Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. stand van zaken van een aantal moties in het domein Landelijk Gebied, Stikstof en Mest (Kamerstuk 35334-415)
35 334 Problematiek rondom stikstof en PFAS
Nr. 428
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 19 februari 2026
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur over de brief van 19 september 2025 over o.a. stand van zaken van een aantal
moties in het domein Landelijk Gebied, Stikstof en Mest (Kamerstuk 35 334, nr. 415).
De vragen en opmerkingen zijn op 2 februari 2026 aan de Minister van Landbouw, Visserij,
Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van 19 februari 2026 zijn de vragen
beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Podt
De griffier van de commissie, Jansma
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorliggende
stukken. Deze leden hechten aan een voortvarende aanpak van de stikstofcrisis, maar
benadrukken dat maatregelen nooit in een vacuüm staan. Een integrale blik is cruciaal
om te voorkomen dat winst op het gebied van emissies ten koste gaat van het welzijn
van de dieren in de veehouderij. De Kamer heeft derhalve moties aangenomen om te zorgen
dat de stikstofmaatregelen getoetst worden op hun bijdrage aan dierwaardigheid. Kan
de Minister aangeven op welke wijze de huidige en voorgestelde stikstofmaatregelen
reeds wetenschappelijk worden getoetst op de impact op dierwaardigheid en door welke
instanties deze toetsing wordt uitgevoerd? Hoe borgt de Minister dat de integrale
benadering leidend is bij het ontwerp van nieuwe regelingen, zodat maatregelen die
emissies reduceren niet contraproductief werken voor het welzijn van het dier? Voorts
vragen deze leden op welke manier de Minister voorkomt dat een eenzijdige focus op,
of prioritering van, snelle emissiereductie de uitvoering van de afspraken uit het
convenant «Stappen naar een dierwaardige veehouderij» bemoeilijkt of zelfs tegenwerkt.
Antwoord
Ik deel de oproep voor een integrale blik op het ontwikkelen van beleid en het inzetten
van maatregelen. Het beleid en verschillende maatregelen die voor verschillende opgaven
wordt gemaakt, wordt daarom zoveel mogelijk integraal aangevlogen. Immers, het komt
allemaal samen op het boerenerf. Zo wil ik zo veel mogelijk voorkomen dat beleid gericht
op de ene opgave ingaat tegen andere opgaven waar agrarische ondernemers ook aan werken
en dat maatregelen elkaar juist zo veel mogelijk versterken. Er zijn veel maatregelen
waarin dierenwelzijn en het verminderen van de stikstofuitstoot hand in hand gaan,
zoals bij stalinnovaties die bijdragen aan zowel het verminderen van emissies als
een hoger dierenwelzijn. Daarnaast worden maatregelen die raken aan de bedrijfsvoering
en het dier, zoals aanpassingen in het voer, wetenschappelijk gevolgd en getoetst.
Zo wordt op de Dairy Campus onder gecontroleerde omstandigheden onderzoek gedaan naar
de effecten van verschillende, relatief lage eiwitniveaus in het rantsoen op diergezondheid
en dierenwelzijn. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door onafhankelijke kennisinstellingen
en dierenwelzijnsdeskundigen en biedt belangrijke inzichten in de grenzen waarbinnen
emissiereductie mogelijk is zonder negatieve gevolgen voor het dier.
Ook geldt het andersom en kunnen sommige maatregelen ten behoeve van dierwaardigheid
effecten hebben op de stikstofopgaven en breder op emissies van broeikasgassen, fijnstof
en geur. Samen met partijen van het convenant dierwaardige veehouderij zullen onderzoek
en pilots worden ingezet om tot oplossingen hiervoor te komen.
De leden van de D66-fractie vragen in het kader van integraliteit naar de nieuwbouw
van stallen in de buurt van stikstofgevoelige natuurgebieden. Erkent de Minister dat
het onwenselijk en inconsistent zou zijn als een veebedrijf op dit moment nog een
nieuwe stal bouwt nabij een stikstofgevoelig natuurgebied, terwijl deze locatie op
korte termijn mogelijk in aanmerking komt voor een uitkoopregeling in het kader van
de stikstofaanpak? Kan de Minister reflecteren op de doelmatigheid van publieke middelen wanneer
er enerzijds vergunningen voor uitbreiding worden verleend, terwijl er anderzijds
miljarden worden uitgetrokken voor de beëindiging van locaties op diezelfde locaties?
Welke instrumenten heeft de Minister op dit moment om dergelijke kapitaalvernietiging
te voorkomen? Kan de Minister inzicht geven in hoe de vergunningverlening voor nieuwbouw
op kwetsbare locaties tijdelijk kan worden beperkt of kritischer getoetst in afwachting
van de gebiedsgerichte aanpak?
Antwoord
Vergunningverlening voor nieuwbouw moet voldoen aan alle milieu- en natuureisen, waaronder
de eisen in verband met de ligging in de nabij een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied.
Het zal niet vaak voorkomen dat een veehouderij op dit moment nog een nieuwe stal
kan bouwen nabij een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied en als deze wil salderen,
moet worden voldaan aan het additionaliteitsvereiste. Als dit aan de orde is zijn
provincies (Gedeputeerde Staten) bevoegd gezag om te beoordelen of het project kan
doorgaan. Daarmee zijn er dus reeds zeer stevige beperkingen aan het bouwen van nieuwe
stallen naast natuurgebieden. Bovendien geldt dat de staatssteunkaders voorschrijven
dat stallen jonger dan vijf jaar niet in aanmerking komen voor subsidie bij beëindiging.
Daarnaast geldt dat in de vormgeving van toekomstig instrumentarium ook prioriteit
gegeven wordt aan kwetsbare gebieden. Zo wordt in de aangekondigde vrijwillige beëindigingsregeling
voorrang gegeven aan bedrijven in een straal van één kilometer rondom overbelaste
stikstofgevoelige N2000-gebieden.
De leden van de D66-fractie maken zich tevens zorgen over de uitvoeringskracht op
lokaal en provinciaal niveau. De urgentie van natuurherstel is groot, maar de tekorten
op de arbeidsmarkt en de beperkte ambtelijke capaciteit dreigen een flessenhals te
vormen. Erkent de Minister dat een tekort aan menskracht momenteel een reëel risico
vormt voor de snelheid van ruimtelijke ontwikkelingen en de afwikkeling van stikstofdossiers?
Kan de Minister toelichten hoe expertise worden gegroepeerd om concurrentie tussen
overheden te voorkomen?
Antwoord
Ik herken het risico van een tekort aan menskracht. Uit de «Voortgangsrapportage provinciale
maatregelen» over uitvoeringsjaar 2024, die ik in december 2025 met uw Kamer heb gedeeld,
komt ook naar voren dat voortdurende inzet van gemeenten, provincies, Rijk en andere
betrokkenen noodzakelijk blijft om de komende jaren verdere stappen te zetten richting
de realisatie van de doelen. Daarom werk ik er aan om de capaciteit die bij het Rijk
voorhanden is zo goed mogelijk in te zetten en daarbij de samenwerking te zoeken met
de mede-overheden. Dat doe ik op verschillende manieren. Met de gestarte «extra rijksinzet
voor gebieden en boerenerven» ondersteunt het Rijk met focus op de 5 clustergebieden1 actief bij de uitvoering om onder regie van de provincie waar mogelijk verdere versnelling
teweeg te brengen. In het kader van de aanpak Veluwe wordt zelfs al gewerkt aan de
opzet van een samenwerkingsverband tussen overheden om expertise te bundelen. Daarnaast
versterkt het Rijk de uitvoeringskracht van medeoverheden met de inzet van het Rijksuitvoeringsnetwerk
Landelijk Gebied (RUN). In opdracht van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur (LVVN) ondersteunt dit netwerk provincies en andere gebiedspartijen bij
de aanpak van opgaven in het landelijk gebied. RUN bestaat uit zes Rijksuitvoeringsorganisaties
in het fysieke domein (de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Staatsbosbeheer,
het Kadaster, Rijksvastgoedbedrijf, Rijkswaterstaat en de Rijksdienst voor Cultureel
Erfgoed) en levert specialistische expertise, data en kennis voor gebieden met de
grootste opgaven voor landbouw en natuur. Tevens ondersteun ik medeoverheden met kennisdeling
en handreikingen voor de vergunningverlening in gebieden met veehouders die met behulp
van regelingen hun bedrijf beëindigen in het kader van de aanpak piekbelasting. Veehouders
zelf bied ik ondersteuning met de inzet van zaakbegeleiders die ondernemers begeleiden
en ondersteunen bij het leggen van contacten met medeoverheden, bijvoorbeeld in verband
met vergunningen.
De leden van de D66-fractie hebben met grote zorg kennisgenomen van de berichtgeving
dat de Staatssecretaris persoonlijk heeft aangedrongen op de publicatie van een stikstofrapport
dat door experts als «rammelend» werd bestempeld (NRC, 26 januari 2026, «Staatssecretaris
Rummenie duwde rammelend stikstofrapport er persoonlijk door», (https://www.nrc.nl/nieuws/2026/01/26/staatssecretaris-rummenie-duwde-ra…)). Deze leden vragen de Minister aan te geven welke specifieke wijzigingen na de
interventie van de Staatssecretaris zijn doorgevoerd en hoe dit zich verhoudt tot
de wetenschappelijke onafhankelijkheid van het onderzoek. Het baart deze leden ernstige
zorgen dat politieke wenselijkheid hier lijkt te prevaleren boven feitelijkheid, wat
de juridische houdbaarheid van het beleid direct in gevaar brengt. Waarom is er besloten
de waarschuwingen terzijde te leggen en het rapport toch met een stellige politieke
conclusie naar buiten te brengen? Kan de Minister de relevante beslisnota’s met de
Kamer delen?
Deze leden vragen de Minister aan te geven welke specifieke wijzigingen na de interventie
van de Staatssecretaris zijn doorgevoerd en hoe dit zich verhoudt tot de wetenschappelijke
onafhankelijkheid van het onderzoek. Waarom is er besloten de waarschuwingen terzijde
te leggen en het rapport toch met een stellige politieke conclusie naar buiten te
brengen? Kan de Minister de relevante beslisnota’s met de Kamer delen?
Antwoord
Van interventie van de Staatssecretaris ten behoeve van inhoudelijke aanpassingen
van het rapport is geen sprake. De Staatssecretaris van LVVN heeft na het ontvangen
van het eindconcept van het rapport een onafhankelijke review laten uitvoeren door
de heer Arthur Petersen. Op basis van deze review heeft de heer Meester zelf nog enkele
aanpassingen in zijn rapport doorgevoerd. Naar aanleiding van een informatieverzoek
vanuit uw Kamer zijn de definitieve versie van het rapport en de review in oktober
jl. openbaar gepubliceerd2. In de kabinetsreactie op het rapport is te lezen hoe het kabinet dit rapport beoordeelt3. Alle relevante beslisnota’s in het kader van het onderzoek van de heer Meester zijn
reeds openbaar geworden door middel van een Woo-verzoek4.
De leden van de D66-fractie constateren dat het concept 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn (AP) op verschillende punten een versoepeling bevat
ten opzichte van het 7e AP, terwijl de dwingende Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelen van 2027 juist in zicht
komen. Kan de Minister motiveren hoe een programma dat inzet op verruiming van stikstofgebruiksnormen,
het versmallen van bufferstroken en het laten vervallen van de 20 procent korting
in voormalige met nutriënten verontreinigde gebieden (NV-gebieden), valt te rijmen
met de Europese resultaatsverplichting om achteruitgang van de waterkwaliteit te voorkomen?
Op welke andere punten was het 8e AP niet in lijn met de KRW-doelen? De landsadvocaat waarschuwt expliciet voor een
«duidelijk risico» dat een rechter een streep zet door deze verruimingen, juist omdat
niet kan worden uitgesloten dat er verslechtering optreedt (Kamerstuk 2026D03556). Hoe rechtvaardigt de Minister het risico op een juridisch vacuüm en nieuwe blokkades
voor de sector als gevolg van deze onvoldoende onderbouwde koers?
Antwoord
Het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn is door het kabinet niet vastgesteld. Op 19 december
2025 heeft het kabinet uw Kamer geïnformeerd over dit besluit. Hiermee is uitvoering
gegeven aan de motie Grinwis c.s. Aangezien het 8e actieprogramma niet is vastgesteld, kunnen vragen over de inhoud ervan niet beantwoord
worden. Besluitvorming over en invulling van het 8e actieprogramma, wordt daarmee overgelaten aan het nieuwe kabinet.
De leden van de D66-fractie maken zich bovendien ernstig zorgen over de wijze waarop
de Minister de KRW-toets hanteert. Waar de Nitraatrichtlijn zich primair richt op
een norm van 50 milligram per liter nitraat in grondwater, stelt de KRW andere eisen
aan zowel grond- als oppervlaktewater om eutrofiëring tegen te gaan. Uit ambtelijke
stukken blijkt dat door de voorgestelde versoepelingen de uitspoeling van stikstof
naar het oppervlaktewater vrijwel overal zal toenemen (Kamerstuk 2026D03460). Dit staat haaks op het achteruitgangsverbod, waarbij negatieve effecten per waterlichaam
en per stof niet mogen worden gesaldeerd. Kan de Minister bevestigen dat het 8e AP per individueel waterlichaam wordt getoetst op zowel de verbeteringsverplichting
als het achteruitgangsverbodw en kan zij daarbij garanderen dat wetenschappelijke
onzekerheden volgens het voorzorgsbeginsel niet worden gebruikt om verruimingen door
te voeren?
Antwoord
In de brief van 19 december 2025 is aangegeven dat het kabinet heeft besloten om het
8e actieprogramma niet vast te stellen en de besluitvorming over het 8e actieprogramma over te laten aan het volgende kabinet.
De leden van de D66-fractie vragen aandacht voor de voorgestelde doelsturing en de
rol van fosfaat. Het concept 8e AP lijkt geen maatregelen meer te bevatten voor fosfor, terwijl in 46 procent van
de waterlichamen de doelen voor fosfaat niet worden gehaald. Waarom ontbreken deze
essentiële maatregelen in het programma? Ten aanzien van doelsturing wijzen ambtelijke
adviezen erop dat het versoepelen van streefwaarden op percelen die aan de norm voldoen
het gebiedsgemiddelde omhoog brengt, terwijl een equivalent voor aanscherping op overschrijdende
percelen ontbreekt. Hierdoor is het vrijwel zeker dat de doelen nooit zullen worden
gehaald. Kan de Minister toelichten hoe deze systematiek in lijn zou zijn met de Nitraatrichtlijn
en de doelen van de KRW?
Antwoord
Het 8e actieprogramma is niet vastgesteld, zie hiervoor ook mijn eerdere antwoord.
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de voortgang van
het mestbeleid. Deze leden constateren dat de Minister zwaar inzet op de export van
organische meststoffen en het vergroten van de mestverwerkingscapaciteit. Kan de Minister
nader toelichten hoe de aanbevelingen van de meststoffengezant, zoals het investeren
in kennisontwikkeling in importerende landen, zich verhouden tot de noodzaak voor
een structurele krimp van het mestoverschot aan de bron? Op welke termijn en in welke
mate verwacht de Minister dat de voorgestelde publiek-private samenwerking en de pilots
in het buitenland leiden tot een meetbare ontlasting van de Nederlandse mestmarkt?
Antwoord
In september 2024 heb ik de aanpak mestmarkt aan de Kamer gestuurd. In deze Kamerbrief
informeerde ik u over mijn aanpak, die bestaat uit een mix van maatregelen voor de
korte termijn en langere termijn. Het vergroten van exportmogelijkheden was één van
deze beschreven maatregelen die ook op de kortere termijn effect zou kunnen hebben.
Onderdeel van deze aanpak waren de drie exportmissies die hebben plaatsgevonden naar
het oosten van Frankrijk (juli 2025), het westen van Polen en het oosten van Duitsland
(oktober 2025) op basis waarvan de heer Knops aanbevelingen heeft gedaan. De afzet
van dierlijke mest in het buitenland is afhankelijk van goede relaties en wederzijdse
bekendheid met personen en procedures. Deze missies waren een mooie eerste stap voor
een verdere duurzame samenwerking in de komende jaren. De omvang van de export van
mest zal onder andere afhankelijk zijn van de ontwikkelingen in Nederland ten aanzien
van de mestproductie en de plaatsingsruimte en de vraag vanuit andere landen, en in
hoeverre de weersomstandigheden de aanwending van mest toelaten.
