Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het Fiche: Aanbeveling over het faciliteren van beleggingsrekeningen (Kamerstuk 22112-4201)
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4252
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 3 februari 2026
De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister en Staatssecretaris van Financiën over de brief van [7 november 2025
over het Fiche: Aanbeveling over het faciliteren van beleggingsrekeningen; (Kamerstuk
22 112, nr. 4201).
De vragen en opmerkingen zijn op 8 december 2025 aan de Minister en Staatssecretaris
van Financiën voorgelegd. Bij brief van 3 februari 2026 zijn de vragen door de Minister
van Financiën beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Van der Lee
Adjunct-griffier van de commissie, Van der Steur
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
De leden van de PVV-, VVD-, CDA-, JA21- en BBB-fracties hebben met belangstelling
kennisgenomen van het fiche en hebben hierover enkele vragen of opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Allereerst merken de leden van de PVV-fractie op dat de kern van de aanbeveling is
dat lidstaten kaders voor beleggingsrekeningen opzetten die voldoen aan een zestal
kenmerken. Eén van de kenmerken is dat de kosten voor het openen van aanhouden van
beleggingsrekeningen eerlijk, proportioneel en begrijpelijk dienen te zien. Deze leden
willen weten wat hier concreet onder wordt verstaan. Wordt de hoogte van deze kosten
volledig overgelaten aan de lidstaten of worden er toch bepaalde begrenzingen voorgesteld?
In het geval van begrenzingen: welke begrenzingen zijn er?
Daarnaast lezen de leden van de PVV-fractie dat de Europese Commissie ook aanbeveelt
om aanbieders aan te moedigen om beleggingsproducten aan te bieden met een sterke
focus op de Europese Unie, wat één van de doelen is van dit raamwerk. Aanbieders kunnen
echter alsnog beleggingsproducten aanbieden die niet de focus hebben op de Europese
Unie. Deze leden willen weten hoe effectief dit raamwerk is aangezien het een aanbeveling
betreft en lidstaten het raamwerk ook naast zich neer kunnen leggen, wat dit kabinet
grotendeels ook doet.
In het verlengde hiervan willen deze leden weten in hoeverre er een sturende werking
uitgaat van de Europese Commissie met deze aanbeveling om bijvoorbeeld groen te beleggen
en – indien het geval – in hoeverre het kabinet dit wenselijk acht.
Tevens lezen de leden van de PVV-fractie dat beleggingsrekeningen zouden moeten profiteren
van de meest gunstige fiscale behandeling beschikbaar in een lidstaat. Deze leden
willen weten welke genoemde mogelijkheid wellicht in de toekomst interessant kan zijn
voor Nederland. Hoe verhoudt zich dit tot het gegeven dat beleggen in Nederland (forfaitair)
veel zwaarder belast wordt dan sparen (in Box 3). Kan een overzicht worden gepresenteerd
hoe beleggingen (en vermogen) in andere lidstaten worden belast.
Nederlandse positie ten aanzien van de aanbeveling
Voorts lezen de leden van de PVV-fractie dat het kabinet aangeeft dat uit onderzoek
blijkt dat bijna de helft van de Nederlandse huishoudens voldoende vermogen heeft
om te kunnen beleggen. Echter het onderzoek waarnaar verwezen wordt stamt uit 2022.
De leden van de PVV-fractie willen weten of het kabinet deze constatering kan onderbouwen
met recentere cijfers. Hoe valt dit te rijmen met bijvoorbeeld cijfers van Deloitte,
waaruit blijkt dat 47 procent van de Nederlanders financieel kwetsbaar is (2025)?1
Vervolgens lezen deze leden dat Nederland heeft getekend voor de lancering van Finance
Europe, oftewel een Europees beleggingslabel voor beleggingsrekeningen en -producten
die aan bepaalde voorwaarden voldoen. Deze leden vragen naar de betekenis en de voortgang
hiervan.
Verder lezen de leden van de PVV-fractie dat het kabinet het in het beginsel van belang
acht dat lidstaten geen additionele, nationale belemmeringen opwerpen tegen het vrije
verkeer van diensten die niet volgen uit Europese wetgeving. Deze leden vragen om
de situatie in Nederland: is er sprake van bepaalde nationale belemmeringen en/of
nationale koppen tegen het vrije verkeer van diensten? Zo ja, kan het kabinet dit
specificeren en nader toelichten?
Ook lezen deze leden dat het kabinet aangeeft dat uit herhaald onderzoek blijkt dat
de totale kosten bij Nederlandse beleggingsfondsen over het algemeen de laagste zijn
ten opzichte van de rest van Europese Unie. De leden van de PVV-fractie vragen naar
een kostenoverzicht van alle lidstaten verwerkt in een tabel, zonder dat er verwezen
wordt naar de desbetreffende onderzoeken.
Voorts lezen de leden van de PVV-fractie dat voor Nederlandse beleggers de aangifte
grotendeels al vooraf wordt ingevuld. Buitenlandse instellingen kunnen zich al registreren,
maar in de praktijk gebeurt dit echter zelden. De leden van de PVV-fractie vragen
naar de eventuele belemmeringen die buitenlandse instellingen ondervinden en hoe deze
kunnen worden weggenomen.
Grondhouding
Ten slotte lezen de leden van de PVV-fractie dat er geen financiële gevolgen voor
de Staat zijn die voortkomen uit deze aanbeveling. Wel kunnen er financiële gevolgen
zijn bij de invoering van een fiscaal voordeel, wat door dit kabinet vooruit wordt
geschoven. Deze leden vragen vooralsnog naar de mogelijke opties wat het fiscaal voordeel
betreft. Kan het kabinet tevens het budgettair belang per maatregel vermelden?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie zien net als de Europese Commissie heil in het gebruiken
van het «slapende» geld op Europese en Nederlandse spaarrekeningen voor het aanjagen
van de Europese en Nederlandse economie. Dit gaat namelijk om een grote som passief
geld: zo’n 11,5 biljoen euro in Europa. Tegelijkertijd kampt het Nederlandse bedrijfsleven
met gebrekkige financiering, zo blijkt uit onderzoek, waardoor zij vaak uitwijken
naar het buitenland als het bedrijfsleven wil opschalen, zoals naar de Verenigde Staten.
Deze leden zijn het eens met de Europese Commissie en het kabinet dat deze trend een
halt moet worden toegeroepen.
