijzing van een specifiek geografisch gebied. Welke gebieden heeft
de regering op het oog? Art. 23 geeft dus de mogelijkheid om opvang in te trekken,
indien een asielzoeker een geografisch gebied zonder toestemming verlaat. Is de regering
voornemens gebruik te maken van deze mogelijkheid?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de regering er niet voor heeft
gekozen om uitzonderingscategorieën toe te voegen, om maatwerk te kunnen bieden als
de situatie daarom vraagt. Deze leden denken dan aan de categorieën kwetsbare personen
zoals in de Opvangrichtlijn, artikel 24 worden genoemd, waaronder minderjarigen, personen
met een handicap en ouderen.
7.3. Vrijheidsontneming asielzoekers op grond van artikel 59b Vw 2000
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de maximale termijnen flink worden
verhoogd. De bewaring zelf vloeit voort uit het Pact maar het is aan de nationale
wetgever om termijnen te stellen. Hierover hebben deze leden enkele vragen. In hoeverre
wijkt Nederland in deze termijnen af van termijnen die in andere EU-landen worden
gesteld? Welke landen hanteren ook het maximum van 15 maanden in het geval van complexe
behandeling en een generieke mogelijkheid tot verlenging tot 12 maanden? Bij welke
gevallen wordt de grensdetentie tot maximaal 12 maanden verlengd? Aan welke complexe
omstandigheden moeten we denken? Kan de regering voorbeelden geven van dit soort situaties?
Wat gebeurt er als uitzetting na deze 12 maanden alsnog niet mogelijk is? Is er voldoende
capaciteit om gebruik te maken van deze verlenging en hoe vaak denkt de regering hier
gebruik van te zullen maken?
De leden van de Groenlinks-PvdA-fractie vragen welke landen een kortere maximumtermijn
hanteren en hoe lang deze kortere termijnen zijn. Op welke manier krijgen asielzoekers
in detentie rechtsbijstand? In het coalitieakkoord staat dat kansarme aanvragers pas
rechtsbijstand krijgen bij afwijzing. Geldt dit ook voor aanvragers in detentie? Is
de regering het eens met de stelling dat in een detentiesetting het des te belangrijker
is dat de juridische counseling wordt gedaan door een onafhankelijke partij en niet
door de autoriteiten die iemand in detentie hebben geplaatst?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de regering in de implementatiewet
geen onderscheid maakt tussen de grensprocedure en grensdetentie. Alle asielzoekers
die in de grensprocedure zitten, worden ook gedetineerd. Deze detentie geldt voor
de volledige duur van de procedure, terwijl er ook voor gekozen had kunnen worden
om de duur te beperken tot de screeningsfase. Waarom gebruikt de regering detentie
als standaard en niet als uiterst middel, zoals diverse Europese richtlijnen voorschrijven?
Hoe duidt de regering de mededeling van de Europese Commissie met betrekking tot het
Gemeenschappelijk uitvoeringsplan voor het Pact, waarin staat vermeld dat de maatregelen
protocollen kunnen omvatten inclusief alternatieven voor bewaring, met name voor gezinnen
met kinderen? Is er in detentie ook sprake van onderwijs voor minderjarigen? Wat zijn
de faciliteiten in deze detentieplekken voor kinderen en voor volwassenen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat ook in detentie de gezondheidszorg
van belang is. Daarom is het van belang dat deze in de implementatiewet goed gewaarborgd
is, zowel in de grens- en vreemdelingendetentie als tijdens de screeningsprocedure,
zodat adequate medische controles plaatsvinden en kwetsbaarheid tijdig wordt gesignaleerd.
Hierover hebben zij enkele vragen. Op welke manier wordt de gezondheidszorg in grensdetentie
gewaarborgd? Welke instantie is verantwoordelijk voor de medische en psychische zorg
tijdens detentie inclusief tijdens de screeningsprocedure? Op welke manier en in welk
stadium wordt er gekeken naar mogelijke kwetsbaarheden van vreemdelingen? Hoe wordt
er omgegaan met kwetsbare groepen die bijvoorbeeld te maken hebben met psychische
problemen, trauma’s en angst? Hoe wordt ervoor gezorgd dat de juiste gespecialiseerde
expertise beschikbaar is en er voldoende tijd wordt genomen om kwetsbaarheden te signaleren?
Hoe zal er worden omgegaan met weigering van deelname aan de screeningsprocedure?
Hoe wordt rekening gehouden met- en gereageerd op problemen zoals hongerstakingen
en zelfmoordpogingen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat kinderen niet thuishoren
in detentie en dat dit zeer schadelijk kan zijn. Zij lezen dat minderjarigen alleen
in detentie terechtkomen als dit in hun belang is. Het belang van het kind wordt genoemd
naar niet verder uitgewerkt, terwijl het belang van het kind op grond van het IVRK
en het EU-Handvest de eerste overweging moet zijn bij beslissingen die betrekking
hebben tot kinderen. Deze leden hebben hier enkele vragen bij en vragen gelieve deze
individueel te beantwoorden. Wat is volgens de regering in deze context in het belang
van het kind? Hoe wordt dit getoetst en gewaarborgd? Wanneer is het volgens de regering
in het belang van het kind om in bewaring te worden gesteld? In welke situatie zou
het noodzakelijk zijn om een alleenstaande minderjarige in vreemdelingenbewaring te
nemen ter bescherming? Hoe verhoudt zich de detentie van kinderen tot artikel 37 van
het IVRK waarin staat dat kinderen niet op willekeurige wijze van zijn of haar vrijheid
mag worden beroofd? Hoe verhoudt zich de detentie van kinderen van andere rechten
uit het IVRK, zoals het recht op een gezinsleven (artikelen 9 en 16), het recht op
een stem (artikelen 12 en 13), het recht op sociale voorzieningen (artikel 26), het
recht op onderwijs (artikel 28)?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of er geen andere mogelijkheden zijn
om amv’ers te beschermen. Worden (alleenstaande) minderjarigen samen met volwassenen
in grensdetentie en de screeningsprocedure geplaatst? Wat zijn de waarborgen die ervoor
zorgen dat minderjarigen apart worden gescreend en op afzonderlijke en kindvriendelijke
plekken worden opgevangen?
