Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de voorhang wijziging Postbesluit 2009 (Kamerstuk 35423-15)
35 423 Wijziging van de Postwet 2009 in verband met de wijziging van de toegangsregulering van postvervoerders tot een landelijk netwerk voor postaanbieding, de borging van de continuïteit van de universele postdienst, de flexibilisering van de eisen aan de universele postdienst en de bescherming van de arbeidspositie van postbezorgers
Nr. 16
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 5 februari 2026
De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Economische Zaken over de brief van 19 december 2025 over de voorhang
wijziging Postbesluit 2009 (Kamerstuk 35 423, nr. 15).
De vragen en opmerkingen zijn op 23 januari 2026 aan de Minister van Economische Zaken
voorgelegd. Bij brief van 5 februari 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Michon-Derkzen
Adjunct-griffier van de commissie, Krijger
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de Minister
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de stukken
die ten grondslag liggen aan de voorhangprocedure inzake de wijziging van het Postbesluit
2009. Naar aanleiding daarvan hebben zij nog enkele vragen aan de Minister.
De leden van de D66-fractie constateren dat in het ontwerpbesluit wordt voorzien in
een overgang naar een D+3-bezorgtermijn per 1 juli 2027. Dit betreft een ingrijpende
wijziging, die niet alleen gevolgen heeft voor gebruikers van postdiensten, maar ook
voor andere aanbieders op de postmarkt en voor de verdere ontwikkeling van de markt
als geheel. Tegen deze achtergrond kan deze stap door marktpartijen worden ervaren
als prematuur en disproportioneel.
De leden van de D66-fractie vragen de Minister welke alternatieve, minder ingrijpende
maatregelen zijn verkend om de uitvoerbaarheid en continuïteit van de universele postdienst
(UPD) te waarborgen zonder over te gaan tot een D+3-bezorgtermijn. Kan de Minister
inzichtelijk maken welke opties zijn overwogen, op welke gronden deze zijn afgevallen
en waarom uiteindelijk toch is gekozen voor invoering van D+3 per 1 juli 2027?
De aanhoudende krimp op de postmarkt zet de uitvoering van de universele postdienst
(UPD), het gereguleerde deel van de postmarkt, structureel onder druk. Het postvolume
is de afgelopen 10 jaar meer dan gehalveerd, zoals in de onderstaande grafiek weergegeven.
Uit het onderzoek van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) naar de postmarkt blijkt
dat de bezorging van UPD-post onder de huidige wettelijke eisen, met name ten aanzien
van snelheid en betrouwbaarheid, op termijn financieel niet houdbaar is1. Volgens PostNL is er nu al sprake van een financieel probleem. De huidige kaders
voor de UPD zijn niet meer realistisch. De bouwstenen die de ACM in haar onderzoek
aandraagt bieden houvast voor noodzakelijke keuzes in Nederland en sluiten aan bij
de richting die elders in Europa al is ingezet.
Ook onze buurlanden digitaliseren snel en passen het wettelijk kader hierop aan. Hierbij
zijn de normen die Nederland momenteel aan de universele postdienst stelt relatief
streng. Waar de standaard overkomstduur hier nog 1 dag bedraagt hebben bijna alle
andere lidstaten de overstap naar een langere overkomstduur ingezet of reeds doorgevoerd.
Zo bedraagt de overkomstduur in Duitsland en België al drie of meer werkdagen en heeft
Denemarken de regels voor de UPD onlangs afgeschaft.
In het ACM-onderzoek zijn alternatieve maatregelen (bouwstenen) aangedragen en op
basis hiervan heb ik een afweging gemaakt. Het voorliggende besluit is een onderdeel
van de voorgenomen maatregelen, namelijk de keuze voor de versoepeling van de kaders
voor bezorgsnelheid en bezorgbetrouwbaarheid. Voor de stap van D+2 en vervolgens naar
D+3 is gebruikgemaakt van het onderzoek van de ACM, waaruit volgt dat D+3 noodzakelijk
is om te komen richting een financieel houdbare uitvoering van de UPD. D+2 is daarbij
een tussenstap en is onvoldoende om ruimte te bieden voor een operationeel haalbare
en financieel rendabele uitvoering van de UPD. 1 juli 2027 is voor PostNL de vroegste
operationeel haalbare invoeringsdatum voor D+3.
Binnen realistische kaders voor de UPD is een maatregel van overheidssubsidiëring
onnodig en onwenselijk.
Met het voorliggende voorstel voor wijziging van het Postbesluit 2009 wordt voor versoepeling
gekozen, waarbij wordt ingezet op een gecontroleerde aanpassing van de wettelijke
eisen. In veel gevallen zijn namelijk passende digitale alternatieven beschikbaar.
Tegelijkertijd blijven, waar digitale alternatieven onvoldoende oplossing bieden,
strengere normen gelden (zoals voor rouw- en medische post), of kunnen gebruikers
bij diverse marktpartijen kiezen voor snellere bezorging tegen een hoger tarief.
In de beantwoording van de volgende vragen wordt nader ingegaan op de specifieke invulling
van de voorgenomen maatregelen en de noodzaak daarvan.
Bron: ACM Post- en Pakketmonitor
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de voorhang wijziging
Postbesluit 2009.
De leden van de VVD-fractie lezen in de stukken dat bij een aanbieding van D+2 naar
D+3 de betrouwbaarheid wordt verhoogd naar 92%. Deze leden vragen waarom niet voor
een hogere betrouwbaarheid wordt gekozen, aangezien nu bij D+1 er een betrouwbaarheid
van 95% wordt verwacht.
Het doel van de voorgenomen wijziging van het Postbesluit 2009 is om te komen tot
realistische normen voor de UPD, die passen bij een markt met drastisch gedaalde postvolumes.
Deze wijziging is gebaseerd op het recente onderzoek van de ACM naar de postmarkt,
waarin verschillende maatregelen en scenario’s zijn doorgerekend. Uit deze scenario’s
volgt dat de rendabiliteit van het UPD-netwerk bij invoering van een D+3-bezorgtermijn
kan worden geborgd bij een bezorgzekerheid tussen 90% en 95%2. Omdat op dit moment niet met zekerheid kan worden vastgesteld waar binnen deze bandbreedte
de optimale balans ligt, is in het ontwerpbesluit voorzien in een evaluatie van deze
norm. Overigens blijkt uit de meest recente beschikbare gegevens van de ACM dat de
feitelijke bezorgzekerheid momenteel circa 86% bedraagt. Vanuit dat perspectief betekent
een norm van 92% een substantiële verbetering van de bezorgzekerheid in de praktijk.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de voorgenomen wijziging van
het Postbesluit 2009. Zij zijn verrast door de voorgestelde wijzigingen en hebben
hierover de volgende vragen aan de Minister.
Versnelde invoering van D+3
De leden van de PVV-fractie lezen in de nota van toelichting bij het Postbesluit dat
wordt verwezen naar de brief aan de Kamer van 30 juni jl.3 In deze brief stelt de Minister dat dalende inkomsten en stijgende kosten de uitvoerbaarheid
en betaalbaarheid van de universele postdienst onder druk zetten. Daarbij wordt in
de brief aangegeven dat per 1 juli 2026 de overkomstduur kan worden verruimd naar
D+2, dat de verdere overgang naar D+3 geleidelijk moet plaatsvinden en tenslotte dat
D+3 per 1 januari 2029 kan worden ingevoerd, en mogelijk per 1 januari 2028. Dit kan
alleen als wordt voldaan aan voorwaarden, zoals bezorgzekerheid van minimaal 90% bij
D+2 per 1 januari 2027 en het daadwerkelijk voortzetten van de gemiddelde volumedaling.
De leden van de PVV-fractie zijn dan ook verbaasd dat in de voorliggende wijziging
van het Postbesluit wordt vastgelegd dat al vanaf 2027 wordt overgegaan op D+3-bezorging.
Hoe verhoudt deze versnelde invoering zich tot de uitgangspunten en voorwaarden uit
de genoemde brief van 30 juni jl.? Waarom gelden de daarin genoemde voorwaarden, zoals
de minimale bezorgzekerheid van 90% en de voortzetting van de volumedaling, niet langer
als randvoorwaarden? Waarom kiest de Minister ervoor om de overgang naar D+3 zonder
voorwaarden te versnellen?
De postmarkt is gebaat bij tijdige duidelijkheid over de ingangsdata van D+2 en D+3.
Om die duidelijkheid te bieden is ervoor gekozen om de voorgenomen wijziging van het
Postbesluit 2009, die op zijn vroegst per 1 juli 2026 in werking kan treden, nu vast
te leggen. In mijn brief van 30 juni jl. had ik een ingroeimodel voorgesteld waarbij
de overgang naar D+3 werd gekoppeld aan de ontwikkeling van de postvolumes en aan
het behalen van bepaalde prestaties. Sinds 30 juni jl. hebben zich echter enkele ontwikkelingen
voorgedaan. Zo is het debat over de wijziging van de Postwet 2009 tot nader order
uitgesteld en vragen gebruikers en de markt om duidelijkheid over de toekomstige normen.
