Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 807 Regels over de aanleg, het beheer, de toegang tot spoorwegen en tot dienstvoorzieningen, en het veilige gebruik van spoorwegen (Spoorwegwet 20..)
Nr. 5 VERSLAG
Vastgesteld 27 februari 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Het verslag behandelt alleen die onderdelen waarover door de genoemde fracties inbreng
is geleverd.
Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende
zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel
van wet voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
blz.
Algemeen
2
Inleiding
3
Aanleiding en doel modernisering
4
Aanleiding voor de modernisering
4
Ontwikkelingen in het spoorvervoer
4
Aanleidingen in de regelgeving
5
Doel en reikwijdte van het wetsvoorstel
5
Relatie met andere wetten
6
Uitgangspunten en belangrijkste wijzigingen
6
Ontwerpprincipes
6
Alle spoorwegen in één wet
7
Hoofdlijnen in de wet; details op een lager niveau
7
Aansluiting bij EU-regelgeving
9
Navolgbare toedeling van verantwoordelijkheden
9
Toedeling van verantwoordelijkheden
10
Verantwoordelijkheid voor de spoorweginfrastructuur
10
Gebruiksfuncties spoorwegen
10
Gebruiksfuncties
11
Naar acht gebruiksfuncties
11
De acht gebruiksfuncties in relatie tot de Europese regelgeving
11
Vergunningverlenende en uitvoerende organisaties
12
Toegang tot de spoorweginfrastructuur
12
Spoorweginfrastructuur capaciteitsverdeling, gebruiksvergoeding en heffingen
12
Spoorwegveiligheid
13
Nationale veiligheidsinstantie
13
Nationale eisen aan spoorweginfrastructuur en spoorvoertuigen
14
Machinisten
14
Toezicht, handhaving en rechtsbescherming
14
Handhavingsarrangement
14
Effecten en lasten van het wetsvoorstel
14
Effecten voor de spoorwegsector; regeldruk
14
Privacy
15
Uitvoerbaarheidstoetsen
15
Inleiding
15
Handhaafbaarheids-, uitvoerings- en fraudebestendigheidstoets ILT
16
Uitvoerbaarheidstoets ProRail
16
Internetconsultatie
16
Overgangsrecht en inwerkingtreding
16
Artikelsgewijze toelichting
17
Hoofdstuk 2 Toegang tot de spoorweginfrastructuur
17
Hoofdstuk 3 Spoorwegveiligheid
17
Hoofdstuk 4 Technische eisen aan spoorweginfrastructuur en spoorvoertuigen
17
Hoofdstuk 7 Toezicht, handhaving en overige bepalingen
17
Hoofdstuk 8 Wijziging van andere wetten
17
Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
«Spoorwegwet 20..». Zij onderschrijven de noodzaak om de verouderde en versnipperde
regelgeving te moderniseren en te stroomlijnen. Echter, deze leden hebben grote zorgen
over de gekozen vormgeving als kaderwet en de daarmee gepaard gaande beperking van
de parlementaire controle. Zij hebben nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
tot modernisering van de Spoorwegwet. Zij hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
het wetsvoorstel over de herziening van de Spoorwegwet. Deze leden hebben over het
voorliggende wetsvoorstel vragen en opmerkingen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot modernisering
van de Spoorwegwet. Het voorstel brengt de huidige Spoorwegwet, de Wet lokaal spoor
en diverse onderliggende besluiten samen in één nieuw wettelijk stelsel. De wet bevat
de hoofdlijnen, terwijl een belangrijk deel van de nadere uitwerking plaatsvindt in
lagere regelgeving. Deze leden onderschrijven het belang van een overzichtelijk, toekomstbestendig
en Europees aansluitend stelsel. Tegelijkertijd constateren deze leden dat veel inhoudelijke
keuzes nog volgen. Daarover hebben de leden verschillende vragen.
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende
wetsvoorstel. Zij hebben nog enkele vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel
en hebben enkele vragen.
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de beleidsbrieven over
het wetsvoorstel «Spoorwegwet 20..» en willen de regering nog enkele vragen voorleggen.
Inleiding
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van een toekomstbestendig, overzichtelijk
en Europees consistent juridisch kader voor het spoor. Tegelijkertijd hechten deze
leden aan een goede uitvoerbaarheid, beperking van regeldruk, heldere verantwoordelijkheden
en voldoende ruimte voor innovatie en groei van het personen- en goederenvervoer per
spoor. Daarbij vinden zij het van belang dat vervoerders duidelijkheid en handelingszekerheid
ervaren ten opzichte van de huidige situatie.
De leden van de VVD-fractie constateren dat verschillende betrokken partijen – waaronder
de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), de Autoriteit Consument en Markt (ACM),
ProRail, het Interprovinciaal Overleg (IPO), Decentrale Openbaar Vervoer Autoriteiten
(DOVA), decentrale overheden en de Raad voor Accreditatie – evenals deelnemers aan
de consultatie nog vragen hebben bij het wetsvoorstel. Juist deze partijen zullen
met de nieuwe wetgeving moeten werken. In de memorie van toelichting lezen deze leden
dat op onderdelen verduidelijkingen zijn aangebracht en dat nadere invulling volgt
in lagere wet- en regelgeving, bijvoorbeeld bij de indeling van het spoorwegennet.
Daarmee blijft op sommige punten voorlopig nog onzekerheid bestaan. Deze leden vragen
daarom of de regering heeft vastgesteld of betrokken partijen zelf vinden dat hun
vragen, behoudens punten die nog in lagere regelgeving worden uitgewerkt, voldoende
zijn geadresseerd en hun zorgen voor dit moment zijn weggenomen.
Daarnaast merken de leden van de VVD-fractie op dat op meerdere plaatsen wordt verwezen
naar nadere uitwerking in lagere wet- en regelgeving. Hoewel het wetsvoorstel grotendeels
ziet op implementatie en harmonisatie van Europese regelgeving, hebben deze leden
zorgen over de gefaseerde en mogelijk gefragmenteerde ontwikkeling van het wettelijke
kader. Hierdoor ontbreekt voor betrokken partijen momenteel het volledige overzicht,
wat het lastiger kan maken om bijvoorbeeld Handhaafbaarheid, Uitvoerbaarheid en Fraudebestendigheid-toetsen
(HUF-toetsen) volledig uit te voeren of als stakeholder een integrale reactie te geven.
Ook vragen deze leden in hoeverre het parlement het geheel van wet- en regelgeving
op deze wijze nog goed kan overzien en controleren.
De leden van de VVD-fractie vragen de regering of het juist is dat de Europese Commissie
een inbreukprocedure tegen Nederland heeft ingesteld omdat de huidige Spoorwegwet
sinds 2015 niet volledig voldoet aan de Europese spoorregelgeving. Zij vragen toe
te lichten welke bezwaren de Commissie heeft of had tegen de huidige wetgeving, waarom
deze situatie is ontstaan en wat de huidige stand van deze procedure is. Indien de
procedure nog loopt, vragen deze leden tevens waarom deze al geruime tijd voortduurt.