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief over
de wijziging van de uitvoeringsregelgeving in verband met de introductie van RENURE
(Kamerstuk 22 112, nr. 4200). Deze leden verwelkomen de mogelijkheid om kunstmest te vervangen door hoogwaardige
meststoffen uit dierlijke mest, mits dit gepaard gaat met een daadwerkelijke verbetering
van de milieukwaliteit en een reductie van de totale stikstofemissies.
Kan de Minister toelichten hoe zij borgt dat de inzet van RENURE-producten, zoals
mineralenconcentraat en ammoniumzouten, niet leidt tot een hogere totale stikstofbelasting
op de bodem, aangezien het Europese voorstel toestaat om jaarlijks tot 80 kilogram
stikstof per hectare aanvullend op de bestaande 170 kilogram uit dierlijke mest aan
te wenden? Welke aanvullende monitoring zet de Minister op om de effecten van deze
verhoogde stikstofaanwending op de waterkwaliteit en de uitspoeling van nutriënten
nauwgezet te volgen? Voorts vragen deze leden naar de voorwaarde dat het aantal dieren
en de mestproductie niet mag toenemen bij de implementatie van RENURE. Hoe effectief
acht de Minister de huidige regulering via productierechten en mestproductieplafonds
om deze absolute grens te bewaken, zeker in het licht van de wens tot opschaling van
mestverwerking? Met betrekking tot de kwaliteitseisen constateren deze leden dat er
strikte criteria gelden voor pathogenen en maximale gehalten aan koper en zink. Op
welke wijze wordt het toezicht op deze kwaliteitseisen ingericht en wie draagt de
verantwoordelijkheid indien de gebruikte RENURE-producten in de praktijk niet aan
deze veiligheidsnormen voldoen? Tot slot vragen deze leden naar de tijdelijke registratie-
en analyseverplichting voor producenten zolang een definitieve verankering in de Meststoffenwet
nog uitblijft. Hoe voorkomt de Minister dat dit leidt tot onnodige administratieve
lasten, terwijl tegelijkertijd een sluitende borging van de meststromen noodzakelijk
blijft om fraude en onbedoelde emissies tegen te gaan?
Antwoord
Het uitgangspunt bij de toepassing van Renure-producten is dat deze kunstmest vervangen
en geen additionele stikstofinput vormen. In de nationale uitwerking wordt daarom
geborgd dat het gebruik van Renure uitsluitend mogelijk is binnen de bestaande stikstofgebruiksnormen.
Dit betekent dat toepassing van Renure gepaard gaat met een vermindering van het gebruik
van kunstmest, waardoor de aanwending van de totale hoeveelheid stikstof uit meststoffen
per hectare niet toeneemt en binnen de stikstoftotaalnorm blijft.
Daarnaast wordt via gebruiksvoorschriften gestuurd op het moment van aanwenden en
het emissiearm aanwenden van Renure, zodat het risico op emissies en nutriëntenuitspoeling
wordt beperkt. De effecten van Renure op waterkwaliteit en nutriëntenuitspoeling worden
gevolgd via bestaande monitoringssystemen, waaronder het Landelijk Meetnet effecten
Mestbeleid.
Hier geldt vanuit de Europese Commissie de voorwaarde dat de implementatie van Renure
niet mag leiden tot een toename van het aantal dieren of van de mestproductie. Voor
wat betreft de mestproductie moet worden voldaan aan de bestaande regulering via productierechten
en mestproductieplafonds in de Meststoffenwet. Ook gelden beperkingen die zijn opgenomen
in natuurvergunningen.
Ik acht het stelsel van productierechten geschikt om de geldende mestproductieplafonds
te borgen. De introductie van Renure heeft in Nederland daarmee geen invloed op deze
plafonds en biedt geen ruimte voor uitbreiding van de veestapel of een toename van
de mestproductie.
Voor het kunnen toepassen van Renure boven op de norm van 170 kilogram stikstof per
hectare per jaar geldt dat de Renure geproduceerd moet zijn door, en afgenomen moet
zijn van, een producent die door de Minister als zodanig is geregistreerd, of van
een producent die is gecertificeerd door een conformiteitsbeoordelende instantie (CBI)
op basis van het door de Minister aangewezen certificeringsschema Renugarant5.
Deze producenten zijn primair verantwoordelijk voor het voldoen aan de vastgestelde
kwaliteitseisen, waaronder eisen ten aanzien van pathogenen, koper en zink. De Nederlandse
Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) houdt risicogericht toezicht op geregistreerde
producenten en kan bij overschrijding van de normen handhavend optreden, waaronder
het schorsen of schrappen van de registratie. Bij gecertificeerde producenten worden
de audits uitgevoerd door CBI’s. Indien de normen worden overschreden, kan de CBI
het certificaat schorsen of intrekken. De NVWA houdt hierbij tweedelijns toezicht
op de CBI’s.
Tot slot vragen de leden van de D66-fractie naar de tijdelijke registratie- en analyseverplichting
voor producenten zolang een definitieve verankering van certificering in de Meststoffenwet
nog ontbreekt. Er is geen verplichting voor producenten van Renure om zich tijdelijk
te laten registreren.6 Producenten kunnen er ook voor kiezen zich, vooruitlopend op de wettelijke verankering
van certificering in de Meststoffenwet, te laten certificeren als producent van Renure.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stukken met betrekking tot
het schriftelijk overleg Stikstof en mestbeleid. Deze leden hebben geen aanvullende
vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreuren de achteruitgang op het landbouwdossier
van de afgelopen periode. Daarin staan deze leden niet alleen. Alleen al in de onderliggende
adviezen met betrekking tot het 8e AP zien zij zich bevestigd door stevige kritiek van onder andere Wageningen Environmental
Research (WENR), de Commissie Milieueffectrapportage (MER), het Planbureau voor de
Leefomgeving (PBL), de Landsadvocaat, de Europese Commissie (EC), de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten (VNG), de Unie van Waterschappen (UvW), het Interprovinciaal
Overleg (IPO) en zelfs het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W). Zij
waarschuwen onder andere voor verslechtering van de waterkwaliteit en meer stikstofuitstoot,
nieuwe rechtszaken, een Europese infractie en een tweede stikstofcrisis. Dat op deze
kritiek en waarschuwingen nauwelijks is geacteerd is typerend voor het afgelopen kabinet
en desalniettemin betreurenswaardig.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie kijken dan ook met interesse uit naar de plannen
van een volgend kabinet. Wat deze leden betreft, biedt de transitie van de landbouw
kansen om Nederland mooier te maken, om boeren weer perspectief te geven, boeren en
omwonenden gezonder te maken en dieren een beter leven te geven. Deze leden benadrukken
daarbij dat het oplossen van de problemen in de landbouw wat hen betreft niet nog
langer vooruitgeschoven kan worden en dat het dus noodzakelijk is voortgang op korte
termijn te realiseren en te borgen.
De leden van de GroenLinks-PvdA fractie constateren dat het derogatieverzoek definitief
is afgewezen en de mestderogatie daarmee dit jaar definitief vervalt. Wat zijn de
meest recente cijfers over de overschrijding van de mestplafonds en wat zijn de meest
recente prognoses voor hoe dit zich gedurende dit jaar ontwikkelt? Wat is de precieze
opdracht die de Nitraatrichtlijn geeft aan Nederland in het geval van een overschrijding
van het mestplafond en zijn hiervoor scenario’s uitgewerkt en doorgerekend en zo ja,
welke? Welke concrete maatregelen kunnen worden genomen om op korte termijn onder
het plafond uit te komen? Wat zijn van elk van deze de geschatte ecologische, financiële
en juridische gevolgen en op welke termijnen zijn ze mogelijk?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vergelijkbare vragen over stikstof.
Kan de Minister bevestigen dat de Greenpeace-uitspraak (Rechtbank Den Haag, 22-01-2025,
ECLI:NL:RBDHA:2025:578) bindend is, ook in afwachting van het hoger beroep, en dat
dat dus de realiteit is waarmee rekening moet worden gehouden? Zijn er maatregelpakketten
voorbereid en doorgerekend waarmee aan de Greenpeace-uitspraak wordt voldaan? Zo ja,
hoe zien die eruit? Zo nee, waarom niet? Wat zijn concrete maatregelen om versneld
stikstofruimte vrij te maken voor natuurherstel en vergunningverlening?
Antwoord
Het CBS stelt op verzoek van LVVN aan het einde van ieder kwartaal een berekening
samen van de verwachte mestproductie in het lopende jaar. Op 20 november 20257 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de publicatie van de derde kwartaalrapportage 2025.
Op basis van de derde kwartaalrapportage 2025 is de verwachting dat de mestproductie
in de pluimveehouderij in 2025 zowel wat betreft stikstof als fosfaat onder de sectorale
mestproductieplafonds zal blijven. Voor de varkenshouderij is de inschatting dat de
mestproductie als gevolg van de deelname aan de Lbv en Lbv-plus op termijn, en mogelijk
in 2026, ook onder de sectorale mestproductieplafonds uitkomt. Daarentegen is de inschatting
dat de mestproductie in de melkveehouderij, ook na deelname aan de Lbv en Lbv-plus,
op termijn niet onder het sectorale fosfaatproductieplafond zal komen. Daarom is besloten
het huidige afromingspercentage van 30% in de melkveesector te handhaven. Overigens
is in de inschatting van de mestproductie in de melkveehouderij nog geen rekening
gehouden met het mogelijke effect deelname aan de in ontwikkeling zijnde Landelijke
vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Vbr) en Subsidieregeling extensivering
melkveehouderij (Sem).
In de Meststoffenwet is het nationale mestproductieplafond dat volgt uit de voorwaarden
van de derogatiebeschikking 2022–2025 vastgelegd. De hoogte van de sectorale mestproductieplafonds,
die – op grond van het 6e Actieprogramma Nitraatrichtlijn – eveneens in de Meststoffenwet zijn opgenomen, zijn
hiermee in lijn gebracht. Als blijkt dat de mestproductie in 2025 hoger is dan het
nationale plafond, of één van de sectorale plafonds, dan kan dit aanleiding zijn voor
de Europese Commissie voor het stellen van vragen of het op een andere wijze ondernemen
van actie.
De uitspraak van de rechtbank Den Haag is uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat
inderdaad, zoals de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stellen, er uitvoering moet
worden gegeven aan de uitspraak, wat ook wordt gedaan. Het kabinet is ter voldoening
aan het vonnis van de rechtbank doorgegaan met het beleid gericht op vermindering
van de stikstofbelasting van de Natura 2000-gebieden. Daarvoor is, tevens vanwege
de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over intern
salderen, de Ministeriële Commissie voor Economie & Natuurherstel (hierna: MCEN) ingesteld.8 In het kader van de MCEN is er via verschillende sporen gewerkt aan Nederland van
het slot krijgen. Een van deze sporen betrof het treffen van maatregelen. Dit moet
leiden tot een voorstel voor een maatregelpakket voor geborgde stikstofemissiereductie,
natuurbehoud en -herstel met als doel het voldoen aan de huidige wettelijke doelen
en verplichtingen. Dat heeft vervolgens geleid tot het zogeheten start- en vervolgpakket
«Nederland van het slot».9 Deze maatregelen zien op het oplossen van de problematiek met het additionaliteitsvereiste
vanwege de staat van de natuur die op meerdere plekken in Nederland nog niet op orde
is. Er is niet extra ingezet op het vrijmaken van stikstofruimte die kan worden ingezet
voor vergunningverlening, omdat er eerst gereduceerd moet worden ten behoeve van natuurherstel.
Verder is er naar andere oplossingen gezocht om vergunningverlening te vergemakkelijken.
Er is daarnaast, vanwege de zorgen over de uitvoerbaarheid en maatschappelijke impact,
in het kader van het hoger beroep dat is ingesteld onderzoek gedaan naar de maatschappelijke
impact van mogelijke, theoretische maatregelpakketten als in 2030 aan de uitspraak
van de rechtbank moet zijn voldaan. Daarvoor hebben de WUR (Wageningen University
Research) en CE Delft onderzoeken verricht. De betreffende onderzoeken, die zijn voorgelegd
aan het Gerechtshof in het kader van het hoger beroep, zijn op 4 november aan uw Kamer
gestuurd.10
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat de mest- en stikstofdossiers niet
los kunnen worden gezien van andere landbouw- en natuurdossiers, zoals de Europese
Natuurherstelwet. Wat is de voorgenomen planning voor het opstellen van het nationale
conceptplan en hoe wordt de Kamer hierbij betrokken?
Antwoord
Op dit moment wordt gewerkt aan het opstellen van het ontwerp-Natuurplan. Het ontwerp
natuurplan wordt uiterlijk 1 september 2026 ingediend bij de Europese Commissie. Het
zal dan ook ter inzage worden gelegd en PBL zal hierop een reflectie uitvoeren. Het
kabinet zal het ontwerp-Natuurplan gelijktijdig met de verzending naar de Europese
Commissie naar uw Kamer sturen. Vragen over het ontwerp-Natuurplan en voorstellen
voor het definitief Natuurplan vanuit uw Kamer kunnen zo samen met inspraak uit de
ter inzagelegging, inzicht uit de planMER en feedback van de Europese Commissie, worden
meegenomen in het definitieve natuurplan. Het definitief Natuurplan dient uiterlijk
1 september 2027 te worden ingediend bij de EC.
Rond het meireces zal de Kamer nader worden geïnformeerd over de voortgang van het
ontwerp natuurplan via een voortgangsbrief over de natuurherstelverordening. Ook zal
het kabinet daarbij ingaan op de benodigde uitvoeringswetgeving.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie maken gebruik van de gelegenheid om grote zorgen en kritiek
te uiten op de koers die dit kabinet vaart met betrekking tot het stikstof- en mestbeleid.
Terwijl onze boeren de ruggengraat vormen van onze voedselzekerheid, worden zij geconfronteerd
met verstikkende regelgeving en onrealistische plafonds die zijn gebaseerd op drijfzand.
De leden van de PVV-fractie vinden het goed dat de Minister in haar brief ingaat op
knelpunten bij de uitvoering van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties
(Lbv) en de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting
(Lbv-plus) en erkent dat ondernemers in de praktijk vastlopen (Kamerstuk 35 334, nr. 400). Tegelijkertijd bevestigt deze brief opnieuw het fundamentele probleem van het Nederlandse
stikstof- en mestbeleid. Beleid dat is gevormd tot een juridisch en administratief
doolhof waarin boeren die jarenlang volgens de regels hebben gehandeld, alsnog de
rekening krijgen gepresenteerd.
De leden van de PVV-fractie zijn van mening dat de Minister terecht vaststelt dat
uit onderzoek blijkt dat bepaalde emissiearme stalsystemen in de praktijk hogere ammoniakemissies
veroorzaken dan eerder werd aangenomen. Deze leden benadrukken echter dat deze systemen
destijds door de overheid zijn goedgekeurd, opgenomen in de Regeling ammoniak en veehouderij
(Rav) en actief zijn gestimuleerd. Boeren hebben hier te goeder trouw en vaak tegen
hoge kosten in geïnvesteerd. Dat alternatieve emissiecijfers zijn toegestaan om deze
ondernemers alsnog toegang te geven tot de Lbv- en Lbv-plus-regelingen is dan ook
geen gunst, maar een kwestie van elementaire rechtvaardigheid.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoe zij voorkomt dat boeren in de toekomst
opnieuw slachtoffer worden van falende emissiemodellen en welke structurele verbeteringen
zij doorvoert om de betrouwbaarheid van emissiefactoren te vergroten.