Daarnaast heeft PostNL bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar subsidieverzoek.
Gegeven deze ontwikkelingen heeft het kabinet ervoor gekozen om zo snel mogelijk de
benodigde duidelijkheid te bieden over de ingang van D+3 en het ingroeimodel te laten
vervallen. Hiermee sluit Nederland aan bij de ontwikkeling die breed in Europa plaatsvindt.
Nederland is momenteel de enige lidstaat van enige omvang is die deze normen nog hanteert,
terwijl in andere landen, zoals België en Duitsland, brieven al drie werkdagen onderweg
zijn.
Gevolgen voor postbedrijven en werkgelegenheid
De leden van de PVV-fractie wijzen erop dat de overgang naar D+3-bezorging ertoe kan
leiden dat postbedrijven die afhankelijk zijn van het netwerk van PostNL hun bestaande
contractuele verplichtingen niet meer kunnen nakomen. Ook zouden zij hierdoor geen
nieuwe contracten meer kunnen afsluiten.
Is de Minister bekend met deze gevolgen? Weet hij welke impact dit heeft op de werkgelegenheid
bij deze bedrijven, met name voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt? Kan
de Minister aangeven of hij het risico onderkent dat hierdoor circa 4.500 banen van
een kwetsbare groep verloren kunnen gaan? Zo ja, welke maatregelen neemt hij om dit
te voorkomen? Hoe verhoudt zich dit tot de aangenomen motie-Van Meetelen,4 waarin de regering wordt verzocht om bij wijzigingen in regelgeving die de postmarkt
beïnvloeden expliciet de effecten op de werkgelegenheid mee te wegen en deze vooraf
met de Kamer te delen?
De effecten op de werkgelegenheid zijn betrokken bij de beleidsafwegingen rond de
voorgenomen wijziging van het Postbesluit 2009 en zijn meegenomen in de toelichting
bij het ontwerpbesluit. Dit is in lijn met de motie-Van Meetelen. Gelet op de structurele
volumedaling in de postmarkt is het aannemelijk dat de werkgelegenheid in deze sector
op termijn afneemt. Het is begrijpelijk dat deze ontwikkeling zorgen oproept bij postbezorgers
en vakbonden.
De afname van postvolumes is een van de redenen dat de regering met het voorstel is
gekomen om over te stappen op bezorging binnen twee dagen (D+2) en op termijn binnen
drie dagen (D+3). Dit heeft gevolgen voor de werkgelegenheid bij postbedrijven. Bij
D+2 zullen minder postbezorgers nodig zijn en bij D+3 zal het benodigde aantal postbezorgers
verder afnemen.
De precieze impact van de invoering van D+3 op de werkgelegenheid bij regionale postbedrijven
is verder niet eenduidig vast te stellen. De postmarkt is geen statische markt en
de uiteindelijke effecten zijn in belangrijke mate afhankelijk van marktontwikkelingen
en de keuzes en aanpassingen van bedrijven zelf. Regionale postbedrijven bezorgen
naar eigen zeggen circa 80% van hun post zelf en zijn slechts voor een beperkt deel
afhankelijk van het landelijke netwerk. Bovendien behoeft deze post niet altijd snelle
bezorging en hebben deze partijen aangegeven in samenwerking met andere partners een
landelijke dekking van circa 97% te kunnen realiseren. Dat betekent dat zij in beginsel
de mogelijkheid hebben om zelf een concurrerend aanbod te blijven doen, bijvoorbeeld
een D+3-dienst of een snellere dienst tegen een andere prijs, en via die route hun
positie op de zakelijke markt te behouden. Het door sommige partijen genoemde risico
dat circa 4.500 banen verloren zouden kunnen gaan, onderken ik als een zorgpunt. Tegelijkertijd
stel ik vast dat eventuele banenverliezen niet uitsluitend en niet rechtstreeks zijn
toe te schrijven aan de invoering van D+3, maar voornamelijk komen door bredere structurele
ontwikkelingen in de postmarkt, zoals de aanhoudende volumedaling en verdere digitalisering.
Omdat de uiteindelijke werkgelegenheidseffecten afhankelijk zijn van marktontwikkelingen
en keuzes van bedrijven, zijn deze effecten omgeven met grote onzekerheid.
Daarnaast is ook informatie opgevraagd bij PostNL over de effecten van D+2 en D+3
op de werkgelegenheid. PostNL geeft aan dat de afbouw van werkgelegenheid op een sociaal
verantwoorde manier kan verlopen via natuurlijk verloop van medewerkers en met speciale
aandacht voor medewerkers met een afstand tot de arbeidsmarkt. Dit is mogelijk vanwege
de stapsgewijze aanpassing naar D+2 en D+3. Daarnaast is er op dit moment een tekort
aan postbezorgers als gevolg van de krapte op de arbeidsmarkt. PostNL verwacht dat
er bij D+2 nog steeds meer bezorgers nodig zullen zijn dan er nu beschikbaar zijn
op de arbeidsmarkt. De overgang naar D+2, gevolgd door D+3, doet ook niets af aan
de mogelijkheid om de samenwerking met alle regionale postbedrijven, waar ook een
deel van de bezorgers met een afstand tot de arbeidsmarkt werkzaam zijn, voort te
zetten. Al met al betekent dit dat het afnemende baanaanbod opgevangen kan worden
door natuurlijk verloop en het feit dat er op dit moment een groot tekort is aan bezorgers.
De afname van postvolumes en de overstap naar D+2 en D+3 hebben wel gevolgen voor
de werkpakketten van postbezorgers. Volgens PostNL zal door de concentratie van werkzaamheden
op D+2 en D+3, doordat postbodes met vollere tassen in minder wijken actief zijn,
het baanaanbod voor postbezorgers aanzienlijk stabieler en beter voorspelbaar worden.
Ook zou de werkdruk kunnen verminderen doordat werk beter te plannen is. Op individueel
niveau is echter niet uit te sluiten dat de aanpassingen geen volledige match op werkpakketten
zal opleveren voor elke postbezorger. PostNL geeft aan met alle 15.000 werknemers
die werkzaam zijn in de postbezorging in gesprek te gaan om op individueel niveau
te kijken wat de impact van de aanpassingen zal zijn.
Op dit moment worden derhalve geen aanvullende maatregelen overwogen om banenverlies
te voorkomen. Het is aan werkgevers en vakbonden om onderling afspraken te maken over
werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden. Voor de postmarkt wordt, net als voor andere
sectoren, zoveel mogelijk aangesloten bij het generieke arbeidsmarktbeleid. Het hanteren
van normen en eisen die uitvoerbaar zijn binnen de operationele mogelijkheden van
de markt, wat met deze wijziging wordt beoogd, kan bijdragen aan het zoveel mogelijk
behouden van werkgelegenheid, rekening houdend met de realiteit van een krimpende
postmarkt.
Bezorgzekerheid en rol van de ACM
De leden van de PVV-fractie merken op dat de Minister in reactie op de uitvoerbaarheids-
en handhaafbaarheidstoets (UHT) van de ACM stelt dat gebruik is gemaakt van recent
ACM-onderzoek. Volgens de Minister zou hieruit blijken dat maatregelen zoals de invoering
van een D+3-bezorgnorm, in combinatie met een bezorgzekerheid van circa 92%, noodzakelijk
zijn voor een financieel houdbare uitvoering van de UPD.
Naar welk concreet onderzoek van de ACM verwijst de Minister? Hoe verhoudt zich dit
tot de eigen bevindingen van de ACM, waarin wordt gesteld dat betrouwbaarheid voor
gebruikers het belangrijkste criterium is?
In mijn reactie op de Uitvoerbaarheids- en Handhaafbaarheidstoets (UHT) van de ACM
verwijs ik naar het onderzoek van de ACM naar de toekomst van de postmarkt, getiteld:
«De postmarkt in transitie».5 Dit onderzoek is op 30 juni 2025 met uw Kamer gedeeld. In dit onderzoek staan de
eigen bevindingen van de ACM. Zoals in de beantwoording van vraag 2 vermeld, is het
doel om tot realistische normen voor de UPD te komen die tot een betere bezorgbetrouwbaarheid
in de praktijk leiden. Uit de cijfers van de ACM blijkt dat de bezorgbetrouwbaarheid
momenteel namelijk 86% bedraagt.6 Met een realistische norm, in combinatie met toezicht door de ACM, wordt PostNL ertoe
aangezet om de bezorgkwaliteit te verbeteren.
