Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het Fiche: Mededeling financiële geletterdheid (Kamerstuk 22112-4202)
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4253
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 3 februari 2026
De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister en Staatssecretaris van Financiën over de brief van 7 november 2025
over het Fiche: Mededeling financiële geletterdheid (Kamerstuk 22 112, nr. 4202).
De vragen en opmerkingen zijn op 8 december 2025 aan de Minister en Staatssecretaris
van Financiën voorgelegd. Bij brief van 3 februari 2026 zijn de vragen, mede namens
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Van der Lee
Adjunct-griffier van de commissie, Van der Steur
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de Minister
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie zetten zich altijd in om de bestuurlijke autonomie van
Nederland in de Europese Unie te beschermen. Deze leden vrezen dat het voorliggende
voorstel een precedent kan scheppen om invloed uit te oefenen op het nationale onderwijsbeleid.
Hoewel deze leden het belang van financiële geletterdheid onderschrijven en kennisnemen
van de geruststelling van de Europese Commissie dat het integreren van financiële
geletterdheid in het schoolcurriculum geen onderdeel van de strategie vormt, vragen
deze leden het kabinet om te verduidelijken in hoeverre het voorliggende voorstel
invloed heeft op de nationale beleidsruimte op onderwijsgebied.
Zoals in het BNC-fiche wordt genoemd is en blijft de integratie van financiële geletterdheid
in schoolcurricula een verantwoordelijkheid van de lidstaten zelf. De strategie dient
als aanvulling op en versterking van bestaand (nationaal) beleid en initiatieven om
financiële geletterdheid te bevorderen. Uit de pijlers en voorgenomen acties van de
Europese Commissie blijkt dat de mededeling geen invloed heeft op de nationale beleidsruimte
op onderwijsgebied.
De leden van de PVV-fractie constateren dat het kabinet in zijn reactie op het voorstel
meerdere voorbeelden noemt over hoe de Staat zich momenteel inzet voor het bevorderen
van financiële geletterdheid. Deze leden vragen het kabinet om uit te leggen wat het
voorliggende voorstel concreet bijdraagt bovenop de vele initiatieven die er nu al
zijn.
Het kabinet ziet de mededeling van de Commissie, gericht op het vergroten van de financiële
inclusie en geletterdheid, als een waardevolle aanvulling op het bestaande beleid,
met extra aandacht voor kwetsbare groepen. De Commissie streeft ernaar financiële
geletterdheid te vergroten, zodat burgers hun financiën beter kunnen beheren en vermogen
kunnen opbouwen, bijvoorbeeld via (retail)beleggen. Daarvan profiteren zowel burgers
als de bredere economie. Het kabinet moedigt meer aandacht voor financiële geletterdheid
aan. Door samenwerking tussen lidstaten en relevante stakeholders te stimuleren, best practices te delen en financieringsmogelijkheden te bieden, kan de Commissie een ondersteunende
rol vervullen en lidstaten helpen hun initiatieven op het gebied van financiële geletterdheid
verder te ontwikkelen en te versterken.
Deze leden vragen het kabinet of het kabinet kan garanderen dat Nederland niet weer,
als braafste jongetje van de klas, allerlei nationale koppen gaat introduceren om
zo vorm te geven aan voorliggende voorstel.
De strategie voor financiële geletterdheid van de Commissie is een zogenaamde mededeling.
Dit is een instrument van de Commissie om een standpunt of beleidsvisie toe te lichten.
Het betreft dus geen wetgevingshandeling en daarmee zijn nationale koppen niet aan
de orde.
Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie of de uitvoering van het voorliggende
voorstel leidt tot kosten voor de Nederlandse belastingbetaler. Deze leden verzoeken
het kabinet om te verduidelijken welke kosten het voorstel met zich meebrengt.
Met dit voorstel zijn geen extra kosten gemoeid. Zoals in het fiche wordt genoemd
stelt de Commissie voor om al haar inspanningen in te passen binnen de in de Raad
afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021–2027 en hebben de voorstellen
geen invloed op de rijksbegroting.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie zijn voorstander van het waar opportuun gelijktrekken
van regels tussen Europese lidstaten om zo te komen tot een diepere kapitaalmarkt.
Nederlandse bedrijven, zeker scale-ups, hebben moeite om aan financiering te komen,
waardoor de groei van deze bedrijven stokt. Dit zet onze economische groei en daarmee
onze welvaart onder druk; zonder florerende bedrijven, ook geen goedbetaalde banen,
zo merken deze leden op. Het is daarom nodig om een been bij te trekken en het bevorderen
van financiële geletterdheid kan bijdragen aan een beter functionerende kapitaalmarkt,
zo menen deze leden.