Voorts vragen zij of het voorliggende wetsvoorstel alle door de Commissie geuite bezwaren
wegneemt en of de regering hierover bevestiging van de Commissie heeft ontvangen.
Indien dat niet het geval is, vernemen deze leden graag welke punten nog openstaan
en op welke wijze de regering voornemens is deze alsnog op te lossen.
Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie naar de stand van zaken van de uitvoering
van de motie Veltman (Kamerstuk 36 563, nr. 11) over kaderovereenkomsten voor meerjarige toegangszekerheid en investeringen op het
spoor. Zij vragen wanneer de Kamer de voorstellen hiertoe kan verwachten. In dat kader
vragen deze leden tevens of het juist is dat ProRail inmiddels een (concept)analyse
met oplossingsrichtingen heeft opgesteld en dat deze op het ministerie beschikbaar
is. Zo ja, wanneer zal de regering deze analyse met de Kamer delen, welke vervolgstappen
worden voorzien en welke tijdlijn wordt daarbij gehanteerd?
Ten slotte vragen de leden van de VVD-fractie of het juist is dat in de analyse van
ProRail wordt geconcludeerd dat de huidige nationale regels mogelijk onvoldoende ruimte
laten voor effectieve kaderovereenkomsten, onder meer omdat vervoer onder de HRN-concessie
een groot deel van de capaciteit reserveert. Indien dit het geval is, vragen deze
leden hoe de regering hiertegen aankijkt en welke maatregelen zij voornemens is te
nemen. Tevens vragen deze leden waarom in het voorliggende wetsvoorstel niet reeds
is voorzien in een regime dat het sluiten van dergelijke kaderovereenkomsten mogelijk
maakt en of de regering bereid is het wetsvoorstel op dit punt alsnog aan te passen.
Indien dat het geval is, vernemen deze leden graag wanneer een dergelijke aanpassing
aan de Kamer kan worden voorgelegd.
Aanleiding en doel modernisering
Aanleiding voor de modernisering
De leden van de VVD-fractie vragen de regering welke concrete knelpunten uit de evaluatie
van 2008 met dit wetsvoorstel worden opgelost. Kan de regering toelichten op welke
punten de voorgestelde wijzigingen bijdragen aan het wegnemen van de destijds gesignaleerde
problemen?
Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie welke knelpunten uit de evaluatie van
2008 nog blijven bestaan. Kan de regering aangeven waarom deze punten niet met het
voorliggende wetsvoorstel worden opgelost en of er voor deze knelpunten andere oplossingen
worden voorzien?
Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie welke punten die door gebruikers in de
evaluatie zijn aangedragen niet zijn meegenomen in deze modernisering. Kan de regering
toelichten om welke punten het gaat en waarom ervoor is gekozen deze niet in het wetsvoorstel
op te nemen?
Ontwikkelingen in het spoorvervoer
De leden van de VVD-fractie steunen het versterken van internationale verbindingen
en het spoorgoederenvervoer. Zij vragen de regering hoe dit wetsvoorstel bijdraagt
aan de versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland als logistieke
hub. Kan de regering een beschouwende toelichting geven op de wijze waarop de voorgestelde
maatregelen bijdragen aan een efficiënter en concurrerender logistiek systeem, mede
in het licht van de positie van Nederland binnen Europese goederenstromen?
Daarnaast vragen deze leden of de nieuwe indeling in gebruiksfuncties leidt tot snellere
besluitvorming bij capaciteitsuitbreiding op het spoor. Kan de regering toelichten
in hoeverre deze systematiek bijdraagt aan een efficiënter besluitvormingsproces en
welke effecten zij verwacht voor toekomstige uitbreidingen van spoorcapaciteit?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie voorzien voor de komende tijd belangrijke
ontwikkelingen in het spoorvervoer. Zowel op het vlak van de aanleg van nieuwe spoorlijnen
als ook ten aanzien van het onderhoud liggen er grote opgaven. Het nieuwe kabinet
heeft in het regeerakkoord ook ambities uitgesproken. Graag ontvangen deze leden een
geactualiseerde blik van de regering ten aanzien van de ontwikkelingen in het spoorvervoer.
Ziet de regering in het licht van de actuele ontwikkelingen nog verdere aanpassingen
aan de spoorweg gerelateerde wetgeving? Zo ja, welke?
Aanleidingen in de regelgeving
De leden van de VVD-fractie vragen de regering in hoeverre met dit wetsvoorstel daadwerkelijk
sprake is van een één-op-één implementatie van de Europese regelgeving. Kan de regering
toelichten op welke punten de nationale wetgeving volledig aansluit bij de Europese
regels en waar Nederland eventueel nog afwijkt van het Europese kader?
Daarnaast vragen deze leden of de regering voorbeelden kan geven van nationale koppen
die met dit wetsvoorstel worden geschrapt. Blijven er na inwerkingtreding van dit
voorstel nog nationale koppen bestaan, of is het de verwachting dat dergelijke aanvullende
nationale regels in de toekomst alsnog worden ingevoerd? Kan de regering hier nader
op ingaan?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stellen dat de regering verwijst in de memorie
van toelichting naar de Europese regelgeving en het feit dat de Nederlandse spoorwetgeving
op dit moment niet voldoet aan de Europese regelgeving. Deze leden ontvangen graag
een verdere doorkijk van de regering over de ontwikkelingen op Europees vlak ten aanzien
van wetgeving op het gebied van het spoor. Verwacht de regering dat er de komende
tijd verdere wijzigingen nodig zijn van de Nederlandse spoorwetgeving? Zo ja, welke
verdere veranderingen verwacht de regering de komende jaren?
Doel en reikwijdte van het wetsvoorstel
De leden van de VVD-fractie vragen de regering hoe wordt geborgd dat de wet voldoende
flexibel blijft om technologische innovaties mogelijk te maken, zoals het European
Rail Traffic Management System (ERTMS), automatische treinbesturing en verdere digitalisering
van het spoor. Kan de regering toelichten op welke wijze de voorgestelde wettelijke
systematiek ruimte biedt voor toekomstige technologische ontwikkelingen en implementaties?
Daarnaast vragen deze leden in hoeverre de regering verwacht dat vervoerders, die
investeren in voldoende locomotieven en ander rollend materieel, de transitie naar
een ERTMS-spoornet volledig en goed kunnen maken en doorstaan met hun organisatie
en materieel. Kan de regering ingaan op de mate waarin vervoerders hierop voorbereid
zijn en welke ondersteuning of randvoorwaarden nodig zijn om deze transitie succesvol
te laten verlopen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stellen dat in reactie op het advies van de
Afdeling Advisering van de Raad van State de regering aangeeft dat ten aanzien van
de niet actief beveiligde overwegen het daarop ziende wetsvoorstel niet is ingediend.