Antwoord
Om de betrouwbaarheid van emissiefactoren, zoals bedoeld in bijlage V en VI van de
Omgevingsregeling (voorheen de Regeling ammoniak en veehouderij) te vergroten, werk
ik samen met de Staatssecretaris van IenW aan een vernieuwing van het stelsel van
stalbeoordeling. Het stelsel van stalbeoordeling dient om (innovatieve) systemen,
technieken en maatregelen te beoordelen op de mate waarin emissies van ammoniak, fijnstof,
geur en optioneel broeikasgassen daarmee worden verminderd.
Het stelsel van stalbeoordeling vormt daarmee een bouwsteen voor vergunningverlening,
doelsturing, toepassing van continu meten en het met vertrouwen toepassen van maatregelen.
Het doel van het Programma vernieuwing stalbeoordeling is het verbeteren van het stelsel
langs drie hoofdlijnen: publiek-private verantwoordelijkheid voor stalbeoordeling;
toevoegen van de mogelijkheid tot continue bedrijfsmetingen; en integrale beoordeling
van stalmaatregelen. Een onderdeel hiervan is het opstellen van NEN-normen, samen
met alle betrokken partijen en organisaties, zodat er aan gedeeld vertrouwen in het
stelsel wordt gebouwd. Bij brief van 22 september 202511 heeft de Staatssecretaris van IenW uw Kamer, mede namens mij, geïnformeerd over de
voortgang.
Ook het dossier rond de wintergarten illustreert volgens de leden van de PVV-fractie
hoe regelgeving en praktijk structureel langs elkaar heen lopen. Deze leden waarderen
dat uiteindelijk is erkend dat deze scharrelruimte onder voorwaarden als dierenverblijf
kan gelden. Tegelijkertijd blijft het onverteerbaar dat ondernemers zonder stalcertificaat,
maar met een feitelijk identieke situatie, alsnog worden uitgesloten. Dat leidt tot
rechtsongelijkheid. Deze leden vragen de Minister of zij bereid is aanvullende, objectieve
bewijsmiddelen toe te staan, zodat de feitelijke situatie leidend wordt in plaats
van papieren formaliteiten.
Deze leden waarderen dat uiteindelijk is erkend dat deze scharrelruimte onder voorwaarden
als dierenverblijf kan gelden. Tegelijkertijd blijft het onverteerbaar dat ondernemers
zonder stalcertificaat, maar met een feitelijk identieke situatie, alsnog worden uitgesloten.
Dat leidt tot rechtsongelijkheid. Deze leden vragen de Minister of zij bereid is aanvullende,
objectieve bewijsmiddelen toe te staan, zodat de feitelijke situatie leidend wordt
in plaats van papieren formaliteiten.
Antwoord
Veehouders die gebruikmaken van een subsidieregeling voor beëindiging kunnen aanspraak
maken op een vergoeding voor het waardeverlies van de productiecapaciteit. De hoogte
van de vergoeding wordt daarbij gebaseerd op de oppervlakte en leeftijd van de individuele
dierenverblijven. De oppervlakte van een scharrelruimte – in de praktijk vaak aangeduid
als Wintergarten – kan tot het dierenverblijf gerekend worden en daarmee voor een
vergoeding voor het waardeverlies in aanmerking komen als deze op grond van artikel 2.70
van het Besluit houders van dieren kwalificeert als leefruimte (de bruikbare oppervlakte
voor het houden van dieren). Het is aan een ondernemer om hiervoor bewijs aan te leveren.
De vaststelling of een scharrelruimte kwalificeert als leefruimte dient door een onafhankelijk
certificeringsbureau te zijn uitgevoerd. Het daarbij afgegeven bewijsstuk dient op
het moment van de subsidieaanvraag nog geldig te zijn en voorzien te zijn van een
ondertekening. Dit bewijsstuk kan bestaan uit een stalcertificaat, maar inmiddels
is gebleken dat ook andere certificaten of verklaringen zijn mogelijk, zolang aan
genoemde vereisten wordt voldaan en vaststaat dat de betreffende scharrelruimte kwalificeert
als leefruimte.
De leden van de PVV-fractie zien een terugkerend knelpunt in de afhankelijkheid van
boeren van de capaciteit en doorlooptijden bij bevoegde gezagen. Dat de termijn voor
het wijzigen of intrekken van vergunningen is verruimd, was noodzakelijk. Het kan
niet zo zijn dat ondernemers financieel worden gestraft voor trage procedures waar
zij zelf geen enkele invloed op hebben.
Deze leden vragen de Minister welke structurele maatregelen zij neemt om vergunningverlening
bij provincies te versnellen en hoe zij voorkomt dat dit probleem zich bij toekomstige
regelingen opnieuw voordoet.
Antwoord
Ik ben het met de leden van de PVV-fractie eens dat het niet zo kan zijn dat ondernemers
de dupe worden van trage procedures. Daarom heb ik de termijnen waarbinnen boeren
aan (subsidie)voorwaarden moeten voldoen aangepast in de LBV-regelingen.
Een belangrijke redenen waarom provincies in bepaalde gevallen niet tijdig een vergunning
af hebben kunnen geven is dat door de uitspraken van de Raad van State eind 2024 er
een periode onduidelijkheid bestond of vergunningverlening weer mogelijk gemaakt kon
worden. Die duidelijkheid is er gekomen met een handelingsperspectief voor bestaande
regelingen dat provincies concrete handvatten geeft om nieuwe activiteiten tot 15%
van de bestaande toegestane emissie te kunnen toestaan middels een natuurvergunning.
Sindsdien zijn provincies voortvarend begonnen met een inhaalslag. Een fors aantal
natuurvergunningen zijn al onherroepelijk. Ik blijf met provincies in gesprek om de
uitvoering van de regelingen zo goed mogelijk te ondersteunen.
De leden van de PVV-fractie constateren ten aanzien van het starten van een nieuwe
economische activiteit op een beëindigde veehouderijlocatie dat recente uitspraken
van de Raad van State opnieuw voor onzekerheid zorgen. Hoewel de handreiking voor
medeoverheden welkom is, blijft de verplichting tot het aanvragen van een nieuwe natuurvergunning
voor veel ondernemers een forse drempel. Dit is wrang, omdat deze ondernemers per
saldo juist bijdragen aan stikstofreductie. Deze leden vragen of de Minister, samen
met provincies, bereid is te zoeken naar een eenvoudiger en voorspelbaarder overgangsregime.
Antwoord
Mijn ervaring is dat ondernemers graag over een natuurvergunning beschikken voor hun
activiteiten. Met een handelingsperspectief voor de LBV-regelingen, dat provincies
concrete handvatten geeft om nieuwe activiteiten tot 15% van de bestaande toegestane
emissie te kunnen toestaan middels een natuurvergunning, is duidelijkheid gekomen
over de mogelijkheden voor vergunningverlening na de uitspraken van de Raad van State
van eind 2024. Op deze manier kan daaraan tegemoet worden gekomen en krijgen ondernemers
ook de rechtszekerheid die zij verdienen. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat de aanvraag
van een nieuwe natuurvergunning ook inzet vergt van ondernemers.
Ik blijf met provincies in gesprek om de uitvoering van de regelingen, ook op dit
punt, zo goed mogelijk te ondersteunen.
De leden van de PVV-fractie hebben ook vragen over de sloopverplichting binnen de
Lbv-regelingen. De mogelijkheid tot ontheffing is positief, maar het volledig vervallen
van de vergoeding voor niet-gesloopte onderdelen kan ondernemers ontmoedigen om te
investeren in een nieuwe economische toekomst. Deze leden begrijpen de beperkingen
van het staatssteunkader, maar vragen de Minister of zij zich in Brussel actief wil
inzetten voor meer flexibiliteit bij toekomstige beëindigingsregelingen.
Deze leden begrijpen de beperkingen van het staatssteunkader, maar vragen de Minister
of zij zich in Brussel actief wil inzetten voor meer flexibiliteit bij toekomstige
beëindigingsregelingen.
Antwoord
Om aanspraak te maken op een vergoeding op grond van de Lbv-regelingen moet voldaan worden aan een aantal vereisten, waaronder de sloop van de
productiecapaciteit. Bij het ontwerp van deze regelingen is gezocht naar maximale
flexibiliteit aangaande het ontplooien van nieuwe economische activiteiten op de locatie.
Deze is vormgegeven in de mogelijkheid om een ontheffing te verkrijgen ten aanzien
van de sloopverplichting voor (een deel van) de productiecapaciteit. Dit betekent
logischerwijs dat het deel van de productiecapaciteit dat niet wordt beëindigd en
de waarde verliest, niet voor een bijdrage in het waardeverlies in aanmerking komt.
De leden van de PVV-fractie vragen ook aandacht voor de eis van vijf jaar bedrijfseconomisch
gangbaar gebruik. Het ontbreken van maatwerk, zelfs wanneer leegstand buiten de schuld
van de ondernemer is ontstaan, wordt als onrechtvaardig ervaren. Juist dit soort harde
en onbuigzame regels voedt het gevoel van willekeur en onbegrip onder boeren. Deze
leden vragen zich af of de Minister kan aangeven hoe zij hiernaar kijkt.
Antwoord
Zoals ik ook in mijn brief van 16 juni 2025 (Kamerstuk 35 334, nr. 400) heb aangegeven, vind ik het belangrijk te zoeken naar oplossingen als ondernemers
knelpunten ervaren binnen de Lbv-regelingen. Dit geldt ook voor de zogenoemde vijfjaarseis.
Ik wil daarbij aantekenen dat ik deze voorwaarde uit het staatssteunkader na overleg
met de Europese Commissie ruimer mag invullen. In de steunkaders wordt gesproken over
vijf jaar «onafgebroken gebruik». Ik heb dit in de Lbv-regelingen kunnen invullen
als vijf jaar «gebruik op bedrijfseconomisch gangbare wijze». Dat biedt echt een verruiming,
omdat ondernemers in bepaalde omstandigheden toch aan de Lbv-regelingen kunnen deelnemen
als er tijdelijk geen dieren in de stal hebben gestaan. Er volgt namelijk geen afwijzing
van de aanvraag als de kortdurende leegstand het gevolg is van omstandigheden die
passen in het normale bedrijfsproces. Het betekent echter nog steeds dat er ondernemers
zijn waarvan de subsidie-aanvraag is afgewezen, omdat niet is te onderbouwen dat de
leegstand economisch gangbaar was. Ik kan hier helaas niet verder gaan dan de regelingen
voorschrijven. Dat is ook in het belang van de ondernemer. Ik wil niet dat hij of
zij na de sluiting van de veehouderijlocatie wordt geconfronteerd met terugvordering
van niet toegestane staatssteun.
De leden van de PVV-fractie benadrukken dat vrijwillige regelingen altijd te verkiezen
zijn boven gedwongen onteigening. Vrijwilligheid kan echter alleen bestaan als regelingen
uitvoerbaar, rechtvaardig en betrouwbaar zijn. De ervaringen met de Lbv en Lbv-plus
laten zien dat het stikstofbeleid fundamenteel eenvoudiger moet met minder juridisering
en meer vertrouwen in de boer. Die les mag de overheid bij toekomstige regelingen
niet opnieuw negeren. Deze leden zouden hier graag een reactie van de Minister op
hebben.
Antwoord
Vrijwilligheid staat voor dit kabinet in het stikstofbeleid voorop. En dat regelingen
rechtvaardig, betrouwbaar en uitvoerbaar moeten zijn onderschrijf ik. Regelingen zoals
de Lbv en Lbv-plus moeten daarnaast ook voldoen aan het Europese steunkader om aangemerkt
te kunnen worden als geoorloofde staatssteun. Ik vind het, net als de leden van de
fractie van de PVV, van belang dat beleid waar mogelijk ruimte moet bieden aan en
vertrouwen moet hebben in boeren. Maar het is ook mijn verantwoordelijkheid om het
risico op ongeoorloofde staatssteun en daarmee op terugvordering tot een minimum te
beperken, in het belang van individuele boeren. Daarvoor is het noodzakelijk dat in
subsidieregelingen zoals de Lbv en Lbv-plus duidelijke voorwaarden voor subsidieverleningen
en vereisten voor subsidieverstrekking worden opgenomen en dat deze voorwaarden en
vereisten consequent worden gecontroleerd en gehandhaafd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie constateren dat het Europese RENURE voorstel positief
is beoordeeld en dat Nederland inzet op snelle nationale implementatie.
De leden van de JA21-fractie constateren dat regelgeving vooral toeziet op gebruik
en kwaliteit van RENURE, maar vergunningverlening rondom RENURE-installaties op boerderijniveau
nog onduidelijkheid wekt. Een installatie kan worden beoordeeld als normale agrarische
bedrijfsvoering of als industrie. Hoe wordt geborgd dat vergunningverlening voor RENURE-installaties
op boerenbedrijven niet vastloopt door interpretatieverschillen bij provincies en
gemeenten?
Antwoord
De technieken voor de productie van Renure-meststoffen zullen over het algemeen worden
gecombineerd met in ieder geval een mestscheiding waarbij drijfmest in een dunne en
dikke fractie wordt gescheiden. Hiervoor zal ten algemene een omgevingsvergunning
milieu, waarvoor algemene regels gelden, en een omgevingsvergunning natuur vereist
zijn. Dit is afhankelijk van de specifieke omstandigheden. De bevoegdheid voor het
verlenen van vergunningen ligt bij provincies en gemeenten. Zij beoordelen op basis
van de specifieke bedrijfssituatie of met een aanvraag aan vergunningsvoorwaarden
wordt voldaan. Om hen hierbij te ondersteunen heb ik in eind 2024 een bestuurlijk
versneller12 aangesteld om het knelpunt rondom vergunningverlening bij mestverwerking aan te pakken.
Het advies13 van deze bestuurlijke versneller heb ik op 24 februari 2025 aangeboden aan de Tweede
Kamer. Een van de adviezen betreft het vergroten van kennis, zoals met een handreiking
vergunningverlening. Hiervoor sluit ik aan bij het Expertisecentrum Groen Gas dat
RVO in opdracht van KGG opricht, waarover ik uw Kamer op 16 september 202514 heb geïnformeerd.
De leden van de JA21-fractie benadrukken dat RENURE een toepasbare oplossing is als
regelgeving, vergunningverlening en financiering voorspelbaar zijn ingericht. Zonder
die samenhang dreigt RENURE geen levensvatbaar concept te zijn. Welke financiële instrumenten
of subsidies acht de Minister noodzakelijk om uitrol van RENURE in Nederland succesvol
te maken?
Antwoord
Allereerst heb ik geen twijfels dat Renure als concept levensvatbaar is. Om de uitrol
van Renure in Nederland te stimuleren is de Subsidieregeling Hoogwaardige Mestverwerking
(HMV) beschikbaar. Deze regeling stimuleert de bouw en aanpassing van grote installaties
die Renure-producten produceren. Daarnaast heb ik in mijn kamerbrief van 13 september
202415 aangegeven in te zetten op een nieuwe subsidieregeling voor de productie van Renure.
Deze regeling is nog in ontwikkeling. Met deze regeling ben ik voornemens de investering
in de verwerkingscapaciteit ok op boerderijniveau, verder te faciliteren, bijvoorbeeld
via uitbreiding van de bestaande subsidieregeling hoogwaardige mestverwerking.
Kan de Minister een actuele stand van zaken geven over de beantwoording van deze vragen
en de planning richting de start van de formele notificatie en publicatie van de regeling?
Antwoord
De vragen die de Europese Commissie in het kader van de prenotificatie heeft gesteld
over de aard en de opzet van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem)
zijn op 23 januari jl. beantwoord. De beantwoording bevat de door de Commissie verzochte
aanvullende, onafhankelijke onderbouwing van de opzet en de werking van de regeling.
Deze onderbouwing is opgesteld door Wageningen Social & Economic Research.