Deze leden vragen ook hoe dit standpunt zich verhoudt tot de brief van 30 juni jl.,
waarin het behoud van een bezorgbetrouwbaarheid van 95% als uitgangspunt wordt genomen.
Waarom wordt nu van dit uitgangspunt afgeweken?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 2
en 3.
De ACM geeft in haar UHT bovendien aan dat in andere Europese landen bij D+3-bezorging
zelden een betrouwbaarheid van minder dan 95% wordt gehanteerd. Welke conclusies trekt
de Minister hieruit voor de Nederlandse situatie? Op welke wijze weegt hij hierbij
het belang van betrouwbaarheid voor gebruikers mee?
Zoals in de beantwoording van de voorgaande vragen is vermeld, zet het kabinet zich
in voor realistische normen voor de UPD, die passen bij een markt met drastisch gedaalde
postvolumes. Vanuit dat perspectief is niet zozeer de norm voor bezorgzekerheid die
in het buitenland formeel gehanteerd wordt doorslaggevend, maar met name de daadwerkelijk
behaalde kwaliteit. Deze varieert in de praktijk sterk tussen lidstaten. Daarnaast
verschillen landen onderling in maatschappelijke, geografische en sociaaleconomische
kenmerken. Daarom baseert het kabinet zich primair op het onderzoek van de ACM dat
is toegespitst op de Nederlandse situatie.
Uiteraard weegt het kabinet het belang van gebruikers, en in het bijzonder de betrouwbaarheid
van de bezorging, zwaar mee. De bezorgkwaliteit van de UPD dient te verbeteren. Tegelijkertijd
zijn gebruikers er ook bij gebaat dat de normen realistisch en uitvoerbaar zijn, omdat
alleen dan een duurzame uitvoering van de UPD kan worden gewaarborgd.
Evaluatie
De Minister stelt dat de nieuwe norm voor bezorgzekerheid bij de evaluatie zal worden
bezien en dat, indien een hoger kwaliteitsniveau uitvoerbaar en verantwoord blijkt,
een aanpassing zal worden overwogen.
Waarom kiest de Minister voor een evaluatie, achteraf, terwijl de ACM nu al aangeeft
dat betrouwbaarheid voor gebruikers het zwaarst weegt?
De betrouwbaarheid van de postvoorziening is inderdaad een belangrijk aspect voor
gebruikers, zo blijkt ook uit het gebruikersonderzoek van de ACM7. Tegelijkertijd is het belangrijk om tot realistische normen voor de UPD te komen,
die passen bij een markt met drastisch gedaalde postvolumes. Bij de voorbereiding
van de voorgenomen wijziging van het Postbesluit 2009 is gebruikgemaakt van het onderzoek
van de ACM naar de postmarkt, waarin verschillende maatregelen en scenario’s zijn
doorgerekend. Deze scenario’s zijn gebaseerd op prognoses en daarmee afhankelijk van
toekomstige ontwikkelingen in de markt, waardoor deze met een bepaalde onzekerheidsmarge
zijn omgeven. Uit de doorgerekende scenario’s van de ACM volgt dat de rendabiliteit
van het UPD-netwerk bij invoering van D+3 kan worden geborgd bij een bezorgzekerheid
tussen 90% en 95%. Omdat op dit moment niet met zekerheid kan worden vastgesteld waar
binnen deze bandbreedte de optimale balans ligt, is voorzien in een evaluatie van
deze norm. In haar UHT wijst de ACM erop dat het enige tijd duurt voordat de gewijzigde
kwaliteitseisen hun doorwerking vinden en het effect daarvan zichtbaar wordt. Vroegtijdig
evalueren is volgens de ACM daarom niet doeltreffend en doelmatig.8 Naar aanleiding van dit advies over de voorgenomen wijziging van het Postbesluit
2009, is voorgesteld om de evaluatie uiterlijk 1 juli 2029 te laten plaatsvinden.
Prijsontwikkeling en marktwerking
De leden van de PVV-fractie merken voorts op dat de Minister stelt dat de UPD-verlener
door deze aanpassing minder vergaande prijsverhogingen hoeft door te voeren dan wanneer
de strengere UPD-normen zouden blijven gelden. Hoe waarborgt de Minister dat dit daadwerkelijk
het geval zal zijn? Hoe wordt voorkomen dat gebruikers alsnog worden geconfronteerd
met substantiële prijsstijgingen?
In een markt met structureel dalende volumes en stijgende (arbeids-)kosten zijn prijsstijgingen niet te vermijden, tenzij de kaders worden verruimd of
subsidie wordt verstrekt. Dat laatste acht ik onwenselijk en onnodig. Door de UPD-normen
realistischer vorm te geven en beter in lijn te brengen met de feitelijke marktomstandigheden
en de behoeften van gebruikers, ontstaat ruimte voor kostenbesparingen bij de UPD-verlener.
Daarmee wordt de noodzaak tot sterke prijsverhogingen beperkt en wordt de betaalbaarheid
van het landelijke postnetwerk beter geborgd. De borging dat prijsstijgingen niet
verder oplopen dan gerechtvaardigd, vindt plaats binnen het bestaande reguleringskader.
De ACM stelt jaarlijks de tariefruimte vast waarbinnen de UPD-verlener haar UPD-tarieven
mag aanpassen. De tarieven voor de UPD-post kunnen daardoor niet onredelijk worden
verhoogd.
Daarnaast geldt er een rendementsplafond op de UPD dat voorkomt dat prijsstijgingen
leiden tot overwinsten. Sinds de invoering daarvan in 2009 zijn de gerealiseerde rendementen
steeds ruim onder dit plafond gebleven.
Daarnaast vragen deze leden of de Minister onderkent dat het op korte termijn verlengen
van de overkomstduur de beoogde transitie naar een brede bezorgmarkt juist kan belemmeren.
Andere marktpartijen krijgen mogelijk onvoldoende tijd om zich hierop aan te passen.
Nee, ik zie juist positieve effecten van het verlengen van de overkomstduur. Een duidelijk
meerjarig tijdspad geeft marktpartijen juist ruimte om zich daarop voor te bereiden
en te bezien of zo ja wanneer zij willen toetreden tot de postmarkt. De verwachting
is dat toetreding reëler wordt naarmate de eisen verder versoepelen. De versoepeling
biedt ruimte voor toetreding, maar verplicht marktpartijen niet om hier direct gebruik
van te maken; toetreding kan ook plaatsvinden wanneer zij daar strategisch en operationeel
klaar voor zijn.
Het huidige model, waarin regionale postbedrijven structureel afhankelijk zijn van
toegang tot het netwerk van de UPD-verlener tegen lager tarief, heeft in de afgelopen
jaren niet geleid tot de opbouw van zelfstandige en levensvatbare alternatieven. Integendeel:
dit model heeft bestaande afhankelijkheden bestendigd en heeft toetreding van nieuwe
spelers met eigen infrastructuur nauwelijks gestimuleerd. Het ligt meer voor de hand
dat een brede bezorgmarkt ontstaat via toetreding van logistieke partijen met alternatieve
bezorgnetwerken (met name pakketbezorgers), die hun bestaande infrastructuur, volumes
en logistieke expertise kunnen inzetten voor postdiensten. Waar passend kunnen zij
daarbij samenwerken met andere postbedrijven om gezamenlijk actief te worden in deze
markt.
Het voorliggende postbesluit, dat voorziet in een verlenging van de overkomstduur,
richt zich primair op de UPD. De UPD-post vertegenwoordigt slechts een beperkt deel
van de totale postvolumes op de Nederlandse postmarkt. De inrichting van het zakelijke
aanbod van PostNL wordt niet uitsluitend bepaald door de UPD-voorwaarden, maar ook
door bredere marktomstandigheden en de vraag van zakelijke afnemers. Indien er in
de markt voldoende behoefte bestaat aan producten met kortere overkomstduur, zoals
D+1-, D+2- of D+3-diensten, ligt het voor de hand dat dergelijke producten ook binnen
het zakelijke segment worden aangeboden. In de praktijk blijkt dan ook dat de huidige
UPD-verlener een breed en gedifferentieerd zakelijk productaanbod hanteert.
De verlenging van de overkomstduur binnen de UPD kan invloed hebben op de wijze waarop
PostNL haar bedrijfsvoering en productstructuur vormgeeft, maar is niet doorslaggevend.
Op termijn kan deze aanpassing ertoe leiden dat D+3 zich ontwikkelt tot een nieuwe
basiskwaliteit voor het postnetwerk als geheel, zowel voor UPD-post als voor zakelijke
post. Daarmee ontstaat een nieuw referentiekader in de markt: een landelijk dekkende
D+3-dienst waarbinnen ruimte ontstaat voor andere marktpartijen om zich te onderscheiden
met alternatieve proposities, zoals snellere bezorging (D+1 of D+2), gespecialiseerde
diensten of andere vormen van postdistributie.