Dit begrijpen deze leden. Toch zijn deze leden benieuwd of in het voorliggende wetsvoorstel
hier niet alsnog een bepaling over had moeten worden opgenomen omdat er nog steeds
niet actief beveiligde overwegen zijn. Graag ontvangen deze leden hier een reactie
op van de regering.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het wetsvoorstel de hoofdlijnen vastlegt en
dat veel nadere uitwerking plaatsvindt in een algemene maatregel van bestuur en een
ministeriële regeling. De leden vragen of het wetsvoorstel goed kan worden beoordeeld
zolang die lagere regelgeving nog niet bekend is.
Deze leden vernemen graag welke onderwerpen precies in de algemene maatregel van bestuur
worden geregeld en welke in de ministeriële regeling worden uitgewerkt. Wanneer wordt
deze lagere regelgeving in consultatie gebracht? Deze leden vragen de regering of
zij bereid is een voorhangprocedure toe te passen bij de lagere regelgeving, zodat
de Kamer vooraf kan worden betrokken bij belangrijke inhoudelijke keuzes.
De leden vragen voorts wat de gevolgen zijn als het wetsvoorstel eerder in werking
treedt dan de bijbehorende lagere regelgeving. Kan dit leiden tot uitvoeringsvragen
of onduidelijkheid in de praktijk? Deze leden vernemen daarnaast graag hoe wordt geborgd
dat de lagere regelgeving binnen de kaders van de wet blijft en geen materiële keuzes
bevat die niet reeds in het wetsvoorstel zijn voorzien.
Relatie met andere wetten
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stellen dat in het nader rapport door de regering
wordt aangegeven dat de Wet sturing en verantwoording ProRail b.v. niet bij het voorliggende
wetsvoorstel is betrokken omdat dit wetsvoorstel door de Tweede Kamer controversieel
verklaard was. Nu er een nieuw kabinet aangetreden is, is dit niet meer aan de orde.
Daarom zouden deze leden graag willen weten hoe in de nabije toekomst deze wet betrokken
wordt bij het voorliggende wetsvoorstel.
Uitgangspunten en belangrijkste wijzigingen
De leden van de Groep Markuszower maken zich zorgen over de kwaliteit van NS en ProRail
in combinatie met de alsmaar stijgende ticketprijzen voor reizigers. Deze leden vragen
of het wetsvoorstel er voor zal zorgen dat er meer invloed uitgeoefend kan worden
op NS en/of ProRail, bijvoorbeeld wanneer zij slecht presteren, en of er meer controle
en invloed uitgeoefend kan worden op de alsmaar stijgende prijs van de treinkaartjes.
De leden van de Groep Markuszower vragen de regering of de implementatie van dit wetsvoorstel
ervoor zal zorgen dat Nederland verder gaat dan EU-eisen voorschrijven en zo ja, op
welke aspecten dit gebeurt, op welke wijze deze overschrijding van de minimumeisen
dan inhoudelijk plaatsvindt en waarom een overschrijding van die minimumeisen noodzakelijk
is.
De leden van de Groep Markuszower lezen dat de huidige indeling van spoorwegen niet
goed aansluit op Europese regimes. Dit baart deze leden zorgen. Zij willen graag weten
wat dit concreet inhoudt of dit ook betekent de Europese Unie straks, grotendeels,
beslist over de invulling van ons spoor en zo ja, wat dit zegt over de toekomst van
ons spoor.
De leden van de Groep Markuszower stellen dat modernisering van de Spoorwegwet van
grote waarde kán zijn. Deze leden willen weten op welke terreinen de grootste winst
geboekt kan worden door het gemoderniseerde wetsvoorstel aan te nemen en te implementeren.
De leden van de Groep Markuszower stellen vast dat treinkaartjes alsmaar duurder worden.
Derhalve zou een oplossing kunnen zijn om te werken aan eventuele concurrentie op
het spoor. Deze leden willen graag weten of dit wetsvoorstel (buitenlandse) concurrentie,
of iedere andere vorm van mededinging, beïnvloedt en zo ja, op welke wijze en wat
daarbij het standpunt van de regering is.
Ontwerpprincipes
De leden van de VVD-fractie vragen de regering of zij kan toelichten hoe het uitgangspunt
van «beperkte nieuwe eisen voor de sector» in de praktijk wordt gemonitord. Kan de
regering aangeven op welke wijze wordt gevolgd of de invoering van deze wet daadwerkelijk
niet leidt tot extra verplichtingen of lasten voor betrokken partijen, en hoe hierover
wordt gerapporteerd?
Alle spoorwegen in één wet
De leden van de VVD-fractie begrijpen de wens tot verdere harmonisatie. Zij vragen
de regering of deze integratie leidt tot extra lasten voor tram- en metrospoorbeheerders.
Kan de regering toelichten in hoeverre deze partijen te maken krijgen met aanvullende
verplichtingen, administratieve lasten of aanpassingen in hun bedrijfsvoering als
gevolg van dit wetsvoorstel?
Daarnaast vragen deze leden hoe maatwerk wordt geborgd voor historische spoorwegen.
Kan de regering toelichten op welke wijze rekening wordt gehouden met de specifieke
kenmerken en omstandigheden van deze sector bij de toepassing van de voorgestelde
regels?
Hoofdlijnen in de wet; details op een lager niveau
De leden van de D66-fractie constateren dat het wetsvoorstel 79 delegatiebepalingen
bevat. Kan de regering nader toelichten waarom ervoor is gekozen om zaken die de kern
van het spoorbeleid raken, zoals boetehoogtes en de beheerconcessie, volledig naar
lagere regelgeving te verschuiven?
Deze leden vragen de regering waarom de huidige voorhangprocedures zijn geschrapt.
Hoe rijmt de regering dit met de wens van deze Kamer voor meer grip op kaderwetgeving?
Is de regering bereid voor cruciale onderwerpen als de beheerconcessie en boetehoogtes
alsnog een voorhangbepaling op te nemen?
De leden van de VVD-fractie vragen de regering hoe de parlementaire betrokkenheid
wordt gewaarborgd wanneer implementatie in toenemende mate plaatsvindt via ministeriële
regelingen. Deze leden wijzen in dit verband ook op de zorgen die zij hebben geuit
over de partiële HUF-toetsing en het voornemen om reacties uit consultaties mee te
nemen bij het opstellen van lagere regelgeving. Kan de regering toelichten hoe wordt
geborgd dat de Kamer voldoende zicht en invloed houdt op deze gedelegeerde regelgeving?