Is de regering het met de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie eens dat het belang
van het kind leidend moet zijn? Is de regering van plan gezinnen met kinderen voorrang
te geven in het beëindigen van hun grensprocedure? De Opvangrichtlijn stelt dat minderjarigen
ondergebracht dienen te worden in voor hen geschikte accommodatie en alleen in bewaring
mogen worden gesteld in uitzonderlijke situaties. Hoe verhouden deze waarborgen zich
tot de keuze van Nederland om álle gezinnen met kinderen in de grensprocedure standaard
op te sluiten in Gesloten Gezinsvoorziening (GGV) Zeist?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom de regering er bij de implementatie
van het Pact voor kiest om gezinnen met kinderen in het kader van grensprocedures
in bewaring te plaatsen in de GGV in Zeist, terwijl open opvangvoorzieningen een minder
ingrijpend en effectief alternatief vormen en aansluiten bij de huidige praktijk waarin
gezinnen en alleenstaande minderjarigen naar de open asielprocedure worden doorverwezen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de herschikte Opvangrichtlijn ruimte biedt voor
vrijheidsontneming van asielzoekers onder bepaalde voorwaarden. Deze leden vragen
of de regering kan toelichten in hoeverre de toepassing van artikel 59b Vw 2000 in
de praktijk zal wijzigen en of verwacht wordt dat het aantal bewaringsmaatregelen
zal toenemen als gevolg van deze implementatie. Voorts vragen deze leden hoe wordt
geborgd dat vrijheidsontneming als ultimum remedium wordt toegepast en individueel
wordt gemotiveerd, conform de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering in artikel 59b Vw 2000 kiest
voor een maximale bewaartermijn van zes maanden voor asielzoekers, met een verlengingsmogelijkheid
van nog eens zes maanden, in totaal dus maximaal twaalf maanden, terwijl de bestaande
mogelijkheid van een aanvullende verlenging met negen maanden bij zwaarwegende belangen
van openbare orde of nationale veiligheid wordt geschrapt. Kan de regering uiteenzetten
waarom precies voor deze systematiek van twee keer zes maanden is gekozen, en waarom
er niet voor is gekozen de maximale detentieduur verder op te rekken in lijn met het
door de Commissie voorgestelde regime in de Terugkeerverordening voor de terugkeerfase?
Daarbij vragen de leden van de JA21-fractie specifiek of de regering meent dat met
de voorgestelde maximale duur van twaalf maanden (asielfase) de beschikbare detentiecapaciteit
voldoende effectief kan worden ingezet om onttrekking en secundaire migratie tegen
te gaan. Zo ja, op basis van welke praktijkgegevens wordt dat oordeel onderbouwd?
Waarom wordt de bewaringstermijn bij gevaar voor openbare orde en veiligheid verlaagd?
Kan de regering dit toelichten?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de vrijheidsontneming van minderjarigen.
Zij lezen dat minderjarigen in uitzonderlijke gevallen in bewaring kunnen worden gesteld,
onder andere als vastgesteld is dat bewaring in hun belang is. Wie schat dit belang
van het kind in, zo vragen deze leden. Is dit iemand die kennis heeft van de ontwikkeling
van een kind en de impact van de inbewaringstelling? Zo nee, vindt de regering het
niet wenselijk dat iemand met dergelijke expertise meekijkt? Deze leden kunnen zich
voorstellen dat het meekijken van bijvoorbeeld een gedragswetenschapper bij een dergelijke
beslissing recht doet aan de belangen van het kind. Kan de regering hierop reageren?
7.4. Vrijheidsbeperking, vrijheidsontneming en meldplicht bij onderduikrisico
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van mogelijkheden om asielzoekers
bij wie een onderduikrisico bestaat in hun bewegingsvrijheid te beperken of in bewaring
te stellen. Op basis van welke criteria zal worden vastgesteld of er sprake is van
een onderduikrisico? Zal er sprake zijn van een limitatieve lijst van objectieve criteria,
of blijft er ruimte voor een open normstelling? In hoeverre zullen eerdere onttrekkingen
aan toezicht, identiteitsfraude, het niet naleven van een meldplicht of het niet meewerken
aan een asielprocedure grond vormen om een onderduikrisico vast te stellen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat overgaan tot preventieve detentie
na het implementeren van deze wet niet meer alleen zal voorkomen als het onderduikrisico
«significant» is. Daarnaast zorg het Pact ervoor dat asielzoekers die moeten worden
overgedragen hun recht op opvang verliezen, waardoor het onderduikrisico kan toenemen.
Ook kan deze groep in bewaring worden gesteld als «het belang van de openbare orde
of nationale veiligheid dat vergt». Hierdoor ontstaat het risico dat het karakter
van deze maatregel alleen als laatste redmiddel verandert.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hierover waarom de meetbare criteria
voor het onderduikrisico niet in de wettekst zijn opgenomen. Is deze beslissing over
het zijn van een onderduikrisico aan te vechten en herroepelijk? Op welke manier wordt
gewaarborgd dat vreemdelingen waar geen onderduikrisico bestaat en die geen bedreiging
vormen niet in detentie worden geplaatst? Hoe verhoudt de nieuwe grond voor inbewaringstelling
«in het belang van de openbare orde of nationale veiligheid» zich tot het bestaan
van een onderduikrisico? Zijn dit twee aparte gronden voor inbewaringstelling? Als
de openbare orde of nationale veiligheid een volledig nieuwe grond is voor inbewaringstelling,
op welke manier wordt deze grond dan nader uitgewerkt aan de hand van concrete en
toetsbare criteria?