De prenotificatie is ondertussen afgerond en de formele notificatie bij de Europese
Commissie is gestart. Na formele goedkeuring door de Commissie zal ik de Sem zo snel
als mogelijk publiceren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben de onderliggende stukken voor het schriftelijk
overleg over Stikstof en mestbeleid met interesse gelezen. Deze leden hebben hierover
nog een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de BBB-fractie hebben een aantal vragen specifiek bij de aanvraag voor
derogatie en de afwijzing die daarop gekomen is op 22 december 2025 van Eurocommisaris
Roswall (2025D54012). In die laatste brief lezen deze leden namelijk het volgende: «the nitrogen surplus
being four times higher than the EU average, with 50% coming from agriculture.» Deze
leden zijn over die bewoording zeer verbaasd, omdat uit de meest recente bronnenanalyse
is gebleken dat 31 procent van het stikstofsurplus uit de landbouw komt. Waar komt
de volstrekt onjuiste indruk bij de Eurocommissaris vandaan dat de landbouw zo een
groot aandeel zou hebben? Met welke informatie en welke bijlagen is het derogatieverzoek
onderbouwd geweest? Is er contact gezocht met de Eurocommissaris om dit grove misverstand
recht te zetten en zo nee, waarom niet?
Antwoord
De Europese Commissie heeft in haar reactie op het verzoek voor een nieuwe derogatie
een analyse opgenomen van de ontwikkeling van de waterkwaliteit. Hierbij heeft de
Europese Commissie zich voor de analyses van de waterkwaliteit gebaseerd op de Nitraatrapportage
over de periode 2020–2023. De bronverdeling in de Nitraatrapportage is gebaseerd op
de Emissieregistratie, waarin de uit- en afspoeling van landbouwgronden niet wordt
uitgesplitst naar afzonderlijke bronnen. Bij de meest recente bronnenanalyse, die
vorig jaar is uitgevoerd door Wageningen Environmental Research (WEnR), is dat wel
gedaan. Van de afzonderlijke bronnen die bijdragen aan de uit- en afspoeling van landbouwgronden
zijn alleen de effecten van de huidige en historische mestgiften toegerekend aan de
landbouw. Dit verklaart het verschil tussen de beide onderzoeken. Daarnaast is in
beide trajecten erfafspoeling en directe bemesting van het water toegerekend aan de
landbouw. De Europese Commissie is op 14 juli 2025 geïnformeerd over de Landelijke
bronnenanalyse van WEnR.
Daarnaast lezen deze leden dat de Eurocommissaris het onderzoek van Wageningen University
& Research (WUR) dat gedaan is in 2023 (2023D32853) verkeerd lijkt te interpreteren. Eurocommissaris Roswall schrijft in haar brief
dat uit dit onderzoek blijkt dat het afbouwen van de derogatie geen risico zou zijn
voor de waterkwaliteit. Terwijl in dit onderzoek juist letterlijk het volgende staat:
«Het is niet ondenkbaar dat melkveebedrijven die eerst derogatie verkregen hadden
hun areaal maisland zullen uitbreiden ten koste van het areaal grasland. Of dat vanwege
een mogelijke vermindering van de veestapel het areaal op melkveebedrijven zal afnemen.
Als dit het geval is, kan ervoor gekozen worden om de krimp te laten plaatsvinden
ten koste van het graslandareaal. Op melkveebedrijven is er in het kader van eiwitarmer
voeren een behoefte aan een verandering in de verhouding mais gras. Omdat onder maisland
meer nitraat uitspoelt dan onder grasland, zou hierdoor e de gemiddelde nitraatconcentratie
toe kunnen nemen.» Vervolgens wordt in dat rapport alleen voor de zand-regio’s een
berekening gemaakt van de uiteindelijke gevolgen. Die zouden daar klein zijn, maar
juist de overige regio’s zijn van belang in dit verhaal. Waarom is dat niet meegenomen
in de onderbouwing bij de aanvraag van de derogatie? Daarnaast staat in de brief dat
de KDW-doelen verder buiten bereik zouden komen met een derogatie, maar wordt niet
meegenomen dat dankzij een derogatie juist de klimaatdoelen dichterbij komen, dankzij
verhoogde koolstofvastlegging in de bodem. Kan de Minister hierop reflecteren en is
dit specifieke punt ook gecommuniceerd met de Eurocommissaris bij aanvraag van de
derogatie?
Antwoord
In mijn brief aan de Europese Commissie van 11 juli 202516, waarin het kabinet vraagt om een nieuwe, regiospecifieke derogatie, heb ik het positieve
effect van grasland voor de waterkwaliteit aangedragen als een belangrijke motivatie
voor de derogatie. Voor een verdere toelichting op de onderbouwing bij de aanvraag
van de derogatie, verwijs ik u graag naar mijn brief die ik op 11 juli 2025 heb verstuurd
aan de Europese Commissie en met uw Kamer heb gedeeld17.
Daarnaast verwijst de Eurocommissaris naar een rapport van 19 december 2024, waarin
de afbouw van derogatie nog als grootste factor in het verlagen van stikstofdepositie
in stikstofgevoelige natuur wordt gezien (PBL, 19 december 2024, «Toelichting geraamde
ontwikkeling ammoniakemissie uit de landbouw», (https://www.pbl.nl/publicaties/toelichting-op-de-geraamde-ontwikkeling-…)). In dit onderzoek is dus uiteraard niet de inzet van de Ministeriële commissie Economie
en Natuurherstel (MCEN) meegenomen, waardoor een ernstig vertekend beeld ontstaat.
Waarom is de Eurocommissaris niet gewezen op het feit dat dit onderzoek verouderd
is? Is het beleid van dat voorgesteld is door MCEN ook aan de Eurocommissaris voorgelegd
en zo nee, waarom niet?
Antwoord
Op 25 april is het startpakket aan maatregelen van de Ministeriële commissie Economie
en Natuurherstel (MCEN) verstuurd aan de Kamer.18 In de begeleidende Kamerbrief ben ik ook ingegaan op de Europese inzet en de dialoog
die wordt gevoerd met de Europese Commissie hierover. Op 16 september 2025 is vervolgens
ook de kamerbrief Vervolgpakket Nederland van het slot verstuurd.19 Emissieramingen worden tweejaarlijks opgesteld door PBL. Het genoemde rapport is
dan ook het meest recent. Eind dit jaar zullen nieuwe emissieramingen gemaakt worden,
waarbij de maatregelen uit de MCEN meegewogen zullen worden.
Nederland en LVVN zijn in doorlopend contact met de Europese Commissie en beide pakketten
zijn dan ook onder haar aandacht gebracht. De Europese Commissie is dus op de hoogte
van deze plannen en refereert hier ook naar in bijlage bij de brief van Eurocommissaris
Roswall van 22 december jl., daarbij verwijst zij naar onderzoek van het Planbureau
voor de Leefomgeving waaruit zou blijken dat de maatregelen van de MCEN ontoereikend
zijn in het terugbrengen van ammoniakemissies.20
Uit de brief van de Eurocommissaris blijkt verder dat zij de indruk krijgt dat het
percentage overschrijdingen van 50 milliliter per liter in grondwater zou zijn gestegen
van 14 procent naar 18,7 procent. Dat zou uit het «Report under the Nitrates Directive
by The Netherlands for the period 2020–2023» (RIVM, 28 november 2024, «Agricultural
practices and water quality in the Netherland: status (2020–2023) and trends (1992–2023)»,
(https://www.rivm.nl/publicaties/agricultural-practices-and-water-qualit…)) gedestilleerd zijn. De leden van de BBB-fractie kunnen deze berekening niet terugzien
in het rapport zelf. Daarin worden drie soorten grondwater apart benoemd, ondiep grondwater,
midden-diep grondwater en zeer diep grondwater. Alleen in de zand-zuid regio is de
nitraatconcentratie gemiddeld te hoog in ondiep grondwater, in de rest van Nederland
niet. Voor de diepere lagen is het gemiddelde over heel Nederland niet te hoog. Het
verbaast deze leden daarom dat de Eurocommissaris lijkt te rekenen met andere cijfers.
Kan de Minister daarop reflecteren?
Antwoord
In haar presentatie van de Nederlandse waterkwaliteitsgegevens, heeft de Europese
Commissie zich gebaseerd op de waterkwaliteitsgegevens die zijn aangeleverd door Nederland
in het kader van de Nitraatrapportage. In de Nitraatrapportage worden de waterkwaliteitsgegevens
per meetnet weergegeven en wordt ook ingegaan op de toestand van de waterkwaliteit
op de verschillende meetdieptes. De Europese Commissie heeft ervoor gekozen de gegevens
uit de verschillende grondwatermeetnetten (Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid,
Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit en meetnetten drinkwaterbedrijven) te aggregeren.
Waar het gaat om oppervlaktewater refereert de brief aan onder andere de «Report under
the Nitrates Directive by The Netherlands for the period 2020–2023» (RIVM, 28 november
2024, «Agricultural practices and water quality in the Netherland: status (2020–2023)
and trends (1992–2023)», (https://www.rivm.nl/publicaties/agricultural-practices-and-water-qualit…)). In dat rapport lezen deze leden dat het percentage oppervlaktewater dat meer dan
50 milligram per liter stikstof bevat in de afgelopen jaren alleen maar is gedaald.
Toch lijkt de Eurocommissaris daar geen rekening mee te houden. Is daarover met de
Eurocommissaris contact gezocht? Klopt het dat Nederland een groot deel van het oppervlaktewater
«vervuild» noemt bij een lager gehalte dan 50 milligram per liter nitraat? Waarom
is ervoor gekozen om op die manier te rapporteren in Europa, met als gevolg dat een
groter aandeel van het oppervlaktewater «niet voldoet»? De Eurocommissaris is ook
specifiek niet tevreden met het aantal wateren in Nederland dat «eutroof» of «potentieel
eutroof» is. In de laatstgenoemde rapportage staan ook het aantal eutrofe wateren.
Deze leden willen weten of eutrofiëring in alle landen gelijkwaardig wordt beoordeeld.
Het lijkt erop dat voor «te veel stikstof» een andere classificatie wordt gebruikt
dan de 50 milliliter per liter, waardoor meer wateren als «met risico op eutrofiëring»
worden geclassificeerd. Kan de Minister hierop reflecteren? Waarom is daarvoor gekozen
als een andere benadering in Europa ook is toegestaan?
Antwoord
De norm van 50 milligram nitraat per liter uit de Nitraatrichtlijn geldt voor het
grondwater en is bedoeld als norm voor de veilige productie van drinkwater. Bij de
beoordeling van de ecologische toestand van het oppervlaktewater voor de Kaderrichtlijn
Water (KRW) staan de biologische doelen voorop (bescherming van planten en vissen).
Hierbij wordt ook gekeken naar de nutriëntenconcentratie in het oppervlaktewater.
Om conform de KRW een goede ecologische toestand te kunnen bereiken, zijn lagere normen
dan de 50 milligram nitraat per liter noodzakelijk. Om deze reden liggen de doelen
voor de concentratie van totaal stikstof in het oppervlaktewater voor de meeste oppervlaktewaterlichamen
tussen de 2 en 4 milligram nitraat per liter. Deze strengere normen dienen ook om
eutrofiëring van oppervlaktewater (een ander doel uit de Nitraatrichtlijn) te verminderen.
Bij de bepaling of een waterlichaam eutroof is, wordt in Nederland onderscheid gemaakt
tussen eutroof, potentieel eutroof en niet-eutroof op basis van de biologische toestand
en/of de nutriëntentoestand van de oppervlaktewaterlichamen... Voor meer informatie
hierover en over de verschillen in normen tussen lidstaten en hoe de Nederlandse normen
zich verhouden met de omliggende buurlanden, verwijs ik u graag naar de Kamerbrief
die op 13 maart 2025 door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat is verstuurd
aan de Eerste Kamer (Kamerstuk 21 501-08, AL).
Deze leden willen daarnaast weten of bij de beoordeling van wateren ook rekening is
gehouden met de aanwezigheid van de Amerikaanse rivierkreeft, waardoor eutrofiëring
niet aan de landbouw toe te wijzen zou zijn. Zeker gezien het feit dat vrijwel alle
wateren minder dan 50 milligram per liter stikstof bevatten. Is die informatie ook
met de Eurocommissaris gedeeld in dit verband? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Bij de beoordeling van KRW-waterlichamen wordt rekening gehouden met de aanwezigheid
van de Amerikaanse rivierkreeft. Als de goede toestand van een waterlichaam niet wordt
gehaald als gevolg van de aanwezigheid van de rivierkreeft, dan kan onder voorwaarden
gebruik gemaakt worden van een KRW-uitzondering. Hierbij is het wel de voorwaarde
dat al het mogelijke gedaan moet worden om het effect van de rivierkreeften tegen
te gaan. Hier wordt aan gewerkt door bijvoorbeeld sloten natuurvriendelijk in te richten
en te beheren. Als de effecten van de overblijvende rivierkreeften op waterplanten
en waterdieren bekend is op basis van een langjarige reeks monitoringsgegevens, dan
kunnen ook de referentiecondities voor watertypen worden aangepast. Dit is een traject
dat onder regie van de Europese Commissie loopt. Vervolgens kunnen waterbeheerders
de doelen voor specifieke waterlichamen aanpassen.
Kan de Minister van alle genoemde getallen en alle «feiten» op basis waarvan de Eurocommissaris
de derogatie-aanvraag heeft afgewezen de herkomst benoemen en uitleggen of de Eurocommissaris
die getallen en feiten correct leest en beoordeelt?
Antwoord
De Eurocommissaris heeft in de brief van 22 december 2025 de stelling ingenomen dat
op dit moment niet wordt voldaan aan de voorwaarden om een derogatie te verlenen.
In de bijlage bij deze brief is een analyse opgenomen van de waterkwaliteit in Nederland.
De Europese Commissie baseert zich hierbij op diverse rapporten, waaronder de Nitraatrapportage,
waarnaar in de bijlage van de analyse door de Europese Commissie wordt verwezen.
De leden van de BBB-fractie zijn benieuwd of tegen het besluit van de Eurocommissaris
nog bezwaar gemaakt kan worden. Zo nee, waarom niet? Als dat wel kan, hoe gaat de
Minister dat doen?
Antwoord
Met de brief heeft Eurocommissaris Roswall aangegeven dat de Europese Commissie geen
aanleiding ziet om de onderhandelingen met Nederland over een nieuwe derogatie te
starten. Hiertegen kan geen bezwaar worden gemaakt, en er zijn helaas ook geen andere
juridische mogelijkheden om alsnog een derogatie te verkrijgen.
De leden van de BBB-fractie hebben ook vragen over het aanwijzen van het volledige
Nederlandse grondgebied als «kwetsbare zone». Deze leden constateren dat in het Commissie
van Deskundigen Meststoffenwet (CDM)-advies wordt gesteld dat de nitraatconcentraties
in het grondwater van klei- en veengebieden al jaren onder de norm van 50 milligram
per liter liggen. Deelt de Minister de mening dat dat een reden zou kunnen zijn om
niet langer heel Nederland als kwetsbaar gebied aan te wijzen?
Antwoord
Het advies over Kwetsbare zones Nitraatrichtlijn van de Commissie van Deskundigen
Meststoffenwet (CDM) is op 27 januari jl. met uw Kamer gedeeld21. Als gevolg van de motie Grinwis c.s. heeft het kabinet het 8e actieprogramma niet vastgesteld, en daarmee is ook geen inhoudelijk standpunt ingenomen
op dit advies van de CDM. Dit is aan het volgende kabinet.
De leden van de BBB-fractie lezen dat het grootste deel van de nutriëntenbelasting
van de Noordzee afkomstig is uit het buitenland en dat de bijdrage vanuit Nederlandse
klei- en veengebieden extreem beperkt is. Hoe rechtvaardigt de Minister extra nationale
maatregelen in deze gebieden, terwijl het effect op de nutriëntenbelasting van de
Noordzee marginaal is?
Antwoord
Welke maatregelen nodig zijn om de waterkwaliteit te beschermen in lijn met de verplichtingen
uit de Nitraatrichtlijn is een weging die wordt overgelaten aan het volgende kabinet
bij de besluitvorming over het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn.
De leden van de BBB-fractie constateren dat het CDM-advies aangeeft dat eutrofiëring
in klei- en veengebieden voor circa 60 procent een mogelijke ontwikkeling betreft
en geen vastgestelde overschrijding. Acht de Minister het proportioneel om op basis
van risico-inschattingen generieke maatregelen op te leggen?
Antwoord
Welke maatregelen nodig zijn om de waterkwaliteit te beschermen in lijn met de verplichtingen
uit de Nitraatrichtlijn is een weging die wordt overgelaten aan het volgende kabinet.