Deze leden lezen dat het kabinet denkt dat fiscale stimulering in box 3 het gebruik
van een beleggingsrekening kan vergroten. Deze leden lezen dat het kabinet het daarbij
van belang acht dat de stimulering niet alleen vermogensopbouw ondersteunt, maar ook
een beleidsdoel dient door investeringen in Nederlandse en Europese bedrijven in strategische
sectoren te stimuleren. Het kabinet acht het onwenselijk om tegelijkertijd met de
behandeling van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 een fiscale regeling
voor de beleggingsrekening in box 3 te behandelen, waardoor het kabinet eerst de inwerkingtreding
van de Wet werkelijk rendement box 3 wil afwachten, zo merken deze leden op. Deze
leden vragen of het kabinet niet echter nu al kan starten met de voorbereidingen voor
een fiscale stimulering in box 3, zodat het bij de inwerkingtreding van de Wet werkelijk
rendement box 3 voortvarend met deze wijziging aan de slag kan. Graag ontvangen deze
leden daarop een toelichting.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet het voordelig acht voor huishoudens
om meer van hun spaargeld te gaan beleggen, mits dit verantwoord gebeurt en huishoudens
hiervoor voldoende liquide buffers aanhouden. Deze leden vragen wat volgens dit kabinet
een voldoende liquide buffer is. Ook merken deze leden op dat het kabinet stelt dat
de helft van de Nederlandse huishoudens voldoende buffers heeft. Deze leden vragen
hoe het kabinet wil stimuleren dat ook de andere helft van Nederland financieel weerbaarder
wordt en ook in staat wordt gesteld buffers op te bouwen en welke acties het kabinet
hiertoe onderneemt.
De leden van de CDA-fractie lezen dat Nederland Finance Europe heeft ondertekend,
een label voor beleggingsrekeningen en -producten die voor minstens 70 procent in
de EER beleggen en ontworpen zijn om langdurig aan te houden. Deze leden vinden dit
een heel goed initiatief en vragen het kabinet of een dergelijk label ook voor overwegend
Nederlandse beleggingen kan worden gemaakt. Deze leden zijn benieuwd in hoeverre het
kabinet verwacht dat er een verschil in rendementen zit tussen zo’n Europees label
en een Nederlands label. Ook vragen deze leden hoe het Zweedse model is ingericht,
omdat deze leden begrijpen dat daarmee vooral beleggingen in de Zweedse economie worden
bereikt. Kan het kabinet een inschatting maken hoeveel potentieel kapitaal hiermee
in de Nederlandse markt vrijgemaakt zou kunnen worden, uitgaande van een conservatief
scenario?
De leden van de CDA-fractie lezen dat te zijner tijd wordt onderzocht hoe een en ander
kan worden ingepast voor fiscale stimulering in box 3. Deze leden zijn blij met de
toezegging in het commissiedebat Eurogroep/Ecofin van 3 december 2025 om dit eerder
te onderzoeken. Deze leden vragen per wanneer het kabinet hierover denkt te kunnen
rapporteren. Het lijkt deze leden immers van het grootste belang het stimuleren van
beleggen met positieve effecten op de economie zo snel mogelijk in gang te zetten,
zodat dit direct van start kan tegelijk met inwerkingtreding van het nieuwe stelsel,
waar we ook nog twee jaar op moeten wachten. Deze leden vinden het goed dat beleggingen
in risicovolle producten die geen investeringen in de reële economie vertegenwoordigen
worden uitgesloten en zij vragen dit onderscheid in de fiscale behandeling ook mee
te nemen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie zien in het beter faciliteren van beleggingsrekeningen
zowel een kans voor versterkte vermogensopbouw als een mogelijke impuls voor de Europese
economie. Tegelijkertijd constateren ze dat de Europese Commissie haar voorstel presenteert
als een aanbeveling en verzoeken deze leden het kabinet om te bevestigen dat deze
status betekent dat Nederland geen enkele verplichting heeft om onderdelen over te
nemen. Ook vragen deze leden of het kabinet verwacht dat deze aanbeveling in de toekomst
alsnog zou kunnen worden omgezet in een verordening of richtlijn, zoals in het verleden
vaker is gebeurd bij initiatieven van de Europese Commissie.
Daarnaast vernemen de leden van de JA21-fractie dat Nederland een intentieverklaring
heeft ondertekend voor de lancering van Finance Europe. Daarbij valt het deze leden
op dat Nederland pas voornemens is om de fiscale aspecten in nationale wetgeving om
te zetten nadat box 3 is herzien. Deze leden vragen of het niet juist wenselijker
is om dit traject parallel te laten lopen aan de herziening van box 3, zodat fiscale
keuzes rondom beleggen in een stelsel kunnen worden vormgegeven. Graag vernemen deze
leden welke mogelijkheden het kabinet ziet om het label op nationaal niveau te faciliteren.
Zouden producten met het label van Finance Europe bijvoorbeeld kunnen worden ondergebracht
binnen de vermogenswinstheffing van de nieuwe box 3? Daarnaast verzoeken deze leden
om een overzicht per lidstaat van de fiscale behandeling die andere ondertekenaars
(Frankrijk, Duitsland, Spanje, Luxemburg, Estland, Portugal en Polen) op dit moment
toepassen op, dan wel voornemens zijn toe te passen op, producten met dit label.
Voorts merken deze leden op dat in het verslag wordt aangegeven dat de sector al aan
de slag kan met de ontwikkeling van beleggingsrekeningen en -producten die voldoen
aan de voorwaarden van Finance Europe. Deze leden vragen welke instantie toezicht
zal houden op de naleving van deze voorwaarden en op welke wijze wordt geborgd dat
de producten daadwerkelijk aan de criteria van het label voldoen.
Tot slot vragen deze leden in hoeverre de huidige Nederlandse regelgeving aansluit
bij de niet-fiscale kenmerken die in het fiche worden genoemd en of het kabinet van
plan is de overige aanbevelingen van de Europese Commissie, voor zover die nu nog
niet zijn verwerkt, op te nemen in de Nederlandse wet- en regelgeving.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie zijn kritisch op het voornemen van de Europese Commissie
om lidstaten op nationaal niveau kaders te laten creëren voor spaar- en beleggingsrekeningen.
Deze leden lezen dat de Europese Commissie schrijft dat een dergelijk raamwerk ruimte
zou moeten geven aan specifieke beleggingsproducten waarbij andere, meer risicovolle
beleggingsproducten die naar het inzicht van de Europese Commissie geen toegevoegde
waarde hebben in de economie worden uitgesloten. Ook complexe beleggingsproducten
ziet de Europese Commissie het liefst uitgesloten.
De leden van de BBB-fractie ervaren een bepaalde spanning bij het actief sturen van
het beleggingsgedrag van particulieren door een nationale overheid. Bepaalde beleggingsproducten/investeringskansen
worden zodoende voorgetrokken op andere wat niet past bij een vrije beweging van kapitaal.
Heeft het kabinet begrip voor dit standpunt?
Deze leden vragen ook in hoeverre naast het wegnemen van barrières voor bepaalde beleggingsproducten
ook barrières worden opgeworpen voor andere producten/bedrijven/investeringsvehikels
binnen de Europese Unie? Hoe verhoudt het voorstel zich tot de eigen EU-staatssteunwetgeving?
Het kabinet schrijft dat het goed zou zijn voor de Europese economie als consumenten
meer van hun spaargeld zouden beleggen, zo lezen de leden van de BBB-fractie. Dat
zou komen doordat retailbeleggers vaak de voorkeur hebben om «dichtbij huis» te beleggen
(een zogeheten home bias) in bedrijven die zij beter kennen en kapitaalmarkten waar
zij de taal en cultuur beter begrijpen. Kan het kabinet aangeven welke onderzoeken
concreet wijzen op zo’n home bias? Hoeveel geld wordt door Nederlandse particulieren
in Nederlandse bedrijven belegd en hoeveel in buitenlandse bedrijven?
