Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 872 Wijziging van de Omgevingswet, Algemene wet bestuursrecht en de Wet windenergie op zee ter implementatie van onderdelen van de met Richtlijn 2023/2413 gewijzigde richtlijn hernieuwbare energie (REDIII, vergunnen)
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 26 februari 2026
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei, belast met het voorbereidend onderzoek
van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen
tijdig en genoegzaam zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging
over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.
I. Algemeen deel
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende
wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven de ambitie om de uitrol van hernieuwbare energie
te versnellen, maar hebben nog enkele vragen over het voorliggende voorstel.
De leden van de D66-fractie constateren dat de herziene richtlijn hernieuwbare energie
(RED III) uiterlijk op 21 mei 2025 geïmplementeerd had moeten zijn. Deze leden vernemen
dat de Europese Commissie Nederland inmiddels in gebreke heeft gesteld. Voor deze
leden staat voorop dat klimaat- en energiebeleid de grootste urgentie dient te hebben.
Zij vragen de regering waarom zij dit wetsvoorstel pas zo laat implementeert. Daarnaast
vragen deze leden of de regering kan toezeggen dat zij, specifiek voor thema’s aangaande
klimaatverandering en energietransitie, gezien de urgentie, kan toezeggen dat zij
deze kabinetsperiode zorg zal dragen voor tijdige implementatie van EU-regelgeving.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de regering concreet van plan is
de doelstelling van 39% hernieuwbare energie in 2030 te halen.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering om kwantitatief te onderbouwen welke
versnelling dit wetsvoorstel in Nederland nog daadwerkelijk oplevert, nu de regering
zelf aangeeft dat het Nederlandse stelsel al grotendeels aan de maximale termijnen
uit REDIII voldoet en dat de bijdrage van REDIII aan versnelling beperkt is.
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende
wetsvoorstel. Zij hebben nog enkele vragen.
2. Hoofdlijnen van het voorstel
2.1 Aanleiding, doelstellingen en noodzaak
De leden van de D66-fractie ondersteunen de doelstellingen van de RED III, die voorziet
in een ruime verdubbeling van het aandeel hernieuwbare energie in de aankomende zes
jaar, van 19,8% in 2024 naar 42,5% in 2030. Zij achten een voortvarende aanpak van
deze transitie van groot belang voor het behalen van de klimaatdoelen.
De leden van de D66-fractie vragen in navolging van de Commissie voor de milieueffectrapportage
(mer) en de Nederlandse Vereniging van Duurzame Energie in hoeverre de voorgestelde
wijzigingen daadwerkelijk tijdswinst zullen opleveren. Dat vragen zij met het oog
op het feit dat er extra stappen in het proces komen voordat een project kan beginnen
en ook nieuwe beroepsmogelijkheden ontstaan. Zij vragen welke concrete veranderingen
ten opzichte van de reguliere planvorming de regering een versnelling verwacht, zodat
overheden, projectontwikkelaars en andere belanghebbenden hun verwachtingen daarop
kunnen aanpassen? Daarnaast vragen deze leden hoeveel maanden versnelling de regering
concreet per project verwacht. Tot slot vragen deze leden hoe regering voorkomt dat
vrijstelling van project-MER’s en natuurtoetsen leidt tot grotere juridische risico’s
en daarmee tot vertraging.
De leden van de D66-fractie vragen of dit wetsvoorstel de vergunningssystematiek wel
daadwerkelijk versimpelt. Deze leden constateren namelijk dat in plaats van de project-MER
een screening zal worden gedaan. Ook constateren deze leden dat deze screening een
nieuw instrument is binnen de Omgevingswet. Deze leden vragen de regering waarom zij
hiervoor kiest, terwijl de Omgevingswet bedoeld is om procedures te versimpelen. Daarnaast
vragen deze leden waarom de regering kiest voor een verschillende beoordelingstermijnen
voor verschillende projecten. Is dit verschil volgens de regering strikt noodzakelijk,
gezien de ambitie van dit kabinet om regels te versimpelen?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de maximale termijnen voor vergunningverlening
van specifieke bodemenergiesystemen en zonnepanelen beperkt korter worden door de
implementatie van REDIII. Kan de regering concreet toelichten op welke manier deze
maximale termijnen korter worden door de implementatie?
De leden van de JA21-fractie vragen de regering welke concrete knelpunten in de Nederlandse
vergunningpraktijk met dit wetsvoorstel worden opgelost. Kan de regering per type
project (wind, zon, net- en opslaginfrastructuur; op land en op zee) aangeven welke
stap in de keten nu tijd kost en hoe de voorgestelde wijzigingen die stap verkorten?