Subsidiariteit
Deze leden zijn echter onvoldoende overtuigd van de subsidiariteit van het plan voor
financiële geletterdheid van de Europese Commissie. Deze leden lezen dat het kabinet
de subsidiariteit rechtvaardigt omwille van het «grensoverschrijdende karakter van
het vrij verkeer van kapitaal en betalingen». Deze leden vinden dit een ontoereikende
toelichting op het subsidiariteitsbeginsel en ontvangen graag een uitgebreidere toelichting
van het kabinet. Het bevorderen van financiële geletterdheid is belangrijk, maar dit
kan ook op nationaal niveau gebeuren, zo menen deze leden. Deze leden zijn nog onvoldoende
overtuigd van de subsidiariteit voor bijvoorbeeld het plan voor een EU-brede campagne
voor financiële geletterdheid en het opzetten van een website voor een overzicht van
financieringsmogelijkheden voor onderzoek naar financiële geletterdheid.
Door de financiële geletterdheid van burgers te vergroten, neemt de participatie in
en het gebruik van kapitaalmarkten toe. Dit helpt om het volledige potentieel van
het vrij verkeer van kapitaal en betalingen binnen de interne markt van de EU te benutten.
De strategie van de Commissie dient als aanvulling op en versterking van bestaand,
nationaal beleid. Hoewel Nederland al via onder meer Wijzer in geldzaken actief inzet
op het vergroten van financiële geletterdheid, vindt het kabinet het delen van best
practices uit andere lidstaten – waar bijvoorbeeld een grotere beleggingscultuur heerst
– relevant en van toegevoegde waarde voor het nationale beleid. Daarnaast kan het
bevorderen van de samenwerking, bijvoorbeeld met een EU-brede bewustwordingscampagne
en het stimuleren van het delen van ervaringen tussen lidstaten, synergievoordelen
creëren waarmee de EU nationale inspanningen effectief kan ondersteunen en versterken.
Het kabinet vindt het daarbij positief dat verantwoord beleggen een prominente plek
heeft in de strategie van de Commissie, omwille van het bevorderen van een Europese
kapitaalmarktunie. Een hogere financiële geletterdheid en – als gevolg daarvan – naar
verwachting betere financiële gezondheid van burgers dragen bij aan macro-economische
en financiële stabiliteit doordat huishoudens hierdoor beter in staat zijn om financiële
schokken op te vangen. Dat komt de economie en de hele kapitaalmarkt te goede. Uiteindelijk
profiteert Nederland dus ook wanneer de financiële geletterdheid van huishoudens in
de hele EU omhooggaat.
Zweden
De leden van de VVD-fractie zien tegelijkertijd meerwaarde in het delen van best practices
voor financiële geletterdheid tussen lidstaten, zoals opgenomen in de plannen van
de Europese Commissie. Deze leden denken dat Nederland een hoop kan leren van Zweden,
waar reeds een veel diepere nationale kapitaalmarkt is. Deze leden zijn blij om te
lezen dat het kabinet in de geannoteerde agenda Zweden expliciet als voorbeeld noemt
voor Nederland. Welke mogelijkheden tot het overnemen van effectieve maatregelen uit
Zweden ziet het kabinet voor de korte termijn?
Het kabinet constateert dat Zweden beschikt over een diepe kapitaalmarkt, deels als
gevolg van fiscale regelingen. Zoals staat in het fiche «Aanbeveling over het faciliteren
van beleggingsrekeningen»1 vindt het kabinet het aannemelijk dat fiscale stimulering in box 3 het gebruik van
beleggingsrekeningen kan bevorderen. Het kabinet zal dit nader onderzoeken.
De strategie van de Commissie, die gericht is op het verzamelen van best practices
van lidstaten, wordt door het kabinet positief beoordeeld. Nederland staat open voor
het overnemen van effectieve maatregelen uit Zweden ten aanzien van het bevorderen
van financiële geletterdheid, zodra hier meer inzicht in is verkregen door de inspanningen
die volgen uit de strategie van de Commissie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie vinden het goed dat de Europese Commissie het belang deelt
van financiële geletterdheid, met name in de huidige maatschappij waarin er meer kansen,
maar ook risico’s liggen. Deze leden hebben daarvoor ook in hun actieplan financiële
weerbaarheid aandacht gevraagd. Deze leden vragen of het kabinet de mening deelt dat
financiële geletterdheid een essentiële vaardigheid is die burgers in staat stelt
hun financiële onafhankelijkheid en welzijn te waarborgen.
