Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 881 Wijziging van het voorstel van wet tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Huisvestingswet 2014, de Omgevingswet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Woningwet in verband met de versterking van de regie op de volkshuisvesting en met het oog op enkele andere met de volkshuisvesting samenhangende maatregelen (Wet versterking regie volkshuisvesting)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 23 februari 2026
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag dat de vaste commissie voor
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over het voorstel van wet tot wijziging van
het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting (de novelle) heeft uitgebracht.
Ik ben de leden van de fracties erkentelijk voor de voortvarendheid waarmee de Kamer
na indiening van het de novelle het verslag heeft uitgebracht. In het belang van de
voortgang van deze novelle, worden de vragen van het verslag hierbij zo zorgvuldig
mogelijk en met urgentie beantwoord. Ik streef ernaar om de novelle en het wetsvoorstel
Versterking regie volkshuisvesting (hierna: het wetsvoorstel) per 1 juli 2026 in werking
te laten treden. Tijdige vaststelling van het wettelijk kader is immers van groot
belang voor de grote volkshuisvestingsopgave die er ligt en het halen van de mijlpaal
in het kader van het Herstel en Veerkrachtfonds. Het niet (tijdig) behalen van deze
mijlpaal kan leiden tot kortingen op de totale voor Nederland beschikbare middelen,
oplopend tot € 600 miljoen. Ik blijf mij daarom inspannen voor een spoedige inwerkingtreding
van het wetsvoorstel, de novelle, het bijbehorende besluit en de bijbehorende regeling.
Op dit moment is ook het Ontwerpbesluit versterking regie volkshuisvesting (hierna: ontwerpbesluit) in voorhang bij uw Kamer en de Eerste Kamer. U heeft mij
per brief van 28 januari 2026 verzocht ten aanzien van het ontwerpbesluit geen onomkeerbare
stappen te zetten. Het verslag heeft uw Kamer inmiddels ingebracht.1
De leden van de fracties hebben diverse vragen gesteld over de uitwerking van een
bij amendement Grinwis2 gewijzigd onderdeel van het wetsvoorstel. Dit onderdeel ziet op het toevoegen van
dakloze gezinnen met minderjarige kinderen aan de verplichte categorieën van urgent
woningzoekenden. Dit onderdeel wordt uitgewerkt in de Ontwerpregeling versterking regie volkshuisvesting (hierna: ontwerpregeling). De gewijzigde onderdelen van de regeling zijn op maandag
16 februari 2026 in consultatie gegaan.3
In deze nota zijn vragen van gelijke strekking waar mogelijk op één plek beantwoord
of wordt verwezen naar het antwoord op de eerste vraag van die gelijke strekking.
Verder is bij de beantwoording zo veel mogelijk de volgorde en paragraafindeling van
het verslag aangehouden en zijn de vragen cursief gedrukt en genummerd.
Tot slot merk ik op dat ik gelijktijdig een nota van wijziging aanbied die voorziet
in een wetstechnische reparatie die nodig is in verband met samenloop met het wetsvoorstel
tot wijziging van diverse wetten in verband met het overzetten van bepalingen uit
de Vangnetregeling Omgevingswet naar de wet in formele zin.4
Inhoudsopgave
Blz.
I.
Algemene toelichting
2
1.
Inleiding
2
2.
Inhoudelijke toelichting
3
2.1.
Vervallen absoluut verbod op urgentie voor alle vreemdelingen (onderdeel A, Huisvestingswet
2014)
6
2.2.
Vervallen regeling voor overgang van bevoegdheid tot vergunningverlening voor de technische
bouwactiviteit na fatale termijn (onderdeel B, onderdeel 1, Omgevingswet)
8
2.3.
Aanpassing regeling voorkeursrecht (onderdeel B, onderdelen 2 en 3,
Omgevingswet)
13
3.
Adviezen en internetconsultatie
14
3.1.
Ongedaan maken van de regeling voor overgang van bevoegdheid tot vergunningverlening
voor de technische bouwactiviteit na fatale termijn
14
3.2.
Amendement schrappen beroepsmogelijkheid tegen woningbouwplannen van een andere gemeente
15
3.3.
Amendement urgentie aan dakloze gezinnen met kinderen
16
3.4.
Amendementen inzake procedurele versnellingen en verhoging griffierechten
20
II.
Artikelsgewijze toelichting
20
Onderdeel A (Vervallen verbod op voorrang in Huisvestingswet 2014)
20
Onderdeel C (Overgangsrecht)
21
I. Algemene toelichting
1. Inleiding
Vraag 1
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de
novelle ten aanzien van de Wet versterking regie volkshuisvesting. Deze leden betreuren
dat deze novelle nodig was als gevolg van het willens en wetens aannemen door de Tweede
Kamer van een discriminerend amendement én benadrukken het belang van een snelle behandeling
van deze novelle, zodat de Wet versterking regie volkshuisvesting per 1 juli 2026
in werking kan treden. Zij vragen wat de uiterste datum is dat deze wet in de Eerste
Kamer moet worden behandeld c.q. aangenomen om dit mogelijk te maken.
Het is van belang dat het wetsvoorstel tijdig in werking treedt in verband met de
volkshuisvestingsopgave en het halen van de mijlpaal in het kader van het Herstel
en Veerkrachtfonds. Inwerkingtreding per 1 juli 2026 betekent dat het wetsvoorstel
én de novelle voor die dag bekrachtigd door de Koning en gepubliceerd moeten zijn.
Uitgaande van een redelijke termijn tussen publicatie en inwerkingtreding van het
wetsvoorstel en de novelle is het van belang dat dat het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk
wordt aangenomen door de Eerste Kamer. Dit vergt voortvarendheid van alle betrokken
partijen in het proces tot vaststelling van het wetsvoorstel.
Het wetsvoorstel wordt op een aantal onderwerpen nader uitgewerkt in het ontwerpbesluit
en de ontwerpregeling. Onder meer de regels over betaalbaar bouwen en de inhoud van
het volkshuisvestingsprogramma worden in het ontwerpbesluit uitgewerkt. Voorspoedige
afronding van de voorhang in de Tweede en Eerste Kamer is van groot belang om voor
de uit te werken onderwerpen doelmatig gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden
van het wetsvoorstel. Het ontwerpbesluit wordt na afronding van de voorhang in het
parlement voor advisering naar de Raad van State gezonden.
2. Inhoudelijke toelichting
Vraag 2
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat onderhavige wet, ook na
het aannemen van deze novelle, nog niet af is. Deze leden merken op dat er nog steeds
geen waarborg is opgenomen die ervoor zorgt dat er genoeg betaalbare woningen worden
gebouwd. De plicht voor iedere gemeente om te groeien naar 30% sociale huur is veranderd
in een vrijblijvende doelstelling per regio. Op basis waarvan denkt de regering toch
te kunnen garanderen dat er genoeg sociale huurwoningen bijgebouwd gaan worden? Hoe
reageert zij in dat licht op de oproep die Aedes opnieuw doet om 30% sociaal per gemeente
vast te leggen? Waarom denkt de regering dat gemeenten onder deze vrijblijvendheid
ineens gaan zorgen voor de programmering van meer betaalbare huurwoningen terwijl
de afgelopen jaren het aandeel sociale huur in de voorraad alleen maar is gedaald?
Welke andere mogelijkheden ziet de regering om te garanderen dat er de komende jaren
genoeg betaalbare woningen worden geprogrammeerd in harde plannen?
Met het ontwerpbesluit is de balans gezocht tussen enerzijds het waarborgen van het
halen van de doelstellingen over voldoende betaalbare woning en anderzijds voldoende
ruimte voor maatwerk op het schaalniveau waar dat het meest nodig is: het lokale niveau.
De woningbehoefte en de woonvoorraad is immers niet in elke gemeente hetzelfde. Daarom
acht de regering het niet verstandig elke gemeente dezelfde instructie te geven voor
de gehele lokale opgave aan betaalbare woningen. Om die reden zijn de doelstellingen
van twee derde betaalbare woningen en 30% sociale huurwoningen niet geregeld op het
niveau van een gemeente, project of wijk, maar op regionaal, provinciaal en landelijk
niveau. Deze doelstelling is wettelijk verankerd in het ontwerpbesluit. Om deze regionale
doelstelling te realiseren worden met de gemeenten onder regie van de provincie afspraken
gemaakt over het aandeel betaalbare woningen dat iedere gemeente realiseert. Gemeenten
moeten vervolgens zorgen voor voldoende woningbouwlocaties in harde plannen voor het
afgesproken aandeel betaalbare woningen. De in het ontwerpbesluit wettelijke geborgde
doelstelling om regionaal, provinciaal en landelijk 30% sociale huurwoningen te realiseren,
sluit ook aan bij wat met gemeenten en corporaties is afgesproken in de Nationale
prestatieafspraken 2024. Daarbij is geconstateerd dat met de realisatie van 30% sociale
huurwoningen de sociale huurvoorraad in absolute zin zal groeien.
Bovenstaande verplichtingen zijn niet vrijblijvend. Op een aantal manieren is in het
ontwerpbesluit gewaarborgd dat iedere gemeente moet bijdragen aan de doelstelling
om voldoende betaalbare woningen te realiseren. Allereerst moeten gemeenten een extra
stap zetten in de bouw van woningen in het segment dat ondervertegenwoordigd is in
de woonvoorraad. Juist gemeenten met minder sociale huurwoningen dan het landelijke
gemiddelde, moeten in ieder geval 30% sociale huurwoningen realiseren. Daarnaast moeten
alle gemeenten gezamenlijk bijdragen aan de realisatie van twee derde betaalbare woningen,
30% sociale huurwoningen in de regio. Op grond van de Omgevingswet kunnen provincie
of Rijk via instructies interveniëren richting achterblijvende gemeenten. Zo dragen
het wetsvoorstel en ontwerpbesluit bij aan een fair share-verdeling van de bouw van
voldoende betaalbare woningen over de woningbouwregio.