II Reactie van de bewindspersoon
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden
van de fracties van de PVV, VVD, CDA, JA21 en BBB ten aanzien van het Fiche Aanbeveling
over het faciliteren van beleggingsrekeningen (Kamerstuk 22 112, nr. 4201). Bij de volgorde van de beantwoording is de volgorde van de inbreng van het schriftelijk
overleg aangehouden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Allereerst merken de leden van de PVV-fractie op dat de kern van de aanbeveling is
dat lidstaten kaders voor beleggingsrekeningen opzetten die voldoen aan een zestal
kenmerken. Eén van de kenmerken is dat de kosten voor het openen van aanhouden van
beleggingsrekeningen eerlijk, proportioneel en begrijpelijk dienen te zien. Deze leden
willen weten wat hier concreet onder wordt verstaan. Wordt de hoogte van deze kosten
volledig overgelaten aan de lidstaten of worden er toch bepaalde begrenzingen voorgesteld?
In het geval van begrenzingen: welke begrenzingen zijn er?
In de aanbeveling van de Europese Commissie zijn geen voorstellen gedaan voor een
harde kostenmaximering in de vorm van percentages of bedragen bij beleggingsrekeningen.
Op basis van Europese wetgeving geldt momenteel in beginsel ook niet een dergelijke
kostenmaximering bij andere beleggingsdienstverlening. Wel is het zo dat dat de Raad
en het Europees Parlement in december 2025 een politiek akkoord hebben bereikt over
de Retail Investment Strategy (de RIS), die wijzigingsvoorstellen bevat voor meerdere Europese richtlijnen ten aanzien
van beleggingsdienstverlening.2 Als onderdeel van de RIS zijn regels opgenomen dat beleggingsproducten «value for money» moeten bieden. In dat verband mogen kosten – heel kort gezegd – niet te veel afwijken
van een gemiddelde als voor die afwijking geen rechtvaardiging is. Naar verwachting
zal in de eerste helft van 2026 een definitief akkoord op de RIS worden bereikt, waarna
dit in Nederlandse wetgeving zal worden geïmplementeerd. Zodra een definitief akkoord
is bereikt zal ik de Kamer hierover informeren. Overigens geldt – zo blijkt uit herhaald
onderzoek – dat de kosten bij Nederlandse beleggingsfondsen over het algemeen de laagste
zijn vergeleken met de rest van de EU.3
Daarnaast lezen de leden van de PVV-fractie dat de Europese Commissie ook aanbeveelt
om aanbieders aan te moedigen om beleggingsproducten aan te bieden met een sterke
focus op de Europese Unie, wat één van de doelen is van dit raamwerk. Aanbieders kunnen
echter alsnog beleggingsproducten aanbieden die niet de focus hebben op de Europese
Unie. Deze leden willen weten hoe effectief dit raamwerk is aangezien het een aanbeveling
betreft en lidstaten het raamwerk ook naast zich neer kunnen leggen, wat dit kabinet
grotendeels ook doet.
Het kabinet staat positief tegenover het streven om de participatie van retailbeleggers
te vergroten. Hieronder valt ook de ontwikkeling van een raamwerk voor een (EU-)beleggingsrekening.
Met de aanbeveling van de Commissie heeft dat raamwerk vorm gekregen, zodat de lidstaten
daarmee aan de slag kunnen.
De effectiviteit van een dergelijk raamwerk blijkt bijvoorbeeld uit de populariteit
van het ISK (Investeringssparkonto) uit Zweden, waarvan ongeveer een derde van de Zweden gebruik maakt en waar zo’n
176 miljard euro op wordt aangehouden.4 Ongeveer 70 miljard, zo’n 40%, is in Zweedse effecten, ondanks dat er geen beperking
is op beleggen in het buitenland. Deze «home bias» is niet alleen voorbehouden aan
de Zweden, maar is een algemeen verschijnsel bij beleggers. Dit betekent dat wanneer
Europese huishoudens meer zullen beleggen, er ook relatief meer in Europa zal worden
belegd.
In het verlengde hiervan willen deze leden weten in hoeverre er een sturende werking
uitgaat van de Europese Commissie met deze aanbeveling om bijvoorbeeld groen te beleggen
en – indien het geval – in hoeverre het kabinet dit wenselijk acht.
Er is geen sprake van een sturende werking vanuit de Commissie om met deze aanbeveling
groen te beleggen. Wel is het advies van de Commissie om zeer risicovolle of complexe
producten zoals crypto’s of derivaten, die geen investering vertegenwoordigen in de
reële economie, uit te sluiten voor de EU-beleggingsrekening.
Tevens lezen de leden van de PVV-fractie dat beleggingsrekeningen zouden moeten profiteren
van de meest gunstige fiscale behandeling beschikbaar in een lidstaat. Deze leden
willen weten welke genoemde mogelijkheid wellicht in de toekomst interessant kan zijn
voor Nederland. Hoe verhoudt zich dit tot het gegeven dat beleggen in Nederland (forfaitair)
veel zwaarder belast wordt dan sparen (in Box 3). Kan een overzicht worden gepresenteerd
hoe beleggingen (en vermogen) in andere lidstaten worden belast.
De leden van de PVV-fractie stellen dat beleggen forfaitair zwaarder belast wordt
dan sparen. In de huidige bepalingen voor box 3 in de Wet IB 2001, zoals die sinds
de inwerkingtreding van de Overbruggingswet box 3 luiden, worden drie vermogenscategorieën
onderscheiden: banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Voor iedere vermogenscategorie
geldt een afzonderlijk forfaitair rendementspercentage. Per categorie wordt een forfaitair
rendementspercentage vastgesteld dat het daadwerkelijke rendement zo dicht mogelijk
benadert. Over dit rendement, of op basis van de Wet tegenbewijsregeling box 3 een
lager werkelijk rendement, wordt een vast belastingtarief gerekend. Het tarief is
voor ieder soort rendement gelijk. Beleggingen worden dan ook niet zwaarder belast
maar het rendement op beleggingen is, over het algemeen, hoger.
Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie of er een overzicht kan worden gepresenteerd
hoe beleggingen en vermogen in andere lidstaten worden belast. In 2016 is er, in het
kader van de ontwikkeling van het nieuwe box 3-stelsel, een internationaal onderzoek5 gedaan naar de belasting van inkomsten uit vermogen en vermogenswinsten in Denemarken,
Duitsland, Italië, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk,
de Verenigde Staten en Zweden. Graag verwijs ik naar dit onderzoek voor het overzicht.
Daarnaast is begin dit jaar een onderzoek door de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs
(NOB) gepubliceerd.6
Nederlandse positie ten aanzien van de aanbeveling
Voorts lezen de leden van de PVV-fractie dat het kabinet aangeeft dat uit onderzoek
blijkt dat bijna de helft van de Nederlandse huishoudens voldoende vermogen heeft
om te kunnen beleggen. Echter het onderzoek waarnaar verwezen wordt stamt uit 2022.