Het kabinet deelt de zienswijze van de CDA-fractie dat financiële geletterdheid van
groot belang is om burgers te ondersteunen bij het realiseren van financiële onafhankelijkheid
en welzijn. In de mededeling benadrukt de Commissie dat financiële geletterdheid een
essentiële vaardigheid is, die door digitalisering en het toenemende aanbod aan financiële
producten en diensten steeds belangrijker wordt. In de reactie op de mededeling onderschrijft
het kabinet dit belang en verwelkomt het kabinet de strategie, die goed past bij lopende
Nederlandse activiteiten op het gebied van financiële geletterdheid.
Deze leden vragen hoe het kabinet kijkt naar het niveau van financiële geletterdheid
in Nederland en naar het niveau in Nederland ten opzichte van burgers in andere EU-lidstaten.
Uit de Eurobarometer van 2023 die het niveau van financiële geletterdheid binnen de
EU in kaart brengt en waar de Commissie in haar aanbeveling naar verwijst, blijkt
dat Nederland tot de best presterende landen behoort, met het hoogste percentage burgers
dat een hoge score op financiële geletterdheid behaalt. Daarnaast toont internationaal
vergelijkend trendonderzoek (PISA-2022)2 naar de financiële geletterdheid van 15-jarigen aan dat Nederlandse 15-jarigen een
hogere toetsscore hebben dan de gemiddelde score van de (deelnemende) OESO-landen.
Nederland behoort hiermee, samen met een viertal andere landen3, tot de hoogst scorende (deelnemende) landen. Uit het onderzoek, dat is gebaseerd
op een meting in 2022, komen ook aandachtspunten naar voren. Bijna een vijfde van
de Nederlandse leerlingen behaalt het basisniveau financiële geletterdheid niet. Deze
groep leerlingen met achterblijvende financiële geletterdheid verdient aandacht. Ook
de Eurobarometer toont aan dat 15% van de Nederlandse burgers nog een lage score haalt.
Samengevat blijkt dat Nederland in internationaal opzicht hoog scoort op financiële
geletterdheid van burgers, maar dat op bepaalde onderdelen verdere verbetering noodzakelijk
is om te zorgen dat alle burgers het basisniveau halen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet meerdere acties beschrijft die reeds
in Nederland worden genomen, maar deze leden merken op dat dit meer gericht lijkt
op bewustwordingscampagnes en hulpverlening, dan op activerend beleid. Zo hebben deze
leden meerdere keren gevraagd naar door de overheid gefaciliteerde producten die financiële
weerbaarheid vanaf jonge leeftijd kunnen vergroten, zoals zilvervlootsparen, bouwsparen
of gefaciliteerd beleggen. Het kabinet heeft steeds aangegeven dat de markt voldoende
mogelijkheden biedt en dat daar geen rol voor de overheid is weggelegd, al is op het
laatste onderdeel beweging. Deze leden vragen hoe het kabinet inmiddels kijkt naar
genoemde producten. Ook vragen deze leden welke initiatieven het kabinet op korte
termijn gaat nemen ten aanzien van het bereiken van hogere participatie van (retail)beleggers,
aangezien het kabinet zelf aangeeft dat fiscaal anders behandelen bijvoorbeeld al
niet mogelijk is de komende jaren in verband met de implementatie van het nieuwe Box 3-stelsel.
Het is essentieel voor huishoudens om voldoende spaarbuffer achter de hand te hebben
om financiële tegenslagen op te vangen of om te sparen voor een uitgave in de toekomst.
Het is dan ook positief dat uit cijfers, onder meer uit onderzoek van het Nibud4, blijkt dat het merendeel van de Nederlandse scholieren reeds spaart. In 2024 is
de Kamer per brief5 geïnformeerd over de visie op het stimuleren van sparen en het aanbod van spaarproducten.
In deze visie ligt de nadruk inderdaad op financiële educatie en het sturen van gedrag.
De kabinetsvisie ten aanzien van het herintroduceren van zilvervlootsparen blijft
ongewijzigd. Het kabinet ziet op dit moment geen urgente aanleiding om sparen (onder
minderjarigen) te stimuleren via een subsidiemaatregel. Ook ten aanzien van bouwsparen
is de zienswijze van het kabinet ongewijzigd. Zoals is toegelicht in een Kamerbrief6 heeft de financieringsvorm bouwsparen binnen het huidige stelsel naar het oordeel
van het kabinet geen toegevoegde waarde voor de Nederlandse markt.
Zoals in de Kamerbrief7 over het stimuleren van sparen is toegelicht, blijkt dat de meeste impact te bereiken
is bij huishoudens die wel de mogelijkheid hebben om te sparen, maar dit in de praktijk
niet doen. Het gaat hierbij om huishoudens met midden- en hoge inkomens die, door
het ontbreken van een financiële buffer, onnodig kwetsbaar zijn voor financiële tegenslagen.