Het volgende kabinet zal invulling geven aan het nog op te stellen 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn.
De leden van de BBB-fractie missen in het CDM-advies een integrale beschouwing van
bestaand beleid, zoals het huidige mestbeleid, gebruiksnormen en fosfaatrechten. Kan
de Minister toelichten waarom deze bestaande borging niet is meegenomen in de risico-inschatting?
Kan de Minister daarnaast aangeven waarom voorgenomen maatregelen gericht op emissiereductie
naar de lucht, waaronder maatregelen die volgen uit de MCEN, niet zijn meegewogen
bij de beoordeling van risico’s voor waterkwaliteit? Hoe beoordeelt de Minister de
effecten van die maatregelen op het risico op verslechtering van de waterkwaliteit
als er gaan actieprogramma meer zou zijn voor klei- en veengebieden?
Antwoord
Nederland heeft, conform de Nitraatrichtlijn, ervoor gekozen om het 7e actieprogramma op het gehele grondgebied van toepassing te laten zijn. In dat geval
gelden de regels als opgenomen in de actieprogramma’s Nitraatrichtlijn op het gehele
grondgebied. Die zien op het huidige mestbeleid, waaronder gebruiksnormen en fosfaatrechten.
Het voornoemde CDM-advies over Kwetsbare zones Nitraatrichtlijn betreft een analyse
in hoeverre het niet aanwijzen van gebieden als kwetsbare zone onder de Nitraatrichtlijn
mogelijk is. Deze analyse ziet naast de waterkwaliteitstoestand ook op de vraag of
bij het niet meer nemen van maatregelen uit een actieprogramma een verslechtering
van de waterkwaliteit is te verwachten. De CDM concludeert in haar advies dat eerst
kwantitatief onderzoek nodig is om de effecten inzichtelijk te maken van verschillende
maatregelen op de waterkwaliteit evenals het risico van het niet meer treffen van
maatregelen in actieprogramma’s. Het advies van de CDM kan door het volgende kabinet
worden meegewogen in de besluitvorming van het 8e actieprogramma.
De leden van de BBB-fractie zien dat het beleid steeds meer inzet op doelsturing.
Deelt de Minister de opvatting dat doelsturing mogelijkheden biedt om individuele
bedrijven aan te spreken, in plaats van gehele gebieden generiek aan te wijzen als
kwetsbare zone? Hoe ziet de Minister die samenhang en deelt zij de mening dat dit
mee kan wegen in het niet langer aanwijzen van klei- en veengebieden als kwetsbare
zone?
Antwoord
Doelsturing biedt geen alternatief voor de aanwijzing van kwetsbare zones. Doelsturing
betreft een systeemomslag van middelvoorschriften (regels voortkomend uit de actieprogramma’s)
naar doelvoorschriften. Ik hecht belang aan de keuzevrijheid voor agrariërs en met
doelsturing kunnen agrariërs zelf de passende maatregelen kiezen om te voldoen aan
de gestelde doelen. Het systeem van doelsturing is momenteel volop in ontwikkeling.
Zoals ik altijd heb benadrukt, moet doelsturing op waterkwaliteit tenminste een vergelijkbaar
effect op de waterkwaliteit hebben als het generiek beleid en moet dit passen binnen
de Europese kaders. In hoeverre gebieden in Nederland niet worden uitgezonderd in
de aanwijzing als kwetsbare zone onder de Nitraatrichtlijn, waar de regels van de
actieprogramma’s niet zouden gelden, is een weging die door het volgende kabinet wordt
gemaakt bij de besluitvorming over het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn.
De leden van de BBB-fractie constateren dat in het CDM-advies doelen voor de concentratie
van totaal stikstof in oppervlaktewater worden genoemd van 2 tot4 milligram Nitraat
per liter. Op welke wetenschappelijke studies zijn deze normen gebaseerd? Is wetenschappelijk
vastgesteld dat bij overschrijding van deze concentraties in alle typen waterlichamen
daadwerkelijk eutrofiëring optreedt? Kan de Minister aangeven welke normen voor totaal
stikstof in oppervlaktewater worden gehanteerd in andere Europese Unie (EU)-lidstaten
en hoe deze zich verhouden tot de in Nederland gehanteerde waarden?
Antwoord
Met het oog op eutrofiëring zoals benoemd in de Nitraatrichtlijn wordt voor wat betreft
de concrete invulling daarvan gebruikt gemaakt van de leidraad inzake eutrofiëring
ter uitvoering van de Kaderrichtlijn Water. De CDM geeft in haar advies over Kwetsbare
zones Nitraatrichtlijn aan dat de kwaliteitseisen die in dat verband aan nutriënten
worden gesteld voor stikstof tussen de 2–4 mg stikstof per liter liggen per KRW-waterlichaam.
Deze reikwijdte is gebaseerd op de normen per waterlichaam uit de KRW stroomgebiedbeheersplannen.
De normen voor nutriënten in regionale waterlichamen zijn op aangeven van de waterschappen
door provincies vastgesteld. Waterschappen hebben zich gebaseerd op het rapport Referenties
en maatlatten en andere studies die zijn vastgesteld in diverse rapporten van de Stichting
Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA).
Waar het gaat om de normen voor totaal stikstof in oppervlaktewateren in andere lidstaten
van de Europese Unie verwijs ik u naar de brief aan de Eerste Kamer van mijn collega
van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat van 13 maart 2025 over onder andere
de wijze waarop andere lidstaten omgaan met normering van nutriënten onder de Kaderrichtlijn
Water22.
De leden van de BBB-fractie kennen het document «Beste beschikbare technieken emissiearm
aanwenden dierlijke meststoffen en zuiveringsslib» (Informatiepunt Leefomgeving, «Beste
beschikbare technieken emissiearm aanwenden dierlijke meststoffen en zuiveringsslib»,
(https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/milieubelastende-a…)) en willen weten waarom de toepassing van verschillende toevoegmiddelen aan drijfmest
niet in dit document opgenomen zijn. Wanneer is dit document voor het laatst herzien
en wanneer wordt opnieuw onderzocht of er mogelijk nieuwe technieken zijn die als
optie aan dit document toegevoegd kunnen worden?
Antwoord
In het door de leden van de BBB-fractie genoemde BBT-document emissiearm aanwenden
worden de Best Beschikbare Technieken voor het aanwenden van dierlijke mest en zuiveringsslib
voorgeschreven. Het doel daarvan is het voorkomen van emissies naar de lucht.
Het huidige BBT-document is sinds 1 januari 2024 verplicht en schrijft voor dat het
aanwenden van dierlijke mest en zuiveringsslib conform dit BBT-document dient plaats
te vinden. Emissiearm aanwenden van dierlijke mest zelf is al verplicht sinds 1991
toen de verplichting werd opgenomen in het Besluit gebruik dierlijke meststoffen.
Indien daar aanleiding toe is, kan het document worden aangepast. Zo wordt er op dit
moment bijvoorbeeld een wijziging voorbereid zodat emissiearme aanwendingstechnieken
worden voorgeschreven voor spuiwater en ureumhoudende kunstmeststoffen.23 Ik verken momenteel of en op welke wijze de mestregelgeving aanpassing behoeft voor
toevoegmiddelen voor dierlijke mest (additieven).
De leden van de BBB-fractie hebben ook vragen over de term «meemesten van sloten».
Deze leden lezen dat het zogeheten Kantstrooi Advies Systeem (KAS) uit 1989 nog steeds
de basis vormt voor de berekening van het «meemesten van sloten» en daarmee voor de
toerekening van stikstof- en fosforbelasting van oppervlaktewater aan de landbouw.
Zij zien in de praktijk dat het zogenaamde «meemesten van sloten» al jaren niet meer
voorkomt. Boeren worden door deze benadering onnodig verantwoordelijk gehouden voor
iets dat al jaren niet meer bestaat. Deze leden vinden dit zeer problematisch. Zij
vragen of het klopt dat dit systeem sinds de ontwikkeling eind jaren tachtig niet
inhoudelijk is geactualiseerd op basis van nieuwe metingen of herberekeningen van
mesttoedieningstechnieken. Zij constateren bijvoorbeeld dat in het KAS expliciet wordt
gerekend met mesttoedieningsmethoden zoals een Schuitemaker SR 10000 L met spreidplaat
voor drijfmest en volveldse kunstmeststrooiers zonder kantstrooivoorziening en merken
op dat deze technieken destijds representatief waren voor de praktijk, maar inmiddels
verboden zijn of structureel zijn vervangen door andere systemen. Sommige technieken
zijn op dit moment zelfs al jaren verboden.
Antwoord
In de landelijke bronnenanalyse van nutriënten in regionale oppervlaktewaterlichamen
uit 202524 is gebruikt gemaakt van de meest actuele, beschikbare data. Dit zijn onder andere
de data die zijn opgenomen in de Emissieregistratie.25 De instituten die gezamenlijk werken aan de Emissieregistratie (CBS, RIVM, Deltares,
WUR en PBL) stellen in onderling overleg vast op welke wijze de emissies worden geregistreerd
en toegerekend.
De emissiecijfers in de Emissieregistratie worden geactualiseerd en beschreven in
factsheets. Deze factsheets worden geactualiseerd als er methodewijzigingen hebben
plaatsgevonden of dat er verbeterpunten zijn doorgevoerd. Dit is een continue proces.
De factsheet ten aanzien van «meemesten sloten» geeft de overeengekomen registratie.
Inderdaad is het basisrapport niet veranderd in de registratie. Wel zijn door middel
van correctiefactoren de emissiecijfers voor «meemesten sloten» aangepast naar gelang
de ingeschatte effecten van veranderingen in het mestbeleid, waaronder regels ten
aanzien van aanwending van dierlijke mest en bufferstroken. Voornoemde instituten
die gezamenlijk werken aan de Emissieregistratie hebben eerder bepaald dat de emissie
van «meemesten sloten» door de bufferstrookfactor wordt afgebouwd en vanaf 2027 uitkomt
op 0.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat drijfmest tegenwoordig emissiearm wordt
toegediend, veelal via injectie- of sleuftechniek, dat kunstmeststrooiers verplicht
zijn uitgerust met kantstrooivoorzieningen en dat daarnaast bemestingsvrije bufferstroken
langs watergangen wettelijk verplicht zijn. Deze leden vragen of de Minister het ermee
eens is dat deze maatregelen ertoe leiden dat direct meemesten van sloten in de huidige
praktijk sterk is verminderd en feitelijk niet meer voorkomt.
Antwoord.
Ja, dat klopt.
De leden van de BBB-fractie lezen verder dat de effecten van gewijzigd beleid en gewijzigde
toedieningsmethoden niet zijn doorgerekend in een nieuw rekenmodel, maar uitsluitend
zijn verwerkt via correctiefactoren op de uitkomsten van het oorspronkelijke KAS.
Deze leden vragen waarom ervoor is gekozen om geen volledige herberekening uit te
voeren op basis van actuele mesttoedieningstechnieken, maar te blijven werken met
correcties op een verouderde rekenkern.
Antwoord
In de factsheet wordt aangegeven dat een dergelijke actualisatie een verbeterpunt
is. Hieraan is nog geen uitvoering gegeven door Emissieregistratie. Het is aan de
instituten die gezamenlijk werken aan de Emissieregistratie (CBS, RIVM, Deltares,
WUR en PBL) om een prioritering aan te brengen in het uitvoeren van verbeterpunten
op basis van inhoudelijke en financiële argumenten. Zie verder het antwoord op de
vorige vraag.
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast op basis van welke empirische gegevens
of metingen deze correctiefactoren zijn vastgesteld. Deze leden vragen tevens waarom
deze factoren niet specifiek zijn doorgerekend voor verschillen tussen grasland en
bouwland, terwijl juist bij deze vormen van landgebruik de mesttoedieningsmethoden
en risico’s op emissies sterk verschillen.
Antwoord
Dit is een expertoordeel in het kader van Emissieregistratie op basis van de wijzigingen
in het mestbeleid, waaronder de invoering van emissiearm aanwenden van dierlijke mest
en zuiveringsslib en de invoering van bufferstroken.
De leden van de BBB-fractie constateren dat aan de emissiefactor voor het meemesten
van sloten een betrouwbaarheidspercentage van 100 procent is toegekend, wat duidt
op een grote onzekerheid. Deze leden vragen hoe deze hoge onzekerheid zich verhoudt
tot het gebruik van deze cijfers in de bronverdeling van nutriëntenbelasting van oppervlaktewater
en tot de beleidsmatige consequenties die hieraan worden verbonden.
De leden van de BBB-fractie vragen of de Minister het mogelijk acht dat door het gebruik
van een verouderd rekeninstrument, gecombineerd met globale correctiefactoren, het
aandeel van de landbouw in de berekende nutriëntenbelasting van oppervlaktewater structureel
wordt overschat. Deze leden wijzen erop dat de bronverdeling direct van invloed is
op de haalbaarheid en proportionaliteit van waterkwaliteitsdoelen. Zij vragen welke
gevolgen een mogelijke bijstelling van het aandeel «meemesten van sloten» zou hebben
voor de totale toerekening van stikstof en fosfor aan de landbouw en voor de haalbaarheid
van de geldende waterkwaliteitsdoelen.
Antwoord
De Emissieregistratie gaat over de registratie van de emissies. Aan elk oordeel in
de emissies wordt een inschatting gemaakt van de betrouwbaarheid wat betekent dat
de emissies hoger of lager zouden kunnen uitvallen. Deze onzekerheid wordt in rapporten
en adviezen ook gerapporteerd en meegenomen. Beleidsmatig wordt ten algemene de onzekerheid
zoals aangegeven in bandbreedtes in rapporten en adviezen meegewogen.
Daarbij opgemerkt dat in de uitgevoerde landelijke bronnenanalyse de bron «meemesten
sloten» ongeveer 1% is van alle stikstofbronnen en 0% van alle fosforbronnen.
De leden van de BBB-fractie lezen tot slot in de factsheet zelf dat een update van
emissies op basis van huidige toedieningsmethoden noodzakelijk wordt geacht. Deze
leden vragen of de Minister bereid is het rekeninstrumentarium voor het meemesten
van sloten te laten actualiseren op basis van actuele mesttoedieningstechnieken en
praktijkmetingen, zodat de toerekening van nutriënten aan sectoren beter aansluit
bij de huidige landbouwpraktijk.
Antwoord
Als aangegeven in het antwoord op een voorgaande vraag van de leden van de BBB-fractie
is de in het kader van de Emissieregistratie ingeschatte emissie van «meemesten sloten»
vanaf 2027 geregistreerd als 0. Ten algemene is het aan de instituten die gezamenlijk
werken aan de Emissieregistratie (CBS, RIVM, Deltares, WUR en PBL) om een prioritering
aan te brengen in het uitvoeren van verbeterpunten op basis van inhoudelijke en financiële
argumenten.
De leden van de BBB-fractie hebben ook een vraag over de meest recente bronnenanalyse
van nutriënten in water. Omdat belasting vanuit het buitenland niet meegerekend wordt,
lijkt te belasting door landbouw groter dan die daadwerkelijk is. Waarom wordt daarvoor
gekozen?
Deze leden zouden graag van de Minister een overzicht per gebied ontvangen van de
landbouwbijdrage aan stikstof als rekening gehouden wordt met de belasting uit het
buitenland én met de correctie voor het feit dat «meemesten van sloten» niet meer
bestaat.