Daarnaast vragen deze leden of er sprake is van delegatie die mogelijk spanning oplevert
met het primaat van de wetgever. In het wetsvoorstel is geen voorhangbepaling opgenomen
voor gedelegeerde regelgeving, terwijl in de huidige regelgeving rondom spoorwegen
wel verschillende voorhangbepalingen zijn opgenomen. Kan de regering aangeven waarom
ervoor is gekozen deze bepalingen niet te bestendigen? In het bijzonder vragen deze
leden waarom artikel 2.29, tweede lid, geen voorhangbepaling bevat, terwijl het huidige
artikel 61 die wel kent. Is de regering bereid om deze voorhangbepalingen alsnog in
het wetsvoorstel op te nemen?
Voorts vragen de leden van de VVD-fractie welke onderwerpen precies in lagere regelgeving
zullen worden geregeld. Wanneer verwacht de regering dat deze lagere regelgeving in
consultatie gaat en wanneer zal de Kamer hierover worden geïnformeerd? Wat zijn de
gevolgen voor het verdere wetgevingsproces indien de Kamer zou besluiten te wachten
met de verdere behandeling van het wetsvoorstel totdat de lagere regelgeving beschikbaar
is?
Daarnaast vragen deze leden wanneer de regering verwacht meer duidelijkheid te kunnen
geven over de indeling van spoorwegen die de regering op grond van het wetsvoorstel
moet maken, onder meer in categorieën van gebruiksfuncties en in de indeling tussen
rijksspoorwegen en decentrale spoorwegen. Op welke wijze wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
De leden van de VVD-fractie vragen waarom in artikel 1.11, eerste lid, is bepaald
dat de Minister een dienst van zijn ministerie moet aanwijzen als Nationale Veiligheidsinstantie
(NVi), terwijl reeds bekend is dat de ILT deze rol zal vervullen. Kan de regering
toelichten waarom er niet voor is gekozen om in het wetsvoorstel zelf vast te leggen
dat de ILT de NVi is?
Tot slot merken deze leden op dat in de transponeringstabel van de interoperabiliteitsrichtlijn
wordt aangegeven dat artikel 26, eerste lid, eerste en tweede volzin wordt geïmplementeerd
via artikel 4.18, eerste lid, van het wetsvoorstel en via een ministeriële regeling
op grond van artikel 4.18, zevende lid. Artikel 4.18, zevende lid, lijkt echter geen
delegatiebepaling te bevatten. Kan de regering nader toelichten hoe deze implementatie
precies is vormgegeven?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen dat er mede in het licht van het
adequaat kunnen inspelen op nieuwe (Europese) ontwikkelingen voor gekozen is om niet
alles op wetsniveau te regelen, maar om verdere uitwerking van de kaderwet te vervatten
in een AMvB en een ministeriële regeling. Voor deze leden is het echter wel relevant
om – voordat de Kamer een besluit neemt over de voorliggende wet – beschikking te
hebben over de inhoud van de lagere regelgeving. Deze leden vragen daarom wanneer
de AMvB en ministeriële regeling gereed zijn? Kan de regering toezeggen dat deze regelingen
voorafgaand aan de verdere behandeling van het wetsvoorstel aan de Kamer worden gestuurd,
zodat de Kamer de inhoud kan betrekken bij de verdere behandeling?
In het verlengde hiervan vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie aandacht voor
de spanning tussen enerzijds flexibiliteit in de regelgeving en anderzijds het goed
borgen van de rol van het parlement bij de wijziging van regelgeving. De aan het woord
zijnde leden constateren dat het voorliggende wetsvoorstel 79 delegatiebepalingen
bevat, maar dat er geen enkele voorhangprocedure in de wet zit. Dit betreft ook de
delegatiebepalingen die nieuw zijn ten opzichte van de huidige wetgeving. Deze leden
zouden graag een nadere motivering van de regering ontvangen waarom bij geen enkele
delegatiebepaling een voorhangprocedure in het wetsvoorstel is opgenomen. Zo wijzen
deze leden op het feit dat er ook bepalingen zijn waar in de huidige wetgeving wel
een delegatiebepaling zit en waarbij deze in het voorliggende wetsvoorstel worden
geschrapt (artikel 2.29, lid 2). Graag een nadere toelichting van de regering hierop.
De leden van de SGP-fractie zetten vraagtekens bij de mate waarin de regelgeving gedelegeerd
wordt naar lagere regelgeving, in aansluiting op de opmerkingen van Raad van State
hierbij. Deze leden ontvangen graag een overzicht van bepalingen en normen die in
de huidige situatie op wetsniveau of algemene maatregelen van bestuur-niveau (AMvB)
zijn vastgelegd, maar in het voorliggende voorstel naar lagere regelgeving worden
gedelegeerd.
De leden van de SGP-fractie horen graag of de regering bereid is een voorhangbepaling
op te nemen voor de AMvB met betrekking tot onder meer de toewijzing van gebruiksfuncties,
de capaciteitsverdeling en spoorwegveiligheid.
Aansluiting bij EU-regelgeving
De leden van de D66-fractie vragen of de regering kan toelichten hoe deze wet de implementatie
van het Vierde Spoorwegpakket voltooit en op welke wijze dit concreet bijdraagt aan
een «single European railway area».
De leden van de VVD-fractie vragen de regering of er onderdelen zijn waar Nederland
bewust afwijkt van of aanvullingen doet op de Europese regelgeving in vergelijking
met andere lidstaten. Kan de regering toelichten of in alle gevallen sprake is van
een één-op-één implementatie, of dat er nationale keuzes zijn gemaakt die verder gaan
dan de Europese verplichtingen? Indien er afwijkingen bestaan, vragen deze leden of
deze bijdragen aan een verbetering voor gebruikers van het spoor, of dat er mogelijk
sprake is van aanvullende beperkingen – zogenoemde nationale koppen – die een concurrentiebeperkend
effect kunnen hebben voor Nederlandse vervoerders of vervoerders op het Nederlandse
spoor.
Daarnaast vragen deze leden in hoeverre de verwachting is dat Nederland en andere
lidstaten qua timing, mijlpalen en voortgang met elkaar in de pas lopen bij de invoering
van onder meer het European Rail Traffic Management System (ERTMS), automatische treinbesturing
en verdere digitalisering van het spoor. Kan de regering toelichten of hiermee daadwerkelijk
een uniform Europees spoornetwerk onder gelijke omstandigheden wordt gerealiseerd,
of dat er gedurende het proces – en mogelijk ook in de eindsituatie – een zekere mate
van een «lappendeken» tussen lidstaten zal blijven bestaan?