Momenteel voert een extern bureau in opdracht van het Ministerie van Financiën een
gedragsonderzoek uit naar deze specifieke doelgroep. In dat onderzoek kijken de onderzoekers
naar de achterliggende gedragsinzichten, oorzaken en belemmeringen die hen ervan weerhouden
om een spaarbuffer op te bouwen. De uitkomsten van dit onderzoek worden medio 2026
verwacht.
Het kabinet sprak zich in de kabinetsinzet voor de Europese kapitaalmarktunie8 reeds positief uit over mogelijkheden om consumenten die veel sparen en verantwoord
meer zouden kunnen beleggen, aan te moedigen om te (beginnen met) beleggen. Daarnaast
tekende Nederland op 5 juni jl. in een kopgroep van deelnemende lidstaten een intentieverklaring
voor de lancering van het beleggingslabel Finance Europe, wat als doel heeft om meer
en duidelijke mogelijkheden te geven om te beleggen in de Europese economie om zodoende
het rendement op hun vermogen te vergroten.9 Ook beoordeelde het kabinet de aanbeveling van de Commissie voor een raamwerk voor
een (EU-)beleggingsrekening positief.10 Voor zowel Finance Europe als voor de (EU-)beleggingsrekening geldt dat eventuele fiscale stimulering pas wordt onderzocht wanneer het
nieuwe box 3-stelsel in werking is getreden. Om hier toch meer vaart achter te zetten,
heeft het kabinet tijdens het Commissiedebat Eurogroep/Ecofin op 3 december jl. toegezegd
om een onderzoek te doen naar mogelijkheden om beleggen fiscaal te stimuleren (in
box 3). Dit onderzoek is toegezegd voor medio 2026. Daarnaast zijn er gesprekken met
de sector over hun rol in het stimuleren van consumenten met voldoende spaarbuffer
om te beleggen. Zo hebben banken toegezegd om hun klanten periodiek te informeren
over spaarproducten en alternatieve manieren voor vermogensopbouw en hebben zij toegezegd
om door te gaan met uiteenlopende initiatieven voor het versterken van financieel
bewustzijn rondom vermogensopbouw.11
Tegelijkertijd hebben de leden van de CDA-fractie ook vele malen gewezen op de risico’s
van beleggen in risicovolle crypto, de steeds verdere en brutalere uitbreiding van
buy now pay later-initiatieven, de mooie praatjes van finfluencers en het ontstaan
van schulden door online gokken. Deze leden merken op dat het kabinet tot zover nauwelijks
in staat is geweest deze ontwikkelingen aan banden te leggen, ondanks vele oproepen
uit politiek en maatschappij. Is het kabinet bereid hier op nationaal niveau een tandje
bij te zetten en niet alleen ontwikkelingen vanuit Europa af te wachten?
Ongewenste financiële beïnvloeding van (jonge) consumenten vormt een risico voor de
financiële weerbaarheid. Deze weerbaarheid is een belangrijk speerpunt van het kabinet,
omdat het essentieel is dat mensen overzicht houden over hun financiën en ook bij
ingrijpende levensgebeurtenissen verantwoorde financiële keuzes kunnen maken. In de
Kamerbrief12 over ongewenste online beïnvloeding van (jonge) consumenten is de Kamer geïnformeerd
over de bestaande wet- en regelgeving, alsmede over de lopende en voorgenomen acties
die zijn gericht op bescherming van consumenten tegen ongewenste online beïnvloeding
op financieel terrein en het toezicht op finfluencers.
Door voortdurende innovatie blijft consumentenbeïnvloeding op financieel terrein zich
ontwikkelen. Beleid en wetgeving, en het daarop gerichte toezicht, kunnen de daarmee
samenhangende risico’s en schade beperken, maar deze niet volledig voorkomen. Het
kabinetsbeleid richt zich daarom in de eerste plaats op financiële educatie, aangevuld
met beleid en wetgeving en effectief toezicht. In dat kader worden goede stappen gezet,
waarbij Nederland soms al verder gaat dan waartoe op Europees niveau is besloten.