De leden van de PVV-fractie willen weten of het kabinet deze constatering kan onderbouwen
met recentere cijfers. Hoe valt dit te rijmen met bijvoorbeeld cijfers van Deloitte,
waaruit blijkt dat 47 procent van de Nederlanders financieel kwetsbaar is (2025)?7
Uit de AFM-Consumentenmonitor over beleggers van het derde kwartaal van 20258 blijkt dat het aandeel van de Nederlanders dat beleggingen zegt te hebben in de afgelopen
jaren stabiel is gebleven. Ook is binnen de groep beleggers het aandeel consumenten
dat relatief weinig spaargeld heeft de afgelopen jaren niet significant veranderd.
Daarnaast blijk uit cijfers van DNB dat de hoeveelheid spaargeld in Nederland sinds
september 2022 is toegenomen met 22,7%, ofwel zo’n 96 miljard euro.9 Het effectenbezit is in dezelfde periode toegenomen met 34,5% toegenomen, ofwel zo’n
52 miljard.10 DNB geeft aan dat deze groei voornamelijk te verklaren is door stijgende beurskoersen.11 Een herhaling van het onderzoek van de AFM uit 2022 is nodig om het precieze cijfer
vast te stellen, maar op basis van de hiervoor beschreven cijfers is het niet aannemelijk
dat de groep huishoudens die voldoende vermogen heeft om te kunnen beleggen sinds
2022 is afgenomen.
Uit het onderzoek van Deloitte, in samenwerking met het Nibud, Tilburg University
en Universiteit Leiden dat in 2024 is uitgevoerd, blijkt dat inderdaad 22% van de
Nederlanders financieel ongezond is en 25% financieel kwetsbaar. Daarnaast blijkt
uit dit onderzoek dat 30% van de Nederlanders financieel gezond is en 23% financieel
toereikend. Het is aannemelijk dat wanneer de helft van de Nederlanders voldoende
vermogen heeft om te beleggen, dat het voornamelijk om financieel gezonde en financieel
toereikende Nederlanders gaat.
Kortom, de cijfers uit het onderzoek van de AFM uit 2022 lijken in lijn met andere
recentere cijfers en geven daarom waarschijnlijk een goed een beeld van het potentieel
van huishoudens dat het financieel vermogen heeft om te beleggen, maar dat nog niet
doet.
Vervolgens lezen deze leden dat Nederland heeft getekend voor de lancering van Finance
Europe, oftewel een Europees beleggingslabel voor beleggingsrekeningen en -producten
die aan bepaalde voorwaarden voldoen. Deze leden vragen naar de betekenis en de voortgang
hiervan.
Finance Europe is een Europees beleggingslabel voor beleggingsrekeningen en -producten
die (i) voor minstens 70% in de Europese Economische Ruimte (EER) beleggen en (ii) ontworpen
zijn om langdurig aan te houden.12 Het label moet consumenten meer en duidelijke mogelijkheden geven om te beleggen
in de Europese economie om zodoende het rendement op hun vermogen te vergroten. Nederland
heeft via de intentieverklaring voor de lancering van Finance Europe ermee ingestemd
te zullen verkennen of Finance Europe fiscaal gunstig kan worden behandeld. Op 3 december
2025 heeft de Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane toegezegd om
een onderzoek te doen naar mogelijkheden om beleggen fiscaal te stimuleren in box
3. In dit onderzoek zal worden meegenomen of het mogelijk en wenselijk is om beleggingen
in Europa fiscaal te stimuleren, mogelijk met het beleggingslabel Finance Europe.
Verder lezen de leden van de PVV-fractie dat het kabinet het in het beginsel van belang
acht dat lidstaten geen additionele, nationale belemmeringen opwerpen tegen het vrije
verkeer van diensten die niet volgen uit Europese wetgeving. Deze leden vragen om
de situatie in Nederland: is er sprake van bepaalde nationale belemmeringen en/of
nationale koppen tegen het vrije verkeer van diensten? Zo ja, kan het kabinet dit
specificeren en nader toelichten?
Voor beleggingsdienstverlening is er op dit moment geen sprake van nationale wetgeving
die een belemmering vormt voor het vrije verkeer van diensten vanuit een andere lidstaat
naar Nederland. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat sinds 1 oktober 2021 een
besluit van de AFM van kracht is – gebaseerd op wettelijke grondslagen – dat het aanbod
van zogenoemde turbo’s aan consumenten beperkt, onder andere door een hefboombeperking,
een verplichte risicowaarschuwing en een verbod op handelsbonussen.13 Deze beperkingen zijn er om particuliere beleggers beter te beschermen tegen de risico’s
van turbo’s en gelden voor alle in Nederland aangeboden turbo’s, ongeacht de lidstaat
waar de aanbieder gevestigd is. Dit kan worden gezien als een (gerechtvaardigde) belemmering
van het vrij verkeer van beleggingsdienstverlening naar Nederland.14
Ook lezen deze leden dat het kabinet aangeeft dat uit herhaald onderzoek blijkt dat
de totale kosten bij Nederlandse beleggingsfondsen over het algemeen de laagste zijn
ten opzichte van de rest van Europese Unie. De leden van de PVV-fractie vragen naar
een kostenoverzicht van alle lidstaten verwerkt in een tabel, zonder dat er verwezen
wordt naar de desbetreffende onderzoeken.
Uit het meest recente rapport van ESMA over de kosten en resultaten van EU retail
beleggingsproducten15 blijkt dat de kosten voor beleggingsfondsen in Nederland en Zweden het laagst zijn,
net als in de voorgaande onderzoeken van ESMA. De hoogste kosten zijn voor beleggingsfondsen
uit Luxemburg en Oostenrijk. Voor lopende kosten in plaats van totale kosten geldt
dat fondsen uit Italië, Luxemburg en Portugal de hoogste kosten hebben. Een gedetailleerd
overzicht met kosten voor beleggingsfondsen per lidstaat is niet beschikbaar.
Voorts lezen de leden van de PVV-fractie dat voor Nederlandse beleggers de aangifte
grotendeels al vooraf wordt ingevuld. Buitenlandse instellingen kunnen zich al registreren,
maar in de praktijk gebeurt dit echter zelden. De leden van de PVV-fractie vragen
naar de eventuele belemmeringen die buitenlandse instellingen ondervinden en hoe deze
kunnen worden weggenomen.