De leden van de CDA-fractie lezen dat vrijheidsbeperkende maatregelen, waaronder een
meldplicht of vrijheidsontneming, kunnen worden toegepast indien sprake is van een
onderduikrisico. Deze leden vragen de regering hoe het onderduikrisico concreet wordt
vastgesteld en welke objectieve criteria daarbij worden gehanteerd. Voorts vragen
deze leden hoe wordt gewaarborgd dat bij de toepassing van dergelijke maatregelen
steeds een individuele en proportionele afweging plaatsvindt.
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering van plan is maximaal gebruik te
maken van de mogelijkheden die de herschikte Opvangrichtlijn biedt, nu de norm wordt
versoepeld. Kan de regering dit toelichten? Onder welke voorwaarden kan nu van asielzoekers
worden bepaald dat zij enkel mogen verblijven op een specifieke opvangplaats? Hoe
is de regering voornemens om per AMvB dat onderduikrisico te toetsen en/of vast te
stellen? Hoe verhoudt deze nieuwe mogelijkheid zich tot de escalatiepraktijk met treden
van de procesbeschikbaarheidsaanpak? Kan die worden aangescherpt?
7.5. Beroep bij de rechter bij vrijheidsontneming
De leden van de CDA-fractie lezen dat de herschikte Opvangrichtlijn nadere bepalingen
bevat ten aanzien van de rechterlijke toetsing van vrijheidsontneming. Deze leden
vragen de regering welke gevolgen de implementatie van deze bepalingen heeft voor
de werklast van de rechtspraak in bewaringszaken. Daarnaast vragen deze leden de regering
hoe wordt gewaarborgd dat de rechterlijke toetsing tijdig en effectief kan plaatsvinden,
mede gelet op de reeds bestaande druk op de vreemdelingenkamers.
7.6. Wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen, de Wet op de expertisecentra, de Wet
op het primair onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs 2020
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering asielzoekers toegang
tot de arbeidsmarkt wil geven door middel van een tewerkstellingsvergunning. Deze
leden zijn van mening dat het beter is voor de integratie om deze noodzaak te schrappen,
net als bij Oekraïense vluchtelingen en werkgevers met asielzoekers en vluchtelingen
in contact te brengen. Waarom is hier niet voor gekozen? Is de regering niet van mening
dat de integratie en aansluiting tot de arbeidsmarkt een stuk effectiever is wanneer
er zonder tewerkstellingsvergunning wordt gewerkt? In de memorie van toelichting wordt
aangegeven dat de herziene Opvangrichtlijn in combinatie met de Procedureverordening
voor bepaalde categorieën asielzoekers of in een bepaalde fase van de procedure toegang
tot de arbeidsmarkt uitsluit. Zal de regering voor alle andere asielzoekers toegang
tot de arbeidsmarkt geven? Zijn er juridische beletsels om asielzoekers waarvoor de
maximale beslistermijn voor de versnelde procedure is overschreden toegang tot de
arbeidsmarkt te geven?
8. Uitvoering Screeningsverordening (EU) 2024/1356
8.1. Algemeen
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het doel van de Screeningsverordening om
snel asielzoekers naar de juiste procedure te verwijzen. In hoeverre bestaat er volgens
de regering het risico dat asielzoekers bewust onjuiste gegevens aanleveren om in
een gunstige asielprocedure te belanden? Meent de regering dat deze Implementatiewet
al het mogelijke doet om dit risico zo klein mogelijk te houden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de screeningsfase bedoeld is als
een snel proces om enkele eigenschappen van een persoon vast te stellen. Zij hebben
hier enkele vragen bij. Hoe wordt gewaarborgd dat de screeningsfase voorlopig en administratief
blijft en niet uitmondt in een de facto inhoudelijke asielbeoordeling? In hoeverre
is effectieve rechtsbijstand beschikbaar tijdens de screening gezien het korte tijdsbestek
en de grenscontext? Op welke manier wordt de betrokkene geïnformeerd over doel, gevolgen
en mogelijke uitkomsten van de screening?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen welke autoriteiten welk deel van de
screening zullen uitvoeren. Is de regering het eens met de stelling dat voor screening
op kwetsbaarheid de inzet van professionele deskundigen is vereist zoals dokters,
(kinder-)psychologen etcetera? Op welke wijze wordt dit proces ingeregeld? Komt een
werkwijze hiervoor naar de Kamer? Wie beslist op basis van de resultaten in welke
volgende procedure de vreemdeling gaat? Is deze beslissing aan te vechten en te herroepen?
Hoe wordt gelijke behandeling tijdens deze procedures gewaarborgd? Hoe lang worden
mensen opgehouden aan de grens (lounge Schiphol) en waar wordt het screeningsproces
afgerond nu mensen daar maar kort kunnen verblijven? Wat gebeurt er met gezinnen met
kinderen en amv’ers? Op welke wijze wordt de informatie die voortkomt uit de screening
op grond van de Screeningsverordening daadwerkelijk en structureel betrokken bij de
beoordeling van bijzondere opvangbehoeften en bij (plaatsing)beslissingen over opvang?
Welke ruimte biedt de Screeningsverordening voor verplichte detentie, in de zin van
vrijheidsontneming, tijdens de screeningsfase, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
De memorie van toelichting spreekt van een «beschikbaarheidsregime» in plaats van
structurele detentie. Kan de regering uiteenzetten waarom niet wordt gekozen voor
maximale toepassing van vrijheidsontneming tijdens de screening in het nationaal kader,
gegeven het aanzienlijke risico op onttrekking in deze fase? Deze leden wijzen erop
dat een groot deel van de asielzoekers die onder de Dublinverordening moesten worden
overgedragen, verdween met onbekende bestemming.