Zo wordt Buy Now, Pay Later (BNPL) op EU-niveau goed gereguleerd, maar gaat Nederland hierin een stap verder
door een algeheel BNPL-verbod in te voeren voor minderjaren. Daarnaast heeft het kabinet
aanbieders aangespoord om prudent gebruik van BNPL tot de inwerkingtreding van wetgeving
te bevorderen via een gedragscode. Ook op het gebied van finfluencers zijn verdere
stappen gezet. Zo heeft de Autoriteit Financiële Markten (AFM) in 2024 op basis van
bestaande wetgeving diverse finfluencers boetes opgelegd voor de samenwerking met
een illegale vermogensbeheerder.13
Het is positief dat in het recente politieke akkoord tussen de Raad en het Europees
Parlement inzake de Europese Retail Investment Strategy afspraken zijn gemaakt over strengere regels voor finfluencers en voor beleggingsondernemingen
die gebruikmaken van de diensten van finfluencers om reclame voor hen te maken.14 Hierover zal ik de Kamer later nader informeren. Daarnaast heb ik – samen met de
Minister van Economische Zaken en naar aanleiding van een toezegging uit voornoemde
Kamerbrief over ongewenste beïnvloeding – in Brussel ervoor gepleit om finfluencers
expliciet te verbieden om financiële producten of diensten aan te prijzen die worden
aangeboden door illegale financiële ondernemingen. Dit door de Europese Commissie
te verzoeken deze handelspraktijk onder alle omstandigheden aan te merken als een
oneerlijke handelspraktijk.15 Deze voorgestelde wijziging beoogt het eenvoudiger te maken om op te treden tegen
finfluencers wanneer zij de grens overschrijden. Tot slot heb ik – eveneens naar aanleiding
van een toezegging uit dezelfde Kamerbrief – samen met de AFM input gegeven op de
verdiepingsmodules van de e-learning voor het «influencer-certificaat» die de belangrijkste
regels uitleggen die gelden voor finfluencers (zoals het verbod om zonder vergunning
persoonlijk beleggingsadvies te geven).16 Gecertificeerde influencers zijn zo op de hoogte van de regels die gelden voor marketing
voor beleggingsdienstverlening, wat verantwoorde finfluencer-marketing moet bevorderen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de eerste pijler gaat over uitwisselen van best
practices. Naast de recente berichten van de Europese Commissie over de Zweedse overheidsbeleggingsspaarrekening
als goed voorbeeld, vragen deze leden of het kabinet nog meer voorbeelden kan noemen
van succesvolle initiatieven van lidstaten om financiële weerbaarheid te vergroten
en de kansen hiervan te benutten voor de samenleving en/of economie.
Eerder is in Europees verband verkend welke initiatieven lidstaten nemen om de financiële
geletterdheid van burgers te verbeteren en om de belangstelling voor vermogensopbouw
op de lange termijn via beleggen te vergroten. De door de Commissie aangekondigde
acties op het terrein van financiële geletterdheid bieden handvatten om deze verkenning
verder uit te werken en best practices te delen. Momenteel beschik ik niet over concrete
voorbeelden van succesvolle initiatieven van andere lidstaten. Ik beschouw de strategie
van de Commissie juist als een kans om dergelijke best practices nader te inventariseren
en te beoordelen welke hiervan het meest relevant en toepasbaar zijn in de Nederlandse
context.
Het kabinet verwijst ook naar de samenwerking in het OESO-INFE netwerk. Dit netwerk
heeft reeds eerder geadviseerd om financiële educatie in het onderwijs te verwerken,
maar de leden van de CDA-fractie merken op dat dit nog op incidentele basis gebeurt,
en vooral in het kader van projecten zoals de week van het geld. Deze leden vragen
welke acties nog meer kunnen worden genomen om financiële praktijken structureel in
bijvoorbeeld reken- en economielessen te verwerken.
Zoals in het BNC-fiche wordt genoemd is en blijft de integratie van financiële geletterdheid
in schoolcurricula een verantwoordelijkheid van de lidstaten zelf. Op 21 november
jl. stuurde de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de Kamer een
brief17 met de laatste sets kerndoelen, waarmee alle geactualiseerde kerndoelen voor het
primair en voortgezet onderwijs zijn opgeleverd. Allereerst is er met de nieuwe kerndoelen
(mens & maatschappij) meer aandacht voor financiële vaardigheden die leerlingen nodig
hebben om te leren omgaan met geld, bijvoorbeeld hoe keuzes worden beïnvloed door
(sociale) media en bedrijven en thema’s als inkomen, uitgaven, sparen, schulden en
financiële risico’s.18 Met kennis over financiën, werk en inkomen, samenwerking, welzijn en welvaart, eigen
gedrag en de impact van economische keuzes op de leefomgeving leren leerlingen betere
afwegingen maken. Daarnaast is er in de kerndoelen meer aandacht voor samenhang tussen
verschillende leergebieden. Zo leren leerlingen bij rekenen en wiskunde ook rekenen
met geld. De doelen over financiële geletterdheid kunnen dus ook in wiskunde- of economielessen
een plaats krijgen als een school daarvoor kiest. Scholen hebben de ruimte om zelf
invulling te geven aan deze doelen en kunnen dat ondersteunen met bijvoorbeeld deelname
aan de Week van het geld.