Vraag 3
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat meerdere gemeenten recent hebben
aangegeven zich zorgen te maken over artikel 2.1.b.2 van de concept-ministeriële regeling
van het wetsvoorstel Versterking Regie op de Volkshuisvesting. Deze leden vragen de
regering waarom er niet voor is gekozen om huisvesting van mensen die uitstromen uit
voorzieningen onder te brengen bij de regio waar deze mensen vandaan komen. Hoe kijkt
de regering naar het signaal dat gemeenten geven ten aanzien van de druk die met dit
beleidsvoornemen wordt gelegd op de toekomstige totstandkomingen van bovenregionale
voorzieningen? Hoe voorkomt de regering dat er een nog grotere druk ontstaat op regio's
met veel voorzieningen met betrekking tot de uitstroom en huisvesting van bijzondere
doelgroepen? Zij vragen de regering of ze bereid is mogelijkheden te onderzoeken om
de gemeenten die zich hierover zorgen maken tegemoet te komen. Is de regering bereid
om dit onderdeel van nog te wijzigen zodat er een eerlijke spreiding over regio’s
komt?
Het wetsvoorstel verplicht gemeenten om afspraken te maken over een evenwichtige regionale
verdeling van urgent woningzoekenden. Het uitgangspunt van de afspraken is dat deze
voldoen aan de woonbehoefte van de urgent woningzoekenden in de betreffende regio.
Naar aanleiding van het signaal van gemeenten dat druk wordt gelegd bij gemeenten
met bovenregionale voorzieningen, is gesproken met de VNG. Dit heeft geleid tot een
aanpassing van de ontwerpregeling versterking regie volkshuisvesting ten opzichte
van de eerder geconsulteerde versie. Hiermee is een lid toegevoegd aan de criteria
van de uitwerking van het begrip «maatschappelijke binding». Hierdoor is het mogelijk
voor urgent woningzoekenden om binding te behouden met de woningmarktregio van herkomst,
ondanks langer verblijf in een instelling in een andere regio. Zo wordt geborgd dat
elke woningzoekende zich zal kunnen wenden tot de regio van herkomst voor een aanvraag
voor een urgentie; ook een woningzoekende die uitstroomt uit een instelling in een
andere regio. Hiermee wordt voorkomen dat een woningzoekende niet tussen wal en schip
kan vallen en in geen enkele regio in aanmerking komt voor urgentie.
Vraag 4
De leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruik om de regering
te vragen naar de uitwerking van de wet in het Besluit versterking regie volkshuisvesting.
Gemeenten met grote justitiële instellingen vrezen de onevenredige opgave die zij
krijgen om ex-gedetineerden te huisvesten, in de gemeente waar zij gedetineerd hebben
gezeten. Klopt het dat deze verplichting volgt uit het Besluit, zoals nu geformuleerd?
Herkent de regering dat dit voor een grote belasting van een aantal gemeenten zal
zorgen? Daarnaast menen deze leden dat het vanuit het oogpunt van re-integratie in
de samenleving niet de meest logische stap is om ex-gedetineerden te huisvesten in
de gemeente waar zij gedetineerd zijn geweest, in plaats van hen voorrang te geven
in de gemeente waar zij binding mee hebben. Zij erkennen dat er gevallen zijn waarin
het juist niet wenselijk is als de ex-gedetineerde naar hun laatste woongemeente gaan,
vanwege bijvoorbeeld de risico’s op ronselen of banden met oude criminele netwerken.
Voor deze mensen dient natuurlijk een uitzondering mogelijk te zijn. Wat is de reactie
van de regering op deze afwegingen? Is het nodig dat het Besluit wordt aangepast als
de Kamer dit zo wenst te regelen dat gemeenten waar de ex-gedetineerde laatst ingezetene
was deze verplichting krijgen? Is de regering daartoe bereid?
Het onderdeel waar de leden van de fractie van de ChristenUnie aan refereren wordt
niet geregeld in het ontwerpbesluit, maar in de ontwerpregeling. In de ontwerpregeling
wordt nader bepaald wanneer een woningzoekende maatschappelijke binding heeft met
een regio.
Voor een goede re-integratie is de aanwezigheid van een goed pro-sociaal netwerk van
grote meerwaarde. Daarom is in de ontwerpregeling rekening gehouden met de mogelijkheid
dat elke woningzoekende die uitstroomt uit een instelling, zich zal kunnen wenden
tot de regio van herkomst voor een aanvraag voor urgentie. Er kunnen echter zwaarwegende
redenen zijn juist niet terug te keren naar de regio van herkomst, bijvoorbeeld vanwege
de belangen van slachtoffers of de aanwezigheid van een crimineel netwerk. Gemeenten
en woningmarktregio’s kunnen afspraken maken over de wijze waarop een overdracht van
urgent woningzoekenden plaatsvindt. Daarmee kan maatwerk worden geleverd, dat blijft
met de ontwerpregeling mogelijk.
Vraag 5
De leden van de ChristenUnie-fractie betreuren het dat de regering de gelegenheid
van de novelle niet heeft aangegrepen om de doelstelling van twee derde betaalbaar
en 30% sociale huur als doelstelling per gemeente te realiseren. Deze leden blijven
ervan overtuigd dat dit de beste manier zal zijn om voldoende betaalbare huizen te
realiseren. Zij vragen of de regering bereid is deze doelstelling per gemeente in
het Ontwerpbesluit versterking regie volkshuisvesting op te nemen teneinde Poolse
landdagen te voorkomen. En zo nee, hoe borgt de regering dan de solidariteit tussen
gemeenten en dat elke gemeente in de regio haar fair share op zich neemt?
In het ontwerpbesluit is gezocht naar ruimte voor maatwerk op het schaalniveau waarop
de verschillen het grootst zijn, namelijk het lokale niveau. De woningbehoefte en
het aandeel sociale huurwoningen en woningen voor middeninkomens zijn immers niet
in elke gemeente hetzelfde. Daarom acht ik het niet verstandig elke gemeente een identieke
doelstelling op te leggen voor de lokale gehele opgave aan betaalbare woningen. Een
doelstelling van twee derde betaalbare woningen, 30% sociale huur per gemeente, betekent
daarnaast dat er niet wordt gestuurd op de bouw van voldoende woningen voor huishoudens
met een middeninkomen. Ook huishoudens met een middeninkomen vallen op dit moment
tussen wal en schip. Voorts wordt verwezen naar het antwoord op vraag 2.
Vraag 6
De leden van de SP-fractie vinden het onacceptabel dat in tijden van woningnood woningen
leegstaan, terwijl mensen jarenlang op een wachtlijst staan of noodgedwongen in een
opvang, auto of vakantiepark belanden. Deze leden merken op dat in de memorie van
toelichting (MvT) wordt gesproken over instrumenten om leegstand tegen te gaan, maar
dat deze paragraaf niet actueel is en dat de leegstandheffing ontbreekt als expliciet
instrument. Zij vragen de regering waarom de leegstandheffing niet wordt benoemd als
onderdeel van het gemeentelijk instrumentarium. De leden van de SP-fractie vragen
de regering of zij bereid is om dit instrument expliciet op te nemen in de MvT, zodat
gemeenten helderheid hebben over de mogelijkheden om leegstand aan te pakken.
In de Gemeentewet is door middel van het amendement Stultiens c.s. op de Fiscale verzamelwet
2026 de grondslag opgenomen voor gemeenten om een leegstandheffing in te voeren.5 Dit onderdeel van de Fiscale verzamelwet 2026 treedt op korte termijn in werking
bij koninklijk besluit. Aanpassing van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel
is niet meer mogelijk omdat deze in procedure is bij de Eerste Kamer. De VNG zal een
modelbelastingverordening opstellen en deze onder de aandacht brengen bij gemeenten
zodat duidelijk wordt dat zij ook dit middel tot hun beschikking hebben om leegstand
te bestrijden. Verder wordt opgemerkt dat het amendement verwijst naar de definitie
van wat een woning is en wanneer een woning leegstaat in de Leegstandwet. Gewerkt
wordt aan een aanscherping van deze definitie in de Wet aanpak leegstand zodat duidelijk
is voor welke vormen van leegstand er belasting geheven mag worden.
2.1. Vervallen absoluut verbod op urgentie voor alle vreemdelingen (onderdeel A, Huisvestingswet
2014)
Vraag 7
De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 2 van de MvT dat onderscheid toegestaan
kan zijn, indien het een legitiem doel dient en daarvoor een objectieve en redelijke
rechtvaardiging bestaat. Daarna staat opgetekend dat het doel van het benoemde onderscheid
in zichzelf discriminerend is, omdat het met opzet niet-Nederlanders uitsluit, en
daarom niet legitiem. Een discriminerend doel kan volgens de regering nooit gerechtvaardigd
worden. Deze leden willen de regering vragen wat ontbreekt inzake «legitiem doel»
en «redelijke rechtvaardiging» om alles in het werk te stellen om Nederlandse woningzoekenden
(die geboren en getogen zijn in Nederland en vaak al vele jaren wachten op een sociale
huurwoning) op geen enkele manier mogelijk achter te stellen op statushouders.