Cruciaal daarbij is dat deze partijen niet afhankelijk hoeven te zijn van het landelijke
UPD-netwerk, maar juist worden gestimuleerd om met eigen infrastructuur of in samenwerking
met andere bezorgers concurrerende producten op te bouwen. Harmonisatie naar D+3 voor
alle post levert efficiency en kostenbesparingen op voor het hele postnetwerk en creëert
tegelijk ruimte voor marktpartijen om zich te onderscheiden op snelheid, prijs en
kwaliteit.
Ook de ACM onderkent dat realistische kaders voor de UPD bijdragen aan de transitie
naar een brede bezorgmarkt en dat regulering en toezicht daarbij noodzakelijk blijven
gezien de dominante positie van de huidige UPD-verlener. Dit onderstreept dat het
beter laten aansluiten van de UPD-verplichtingen op de feitelijke marktomstandigheden
geen belemmering vormt voor toetreding, maar juist een randvoorwaarde is voor het
ontstaan van een bredere en concurrerende bezorgmarkt.
Tot slot is het voornemen om een rendementsplafond in te stellen voor het gehele postnetwerk,
om daarmee te voorkomen dat de machtspositie van de UPD-verlener wordt misbruikt richting
zakelijke klanten en potentiële toetreders. Dit plafond helpt overwinsten te beperken
en, in combinatie met de bestaande kostentoerekeningssystematiek voor UPD- en niet-UPD-activiteiten,
borgt het dat de tarieven voor zakelijke gebruikers en regionale postbedrijven niet
excessief zijn.
Deelt de Minister de zorg dat hierdoor de facto een situatie ontstaat waarin PostNL
dominant blijft en de regie in handen houdt, waardoor de ontwikkeling naar een bredere
bezorgmarkt wordt belemmerd? Zo nee, waarom niet?
Nee, die zorg wordt niet gedeeld. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 10, kan
de aanpassing van de UPD-normen, in samenhang met de behoeften in de markt, juist
ruimte creëren voor andere marktpartijen om toe te treden tot (delen van) de postmarkt.
Daarmee de voorwaarden gecreëerd voor een geleidelijke verbreding van de bezorgmarkt.
Regulering en toezicht door de ACM blijven daarbij noodzakelijk en geborgd om misbruik
van marktmacht te voorkomen en een evenwichtig speelveld te behouden.
Herstelnorm
Tot slot constateren de leden van de PVV-fractie dat de ACM voorstelt om naast de
primaire bezorgnorm ook een herstelnorm in te voeren, om extra zekerheid te bieden
over tijdige bezorging. De Minister kiest er vooralsnog voor om dit niet over te nemen.
Hoe wordt binnen het huidige normstelsel dan voldoende zekerheid geboden aan gebruikers
in gevallen waarin de primaire norm niet wordt gehaald?
Ik streef naar wettelijke normen die eenvoudig, duidelijk en handhaafbaar zijn. Daarom
wordt gekozen voor één realistische primaire bezorgnorm, waarop effectief toezicht
en handhaving mogelijk zijn. Het invoeren van een aanvullende herstelnorm zou het
toezicht complexer maken en gelet op de realiteit van een krimpende markt met afnemend
publiek belang ben ik daar terughoudend in. Binnen het huidige normstelsel wordt voldoende
zekerheid voor gebruikers geboden doordat de primaire bezorgnorm afdwingbaar is en
overschrijdingen kunnen leiden tot toezichtmaatregelen door de ACM. In de voorgestelde
evaluatie van de kwaliteitseisen van de UPD zal worden bezien of geldende normen in
de praktijk voldoende zekerheid bieden aan gebruikers. Daarbij kan ook worden bezien
of de invoering van een herstelnorm alsnog wenselijk en proportioneel is.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister welke reacties hij heeft ontvangen
van PostNL op het ontwerpbesluit tot wijziging van het Postbesluit 2009 en wat de
kern was van deze reactie. Deze leden vragen ook of de Minister tevens reacties heeft
ontvangen van andere postvervoerders, zoals DHL, DPD en Business Post. Zo ja, wat
was de kern van hun bezwaren of aandachtspunten bij de overgang naar D+2 en met name
D+3?
Voor een uiteenzetting van de binnengekomen reacties op de internetconsultatie verwijs
ik graag naar de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit tot wijziging van het
Postbesluit 2009 en het gepubliceerde consultatieverslag9. Kortweg pleit PostNL onder andere voor het schrappen van de zaterdag als bezorgdag
en vraagt zij om verduidelijking van de verplichting in de Europese Postrichtlijn
om vijf dagen in de week UPD-post te bezorgen.
Andere postvervoerders gaan met name in op onderwerpen die buiten de reikwijdte van
dit ontwerpbesluit vallen, namelijk toegangsregulering. Zo benadrukken Business Post
en Intrapost het belang van toegang tot het netwerk van de UPD-verlener onder concurrentiegerichte
en -bevorderende voorwaarden. Zij vragen om dit belang nadrukkelijk te betrekken bij
de verdere uitwerking van het beleid. Van DHL en DPD zijn geen reacties op het ontwerpbesluit
ontvangen.
De leden van de JA21 fractie vragen de Minister voorts of hij kan toelichten in hoeverre
de invoering van D+2 en D+3 gevolgen heeft voor de concurrentieverhoudingen op de
postmarkt. Zij vragen ook wat de effecten van D+3 zijn voor de mogelijkheden van concurrerende
postbedrijven om een rendabel alternatief te bieden voor postvervoer. Deze leden vragen
daarnaast hoe de door andere postbedrijven geuite zorgen over markttoegang, concurrentie
en netwerkvoordelen van PostNL zijn meegewogen bij de totstandkoming van het besluit,
en waar dit concreet in de besluitvorming tot uitdrukking komt.
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 10, kan de aanpassing van de UPD-normen,
in samenhang met de behoeften in de markt, juist ruimte creëren voor andere marktpartijen
om toe te treden tot (delen van) de postmarkt. Daarmee worden de noodzakelijke ruimte
en voorwaarden gecreëerd voor een geleidelijke verbreding van de bezorgmarkt. Regulering
en toezicht door de ACM blijven daarbij noodzakelijk om misbruik van marktmacht te
voorkomen en een evenwichtig speelveld te behouden.
De geuite zorgen rondom markttoegang tot het landelijk postnetwerk wordt meegenomen
bij de verdere uitwerking van toegangsregulering. Op dit moment wordt in overleg met
de ACM bezien op welke wijze deze aanvullende bescherming het beste kan worden geborgd.
De ACM is met marktpartijen in gesprek naar aanleiding van de recente uitspraak van
het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in de zaak tussen PostNL en ACM
over het weigeren van de vergunning voor de overname van Sandd. De uitkomsten van
dit traject kunnen van betekenis zijn voor de verdere vormgeving van het toegangsregime.
Ik verwacht uw Kamer hier in maart over te informeren.
De leden van de JA21 fractie vragen tenslotte hoe de Minister voorkomt dat de versoepeling
van kwaliteitsnormen voor de UPD in de praktijk leidt tot een verdere versterking
van de dominante marktpositie van PostNL, in plaats van tot de beoogde versterking
van concurrentie en markttoetreding.
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 10, kan de aanpassing van de UPD-normen,
in samenhang met de behoeften in de markt, juist ruimte creëren voor andere marktpartijen
om toe te treden tot (delen van) de postmarkt. Daarmee worden de voorwaarden gecreëerd
voor een geleidelijke verbreding van de bezorgmarkt. Regulering en toezicht door de
ACM blijven daarbij noodzakelijk om misbruik van marktmacht te voorkomen en een evenwichtig
speelveld te behouden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de bijgevoegde
stukken aangaande de voorhang wijziging Postbesluit 2009. Deze leden hebben nog enkele
vragen.
Klopt het dat PostNL als beleid hanteert dat de voorwaarden die voor de UPD gelden,
één op één doorvertaald worden naar de zakelijke postmarkt en de dienstverlening van
PostNL op die markt aan partijen die van toegang tot het netwerk van PostNL afhankelijk
zijn?
Nee, dat klopt niet. Het is aan PostNL om de voorwaarden van haar zakelijke aanbod
vast te stellen. Daarbij worden de voorwaarden die gelden voor de UPD niet één op
één doorvertaald naar de zakelijke postmarkt. Zo heeft PostNL per 1 januari 2025 de
bezorgduur voor zakelijke post verlengd naar D+2, terwijl voor de UPD nog een overkomstduur
van D+1 geldt.10 Dit illustreert dat PostNL binnen het zakelijke segment eigen en andere afwegingen
maakt.