2.2 Strekking van het voorstel
De leden van de VVD-fractie zijn tevreden met het stroomlijnen van de vergunningsprocedures
en verkorten van de beroepsprocedure. De regering geeft aan te verwachten dat er geen
veranderingen zullen optreden in het aantal rechtszaken dat tegen besluiten op aanvragen
voor hernieuwbare-energieprojecten. Waarop is deze verwachting gebaseerd? De Afdeling
advisering van de Raad van State geeft aan dat de gevolgen voor de werkbelasting van
de Afdeling bestuursrechtspraak op voorhand niet zijn in te schatten.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de regering zal garanderen dat
alternatieve locaties met minder natuur- en milieu-impact steeds gekozen worden om
de infrastructuur te plaatsen. Onder welke voorwaarden denkt de regering toch afwijkingen
toe te staan, waarbij locaties of projecten met meer natuur- of milieu-impact aangewezen
worden ondanks de mogelijkheid van een minder vervuilend of milieubelastend alternatief?
De leden van de PVV-fractie constateren dat het voorliggende wetsvoorstel primair
draait om het versnellen – oftewel doordrukken – van nieuwe hernieuwbare-energieprojecten
en het belang van omwonenden daarin geen plaats heeft gekregen. Deze leden lezen dat
termen als «afstand», «normen», «afstandsnormen», «tiphoogte» en dergelijke in de
memorie van toelichting noch in het wetsvoorstel voorkomen en er aldus met geen woord
wordt gerept over de noodzakelijke, deugdelijke afstandsnormen tussen windturbines
en omwonenden. Zij vragen de regering te erkennen dat windturbines omwonenden letterlijk
ziek kunnen maken en waar die afstandsnormen blijven (bij voorkeur een afstand van
pakweg tien kilometer).
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering om scherp af te bakenen welke besluiten
en vergunningen onder de voorgestelde «stroomlijning» vallen. Kan de regering aangeven
welke activiteiten precies worden bedoeld met «energie-infrastructuur voor hernieuwbare
energie» en hoe dit zich verhoudt tot bijvoorbeeld netverzwaringen, converterstations,
batterijopslag en andere systeemcomponenten?
De leden van de JA21-fractie vragen de regering hoe de rol van de Minister van Klimaat
en Groene Groei bij het vaststellen van een projectbesluit (in overeenstemming met
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) wordt begrensd, en hoe
wordt geborgd dat decentrale afwegingen in het kader van de fysieke leefomgeving voldoende
worden meegewogen.
De leden van de SGP-fractie constateren dat het voorliggende voorstel nog geen concreet
perspectief biedt voor het stikstofvraagstuk bij duurzame energie en energie infrastructuurprojecten.
De regering heeft eerder aangegeven dat gewerkt wordt aan een ADC-toets voor deze
projecten (Kamerstukken 29 826, nr. 217 en 30 196, nr. 849). Deze leden horen graag wat de stand van zaken is.
De leden van de SGP-fractie constateren dat een ADC-toets binnen de huidige nationale
regelgeving niet toegepast kan worden op programmaniveau, omdat het Besluit activiteiten
leefomgeving (Bal) alleen ruimte geeft voor een passende beoordeling1. Is de veronderstelling juist dat de Habitatrichtlijn, inclusief de Europese interpretatie
daarvan, wel ruimte geeft voor een ADC-toets op programmaniveau? Is de regering bereid
de Omgevingswet en het Bal indien nodig zo aan te passen dat ruimte gegeven wordt
voor een ADC-toets op het niveau van een programma, zoals het voorgestelde versnellingsgebiedsplan?
2.3 Gebieden voor versnelde uitrol van hernieuwbare energie
De leden van de D66-fractie constateren dat de regering ervoor kiest om de versnelde
uitrol mogelijk te maken voor projecten in gebieden waar deze projecten geen aanzienlijke
milieueffecten zullen hebben. Zij onderschrijven dat kunstmatige en bebouwde oppervlakken
voorkeursposities zijn en dat Natura 2000-gebieden en gebieden die onder nationale
beschermingsregelingen voor natuur- en biodiversiteitsbehoud vallen, worden vermeden.