8.2. Screening aan de buitengrens en screening op het grondgebied van de lidstaten
De leden van de CDA-fractie lezen dat op grond van artikel 6 van de Screeningsverordening
de te screenen personen in juridische zin niet tot het grondgebied van de lidstaat
worden toegelaten. Hoe gaat dit praktisch in zijn werk als een vreemdeling zich niet
aan de buitengrens meldt, maar op een andere plek in Nederland? Wordt deze persoon
dan naar een centrale plek overgebracht waar de screening plaatsvindt? Wordt hierbij
een scherp onderscheid gemaakt tussen vreemdelingen die een asielaanvraag doen en
vreemdelingen die vallen onder de Terugkeerrichtlijn?
De leden van de CDA-fractie lezen dat voor zowel identificatie en verificatie van
de identiteit als voor de veiligheidscontrole geldt dat voor zover relevant nationale
databanken overeenkomstig het nationale recht worden geraadpleegd. Naast de vreemdelingenadministratie
kan volgens de regering gedacht worden aan (N)SIS en politiegegevens op grond van
de Wet politiegegevens. Acht de regering de Wet politiegegevens op dit moment daar
toereikend genoeg voor, nu al jaren de discussie loopt om deze wet te moderniseren
omdat de bepalingen niet meer aansluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen op
bijvoorbeeld het gebied van informatie-uitwisseling? Is de regering op de hoogte van
de beslissing van de Minister van Justitie en Veiligheid om deze genoemde wet toch
niet te moderniseren, terwijl dit wel noodzakelijk is om goede gegevensdeling te bewerkstelligen?
De leden van de BBB-fractie constateren dat deze verordening lidstaten verplicht om
derdelanders die de buitengrens van de EU illegaal overschrijden, na een reddingsoperatie
op zee aan land worden gebracht, of in bepaalde gevallen zonder rechtmatig verblijf
worden aangetroffen, eerst te onderwerpen aan een verplichte screeningprocedure. Deze
screening vindt plaats vóórdat betrokkene formeel toegang krijgt tot het grondgebied.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de screening is bedoeld als een snelle, gestandaardiseerde
voorfase en verschillende onderdelen omvat. Allereerst wordt de identiteit vastgesteld,
onder meer via registratie en controle van reis- en identiteitsdocumenten. Daarnaast
vinden veiligheidscontroles plaats, bijvoorbeeld door raadpleging van relevante nationale
en Europese databanken. Ook wordt een gezondheidscheck uitgevoerd. Tot slot volgt
een eerste juridische beoordeling: een voorlopige inschatting van de situatie van
de betrokkene en van de procedure die passend is. Op basis van deze eerste beoordeling
wordt bepaald welk traject iemand moet volgen. Dat kan de reguliere asielprocedure
zijn, de grensprocedure (waarbij de aanvraag wordt behandeld zonder formele toelating
tot het grondgebied) of de terugkeerprocedure, als duidelijk is dat geen recht op
verblijf bestaat.
De leden van de BBB-fractie constateren dat in de Nederlandse context dit betekent
dat de Koninklijke Marechaussee (voor grensbewaking en registratie) en de IND (voor
de procedurele beoordeling) een expliciete poortwachtersfunctie krijgen. Zij bepalen
in deze vroege fase welk juridisch traject wordt ingezet. Deze leden vinden dat deze
verordening een technische verordening is die ervoor zorgt dat de nieuwe Europese
screeningsprocedure juridisch aansluit op bestaande EU-regels en databanken. De screening
controleert snel identiteit, veiligheid en gezondheid van mensen die de buitengrens
oversteken of onrechtmatig verblijven, voordat zij in een asiel-, grens- of terugkeerprocedure
komen. Deze leden constateren dit omdat oudere EU-verordeningen nog niet op deze screening
waren afgestemd. Deze verordening past bestaande regels aan zodat gegevens uit de
screening correct kunnen worden vergeleken met systemen zoals Eurodac, VIS of ECRIS
TCN. Zij wijzigt geen rechten of procedures voor asielzoekers en is volledig technisch
van aard. Nederland hoeft de verordening niet apart om te zetten; alleen nationale
regels die strijdig zijn worden aangepast of geschrapt. Zo zorgt de verordening ervoor
dat de screening juridisch sluitend en foutloos kan functioneren binnen het EU-recht.
8.3. Toezicht en rechten van betrokkenen
De leden van de D66-fractie steunen het principe van een onafhankelijk toezichtmechanisme
en kunnen de regering volgen in het feit dat deze taak voor een deel wordt belegd
bij onder andere de Inspectie Justitie en Veiligheid. Deze leden achten het daarnaast
van belang dat ook maatschappelijke organisaties onderdeel worden van een dergelijk
toezichtmechanisme, gezien de andersoortige rol en positie die zij hebben ten opzichte
van de Minister. Is de regering bereid dergelijke organisaties een rol binnen het
onafhankelijk toezichtmechanisme te geven?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat individuen tijdens de screening
en de asielgrensprocedure ter beschikking van de autoriteiten moeten blijven. Zoals
volgt uit EU- en internationaal recht mag detentie alleen als laatste redmiddel gebruikt
worden. Deze leden hebben hier enkele vragen bij. Op welke manier wordt ervoor gezorgd
dat individuen ter beschikking blijven van de autoriteiten? Resulteert dit de facto
in detentie? In welke gevallen is de regering van plan om tot detentie over te gaan
bij toepassing van de asielgrensprocedure? Hoe gaat de regering ervoor waken dat mensenrechten
worden gewaarborgd aan de grens?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat iedere lidstaat moet voorzien in
een onafhankelijk toezichtmechanisme. Deze leden hebben hier nog enkele vragen over.