Het voorliggende postbesluit, dat voorziet in een verlenging van de overkomstduur,
richt zich uitsluitend op de UPD. Deze UPD-post vertegenwoordigt een beperkt deel
van de totale postvolumes op de Nederlandse postmarkt. De vormgeving van het zakelijke
aanbod wordt daarnaast bepaald door marktomstandigheden en de vraag van zakelijke
afnemers. Indien er behoefte is aan snellere producten, zoals D+1- of D+2-diensten,
ligt het voor de hand dat PostNL deze ook blijft aanbieden binnen het zakelijke segment.
In de praktijk hanteert PostNL dan ook een breed en gedifferentieerd zakelijk productaanbod.
De aanpassing van de UPD-overkomstduur kan daarmee invloed hebben op de wijze waarop
PostNL haar bedrijfsvoering organiseert, maar is niet bepalend voor het zakelijke
aanbod. Op termijn kan dit ertoe leiden dat D+3 zich ontwikkelt tot een nieuwe basiskwaliteit
voor het postnetwerk als geheel. Dit creëert een nieuw referentiekader in de markt
en biedt ruimte voor andere marktpartijen om zich te onderscheiden met alternatieve
diensten, zoals snellere bezorging of gespecialiseerde postproducten.
Klopt het dus ook, dat indien PostNL straks (zoals het Postbesluit beoogt), een bezorgtermijn
van 72 uur toegestaan krijgt voor de UPD, PostNL ook een termijn van 72 uur hanteert
voor zijn concurrenten op de zakelijke markt?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 16 is het aan PostNL om de voorwaarden van
haar zakelijke dienstverlening vast te stellen. Daarbij worden de voorwaarden die
gelden voor de UPD niet één op één doorvertaald naar de zakelijke postmarkt.
De leden van de BBB-fractie vragen of de Minister gedetailleerd uiteen kan zetten
wat hij vindt van dit gedrag van PostNL en welke gevolgen dit volgens hem heeft voor
een gelijk speelveld tussen PostNL en andere zakelijke postaanbieders, bijvoorbeeld
bij aanbestedingen. Kan de Minister ook gedetailleerd uiteenzetten of hij vindt dat
PostNL dit marktgedrag kan uitoefenen als gevolg van de economische machtspositie
waarover PostNL beschikt?
De aanbesteding van overheidspost valt onder de verantwoordelijkheid van Categoriemanagement
Logistiek van het Ministerie van Financiën. Overheidspost is onderdeel van de zakelijke
postmarkt waar professionele partijen onderling met elkaar afspraken maken. Deze aanbesteding
is vertrouwelijk en maakt geen onderdeel uit van de gereguleerde UPD, waarvoor ik
beleidsverantwoordelijk ben. Om die redenen past het mij niet een inhoudelijk oordeel
geven over het optreden van een individuele marktpartij in het kader van een specifieke
aanbesteding.
Voor zover het gaat om de vraag of PostNL dergelijk marktgedrag kan uitoefenen als
gevolg van een economische machtspositie, merk ik op dat het toezicht op marktgedrag
en eventueel misbruik van marktmacht is belegd bij de ACM, die daar als onafhankelijk
toezichthouder op kan treden.
Wel is er op ambtelijk niveau contact met het Ministerie van Financiën, mede met het
oog op kennisdeling. Daarbij worden ook bredere ontwikkelingen op de zakelijke en
niet-zakelijke postmarkten besproken, zoals de trend van verdergaande digitalisering
van overheidscommunicatie.
Kan de Minister voorts in detail uiteenzetten in hoeverre hij onderschrijft dat die
machtpositie herleidbaar is naar de situatie zoals beschreven in de uitspraak van
het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb) van 2 december 2025?11 Tenslotte vragen de leden van de BBB-fractie of de Minister in detail kan uiteenzetten
of hij van mening is dat op basis van bovengenoemde uitspraak hij een juridische of
morele verplichting heeft om de concurrentie in de postmarkt alsnog zoveel mogelijk
te stimuleren. Welke concrete plannen hij heeft om daaraan gestalte te geven en welke
tijdslijn verbindt hij daaraan?
Op 2 december 2025 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) uitspraak
gedaan in de zaak over het besluit van de ACM uit 2019 om de vergunning voor de concentratie
tussen PostNL en Sandd te weigeren. De ACM had destijds geoordeeld dat deze overname
zou leiden tot een feitelijk monopolie op de postmarkt, met aanzienlijke mededingingsproblemen
tot gevolg.
Het CBb heeft geoordeeld dat de ACM in 2019, op basis van de toen beschikbare feiten
en omstandigheden, terecht heeft vastgesteld dat PostNL ook zonder de overname van
Sandd in staat was de universele postdienst in de daaropvolgende drie tot vijf jaar
onder economisch aanvaardbare omstandigheden te blijven uitvoeren. Daarbij heeft het
CBb bevestigd dat artikel 41, derde lid, van de Mededingingswet geen belemmering vormde
voor het weigeren van de gevraagde vergunning. De kern van deze beoordeling was of
PostNL in die periode naar verwachting voldoende winstgevend zou blijven om de UPD
uitvoerbaar te houden. Het CBb concludeert dat de ACM op goede gronden tot haar oordeel
heeft kunnen komen.
Met andere woorden: het CBb bevestigt dat de ACM in 2019 terecht heeft geconcludeerd
dat PostNL, ook zonder de overname van Sandd, de UPD in de daaropvolgende drie tot
vijf jaar nog onder economisch aanvaardbare omstandigheden kon blijven uitvoeren.
Waar dat realistisch en doelmatig is, wil ik ruimte blijven bieden voor concurrentie,
zonder daarbij de uitvoerbaarheid en betaalbaarheid van de UPD in gevaar te brengen.
Mede naar aanleiding van de Kamermoties over toegang wordt beoogd om het toegangsregime
tot het landelijk postnetwerk van PostNL te herijken, zodat postbedrijven onder redelijke
voorwaarden gebruik kunnen maken van het landelijk netwerk. Daarnaast heeft de stap
naar D+3 ook als neveneffect dat er meer ruimte wordt geboden aan alternatieve postproducten,
onder meer via aanpassing van de overkomstduur en de bezorgbetrouwbaarheid.
Op dit moment is de ACM met marktpartijen in gesprek naar aanleiding van de recente
uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in de zaak tussen
PostNL en ACM over het weigeren van de vergunning voor de overname van Sandd.12 De uitkomsten van dit traject kunnen van betekenis zijn voor de verdere vormgeving
van het toegangsregime. Ik verwacht uw Kamer hier in maart over te informeren.
De leden van de BBB-fractie vragen of de Minister bereid is om de ACM om een oordeel
te vragen over dit marktgedrag van PostNL, hoe de ACM de gevolgen van dat gedrag inschat
voor de verhoudingen op de brede postmarkt (dus inclusief de zakelijke postmarkt)
en in hoeverre dit bijdraagt aan, of juist afbreuk doet aan het bevorderen van concurrentie
en een gelijk speelveld in de zakelijke postmarkt? Is de Minister tevens bereid om
de opvattingen van de ACM hierover naar de Kamer te sturen?
Op dit moment is de ACM met marktpartijen in gesprek naar aanleiding van de recente
uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in de zaak tussen
PostNL en de ACM over het weigeren van de vergunning voor de overname van Sandd.13 Ik verwacht uw Kamer hier in maart over te informeren.
Is de Minister bekend met problemen in het veld, bijvoorbeeld bij aanbestedingen van
overheden, als gevolg van het marktgedrag van PostNL en/of het voornemen van de Minister
om de bezorgtermijn te verruimen naar 72 uur? Zo ja, kan de Minister die problemen
nader specificeren en zijn standpunt hierin toelichten? Welke gevolgen verbindt hij
daaraan?
Zoals in de beantwoording van vraag 18 is aangegeven, valt de aanbesteding van overheidspost
onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën. Lopende aanbestedingen
en eventuele complicaties die zich daarbij voordoen, zijn vertrouwelijk van aard.
Het past mij daarom niet om in te gaan op specifieke situaties of op het optreden
van individuele marktpartijen in dat kader.
De leden van de BBB-fractie vragen of het klopt dat de verruiming naar 72-uursbezorging
binnen de aanbesteding van de zakelijke postbezorging voor de Belastingdienst tot
complicaties heeft geleid? Kan de Minister toelichten wat hier de complicaties zijn,
of hij daarover contact heeft gehad met de Staatssecretaris van Financiën en welke
conclusies hij hieraan verbindt?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 21.
De leden van de BBB-fractie vragen voorts of de ACM op de hoogte is van bedoelde complicaties.
Zo ja, is de Minister bereid om af te wachten welke conclusies de ACM daaraan verbindt
voordat hij voortgaat met invoering van het gewijzigde Postbesluit?