Voor de beantwoording van deze vraag schets ik graag eerst de wijze waarop informatie
tot de Nederlandse belastingdienst komt. De Belastingdienst ontvangt informatie van
gegevensleveranciers, zoals financiële instellingen. De informatie die gebruikt wordt
voor de vooraf ingevulde aangifte ontvangt de Nederlandse belastingdienst van bij
hem geregistreerde financiële instellingen, via de renseigneringsplicht. Wanneer de
informatie die de Belastingdienst ontvangt een persoon betreft die relevant is voor
de belastingheffing in een ander land, en wij hebben een afspraak met dat land om
informatie hierover uit te wisselen (bijvoorbeeld op basis van de Common Reporting
Standard en/of DAC2), dan wisselt de Nederlandse belastingdienst deze informatie uit
met de relevante belastingdienst. Ter illustratie: een Nederlandse bank waarbij een
persoon (fiscaal) woonachtig in Frankrijk een rekening aanhoudt. De informatie wordt
door die Nederlandse bank aan de Nederlandse belastingdienst geleverd, waarna deze
de informatie uitwisselt met de Franse fiscus. Dit gebeurt in de omgekeerde situatie
evengoed. Hierdoor hoeven financiële instellingen deze informatie slechts op één plek
te rapporteren en niet in ieder land waar een rekeninghouder woonachtig is. Dat de
informatie die de Nederlandse belastingdienst ontvangt niet altijd volledig en tijdig
gebruikt wordt voor de vooraf ingevulde aangifte heeft te maken met het tijdstip van
ontvangst van die informatie en het tijdstip van de aangifte. De aangifte inkomstenbelasting
moet, over het voorgaande jaar, voor 1 mei zijn ingediend. De vooraf ingevulde aangifte
moet dan per 1 maart beschikbaar zijn. De uit het buitenland ontvangen informatie
wordt later in het jaar ontvangen, vanwege de termijnen die voor de uitwisseling van
informatie gelden. Deze kan hierdoor beperkt en enkel voor het volgende jaar in de
vooraf ingevulde aangifte gebruikt worden, bijvoorbeeld door het vooraf invullen van
een buitenlands rekeningnummer. Verder wordt de informatie als contra-informatie gebruikt.
In het huidige systeem van automatische uitwisseling rapporteren buitenlandse (financiële)
instellingen over het algemeen aan hun lokale belastingdienst en niet rechtstreeks
aan de Nederlandse belastingdienst. De Belastingdienst ontvangt de gegevens die relevant
zijn voor de Nederlandse heffing vervolgens van deze buitenlandse belastingdiensten.
Dit is een bewuste keuze in het internationale uitwisselingsstelsel want het voorkomt
dubbele (rapportage)lasten voor (financiële) instellingen.
Grondhouding
Ten slotte lezen de leden van de PVV-fractie dat er geen financiële gevolgen voor
de Staat zijn die voortkomen uit deze aanbeveling. Wel kunnen er financiële gevolgen
zijn bij de invoering van een fiscaal voordeel, wat door dit kabinet vooruit wordt
geschoven. Deze leden vragen vooralsnog naar de mogelijke opties wat het fiscaal voordeel
betreft. Kan het kabinet tevens het budgettair belang per maatregel vermelden?
Tijdens het commissiedebat Eurogroep/Ecofin van 3 december 2025 is door de Staatssecretaris
Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane toegezegd nader onderzoek te doen naar mogelijke
opties tot fiscale stimulering, een fiscaal voordeel, en de eventuele budgettaire
belangen per maatregel. De uitkomsten van dit onderzoek zullen later dit jaar met
uw Kamer worden gedeeld.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie zien net als de Europese Commissie heil in het gebruiken
van het «slapende» geld op Europese en Nederlandse spaarrekeningen voor het aanjagen
van de Europese en Nederlandse economie. Dit gaat namelijk om een grote som passief
geld: zo’n 11,5 biljoen euro in Europa. Tegelijkertijd kampt het Nederlandse bedrijfsleven
met gebrekkige financiering, zo blijkt uit onderzoek, waardoor zij vaak uitwijken
naar het buitenland als het bedrijfsleven wil opschalen, zoals naar de Verenigde Staten.
Deze leden zijn het eens met de Europese Commissie en het kabinet dat deze trend een
halt moet worden toegeroepen.
Deze leden lezen dat het kabinet denkt dat fiscale stimulering in box 3 het gebruik
van een beleggingsrekening kan vergroten. Deze leden lezen dat het kabinet het daarbij
van belang acht dat de stimulering niet alleen vermogensopbouw ondersteunt, maar ook
een beleidsdoel dient door investeringen in Nederlandse en Europese bedrijven in strategische
sectoren te stimuleren. Het kabinet acht het onwenselijk om tegelijkertijd met de
behandeling van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 een fiscale regeling
voor de beleggingsrekening in box 3 te behandelen, waardoor het kabinet eerst de inwerkingtreding
van de Wet werkelijk rendement box 3 wil afwachten, zo merken deze leden op. Deze
leden vragen of het kabinet niet echter nu al kan starten met de voorbereidingen voor
een fiscale stimulering in box 3, zodat het bij de inwerkingtreding van de Wet werkelijk
rendement box 3 voortvarend met deze wijziging aan de slag kan. Graag ontvangen deze
leden daarop een toelichting.
Tijdens het commissiedebat Eurogroep/Ecofin van 3 december 2025 is door de Staatssecretaris
Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane toegezegd nader onderzoek te doen naar mogelijke
opties tot verkenning van fiscale stimulering. In dat onderzoek wordt ook het fiscaal
stimuleren van strategische sectoren, al dan niet in Europees of Nederlands verband,
meegenomen. De uitkomsten van dit onderzoek zullen later dit jaar met uw Kamer worden
gedeeld.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet het voordelig acht voor huishoudens
om meer van hun spaargeld te gaan beleggen, mits dit verantwoord gebeurt en huishoudens
hiervoor voldoende liquide buffers aanhouden. Deze leden vragen wat volgens dit kabinet
een voldoende liquide buffer is.
Voor elk huishouden verschilt het wat voldoende liquide buffer is. Zo maakt het voor
de hoogte van de gewenste buffer bijvoorbeeld uit of een huishouden een auto bezit
en of een huishouden een woning huurt of in bezit heeft. De BufferBerekenaar16 van het Nibud adviseert huishoudens over de hoogte van een goed bufferbedrag om onverwachte,
grotere en noodzakelijke uitgaven direct te kunnen betalen als ze zich voordoen.
Ook merken deze leden op dat het kabinet stelt dat de helft van de Nederlandse huishoudens
voldoende buffers heeft. Deze leden vragen hoe het kabinet wil stimuleren dat ook
de andere helft van Nederland financieel weerbaarder wordt en ook in staat wordt gesteld
buffers op te bouwen en welke acties het kabinet hiertoe onderneemt.
Het kabinet vindt het essentieel dat huishoudens een voldoende spaarbuffer achter
de hand hebben om financiële tegenslagen op te vangen of om te sparen voor een uitgave
in de toekomst. Voor het opbouwen van voldoende spaarbuffer is het in de eerste plaats
van belang dat ook financieel kwetsbare huishoudens elke maand voldoende geld overhouden
in de portemonnee. Het kabinet neemt maatregelen ten behoeve van de koopkracht, onder
meer door lastenverlichting via de inkomstenbelasting, verhogen van toeslagen, het
oplossen van problemen met de ongewenste doorwerking van nabetalingen van uitkeringen
en het verlengen van de verlaging van de brandstofaccijns. Maar zoals ook in de brief17naar aanleiding van de aangenomen motie van lid Inge van Dijk c.s. over het opstellen
van een nationaal spaarplan ((Kamerstuk 36 200 IX, nr. 25) is toegelicht, blijkt dat de meeste impact te bereiken is bij huishoudens die wel
de mogelijkheid hebben om te sparen, maar dit in de praktijk niet doen. Het gaat hierbij
om huishoudens met midden- en hoge inkomens die, door het ontbreken van een financiële
buffer, onnodig kwetsbaar zijn voor financiële tegenslagen. Momenteel voert een extern
bureau in opdracht van mijn ministerie een gedragsonderzoek uit naar deze specifieke
doelgroep. In dat onderzoek kijken de onderzoekers naar de achterliggende gedragsinzichten,
oorzaken en belemmeringen die hen ervan weerhouden om een spaarbuffer op te bouwen.