Het in het wetsvoorstel geamendeerde onderdeel dat ziet op een absoluut verbod op
voorrang voor vergunninghouders maakt het onmogelijk om vreemdelingen, die op basis
van een verblijfsvergunning rechtmatig in Nederland verblijven, in aanmerking te laten
komen voor elke vorm van urgentie.
Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om chronische ziekte, het moeten verlaten van een
woning vanwege stadsrenovatie, of verblijf in een opvang wegens huiselijk geweld of
mensenhandel. Dit verbod treft dus vergunninghouders en ook vreemdelingen met een
verblijfsvergunning die reeds lang in Nederland verblijven. Het verbod op urgentie
voor alle vreemdelingen aan wie een verblijfsvergunning is verleend, leidt ertoe dat
deze personen in geen enkel geval meer urgentie kan worden verleend, ook niet indien
woningzoekenden met de Nederlandse nationaliteit wel urgentie zouden krijgen. Een
dergelijk verbod is in strijd met artikel 1 van de Grondwet omdat het een onderscheid
maakt tussen woningzoekenden met hoofdzakelijk de Nederlandse nationaliteit6 en personen die rechtmatig in Nederland verblijven op basis van een verblijfsvergunning,
ook al bevinden ze zich in dezelfde situatie. Voor het absoluut uitsluiten van alle
vreemdelingen met een verblijfsvergunning in alle situaties, waardoor in de praktijk
ongelijke behandeling ontstaat, geldt dat dit geen legitiem doel dient en niet redelijkerwijs
te rechtvaardigen is.
Vraag 8
Daarnaast willen de leden van de PVV-fractie de regering vragen wat zij heeft ondernomen
om in ieder geval te onderzoeken wat in de geest van het amendement Mooiman eventueel
wel mogelijk zou zijn.
Het amendement Mooiman is in strijd met artikel 1 van de Grondwet. Om die reden is
het schrappen van het amendement voor dit wetsvoorstel de enige optie.
Daarnaast wordt verwezen naar het wetsvoorstel nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders.
Hierin schetst de regering hoe zij invulling geeft aan een verbod op voorrang voor
vergunninghouders. Met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld dat vergunninghouders geen
voorrang meer mogen krijgen, voor zover het voorrang betreft op basis van het feit
dat ze vergunninghouder zijn. Zij komen wel op de dezelfde wijze in aanmerking voor
voorrang als die voorrang geldt voor andere woningzoekenden. Om die reden is niet
gekeken naar ander alternatief voor het amendement Mooiman.
Vraag 9
De leden van de CDA-fractie hebben eerder inbreng geleverd op de Wijziging van de
Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders (Wet nieuwe
regels inzake huisvesting vergunninghouders). Deze leden hebben daarbij onder andere
aangegeven dat gemeenten binnen landelijke kaders de ruimte moeten behouden om afgewogen
keuzes te maken over de verdeling van schaarse woonruimte. Dat geldt voor mensen met
lokale binding, voor mensen die uit zorg of opvang uitstromen, voor de aanpak van
dakloosheid en het bieden van passende huisvesting aan daklozen, en ook voor statushouders.
Vertrouwen in gemeenten en ruimte voor maatwerk zijn volgens de leden van de CDA-fractie
onmisbaar voor een rechtvaardig en effectief woonbeleid. De vraag aan de regering
is op welke manier gemeenten instrumenten in handen gegeven kan worden om deze groepen
sneller een huis te kunnen bieden, naast de urgentieregeling.
Op basis van de Huisvestingswet 2014 hebben gemeenten reeds verschillende instrumenten
tot hun beschikking om bepaalde groepen sneller aan een woonruimte helpen. Zo kunnen
gemeenten voor maximaal de helft van de toewijzingen voorrang geven aan woningzoekenden
met maatschappelijke of economische binding aan de regio, gemeente of deel van de
gemeente.7 Daarnaast kunnen gemeenten voorrang geven op basis van passendheid.8 Ook hiermee kunnen gemeenten aan bepaalde groepen sneller een woning toewijzen. Dit
staat los van de verplichte categorieën van urgent woningzoekenden die worden geïntroduceerd
met het wetsvoorstel.
Vraag 10
De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan toelichten hoe zij ervoor zorgt
dat gemeenten met dit onderdeel weer ruimte hebben voor maatwerk en een uitvoerbaar
urgentiebeleid, zonder groepen woningzoekenden tegen elkaar uit te spelen.
Gemeenten zijn, als lokaal bestuur, vaak het beste in staat om afwegingen te maken
ten aanzien van de lokale situatie. Op dit moment is het zo dat vergunninghouders
een woning toegewezen krijgen, omdat zij vergunninghouder zijn. Verwezen wordt naar
het wetsvoorstel nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders. Hierin schetst
de regering hoe zij invulling geeft aan een verbod op voorrang voor vergunninghouders.
Met dit wetsvoorstel behouden gemeente de lokale ruimte om voorrang te geven aan vergunninghouders
op dezelfde gronden als andere woningzoekenden. Bijvoorbeeld op medische gronden,
of bij stadsvernieuwing. Hiermee wordt de positie van vergunninghouders genormaliseerd
ten opzichte van andere woningzoekenden.
2.2. Vervallen regeling voor overgang van bevoegdheid tot vergunningverlening voor
de technische bouwactiviteit na fatale termijn (onderdeel B, onderdeel 1, Omgevingswet)
Vraag 11
De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 3 van de MvT dat minder dan vijf procent
van de aanvragen voor een (technische) bouwactiviteit woningbouwprojecten betreft.
Deze leden willen een nadere toelichting van de regering inzake dit percentage, alsmede
een inschatting of dit percentage de komende jaren niet kan gaan stijgen.
De vergunningplicht voor een «technische» bouwactiviteit heeft niet alleen betrekking
op woningbouw maar ook op een groot aantal andere bouwactiviteiten zoals het plaatsen,
geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk.
Bijvoorbeeld verbouw van een kantoor met gevolgen voor de draagconstructie of brandcompartimentering.
Daarnaast is er voor woningbouwprojecten veelal geen omgevingsvergunning voor een
technische bouwactiviteit nodig door de Wet kwaliteitsborging bouwen. Voor gestapelde
woningbouw (zoals appartementen) geldt nog wel een vergunningplicht, voor grondgebonden
woningbouw volstaat meestal een melding. Daarnaast zal één aanvraag meestal de bouw
van meerdere woningen betreffen. Om die reden heeft slechts 5% van alle vergunningaanvragen
voor een «technische» bouwactiviteit betrekking op woningbouw. De verwachting is dat
ook bij toename van de bouw van woningen, woningbouw een relatief klein percentage
blijft van alle vergunningaanvragen om een «technische» bouwactiviteit.
Het percentage van 5% is gebaseerd op de Uitvoeringstoets Decentrale Overheden (UDO)
die is uitgevoerd in verband met onder meer het amendement Welzijn c.s.9 Bij deze UDO is onderzoek gedaan bij een aantal grote, middelgrote en kleinere gemeenten
uit diverse delen van het land. Er zijn namelijk geen landelijke data over het aandeel
woningbouw binnen de aanvragen voor een «technische» bouwactiviteit.
Vraag 12
Tevens staat op bladzijde 3 van de MvT dat bij de behandeling van betreffende aanvragen
zelden sprake is van termijnoverschrijding als alleen een vergunning voor een (technische)
bouwactiviteit voor woningbouw wordt aangevraagd. De leden van de PVV-fractie willen
de regering vragen wat het beeld is als er gelijktijdig andere vergunningen worden
aangevraagd.
Uit de in het vorige antwoord aangehaalde UDO komt het beeld naar voren dat wanneer
de aanvraag meerdere activiteiten omvat, er vaker sprake is van overschrijding van
de beslistermijn. Veelal gaat het daarbij om een aanvraag waarin naast een «technische»
bouwactiviteit ook een vergunning wordt gevraagd voor de ruimtelijke bouwactiviteit
(de omgevingsplanactiviteit).
Bij de «technische» bouwactiviteit wordt beoordeeld of de te bouwen woning voldoet
aan de landelijke bouwtechnische regelgeving in het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Bij de ruimtelijke bouwactiviteit wordt beoordeeld of de te bouwen woning(en) gebouwd
kunnen worden op de aangevraagde locatie. De beoordeling van een ruimtelijke bouwactiviteit
is veelal complexer en meer tijdrovend omdat vaak een beoordeling moet worden gemaakt
van alle betrokken belangen voor de fysieke leefomgeving. Zoals de effecten voor omwonenden,
mobiliteit, water en bodem, geluid, externe veiligheid, bescherming van monumentale
waarden, benodigde voorzieningen zoals scholen, etc. Deze beoordeling kan bij uitstek
het beste op lokaal niveau gemaakt worden.
Vraag 13
Op dezelfde bladzijde valt ook te lezen dat intensieve samenwerking tussen marktpartijen
en overheden belangrijk is voor versnelling in de voorfase. De regering geeft aan
dat wordt ingezet op structurele versterking van de uitvoeringscapaciteit van gemeenten.
De leden van de PVV-fractie willen de regering vragen waar nog eventueel extra ruimte
is inzake beschikbare middelen, als de inzet onvoldoende blijkt te zijn om te komen
tot structurele versterking van de uitvoeringscapaciteit van gemeenten.
Om de woningbouw te versnellen is ook versterking van de uitvoeringskracht bij gemeenten
belangrijk. Daarom is bij de Woontop 2024 afgesproken om de uitvoeringskracht van
medeoverheden te versterken en is daarvoor gewerkt aan een interbestuurlijk programma.
Het programma is een samenwerkingsverband van overheden, private en publieke kennisinstellingen,
zoals Platform 31, met betrokkenheid van (markt)partijen zoals corporaties en projectontwikkelaars.