Hoe wordt de onafhankelijkheid van dit toezichtmechanisme gewaarborgd? Hoe wordt ervoor
gezorgd dat dit toezichtmechanisme ook toegankelijk is voor asielzoekers? Het toezichtmechanisme
wordt neergelegd bij het Ministerie van Asiel en Migratie. Waarom wordt er niet voor
gekozen om deze taak bij de Nationale ombudsman te beleggen? Eventueel in samenwerking
met het College voor de Rechten van de Mens?
9. Uitvoering herziene Eurodac-verordening (EU) 2024/1358
9.1. Algemeen
De leden van de BBB-fractie constateren dat Eurodac, dat oorspronkelijk was ontworpen
om vingerafdrukken van asielzoekers te vergelijken en zo te bepalen welke lidstaat
verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag, wordt uitgebreid tot
een breed migratie- en handhavingsinstrument. Het systeem verwerkt nu meer soorten
biometrische gegevens, zoals mogelijk gezichts- of irisscans, en de bewaartermijnen
voor deze gegevens worden verlengd.
De leden van de BBB-fractie constateren dat een bredere groep autoriteiten toegang
tot het systeem krijgt, waardoor het niet langer beperkt is tot gebruik bij asielprocedures.
Deze uitbreidingen maken het voor de lidstaten mogelijk om migranten beter te volgen,
ongecontroleerde doorreis binnen de EU tegen te gaan en overdrachten tussen lidstaten
en terugkeer naar derde landen te vergemakkelijken.
9.2. Verplichting tot afname biometrische gegevens en invoer gegevens in Eurodac
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat wanneer personen die weigeren om
biometrische gegevens te laten afnemen in het uiterste geval gedwongen kunnen worden
dit te doen. Deze leden hebben hier enkele vragen bij. Hoe ziet deze dwang eruit?
Wordt hierbij rekening gehouden met kwetsbare mensen die bijvoorbeeld angstig zijn
en een trauma hebben? Zo ja, op welke manier? Hoe wordt gewaarborgd dat niet meer
dan «proportionele dwang» op personen wordt toegepast tijdens de procedure? Wordt
ook bij minderjarigen zo nodig dwang toegepast? Zo ja, wordt dit door iemand gedaan
die speciale kwalificaties heeft om dit bij kinderen af te nemen?
9.3. Toegang voor rechtshandhavingsdoeleinden
De leden van de CDA-fractie lezen dat de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden
geen inhoudelijke wijziging beoogt ten opzichte van de huidige situatie en dat de
controlerende rol bij de officier van justitie blijft belegd. Deze leden vragen of
de regering kan toelichten of verwacht wordt dat het aantal verzoeken tot vergelijking
van gegevens voor rechtshandhavingsdoeleinden zal toenemen onder de nieuwe Eurodac-verordening
en, zo ja, of de betrokken instanties hier qua capaciteit voldoende op zijn voorbereid.
9.4. Overige onderdelen van de verordening
De leden van de BBB-fractie vinden dat deze verordening fungeert als een ingebouwd
noodrecht voor uitzonderlijke situaties, zoals een plotselinge massale instroom van
migranten of asielzoekers. Zij maakt het mogelijk tijdelijk af te wijken van de reguliere
termijnen en procedures en activeert tegelijkertijd aanvullende solidariteitsmaatregelen
onder de lidstaten. Deze leden vinden dat het doel van de verordening is om te dienen
als vangnet, zodat het systeem niet instort bij onverwachte druk. Tegelijkertijd introduceert
zij een structureel mechanisme waarmee lidstaten in crisissituaties tijdelijk kunnen
afwijken van de normale rechtsbescherming en procedures, terwijl de continuïteit van
het migratie- en asielbeheer wordt gewaarborgd. Wie bepaalt wanneer sprake is van
een crisis, en welke democratische controle bestaat daarop op nationaal niveau?
De leden van de BBB-fractie constateren dat parallel aan de aanscherping van de grens-
en asielprocedures het Pact een legaal alternatief voor irreguliere migratie via de
Uniekaderverordening voor hervestiging en humanitaire toelating introduceert. Deze
verordening creëert een gemeenschappelijk Europees kader voor de toelating van personen
die internationale bescherming nodig hebben en zich nog buiten de EU bevinden, bijvoorbeeld
in vluchtelingenkampen in derde landen. Deze leden lezen dat deze verordening op Europees
niveau bepaalt wie voor hervestiging of humanitaire toelating in aanmerking kan komen,
hoe de selectieprocedure verloopt, welke veiligheids- en identiteitstoetsen moeten
worden uitgevoerd en welke rechten betrokkenen na aankomst in de lidstaat verkrijgen.
Het gaat dus om een vooraf gecontroleerde en georganiseerde toegang tot bescherming,
in plaats van bescherming na irreguliere binnenkomst.
De leden van de BBB-fractie constateren dat hervestiging in het Pact nadrukkelijk
wordt gepresenteerd als het complement van strengere grensprocedures. De gedachte
daarachter is dat personen die daadwerkelijk bescherming nodig hebben, bij voorkeur
via veilige en gecontroleerde routes naar Europa komen, in plaats van via gevaarlijke
en ongereguleerde migratieroutes. Strengere buitengrenscontroles en versnelde terugkeerprocedures
worden zo gecombineerd met een gereguleerd kanaal voor legale toegang. Deze leden
constateren dat in de praktijk hervestiging echter afhankelijk is van de politieke
bereidheid van de lidstaten om plaatsen beschikbaar te stellen. De verordening schept
geen individueel afdwingbaar recht op hervestiging: een persoon kan niet zelfstandig
aanspraak maken op toelating tot de EU via dit systeem. Het aantal beschikbare plaatsen
en de concrete uitvoering blijven dus in belangrijke mate afhankelijk van politieke
keuzes op nationaal niveau. Kan de regering toelichten hoe zij hiermee om wil gaan?