De uitkomsten van dit onderzoek verwacht het kabinet medio dit jaar met de Kamer te
delen.
Daarnaast voer ik gesprekken met de sector over haar rol in het stimuleren van financieel
bewustzijn rondom vermogensopbouw van consumenten. Tijdens die gesprekken hebben banken
toegezegd om hun klanten periodiek te informeren over spaarproducten en alternatieve
manieren voor vermogensopbouw. Ook hebben zij toegezegd om door te gaan met uiteenlopende
initiatieven voor het versterken van financieel bewustzijn rondom vermogensopbouw,
zoals blijkt uit mijn brief over de opvolging van de ACM-aanbevelingen en aangenomen
moties over de spaarmarkt, van 19 december jl.18
De leden van de CDA-fractie lezen dat Nederland Finance Europe heeft ondertekend,
een label voor beleggingsrekeningen en -producten die voor minstens 70 procent in
de EER beleggen en ontworpen zijn om langdurig aan te houden. Deze leden vinden dit
een heel goed initiatief en vragen het kabinet of een dergelijk label ook voor overwegend
Nederlandse beleggingen kan worden gemaakt. Deze leden zijn benieuwd in hoeverre het
kabinet verwacht dat er een verschil in rendementen zit tussen zo’n Europees label
en een Nederlands label.
Op 3 december 2025 heeft de Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane
toegezegd om een onderzoek te doen naar mogelijkheden om beleggen fiscaal te stimuleren
in box 3. Naar aanleiding van de vragen van de leden van de CDA-fractie zal in dit
onderzoek worden meegenomen of het mogelijk en wenselijk is om ook een beleggingslabel
te ontwikkelen waarmee Nederlandse beleggingen (fiscaal) worden gestimuleerd voor
Nederlandse huishoudens.
Bij dit onderzoek dienen een aantal overwegingen in aanmerking te worden genomen.
Zo vergroot een puur Nederlands beleggingslabel mogelijk het concentratierisico voor
consumenten omdat zij worden gestimuleerd om in een sterk beperkt aantal bedrijven
te beleggen (enkel in Nederland in plaats van potentieel wereldwijd of in de EU).
De koers van hun beleggingen wordt daarmee volatieler en consumenten lopen mogelijk
rendement mis, doordat zij niet belegd hebben in potentieel meer winstgevende bedrijven
die in het buitenland zijn gevestigd. Bij een mogelijk Nederlands beleggingslabel
moet dus goed de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven worden afgewogen tegen
de belangen van de Nederlandse belegger om concentratierisico’s tegen te gaan.
Ook vragen deze leden hoe het Zweedse model is ingericht, omdat deze leden begrijpen
dat daarmee vooral beleggingen in de Zweedse economie worden bereikt. Kan het kabinet
een inschatting maken hoeveel potentieel kapitaal hiermee in de Nederlandse markt
vrijgemaakt zou kunnen worden, uitgaande van een conservatief scenario?
Het Zweedse ISK is een beleggingsrekening die Zweedse consumenten zelf kunnen aanvragen
en waarop zij zelf effecten kunnen kopen en aanhouden.19 Daarnaast kunnen ook cash en onder bepaalde voorwaarden derivaten worden aangehouden.
Niet-beursgenoteerde aandelen zijn niet toegestaan. Er is geen maximumbedrag dat op
de rekening aangehouden mag worden. De belastingvrije voet is 13.000 euro en daarboven
geldt belasting op basis van forfaitair rendement over de totale waarde van de rekening.
Het forfaitair rendement is de Zweedse staatsrente, plus één procentpunt. Vervolgens
wordt hierover 30 procent vermogensbelasting geheven. Dit is gunstig voor consumenten
die een hoger rendement dan het forfaitair rendement op hun beleggingen verwachten.
Doorgaans zal het rendement op aandelen hoger zijn dan op de Zweedse staatsrente,
wat het dus aantrekkelijk maakt voor Zweedse consumenten om te beleggen. Het ISK kent
geen specifieke voorwaarden die huishoudens sturen om te beleggen in Zweedse bedrijven.
Toch hebben Zweedse huishoudens voor ongeveer 70 miljard, zo’n 40%, aan Zweedse effecten
in bezit. Zoals eerder genoemd is dit te verklaren door het algemene verschijnsel
dat huishoudens geneigd zijn te investeren in bedrijven in hun eigen land («home bias»).
Voor het beantwoorden van deze vraag zijn in het bijzonder twee variabelen relevant:
hoeveel miljarden zullen Nederlandse huishoudens als gevolg van de maatregel extra
gaan beleggen en hoeveel van deze investeringen gaan vervolgens naar Nederlandse bedrijven.
Het is ingewikkeld om nu een concrete schatting te geven, omdat daarvoor meer inzicht
nodig is naar onder meer de risicobereidheid van huishoudens om daadwerkelijk de stap
te maken naar (meer) beleggen, wat weer afhankelijk kan zijn voor hoe fiscaal aantrekkelijk
de maatregel is. Kijkend naar de hoeveelheid spaargelden van Nederlandse huishoudens
(523 miljard20) in combinatie met het onderzoek van de AFM, waaruit blijkt dat voor ongeveer de
helft van de huishoudens geldt dat zij voldoende vermogen hebben om te beleggen maar
dat nog niet doen21, is de potentie in ieder geval groot. Ten aanzien van de vraag of de investeringen
vervolgens ook landen bij Nederlandse bedrijven biedt het volgende mogelijk aanknopingspunten.
Particulier beleggen Nederlandse huishoudens op dit moment zo’n 205 miljard.22 Van de directe aandelen, zo’n 70 miljard, is 29 miljard geïnvesteerd in Nederlandse
bedrijven23. Dit betekent dat de home bias in Nederland voor directe aandelen van huidige beleggers
zo’n 41% is, vergelijkbaar met de home bias in Zweden. Daarbij is het onduidelijk
of de home bias van nieuwe beleggers vergelijkbaar is met die van bestaande beleggers.