Het Ministerie met Financiën staat in goed contact met de ACM over de ontwikkeling
van de postmarkt. De betreffende aanbesteding ziet op overheidspost en niet de UPD.
Zij staat daarmee als zodanig los van het voorstel tot wijziging van het Postbesluit
2009. Ik acht het verder uitstellen van de aanpassing van de kwaliteitseisen van de
UPD onwenselijk. Postvolumes blijven dalen en de markt is gebaat bij duidelijkheid
over de ingangsdata voor D+2 en D+3. Verder voldoet de bezorgzekerheid met 86% momenteel
niet aan de wettelijke eisen en het duurt enige tijd voordat het gewijzigde Postbesluit
in werking kan treden. Ook heeft de verlener van de UPD tijd nodig voor de operationele
omschakeling van haar postnetwerk van D+1 naar D+2 en D+3.
Is de Minister voorafgaand aan de voorbereiding van het Postbesluit nagegaan welke
gevolgen de invoering van 72-uursbezorging heeft voor andere spelers in de (zakelijke
of bredere) postmarkt? Zo ja, welke feiten constateerde hij hieruit en waarom weerhouden
die de Minister?
Ja. Tijdens de voorbereiding van de wijziging van het Postbesluit 2009 zijn gesprekken
gevoerd met belanghebbenden over de gevolgen van de invoering van 72-uursbezorging
(D+3). Daarnaast heeft op mijn verzoek de ACM-onderzoek gedaan naar de werking van
de postmarkt.14 Op basis van de bouwstenen uit dat onderzoek heb ik een belangenafweging gemaakt
die ten grondslag ligt aan de maatregelen zoals aangekondigd in mijn brief van 30 juni
jl.15
In het ACM-onderzoek zijn verschillende scenario’s verkend en zijn indicaties gegeven
van de effecten van beleidskeuzes, waaronder de verruiming van de bezorgtijd. Daarnaast
heeft de ACM uitgebreid gekeken naar de voorkeuren van zowel consumenten als zakelijke
gebruikers.16 Deze gebruikersbehoeften zijn meegewogen.
Uit de onderzoeken blijkt dat gebruikers aan snelle bezorging waarde hechten, maar
ook dat een groot deel van de post niet meer binnen één dag bezorgd hoeft te worden.
Tegelijkertijd concludeert de ACM in haar onderzoek dat een overgang naar D+3 ruimte
creëert voor toetreding en innovatie door andere marktpartijen, onder meer in snellere
D+1-diensten en in segmenten als brievenbuspakketjes. Ook kan D+3 de afhankelijkheid
verminderen die regionale postvervoerders ervaren bij toegang tot het landelijke netwerk,
omdat alternatieve bezorgmodellen aantrekkelijker worden. Daarmee kan de maatregel
de concurrentie op delen van de markt juist versterken.
Ik erken dat een deel van de zakelijke gebruikers zich zorgen maakt dat het loslaten
van D+1 als standaard voor de UPD ertoe kan leiden dat snelle postproducten voor de
zakelijke markt minder beschikbaar worden. Met de overgang naar D+3 voor de UPD ontstaat
voor de UPD-verlener meer ruimte om het netwerk af te stemmen op de feitelijke vraag
in de markt. De voorgestelde verlenging van de overkomstduur naar D+2 per 1 juli 2026
betekent dat PostNL niet langer verplicht is om een 24-uursproduct binnen de UPD aan
te bieden en de keuze heeft om dat daarbuiten wel te doen. Dat zou de zorg kunnen
oproepen dat een dergelijk product zou kunnen verdwijnen.
Het ligt echter niet voor de hand dat dit in de praktijk ook gaat gebeuren. De markt
laat nu al zien dat er blijvende vraag is naar snellere bezorging. Zo biedt DHL reeds
24-uurs post aan, en staat het de UPD-verlener vrij om ook buiten de UPD een prioriteitsproduct
aan te bieden voor gebruikers daar behoefte aan hebben. Zakelijke gebruikers die behoefte
hebben aan snellere bezorging kunnen daardoor naar verwachting gebruik blijven maken
van dergelijke diensten.
Alles afwegend is het duidelijk dat D+2 en op termijn D+3 noodzakelijk zijn om de
UPD betaalbaar en uitvoerbaar te houden, en te komen tot een financieel houdbaar postnetwerk,
terwijl tegelijkertijd ruimte kan ontstaan voor andere marktpartijen om hun dienstverlening
te ontwikkelen. Mogelijke positieve effecten op toetreding en diversiteit in het aanbod
en concurrentie zijn betrokken bij die afweging, naast de belangen van gebruikers
die waarde hechten aan snelle bezorging. Gebruikers met behoefte aan snellere bezorging
kunnen naar verwachting gebruik blijven maken van een prioriteitsproduct in de markt,
terwijl voor minder tijdkritische post gebruik gemaakt kan worden van een robuuster
en toekomstbestendig poststelsel.
Deze leden vragen of de Minister voorafgaand aan de voorbereiding van het Postbesluit
overlegd heeft met de postbedrijven die van toegang tot het netwerk van PostNL afhankelijk
zijn voor hun dienstverlening over de gevolgen van invoering van 72 uurs-bezorging
voor die dienstverlening. Zo neen, waarom niet? Zo ja, hoe beoordeelt de Minister
de bezwaren van die bedrijven?
Voorafgaand aan de voorbereiding van de wijziging van het Postbesluit 2009 is meerdere
malen gesproken met postbedrijven die voor hun dienstverlening afhankelijk zijn van
toegang tot het netwerk van PostNL. In deze gesprekken lag de focus primair op de
vormgeving van het toegangsregime. Bezorgduur en bezorgzekerheid zijn gespreksonderwerpen
geweest maar zijn minder expliciet aan de orde geweest. Natuurlijk is wel via de internetconsultatie
en afzonderlijke bijdragen ruimte geboden voor inbreng en kennisgenomen van de zorgen
en bezwaren van deze bedrijven over de gevolgen van D+3 voor hun bedrijfsvoering en
hun klanten. Deze zijn betrokken bij de afwegingen die het kabinet heeft gemaakt over
de voorgenomen wijziging van het Postbesluit 2009.
Enkele partijen hebben aandacht gevraagd voor de effecten op de werkgelegenheid bij
regionale postbedrijven onvoldoende. Daarbij geldt dat de postmarkt geen statische
markt is en dat werkgelegenheidseffecten zich niet eenduidig laten ramen. Deze hangen
in belangrijke mate af van de mate waarin bedrijven hun bedrijfsmodellen aanpassen
en nieuwe diensten ontwikkelen. Aangezien de UPD geen exclusief recht is, staat het
bedrijven vrij om concurrerende diensten aan te bieden, bijvoorbeeld een D+3-dienst
of een snellere D+2-dienst tegen een andere prijs.
Ten aanzien van de belangen van eindgebruikers en bedrijven die afhankelijk zijn van
het netwerk van PostNL geldt vanzelfsprekend dat deze zijn meegewogen. Het doorvoeren,
indien PostNL daarvoor kiest, van de versoepelde UPD-norm naar het zakelijke segment
kan de ruimte vergroten voor nieuwe toetreders en alternatieve netwerken om met PostNL
te concurreren op prijs, snelheid en kwaliteit.
Tijdens de internetconsultatie zijn ook zorgen geuit dat het beleid te veel gebaseerd
is op eenzijdige cijfers van PostNL. Het ACM-onderzoek en de scenarioanalyses van
EY zijn gebaseerd op cijfers die zijn aangeleverd door PostNL. Dit is ook niet te
voorkomen omdat de scenario’s raken aan de bedrijfsvoering van PostNL. Door EY en
de ACM in te schakelen bij de beoordeling van deze cijfers, is getracht onafhankelijke
en meerzijdige input te verkrijgen voor de gemaakte beleidsafwegingen.
Tijdens de internetconsultatie is ook geuit dat het beleid erop gericht zou zijn om
concurrentie uit te schakelen. Deze suggestie herken ik niet. Concurrentie is van
belang voor een goed functionerende postmarkt. Het gewenste transitie-pad beoogt ruimte
te laten voor nieuwe toetreders, samenwerking tussen regionale partijen te stimuleren
en alternatieve bezorgnetwerken te laten ontstaan.
Is de Minister bereid om de verruiming naar 48-uursbezorging los te koppelen van de
invoering van 72-uursbezorging door PostNL en die 72-uursbezorging op te schorten
totdat er een toegangsregime ligt dat beklijft, zoals de Kamer eerder bij motie gevraagd
heeft en zoals de ACM ook aanbevolen heeft? Zo neen, waarom niet en welke oplossingen
heeft hij dan voor ogen voor de andere postbedrijven die van PostNL afhankelijk zijn?