Antwoord
Iedere lidstaat is verantwoordelijk voor zijn eigen bijdrage. Nederland dient de belasting
die er vanuit eigen land is op de waterkwaliteit aan te pakken. Om de belasting uit
het buitenland te adresseren kan de betreffende lidstaat waaruit deze belasting afkomstig
is worden aangesproken. Daarnaast kan bij het toepassen van uitzonderingen voor het
niet tijdig halen van waterkwaliteitsdoelen de bijdrage vanuit buitenlandse bronnen
in de motivatie worden meegenomen door waterbeheerders. Over de inzet richting buurlanden
en de toepassing van uitzonderingen is de Kamer afgelopen zomer geïnformeerd.26
De leden van de BBB-fractie zijn verbaasd over de strikte hantering van het «achteruitgangsverbod»
als het gaat over het 8e AP. Ook daarover hebben deze leden een aantal vragen. Waarom wordt bijvoorbeeld het
achteruitgangsverbod als het gaat om de landbouwbijdrage veel strikter genomen dan
als het gaat om de bijdrage vanuit rioolwater? Als voorbeeld willen deze leden het
aansluiten van nieuwe woningen op de riolering noemen. Omdat rioolwaterzuiveringen
een groot aandeel van de stikstofbelasting veroorzaken én in veel gevallen nog overstorten
bestaan, is iedere nieuwe aansluiting op de riolering een reëel risico op achteruitgang
van de toestand van het water. Er worden echter nog steeds nieuwe woningen (en zelfs
wijken) aangesloten op bestaande rioolnetwerken die zorgen voor overbelasting van
bestaande rioolwaterzuiveringen. In dat geval wordt kennelijk een afweging van belangen
gemaakt. Waarom bestaat die mogelijkheid niet als het gaat om de landbouw en dan met
name de bemestingsnormen van vollegrondsgroenten? Met name de teelt van verschillende
vollegrondsgroenten kan onmogelijk worden zonder versoepeling van de normen, hoe wordt
daarmee omgegaan? Waarom wordt daar geen belangenafweging gemaakt? Deze leden vragen
de Minister om niet alleen in te gaan op de mogelijkheid tot een belangenafweging
bedrijfseconomische effecten, maar ook de mogelijke effecten op de voedselvoorziening
en dus de belangenafweging van de voedselvoorziening van de Nederlandse samenleving.
Voedsel is ten slotte niet alleen een economisch product, maar ook zonder twijfel
noodzakelijk voor de samenleving. De belangen van (mogelijk) iets minder stikstof
in het water moet dus altijd ook afgewogen worden tegen de belangen van voedsel voor
de samenleving. Daarnaast zijn er verschillende regels uit het 7e AP waarvan algemeen bekend is dat ze niet (of hooguit zeer marginaal) bijdragen aan
de waterkwaliteit. Het advies van de landsadvocaat laat zien dat het mogelijk is om
die maatregelen te laten vervallen (of vervangen door effectieve maatregelen). Hoe
gaat dit advies worden meegenomen in de vaststelling van het volgende AP? Als niet-effectieve
maatregelen blijven bestaan, hoe groot is dan het risico dat belangengroepen of individuele
ondernemers deze maatregelen zullen aanvechten? Kan de Minister reflecteren op de
risico's van het niet laten vervallen van maatregelen die niet of slechts zeer marginaal
effectief zijn voor de waterkwaliteit?
Antwoord
Het achteruitgangsverbod is onderdeel van de verplichtingen die voortvloeien uit de
Kaderrichtlijn Water, die in een afzonderlijk waterlichaam per stof of kwaliteitselement
wordt bekeken. Het gaat hierbij niet alleen om nutriënten, maar ook om andere stoffen
die op grond van de Kaderrichtlijn Water worden genormeerd. De afweging welke maatregelen
in het 8e actieprogramma nodig zijn ter bescherming van de waterkwaliteit en de relatie met
de bedrijfeconomische en sociaal-economische effecten van die maatregelen wordt overgelaten
aan het volgende kabinet.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie constateren dat vorig jaar via 81 duizend ton rundveemest
386 duizend kilogram fosfaat en 616 duizend kilogram stikstof is geëxporteerd. Tegelijkertijd
is met de import van 132 duizend ton rundveemest 251 duizend kilogram fosfaat en 580 duizend
kilogram stikstof geïmporteerd. Deze leden vinden het opvallend dat nog zoveel rundveemest
wordt geïmporteerd en de fosfaat- en stikstofgehaltes daarbij substantieel lager liggen.
Kan de Minister dit nader duiden?
Antwoord
De import en export van dierlijke mest wordt gepubliceerd door RVO. De cijfers over
2025 staan op de website van RVO.27 Voor de import en export van mest gelden naast de mestregelgeving ook de regels van
de Verordening Dierlijke Bijproducten (1069/2009). Rundveedrijfmest kan onverwerkt
met een gezondheidscertificaat en verwerkt, over het algemeen door middel van scheiding
en hygiënisatie waarbij de dikke fractie de grens over gaat, worden geëxporteerd.
Onverwerkte rundveedrijfmest heeft ongeveer een verhouding van ongeveer 1 tot 3 (fosfaat
/ stikstof). Voor vaste rundveedrijfmest is dat 1 tot 2 (fosfaat / stikstof).28 De import van rundveedrijfmest Nederland betreft veelal import van onverwerkte rundveedrijfmest,
met lagere gehaltes dan vaste rundveemest, rechtstreeks naar landbouwpercelen in de
provincie Zeeland. De export van rundveedrijfmest vanuit Nederland betreft voor een
groot deel vaste rundveemest en dikke fractie na mestscheiding met hogere fosfaat-
en stikstofgehalten dan onverwerkte rundveedrijfmest.
De leden van de SGP-fractie hebben een vraag in verband met de aangenomen motie-Flach/Grinwis
(Kamerstuk 28 973, nr. 278) waarin wordt gevraagd om in te zetten op het beperken van de aanwijzing van heel
Nederland als een kwetsbaar gebied door graslandregio’s als het rivierengebied, waar
weinig problemen zijn met de waterkwaliteit, niet aan te wijzen dan wel een apart
AP hiervoor op te stellen. Wil de Minister het toegezegde advies van de CDM per ommegaande
naar de Kamer sturen (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2025–2026, nr. 766)? Is de veronderstelling juist dat als Nederland ervoor kiest dit jaar bijvoorbeeld
het rivierengebied niet aan te wijzen als kwetsbaar gebied er dan in ieder geval dit
jaar voor dit gebied meer ruimte kan worden gecreëerd voor het uitrijden van dierlijke
mest, omdat voor het al dan niet aanwijzen van heel Nederland als kwetsbaar gebied
geen toestemming vooraf nodig is?
Antwoord
Op 27 januari jl. zijn de documenten die zijn gebruikt in de voorbereiding van en
de besluitvorming over het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn naar de Tweede Kamer gestuurd29. Onderdeel van deze documenten is het CDM-advies over Kwetsbare zones Nitraatrichtlijn.
In het geval Nederland er voor zou kiezen over te gaan op een systeem van aanwijzing
van kwetsbare zones als bedoeld in de Nitraatricthlijn (in plaats van toepassing op
het hele grondgebied) en er daarbij voor zou kiezen gebieden uit te zonderen van een
aanwijzing als kwetsbare zones, is voorafgaande goedkeuring van de Europese Commissie
geen vereiste. Wel zal de Europese Commissie hiervan in kennis moeten worden gesteld
en zal zij dit beoordelen in het licht van de verplichtingen van de Nitraatrichtlijn.
Zoals in het antwoord op voorgaande vragen is aangegeven kunnen de conclusies van
het CDM-advies inzake kwetsbare zones door het volgende kabinet worden meegenomen
bij de besluitvorming over het 8e actieprogramma.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering de aanwijzing van NV-gebieden
niet wil aanpassen op basis van geactualiseerde data en daarbij verwijst naar de oproep
van de Kamer om de geïmplementeerde maatregelen uit het 7e AP ongewijzigd voort te zetten. Deze leden willen erop wijzen dat de Kamer ook heeft
gevraagd om actualisering van de aanwijzing van NV-gebieden (Kamerstuk 28 973, nr. 278) en dat het bij de actualisering van de lijst met NV-gebieden niet gaat om de overstap
naar aandachtsgebieden of een wijziging van maatregelen in het 7e AP, maar om een aanpassing van de lijst van gebieden (waar specifieke geïmplementeerde
maatregelen van toepassing zijn) volgens de huidige criteria in het huidige AP. Deelt
de Minister de mening dat de gevraagde actualisatie van NV-gebieden in lijn is met
de wensen van de Kamer? Is zij alsnog bereid deze actualisatie door te voeren?
Antwoord
De aanwijzing van de aandachtsgebieden stikstof en fosfaat die ook een actualisering
van de met nutriënten verontreinigde gebieden (NV-gebieden) inhield, was onderdeel
van het 8e actieprogramma. Het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn is door het kabinet niet vastgesteld. Op 19 december
2025 heeft het kabinet uw Kamer geïnformeerd over dit besluit. De besluitvorming over
het 8e actieprogramma wordt overgelaten aan het volgende kabinet. Daaronder valt ook een
mogelijke actualisatie van de NV-gebieden.
De leden van de SGP-fractie horen graag of de Minister bereid is boomkwekerijgewassen
toe te voegen aan de lijst met rustgewassen onder het 7e AP.
Antwoord
Over het verzoek van de boomkwekerijsector om meerjarige boomkwekerij gewassen gedurende
het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn als rustgewas op te nemen, heeft het kabinet nog
geen besluit genomen. De besluitvorming hierover is aan het volgende kabinet.
De leden van de SGP-fractie horen graag of de Subsidieregeling Behoud Grasland de
komende jaren wordt voortgezet, gelet op de blijvende druk op omzetting van grasland
in meer uitspoelinggevoelig bouwland.
Antwoord
De subsidieregeling behoud grasland liep van 2023 tot en met 2025 en was bedoeld om
gedurende het afbouwpad van de derogatie, deelname aan derogatie te stimuleren en
het grasland op deze bedrijven te behouden. Daarnaast werden de ondernemers ondersteund
om extra kosten als gevolg van de afbouw van de derogatie op te vangen. Het is aan
het nieuwe kabinet om te besluiten over eventuele voortzetting na deze tijd.
De leden van de SGP-fractie ontvangen graag inzicht in de hoeveelheden fosfaatrechten
die in de opeenvolgende jaren 2022, 2023, 2024 respectievelijk 2025 in de rundveehouderij
zijn verhandeld.
Antwoord
In onderstaande tabel vindt u een overzicht van het aantal fosfaatrechten dat in de
betreffende jaren is verhandeld.
Tabel: Overzicht van geëffectueerde hoeveelheid overgedragen fosfaatrechten (bron: RVO)
2022
6.783.531
2023
4.431.312
2024
6.224.090
2025
6.730.974
De leden van de SGP-fractie constateren dat de excretieforfaits voor melkvee de daadwerkelijke
excretie overschatten. De regering wil de wettelijke excretieforfaits nog niet actualiseren
in verband met de verwachte extra dieren die dan aangehouden zullen worden. Dat betekent
evenwel ook dat melkveehouders nu meer mest moeten afvoeren dan nodig is, terwijl
de mestmarkt al gespannen is door de afschaffing van de derogatie. Deze leden horen
graag welke mogelijkheden de Minister ziet om ervoor te zorgen dat melkveehouders
niet meer mest hoeven af te voeren dan nodig is.
Antwoord
Melkveehouders hebben de mogelijkheid om in het kader van de vrije bewijsleer onder
voorwaarden gebruik te maken van de Handreiking bedrijfsspecifieke excretie melkvee
(Handreiking BEX). Hiermee kunnen zij aantonen dat de hoeveelheid stikstof en fosfaat
die op hun bedrijf wordt geproduceerd afwijkt van de met de wettelijke (forfaitaire)
excretieforfaits berekende hoeveelheid stikstof en fosfaat. Daardoor hoeven deze melkveehouders
niet meer mest af te voeren dan nodig.
De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat enkele steden, zoals Arnhem, ’s Hertogenbosch
en Veenendeel, pal naast stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden liggen en derhalve
grote problemen ondervinden bij onder meer woningbouw en de energietransitie. Deze
leden horen graag of de Minister wil investeren in gerichte maatregelen voor stedelijke
emissiereductie om maatschappelijk noodzakelijke ontwikkelingen in deze steden mogelijk
te houden.
Antwoord
Het Rijk investeert middels het programma Schoon en emissieloos bouwen (SEB) ruim
een miljard om de transitie naar een schone en emissieloze bouwsector te versnellen.
Veel gemeenten naast stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden doen mee aan SEB en kunnen
on ondersteund worden wanneer zij emissieloos materieel uitvragen bij het aanbesteden
van het bouwrijp maken van grond en bij het aanleggen van infrastructuur. Vanuit SEB
wordt momenteel met de convenantpartijen een uitvoeringsagenda 2026–2027 voorbereid
om de transitie verder op koers te houden. Het volgende kabinet zal de Tweede Kamer
in Q2 hierover informeren.
De leden van de SGP-fractie horen graag wanneer de Minister de SEM gaat openstellen.
Is dit op de kortst mogelijke termijn?
Antwoord
Zoals ik in mijn antwoord op de vraag van de leden van de JA21-fractie heb aangegeven,
zijn de vragen die de Europese Commissie in het kader van de prenotificatie heeft
gesteld over de aard en de opzet van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij
(Sem) op 23 januari jl. beantwoord. De prenotificatie is ondertussen afgerond en de
formele notificatie bij de Europese Commissie is gestart. Voor het proces van notificatie
dient rekening te worden gehouden met een duur van twee maanden, waarbij het van belang
is om aan te geven dat afhankelijk van eventuele vragen of verzoeken van de Commissie
dit proces langer kan duren. Na formele goedkeuring door de Commissie zal ik de Sem
zo snel als mogelijk publiceren.
De leden van de SGP-fractie constateren dat wordt gesuggereerd dat door emissiereductie
natuurherstel wordt gerealiseerd en dat vergunningverlening pas op gang kan komen
als sprake is van natuurherstel. Deze leden willen erop wijzen dat wetenschappelijk
onderzoek laat zien dat vanwege opgehoopte neerslag over langere tijd emissiereductie
in verschillende Natura 2000-gebieden op korte termijn op zichzelf geen zichtbaar
natuurherstel zal opleveren. Dat zou betekenen dat het opgang brengen van de vergunningverlening
nog heel lang op zich laat wachten. Deze leden horen graag hoe de Minister dit weegt.
Antwoord
Met de SGP-fractie deel ik dat vergunningverlening zo snel mogelijk op gang moet komen.
Daarom heeft het Kabinet stevige inzet getoond door de Ministeriële Commissie Economie
en Natuurherstel in te stellen, die een startpakket en een vervolgpakket gemaakt gericht
om van het stikstofslot te komen. Tegelijkertijd vergt het op gang brengen van vergunningverlening
een aantal stappen, zodat de natuurvergunningen ook stand houden voor de rechter.
Om salderen mogelijk te maken (bestaande toegestane stikstofruimte inzetten voor een
nieuw of gewijzigd project) is het niet nodig dat maatregelen al hebben geleid tot
natuurherstel, er moet wel zijn aangetoond dat er voldoende andere maatregelen worden
genomen om verslechtering van natuur tegen te gaan en instandhoudingsdoelstellingen
te realiseren (additionaliteit). Als behoud van een gebied is geborgd, is het voldoende
dat aannemelijk kan worden gemaakt dat sprake is van een blijvende daling. Als behoud
niet geborgd is en er nog geen zicht is op het behalen van instandhoudingsdoelstellingen,
moet worden gemotiveerd welke andere maatregelen zijn of zullen worden getroffen om
dit wel te realiseren, binnen welk tijdpad deze maatregelen worden uitgevoerd, en
wanneer verwacht wordt dat deze effectief zijn.
Het is juist dat alleen stikstofreductie niet per definitie leidt tot het kunnen hervatten
van vergunningverlening. Mede om die reden heeft dit kabinet extra ingezet op het
meten van de exacte staat van de natuur, zodat meer gerichte maatregelen kunnen worden
genomen.
De leden van de SGP-fractie horen graag welke afweging het kabinet inmiddels heeft
gemaakt ten aanzien van de gevraagde juridische duidelijkheid over het opnemen van
intern salderen in de voortoets als activiteiten onlosmakelijk aan elkaar verbonden
zijn (Kamerstuk 35 334, nr. 392).