De leden van de CDA-fractie lezen dat te zijner tijd wordt onderzocht hoe een en ander
kan worden ingepast voor fiscale stimulering in box 3. Deze leden zijn blij met de
toezegging in het commissiedebat Eurogroep/Ecofin van 3 december 2025 om dit eerder
te onderzoeken. Deze leden vragen per wanneer het kabinet hierover denkt te kunnen
rapporteren. Het lijkt deze leden immers van het grootste belang het stimuleren van
beleggen met positieve effecten op de economie zo snel mogelijk in gang te zetten,
zodat dit direct van start kan tegelijk met inwerkingtreding van het nieuwe stelsel,
waar we ook nog twee jaar op moeten wachten. Deze leden vinden het goed dat beleggingen
in risicovolle producten die geen investeringen in de reële economie vertegenwoordigen
worden uitgesloten en zij vragen dit onderscheid in de fiscale behandeling ook mee
te nemen.
De uitkomsten van het onderzoek naar fiscale stimulering in Box 3 zullen later dit
jaar met uw Kamer worden gedeeld. Of en hoe de uitkomsten van dit onderzoek worden
omgezet in een daadwerkelijk voorstel, en of dit gelijktijdig in werking kan treden
met het nieuwe stelsel, is aan het volgende kabinet.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie zien in het beter faciliteren van beleggingsrekeningen
zowel een kans voor versterkte vermogensopbouw als een mogelijke impuls voor de Europese
economie. Tegelijkertijd constateren ze dat de Europese Commissie haar voorstel presenteert
als een aanbeveling en verzoeken deze leden het kabinet om te bevestigen dat deze
status betekent dat Nederland geen enkele verplichting heeft om onderdelen over te
nemen. Ook vragen deze leden of het kabinet verwacht dat deze aanbeveling in de toekomst
alsnog zou kunnen worden omgezet in een verordening of richtlijn, zoals in het verleden
vaker is gebeurd bij initiatieven van de Europese Commissie.
Het is juist dat een aanbeveling inhoudt dat Nederland geen verplichting heeft om
deze geheel of gedeeltelijk over te nemen. Het kabinet heeft geen informatie die aanleiding
geeft te verwachten dat de Commissie deze aanbeveling op termijn wil omzetten in een
richtlijn of verordening.
Daarnaast vernemen de leden van de JA21-fractie dat Nederland een intentieverklaring
heeft ondertekend voor de lancering van Finance Europe. Daarbij valt het deze leden
op dat Nederland pas voornemens is om de fiscale aspecten in nationale wetgeving om
te zetten nadat box 3 is herzien. Deze leden vragen of het niet juist wenselijker
is om dit traject parallel te laten lopen aan de herziening van box 3, zodat fiscale
keuzes rondom beleggen in een stelsel kunnen worden vormgegeven. Graag vernemen deze
leden welke mogelijkheden het kabinet ziet om het label op nationaal niveau te faciliteren.
Zouden producten met het label van Finance Europe bijvoorbeeld kunnen worden ondergebracht
binnen de vermogenswinstheffing van de nieuwe box 3? Daarnaast verzoeken deze leden
om een overzicht per lidstaat van de fiscale behandeling die andere ondertekenaars
(Frankrijk, Duitsland, Spanje, Luxemburg, Estland, Portugal en Polen) op dit moment
toepassen op, dan wel voornemens zijn toe te passen op, producten met dit label.
Tijdens het commissiedebat Eurogroep/Ecofin van 3 december 2025 is door de Staatssecretaris
Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane toegezegd nader onderzoek te doen naar mogelijke
opties tot verkenning van fiscale stimulering. De uitkomsten van dit onderzoek zullen
later dit jaar met uw Kamer worden gedeeld. Hier zal ook worden ingegaan op de behandeling
van producten met het label van Finance Europe. Daarnaast vragen deze leden naar de
fiscale behandeling van medeondertekenaars van het label voor producten met dit label.
Op dit moment zijn er voor zover bekend nog geen producten met het label in gebruik.
Over de fiscale behandeling van producten die nog in ontwikkeling zijn is geen informatie
voorhanden.
Voorts merken deze leden op dat in het verslag wordt aangegeven dat de sector al aan de slag kan met de ontwikkeling
van beleggingsrekeningen en -producten die voldoen aan de voorwaarden van Finance
Europe. Deze leden vragen welke instantie toezicht zal houden op de naleving van deze
voorwaarden en op welke wijze wordt geborgd dat de producten daadwerkelijk aan de
criteria van het label voldoen.
De AFM is de bevoegde toezichthouder op de financiële markten en ziet toe op de naleving
door beleggingsondernemingen van de Wet op het financieel toezicht (Wft). De AFM houdt
echter alleen toezicht op bepalingen die wettelijk zijn vastgelegd. De voorwaarden
van Finance Europe zijn geen wettelijke bepalingen, maar vormen een internationale
beleidsafspraak tussen deelnemende landen. De AFM controleert dan ook niet of beleggingsproducten
aan het Finance Europe-label voldoen, en houdt geen toezicht op de naleving van die
specifieke voorwaarden. Het is aan beleggingsondernemingen zelf om te beoordelen of
zij aan de voorwaarden van Finance Europe voldoen voordat zij het label voeren.
Het voorgaande laat onverlet dat beleggingsondernemingen wel moeten voldoen aan de
geldende informatieverplichtingen uit de Wft, waaronder de plicht om consument correct,
duidelijk en niet-misleidend te informeren. De AFM houdt wél toezicht op deze wettelijke
informatieverplichtingen. Misleidende, niet duidelijke of niet correcte informatie,
zoals het onterecht beweren dat met een bepaald product voor 70% in de Europese Economische
Ruimte wordt belegd terwijl dat niet klopt, is niet toegestaan. Indien consumenten
menen dat zij onjuist geïnformeerd zijn, kunnen zij hierover een klacht indienen bij
de AFM.
Tot slot vragen deze leden in hoeverre de huidige Nederlandse regelgeving aansluit
bij de niet-fiscale kenmerken die in het fiche worden genoemd en of het kabinet van
plan is de overige aanbevelingen van de Europese Commissie, voor zover die nu nog
niet zijn verwerkt, op te nemen in de Nederlandse wet- en regelgeving.
Op grond van de huidige, Nederlandse regelgeving is het in beginsel mogelijk om beleggingsrekeningen
aan te bieden die voldoen aan de niet-fiscale aanbevelingen van de Commissie. Dit
gaat bijvoorbeeld om de aanbeveling – kort gezegd – dat complexe en risicovolle producten
worden uitgesloten van de beleggingsrekening en dat beleggingsrekeningen gebruiksvriendelijk
moeten worden ontworpen. Bovendien kunnen momenteel meerdere soorten aanbieders beleggingsrekeningen
aanbieden, zoals banken en «brokers», wat eveneens een aanbeveling is van de Commissie.
Aanbieders zijn echter niet verplicht de aanbevelingen van de Commissie op te volgen.
Indien het kabinet er uiteindelijk voor kiest om beleggingsrekeningen (fiscaal) te
faciliteren, moet worden overwogen of de aanbevelingen in de wet worden opgenomen.
In dat geval zouden aanbieders wel verplicht kunnen worden om – bijvoorbeeld – complexe
of risicovolle producten van deze (gefaciliteerde) beleggingsrekeningen uit te sluiten
of om aan (enkele van) de andere aanbevelingen te voldoen.