10. Wet arbeid vreemdelingen
10.1. Hoofdlijnen van het voorstel
De leden van de CDA-fractie lezen dat reeds verleende tewerkstellingsvergunningen
worden ingetrokken indien een verzoeker onder één van de categorieën valt waarvoor
de toegang tot de arbeidsmarkt is uitgesloten. Deze leden vragen hoe wordt geborgd
dat deze intrekking zorgvuldig en tijdig plaatsvindt en of de betrokken uitvoeringsinstanties
hier organisatorisch op zijn voorbereid. Voorts vragen deze leden of de regering kan
bevestigen dat de benodigde gegevensuitwisseling tussen de IND en het Uitvoeringsinstituut
Werknemersverzekeringen (UWV) tijdig operationeel is om implementatie per 12 juni
2026 mogelijk te maken.
11. Verhouding tot hoger recht
De leden van de CDA-fractie lezen dat een kortere verblijfsduur kan leiden tot meer
verlengingsprocedures. Deze leden vragen de regering welke gevolgen zij verwacht voor
het aantal verlengingsaanvragen en voor de uitvoeringslast van de IND.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het niet verlenen van verblijfsvergunningen
voor onbepaalde tijd kan leiden tot een structureel tijdelijk karakter van bescherming.
Deze leden vragen de regering of zij verwacht dat dit zal leiden tot een toename van
herhaalde procedures of langdurige onzekerheid over de verblijfsstatus.
12. Overgangsrecht en inwerkingtreding
De leden van de D66-fractie constateren dat er veel op de uitvoeringsorganisaties
afkomt, zowel door de inwerkingtreding van het Pact als de verschillende wets- en
beleidswijzigingen vanuit het vorige en huidige kabinet. Veel van deze organisaties
benadrukken dan ook dat het van belang is om deze wijzigingen te laten plaats vinden
op één verandermoment. Kan de regering toezeggen aan deze vraag te voldoen?
De leden van de D66-fractie lezen dat onder andere het COA de zorg uitspreekt dat
als er door de vele wijzigingen verschillende procedures langs elkaar gaan lopen,
dit kan leiden tot onduidelijkheid bij aanvragers en daarmee ook tot onrust op de
opvanglocaties. Deze leden delen deze zorgen en wijzen erop dat dit voor zowel de
medewerkers in de opvang als de buurtbewoners én de aanvragers zelf negatieve consequenties
kan hebben. Zij vragen de regering daarom om te garanderen dat de informatievoorziening
op de opvanglocaties voldoende is.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de vreemdeling de mogelijkheid kan
krijgen om correcties en aanvullingen te doen op het verslag van een gehoor. Waarom
is er niet voor gekozen om de vreemdeling altijd de mogelijkheid te geven om correcties
en aanvullingen te doen op het gehoor? Wanneer wordt ervoor gekozen dit niet te doen
en op basis van welke objectieve criteria?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorgestelde maatregelen in beginsel onmiddellijke
werking krijgen en daarmee direct van toepassing zijn op lopende asielprocedures en
bestaande werkvoorraden bij de IND. Deze leden vragen de regering hoe wordt voorkomen
dat vergelijkbare gevallen ongelijk worden behandeld afhankelijk van het moment van
besluitvorming.
De leden van de CDA-fractie lezen dat dit wetsvoorstel samenloopt met de Wet invoering
tweestatus en de Asielnoodmaatregelenwet en dat voor een aantal onderwerpen inhoudelijk
dezelfde maatregelen gelden. Deze leden vragen de regering toe te lichten hoe wordt
gewaarborgd dat de verschillende overgangsregimes op elkaar aansluiten en niet leiden
tot uitvoeringsonduidelijkheid of rechtsongelijkheid.
De leden van de JA21-fractie maken zich zorgen over de vraag of het goed kan worden
uitgevoerd. De memorie van toelichting erkent dat de implementatietermijn «zeer kort»
is, dat de IND verwacht dat de nieuwe asielprocedure per 12 juni 2026 «operationeel
werkbaar maar nog niet volledig afgerond» is en dat er gedurende een overgangsperiode
twee parallelle asielsystemen naast elkaar moeten functioneren. Daarnaast is de achterstand
bij de IND opgelopen tot 51.000 openstaande aanvragen en is de wachttijd voor het
nader gehoor gestegen naar 67 weken. Hoeveel extra personeel is nodig bij de IND,
het COA en de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) om het Pact volledig uit te voeren?
Kan de regering dit per organisatie en per functiegroep specificeren?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de memorie van toelichting vermeldt dat
voor de screeningsprocedure naar schatting 45 tot 140 fte nodig is bij de IND. Kan
de regering aangeven of deze capaciteit reeds beschikbaar is of dat aanvullende werving
noodzakelijk is? Kunnen deze mensen op tijd worden getraind? Wat zijn de structurele
kosten van de implementatie op de lange termijn, inclusief IV-systemen, opleiding,
rechtsbijstand, tolken en medisch personeel?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de financiële gevolgen in de memorie
van toelichting slechts als «globale inschatting» worden gepresenteerd en dat een
businesscase nog wordt uitgewerkt. Wanneer is deze businesscase gereed? In de beslisnota
bij de memorie van toelichting staat «extra geld lijkt op korte termijn het werklast
en capaciteitsprobleem niet op te lossen» (Kamerstuk 36 871, nr. 3). Wat is de verwachting en prognose van de regering hiervoor?