Om een goede inschatting te maken van de effecten van dit uitgangspunt, vragen deze
leden de regering een inschatting te maken van hoeveel projecten dit wetsvoorstel
eigenlijk gaat. Ook vragen deze leden de regering een inschatting te maken hoeveel
projecten er niet binnen de scope van het wetsvoorstel passen doordat zij binnen Natura-2000 gebieden
vallen.
De leden van de D66-fractie constateren dat de implementatie van REDIII en de Natuurherstelwet
niet synchroon lopen. Daarom vragen deze leden hoe de regering gaat voorkomen dat
versnellingsgebieden gaan conflicteren met gebiedsaanwijzingen onder de Natuurherstelwet?
Is de regering bereid om de aanwijzing van versnellingsgebieden af te stemmen op de
planning van het Nationaal Natuurherstelplan, zodat overlap en juridische risico’s
kunnen worden voorkomen? Ook vragen deze leden de regering of zij heeft overwogen
naast Natura-2000 gebieden ook KRM-, NNN-gebieden en primaire trekroutes voor vogels en zeezoogdieren uit te sluiten als versnellingsgebied.
De leden van de D66-fractie constateren dat de wet ruimte geeft voor versnelling van
de ontwikkeling van netwerk- en opslaginfrastructuur. Deze leden constateren dat hiervoor
aanzienlijk minder eisen gelden dan voor projecten voor hernieuwbare energie. Zij
vragen de regering duidelijker toe te lichten welke precieze milieu eisen en processtappen
er wel overeind blijven voor dergelijke projecten. Betekent dit dat er voor deze infrastructuur
geen plan MER, beoordeling van effecten op Natura 2000-gebieden of soortenbeschermingstoets
plaats gaat vinden? Ook verzoeken zij de regering concreet aan te geven over hoeveel
projecten het hier naar verwachting gaat.
De leden van de D66-fractie constateren dat de richtlijn het mogelijk maakt om financiële
compensatie voor natuureffecten te bieden. Deze leden vragen de regering hoe zij ervoor
gaat zorgen dat compensatie in kwetsbare natuurgebieden tijdig en volledig gaat realiseren.
De leden van de VVD-fractie lezen dat door het samenspel van de regels voor vergunningverlening
binnen het versnellingsgebied met de milieuwetgeving het risico bestaat op vertraging.
Voor deze leden is het essentieel dat de implementatie niet leidt tot vertraging.
Kan de regering toelichten of er mogelijkheden zijn onderzocht om dit risico op vertraging
weg te nemen?
De regering geeft aan dat het aan het bevoegd gezag is om te bepalen of het aanwijzen
van een versnellingsgebied toegevoegde waarde heeft. Het is dus ook aan het bevoegd
gezag om af te wegen of zij het risico op vertraging nemen. De regering geeft aan
hierover praktische informatie ter beschikking te stellen op de website van Rijksdienst
voor Ondernemend Nederland (RVO). Acht de regering die mitigerende maatregel als afdoende?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de vrijstellingen van de project-MER-(beoordelings)plicht
en natuurtoetsen niet gelden als het gaat om projecten die vermoedelijk aanzienlijke
grensoverschrijdende milieueffecten hebben en dat het aan het bevoegd gezag is om
op basis van de door de initiatiefnemers verstrekte gegevens vast te stellen of daarvan
sprake is. Zij vragen hoe het bevoegd gezag zal garanderen dat de door initiatiefnemers
verstrekte gegevens volledig zijn. Zal het bevoegd gezag ook andere relevante gegevens,
die niet door de initiatiefnemers zijn aangeleverd, in overweging nemen?
De leden van de PVV-fractie lezen het volgende: «Een versnellingsgebied kan alleen
worden aangewezen, wanneer het onderdeel is van de gecoördineerde inventarisatie van
potentiële versnellingsgebieden, ook wel «mapping» genoemd. [...] Er is voor gekozen
de inventarisatie breed op te zetten, om het risico te verkleinen dat er potentiële
versnellingsgebieden gemist worden die dan later niet als versnellingsgebied kunnen
worden aangewezen.» Deze leden constateren dat de in het «Overzicht mapping REDIII»
genoemde gebieden / regio’s zo’n beetje heel Nederland beslaan en vragen of dit betekent
dat in de praktijk vrijwel het hele land als versnellingsgebied kan worden aangewezen.