Het kabinet noemt ook de Subsidieregeling financiële educatie voor onderwijsinstellingen
(voor het middelbaar beroepsonderwijs, voortgezet onderwijs en een afgebakende groep
basisscholen). Deze leden vragen of het klopt dat de subsidie voor een beperkte periode
loopt. Deze leden vragen of het kabinet kan rapporteren over de resultaten van de
subsidieregeling tot zover.
De subsidie is toegekend voor een vooraf vastgestelde, beperkte periode. In februari
2026 zal het vierde tijdvak openen voor alle mbo-, middelbare scholen en basisscholen
die in de eerdere tijdvakken geen subsidie hebben ontvangen. De projectperiode is
drie jaar een loopt tot en met 2029. De Subsidieregeling financiële educatie voor
onderwijsinstellingen is onderdeel van de aanpak Armoede en Schulden vanuit het Ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Op 6 juni jl. stuurde de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid de kamer een brief19 over de aanpak. Daarin staat dat de evaluatie van deze regeling in de zomer 2025
is gestart, en zal worden afgerond in 2028. Eind 2025, 2026 en 2027 verschijnen tussentijdse
monitorrapporten over de regeling, waarin wordt ingegaan op onder meer het bereik
van de regeling (scholen, docenten/leerkrachten en leerlingen/studenten), realisatie
en geleerde lessen. In 2028 wordt het eindrapport met de evaluatie van de subsidieregeling
opgeleverd en zal deze naar de Kamer worden verzonden.
De leden van de CDA-fractie merken op dat het kabinet een lijst acties vanuit het
kabinet noemt. Deze leden vragen of deze acties regelmatig geëvalueerd worden en zo
ja, of de Minister de laatste evaluatie kan meesturen met de beantwoording van de
vragen.
Het belang van evalueren wordt breed onderschreven om zo de effectiviteit van beleid
vast te stellen, te verbeteren en verantwoording af te leggen over de inzet van publieke
middelen. Ook het platform Wijzer in geldzaken vindt het belangrijk dat de activiteiten
regelmatig worden geëvalueerd. Evaluaties en publiciteitsonderzoeken van de kernprojecten
vormen een belangrijk fundament voor de activiteiten van Wijzer in geldzaken. Deze
evaluaties, bijvoorbeeld naar de Pensioen3daagse of de Week van het geld, zijn van
belang om de effectiviteit van de initiatieven te monitoren en waar nodig het beleid
bij te sturen. In de jaarplannen20 van het platform wordt teruggeblikt op de activiteiten, resultaten en ontwikkelingen
van het afgelopen jaar, waarbij wordt ingegaan op de resultaten afkomstig uit de evaluaties.
De leden van de CDA-fractie lezen in de tweede pijler over bewustmakingscampagnes,
vooral ook gericht op financieel kwetsbare mensen. Deze leden vragen of inzicht en
overzicht voor deze groepen niet de eerste stap is naar meer financiële geletterdheid.
In dat kader vragen deze leden hoe het staat met de uitvoering van de motie van de
CDA-fractie om alle betalingen vanuit de overheid rond dezelfde datum plaats te laten
vinden, zodat mensen hun vaste lasten daarop kunnen laten aansluiten.
Het is bekend dat één vast betaalmoment bijdraagt aan het creëren van overzicht voor
mensen met financiële stress en kan helpen bij het vergroten van grip op het eigen
leven. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil bijdragen aan de financiële
positie van mensen en onderzoekt daarom de praktische mogelijkheden om inkomensmomenten
én uitgavenmomenten op elkaar af te stemmen. Hierbij zijn onder meer de uitvoeringsgevolgen
voor zowel publieke dienstverleners als (semi)private partijen van belang. Zo wordt
gekeken naar mogelijke risico’s voor bijvoorbeeld banken bij de invoering van één
betaalmoment, wat dit betekent voor de bereikbaarheid van servicecentra indien veel
mensen rond hetzelfde moment contact zoeken, en wat de financiële gevolgen zijn voor
overheidsinstanties als het UWV, de Dienst Toeslagen en gemeenten. De uitkomsten van
dit onderzoek zullen in de eerste helft van 2026 aan de Kamer worden aangeboden, waardoor
besluitvorming over dit onderwerp in de loop van 2026 kan plaatsvinden.