Ten aanzien van de twee resterende, niet-fiscale aanbevelingen (die hierboven niet
zijn genoemd) is – allereerst – relevant dat er op dit moment voor beleggingsdienstverlening
geen sprake is van nationale, additionele belemmeringen die het vrij verkeer van diensten
belemmeren vanuit een andere lidstaat naar Nederland. Het kan echter niet worden uitgesloten
dat dit in de toekomst kan wijzigen, onder meer gezien de eerdergenoemde Europese
Retail Investment Strategy waarop recent een voorlopig akkoord is bereikt en die de
Europese regels voor beleggingsdienstverlening deels zal herzien (onder andere de
richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten, MiFID II). Daarnaast is
het op dit moment reeds mogelijk om – vaak zonder hoge kosten – een beleggingsportfolio
over te dragen aan een andere aanbieder, zoals eveneens aanbevolen door de Commissie
ten aanzien van beleggingsrekeningen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie zijn kritisch op het voornemen van de Europese Commissie
om lidstaten op nationaal niveau kaders te laten creëren voor spaar- en beleggingsrekeningen.
Deze leden lezen dat de Europese Commissie schrijft dat een dergelijk raamwerk ruimte
zou moeten geven aan specifieke beleggingsproducten waarbij andere, meer risicovolle
beleggingsproducten die naar het inzicht van de Europese Commissie geen toegevoegde
waarde hebben in de economie worden uitgesloten. Ook complexe beleggingsproducten
ziet de Europese Commissie het liefst uitgesloten.
De leden van de BBB-fractie ervaren een bepaalde spanning bij het actief sturen van
het beleggingsgedrag van particulieren door een nationale overheid. Bepaalde beleggingsproducten/investeringskansen
worden zodoende voorgetrokken op andere wat niet past bij een vrije beweging van kapitaal.
Heeft het kabinet begrip voor dit standpunt?
Het kabinet begrijpt de zorg van de BBB-fractie dat actief stimuleren van het beleggingsgedrag
door de overheid spanning kan opleveren met het principe van een vrije beweging van
kapitaal. Dit punt wordt zorgvuldig meegewogen bij de vormgeving van beleid.
Tegelijkertijd ziet het kabinet het belang om consumenten met voldoende spaargeld
te stimuleren om vermogen op te bouwen door te beleggen in de reële economie, wat
ook bijdraagt aan meer financiering voor onze economie. Complexe en risicovolle producten,
zoals speculatieve derivaten en crypto’s, voegen weinig tot geen waarde toe aan de
reële economie en zijn voor de meeste consumenten geen verstandige beleggingscategorieën.
Zo zijn sommige complexe en risicovolle producten al uitsluitend toegankelijk voor
professionele beleggers. Het scheppen van de juiste omgeving voor consumenten om verstandige
financiële keuzes te maken en het gegeven dat complexe en risicovolle producten vaak
weinig tot geen waarde toevoegen aan de reële economie, maakt dat het kabinet het
wenselijk vindt om deze categorieën uit te sluiten van het raamwerk van een (EU-)beleggingsrekening.
Verder ligt er een verantwoordelijkheid bij de overheid om de juiste randvoorwaarden
te creëren en consumenten in staat te stellen zelf verstandige financiële keuzes te
maken, door middel van financiële educatie.
Deze leden vragen ook in hoeverre naast het wegnemen van barrières voor bepaalde beleggingsproducten
ook barrières worden opgeworpen voor andere producten/bedrijven/investeringsvehikels
binnen de Europese Unie? Hoe verhoudt het voorstel zich tot de eigen EU-staatssteunwetgeving?
Binnen de aanbeveling van de Commissie worden er geen directe barrières opgeworpen
inzake andere producten/bedrijven/investeringsvehikels binnen de Europese Unie. Wel
kiest de Commissie in haar aanbeveling er nadrukkelijk voor om binnen deze (EU-)beleggingsrekening
risicovolle of complexe producten zoals crypto’s of derivaten, die geen investering
vertegenwoordigen in de reële economie, uit te sluiten. Dat laatste wil niet zeggen
dat consumenten of andere investeerders de toegang tot deze producten wordt ontzegd.
Consumenten kunnen, wanneer zij dat willen, nog steeds deze producten op een beleggingsrekening
aanhouden bij een aanbieder die deze producten aanbiedt én lidstaten zijn vrij in
hun landelijk beleid om die producten niet uit te sluiten.
Mocht de Nederlandse regering een dergelijke (EU-)beleggingsrekening willen stimuleren,
dan zullen natuurlijk Europese aspecten, zoals vrij verkeer van kapitaal en staatssteun,
daarbij in acht worden genomen.
Het kabinet schrijft dat het goed zou zijn voor de Europese economie als consumenten
meer van hun spaargeld zouden beleggen, zo lezen de leden van de BBB-fractie. Dat
zou komen doordat retailbeleggers vaak de voorkeur hebben om «dichtbij huis» te beleggen
(een zogeheten home bias) in bedrijven die zij beter kennen en kapitaalmarkten waar
zij de taal en cultuur beter begrijpen. Kan het kabinet aangeven welke onderzoeken
concreet wijzen op zo’n home bias?
De home bias van huishoudens is een fenomeen dat is bevestigd in diverse wetenschappelijke
studies. Een voorbeeld uit de praktijk is het eerdergenoemde Zweedse ISK waar duidelijk
een home bias waarneembaar is: particuliere beleggers houden verhoudingsgewijs (40%)
aanzienlijk meer effecten aan in Zweedse bedrijven dan dat Zweedse bedrijven vertegenwoordigd
zijn in een mondiale index.24
Hoeveel geld wordt door Nederlandse particulieren in Nederlandse bedrijven belegd
en hoeveel in buitenlandse bedrijven?
Nederlandse huishoudens beleggen zelf zowel direct (via beursgenoteerde aandelen)
als indirect (via bijvoorbeeld beleggingsfondsen). Daarnaast beleggen zij veelal ook
collectief via bijvoorbeeld verzekeraars en pensioenfondsen. In totaal belegt Nederland
zo’n 3.500 miljard euro.25 Daarvan is ongeveer 980 miljard in beursgenoteerde aandelen. Hiervan is bijna driekwart
van aandelen buiten het eurogebied, zo’n 18% van aandelen uit Nederland en zo’n 8%
van aandelen in het Eurogebied exclusief Nederland.
Particulier beleggen Nederlandse huishoudens zo’n 205 miljard.26 Dit is onderverdeeld in beleggingsfondsen (zo’n 129 miljard), beursgenoteerde aandelen
(zo’n 70 miljard) en schuldpapier (zo’n 7 miljard). De beleggingen in beleggingsfondsen
zijn weer verder uit te splitsen, waarbij zo’n 74 miljard in aandelenfondsen is geïnvesteerd.27 De homebias van deze beleggingsfondsen is onbekend. Van de directe aandelen, zo’n
70 miljard, is 29 miljard geïnvesteerd in Nederlandse bedrijven (41%)28.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
R.A. van der Steur, adjunct-griffier