Tot slot vragen deze leden of dergelijke verschillen gevolgen kunnen hebben voor het
grensoverschrijdend spoorverkeer. Kan de regering toelichten in hoeverre eventuele
verschillen in implementatie, tempo of technische systemen van invloed kunnen zijn
op de efficiëntie, betrouwbaarheid en concurrentiepositie van internationaal spoorvervoer?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten veel waarde aan een kwalitatief goed,
frequent en betaalbaar Europees spoorwegnetwerk. Deze leden hebben zorgen over het
feit dat de ambities er wel zijn, maar dat aangekondigde verbeteringen vaak lang op
zich laten wachten. Deze leden vragen daarom in welke zin het voorliggende wetsvoorstel
bijdraagt aan het behalen van de ambities die zowel de Europese Commissie als de Nederlandse
regering heeft op dit vlak? Kan de regering hierbij ook ingaan op de vraag hoe de
spoorwegwetgeving in onze buurlanden geregeld is en of deze ook gemoderniseerd worden,
zodat er sprake is van betere samenwerking tussen EU-lidstaten om het grensoverschrijdende
spoorvervoer op korte termijn verder te verbeteren? In dit kader vragen deze leden
ook aandacht voor het feit dat er nog steeds geen Europees treinticketsysteem is.
Draagt dit wetsvoorstel volgens de regering ook bij aan het bevorderen van dit voor
treinreizigers belangrijke systeem? Zo nee, ziet de regering mogelijkheden om in het
voorliggende wetsvoorstel hier ook nadere regels over toe te voegen?
Navolgbare toedeling van verantwoordelijkheden
De leden van de VVD-fractie steunen in beginsel de ontkoppeling van gebruik en verantwoordelijkheid,
maar hebben hierover nog enkele vragen. Zij vragen de regering toe te lichten welke
praktische gevolgen deze wijziging heeft voor ProRail en voor decentrale spoorbeheerders.
Kan de regering aangeven op welke wijze deze partijen hun taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden
in de praktijk zien veranderen?
Daarnaast vragen deze leden of er voldoende duidelijkheid bestaat over de systeemverantwoordelijkheid
en wat deze in de praktijk precies inhoudt. Eén van de deelnemers aan de internetconsultatie
merkte op dat de beschrijving van de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Infrastructuur
en Waterstaat te beperkt zou zijn. Kan de regering hier nader op ingaan en toelichten
hoe deze systeemverantwoordelijkheid wordt ingevuld?
Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie of er scenario’s denkbaar zijn waarin
verantwoordelijkheden in de toekomst alsnog verschuiven. Kan de regering toelichten
onder welke omstandigheden dit zou kunnen gebeuren en hoe in dat geval de verdeling
van taken en verantwoordelijkheden wordt geborgd?
De leden van de CDA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat het wetsvoorstel
geen wijziging beoogt aan te brengen in het huidige gebruik van spoorwegen en evenmin
in de verdeling van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Deze leden vragen hoe dit
juridisch is geborgd.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan bevestigen dat vervoerders,
beheerders en decentrale overheden in de praktijk geen verschuiving van bevoegdheden
of verplichtingen zullen ervaren.
Deze leden vernemen graag hoe wordt omgegaan met eventuele toekomstige wijzigingen
in de indeling van verantwoordelijkheden en welke rol de Kamer daarbij heeft.
Toedeling van verantwoordelijkheden
De leden van de VVD-fractie vragen de regering hoe wordt geborgd dat bij gemengd gebruik
van spoor – bijvoorbeeld door militair vervoer, goederenvervoer en stedelijk vervoer
– geen onduidelijkheid ontstaat over verantwoordelijkheden. Kan de regering toelichten
hoe in dergelijke situaties de verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden
wordt vastgesteld en hoe eventuele overlap of onduidelijkheid wordt voorkomen?
Daarnaast vragen deze leden of de huidige governance-structuur voldoende robuust is
om toekomstige schaalvergroting op te vangen. Kan de regering toelichten in hoeverre
het voorgestelde systeem bestand is tegen verdere groei van het spoorvervoer en toenemende
complexiteit in het gebruik van de infrastructuur?
Verantwoordelijkheid voor de spoorweginfrastructuur
De leden van de CDA-fractie lezen dat in de memorie van toelichting wordt ingegaan
op ontwikkelingen in het personenvervoer per spoor. Deze leden vragen welke concrete
beleidsdoelen de regering voor ogen heeft voor de verdere ontwikkeling van het personenvervoer.
Deze leden vragen of de regering voornemens is bepaalde beleidsdoelen expliciet te
verankeren in wet of lagere regelgeving, of dat de regering deze primair in beleidsdocumenten
en concessieafspraken wil vastleggen, en welke afweging daarbij wordt gemaakt.
Gebruiksfuncties spoorwegen
De leden van de CDA-fractie constateren dat het wetsvoorstel acht gebruiksfuncties
introduceert. De gebruiksfunctie bepaalt welke regels van toepassing zijn op een bepaald
spoor. Deze leden vragen waarom is gekozen voor acht functies en welke afwegingen
daarbij zijn gemaakt.
De leden van de CDA-fractie vragen of is onderzocht of een minder gedifferentieerde
indeling mogelijk zou zijn geweest. Deze leden vernemen graag hoe wordt beoordeeld
of de gekozen indeling in de praktijk werkbaar en overzichtelijk is. Deze leden vragen
tevens hoe de Kamer en betrokken partijen worden betrokken bij de indeling van spoorwegen
in een gebruiksfunctie en bij eventuele latere aanpassingen daarvan.
Gebruiksfuncties
De leden van de VVD-fractie vragen de regering waarom is gekozen voor een indeling
in acht gebruiksfuncties. Kan de regering toelichten op welke wijze deze indeling
een verbetering vormt ten opzichte van de huidige systematiek?
Daarnaast merken deze leden op dat de nieuwe indeling beter aansluit bij de Europese
systematiek. Zij vragen echter of deze indeling ook daadwerkelijk voordelen biedt
voor de gebruikers van het spoor, zoals vervoerders en beheerders. Kan de regering
toelichten hoe deze partijen tegen de voorgestelde indeling aankijken en of zij deze
wijziging als een verbetering ervaren?
Naar acht gebruiksfuncties
De leden van de D66-fractie vragen om een nadere toelichting op de praktische uitvoerbaarheid
van de acht gebruiksfuncties. Hoe wordt voorkomen dat de ontkoppeling van governance
en gebruik op korte termijn leidt tot juridische onduidelijkheid voor vervoerders
die over verschillende soorten spoor rijden? Kan de regering bevestigen dat de indeling
in gebruiksfuncties niet zal leiden tot extra nationale «koppen» op Europese regelgeving?
Hoe borgt de regering dat de indeling in gebruiksfuncties flexibel genoeg is voor
innovaties zoals Automatic Train Operation (ATO)? En hoe wordt voorkomen dat de ontkoppeling
van governance en gebruik leidt tot een ondoorzichtige lappendeken van regels voor
grensoverschrijdende vervoerders?
De leden van de VVD-fractie vragen de regering of zij de economische en juridische
gevolgen van de indeling in acht gebruiksfuncties nader kan toelichten. In het bijzonder
vragen deze leden welke gevolgen deze nieuwe systematiek heeft voor huidige gebruikers
van het spoor en hoe hun positie in de bestaande situatie – «as is» – door deze indeling
wordt beïnvloed.