Daarnaast heeft het kabinet in het bijzonder aandacht voor het thema pensioenen, gezien
de complexiteit van het stelsel en de impact ervan op de (toekomstige) financiële
positie van huishoudens. De leden van de CDA-fractie vragen hoe effectief de Minister
vindt dat hij hierin is, gezien het artikel van 1 december 2025 in de Telegraaf: «Pensioen-ellende
dreigt voor werkende.»
De inzet op pensioenbewustheid via publiekscampagnes kan effectief zijn. In het genoemde
artikel wordt verwezen naar de groep werknemers zonder pensioenopbouw en regelingen
met beperkte premie-inleg. Om de groep werknemers zonder pensioen te laten afnemen
heeft het kabinet de afgelopen jaren verschillende maatregelen getroffen, waaronder
maatregelen die zich richten op het vergroten van het pensioenbewustzijn. Deze maatregelen
hebben bijgedragen aan het afnemen van het aantal werknemers zonder pensioenopbouw.
In 2019 bouwden 936.000 werknemers geen pensioen op. Eind 2023 was dat nog 680.00021. Daarnaast heeft het kabinet vanwege de transitie naar het nieuwe stelsel ook een
brede publiekscampagne gehouden om mensen bewust te maken van de regels van het nieuwe
pensioenstelsel en het pensioenbewustzijn te vergroten. De financiële positie na pensionering
van huishoudens wordt ook beïnvloed door de geldende pensioenregeling die met de werkgever
is afgesproken. Daarom heeft het kabinet in 2024 en 2025 publiekscampagnes georganiseerd
die zich richtten op werkgevers zonder pensioenregeling22. In de evaluatie naar aanleiding van de cijfers over het aantal werknemers zonder
pensioenopbouw in 2024 zal onder andere worden stilgestaan bij de effectiviteit van
deze campagnes.
Deze leden lezen de pijlers met name als publiekcampagnes, maar vragen het kabinet
of ook praktische tools kunnen worden ontwikkeld, zoals beleggingswijzers vanuit de
overheid. Bijvoorbeeld een praktische handleiding of lijst van beleggingen naar risicoprofiel.
Deze leden merken op dat financiële zaken voor veel mensen spannend zijn en dat specifieke
overheidsinformatie over bijvoorbeeld verstandig beleggen of sparen meer vertrouwen
kan geven.
Het kabinet herkent dat voor veel mensen financiële zaken spannend kunnen zijn en
specifieke overheidsinformatie helpt meer vertrouwen te geven. Zoals in het BNC-fiche
beschreven helpt de website www.wijzeringeldzaken.nl om betrouwbare informatie te vinden bij het maken van geldkeuzes. Op deze website
zijn ook handvatten te vinden, zoals de checklist beleggen. Ook zijn er links naar
andere websites met betrouwbare informatie, zoals van de AFM en de Vereniging voor
Effectenbezitters (VEB). Daarnaast stelt het platform Wijzer in geldzaken jaarlijks
het «Wat betekent dit voor mij»-instrument beschikbaar. Deze geeft inzicht in wat
de gevolgen in de portemonnee zijn van nieuwe wetten en regelingen per 1 januari van
het nieuwe jaar.
De leden van de CDA-fractie lezen bij de vierde pijler dat het kabinet aanbeveelt
om in het kader van het stimuleren van aanvullend onderzoek, systemisch kennis en
resultaten te delen over methoden die aantoonbaar effectief zijn bij het vergroten
van financiële geletterdheid. Deze leden vragen of het kabinet hier alleen een rol
voor Wijzer in geldzaken ziet, of ook breder kijkt naar inzichten van bijvoorbeeld
afdelingen financiële gezondheid bij banken, kennis van psychologennetwerken en andere
maatschappelijke initiatieven.
Het kabinet kijkt breder dan alleen naar platform Wijzer in geldzaken, maar merkt
hierbij op dat ook vanuit dit platform partners uit de financiële sector, de wetenschap,
de overheid en onderwijs-, voorlichtings- en consumentenorganisaties al hun krachten
bundelen om mensen in Nederland voor te bereiden op het maken van financiële keuzes.
Binnen het platform wordt kennisdeling als hoeksteen gezien; partners komen regelmatig
samen om kennis, gedragsinzichten en ervaringen te delen. Partners brengen hun expertise
in, variërend van financiële planning tot gedragspsychologie en consumentengedrag.23 Daarnaast wordt er samengewerkt met bijvoorbeeld Stichting Financieel Gezond Nederland,
waarin organisaties uit de publieke, private en semipublieke sector zich actief inzetten
om financiële kwetsbaarheid in Nederland terug te dringen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie verwelkomen de inzet van het kabinet om financiële geletterdheid
van (kwetsbare) burgers te verbeteren maar zijn van mening dat dit hoofdzakelijk een
nationale aangelegenheid is.