De leden van de JA21-fractie constateren dat afzonderlijke bepalingen separaat in
werking kunnen treden. Is de regering voornemens om bepaalde aspecten of bepalingen
in de wet op verschillende momenten in werking te laten treden en zo ja, wanneer?
Kan de regering een toelichting geven op de huidige planning voor alle onderdelen?
Krijgen asielzoekers straks vanaf de eerste opvangdag leefgeld en wordt dit dan direct
de eerste dag al verstrekt? Om hoeveel geld gaat dat? Welke naturaverstrekkingen vervallen
dan door verstrekken van het bedrag?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering wat haar reactie is op de
wens van diverse organisaties zoals de Rvdr om eerst dit wetsvoorstel in werking te
laten treden en daarna de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel,
omdat dit voor de uitvoering beter te behappen is dan als eerst de nationale wetten
zouden worden ingevoerd.
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat er nauwelijks overgangsrecht is
geformuleerd en dat is gekozen voor onmiddellijke werking om geen onevenredige druk
op de opvang te creëren. In dat licht wijzen deze leden er op dat ook de oude voorraad
zwaar drukt op de samenleving en de opvang. Welke capaciteit zet de regering in om
de oude voorraad weg te werken? Hoelang moeten mensen die een aanvraag vóór juni 2026
hebben gedaan wachten op een beslissing? Herkent de regering dit beeld? Erkent de
regering dat dit grote maatschappelijke gevolgen heeft: meer dan een miljoen aanvragen
die meerdere jaren (extra) moeten wachten op een beslissing, die jaren van onzekerheid
zullen kennen en deels niet uit de opvang kunnen uitstromen? Welke verantwoordelijkheid
neemt de regering voor deze mensen?
13. Uitvoerings- en administratieve lasten en financiële gevolgen
13.1. Uitvoeringsgevolgen vreemdelingenketen
De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat wanneer het aantal herplaatsingen
via vrijwillige bijdragen niet gehaald wordt, Nederland mogelijk de Dublin-claimanten
niet meer over kan dragen en vervolgens zelf deze asielprocedures zal moeten behandelen.
Zeker nu de Griekse Minister Plevris heeft aangegeven dat in het geval er opeens veel
meer mensen richting het land komen, de Dublin-claimanten niet meer teruggenomen worden,
maken deze leden zich ernstige zorgen. Hoe groot acht de regering de kans dat deze
situatie van verplichte verantwoordelijkheidscompensaties zich voor zal doen en over
hoeveel extra asielzaken kunnen wij ongeveer verwachten?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorgestelde maatregelen gevolgen hebben
voor de bestaande werkvoorraden en uitvoeringscapaciteit van de IND. Deze leden vragen
de regering hoe de extra werklast structureel wordt opgevangen en hoe wordt voorkomen
dat doorlooptijden verder oplopen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de verkorting van de geldigheidsduur van de
verblijfsvergunning asiel en het afschaffen van de verblijfsvergunning asiel voor
onbepaalde tijd zullen leiden tot een toename van verlengingsaanvragen. Deze leden
vragen de regering te concretiseren hoeveel extra aanvragen per jaar worden verwacht.
De leden van de CDA-fractie lezen dat verschillende behandelprocedures en beslistermijnen
naast elkaar zullen bestaan. Deze leden vragen de regering hoe wordt gewaarborgd dat
deze differentiatie uitvoerbaar blijft en niet leidt tot extra administratieve lasten
of foutgevoeligheid binnen de vreemdelingenketen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de implementatie van de herschikte Opvangrichtlijn
en de Screeningsverordening aanzienlijke IV-aanpassingen en personele inzet vergt.
Deze leden vragen de regering hoe wordt geborgd dat deze systemen en personele uitbreidingen
tijdig gereed zijn voor implementatie en welke risico’s bestaan voor de beoogde inwerkingtreding.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorgestelde maatregelen gevolgen hebben
voor de uitvoering door het COA en de DT&V, onder meer bij versoberde opvang na een
overdrachtsbesluit en bij overdrachtsprocedures. Deze leden vragen de regering of
de huidige capaciteit toereikend is om deze extra taken op te vangen.
De leden van de SGP-fractie lezen in de uitvoeringsanalyse dat de IND geen mogelijkheid
ziet om de Asielnoodmaatregelenwet en Wet Tweestatusstelsel in te voeren voor inwerkingtreding
van Pact. Wel zouden onderdelen eerder geïmplementeerd kunnen worden. De IND noemt
daarbij zelf het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen, als gevolg van het aangenomen
amendement-Diederik van Dijk. Is de regering bereid toe te zeggen dat dit onderdeel
inderdaad zo spoedig mogelijk en als dat kan vóór datum van inwerkingtreding Pact
geïmplementeerd wordt?
13.2. Uitvoeringsgevolgen voor de AbRvS en rechtspraak
De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorgestelde maatregelen gevolgen hebben
voor de werklast van de Rechtspraak en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad
van State (AbRvS). Deze leden vragen de regering of de benodigde capaciteit structureel
beschikbaar is en hoe wordt voorkomen dat doorlooptijden in asiel- en bewaringszaken
verder oplopen.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering verwacht dat de capaciteitstekorten
die op dit moment in het gevangeniswezen aan de orde zijn, ook van toepassing (gaan)
zijn op de vreemdelingendetentie. Zo ja, hebben de tekorten in de vreemdelingendetentie
op termijn ook gevolgen voor de algemene capaciteitstekorten in het gevangeniswezen?
13.3. Financiële gevolgen
De leden van de CDA-fractie lezen dat de financiële gevolgen afhankelijk zijn van
instroomontwikkelingen en uitvoeringskeuzes. Deze leden vragen de regering nader te
concretiseren welke structurele en incidentele middelen zijn gereserveerd en welke
onzekerheidsmarges in de ramingen zijn meegenomen.