Daarnaast vragen deze leden of de voorgestelde indeling daadwerkelijk leidt tot vereenvoudiging
van het systeem. Kan de regering toelichten of deze vereenvoudiging ook in de praktijk
merkbaar zal zijn voor gebruikers van het spoor, zoals vervoerders en beheerders?
Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie hoe de rechtszekerheid wordt gewaarborgd
bij een eventuele herindeling van een spoorweg. Kan de regering toelichten hoe wordt
voorkomen dat gebruikers geconfronteerd worden met onduidelijkheid over waar zij in
de toekomst wel of niet kunnen opereren en of betrokken partijen voldoende inzicht
hebben in de gevolgen van dergelijke wijzigingen?
De acht gebruiksfuncties in relatie tot de Europese regelgeving
De leden van de CDA-fractie lezen dat het wetsvoorstel zo is ingericht dat Europese
wijzigingen sneller via lagere regelgeving kunnen worden doorgevoerd. De leden vragen
hoe wordt geborgd dat de Kamer tijdig wordt geïnformeerd over nieuwe Europese regels
en over de wijze waarop deze nationaal worden geïmplementeerd.
De leden van de CDA-fractie vernemen graag of de Kamer wordt betrokken bij beleidsmatige
keuzes die binnen de Europese kaders mogelijk zijn. De leden vragen daarnaast hoe
wordt voorkomen dat belangrijke inhoudelijke wijzigingen uitsluitend via lagere regelgeving
plaatsvinden zonder parlementaire betrokkenheid.
Vergunningverlenende en uitvoerende organisaties
De leden van de CDA-fractie begrijpen dat in de praktijk situaties kunnen ontstaan
waarin tijdelijke vergunningen nodig zijn, bijvoorbeeld bij de ombouw van materieel
of bij verplaatsing van treinen. Deze leden vragen hoe in de lagere regelgeving wordt
geborgd dat dit soort tijdelijke situaties werkbaar blijft geregeld.
De leden van de CDA-fractie lezen dat verschillende typen sporen op elkaar aansluiten
en dat de status van een spoor bepalend is voor de toepasselijke regels. Deze leden
vragen hoe juridisch helder wordt vastgelegd welke regels gelden op aansluitende sporen.
Zij vernemen graag welke juridische status digitale kaartlagen krijgen, indien deze
worden gebruikt om de status van spoor vast te leggen. Deze leden vragen voorts of
knelpunten uit de huidige regelgeving, zoals rond het seinenboek, in het kader van
deze modernisering worden bezien en zo ja, hoe.
Toegang tot de spoorweginfrastructuur
De leden van de VVD-fractie vragen de regering hoe non-discriminatoire toegang tot
het spoor concreet wordt geborgd. Kan de regering toelichten welke waarborgen en procedures
worden toegepast om te voorkomen dat bepaalde vervoerders worden bevoordeeld of benadeeld
bij de toegang tot spoorcapaciteit? Daarnaast vragen deze leden hoe wordt toegezien
op de naleving van deze principes en welke rol de toezichthouder daarbij vervult.
Spoorweginfrastructuur capaciteitsverdeling, gebruiksvergoeding en heffingen
De leden van de VVD-fractie vragen de regering of de capaciteitsverdeling onder het
voorgestelde stelsel transparanter wordt dan in de huidige situatie. Kan de regering
toelichten op welke wijze de nieuwe systematiek bijdraagt aan meer inzichtelijkheid
en voorspelbaarheid voor gebruikers van het spoor?
Daarnaast vragen deze leden of de ACM over voldoende instrumenten beschikt om effectief
toezicht te houden op de capaciteitsverdeling. Kan de regering toelichten welke bevoegdheden
de ACM heeft om in te grijpen wanneer de verdeling van capaciteit niet in lijn is
met de geldende regels?
Voorts vragen de leden van de VVD-fractie hoe wordt voorkomen dat spoorcapaciteit
op grote schaal wordt gereserveerd zonder dat deze daadwerkelijk wordt benut. Kan
de regering toelichten welke mechanismen worden toegepast om zogenoemde «overreservering»
tegen te gaan, bijvoorbeeld situaties waarin capaciteit wordt vastgelegd zonder concreet
gebruik – vergelijkbaar met het reserveren van ligstoelen bij zwembaden of op stranden
zonder deze daadwerkelijk te gebruiken?
Ten slotte vragen deze leden hoe de toenemende behoefte van defensie aan spoorcapaciteit
binnen dit systeem wordt ingepast. Kan de regering toelichten of deze behoefte mogelijk
verstorend kan werken voor andere gebruikers van het spoor en of hier reeds concrete
beelden of scenario’s voor bestaan? Daarnaast vragen deze leden of huidige gebruikers
van het spoor hierover zijn geïnformeerd en of zij de gelegenheid hebben gehad om
aan te geven welke gevolgen dit mogelijk heeft voor hun bedrijfsvoering.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de verdeling van spoorcapaciteit plaatsvindt
op basis van het Besluit capaciteitsverdeling en dat binnen dat stelsel verschillende
vormen van vervoer een bepaalde positie hebben bij de prioritering van capaciteit.
Deze leden lezen dat momenteel wordt gewerkt aan een wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling
in verband met prioritering van militair vervoer. Zij vragen waarom ervoor is gekozen
deze wijziging nu te beperken tot defensievervoer. Zijn er volgens de regering ook
signalen dat de regels voor andere vormen van vervoer, zoals concessievervoer of open
toegang, aanpassing behoeven?
Deze leden vernemen graag hoe het huidige systeem in de praktijk functioneert. Hoe
wordt omgegaan met situaties waarin capaciteit wordt gereserveerd maar uiteindelijk
niet volledig wordt benut? Welke mogelijkheden bestaan er om in zulke gevallen capaciteit
opnieuw beschikbaar te stellen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat artikel 2.29, tweede lid, de mogelijkheid biedt
om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen over capaciteitsverdeling.
Artikel 2.31, derde lid, biedt ruimte om nadere regels te stellen over kaderovereenkomsten.
Deze leden vragen hoe de regering voornemens is deze bepalingen toe te passen.
De leden van de CDA-fractie vernemen graag hoe de regering de rol van kaderovereenkomsten
ziet binnen het Nederlandse stelsel van capaciteitsverdeling. Welke ruimte bestaat
er binnen het huidige en voorgestelde kader om bij de prioritering rekening te houden
met dergelijke overeenkomsten? Deze leden vragen welke voorwaarden de regering noodzakelijk
acht om kaderovereenkomsten uitvoerbaar en juridisch houdbaar vorm te geven. Worden
bij de verdere uitwerking ervaringen uit andere Europese lidstaten betrokken?
Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie hoe bij conflicterende capaciteitsaanvragen
wordt gehandeld. Wordt eerst ingezet op coördinatie en het passend maken van aanvragen
voordat wordt overgegaan tot een overbelastverklaring? Hoe verhoudt dit zich tot de
systematiek van Richtlijn 2012/34/EU tot instelling van één Europese spoorwegruimte?
Spoorwegveiligheid
De leden van de VVD-fractie vragen de regering of de beoogde harmonisatie leidt tot
een vermindering van controles, in het bijzonder van zogenoemde dubbele controles.
Kan de regering toelichten in hoeverre de voorgestelde systematiek bijdraagt aan het
voorkomen van overlap in toezicht en inspecties, en welke voordelen dit naar verwachting
oplevert voor gebruikers van het spoor?
De leden van de SGP-fractie constateren dat er een behoefte blijft aan een duidelijkere
rolverdeling en een veiligheidsnorm voor het aanpakken van Niet Actief Beveiligde
Overwegen. Het traject met betrekking tot het voorliggende wetsvoorstel loopt al enkele
jaren. Waarom heeft de regering er niet voor gekozen deze regelgeving in het voorliggende
voorstel op te nemen? Is de regering bereid dit alsnog te doen? Zo nee, waarom niet?
Nationale Veiligheidsinstantie
De leden van de D66-fractie vragen waarom de regering ervoor kiest om de aanwijzing
van de NVi via een ministerieel besluit te laten verlopen (art. 1.11), terwijl reeds
vaststaat dat dit de ILT zal zijn. Waarom wordt de ILT niet direct in de wet als NVi
aangewezen, om de onafhankelijke positionering wettelijk te verankeren?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten veel waarde aan een onafhankelijke
veiligheidsinstantie. Uit de stukken komt naar voren dat de ILT zal worden aangewezen
als NVi. Het is hierbij, zoals ook de Afdeling Advisering van de Raad van State in
haar advies aangeeft, van belang dat de ILT in voldoende mate onafhankelijk is van
de Minister. De regering heeft dit in de memorie van toelichting aangescherpt en nader
toegelicht. Deze leden zijn benieuwd of de plannen die er zijn om de rijksinspecties
verder onafhankelijk te maken nog invloed hebben op het verder borgen van de onafhankelijke
rol van de ILT als NVi?
Nationale eisen aan spoorweginfrastructuur en spoorvoertuigen
De leden van de VVD-fractie vragen de regering of nationale technische voorschriften
waar mogelijk worden geschrapt in het kader van de voorgestelde harmonisatie. Kan
de regering toelichten in hoeverre bestaande nationale regels worden herzien of vereenvoudigd
om beter aan te sluiten bij de Europese systematiek?
Daarnaast vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat innovatie wordt belemmerd door
aanvullende nationale eisen. Kan de regering toelichten op welke wijze wordt geborgd
dat nieuwe technologieën en ontwikkelingen in de spoorsector voldoende ruimte krijgen
binnen het voorgestelde regelgevingskader?
Machinisten
De leden van de VVD-fractie vragen de regering of de implementatie van de voorgestelde
regels leidt tot lastenverlichting voor machinisten die uitsluitend nationaal opereren.
Kan de regering toelichten in hoeverre de nieuwe systematiek administratieve verplichtingen
of andere lasten voor deze groep vermindert, en welke concrete voordelen zij in de
praktijk kunnen verwachten?
Toezicht, handhaving en rechtsbescherming
Handhavingsarrangement
De leden van de VVD-fractie vragen de regering of het voorgestelde handhavingsarrangement
eenvoudiger en effectiever wordt ten opzichte van de huidige situatie. Kan de regering
toelichten op welke wijze de nieuwe systematiek bijdraagt aan een duidelijker en efficiënter
handhavingskader?
Daarnaast vragen deze leden of zowel de ILT als de ACM voldoende zijn toegerust om
hun taken binnen dit stelsel uit te voeren. Kan de regering inzicht geven in de beschikbare
capaciteit bij deze toezichthouders en aangeven of aanvullende middelen of capaciteit
nodig zijn voor een adequate uitvoering van het toezicht en de handhaving?
Effecten en lasten van het wetsvoorstel
De leden van de VVD-fractie vragen de regering of zij kwantitatief kan onderbouwen
dat het wetsvoorstel niet leidt tot een toename van de regeldruk. Kan de regering
toelichten op basis van welke analyses of ramingen wordt geconcludeerd dat de administratieve
lasten voor betrokken partijen niet toenemen?
Effecten voor de spoorwegsector; regeldruk
De leden van de VVD-fractie vragen de regering welke effecten zij verwacht voor het
spoorgoederenvervoer als gevolg van het wetsvoorstel. Kan de regering toelichten welke
gevolgen dit heeft voor de bedrijfsvoering en concurrentiepositie van ondernemingen
in deze sector?
Daarnaast vragen deze leden hoe de betrokken bedrijven die eerder een ontheffing hadden,
de voorgestelde regeling in de praktijk beoordelen. In hoeverre ervaren deze bedrijven
de gekozen oplossing als werkbaar en passend bij hun operationele praktijk?
Voorts wijzen de leden van de VVD-fractie op de passage in de memorie van toelichting
waarin wordt gesteld dat uit onderzoek blijkt dat voor de hele sector initiële administratieve
lasten tussen de 120.000 euro en 240.000 euro optreden, structurele administratieve
lasten tussen de 10.000 euro en 40.000 euro en nalevingskosten van minimaal 45.000
euro. Deze leden vragen of deze bedragen betrekking hebben op de gehele sector of
op individuele bedrijven. In de memorie van toelichting lijkt het namelijk alsof deze
bedragen per bedrijf gelden. Kan de regering verduidelijken welke interpretatie juist
is? Indien de genoemde bedragen per bedrijf gelden, vragen deze leden of de regering
deze lasten niet als relatief hoog beschouwt.
Privacy
De leden van de D66-fractie vernemen graag een reactie op het advies van de Autoriteit
Persoonsgegevens (AP). Waarom is er in artikel 7.15 voor gekozen om de verwerkingsverantwoordelijkheid
bij een brede groep organisaties te leggen, terwijl de huidige wet dit bij de Minister
centraliseert? Hoe wordt de rechtsbescherming van betrokkenen (zoals machinisten)
hierbij gewaarborgd?
Uitvoerbaarheidstoetsen
Inleiding
De leden van de D66-fractie vragen zich af hoe een integrale weging van de uitvoerbaarheid
op dit moment gewaarborgd is, nu essentiële onderdelen van de lagere regelgeving nog
ontbreken. Kan de regering toelichten op welke wijze de Kamer de uitvoerbaarheid effectief
kan toetsen zolang de concept-AMvB nog niet beschikbaar is? Is de regering bereid
om de Kamer eerst nader te informeren over de hoofdlijnen van deze lagere regelgeving
alvorens de behandeling wordt voortgezet?