Deze leden lezen dat de strategie, geïnitieerd door de Europese Commissie, zich primair
richt op het bevorderen van financiële inclusie door bewustwording te vergroten, toegang
en effectief gebruik van financiële diensten te stimuleren, de economische weerbaarheid
van burgers te versterken en beleid te ontwikkelen dat kwetsbare groepen ondersteunt.
Daarnaast beoogt de strategie de beleggingsvaardigheden en het inzicht in financiële
producten te verdiepen, met nadruk op een realistische afweging tussen risico en rendement.
Deze leden vragen op welke concrete manieren het kabinet de economische weerbaarheid
van kwetsbare groepen wil ondersteunen. Het kabinet geeft aan gebruik te willen maken
van best practices, welke best practices zijn dit concreet? In hoeverre is het gebrek
aan financiële geletterdheid vooral een probleem onder jongeren wat wordt gevoed door
sociale media? Welke andere kwetsbare groepen heeft het kabinet in scope?
Jongeren van nu worden geconfronteerd met financiële uitdagingen in de digitaliserende
wereld en kunnen daardoor kwetsbaar zijn. Onderzoek van de AFM 24 toont bijvoorbeeld aan dat jongeren gemiddeld 6,5 uur per dag besteden op hun smartphone
waarvan ruim de helft op sociale media. De constante stroom aan online verleidingen
zorgt voor veel uitdagingen voor jongeren, die van nature impulsgevoeliger zijn. De
AFM stelt dat de huidige generatie jongeren zich wezenlijk anders oriënteert en informeert
op de financiële markt dan eerdere generaties. In de online belevingswereld zijn jongeren
extra gevoelig voor de sociale context waarin informatie circuleert.
Iedereen te maken kan krijgen met financiële problemen. Er zijn echter groepen die
vanwege een kwetsbare positie meer risico lopen, zoals mensen met laag betaald en
onzeker werk, statushouders en laaggeletterden.25 Ook zzp’ers kunnen kwetsbaar zijn, bijvoorbeeld als het gaat om hun pensioenvoorziening.
Bij de projecten die door Wijzer in geldzaken worden uitgevoerd, wordt per project
bepaald welke kwetsbare groepen tot de doelgroep zouden moeten behoren. Zo stond de
afgelopen Pensioen3daagse deels in het teken van zelfstandige ondernemers. Het kabinet
heeft nog geen zicht op welke concrete best practises uit andere lidstaten nuttig zijn om gebruik van te maken, maar ziet de strategie
juist als mogelijkheid verder kennis te nemen van de best practises en zo te kunnen
bepalen welke voor de Nederlandse context het best toepasbaar zijn.
In de strategie heeft de Europese Commissie in het bijzonder aandacht voor het vergroten
van kennis over retailbeleggen en financiële producten. Het kabinet onderschrijft
het standpunt van de Europese Commissie dat, indien een individu ervoor kiest te participeren
op de kapitaalmarkten, hij of zij toegerust moet zijn om weloverwogen en geïnformeerde
beslissingen te nemen. In dat kader vragen de leden van de BBB-fractie of het kabinet
ook oog heeft voor de verkooptechnieken en het creëren van schaarste, wat vaak onderdeel
is van het adverteren door goeroe’s op sociale media? Deze leden vragen daarnaast
of het kabinet van mening is dat kennis van een beleggingsproduct an sich onvoldoende
weerbaarheid met zich meebrengt om niet in verkooptechnieken van «get rich quick schemes»
te trappen? Deze leden vragen ook wat kan het kabinet nog meer kan doen om oplichtende
praktijken online met «get rich quick schemes» (die juridisch gezien geen oplichting
hoeven te zijn) tegen te gaan?
Het kabinet deelt de door de BBB-factie geuite zorgen over de uitdagingen op het gebied
van consumentenbescherming in de digitale (financiële) omgeving. In dat kader verwijs
ik graag opnieuw naar de kamerbrief26 over ongewenste beïnvloeding van (jongere) consumenten bij het maken van financiële
keuzes, waarin de Kamer wordt geïnformeerd over de bestaande wet- en regelgeving,
alsmede over de lopende en voorgenomen acties gericht op bescherming van consumenten.
Door innovatie zal de beïnvloeding van consumenten telkens nieuwe vormen aannemen.
Beleid en wetgeving, en het toezicht hierop, kunnen ongewenste beïnvloeding en de
schade hiervan beperken, maar nooit volledig voorkomen. Daarom is financiële geletterdheid
en bewustwording van (ongewenste) beïnvloeding hiertegen een zeer belangrijk afweermechanisme.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
R.A. van der Steur, adjunct-griffier