Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de geannoteerde agenda voor de Raad Algemene Zaken van 24 februari 2026 (Kamerstuk 21501-02-3343)
21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken
Nr. 3350
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 20 februari 2026
De vaste commissie voor Europese Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Buitenlandse Zaken over de brief van 6 februari 2026 inzake de
geannoteerde agenda voor de Raad Algemene Zaken van 24 februari 2026 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3343) en over de brief van 30 januari 2026 inzake het verslag van de Raad Algemene Zaken
van 26 januari 2026 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3341).
De vragen en opmerkingen zijn op 16 februari 2026 aan de Minister van Buitenlandse
Zaken voorgelegd. Bij brief van 20 februari 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Erkens
De griffier van de commissie, Blom
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de Minister
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de Raad Algemene Zaken van 24 februari 2026. De leden constateren dat
deze Raad vooral in het teken zal staan van de voorbereiding van de Europese Raad
van 19 en 20 maart, en dat daarom naar alle waarschijnlijkheid een breed scala aan
onderwerpen kort de revue zal passeren. Naar aanleiding hiervan hebben deze leden
nog een aantal vragen.
Europees concurrentievermogen
De leden van de VVD-fractie hebben met veel belangstelling kennisgenomen van het voorstel
om met een kopgroep van zes Europese Unie (EU)-lidstaten werk te maken van een Europese
Kapitaalmarktunie. Deze leden ondersteunen dit initiatief van het kabinet. Wat zijn
de eerste stappen die deze kopgroep volgens het kabinet dienen te zetten om de totstandkoming
van een Europese Kapitaalmarktunie in een stroomversnelling te brengen? Verwacht de
Minister, gezien het feit dat volgens artikel 20 van het Verdrag betreffende de Europese
Unie (VEU) minstens negen lidstaten nodig zijn voor nauwere samenwerking binnen de
Europese Unie, dat meer lidstaten zich op korte termijn bij het initiatief zullen
aansluiten? Zo ja, om welke lidstaten zou dit dan gaan? Hoe verwacht de Minister dat
lidstaten die nog niet klaar zijn voor verdere integratie zich richting deze kopgroep
gaan opstellen, en hoe wordt eventueel verzet van deze lidstaten voorkomen?
1. Antwoord van het kabinet
De Ministers van Financiën van Duitsland en Frankrijk hebben het initiatief genomen
om met Italië, Spanje, Nederland en Polen op informele wijze te bespreken hoe de EU
sterker en weerbaarder zou kunnen worden, zeker in het licht van de huidige geopolitieke
ontwikkelingen. Onderwerpen die in dit verband tot nog toe worden besproken zijn de
Spaar- en Investeringsunie (SIU), weerbaarheid van toeleveringsketens van kritieke
grondstoffen, investeringen in defensie en de internationale rol van de euro. In de
groep is overeenstemming om toe te werken naar concrete acties om op korte termijn
vaart te maken met de SIU.
Het uitgangspunt van het kabinet blijft om zoveel mogelijk op te trekken met 27 lidstaten,
op basis van Commissievoorstellen. Dit zorgt immers voor de grootst mogelijke impact
van de maatregelen. Mocht voortgang met alle lidstaten niet mogelijk zijn, dan is
Nederland bereid tot samenwerking in kopgroepen.
Nauwere samenwerking volgens artikel 20 VEU, zoals gevraagd, is op dit moment niet
aan de orde.
Wat is voorts de voortgang omtrent de plannen van Finance Europe?
2. Antwoord van het kabinet
Op 3 december jl. heeft het kabinet toegezegd een onderzoek te doen naar mogelijkheden
om beleggen fiscaal te stimuleren in box 3. Hierin worden eveneens de mogelijkheden
verkend om beleggen in specifiek de Europese Economische Ruimte fiscaal te stimuleren,
conform de intentieverklaring van Finance Europe. Uw Kamer wordt in de loop van dit
jaar over de uitkomst van het onderzoek geïnformeerd.
Uitbreiding van de Europese Unie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het onder voorbehoud
sluiten van hoofdstuk 32 in het onderhandelingsproces over toetreding van Montenegro
tot de EU. Ook constateren deze leden dat er mogelijk nog tijdens het Cypriotische
voorzitterschap een ad hoc werkgroep opgericht zal worden voor het opstellen van een
toetredingsverdrag. Wat zijn volgens de Minister de belangrijkste obstakels die nog
weggenomen dienen te worden om Montenegro als lid toe te laten tot de EU? Acht de
Minister daarnaast 2028 als beoogd toetredingsjaar voor Montenegro nog haalbaar?