Nee. De verruiming van de overkomstduur en het reguleren van toegang tot het landelijke
netwerk zijn twee verschillende instrumenten met onderscheidende doelen. De verruiming
naar D+2 en op termijn D+3 is noodzakelijk om de UPD betaalbaar en uitvoerbaar te
houden. Daarnaast kan deze verruiming ruimte bieden voor toetreding, productdifferentiatie
en innovatie door andere marktpartijen. Deze belangen zijn betrokken in de afweging.
Het toegangsregime ziet op de voorwaarden waaronder toegang tot het landelijke netwerk
kan worden verkregen en raakt aan de positie van verschillende marktpartijen. Daarbij
onderken ik dat de UPD-verlener momenteel als enige beschikt over een landelijk netwerk
en dat regionale postvervoerders in de huidige situatie in zekere mate afhankelijk
zijn van toegang daartoe. Mede naar aanleiding van de moties van de leden Vermeer
en Kisteman17 en van het lid Thijssen18 is geconstateerd dat verdere uitwerking en borging van het toegangsregime wenselijk
is.
Deze doorontwikkeling van het toegangsregime vormt echter geen reden om de invoering
van de verruiming van de overkomstduur op te schorten. Beide trajecten dienen verschillende
doelen en kennen verschillende tijdpaden. Uitstel van D+3 zou de financiële druk op
de UPD verder vergroten en in de toekomst het risico op een financieel onhoudbaar
landelijk postnetwerk verhogen, zonder dat daarmee op korte termijn een structurele
oplossing wordt geboden voor de afhankelijkheid van regionale postvervoerders. Daarnaast
zijn ook regionale postvervoerders gebaat bij een financieel houdbaar en stabiel postnetwerk.
Bij realistische kaders heeft de UPD-verlener de ruimte om een financieel houdbaar
landelijk postnetwerk te realiseren. Bij onrealistische kaders daarentegen is het
niet redelijk om te verwachten dat de UPD-verlener een wettelijke taak op termijn
tegen verlies zou blijven uitvoeren en neemt het risico toe dat dit netwerk gefinancierd
dient te worden met publieke middelen. Het kunstmatig in stand houden van een netwerk
via een subsidie zou de marktdynamiek ernstig verstoren en de afhankelijkheid van
PostNL verder bestendigen, omdat middelen zouden worden ingezet om een netwerk overeind
te houden tegen voorwaarden die niet langer marktconform zijn. Dat acht ik onwenselijk
en geen doelmatige en duurzame inzet van publieke middelen.
Tot slot bezorgen regionale postbedrijven naar eigen zeggen circa 80% van hun post
zelf en zijn zij slechts voor een beperkt deel afhankelijk van het landelijke netwerk.
Als zij een hogere bezorgkwaliteit willen aanbieden, bijvoorbeeld omdat de zakelijke
markt daar om vraagt en daar een rendabele businesscase voor bestaat, kunnen zij zelf
producten ontwikkelen en aanbieden die sneller zijn dan de standaardbezorging. Het
staat PostNL bovendien vrij om ook naast een D+3 UPD-product, prioriteitsproducten
buiten de UPD aan te bieden. Daarmee blijft ruimte bestaan voor maatwerk, keuzevrijheid
en concurrentie op kwaliteit, naast een robuust en toekomstbestendig basisnetwerk.
Is de Minister bereid om PostNL niet toe te staan om de verruimde voorwaarden voor
de UPD één op één toe te passen op de zakelijke postmarkt, zodat de 48-uursbezorging
op de zakelijke postmarkt kan blijven bestaan? Zo neen, is hij dan ten minste bereid
om de ACM te verzoeken hierop maatregelen te nemen? Zo neen, waarom niet?
Nee, daartoe ben ik niet bereid. Het is aan PostNL om de voorwaarden van haar zakelijke
aanbod vast te stellen. Daarbij worden de voorwaarden die gelden voor de UPD niet
één op één doorvertaald naar de zakelijke postmarkt. Zo heeft PostNL per 1 januari
2025 de bezorgduur voor zakelijke post verlengd naar D+2, terwijl voor de UPD nog
een overkomstduur van D+1 geldt.19 Dit illustreert dat PostNL binnen het zakelijke segment eigen en andere afwegingen
maakt.
Het voorliggende postbesluit, dat voorziet in een verlenging van de overkomstduur,
richt zich uitsluitend op de UPD. Deze UPD-post vertegenwoordigt een beperkt deel
van de totale postvolumes op de Nederlandse postmarkt. De vormgeving van het zakelijke
aanbod wordt daarnaast bepaald door marktomstandigheden en de vraag van zakelijke
afnemers. Indien er behoefte is aan snellere producten, zoals D+1- of D+2-diensten,
ligt het voor de hand dat PostNL deze ook blijft aanbieden binnen het zakelijke segment.
De aanpassing van de UPD-overkomstduur kan daarmee invloed hebben op de wijze waarop
PostNL haar bedrijfsvoering organiseert, maar is niet als enige bepalend voor het
zakelijke aanbod. Op termijn kan dit ertoe leiden dat D+3 zich ontwikkelt tot een
nieuwe basiskwaliteit voor het postnetwerk als geheel. Dit creëert een nieuw referentiekader
in de markt en biedt ruimte voor andere marktpartijen om zich te onderscheiden met
alternatieve diensten, zoals snellere bezorging of gespecialiseerde postproducten.
In de praktijk hanteert PostNL dan ook een breed en gedifferentieerd zakelijk productaanbod.
Zakelijke klanten maken hierover in de praktijk zelf afspraken met hun postvervoerder,
afgestemd op hun specifieke behoeften. Het wettelijk opleggen van één norm, zoals
een verplichte 48-uursbezorging, zou onvoldoende aansluiten bij die diversiteit en
de ruimte voor productdifferentiatie en concurrentie juist beperken.
Ik zie ook geen aanleiding om de ACM te verzoeken hierop maatregelen te nemen. De
ACM is een onafhankelijke toezichthouder en beoordeelt op eigen gezag of sprake is
van misbruik van een machtspositie of andere mededingingsrechtelijke overtredingen.
Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de ACM binnen haar wettelijke bevoegdheden
momenteel al handhavend optreden. Het is niet aan mij om de ACM te instrueren over
individuele marktuitkomsten of productvoorwaarden.
Tot slot merk ik op dat in de uitvoering sprake is van één integraal bezorgnetwerk
van PostNL, waarin zowel UPD- als zakelijke poststromen worden verwerkt. Verbeteringen
in de kwaliteit en betrouwbaarheid van de UPD werken daarmee ook door in de dienstverlening
aan zakelijke afnemers. Realistische UPD-kaders dragen bovendien bij aan de transitie
naar een bredere bezorgmarkt, waarin ruimte kan ontstaan voor alternatieve en snellere
producten, zoals D+1-diensten, aangeboden door PostNL of andere marktpartijen.
Alles afwegend zie ik geen bezwaren tegen het doorvertalen van de verruimde UPD-voorwaarden
door PostNL naar haar zakelijke aanbod. Ik zie dan ook geen aanleiding om de ACM te
verzoeken hierop in te grijpen. De zakelijke postmarkt functioneert primair op basis
van concurrentie en maatwerkafspraken tussen aanbieders en klanten, binnen de geldende
wettelijke kaders en onder toezicht van de ACM.
De leden van de BBB-fractie vragen vervolgens of de Minister uiteen kan zetten welke
besparing de invoering van 72-uursbezorging PostNL oplevert, nu de ACM als toezichthouder
op deze markt tot op heden niet in staat bleek om die economische meerwaarde te berekenen.
Als de Minister niet in staat is om die besparing uit te rekenen, hoe kan er dan op
vertrouwd worden dat invoering van een 72-uursbezorgtermijn doelmatig en noodzakelijk
is?
De exacte financiële effecten van afzonderlijke maatregelen, zoals het verruimen van
de overkomstduur naar D+3, zijn niet met precisie te kwantificeren. Dit hangt samen
met onzekerheden in volumeontwikkeling, kostenstructuur en gedragsreacties van gebruikers
in een krimpende postmarkt.
De ACM heeft gedegen onderzoek verricht en meerdere scenario’s doorgerekend waarin
verschillende maatregelen in samenhang zijn bezien. Deze doorrekeningen zijn vervolgens
door EY onafhankelijk getoetst. Hoewel de uitkomsten van deze analyses niet als absolute
cijfers kunnen worden beschouwd, bieden zij wel een richtinggevend beeld van de effecten
op de financiële houdbaarheid van de UPD.
Uit geen van de doorgerekende scenario’s blijkt dat de UPD op termijn rendabel kan
worden uitgevoerd zonder verruiming van de bezorgtermijn naar D+3. Op basis van deze
analyses wordt de invoering van een 72-uursbezorgtermijn zowel doelmatig als noodzakelijk
geacht om de continuïteit van de UPD te waarborgen.