Antwoord
De motie Flach (SGP) c.s. verzoekt de regering te bezien hoe door aanpassing van de
Omgevingsregeling juridische duidelijkheid gegeven kan worden over de ruimte voor
intern salderen in de voortoets als sprake is van activiteiten die onlosmakelijk met
elkaar verbonden zijn, en dit mee te nemen bij de uitwerking van het startpakket Nederland
van het slot. Naar deze mogelijkheid is gekeken. Vastgesteld is dat op dit moment
in de wetgeving geen regels zijn gesteld over de voortoets. Er zijn alleen regels
gesteld over de reikwijdte van de vergunningplicht voor Natura 2000-activiteiten,
in artikel 5.1 van de Omgevingswet en paragraaf 11.1.2 van het Besluit activiteiten
leefomgeving, een algemene maatregel van bestuur op grond van de Omgevingswet. Daarnaast
zijn regels gesteld over de beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunning voor
een Natura 2000-activiteit, in paragraaf 8.6.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving,
eveneens een algemene maatregel van bestuur op grond van de Omgevingswet. In de Omgevingsregeling,
een ministeriële regeling, kunnen technische regels worden gesteld over de aanvraag
voor een omgevingsvergunning en daarbij over te leggen gegevens. Er is echter geen
grondslag om in die regeling een nieuwe toets te introduceren die vooraf gaat aan
het al dan niet aanvragen van een vergunning en om over de invulling daarvan – bijvoorbeeld
in relatie tot activiteiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn – nadere regels
te stellen. Dat zou een wetswijziging vergen. Besluitvorming daarover is aan het nieuwe
kabinet.
De leden van de SGP-fractie horen graag of de Minister de opgekochte stikstofruimte
in het kader van de opkoopregelingen tijdelijk wil inzetten richting provincies om
handhaving bij Programma Aanpak Stikstof (PAS)-melders af te kunnen houden.
Antwoord
Stikstofreductie uit natuurmaatregelen (zoals de Lbv-plus) kan door bevoegd gezagen
worden gebruikt in de onderbouwing dat handhaving van de PAS-melder onevenredig is.
Er wordt door het Rijk een tool ontwikkeld waarmee deze reductie inzichtelijk wordt.
Ruimte vanuit regelingen die bedoeld is voor mitigatie (zoals Srv en MGA-1) wordt
ingezet voor legaliseren van PAS-meldingen.
De leden van de SGP-fractie hebben enkele vragen over de Subsidieregeling Brongerichte
Verduurzaming (Sbv). De deelname van melkveehouders aan deze regeling is minimaal
vanwege de zware eisen. Deze leden hebben de indruk dat zo kansen worden gemist. Welke
ruimte ziet de Minister voor het tijdelijk ondersteunen van innovatieve technieken
en managementmaatregelen, waarbij de uitstootreductie via monitoring gevolgd moet
worden? Welke mogelijkheden ziet de Minister om de huidige eis van minimaal 85 procent
emissiereductie te versoepelen, zodat meer technieken en managementmaatregelen, al
dan niet gestapeld, in aanmerking komen?
Antwoord
In de afgelopen jaren heb ik ingezet op het ondersteunen van enerzijds onderzoek en
ontwikkeling (innovatiemodule) en anderzijds toepassing (investeringsmodule) van technische
en managementmaatregelen via de Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en
managementmaatregelen (Sbv). Ik heb uw Kamer op 8 september 2025 geïnformeerd over
de stand van zaken en de uitgevoerde beleidsevaluatie30. Het doel van de meest recente openstelling van de Sbv-investeringsmodule was het
significant reduceren van stikstofemissies voor de doelgroep die onder de aanpak piekbelasting
viel. Hierbij was de Sbv onderdeel van het «Trappetje van Remkes» (innoveren, extensiveren,
verplaatsen en stoppen). Besluitvorming over nieuwe openstellingen of nieuwe regelingen
die zien op het tijdelijk ondersteunen van innovatieve technieken en managementmaatregelen
is aan het nieuwe kabinet. Daarbij kan ook gekeken worden naar de specifieke eisen
en voorwaarden binnen die openstelling of regeling en de middelen die subsidiabel
worden gesteld. Bij die weging kunnen ervaringen van eerdere regelingen en ook signalen
vanuit de Kamer worden meegewogen.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering in het kader van het «Vervolgpakket
Nederland van het slot» 50 miljoen euro heeft gereserveerd voor een gebiedsgerichte
aanpak voor het Rotterdamse havengebied. Ook andere havengebieden, zoals North Sea
Port, kampen met de stikstofproblematiek. Worden deze havengebieden ook meegenomen
in de genoemde gebiedsgerichte aanpak? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
De stikstofproblematiek speelt in heel Nederland. Bij het vervolgpakket is er een
indicatieve keuze gemaakt om met de beschikbare middelen op een aantal plekken een
gebiedsgerichte aanpak te verkennen. Het is aan een volgend kabinet om te besluiten
hoe zij verder wil met de gebiedsgerichte aanpak en welke middelen ze hiervoor beschikbaar
wil stellen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk
overleg Stikstof en mestbeleid en hebben hier nog een aantal vragen over.
De leden van de PvdD-fractie constateren dat de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur (LVVN) er sinds haar aantreden alles aan heeft gedaan om maatregelen tegen
te houden en verslechteringen door te voeren. In de praktijk heeft dit er niet alleen
toe geleid dat er kostbare tijd is verspild, maar ook dat de problemen, die al zeer
ernstig waren, nog meer zijn vergroot. Hierdoor moeten er op zeer korte termijn maatregelen
komen om alle problemen die worden veroorzaakt door de veehouderij, zoals de stikstof-
en watercrisis, achteruitgang van de natuur en gezondheidsproblemen voor Nederlands,
op te lossen. Boeren zijn in nog meer onzekerheid gestort en door het afbraakbeleid
van het afgelopen kabinet komt er nog meer op hen af. In stukken van het Ministerie
van I&W lezen deze leden dat ambtenaren van I&W zich stevig uitspreken tegen het functioneren
van het Ministerie van LVVN. Zo spreken zij van een «nietus-wellus spel», «onjuiste
vergelijking», «eufemisme voor verslechtering» en «appels met peren vergelijken» (2026D03468). Wat vindt de Minister van deze stevige kritiek op het functioneren van haar ministerie?
Antwoord
Het concept 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn, dat op 14 juli 202531 met uw Kamer is gedeeld als ook in de documenten waar de leden van de PvdD naar verwijzen,
bevatte een gebalanceerd pakket aanpassingen om de huidige waterkwaliteit te behouden
en aanscherpingen door te voeren op plekken met een waterkwaliteitsopgave. Als gevolg
van de motie Grinwis heeft het kabinet geen definitief 8e Actieprogramma vastgesteld. Verder wil ik in algemene zin benadrukken dat ik volledig
achter waarderingen en inschattingen van mijn ambtenaren sta.
De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat het landbouwbeleid al jaren wordt gekenmerkt
door een gefragmenteerde aanpak waarin wordt gestuurd op deelproblemen. Op het ene
moment focust de politiek zich op stikstof en wordt daarop gestuurd, op het andere
moment op fosfaatreductie of vermindering van de ammoniakuitstoot, verbetering van
de waterkwaliteit en verbetering van dierenwelzijn. Deze leden zijn van mening dat
het nodig is dat er duidelijkheid komt over de toekomst van de landbouw, zodat boeren
een richting hebben waar ze op een integrale manier naartoe kunnen. Deze leden hebben
hier een aantal vragen over: welke maatregelen van de Minister dragen integraal bij
aan de stikstofaanpak en dierwaardigheid? Heeft de Minister een totaaloverzicht in kaart laten brengen
van maatregelen die én de stikstofaanpak en de transitie naar een dierwaardige veehouderij
in uiterlijk 2040 moeten realiseren? Hoe heeft zij uitvoering gegeven aan de motie
die de regering verzoekt om stikstofmaatregelen die dierenwelzijn raken wetenschappelijk
te laten toetsen op dierwaardigheid en in kaart te brengen welke maatregelen getroffen
kunnen worden die integraal bijdragen aan de stikstofaanpak en dierwaardigheid (Kamerstuk
35 334, nr. 391)? Deelt de Minister de visie dat de focus op emissiereductie in stikstof- en mestbeleid
niet moet leiden tot maatregelen die het dierenwelzijn verslechteren, zoals dichte
stallen met luchtwassers, aanpassingen in voer (zoals eiwitbeperking en Bovaer) die
risico’s voor de diergezondheid met zich meebrengen en beperking van weidegang (vanwege
hoge mestafzetkosten), maar dat er in plaats daarvan moet worden gekeken naar integrale
oplossingen voor alle uitdagingen in de landbouw? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PvdD-fractie lezen in de appreciatie van het maatregelpakket stikstof
door het PBL dat een deel van de ammoniakreductie in de veehouderij moet worden bereikt
door een toename van het aandeel en de effectiviteit van emissiearme stallen, met
name bij varkens en kippen. Deze leden merken ook op dat het kabinet voornemens is
om meer subsidie uit te trekken voor technologische innovaties die stikstof reduceren
en daarentegen veel minder budget beschikbaar stelt voor de opschaling van een dierwaardige
veehouderij. Hoe voorkomt de Minister dat een toename in emissiearme stalsystemen
voor met name varkens en pluimvee de transitie naar een dierwaardige veehouderij vertraagt
of zelfs tegenwerkt? Hoe kan de Minister borgen dat eiwitnormen in veevoer niet onder
veterinair vastgestelde gezondheidsgrenzen uitkomen? Volgens de Volkskrant voeren
melkveehouders minder eiwit in verhouding tot de hoeveelheid energie om de stikstofuitstoot
van hun dieren te verlagen (Volkskrant, 17 oktober 2025, (https://www.volkskrant.nl/wetenschap/koeien-varkens-en-kippen-gaan-gebu…)). Kan de Minister een inschatting geven van de schaal van deze trend (aantal dieren
of aantal bedrijven)? Volgens de Volkskrant zien pathologen ook steeds vaker gevallen
van leververvetting en baarmoederontsteking rond het afkalven. Kan de Minister dit
bevestigen en verklaren?
Antwoord
Zoals ook aangegeven op de vragen van de D66-fracie deel ik de oproep voor een integrale
blik op het ontwikkelen van beleid en het inzetten van maatregelen. Immers, het komt
allemaal samen op het boerenerf. Er zijn veel maatregelen waarin dierenwelzijn en
het verminderen van de stikstofuitstoot hand in hand gaan, zoals bij weidegang of
stalinnovaties die bijdragen aan zowel het verminderen van emissies als een hoger
dierenwelzijn. Daarom wordt bijvoorbeeld bij regelingen t.b.v. innovatie ook de eis
gesteld dat deze moet bijdragen aan dierenwelzijn en wordt de gezondheid van koeien
goed in de gaten gehouden bij ontwikkelingen in veevoer. Specifiek bij aanpassingen
in het ruw-eiwitgehalte van het rantsoen wordt dit geborgd door wetenschappelijk onderzoek
onder gecontroleerde omstandigheden op de Dairy Campus. In dit onderzoek wordt door
onafhankelijke kennisinstellingen onderzocht wat de effecten zijn van verschillende,
relatief lage eiwitniveaus op diergezondheid en dierenwelzijn, zodat tijdig kan worden
bijgestuurd indien risico’s optreden. Ik deel daarom niet de visie dat de inzet op
innovatie en aanpassingen in het voer het dierenwelzijn verslechteren.
Sterker nog, uit voorzorg is de afgelopen jaren veel aandacht besteed aan de relatie
ruw eiwit en diergezondheid, bovenop de gebruikelijke diergezondheidsmonitoring die
op elk bedrijf gebeurt onder toezicht van de dierenarts. Een belangrijk onderdeel
hiervan is de pilot Koe en Eiwit, waarin praktijkervaringen en onderzoeksresultaten
worden verzameld en geanalyseerd. Maar ook andere signalen zijn hier belangrijk.
Het artikel in de Volkskrant gaat in op zo’n signaal namelijk de inwendige vervetting
bij melkkoeien die is geconstateerd in de sectiezaal van Royal GD. Het is belangrijk
om dit in de goede context te plaatsen. De dieren die in de sectiezaal terechtkomen,
worden ingestuurd vanwege gezondheidsproblemen en vormen daarom geen representatieve
afspiegeling van de totale melkveepopulatie. Deze bevindingen kunnen daarom niet zonder
meer worden geëxtrapoleerd naar de hele sector. Bovendien zijn er meerdere factoren
die een rol kunnen spelen bij het ontstaan van inwendige vervetting. GD heeft inwendige
vervetting verder onderzocht door middel van verschillende pilotstudies. Dit heeft
veel waardevolle informatie opgeleverd, maar vooralsnog kan men geen conclusie trekken
over de oorzaak van de inwendige vervetting. Er wordt nagedacht over vervolgonderzoek
om de verschillende hypotheses te toetsen en als Minister volg ik dit op de voet.
En binnen de pilot Koe en Eiwit heeft een deelonderzoek uitgewezen dat het verlagen
van het ruw eiwitgehalte in het rantsoen geen negatieve effecten had op de diergezondheid32, 33, 34, 35. En ook de eerste resultaten en signalen uit het onderzoek op de Dairy Campus geven
vooralsnog geen aanleiding tot zorgen over de diergezondheid bij de eiwitgehalten
die daar worden onderzocht. Gezien de aard van de sectorafspraak (vrijwillige basis)
en de vele onderzoeken die lopen, acht ik de diergezondheid in relatie tot deze afspraak
hiermee geborgd.
En uiteraard is het van belang om waakzaam te blijven dat beleidsinitiatieven die
ingrijpen op de levensomstandigheden van dieren geen nadelig effect op de diergezondheid
en dierenwelzijn.
Heeft u kennisgenomen dat het beleid van de provincie Gelderland om met zones van
500 meter (rond de Veluwe/landgoederen Brummen) te werken slechts 55 procent emissiereductie
in 2035 beoogt, waarvan slechts 11 procent extra boven op het autonome pad. Kunt u
bevestigen dat de Veluwe het grootste Natura 2000-gebied van Nederland is, waar bovendien
het gros van de Urgente Lijst die centraal staat in de Greenpeace-rechtszaak (Rechtbank Den Haag, 22-01-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:578), zich bevindt? Kunt u bevestigen dat het vonnis toeziet op 2030, en het
beleid van provincie Gelderland onvoldoende is om dit te halen? Hoe kan worden voorkomen
dat deze aanpak onterechte verwachtingen schept over zowel het tempo als opgave die
vervolgens tot weerstand leidt omdat er, overduidelijk, meer nodig is? Erkent de Minister
dat het gebrek aan nationale sturing ertoe leidt dat provincies hun eigen, ontoereikende
invulling aan de opgave bieden? Ook provincies zijn immers verplicht invulling te
geven aan het Greenpeace-vonnis. Hoe valt de keuze voor enerzijds slechts een 500 meter
zone rond het grootste Natura 2000-gebied, evenals een enclave binnen de Veluwe, zonder
extra opgave, volgens u te verklaren en uit te leggen aan de rest van het land?
Antwoord
Ik heb kennisgenomen van het beleid van de provincie Gelderland. Daarnaast kan ik
bevestigen dat een groot deel van het areaal van de habitats op de Urgente Lijst uit
het rapport van Bobbink en Tomassen,36 dat door Greenpeace is ingebracht bij de rechtbank ter onderbouwing van haar standpunt,
zich bevindt op de Veluwe. Er staan echter ook veel habitats op de Urgente Lijst die
zich (ook) in andere Natura 2000-gebieden bevinden. Verder kan ik bevestigen dat in
het vonnis de Staat wordt bevolen om uiterlijk op 31 december 2030 het doel van 50%
stikstofgevoelige habitats onder de KDW te behalen, waarbij prioriteit moet worden
gegeven aan habitats die staan op de door u aangehaalde Urgente Lijst. Ik constateer
echter dat het nog niet 31 december 2030 is en dus kan ik niet concluderen dat niet
wordt voldaan aan het vonnis. Er is nog bijna 5 jaar om aanvullend beleid verder tot
uitvoering te brengen en maatregelen te treffen. Daarbij vind ik het wel van belang
te benadrukken dat niet het onhaalbare van onze maatschappij kan worden gevraagd.