Doel is dat deze samenwerking continuïteit biedt voor versterking van de uitvoeringscapaciteit
voor de lange termijn. Zo starten VNG en Platform 31 een onafhankelijk expertisecentrum
waarbij een bijdrage wordt geleverd aan het versterken van de uitvoeringskracht bij
gemeenten door het delen van (praktijk-)kennis, het toepassen van beproefde werkwijzen
en het opleiden en trainen van professionals. Voor de versterking van de uitvoeringskracht
zijn rijksmiddelen beschikbaar als onderdeel van de Realisatiestimulans, met cofinanciering
door provincies voor de versterking van capaciteit.
Vraag 14
De leden van de PVV-fractie vragen of de uitvoeringscapaciteit van Nederlandse gemeenten
ook wat verbeterd zou kunnen worden, als voor personeel wordt geworven in en/of samengewerkt
wordt met Vlaamse gemeenten (Vlaanderen telt immers 285 gemeenten)?
Is daar ooit onderzoek naar gedaan?
Ik onderschrijf dat bij de versterking van uitvoeringscapaciteit het belangrijk is
om creatief te denken en waardeer daarom de suggestie om ook te kijken naar andere
mogelijkheden zoals samenwerking met Vlaamse gemeenten. De aanpak om de uitvoeringskracht
te versterken richt zich vooral op vergroten en beter, slimmer benutten van de capaciteit
en kennis. Bijvoorbeeld door kennis te delen, mensen op te leiden en beproefde werkwijzen
breder toe te passen. Bijvoorbeeld met de inzet van de werkwijze parallel plannen.
De verwachting is dat daarmee met dezelfde capaciteit de uitvoeringskracht van medeoverheden
kan worden verbeterd. Daarnaast is een deel van de benodigde kennis ook specifiek
ingericht op de regelgeving en versnelling van de plan- en besluitvorming in Nederland.
Dat vergt veel kennis van de Nederlandse regels en van de lokale omstandigheden. Om
die reden is samenwerking met Vlaamse gemeenten in deze fase niet onderzocht.
Vraag 15
Op bladzijde 3 valt ook te lezen dat het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening geen capaciteit en expertise voorhanden heeft om als bevoegd gezag termijnoverschrijding
van meervoudige aanvragen aan te pakken en er geen financiële middelen zijn om deze
capaciteit en expertise op te bouwen.
De leden van de PVV-fractie zouden de regering willen vragen om een inschatting te
geven van de kosten en tijd die nodig zijn om genoemde capaciteit op te kunnen bouwen.
In de in vraag 11 genoemde UDO is de inschatting gemaakt dat afhankelijk van de invulling
van het amendement de benodigde capaciteit voor het Rijk maximaal 200 fte is. De geschatte
kosten daarbij zijn maximaal ca. € 31,9 miljoen euro per jaar. Kosten voor implementatie
zoals het inrichten van organisatie en digitale systemen zijn daarbij nog niet inbegrepen.
Standaard implementatiekosten bedragen in de praktijk eenmalig 33%-50% van de structurele
personeelskosten.10 Aangezien deze kennis en capaciteit niet aanwezig is, moet personeel worden aangetrokken
in een bijzonder krappe arbeidsmarkt voor de benodigde expertise. Het zal daarom tijd
kosten om voldoende personeel aan te trekken, in concurrentie met gemeenten. Daarnaast
is ook tijd nodig voor het inrichten van processen en digitale systemen. Op dit moment
is zonder nadere analyse geen goede inschatting te maken van de voorbereidingstijd
hiervan.
Vraag 16
De leden van de CDA-fractie vinden het van belang dat het Rijk regie kan nemen als
de vergunningverlening bij decentrale overheden vastloopt. De Crisis- en herstelwet
gaf het Rijk een aantal instrumenten in handen om vastgelopen besluitvorming los te
trekken. Het gebruik van fatale termijnen zoals uitgewerkt in het betreffende amendement,
is niet uitvoerbaar. Deze leden vragen op welke wijze de verschillende instrumenten
uit de Crisis- en herstelwet wel ingezet kunnen worden onder de wet Versterking regie
volkshuisvesting.
Het instrumentarium van de voormalige Crisis- en herstelwet (Chw) is grotendeels in
de Omgevingswet opgegaan en kan nu al op verschillende manieren een bijdrage leveren
aan het versnellen van de realisatie van de grootschalige woningbouwlocaties. In bijlage
1 is een overzicht opgenomen van hoe de instrumenten uit de Chw zijn overgegaan in
de Omgevingswet. De bestuursrechtelijke versnellingen uit de Chw zijn overgenomen
in de projectprocedure onder de Omgevingswet. Via het wetsvoorstel en het ontwerpbesluit
zullen besluiten voor woningbouwprojecten vanaf één woning ook onder de procedurele
versnellingen worden gebracht die in de Omgevingswet zijn opgenomen ten aanzien van
het projectbesluit. Dat betekent onder meer dat voor woningbouwprojecten meteen beroep
openstaat bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (beroep in één
instantie) en er een uitspraaktermijn van zes maanden geldt.
Het wetsvoorstel voegt daarnaast een aantal nieuwe versnellingen toe voor woningbouwprojecten
bestaande uit ten minste één woning. Eén van deze versnellingen houdt in dat de gemeente
geen beroep kan instellen tegen een andere gemeente als een besluit betrekking heeft
op de bouw van een of meer woningen. Dit heeft enige gelijkenis met de voormalige
regeling in artikel 1.4 van de Chw waarin decentrale overheden niet in beroep konden
gaan tegen besluiten van de centrale overheid. Daarnaast wordt nog een aantal andere
versnellingen geïntroduceerd zoals het vereenvoudigen van rechtstreeks beroep, het
doen van een verkorte uitspraak (zonder motivering) en het overslaan van een tweede
zitting als het beroep al een keer ter zitting is behandeld. Daarmee worden er verschillende
aanvullende maatregelen getroffen om de gerechtelijke procedures te versnellen en
om te voorkomen dat woningbouwprojecten vastlopen in juridische trajecten en plannen
sneller definitief worden.
Vraag 17
De leden van de SGP-fractie merken op dat de regering het meest ingrijpende middel
inzet, namelijk het schrappen van het amendement uit de wet. Tegelijk is dit amendement
wel met meerderheid aangenomen. Deze leden begrijpen dat ook dit amendement uitvoerbaar
moet zijn, en de broodnodige woningbouw niet moet tegenwerken. Welke alternatieven
zijn overwogen om het doel van het amendement, namelijk het verkorten van procedures,
te bereiken? Is het volledig schrappen van het amendement het meest geëigende middel,
of zijn er minder ingrijpende aanpassingen mogelijk?
Ik heb gekeken of reparatie op AMvB-niveau mogelijk is, via beperking van de aanwijzing
van gevallen waarvoor verschuiving van bevoegd gezag geldt. Op basis van de UDO is
echter de conclusie dat ook verschuiving van het bevoegd gezag bij termijnoverschrijding
niet tot versnelling van de vergunningverlening zal leiden, terwijl er wel significante
gevolgen zijn voor de uitvoeringspraktijk en het disproportioneel ingrijpt in de bestuurlijke
verhoudingen. Zie ook het antwoord op vraag 15. Om die reden is geconcludeerd dat
op dit onderdeel het wetsvoorstel reparatie behoeft door het volledig schrappen van
dit geamendeerde onderdeel.
Daarnaast is naar aanleiding van het advies van de adviesgroep STOER, gekeken naar
de invoering van de zogenaamde vergunning van rechtswege (lex silencio positivo).
Bij de kabinetsreactie op dit advies is geconcludeerd dat de vergunning van rechtswege
voor de «technische» bouwactiviteit niet leidt tot versnelling voor woningbouw omdat
in veel gevallen er geen vergunning meer vereist is voor de «technische» bouwactiviteit
voor nieuwbouw van woningen.11 Voor onder meer complexe projecten is er nog wel een omgevingsvergunning voor een
«technische» bouwactiviteit nodig, denk daarbij aan niet grondgebonden woningen, zoals
appartementencomplexen. Voor deze projecten is een vergunning van rechtswege zonder
voorafgaande toetsing aan de technische eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving
risicovol. Bovendien brengt een van rechtswege verleende vergunning de aanvrager lang
niet altijd de gewenste zekerheid en snelheid voor de initiatiefnemer. Ook tegen een
van rechtswege verleende vergunning staat namelijk bezwaar en beroep open. Gezien
de bovenstaande kanttekeningen ziet het kabinet de lex silencio positivo in deze vorm
op dit moment niet als een geschikt en effectief instrument om de vergunningverlening
in de woningbouw te versnellen.
Op een aantal manieren zet ik in op versnelling in alle fases van de procedure. Publiek-private
samenwerking met goed zicht op de voortgang en zoeken naar werkbare oplossingen, zorgt
voor versnelling in de voorfase doordat projecten zo snel worden losgetrokken. Daarnaast
zet ik in op versterking van de uitvoeringskracht bij gemeenten door extra financiële
middelen en versterking van kennis. Het wetsvoorstel voorziet in versnelling van de
beroepsprocedure voor onder meer woningbouwprojecten onder meer doordat meteen beroep
openstaat bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (beroep in één
instantie) met een uitspraaktermijn van zes maanden. Ook voorziet het ontwerpbesluit
in het schrappen van de Ladder voor duurzame verstedelijking voor nieuwe woningbouwlocaties
en in de vergunningvrije mantelzorg- en familiewoning.