14. Consultatie en advies
De leden van de JA21-fractie constateren dat de IND aangeeft dat niet alle analyses
gereed zijn, omdat enkele keuzes pas recent zijn gemaakt (Kamerstuk 32 317, nr. 992). Welke keuzes betreft dat en wanneer zullen die analyses wel gereed zijn? Wanneer
kan de screening ook in andere locaties dan Ter Apel worden uitgevoerd en wat is het
streven van de regering? Op hoeveel locaties wil de regering dit kunnen doen?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de IND schrijft dat er geen structuur
is voor uitwisseling van screeningsformulieren tussen lidstaten. Kan de regering dit
toelichten? Hoe ziet de regering dit? Welke maatregelen worden genomen om die uitwisseling
mogelijk te maken? De IND geeft aan tot een instroom van 25.000 aanvragen de wettelijke
termijn te kunnen naleven. In hoeverre is daarbij het uitgangspunt dat er ook voldoende
capaciteit is vrijgemaakt voor het herbeoordelen van statussen, bijvoorbeeld van Syriërs?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de Adviesraad Migratie vreest dat een
korte beroepstermijn en andere maatregelen mogelijk zullen leiden tot extra beroepsprocedures.
Kan de regering toelichten waarom dat niet het geval zal zijn of waarom toch die keuze
wordt gemaakt? Zijn de ICT-systemen van de verschillende betrokken organisaties nu
toegerust op de nieuwe systematiek? Wat beschouwt de regering als de belangrijkste
risico’s voor de uitvoering en hoe staat het met het mitigeren daarvan? In hoeverre
vindt de regering dat de randvoorwaarden voor effectieve uitvoering van het Pact nu
aanwezig zijn?
De leden van de SGP-fractie lezen dat Nederland kan gaan werken met een eigen lijst
van veilige landen van herkomst. Hierover moest besluitvorming nog plaatsvinden. Welke
voornemens heeft de regering op dit punt?
Artikelsgewijze toelichting
Artikel I Vreemdelingenwet 2000
Onderdeel F [artikel 6 grensdetentie]
De leden van de CDA-fractie lezen dat artikel 6 voorziet in grensdetentie in het kader
van de asielgrensprocedure. Deze leden vragen de regering hoe wordt geborgd dat deze
vorm van detentie proportioneel wordt toegepast en niet langer duurt dan strikt noodzakelijk.
Onderdeel AM [artikel 44a rechtsgevolgen overdrachtsbesluit]
De leden van de CDA-fractie lezen dat artikel 44a rechtsgevolgen verbindt aan het
overdrachtsbesluit. Deze leden vragen de regering toe te lichten hoe wordt voorkomen
dat betrokkenen tussen wal en schip raken indien overdracht feitelijk niet plaatsvindt.
Onderdeel AL
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de regering ervoor heeft gekozen
om artikel 44 lid 2 zo te wijzigen dat de verblijfsvergunning ingaat op de datum van
de beschikking in plaats van op de datum van ontvangen van de aanvraag. Deze leden
lezen de redenatie van de regering in de memorie van toelichting, maar vragen aandacht
voor de gevolgen voor de vreemdeling als het gaat om de voorwaarden die worden gesteld
aan bijvoorbeeld gezinshereniging. Hoe reflecteert de regering op deze consequenties?
Klopt het bovendien dat de voorgestelde wijziging niet volgt uit de asielprocedurerichtlijn
maar een nationale keuze is?
Onderdeel AT [nieuw artikel 55.0a toewijzing aan geografisch gebied]
De leden van de CDA-fractie lezen dat met artikel 55.0a een bevoegdheid wordt geïntroduceerd
tot toewijzing aan een geografisch gebied. Deze leden vragen de regering hoe wordt
gewaarborgd dat deze maatregel niet feitelijk neerkomt op vrijheidsontneming zonder
de daarbij behorende waarborgen.
Overig
De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat slechts de helft van de EU-lidstaten
tot nu toe een verplichte grensprocedure heeft. Hoever zijn de andere lidstaten met
het implementeren van het Pact? Zijn met name de capaciteit van de detentieplekken
en de screeningsfaciliteiten al op orde in de landen aan de buitengrens?
De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel kilometer van de buitengrenzen niet wordt
omheind met hekken en asielzoekers dus met gemak het Europese grondgebied kunnen betreden.
De leden van de PVV-fractie vragen wanneer zij de uiteindelijke bijdragen van de lidstaten
kunnen verwachten, aangezien de vorige Minister van Asiel en Migratie aangaf dat er
mogelijk een korting zou volgen voor de financiële bijdrage naar aanleiding van de
deal met Griekenland.
De fungerend voorzitter van de commissie, Boomsma
De adjunct-griffier van de commissie, Nouse
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.T. Boomsma, voorzitter van de vaste commissie voor Asiel en Migratie -
Mede ondertekenaar
L.L. Nouse, adjunct-griffier
Stemmingsuitslagen
Aangenomen met handopsteken
| Fracties | Zetels | Voor/Tegen | Niet deelgenomen |
|---|---|---|---|
| D66 | 26 | Voor | |
| VVD | 22 | Voor | |
| GroenLinks-PvdA | 20 | Tegen | |
| PVV | 19 | Voor | |
| CDA | 18 | Voor | |
| JA21 | 9 | Voor | |
| FVD | 7 | Tegen | |
| Groep Markuszower | 7 | Tegen | |
| BBB | 3 | Voor | |
| ChristenUnie | 3 | Voor | |
| DENK | 3 | Tegen | |
| PvdD | 3 | Tegen | |
| SGP | 3 | Voor | |
| SP | 3 | Tegen | |
| 50PLUS | 2 | Voor | |
| Keijzer | 1 | Niet deelgenomen | |
| Volt | 1 | Tegen |
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.