Het vonnis vraagt om een combinatie van generiek beleid en waar nodig gebiedsgericht
beleid waarvan de effecten elkaar bovendien beïnvloeden. Het is dan ook niet mogelijk
om op basis van de individuele ambitie van een enkel gebied een uitspraak te doen
over de haalbaarheid van nationale doelen en rechterlijke uitspraken. Daarbij hebben
zowel het Rijk als provincies een verantwoordelijkheid in het licht van de Habitatrichtlijn,
maar kan niet worden gezegd dat de provincies direct gebonden zijn aan het vonnis
in de procedure tussen de Staat der Nederlanden enerzijds en Greenpeace Nederland
anderzijds.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie maken zich ernstige zorgen dat er nog geen zicht
is op het van het stikstofslot komen van ons land. Na jaren steggelen over welk natuur-
en stikstofbeleid precies nodig is – of er vooral focus moet zijn op emissiereductie
en natuurherstel of vooral focus op aanpassing van regelgeving of een combinatie van
die beide – om uit de stikstoffuik te zwemmen, is er nog steeds geen zekerheid dat
stap x, y en z leiden tot het vlot verstrekken van nieuwe Natuurbeschermingswetvergunningen
(NB-vergunningen) die stand houden voor de rechter. De vraag van deze leden is daarom
of nog één keer kan worden uiteengezet wat nodig is om met 100 procent kans een verstrekte
natuurvergunning de rechtbank te laten overleven? Of is die garantie niet te bieden
bij de huidige Vogel- en Habitatrichtlijn en de vigerende interpretatie daarvan? Als
dat zo is, welke consequentie trekt het kabinet daar dan uit? Immers, er staat veel
op het spel: woningen die moeizaam gebouwd kunnen worden, infrastructuur die niet
aangelegd kan worden, bedrijven die niet kunnen innoveren en verduurzamen en anderzijds
boerenbedrijven die mogelijk worden opgeofferd voor een onzeker resultaat in de rechtbank.
Graag een goed onderbouwde en diepgaande reactie op deze fundamentele zorg. In de
tussentijd wordt onder de huidige wet- en regelgeving gewerkt aan het verhogen van
de rekenkundige ondergrens in de Aerius Calculator, namelijk naar een wetenschappelijk
onderbouwde ondergrens van 0,5 mol per hectare per jaar. Hoe staat het daar nu mee,
welke stappen worden wanneer gezet en vanaf wanneer rekent Aerius met deze nieuwe
rekenkundige ondergrens? Welke flankerende maatregelen wil het kabinet nemen om de
kans te vergroten dat de verhoogde ondergrens stand houdt voor de rechter? In welke
mate zijn de wensen en eisen van de provincies ingevuld door het kabinet? Stel dat
de nieuwe rekenkundige ondergrens geen stand houdt, wordt met het oog daarop in de
tussentijd gewerkt aan een nieuwe bouwvrijstelling voor stikstofoxiden uitstoot, aangezien
zo een vrijstelling met meer kennis en zekerheid dan een aantal jaar geleden is te
onderbouwen en vorm te geven, zo vragen deze leden. Waarom lukt het niet de opvolger
van het legalisatieprogramma PAS-melders voor 1 mei 2026 van kracht te laten zijn?
Tijdens de wetsbehandeling was toch al bekend dat er afstemming met derden zou worden
gezocht? Wordt er wel voldoende prioriteit aan het oplossen van de onzekerheid voor
PAS-melders gegeven, zo vragen deze leden.
Antwoord
Ik ben het met de ChristenUnie-fractie eens dat het huidige stikstofslot zorgt voor
grote beperkingen en onzekerheid waar het gaat om woningbouw, infrastructuur, innovatie
en toekomst voor de agrarische sector. Alleen als er (blijvend) voldoende maatregelen
worden genomen waarmee voor de Natura 2000-gebieden verslechtering wordt voorkomen
of gestopt en er zicht blijft op het behalen van de gunstige staat van instandhouding,
is het mogelijk om additionaliteit te kunnen aantonen en zo stappen te zetten om vergunningverlening
weer mogelijk te maken. Dat zal niet meteen overal kunnen: het verschilt per gebied
waar de Natura 2000-gebieden liggen en in welke mate deze overbelast zijn. Er is naast
generiek ook gebiedsgericht beleid nodig om te onderbouwen dat er voldoende bron-
en natuurherstelmaatregelen genomen worden voor de specifieke Natura 2000-gebieden.
Daarom heeft het kabinet met de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel zich
met volle overtuiging ingezet om te komen tot het beleid dat nodig is, en heeft een
startpakket en een vervolgpakket gemaakt. Bij het vervolgpakket heeft het kabinet
echter wel benadrukt dat de inmiddels demissionaire status bescheidenheid vraagt en
dat ook met dit vervolgpakket Nederland nog niet volledig van het slot kan.37 Een nieuw kabinet kan voortbouwen op deze pakketten om Nederland van het slot te
krijgen.
Tijdens de wetsbehandeling was toch al bekend dat er afstemming met derden zou worden
gezocht? Wordt er wel voldoende prioriteit aan het oplossen van de onzekerheid voor
PAS-melders gegeven?
Antwoord
Ik vind het, net als uw Kamer, belangrijk dat we zo snel mogelijk een oplossing vinden
voor de PAS-melders. Daarbij hoort een programma dat hierbij helpt en waarvan de inhoud
door betrokken wordt gedragen. De wetsbehandeling in zowel de Tweede als Eerste Kamer
heeft langer geduurd dan geanticipeerd, en ook die input is van belang om tot een
gedragen programma te komen. Daarom heb ik eerder aan beide Kamers gemeld dat ik voornemens
was om uiterlijk op 1 mei 2026 de versie voor internetconsultatie vast te stellen
en aan beide Kamers te doen toekomen. De definitieve vaststelling van het programma
zou dan voor het zomerreces kunnen plaatsvinden. Besluitvorming daarover is uiteraard
aan mijn opvolger.
In de tussentijd wordt onder de huidige wet- en regelgeving gewerkt aan het verhogen
van de rekenkundige ondergrens in de Aerius Calculator, namelijk naar een wetenschappelijk
onderbouwde ondergrens van 0,5 mol per hectare per jaar. Hoe staat het daar nu mee,
welke stappen worden wanneer gezet en vanaf wanneer rekent Aerius met deze nieuwe
rekenkundige ondergrens?
Antwoord
Eind vorig jaar zijn er stappen gezet richting de invoering van de rekenkundige ondergrens,
en hebben rijk en provincies de vraagstukken die daarbij spelen samen verder uitgediept.
Op een aantal punten is nog aanvullend werk nodig. Daar gaan we de komende periode
met volle aandacht mee door. Er wordt onder andere gewerkt aan de aanpassing van AERIUS
en een handreiking voor de vergunningverlening.
Ik reken erop dat het nieuwe kabinet voortvarend doorgaat met de invoering van de
rekenkundige ondergrens.
Welke flankerende maatregelen wil het kabinet nemen om de kans te vergroten dat de
verhoogde ondergrens standhoudt voor de rechter? In welke mate zijn de wensen en eisen
van de provincies ingevuld door het kabinet?
Antwoord
Het kabinet en provincies zijn op dit moment in gesprek over verdere uitdieping van
het flankerend beleid. Het is helaas niet meer haalbaar om nog in deze kabinetsperiode
definitieve afspraken hierover te maken. Dat is aan het nieuwe kabinet.
Stel dat de nieuwe rekenkundige ondergrens geen standhoudt, wordt met het oog daarop
in de tussentijd gewerkt aan een nieuwe bouwvrijstelling voor stikstofoxiden uitstoot,
aangezien zo een vrijstelling met meer kennis en zekerheid dan een aantal jaar geleden
is te onderbouwen en vorm te geven, zo vragen deze leden.
Antwoord
Er wordt momenteel gekeken naar mogelijkheden voor projecten met een kleine, tijdelijke
depositiebijdrage, dit is echter niet in de vorm van een bouwvrijstelling. Er wordt
gewerkt aan een AMvB voor een verduidelijking van vergunningvrije verduurzamingsactiviteiten
die een tijdelijke toename van depositie veroorzaken en vervolgens een permanente
reductie. Daarnaast wordt er gewerkt aan een handreiking voor projecten met een kleine,
tijdelijke depositiebijdrage, zodat duidelijker wordt wanneer volstaan kan worden
met een voortoets en wanneer sprake is van een vergunningplicht. Ook wordt onderzocht
in hoeverre voor woningbouwactiviteiten kan worden gemotiveerd dat deze activiteiten mogelijk kunnen worden gemaakt
door de impact van deze activiteiten in kaart te brengen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben een aantal vragen aan de regering. In
de eerste plaats willen deze leden weten of er naast noodzakelijke agrarische ondersteuning,
ook Rijksmiddelen beschikbaar komen voor natuurherstel en stedelijke/lokale emissiereductie
in steden en dorpen die direct grenzen aan Natura 2000-gebieden. Ook vragen deze leden
hoe de regering borgt dat de nationale woningbouwopgave van 100.000 woningen per jaar
haalbaar blijft, ook in steden die binnen de stikstof-emissiestroken rond Natura 2000-gebieden
liggen. Verder constateren deze leden dat het vervolgpakket financieel vooral agrarisch
is gericht, en vragen zij of in de verdere uitwerking ook expliciet middelen geboden
worden voor natuurherstel en stedelijke emissiereductie in steden als Arnhem, Veenendaal
en ’s-Hertogenbosch, die pal naast zwaar belaste Natura 2000-gebieden liggen en waar
woningbouw dreigt vast te lopen door onder andere 5 tot 15 procent meerkosten voor
emissieloos bouwen. Wil de regering deze middelen toezeggen? Voorts vragen deze leden
of de regering bereid is om gemeentelijke natuurherstelprojecten rond Natura 2000-gebieden
mee te laten tellen als structurele stikstofmaatregelen binnen de landelijke aanpak.
Kan de regering dit nader toelichten? Deze leden vragen de regering of zij deze punten
expliciet mee wil geven aan een volgend kabinet, zodat in de verdere uitwerking van
het stikstof- en natuurbeleid structureel rekening wordt gehouden met steden en dorpen
die direct grenzen aan Natura 2000-gebieden.
Antwoord
Dit kabinet heeft maatregelen aangekondigd om Nederland van het slot te halen middels
het Startpakket en Vervolgpakket Nederland van het slot. Aanvullende maatregelen of
het beschikbaar stellen van extra Rijksmiddelen is aan het volgende kabinet. Middelen
uit het vervolgpakket worden door de nieuwe coalitiepartijen ingezet als dekking voor
de beleidsambitie in het Coalitieakkoord «Aan de slag». Het is aan het nieuwe kabinet
hier verder invulling aan te geven.
Hoe staat het met de uitvoering van de volgende onderdelen uit het dictum van de motie-Grinwis
(Kamerstuk 33 037, nr. 631): «Verzoekt de regering onderwijl in overleg te gaan met de waterschappen over een
heldere en voor ieder navolgbare aanwijzing van de aandachtsgebieden» en «verzoekt
de regering conform de motie-Vedder c.s. (Kamerstuk 33 037, nr. 593) de ingroei naar doelsturing, zoals beschreven in het concept 8e AP, onverdroten voort te zetten, zodat geen tijd verloren gaat en agrariërs (onder
andere in de aandachtsgebieden) komend najaar op perceelniveau het stikstofbodemoverschot
kunnen gaan meten.». Welke acties zijn reeds uitgevoerd en welke acties moeten nog
ondernomen worden om aanpassing van de aandachtsgebieden en de gevraagde doelsturing
in het najaar door te voeren? Wat is in het kader van het 8e AP overigens de reactie van het kabinet op de brief van Eurocommissaris Roswall?
Antwoord
In lijn met de motie Grinwis wordt de ontwikkeling voor een ingroeipad van bedrijfsgerichte
doelsturing op grondwaterkwaliteit voortgezet. De vorm en reikwijdte van dit systeem
van doelsturing op waterkwaliteit, laat ik aan een volgend kabinet.
De Eurocommissaris heeft in haar brief aangegeven dat Nederland nog een opgave heeft
voor nitraat en stikstof. Het verlenen van een nieuwe derogatie helpt volgens de Europese
Commissie niet bij het voldoen aan deze opgave. De Europese Commissie geeft daarbij
aan Nederland te willen ondersteunen in de zoektocht naar (structurele) oplossingen
om de milieuopgaven te adresseren.
Voor 2026 krijgt Nederland geen nieuwe derogatie. Daarnaast zullen, vanwege het niet
vaststellen van het 8e actieprogramma, de in het concept 8e actieprogramma voorgenomen wijzigingen van regelgeving niet worden doorgevoerd. Dit
betekent ook dat de voorgenomen wijzigingen in het concept 8e AP die een aanpassing zouden hebben betekend van maatregelen uit de derogatiebeschikking,
zoals de aanwijzing van aandachtsgebieden, nu niet ingaan.
Een en ander betekent ten algemene dat in 2026 alle mestregels gelden die op 31 december
2025 golden zoals de regels opgenomen in de Meststoffenwet of de daarop gebaseerde
regelgeving (Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Ubm), de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
(Urm)), de mestregels opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en
de Omgevingsregeling. Dit betreft voorschriften die niet gericht zijn tot bedrijven
waaraan een derogatievergunning was verleend.
Met het aflopen van de looptijd van de derogatiebeschikking (2022–2025) kunnen vanaf
2026 geen derogatievergunningen aan bedrijven worden verleend. Dat betekent dat de
aan die vergunning verbonden verplichtingen voor derogatiebedrijven niet meer van
toepassing zijn. Doordat de Europese Commissie geen derogatie aan Nederland verleent
voor 2026, geldt voor alle bedrijven de gebruiksnorm van 170 kg stikstof uit dierlijke
mest per hectare per kalenderjaar in 2026. Dit volgt uit de Nitraatrichtlijn.
In de Kamerbrief met nadere duiding ten aanzien van de brief van de Europese Commissie
over het verzoek van Nederland om een nieuwe derogatie treft u per onderwerp aan op
welke wijze de regels ter implementatie van de bepalingen van de derogatiebeschikking
al dan niet blijven gelden, zoals de aanwijzing met nutriënten verontreinigde gebieden
(NV-gebieden) en de mestproductieplafonds. Uw Kamer ontvangt deze Kamerbrief gelijktijdig
met de beantwoording van dit schriftelijk overleg.
Ten slotte vragen de leden van de ChristenUnie-fractie welke gevolgen het kabinet
ziet voor het vervolg van 2026 van het verlies van de derogatie, zowel bedrijfseconomisch
als milieu- en bodemkundig, en of en welke beleidsreactie wordt overwogen.
Antwoord
Ik realiseer mij dat het aflopen van de derogatie een grote invloed heeft op de Nederlandse
veehouderij. Zoals ik ook in mijn brief van 23 december 2025 al aangaf heeft het beëindigen
van de derogatie een grote impact op het inkomen en het toekomstperspectief van agrariërs.
Ook is het risico groot dat grasland zal worden omgezet naar (economisch meer perspectiefvol)
bouwland. Dit kan potentieel een negatief effect hebben op de waterkwaliteit in Nederland.
Ik heb de Europese Commissie ook meermaals op dat risico gewezen.
Om de negatieve effecten van de afbouw van de derogatie voor de mestmarkt te mitigeren,
heb ik reeds in september 2024 een aanpak mestmarkt38 gepresenteerd, waarvan ook de inzet op een nieuwe derogatie onderdeel was. Nu duidelijk
is dat er in 2026 geen nieuwe derogatie komt, blijft het van belang om de inzet op
de andere in deze aanpak opgenomen maatregelen voort te zetten, waaronder de inzet
op mestverwerking en mestexport. Ik ben dan ook verheugd dat na de positieve stemming
over het Renure-voorstel nu ook de bezwaartermijn van de Europese Raad en het Europees
Parlement is verlopen. Naar verwachting zal de Europese Commissie het voorstel binnenkort
formeel vaststellen en publiceren. Op dit moment wordt gewerkt aan de benodigde nationale
regelgeving ter implementatie hiervan. De inzet is om deze nog in het voorjaar van
2026 in werking te laten treden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben voor nu geen vragen en opmerkingen aangaande
het schriftelijk overleg Stikstof en mestbeleid.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A. Podt, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
R.P. Jansma, griffier