Vraag 18
De leden van de SGP-fractie onderschrijven de noodzaak van het structureel versterken
van de uitvoeringscapaciteit van gemeenten. Hoe is dit structureel geborgd? Zijn hier
structureel middelen voor?
Het Rijk heeft met het IPO en VNG gewerkt aan een programmatische aanpak om de uitvoeringscapaciteit
bij medeoverheden te versterken. Doel is dat vanaf 2030 sprake is van een vaste uitvoeringsaanpak
die continuïteit biedt voor de lange termijn. Hiervoor zijn Rijksmiddelen beschikbaar
gesteld voor de periode 2026–2029. Zie ook het antwoord op vraag 13.
Vraag 19
De Minister schrapt het aangenomen amendement Welzijn. De leden van de ChristenUnie-fractie
constateren een blijvend visieverschil tussen de indiener en de regering op de werking
van het amendement. De doelstelling van het amendement was om gemeenten binnen acht
weken gewoon te laten beslissen over een technische bouwactiviteit, zoals van gemeenten
mag worden verwacht, en dat er consequenties komen zodra gemeenten de voor hen gestelde
termijnen overschrijden. Op basis van welke argumenten kan de regering niet uit de
voeten met de haar toebedeelde doorzettingsmacht in het amendement? Zij hoeft op basis
van dit amendement toch niet zelf de vergunningen te gaan verlenen? En waarom stelt
de regering er niets voor in de plaats, zo vragen deze leden. De adviesgroep STOER
adviseert in haar eindrapport de Lex silencio positivo (vergunning automatisch verleend
bij overschrijding termijn) opnieuw in te voeren voor regulier voorbereide omgevingsvergunningen
voor met name woningbouwprojecten. Deze mogelijkheid is met de introductie van de
Omgevingswet afgeschaft. Waarom omarmt de regering dit advies niet? Daarmee zorgt
de regering toch voor onnodige vertraging bij de zo noodzakelijke woningbouw? En meer
fundamenteel: acht de regering de balans in de Omgevingswet niet te veel doorgeslagen
in het voordeel van het bestuursorgaan en dus in het nadeel van de aanvrager, zo vragen
de leden van de ChristenUnie-fractie.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening wordt op basis van het amendement
bij overschrijding van de beslistermijn voor de aangewezen gevallen bevoegd gezag
voor de aanvraag om «technische» bouwvergunning. Dat betekent dat de Minister op basis
van het amendement dus daadwerkelijk zelf de vergunningen verleent. Daarnaast wordt
de Minister als bevoegd gezag belast met het afhandelen van bezwaar en beroep en met
het toezicht op de naleving van de vergunning. Op basis van de eerdergenoemde UDO
komt naar voren dat gemeenten bij de «technische» bouwvergunning in 95% van de gevallen
binnen de beslistermijn de vergunning verlenen. Daarnaast wordt in de UDO geconcludeerd
dat verschuiving van het bevoegd gezag bij termijnoverschrijding niet tot versnelling
van de vergunningverlening zal leiden. Dit terwijl er wel significante gevolgen zijn
voor de uitvoeringspraktijk en het disproportioneel ingrijpt in de bestuurlijke verhoudingen.
Om die reden is geconcludeerd dat op dit onderdeel het wetsvoorstel reparatie behoeft
door het volledig schrappen van dit onderdeel.
In het antwoord op vraag 17 heb ik beschreven waarom het amendement geheel is geschrapt
en waarom de vergunning van rechtswege geen alternatief is dat leidt tot versnelling.
Ik zie overigens geen tegenstelling in het belang van het bestuursorgaan dat regelgeving
uitvoerbaar moet zijn en het belang van de aanvrager. Goed uitvoerbare regelgeving
is immers noodzakelijk om tot versnelling van woningbouw te komen. Het doel van het
amendement om tot versnelling te komen wordt uiteraard volledig onderschreven. Om
die reden wordt ingezet op effectieve en uitvoerbare maatregelen om te bouwen met
meer tempo met versnelling in alle fases (zie ook het antwoord op vraag 17). Ik heb
ook geen signalen ontvangen vanuit de monitoring en evaluatie van de Omgevingswet
dat de balans in de Omgevingswet te veel doorslaat in het voordeel van het bestuursorgaan
en dus in het nadeel van de aanvrager.
2.3. Aanpassing regeling voorkeursrecht (onderdeel B, onderdelen 2 en 3, Omgevingswet)
Vraag 20
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat dat de geamendeerde verruiming
van het voorkeursrecht met deze novelle verder wordt ingeperkt dan nodig. De regering
stelt dat de geest van het amendement intact blijft, terwijl de wijzigingen die het
strategisch verwerven van grond vergemakkelijken worden teruggedraaid. Juist dat is
volgens deze leden cruciaal. Is de verruiming van de termijn van het voorkeursrecht
van drie naar vijf jaar de maximale ruimte binnen het geldende eigendomsrecht? Welke
andere opties om tegemoet te komen aan de wensen van de indieners zijn er overwogen?
Op welke manier zorgt de regering ervoor dat gemeenten vaker strategisch grond kunnen
verwerven?
De bedoeling van de indieners van het amendement is de mogelijkheid te bieden om een
voorkeursrecht in een vroegere fase van planvorming te kunnen vestigen. Op die manier
kan grond worden verworven op het moment dat er nog geen concrete woningbouwplannen
zijn. Zo kan speculatieve waardestijging bij onder meer grondposities voor woningbouw
worden voorkomen. Conform het amendement voorziet ook de novelle hierin doordat een
voorkeursrecht dat wordt gevestigd in een vroege fase maximaal vijf jaar geldt in
plaats van drie jaar in het huidige recht. Door vaststelling van een omgevingsvisie
of programma wordt deze termijn met nog eens met maximaal vijf jaar in plaats van
drie jaar verlengd. Met deze verruiming van de vervaltermijn in de vroege fase van
zes naar tien jaar voorziet de novelle dus in meer tijd om gronden strategisch te
verwerven. Op dit punt is de regeling in de novelle conform het amendement. Ook wordt
hiermee tegemoetgekomen aan de wens vanuit de uitvoeringspraktijk om de termijn om
een omgevingsplan vast te stellen te verlengen. De geldingsduur van een voorkeursrecht
na vaststelling van een omgevingsplan blijft maximaal tien jaar, met dien verstande
dat de maximale totale geldingsduur van het voorkeursrecht nooit meer dan zestien
jaar kan bedragen. Deze termijn heeft namelijk in de rechtspraktijk de toets doorstaan
dat sprake is van een proportionele inbreuk op het eigendomsrecht in verhouding tot
het algemene belang van de ontwikkeling. De regeling is daarnaast ook meer flexibel:
wanneer er aan de voorkant minder tijd nodig is om een omgevingsplan vast te stellen
resteert er meer tijd nadat het omgevingsplan is vastgesteld.
In de geconsulteerde novelle was een alternatieve regeling opgenomen met een geldingsduur
van tien jaar voorafgaand aan vaststelling van het omgevingsplan (conform het amendement)
en een geldingsduur van maximaal tien jaar na vaststelling van het omgevingsplan (conform
het huidige recht). Daarmee zou de totale geldingsduur ten opzichte van het huidige
recht verlengd worden van zestien naar twintig jaar. De noodzaak van een totale geldingsduur
van twintig jaar kon echter onvoldoende worden onderbouwd en is ook niet getoetst
in de rechtspraktijk. Daarmee is het onzeker of een termijn van twintig jaar de toets
kan doorstaan van een proportionele inbreuk van het eigendomsrecht. Ook het Adviescollege
toetsing regeldruk had hierover een negatief advies ingebracht. Om die reden is naar
aanleiding van de consultatie de novelle op dit punt aangepast.
De met deze novelle voorgestelde verruiming van de termijnen maakt eerdere en langere
vestiging van het voorkeursrecht in een vroege fase van planvorming mogelijk. Dit
gebeurt met een flexibele regeling binnen de kaders van de in de rechtspraktijk beproefde
maximale termijn van zestien jaar. Dit komt ook tegemoet aan de behoefte aan meer
flexibiliteit in de uitvoeringspraktijk. De regeling in de novelle kan dan ook op
steun rekenen van de VNG.
3. Adviezen en internetconsultatie
3.1. Ongedaan maken van de regeling voor overgang van bevoegdheid tot vergunningverlening
voor de technische bouwactiviteit na fatale termijn
Vraag 21
De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 7 van de MvT dat de regelingen (Flexpoolregeling
en Expertteam Woningbouw) door 207 gemeenten in 2024 en 166 gemeenten in 2023 zijn
benut. Deze leden willen de regering vragen of zij misschien al cijfers heeft voor
dit jaar en wat zij heeft ondernomen, alsmede gaat ondernemen om deze regelingen zoveel
mogelijk aan te prijzen bij alle gemeenten.
Ook in 2025 is het Expertteam Woningbouw veelvuldig benut. In totaal zijn 202 gemeenten
door het Expertteam ondersteund. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) brengt
het expertteam zelf onder de aandacht, maar het expertteam wordt bijvoorbeeld ook
in de gesprekken tussen gemeenten, provincies en Rijk onder de aandacht gebracht,
bijvoorbeeld aan de regionale versnellingstafels.
De provincies hebben zich in 2024 ingeschreven op de flexpoolregeling, alle provincies
hebben vanuit deze regeling een bijdrage ontvangen. In 2025 hebben de provincies aangegeven
op welke wijze zij deze middelen gaan besteden in de jaren 2025 en 2026 met een uitloop
naar 2027. Provincies nemen vervolgens contact op met de gemeenten om te bepalen op
welke manier de flexpoolmiddelen worden ingezet.