De leden van de VVD-fractie vragen de regering hoe wordt geborgd dat de in paragrafen
14.2 tot en met 14.7 genoemde organisaties hun HUF-toets uiteindelijk op het gehele
stelsel kunnen uitvoeren, dus inclusief de nog vast te stellen lagere regelgeving,
in samenhang met de thans voorliggende formele moderniseringswetgeving. Kan de regering
toelichten op welke wijze deze organisaties in staat worden gesteld om hun appreciatie
te geven over zowel het geheel als de afzonderlijke onderdelen, voorafgaand aan de
behandeling van de formele wet door de Kamer?
Daarnaast vragen deze leden of de regering de zorg deelt dat nog veel opmerkingen
van toezichthouders nadere uitwerking en verduidelijking behoeven. Deze leden vragen
of de regering het met hen eens is dat het zorgelijk is dat juist deze instanties
– die straks een onafhankelijke en toezichthoudende rol moeten vervullen – zich op
dit moment nog niet volledig comfortabel lijken te voelen bij de veranderingen die
voortvloeien uit de voorgestelde modernisering en harmonisering. Deze leden verzoeken
de regering om bij het uitwerken van de lagere regelgeving niet alleen deze organisaties
te betrekken, maar ook hun behoeften en mate van comfort met het nieuwe stelsel nadrukkelijk
als uitgangspunt te nemen en dit waar nodig te faciliteren.
Handhaafbaarheids-, uitvoerings- en fraudebestendigheidstoets ILT
De leden van de D66-fractie stellen dat de ILT aangeeft dat een volledige toets pas
mogelijk is als de lagere regelgeving bekend is. Is de regering bereid de Kamer de
concept-AMvB toe te sturen nog vóór de plenaire behandeling van dit wetsvoorstel?
Uitvoerbaarheidstoets ProRail
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van groot belang dat ProRail haar
taken uit de wet goed kan uitvoeren. Dit betekent onder andere dat ProRail voldoende
middelen moet hebben om het spoorwegnetwerk adequaat te kunnen uitvoeren. Deze leden
maken zich in dit kader zorgen over toereikende middelen. Zij vragen de regering daarom
in te gaan op de vraag of ProRail voor de langere termijn voldoende middelen heeft
om het onderhoud te laten uitvoeren. Hoe wordt dit volgens de regering gewaarborgd?
Internetconsultatie
De leden van de VVD-fractie vragen de regering hoe wordt voorkomen dat door de verdeling
van regelgeving over de formele moderniseringswet en lagere regelgeving – zoals algemene
maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen – een gefragmenteerd beeld ontstaat.
In de memorie van toelichting wordt gesteld dat punten die in consultatiereacties
op de formele wetgeving zijn aangedragen, waar nodig in lagere regelgeving worden
meegenomen. Deze leden vragen hoe wordt geborgd dat partijen ook daadwerkelijk op
het geheel van regelgeving hebben kunnen reageren en dat de punten die naar lagere
regelgeving worden doorgeschoven voldoende transparant, toetsbaar en navolgbaar worden
uitgewerkt.
Daarnaast merken de leden van de VVD-fractie op dat participanten volgens de memorie
van toelichting met name behoefte hebben aan duidelijkheid, flexibiliteit en een zorgvuldige
transitie naar het nieuwe stelsel. Deze leden vragen of de regering heeft vastgesteld
in hoeverre het voorliggende wetsvoorstel volgens deze participanten daadwerkelijk
in deze behoeften voorziet. Kan de regering toelichten hoe deze signalen uit de consultatie
zijn meegewogen bij de vormgeving van het wetsvoorstel en de verdere uitwerking in
lagere regelgeving?
Overgangsrecht en inwerkingtreding
De leden van de D66-fractie vragen wat de gevolgen zijn voor de rechtszekerheid als
spoorwegen direct bij inwerkingtreding worden ingedeeld in gebruiksfuncties zonder
dat hiertegen bezwaar of beroep mogelijk is voor de huidige gebruikers?
De leden van de VVD-fractie vragen de regering of in het wetsvoorstel is voorzien
in overgangsrecht voor lopende concessies. Kan de regering toelichten op welke wijze
wordt gewaarborgd dat bestaande concessies op een zorgvuldige en rechtszekere wijze
worden ingepast in het nieuwe stelsel? Tevens vragen deze leden welke gevolgen de
voorgestelde wijzigingen kunnen hebben voor concessies die momenteel van kracht zijn.
Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 2 Toegang tot de spoorweginfrastructuur
De leden van de D66-fractie stellen dat in de huidige Spoorwegwet (art. 61) voor de
capaciteitsverdeling een voorhangprocedure is opgenomen. In het voorliggende artikel 2.29,
tweede lid, ontbreekt deze. Kan de regering motiveren waarom deze vorm van parlementaire
controle is geschrapt? Is de regering bereid alsnog een voorhangbepaling op te nemen
voor de AMvB over capaciteitsverdeling?
Hoofdstuk 3 Spoorwegveiligheid
De leden van de SGP-fractie hebben een vraag over artikel 3.22 (melden ongevallen
en incidenten). Deze leden horen graag of en in hoeverre meldingen van ongevallen
of incidenten openbaar worden gemaakt, zodat alle betrokken partijen in de sector
op de hoogte zijn en ervan kunnen leren.
Hoofdstuk 4 Technische eisen aan spoorweginfrastructuur en spoorvoertuigen
De leden van de D66-fractie stellen dat in de transponeringstabel wordt verwezen naar
een uitwerking in een ministeriële regeling op grond van art. 4.18, zevende lid. Deze
leden constateren echter dat dit lid geen delegatiegrondslag bevat. Kan de regering
deze omissie verklaren?
Hoofdstuk 7 Toezicht, handhaving en overige bepalingen
De leden van de D66-fractie stellen dat de hoogte van de bestuurlijke boetes voor
ondernemingen kan oplopen tot 10% van de omzet. Kan de regering garanderen dat de
differentiatie van deze boetes in de lagere regelgeving evenredig is, aangezien de
wet hier zelf geen nadere kaders voor stelt?
Hoofdstuk 8 Wijziging van andere wetten
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat het vijfde lid betreffende de uitzondering
die geldt voor de toegang tot het spoor op het hoofdrailnet wordt geschrapt. De leden
willen graag weten wat dat betekent voor de huidige HRN-concessie 2025–2035, zeker
in het licht van de reactie van de Europese Commissie. Daarnaast vragen deze leden
wat dit betekent voor de wijze van toewijzing tot het spoor op het hoofdrailnet vanaf
2035. Zij vragen op basis van welke criteria deze toewijzing plaats vindt. Ook willen
zij weten hoe de regering een continue en betrouwbare dienstverlening gaat garanderen
na 2035.
De fungerend voorzitter van de vaste commissie, Peter de Groot
Adjunct-griffier van de commissie, Van der Graaf
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
L. van der Graaf, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.