3. Antwoord van het kabinet
In de kabinetsappreciatie van het uitbreidingspakket 2025 verwelkomde het kabinet
de door de Commissie geconstateerde aanhoudende positieve trend in hervormingen en
overname van het EU-acquis in Montenegro, net als de volledige Gemeenschappelijk Buitenland
en Veiligheidsbeleid (GBVB)-aansluiting.1 Voor Montenegro vormt in deze fase van het toetredingsproces, waarin hoofdstukken
onder voorbehoud worden gesloten, de versterking en verankering van de Fundamentals het voornaamste aandachtspunt. Het gaat dan bijvoorbeeld om het bewerkstelligen van
een track record in de strijd tegen corruptie en de georganiseerde misdaad, inclusief definitieve
veroordelingen. Het is tevens belangrijk dat Montenegro administratieve en personele
capaciteit verder versterkt.
De kwaliteit en het tempo van hervormingen blijven voor het kabinet leidend in het
op merites gebaseerde toetredingsproces. Indien Montenegro de eigen capaciteit en
weerbaarheid blijft versterken en zich blijft richten op de implementatie en bestendiging
van hervormingen, dan komt de afronding van de EU-toetredingsonderhandelingen sneller
in zicht. Het kabinet doet geen uitspraken over wanneer dit het geval zal zijn. Het
voorbereiden van een toetredingsverdrag kost veel tijd, daarom zal de Raad naar verwachting
op korte termijn starten met het voorbereidende werk voor een toetredingsverdrag met
Montenegro. Het kabinet zal hierbij inzetten op sterke waarborgen, waaronder op het
gebied van de rechtsstaat.
Europees Centrum voor Democratische Weerbaarheid
De leden van de VVD-fractie constateren dat er op de agenda van de Raad Algemene Zaken
een werklunch gepland staat over het Europees Centrum voor Democratische Weerbaarheid
(ECDR). Deze leden onderschrijven de positieve grondhouding van het kabinet richting
het ECDR, en ook de zorg dat het ECDR geen bestaande structuren om de democratische
weerbaarheid van lidstaten te versterken dient te vervangen en het uitgangspunt dat
deelname in beginsel vrijwillig dient te zijn. Hoe kan hierbij volgens de Minister
voorkomen worden dat landen met beperkte democratische weerbaarheid, zoals Hongarije
en Bulgarije, zichzelf uit gaan sluiten van het ECDR en daardoor achter zullen blijven
bij de overige lidstaten?
4. Antwoord van het kabinet
Deelname aan het ECDR is vrijwillig: het is aan lidstaten zelf om te bepalen of en
wanneer zij hieraan deelnemen.
Deze leden constateren voorts dat het Europese Schild voor de Democratie (EDS), waar
het ECDR onderdeel vanuit maakt, vooral een defensief karakter heeft. Andere geopolitieke
spelers, waaronder Rusland, China en de Verenigde Staten (VS) voeren daarentegen juist
steeds offensievere informatiecampagnes om hun belangen te verdedigen. In hoeverre
ziet de Minister binnen het EDS ruimte voor Europa om ook informatiecampagnes te voeren
met een offensievere toon die verder gaan dan de huidige kabinetsinzet voor het tegengaan
van Foreign Information Manipulation and Interference (FIMI)?
5. Antwoord van het kabinet
Offensieve informatiecampagnes in derde landen vormen geen onderdeel van het EDS.
Het kabinet is echter wel van mening dat FIMI-campagnes beantwoord moeten worden.
Hierbij zijn coördinatie van boodschappen en maatregelen in EU-verband van belang.
Het EDS en ECDR kunnen hierbij een rol spelen, bijvoorbeeld door het bijeenbrengen
van bestaande structuren op gebied van democratische weerbaarheid en dreigingsanalyses
in de EU.
Vragen en opmerkingen van de leden van de DENK-fractie
De leden van de DENK-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de
Raad Algemene Zaken van 24 februari 2026. Zij wensen hierover enkele vragen te stellen.
De leden van de DENK-fractie lezen dat tijdens deze bijeenkomst de Raad zal spreken
over de agenda van de Europese Raad (ER) van 19 en 20 maart. Naar verwachting, zo
lezen deze leden, zal de ER o.a. stilstaan bij de situatie in het Midden-Oosten. Deze
leden wensen hierover aan de Minister te vragen of hij bereid is om te bepleiten om
expliciet op de agenda van de ER te zetten hoe de voortdurende schendingen van het
internationaal recht die de Israëlische regering pleegt tegen de Palestijnen gestopt
kunnen worden.
6. Antwoord van het kabinet
De ER zal naar verwachting spreken over de situatie in het Midden-Oosten waaronder
de situatie in de Gazastrook, en de voortgang van het vredesplan van president Trump
ter beëindiging van het conflict, inclusief de wijze waarop de EU en haar lidstaten
daaraan kunnen bijdragen. Daarnaast zal de Raad naar verwachting ook spreken over
de verslechterde situatie op de Westelijke Jordaanoever. Nederland steunt een dergelijke
bespreking.
De Nederlandse inzet voor de Gazastrook is gericht op het steunen van de implementatie
van het plan van president Trump. Nederland onderstreept hierbij nadrukkelijk dat
alle partijen zich moeten houden aan de gemaakte afspraken. Hierbij blijft voor Nederland
het uitgangspunt dat Hamas ontwapent en geen rol speelt in het toekomstig bestuur
van de Gazastrook. Dat betekent eveneens dat grensovergangen open moeten om ongehinderde
humanitaire hulp toe te laten. De humanitaire situatie blijft zeer zorgelijk. In dit
kader roept Nederland expliciet op de ngo-registratiewetgeving niet in zijn huidige
vorm te implementeren.
De situatie op de Westelijke Jordaanoever blijft de aandacht van Nederland behouden.
Recente besluiten van Israël om verdere controle uit te breiden zijn onacceptabel
en gaan in tegen internationaal recht. Ook onderstreept Nederland dat Israël de belastinggelden
van de Palestijnse Autoriteit moet vrijgeven en de banking waiver duurzaam moet verlengen in plaats van met enkele weken.
De precieze inzet voor deze ER zal door het nieuwe kabinet worden vastgesteld en komt
uw Kamer toe via de geannoteerde agenda.
Deze leden wensen hierbij aan de Minister te vragen of hij bereid is om te bepleiten
dat in dit kader aanvullende sancties tegen gewelddadige kolonisten in de vorm van
een nieuw sanctiepakket op de agenda van de ER komen.
7. Antwoord van het kabinet
Het kabinet deelt de zorgen over kolonistengeweld op de Westelijke Jordaanoever. Nederland
blijft zich in Europees verband inzetten voor aanname van het door Nederland en Frankijk
voorgestelde derde sanctiepakket tegen gewelddadige kolonisten en hun organisaties.
Voor aanname bestaat op dit moment niet de vereiste consensus. Een nieuw pakket ligt
derhalve niet in de rede.
Voorts wensen deze leden te vragen of de Minister bereid is om de noodzaak voor een
Europese reactie op de voortdurende en nieuwe stappen van de Israëlische regering
om de illegale bezetting van de Westelijke Jordaanoever uit te breiden op de agenda
van de ER te zetten. Deelt het kabinet de mening dat dit in Europees verband dient
te leiden tot sancties tegen Israël en een krachtige Europese veroordeling, zo vragen
deze leden.
8. Antwoord van het kabinet
Het kabinet veroordeelt de besluiten waarmee het Israëlische veiligheidskabinet zijn
controle over de bezette Westelijke Jordaanoever verder wil uitbreiden. Deze besluiten
gaan in tegen de afspraken van de Oslo-akkoorden en implementatie is een duidelijke
schending van het internationaal recht. Ook zetten de plannen de fragiele situatie
op de Westelijke Jordaanoever verder onder druk, juist op het moment dat alle inspanningen
gericht moeten zijn op het laten slagen van het vredesplan en het werken naar een
tweestatenoplossing. Het is dan ook zaak dat de besluiten zo snel mogelijk worden
teruggedraaid. Nederland heeft zich hierover publiekelijk uitgesproken en deze boodschap
bilateraal aan Israël overgebracht. Nederland zal tevens deze boodschap blijven onderstrepen
in EU-verband.
Ook wensen de leden van de DENK-fractie aan de Minister te vragen of hij bereid is
om te bepleiten om opschorting van ten minste het handelsdeel van het EU-Associatieakkoord
met Israël op de agenda van de ER te plaatsen.
9. Antwoord van het kabinet
Zie het antwoord op vraag 6.
Tot slot wensen de leden van de DENK-fractie aan de Minister te vragen om te bepleiten
dat de wederopbouw van Gaza, alsmede humanitaire hulp aan de bevolking in Gaza en
onbelemmerde toegang van hulporganisaties, journalisten en waarnemers tot Gaza, op
de agenda van de ER wordt gezet.
10. Antwoord van het kabinet
Zie het antwoord op vraag 6.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.P.A. Erkens, voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken -
Mede ondertekenaar
L.B. Blom, griffier