3.2. Amendement schrappen beroepsmogelijkheid tegen woningbouwplannen van een andere
gemeente
Vraag 22
De leden van de D66-fractie vragen de regering uiteen te zetten hoe vaak een gemeente
beroep heeft ingesteld tegen een besluit van een andere gemeente over woningbouw in
de afgelopen jaren.
Er zijn van de afgelopen jaren geen cijfers bekend over in hoeveel gevallen een gemeente
tegen een besluit over woningbouw van een andere gemeente in beroep ging. Van de bij
amendement van het lid Wijen-Nass12 ingevoegde bepaling gaat, naast het verbod, de signaalwerking uit dat gemeenten over
woningbouw niet tegen elkaar dienen te procederen. Via overleg en afstemming moeten
zij er in het voorbereidingstraject met elkaar uitkomen, ook om onnodige vertraging
in de woningbouw te voorkomen. Bij het bepalen van een nieuwe woningbouwlocatie moet
een gemeente nadrukkelijk kijken naar de effecten voor naburige gemeenten. Dit is
ook het uitgangspunt van de Omgevingswet, die diverse bepalingen bevat over bestuurlijk
overleg en samenwerking tussen overheden. Waar een gemeente onvoldoende rekening houdt
met de belangen van andere gemeenten kan de provincie haar coördinerende rol vervullen
om tot een bestuurlijke oplossing te komen.
Vraag 23
De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 8 van de MvT dat de gedeputeerde staten
kunnen besluiten dat een onderdeel van het besluit tot vaststelling of wijziging van
het omgevingsplan geen deel blijft uitmaken van dat besluit, als dit nodig is voor
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en als het besluit in strijd
is met een provinciaal belang. Deze leden vragen de regering of dit betekent dat provincies
woningbouwplannen kunnen belemmeren voor bijvoorbeeld activiteiten ten bate van natuuropgaven
of de energietransitie.
Het ontwerpbesluit bevat de verplichting voor provincies om te zorgen voor voldoende
woningbouwlocaties in hun provincie voor de provinciale woningbouwopgave (130% plancapaciteit).
Om zoveel mogelijk belemmeringen vanuit provincies weg te nemen, wordt in het ontwerpbesluit
ook de Ladder voor duurzame verstedelijking voor nieuwe woningbouwlocaties uitgezet.
De provincies hebben daarnaast de verantwoordelijkheid om te zorgen voor voldoende
ruimte voor onder andere bereikbaarheid, energie, economie, landbouw, natuur, water
en bodem. Om die belangen te beschermen kan de provincie in een beleidsdocument (onder
andere omgevingsvisie of programma) haar provinciale belangen beschrijven en hierover
regels in de omgevingsverordening stellen. Wanneer een gemeente in strijd met een
openbaar kenbaar gemaakt provinciaal belang regels stelt, heeft de provincie een reactieve
interventiemogelijkheid. De provincie kan daarmee het deel van het omgevingsplan dat
strijdig is met het provinciaal beleid schrappen. Deze bevoegdheid in de Omgevingswet
vervangt de eerdere bevoegdheid van een reactieve aanwijzing op grond van de Wet ruimtelijke
ordening. Die bevoegdheid fungeert in de praktijk vaak als een stok achter de deur
en wordt beperkt ingezet. Voorafgaand moet een escalatieladder worden gevolgd, waaronder
bestuurlijk vooroverleg. Naast een reactief interventiebesluit kan het provinciebestuur
ook een instructie geven om een omgevingsplan aan te passen om aan een provinciaal
belang te voldoen.
Als er in provinciaal beleid of regels in de provinciale omgevingsverordening toch
belemmeringen staan waardoor afgesproken woningbouwprojecten niet kunnen worden gerealiseerd,
dan heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ook de bevoegdheid
om met een instructiebesluit provinciale staten op te dragen de regels in de omgevingsverordening
aan te passen.
Rijk en provincie werken zo veel mogelijk samen om het beleid op elkaar af te stemmen.
Daarmee wordt voorkomen dat het beleid van de provincie zo restrictief is dat er onvoldoende
ruimte wordt geboden voor de afgesproken woningbouwprojecten.
3.3. Amendement urgentie aan dakloze gezinnen met kinderen
Vraag 24
De leden van de D66-fractie verzoeken de regering aan te geven op welke termijn zij
voornemens is de regeling Versterking regie volkshuisvesting in consultatie te brengen.
De tweede consultatie van de Regeling versterking regie volkshuisvesting, onder andere
naar aanleiding van de uitwerking van de bij amendement toegevoegde categorie van
urgent woningzoekende, zijnde daklozen gezinnen met minderjarige kinderen, is op maandag
16 februari aangevangen en loopt tot en met 30 maart. De eerste consultatie heeft
reeds plaatsgevonden in het vroege voorjaar van 2024.
Vraag 25
Daarnaast vragen de leden van de D66-fractie de regering uiteen te zetten welke omvang
van de nieuwe urgentiecategorie «dakloze gezinnen met minderjarige kinderen» de regering
voorziet. Kan de regering aangeven waar zij deze inschatting op baseert?
In verband met deze nieuwe urgentiecategorie is een UDO uitgevoerd die ingaat op het
amendement dat voorziet in urgentie voor dakloze gezinnen met kinderen.13 In deze UDO is tot een inschatting gekomen van de omvang van de groep woningzoekenden
die behoren tot urgentiecategorie dakloze gezinnen met minderjarige kinderen op basis
van het CBS en uitgevoerde ETHOS-tellingen. Deze inschatting gaat uit van een bandbreedte
van tussen de ca 4.400 en 4.900 huishoudens in het eerste jaar en een mogelijke toename
van de groep jaarlijks van eveneens tussen de 4.400 en 4.900 huishoudens. Zonder toevoeging
van deze urgentiecategorie zouden er totaal circa 21.500 tot 24.000 huishoudens in
aanmerking komen voor urgentie.
Vraag 26
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over de positie van dakloze
gezinnen met minderjarige kinderen. De regering heeft aangegeven deze urgentiecategorie
zo veel mogelijk te willen beperken per ministeriële regeling. Deze leden zijn van
mening dat dit indruist tegen de doelstellingen van het Nationaal Actieplan Dakloosheid
en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Kan de regering hierop
reageren? Heeft de regering de kinderrechtentoets gebruikt bij de totstandkoming van
deze novelle? Zo ja, wat kwam daaruit? Zo niet, waarom niet? Hoe draagt deze wet,
met uitgeklede urgentie voor deze gezinnen, volgens de regering bij aan het realiseren
van de doelstellingen van het Nationaal Actieplan Dakloosheid? Hoe gaat de regering
alsnog zorgen voor een einde aan dakloosheid in 2030? Is zij bereid de inperking van
de urgentie voor deze gezinnen daartoe te heroverwegen?
Ik onderschrijf de doelstellingen van het Nationaal Actieplan Dakloosheid en het Internationaal
Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Op rijksniveau ligt hier een gedeelde verantwoordelijkheid
voor het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor opvang, zorg en begeleiding,
het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor preventie en zorgen voor
een bestaansminimum en voor de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
om te zorgen voor voldoende, geschikte en betaalbare woningen. De Minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening zet daarbij in op de beschikbaarheid van meer betaalbare woningen
door nieuwbouw en het beter benutten van de bestaande voorraad door splitsen, optoppen,
transformatie en stimuleren van hospitaverhuur. Daarvoor worden rijksmiddelen ingezet
zoals de Realisatiestimulans, de Woningbouwimpuls en de Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen.
Door diverse (kwetsbare en minder draagkrachtige) aandachtsgroepen te ondersteunen
bij het vinden van een woning, wordt dakloosheid voorkomen. Er wordt gestreefd naar
het uitbannen van dakloosheid richting 2030, maar «de praktijk van het leven zal dit
niet altijd laten lukken».
De regering heeft geen gebruik gemaakt van de kinderrechtentoets bij de totstandkoming
van deze novelle. Deze novelle werkt immers het amendement Grinwis, Ceder en Welzijn14 niet verder uit. Dat gemeenteraden in hun urgentieregeling verplicht de urgentiecategorie
dakloze gezinnen met minderjarige kinderen moeten opnemen is een uitbreiding ten opzichte
van de huidige situatie, waarin een dergelijke verplichting niet bestaat.
In de toelichting bij de ontwerpregeling wordt aangegeven dat het kabinet onderschrijft
dat het van groot belang is om de belangen van kinderen bij beslissingen rondom huisvesting
mee te wegen en dat het gebruik van de door de Kinderombudsman ontwikkelde handreiking
«Het beste besluit voor het kind bij huisvestingsproblemen» daarbij een goed hulpmiddel
wordt geacht.
Het kabinet ziet de voorgestelde afbakening in de ontwerpregeling als noodzakelijk
om ervoor te zorgen dat de landelijke urgentieregeling op eenduidige wijze kan worden
uitgevoerd door gemeenten. Op die manier wordt voorkomen dat de landelijke regeling
door gemeenten verschillend wordt toegepast. Daarnaast is de inkadering nodig om te
voorkomen dat een beroep kan worden gedaan op urgentie door huishoudens voor wie de
regeling niet is bedoeld. Op die manier blijft de urgentieregeling beschikbaar voor
urgent woningzoekenden en wordt voorkomen dat het systeem vastloopt. Daarnaast is
deze inkadering ook belangrijk met het oog op het belang van andere woningzoekenden.