De leden van de PVV-fractie lezen dat voorrang wordt gegeven aan kunstmatige en bebouwde
oppervlakken. Deze leden vragen de regering hoe «kunstmatige oppervlakken» en «bebouwde
oppervlakken» worden gedefinieerd. Zij vragen of onder «bebouwde oppervlakken» bewoonde
gebieden / woonwijken worden verstaan – en, zo ja, hoe omwonenden door middel van
dit wetsvoorstel tegen de gezondheidsschadelijke effecten van windturbineparken worden
beschermd, temeer omdat «voorrang aan bebouwde oppervlakken» wordt gegeven.
2.4 Stroomlijnen vergunningsprocedures
De leden van de D66-fractie spreken hun waardering uit voor het feit dat Nederland
voldoet aan de gestelde maximumtermijnen voor vergunningverlening. Deze leden vragen
de regering in hoeverre het bevoegd gezag zich op dit moment houdt aan bestaande maximale
termijnen.
Deze leden constateren dat de regering voorstelt om voor hernieuwbare-energieprojecten
als eerste en enige instantie beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State voorstelt. Zij vragen of de regering de uitvoeringskracht bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State voldoende acht om deze taakverzwaring op
te vangen en zo niet wat de regering daaraan gaat doen.
Ook constateren de leden van de D66-fractie dat de Minister van Klimaat en Groene
Groei het contactpunt is voor projecten die onder de rijksprojectprocedure vallen.
Zij vragen de regering of de Minister van Klimaat en Groene Groei ook in het nieuwe
kabinet aangewezen blijft als het centrale aanspreekpunt voor deze hernieuwbare-energieprojecten.
3. Verhouding tot hoger recht
De leden van de JA21-fractie vragen de regering om te onderbouwen hoe artikel 16.53c,
derde lid, Omgevingswet (afzien van passende beoordeling) precies binnen de kaders
van artikel 6, derde lid, Habitatrichtlijn en de afwijkingsmogelijkheden die REDIII
biedt, blijft. Kan de regering toelichten welke waarborgen in lagere regelgeving worden
opgenomen om strijd met Europees recht te voorkomen?
De leden van de JA21-fractie vragen de regering hoe wordt geborgd dat grensoverschrijdende
milieueffecten (Verdrag van Espoo) niet buiten beeld raken bij toepassing van de screening,
mede gelet op artikel 16.53d, derde lid, Omgevingswet.
4. Verhouding tot nationale regelgeving
4.1 Raakvlakken met bestaande wet- en regelgeving
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering verwacht dat de toevoeging van een
nieuw instrument niet tot een (aanzienlijke) versnelling zal leiden in de aanleg van
windparken. Kan de regering nader toelichting geven waardoor dit het geval is? Het
valt deze leden op dat de regering aangeeft dat bij projecten voor netwerk- en opslaginfrastructuur
er wel een versnelling zou kunnen worden verwacht. Waarin zit het verschil tussen
de aanleg van windparken en netwerk- en opslaginfrastructuur al het gaat om mogelijke
versnelling?
De leden van de JA21-fractie vragen de regering waarom het wenselijk is een nieuw
instrument «screening hernieuwbare energie» te introduceren naast bestaande instrumenten
(MER-beoordeling, omgevingsplanregels, vergunningvoorschriften), mede gelet op het
streven van de Omgevingswet naar een beperkt aantal kerninstrumenten.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering of zij verwacht dat de verschuiving
van beroepszaken naar één instantie leidt tot kortere doorlooptijden of juist tot
zwaardere, complexere procedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State. Kan de regering dit onderbouwen met scenario’s of ervaringscijfers uit vergelijkbare
stelsels?
5. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen)
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering heeft gekozen voor een zuivere en
lastenluwe implementatie van de EU-richtlijn. De regering geeft aan dat de implementatie
de regeldruk voor initiatiefnemers van hernieuwbare-energieprojecten over het algemeen
niet zal veranderen en in specifieke gevallen juist zal verlagen. Kan de regering
nader toelichten in welke gevallen de regeldruk wordt verlaagd?
De leden van de JA21-fractie vragen de regering om de administratieve lasten voor
medeoverheden (planvorming, plan-MER, screening, motivering, monitoring) inzichtelijk
te maken en aan te geven hoe deze lasten zich verhouden tot de beoogde versnelling.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering om te verduidelijken hoe initiatiefnemers
duidelijkheid krijgen over de eisen en doorlooptijden, en hoe wordt voorkomen dat
onzekerheid over (financiële) compensatie de investeringsbereidheid beperkt.