Is de Minister bereid om de invoering van een 72-uursbezorging op te schorten totdat
de ACM de werkelijke cijfers van PostNL heeft kunnen bestuderen, zoals de Kamer eerder
heeft verzocht, en hij heeft kunnen vaststellen dat dit inderdaad noodzakelijk is
om een doelmatige postbezorging overeind te houden? Zo neen, waarom niet?
Ik acht een dergelijke opschorting onverstandig. In de beantwoording van vraag 28
heb ik dat nader toegelicht.
Uit cijfers die PostNL eerder zelf publiceerde, blijkt dat een mogelijke invoering
van 72-uursbezorging voor PostNL ongeveer evenveel zou opleveren als de subsidie zou
opleveren waarom PostNL tevergeefs heeft verzocht bij het ministerie. Kan de Minister
uitsluiten dat beide zaken verband met elkaar houden? Zo neen, is het toestaan van
72-uursbezorging dan niet feitelijk een verkapte subsidie? Kan de Minister zijn antwoord
toelichten?
Zoals de leden van de BBB-fractie terecht signaleren, kunnen het verstrekken van subsidie
en het aanpassen van de kwaliteitseisen voor de UPD in zekere zin met elkaar samenhangen.
Beiden zijn mogelijke maatregelen om de houdbaarheid van de UPD in een krimpende en
gereguleerde markt te borgen, zoals in de beantwoording van vraag 1 is uiteengezet.
Aanpassingen, zoals het ruimte bieden aan bezorging binnen 3 bezorgdagen, zijn erop
gericht om te voorkomen dat op termijn een situatie ontstaat waarin een overheidssubsidie
aan de orde zou kunnen komen. Er is dus nu geenszins sprake van een verkapte subsidie.
De huidige situatie is dat de bestaande kaders voor de UPD in toenemende mate onder
druk staan. Van een bedrijf als PostNL kan niet worden verwacht dat zij een wettelijke
taak binnen deze kaders blijft uitvoeren voor de lange termijn. Niettemin heb ik het
subsidieverzoek van PostNL afgewezen omdat subsidiëring haaks staat op de omstandigheid
dat subsidie niet nodig noch gewenst is bij realistische kaders voor het uitvoeren
van de UPD en de inzet om daarom de UPD-eisen aan te passen. Om te komen tot realistische
kaders is daarom bij uw Kamer het ontwerpbesluit tot wijziging van het Postbesluit
2009 voorgehangen. Hiermee worden de kwaliteitseisen van de UPD aangepast zodat een
operationeel uitvoerbare en financiële rendabele UPD wordt gewaarborgd. Deze aanpassingen
zijn bedoeld om de wettelijke eisen beter te laten aansluiten bij de marktsituatie,
om concurrentie de ruimte te bieden, en te komen tot een financieel houdbaar netwerk.
De leden van de BBB-fractie vragen of de Minister ermee bekend is dat andere postpartijen
stellen dat het toestaan van 72-uursbezorging de weg afsluit naar keuzes die nog gemaakt
zouden kunnen worden in het kader van de vorming van de bredere bezorgmarkt. Hoe beoordeelt
de Minister die stellingen? Heeft hij daarover met die andere postpartijen gesproken
en is hij van mening dat het beter zou zijn om de 72-uursbezorging op te schorten
totdat de eerder door de Kamer gevraagde routekaart naar de bredere bezorgmarkt er
ligt? Zo neen, waarom niet?
Ik ben bekend met de stelling van andere postpartijen dat het toestaan van bezorging
binnen 3 bezorgdagen keuzes voor de bredere bezorgmarkt zou blokkeren. Die stelling
onderschrijf ik niet. De kern van de transitie naar een bredere bezorgmarkt is dat
de UPD-verplichtingen beter aansluiten bij wat financieel en operationeel haalbaar
is in de huidige markt. Hiermee wordt het mogelijk voor de UPD-verlener om het landelijk
postnetwerk doelmatiger en betrouwbaarder te organiseren. Door eisen aan kwaliteit
van de UPD te moderniseren, kan ruimte ontstaan voor marktpartijen om (delen van)
postdiensten rendabel aan te bieden. Dat vergroot juist de kans op toetreding van
nieuwe aanbieders, zoals logistieke en pakketbezorgers, in segmenten als brievenbuspakketjes,
aangetekende post en D+1-diensten. Deze analyse wordt onderschreven door de ACM.
Over deze onderwerpen is met verschillende postpartijen gesproken. Hun zorgen zijn
begrijpelijk, maar de conclusie dat D+3 de weg zou afsluiten naar een bredere bezorgmarkt
onderschrijf ik niet. Integendeel, realistische UPD-kaders zijn een noodzakelijke
voorwaarde voor die transitie. Zij maken toetreding aantrekkelijker en verminderen
de kans dat de UPD op termijn alleen nog met overheidssubsidie uitvoerbaar is.
Ik zie daarom geen aanleiding om de stap naar D+3 op te schorten in afwachting van
een routekaart, die onderdeel uitmaakt van een toekomstbeeld van de postmarkt na 2035.
Deze stap naar D+3 is noodzakelijk om te voorkomen dat op afzienbare termijn een situatie
kan ontstaan waarin de continuïteit van de UPD niet kan worden geborgd. Bij realistische
kaders heeft de UPD-verlener de ruimte om een financieel houdbaar landelijk postnetwerk
te realiseren. Bij onrealistische kaders daarentegen is het niet redelijk om te verwachten
dat de UPD-verlener een wettelijke taak op termijn tegen verlies zou blijven uitvoeren
en neemt het risico toe dat dit netwerk gefinancierd dient te worden met publieke
middelen. Het kunstmatig in stand houden van een netwerk via een subsidie zou de marktdynamiek
ernstig verstoren en de afhankelijkheid van PostNL verder bestendigen, omdat middelen
zouden worden ingezet om een netwerk overeind te houden tegen voorwaarden die niet
langer marktconform zijn. Doorrekeningen in het ACM-onderzoek en de analyse van de
ACM laten zien dat een verruiming naar D+3 onvermijdelijk is bij structureel dalende
volumes en stijgende kosten.20 Het ACM-onderzoek bevat bovendien de bouwstenen om nu richtinggevende beleidskeuzes
te maken.
Voor de volledigheid merk ik op dat ik eerder niet specifiek een routekaart naar de
bredere bezorgmarkt heb aangekondigd, maar een toekomstbeeld van de postmarkt na 2035.21 Het ligt in de rede dit toekomstbeeld uit te werken in samenhang met het wettelijk
kader na afronding van de parlementaire behandeling van het wetvoorstel tot wijziging
van de Postwet 2009. Uw Kamer zal hierover worden geïnformeerd nadat die behandeling
is voltooid en de verdere uitwerking heeft plaatsgevonden.
Alles afwegend zie ik geen aanleiding om de invoering van D+3 uit te stellen. Uitstel
zou de financiële druk op de UPD vergroten en de transitie naar een bredere bezorgmarkt
bemoeilijken in plaats van bevorderen.
Onlangs heeft de Minister gelijktijdig drie besluiten genomen over subsidie, intrekking
van de universele postdienst en het starten van een transparante procedure in de zin
van de Postwet.22 Is de Minister van mening dat de inhoudelijke beoordeling van die drie besluiten
onderling samenhangen? Zo ja, hoe? Zo neen, waarom niet?
Ja, de inhoudelijke motivering van deze drie besluiten hangt met elkaar samen. De
besluiten zijn genomen vanuit dezelfde beleidsmatige afweging, namelijk de vraag hoe
de continuïteit en uitvoerbaarheid van de universele postdienst (UPD) in een krimpende
en gereguleerde postmarkt het best kan worden geborgd.
Het besluit om geen subsidie te verstrekken, het besluit tot afwijzing van het verzoek
van PostNL om de aanwijzing van PostNL als UPD-verlener in te trekken en het besluit
tot afwijzing van het verzoek van Bpost en Spotta om een selectieprocedure te starten
voor een nieuwe aanwijzing van de UPD-verlener zijn elk afzonderlijk genomen binnen
het daarvoor geldende wettelijke kader. Tegelijkertijd zijn zij inhoudelijk met elkaar
verbonden, omdat zij alle drie steunen op de keuze om eerst het regelgevend kader
voor de UPD aan te passen via wijziging van het Postbesluit. Met deze aanpassingen
wordt beoogd om de wettelijke eisen aan de UPD beter te laten aansluiten bij de marktomstandigheden,
waardoor de uitvoering van de UPD zonder subsidie mogelijk blijft en er geen aanleiding
is om de bestaande aanwijzing van de UPD-verlener te beëindigen of een nieuwe selectieprocedure
te starten.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
I.J.M. Michon-Derkzen, voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken -
Mede ondertekenaar
H.W. Krijger, adjunct-griffier