Ook zij wachten vaak al jarenlang op een woning en ook hun situatie kan zeer knellend
zijn. Hoe groter de groep van woningzoekenden die voor urgentie in aanmerking komen
wordt, hoe minder woningen er overblijven voor andere woningzoekenden die niet zelden
jaren wachten op een passende woning. Als uitgangspunt van de voorwaarden voor indeling
in deze urgentie categorie is de toelichting van het amendement gebruikt waarin werd
gesproken over de leefsituaties onder de ETHOS-light definities.
Vraag 27
De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 8 van de MvT dat de regering van mening
is dat nadere afbakening van de groep dakloze gezinnen met minderjarige kinderen binnen
de gegeven wettelijke bepaling nodig is met het oog op het verbeteren van de uitvoerbaarheid
van het amendement Grinwis. Het voornemen is om deze nadere afbakening op te nemen
in de Regeling versterking regie volkshuisvesting. In dat licht zouden deze leden
aan de regering willen vragen hoe groot de groep van gescheiden Nederlandse ouders
met kinderen is. En als gescheiden ouders met minderjarige kinderen worden opgenomen
in de regeling, wat is dan de kijk van de regering op mogelijke risico’s dat er oneigenlijk
gebruik wordt gemaakt van deze urgentiecategorie door gemeenten? Wat kan worden ondernomen
om misbruik tegen te gaan?
Met de ministeriële regeling beoog ik duidelijke, uitvoerbare regels te stellen voor
gemeenten, voor alle landelijke urgentiecategorieën, en niet alleen voor de urgentiecategorie
dakloze gezinnen met minderjarige kinderen. De ontwerpregeling is zodanig opgesteld
dat het risico van oneigenlijk gebruik wordt geminimaliseerd. Daarbij wordt aangesloten
bij de werkwijze in de praktijk van gemeenten die al een urgentieregeling hebben.
Een voorbeeld is het uitsluiten van urgentie voor situaties waarin dakloosheid had
kunnen worden voorkomen door bijvoorbeeld geplande remigratie naar Nederland zonder
eerst te voorzien in woonruimte.
In verband met deze nieuwe urgentiecategorie is een UDO uitgevoerd. Deze is aan uw
Kamer toegezonden als bijlage bij de nota naar aanleiding van het verslag15 bij het wetsvoorstel. In deze UDO is, op basis van de schatting van het CBS en uitgevoerde
ETHOS-tellingen, tot een inschatting van de omvang van de groep woningzoekenden die
behoren tot urgentiecategorie dakloze gezinnen met minderjarige kinderen. Deze inschatting
is uitgekomen op een bandbreedte van tussen de ca 4.400 en 4.900 huishoudens in het
eerste jaar en een mogelijke toename van de groep jaarlijks van eveneens tussen de
4.400 en 4.900 huishoudens die behoren tot de verplichte urgentiecategorie voor dakloze
gezinnen met minderjarige kinderen. Vanwege de beperkte informatie die over deze groep
voorhanden is, is het ook niet goed mogelijk om binnen deze bandbreedte een uitsplitsing
naar gescheiden Nederlandse ouders te maken. Zonder deze urgentiecategorie zouden
er totaal circa 21.500 tot 24.000 huishoudens in aanmerking komen voor urgentie op
een jaarlijkse vrijkomend aantal sociale huurwoningen van 154.000.
Vraag 28
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel van de regering
om het amendement, dat beoogt urgentie te verlenen aan dakloze gezinnen met kinderen,
in te kaderen. Deze leden vragen of de regering precies kan aangeven hoe deze inkadering
eruit gaat zien? Zij zijn voorstander van het verlenen van urgentie aan dakloze gezinnen
met kinderen, en geven de regering in overweging om de groep niet onnodig te beperken.
Daarnaast vragen de leden van de SGP-fractie of de regering een inschatting kan geven
van het aantal gezinnen dat, na inkadering, aanspraak kan maken op deze urgentie.
En om hoeveel gezinnen zou het naar verwachting gaan als het amendement niet ingekaderd
zou worden?
De voorgenomen ministeriële regeling is niet gericht op beperking van de groep urgenten
waarvoor de urgentieregeling is bedoeld. Wel is deze ministeriële regeling erop gericht
om duidelijke, landelijk uitvoerbare regels te stellen zodat alle gemeenten op dezelfde
wijze omgaan met de uitvoering van alle landelijke urgentiecategorieën, niet alleen
de urgentiecategorie daklozen gezinnen met minderjarige kinderen. Daarnaast is de
regeling ook bedoeld om te voorkomen dat een beroep kan worden gedaan op de urgentieregeling
in gevallen waarvoor de regeling niet is bedoeld (zie ook het antwoord op bovenstaande
vraag).
In verband met de nieuwe urgentiecategorie dakloze gezinnen met kinderen is een UDO
uitgevoerd.16 In deze UDO kunt u lezen dat tot een inschatting is gekomen op basis van het CBS
en uitgevoerde ETHOS-tellingen. Deze inschatting is uitgekomen op een bandbreedte
van tussen de ca 4.400 en 4.900 huishoudens in het eerste jaar en een mogelijke toename
van de groep jaarlijks van eveneens tussen de 4.400 en 4.900 huishoudens.
Vraag 29
De leden van de ChristenUnie-fractie kijken uit naar de uitwerking van het amendement
Grinwis c.s. (Kamerstuk 36 512 nr. 93) per regeling. Deze leden rekenen op een uitwerking die recht doet aan de doelstelling
van het amendement zoals ook is verwoord in de toelichting op het amendement, die
tegelijk ook werkbaar is voor gemeenten. Wanneer verwacht de regering deze naar de
Kamer te sturen?
De ontwerpregeling is op maandag 16 februari ter consultatie is gegaan. Zie hierover
ook vraag 24.
Vraag 30
De leden van de SP-fractie vinden het onacceptabel dat kinderen in Nederland dakloos
zijn.
De regering heeft haar handtekening gezet onder het Lissabon-akkoord en afgesproken
dat ze dakloosheid voor 2030 wil uitbannen. Deze leden vragen de regering hoe ze haar
verantwoordelijkheid neemt om de doelstellingen van het Nationaal Actieplan Dakloosheid
te realiseren. Hoe verhoudt zich dat tot de voorgenomen beperking van het recht op
urgentie voor dakloze gezinnen via een ministeriële regeling? De leden van de SP-fractie
vragen de regering hoe ze wil waarborgen dat deze groep woningzoekenden daadwerkelijk
perspectief op huisvesting behoudt, indien hun rechten via de beoogde ministeriële
regeling worden ingeperkt.
Het kabinet onderschrijft het Lissabon-akkoord en neemt zijn verantwoordelijkheid
om de doelstellingen van het Nationaal Actieplan Dakloosheid te realiseren. Het recht
op urgentie voor dakloze gezinnen met minderjarige kinderen wordt nader ingevuld met
de nog vast te stellen ontwerpregeling. Anders dan de leden van de SP-fractie in hun
vraag stellen, is deze ministeriële regeling er niet op gericht dit recht op urgentie
in te perken voor de groep waarvoor de regeling is bedoeld. Wel is deze ontwerpregeling
erop gericht om duidelijke, uitvoerbare regels te stellen voor gemeenten. Verwezen
wordt naar het antwoord op vraag 26.
3.4. Amendementen inzake procedurele versnellingen en verhoging griffierechten
Vraag 31
De leden van de SGP-fractie hebben vragen over de inperking van de beroepsprocedures
door gemeenten. In het Wet versterking regie volkshuisvesting is nu geregeld dat gemeenten
geen beroep kunnen instellen tegen bijvoorbeeld woningbouwplannen van andere gemeenten.
Deze leden zijn hier zeer kritisch op, omdat dit een fundamentele inperking is van
de rechtspositie van gemeenten. Welk probleem lost dit precies op? Kan de regering
duidelijk maken in hoeverre dit voorstel concreet de woningbouwopgave versneld? Is
de regering het met de leden van de SGP-fractie eens dat woningbouwprojecten, zeker
aan de rand van gemeentegrenzen, grote gevolgen kunnen hebben voor naburige gemeenten?
Denk aan gevolgen voor mobiliteit en voorzieningen. Kan de regering precies onderbouwen
waarom deze fundamentele inperking nodig is om de woningbouwopgave te versnellen en
waarom het proportioneel is?
Ik ben het met de leden van de SGP-fractie eens dat woningbouwprojecten aanzienlijke
gevolgen kunnen hebben voor andere gemeenten. Om die reden is in de Omgevingswet ook
vastgelegd dat bestuursorganen, waaronder gemeenten, bij de uitoefening van hun taken
en bevoegdheden rekening houden met de effecten daarvan op andere overheden (artikel 2.2
Omgevingswet). Daarover dient voorafgaand afstemming plaats te vinden. Dit is het
uitgangspunt van de Omgevingswet, die diverse bepalingen bevat over bestuurlijk overleg
en samenwerking tussen overheden. Het bij amendement ingevoegde onderdeel van het
wetsvoorstel dat het verbod voor gemeenten om onderling te procederen tegen woningbouwprojecten
bevat, sluit bij dit uitgangspunt aan. Ik sluit daarbij de ogen niet voor de realiteit
dat in de praktijk sprake kan zijn van botsende belangen, of dat een gemeente soms
onvoldoende rekening houdt met deze belangen. Dergelijk verschil van inzicht moet
bij voorkeur bestuurlijk worden opgelost. In sommige gevallen kan de provincie interveniëren
of een knoop doorhakken. De Omgevingswet bevat daarvoor de nodige instrumenten zoals
een instructie en een reactieve interventie.