6. Uitvoering
De leden van de VVD-fractie lezen dat de implementatie van REDIII zal zorgen voor
een verschuiving in de werklast van de Commissie mer. Welke gevolgen ziet de regering
voor de werklast van de Commissie mer door de uitgebreidere plan-MER? Ziet de regering
hier mogelijk knelpunten met de maximale beslistermijn? De leden van de VVD-fractie
lezen dat de uitvoering van de compensatie van de initiatiefnemer naar het bevoegd
gezag verschuift. Welke gevolgen zal deze verschuiving hebben voor de uitvoering van
een initiatiefvoorstel?
Daarnaast lezen de leden van de VVD-fractie dat de regering nog in gesprek is met
de decentrale overheden over de gevolgen van de implementatie. Op welke termijn worden
de gevolgen van de herziene richtlijn voor de decentrale overheden duidelijk? Wanneer
is het streven de algemene maatregel van bestuur (AMvB) met de Kamer te delen?
De leden van de JA21-fractie vragen de regering hoe het contactpunt hernieuwbare energie
organisatorisch wordt ingericht (mandaat, doorzettingsmacht, loketfunctie) en hoe
dit in de praktijk bijdraagt aan versnelling als het bevoegd gezag decentraal is.
7. Advies en consultatie
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering naar aanleiding van de internetconsultatie
de bevoegdheid voor het aanwijzen van versnellingsgebieden heeft uitgebreid met gemeenten.
Welke afweging heeft de regering gemaakt om de gemeenten te betrekken bij deze bevoegdheid
die eerst alleen bij het Rijk en de Provincies lag?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de regering van mening is te voldoen
aan voldoen het de adviezen van de Commissie mer om in de planfase voldoende (gedetailleerde
en brede) milieuonderzoeken uit te voeren, een afdoende toets te laten plaatsvinden
of het specifieke project past binnen de kaders van het plan en plan-milieueffectrapport
(MER) en vereiste mitigerende maatregelen te borgen? Ze vragen de regering om in een
helder overzicht aan te geven aan welke van deze aanbevelingen wel voldaan is en aan
welke niet, en in het laatste geval waarom niet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het voornemen is in een AMvB op
te nemen dat projecten na de screening een natuurvergunning krijgen, in plaats van
vergunningvrij door te mogen, op basis van de input van «diverse respondenten». Ze
vragen de regering een duidelijk overzicht te geven van wie deze respondenten precies
zijn.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of natuurverenigingen actief betrokken
waren bij het opstellen van de handreiking over financiële compensatie. Zo ja, welke
verenigingen?
II Artikelsgewijze toelichting
Artikel I (Omgevingswet)
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat hoewel de richtlijn compensatie
onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag breder mogelijk maakt, namelijk voor
het compenseren van milieueffecten (waar natuureffecten deel van uitmaken), in dit
wetsvoorstel de toepassing beperkt wordt tot effecten op soorten en habitats. Zij
lezen dat de regering van mening is dat, anders dan milieueffecten, deze natuureffecten
zich goed lenen voor compensatie buiten het project. Deze leden vragen of de regering
hiermee bedoelt dat er bij dergelijke milieueffecten een project mogelijks niet kan
doorgaan doordat de mogelijkheid tot compensatie ontbreekt. Of bedoelt de regering
dat er wel met het project en de bijbehorende milieuschade wordt verdergegaan zonder
daar enige vorm van compensatie tegenover te zetten?
De leden van de JA21-fractie-fractie vragen de regering om te verduidelijken hoe artikel
2.21b Omgevingswet zich verhoudt tot de taakverdeling uit artikel 2.3 Omgevingswet
en in welke gevallen het Rijk (via ministeriële regeling) een versnellingsgebied kan
aanwijzen dat normaliter tot de gemeentelijke of provinciale afwegingsruimte behoort.
Artikel III (Wet windenergie op zee)
De leden van de JA21-fractie-fractie vragen de regering om toe te lichten hoe de screening
en de kostenheffing in de Wet windenergie op zee (artikel 12a) zich verhouden tot
de bestaande plan- en project-MER-systematiek voor het Programma Noordzee, kavelbesluiten
en netten op zee.
Artikelen IV en V
De leden van de JA21-fractie-fractie verzoeken de regering om te verduidelijken of
de samenloopbepalingen met de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie en de
Wet versterking regie volkshuisvesting nog inhoudelijke effecten hebben op de uitvoering
van dit wetsvoorstel, of uitsluitend tekstueel van aard zijn.
De fungerend voorzitter van de commissie, Kröger
De adjunct-griffier van de commissie, Teske
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.C. Kröger, voorzitter van de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
C.M. Teske, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.