II. Artikelsgewijze toelichting
Onderdeel A (Vervallen verbod op voorrang in Huisvestingswet 2014)
Vraag 32
De leden van de PVV-fractie vragen de regering of zij bekend is dat op veel vlakken
in onze maatschappij onderscheid wordt gemaakt tussen Nederlandse staatsburgers enerzijds
en niet-Nederlanders (zoals toeristen en arbeidsmigranten) anderzijds. Kan de regering
in het verlengde hiervan aanvullend toelichten waarom het in onderdeel A van de Huisvestingswet
2014 opgenomen absolute verbod inzake urgentie op een sociale huurwoning aan statushouders
strijdig is met de Grondwet en hoe dan moet worden gekeken naar de praktijk waarbij
op veel vlakken onderscheid wordt gemaakt tussen Nederlandse staatsburgers en niet-Nederlanders?
Het gelijkheidsbeginsel houdt in de eerste plaats in dat gelijke gevallen gelijk behandeld
moeten worden. Uit het gelijkheidsbeginsel vloeit niet voort dat er nooit sprake mag
zijn van een verschil in behandeling. Wel moet er bij een gemaakt onderscheid sprake
zijn van een redelijke rechtvaardiging. In de beantwoording van vraag 7 heb ik toegelicht
waarom het verbod op voorrang zoals bij amendement opgenomen in het wetsvoorstel in
strijd is met artikel 1 van de Grondwet. Voor een dergelijk verbod is immers geen
sprake van een objectieve en redelijke rechtvaardiging. Dit betekent echter niet dat
in algemene zin zou kunnen worden gesteld dat het maken van onderscheid in andere
gevallen niet te rechtvaardigen zou zijn. Dit is aan de orde wanneer de wet het toestaat.
Tevens betekent het gebod op gelijke behandeling niet dat er altijd een gelijke uitkomst
is.
Vraag 33
De leden van de PVV-fractie zouden ook aan de regering willen vragen hoe zij kijkt
naar het gegeven dat als het in onderdeel A van de Huisvestingswet 2014 opgenomen
absolute verbod inzake urgentie op een sociale huurwoning aan statushouders op basis
van «discriminatie» wordt geschrapt, dan ook de wetswijziging die de voorrang van
statushouders op sociale huurwoningen schrapt het risico loopt om het niet te halen
o.b.v. dezelfde gedachtegang.
Het wetsvoorstel nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders, bevat geen absoluut
verbod op voorrang, enkel een verbod op voorrang op grond van het feit dat men vergunninghouder
is. Het doel van dat wetsvoorstel is om de positie van vergunninghouders ten opzichte
van reguliere woningzoekenden te normaliseren. In de memorie van toelichting en het
nader rapport is onderbouwd waarom dat wetsvoorstel in lijn is met het discriminatieverbod.17 De nota naar aanleiding van het verslag bij dat wetsvoorstel heeft u inmiddels bereikt.
Vraag 34
De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan toelichten hoe gemeenten voldoende
ruimte houden om via de huisvestingsverordening maatwerk te leveren bij urgente situaties.
Hiervoor verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 10.
Onderdeel C (Overgangsrecht)
Vraag 35
De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan toelichten hoe wordt voorkomen
dat lopende gebiedsontwikkelingen en grondprocedures vertraging oplopen door onduidelijkheden
in het overgangsrecht.
Het wetsvoorstel voorziet in artikel VII in helder overgangsrecht met eerbiedigende
werking voor bestaande gevallen. De wijzigingen met betrekking tot de regeling voor
het voorkeursrecht in de Omgevingswet gelden alleen voor nieuwe vestigingen van het
voorkeursrecht. Op reeds gevestigde voorkeursrechten blijft het oude recht van toepassing,
zodat lopende gebiedsontwikkelingen en grondprocedures, voor zover daarin al gebruik
is gemaakt van de mogelijkheid om een voorkeursrecht te vestigen, niet worden geraakt
door de nieuwe regeling. Hierdoor wordt voorkomen dat deze ontwikkelingen door onduidelijkheden
vertraging oplopen.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
M.C.G. Keijzer
BIJLAGE 1. OVERZICHT VAN BEPALINGEN UIT DE CRISIS- EN HERSTELWET IN DE OMGEVINGSWET
(ZOALS DIE WORDT AANGEPAST MET DE WET VERSTERKING REGIE VOLKSHUISVESTING)
Overzicht artikelen Crisis- en herstelwet1
Onderwerp / Hoofdstuk
Artikel Chw
Artikel Ow
Toelichting
Procedurele versnellingen (H1. Bijzondere bepalingen over projecten)
Vergewisplicht voor adviezen
1.3
–
Deze uitbreiding van de vergewisplicht uit de Awb (artikel 3:9) is niet overgenomen
in de Omgevingswet.
Uitsluiting beroepsrecht decentrale overheden
1.4
–
De beperking van het beroepsrecht voor een niet tot het Rijk behorende rechtspersoon
of tot het Rijk behorend bestuursorgaan tegen een besluit van een tot het Rijk behorend
bestuursorgaan is niet overgenomen in de Omgevingswet. Wel is in de Wvrv geregeld2 dat beroep door andere gemeenten tegen gemeentelijke besluiten niet mogelijk is als
het gaat om besluiten over woningbouwprojecten van ten minste één woning.
Verbod op pro forma beroepen
1.6
16.86
Deze twee onderdelen van de Chw-regeling voor versnelde behandeling van (hoger) beroep
worden in de Omgevingswet gecontinueerd voor het beroep tegen projectbesluiten. In
de Wvrv is daarnaast opgenomen dat deze regeling ook geldt beroepen tegen besluiten
die zien op woningbouwprojecten (deze worden bij AMvB aangewezen).
Geen aanvulling beroepsgronden na verstrijken beroepstermijn
1.6a
Versnelde behandeling beroep en hoger beroep, en uitsprakentermijn van zes maanden
door de bestuursrechter
1.6
1.7
1.8
1.9a
16.87
In artikel 16.87 van de Omgevingswet is de zes maanden termijn uit de Chw overgenomen
voor projectbesluiten. In de Wvrv is daarnaast opgenomen dat deze regeling ook geldt
voor procedures en besluiten die zien op woningbouwprojecten van ten minste één woning.
Opnieuw gebruiken eerdere onderzoeksgegevens
1.10
16.5
Deze specifieke regeling voor hergebruik van onderzoeksgegevens voor het opstellen
van een nieuw besluit na vernietiging van een besluit door de bestuursrechter is niet
expliciet overgenomen in de Omgevingswet. Impliciet komt deze regeling namelijk al
terug in artikel 16.5 Omgevingswet.
H2. Bijzondere voorzieningen
Afdeling 1 Ontwikkelingsgebieden
2.1
2.2
2.3
–
De specifieke Chw-regeling voor ontwikkelingsgebieden keert niet terug in de Omgevingswet.
Aan een dergelijke specifieke regeling bestaat niet langer behoefte, omdat het reguliere
instrumentarium van de Omgevingswet voorziet in de mogelijkheden die deze regeling
biedt door flexibiliteit in omgevingswaarden en instructieregels. Een voorbeeld daarvan
is een instructieregel waarin een afwijking wordt toegestaan, mits het bestuursorgaan
een programma opstelt dat erop gericht is de overschrijding binnen een bepaalde periode
ongedaan te maken (vergelijkbaar met de aanpak in ontwikkelingsgebieden onder de Chw).
2.3a
–
Afdeling 2 Innovatie (experimenteerbepaling)
2.4
23.3
Net als de Chw kent de Omgevingswet een AMvB-grondslag voor experimenten. Alle wetten
waarvan met de Chw kon worden afgeweken zijn opgenomen in de experimenteerbepaling
van de Omgevingswet.
De uitbreidingsmogelijkheid van het toepassingsbereik (waar het experiment kan worden
toegepast) van experimenten was aanvankelijk niet overgenomen in de Omgevingswet,
maar wordt met de Wvrv geherintroduceerd. Ook nu is er nog behoefte om sneller en
flexibeler nieuwe gebieden aan bestaande experimenten toe te voegen.
Afdeling 6 Versnelde uitvoering van bouwprojecten
2.9 t/m 2.17
–
De specifieke regeling voor het projectuitvoeringsbesluit keert niet terug in de Omgevingswet.
Aan een dergelijke specifieke regeling bestaat niet langer behoefte, omdat het reguliere
instrumentarium van de Omgevingswet voorziet in de mogelijkheden die deze regeling
biedt. Gemeenten beschikken via de omgevingsvergunning en het wijzigen van het omgevingsplan
over adequate middelen voor ontwikkeling en beheer van de fysieke leefomgeving.
Afdeling 7 Versnelde uitvoering van lokale en (boven)regionale projecten met nationale
betekenis
2.18 t/m 2.23
–
Ook deze specifieke regeling keert niet terug in de Omgevingswet. Aan een dergelijke
specifieke regeling bestaat niet langer behoefte, omdat het reguliere instrumentarium
van de Omgevingswet voorziet in de mogelijkheden die deze regeling biedt. Zo zou versnelde
uitvoering van een bestuurlijk gecompliceerde gebiedsontwikkeling kunnen worden bewerkstelligd
door vaststelling van een programma voor het te ontwikkelen gebied in combinatie met
een bestuursovereenkomst.
X Noot
1
Overzicht is opgesteld aan de hand van de transponeringstabel in de MvT bij de Invoeringswet
Omgevingswet (Kamerstukken II 2017/18, 34 986, nr. 3, p. 552–554).
X Noot
2
Dit artikel (16.83b) is bij amendement van het lid Wijen-Nass ingevoegd, zie Kamerstukken
II 2024/25, 36 512, nr. 101.
Indieners
M.C.G. Keijzer, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening