Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 785 Regels met betrekking tot de handhaving in de sociale zekerheid om meer passend handhaven mogelijk te maken (Wet handhaving sociale zekerheid)
Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 4 februari 2026
De regering heeft met belangstelling kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hieronder treft u de reactie van de regering
aan, waarbij de volgorde van het verslag is aangehouden.
Inhoudsopgave
blz.
I.
Algemeen
2
1.
Inleiding
2
2.
Algemene overwegingen
5
3.
Verplichting tot passend informeren
8
4.
Herziening, terugvordering, invordering en kwijtschelding
9
5.
Codificatie dingende redenen
15
6.
Keuze sanctiestelsel
15
7.
Hoofdlijnen boeteregime
16
8.
Hoofdlijnen maatregelenregime
20
9.
Overige onderwerpen in het voorstel
20
10.
Burgerperspectief
20
11.
Verhouding tot rechtsbeginselen en nationale wetgeving
20
12.
Verkenning internationale handhavingsstelsels
20
13.
Regeldruk
20
14.
Uitvoering
20
15.
Toezicht en handhaving
25
16.
Financiële gevolgen
25
17.
Advies en consultatie
26
I. Algemeen
1. Inleiding
Vraag 1
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering voornemens is de uniformiteit in handhaving door te trekken
naar andere terreinen die raken aan de sociale zekerheid, zoals bijvoorbeeld toeslagen;
en naar de samenhang met de Wet verbetermaatregelen toeslagen. Zo ja, op welke manier
gaat zij dit doen en wat is het tijdspad hierbij?
Zowel met het wetsvoorstel Verbetermaatregelen toeslagen als met het onderhavige wetsvoorstel
streeft de regering passend en evenredig handhaven na. Hierbij wil de regering expliciet
balans vinden tussen duidelijke kaders en de mogelijkheid om de menselijke maat toe
te passen. In het kader van de toeslagen is daartoe onderzocht of het handhavingskader
zoals dat momenteel van toepassing is in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
aanpassing behoeft. Daarbij is de stelselherziening die met het onderhavige wetsvoorstel
beoogd wordt expliciet overwogen. Hieruit is geconcludeerd dat het wettelijke handhavingsstelsel
binnen de toeslagen al ruimte laat voor handhaving waarbij de menselijke maat wordt
toegepast, bijvoorbeeld omdat de Dienst Toeslagen geen verplichting heeft om boetes
op te leggen. Daarnaast zijn er belangrijke verschillen tussen de twee stelsels, die
hun weerslag hebben op de benodigde handhavingsinstrumenten. Deze verschillen maken
dat het in het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde sanctioneringskader niet zonder
meer van toepassing kan zijn op andere stelsels. Zo is in de sociale zekerheid meer
noodzaak voor een actieve informatievoorziening vanuit de burger om te kunnen bepalen
waar iemand recht op heeft. Het niet tijdig informeren van de overheid door de burger
heeft daardoor grotere gevolgen. De informatiepositie van de Dienst Toeslagen is een
andere. In de meeste gevallen beschikt de Dienst Toeslagen na afloop van het berekeningsjaar
bij het vaststellen van een definitieve toekenning zelf over voldoende gegevens om
het juiste toeslagbedrag vast te stellen. Als onjuiste gegevens zijn gebruikt bij
het berekenen van het voorschot, of wijzigingen niet tijdig zijn doorgegeven, leidt
dit in de regel tot een terugvordering of nabetaling van de toeslag. Dit vormt al
een prikkel voor burgers om actief en op tijd de juiste informatie aan de Dienst Toeslagen
door te geven. Hierdoor is het, anders dan in het stelsel van sociale zekerheid, niet
noodzakelijk om een boete op te leggen wegens het zonder opzet of grove schuld verzuimen
om de overheid te informeren. De regering stelt daarom in het wetsvoorstel Verbetermaatregelen
toeslagen voor om het instrument van de verzuimboete af te schaffen, maar acht de
mogelijkheid van het opleggen van een soortgelijke boete nog wel passend binnen de
sociale zekerheid.
Voor burgers is het niet eenvoudig om te doorgronden dat sprake is van verschillende
stelsels. De regering stelt zich daarom wel tot doel om steeds vanuit dezelfde uitgangspunten
te werken en zoveel mogelijk uniform te werken. Daarbij neemt de regering steeds het
voor de sociale zekerheid voorgestelde sanctioneringskader mee in de beschouwing van
handhaving bij andere onderwerpen, zoals toeslagen. Hier bestaat geen specifiek tijdpad
voor, maar dit wordt meegenomen op het moment dat bij een ander stelsel de handhaving
bezien wordt. Hierdoor wordt ook voldaan aan de overkoepelende opdracht van vereenvoudiging
van het stelsel van inkomensondersteuning.
Vraag 2
De leden van de SP-fractie vragen zich af welke vormen van preventie al worden genomen of zullen worden genomen,
die kunnen worden gezien als aanvullende maatregelen op deze wet zowel op gemeentelijk
als Rijksniveau?
Het Ministerie van SZW werkt samen met UWV, de SVB en gemeenten aan preventie. Onderdeel
van deze aanpak is het streven naar duidelijker rechten en plichten om de noodzaak
tot handhaving te voorkomen. In dit kader wordt onderzoek gedaan naar veelvoorkomende
fouten1, zoals het vergeten door te geven van een vakantie of verblijf in het buitenland
aan het bestuursorgaan. SZW gaat samen met UWV, de SVB en de VNG een thematische aanpak
toepassen aan de hand van de meest voorkomende regelovertredingen. Deze aanpak houdt
in dat er eerst gezamenlijk een probleemanalyse wordt gemaakt. Vervolgens wordt daaruit
naar praktische oplossingen gezocht die leiden tot minder fouten die de regelovertreding
veroorzaken.
Ook is het onderzoek naar het instrument «leerdialoog», is inmiddels afgerond.2 De Leerdialoog is door het advies- en onderzoeksbureau Significant Public, uitgetest
en doorontwikkeld. Uit de praktijk blijkt dat de Leerdialoog een waardevol instrument
voor gemeenten is om te reflecteren op een casus en hun leercultuur te versterken.
SZW zal samen met de VNG de Leerdialoog onder de aandacht van gemeente brengen.
Tot slot is naast bovenstaande trajecten de afgelopen jaren in de uitvoering ook sterk
ingezet op meer proactieve communicatie, begrijpelijke voorlichting en persoonlijke
dienstverlening.
Vraag 3
De leden van de SGP-fractie vragen de regering naar de definitie van fraude in het kader van deze wet, en in
hoeverre is deze definitie ook in gebruik in de handhaving op andere terreinen. Kortom,
wat is de uniformiteit van dit begrip en hoe wordt die bevorderd?
Het onderhavige wetsvoorstel definieert termen als fraude, vergissing en misbruik
niet. Het onderhavige wetsvoorstel gaat over de vraag op welke wijze op een onrechtmatigheid
gereageerd wordt, niet om de vraag wat gezien moet worden als een onrechtmatigheid.
Bij een onrechtmatigheid is soms sprake van een vergissing, soms van niet kunnen en
soms van niet willen. De invulling van die termen is afhankelijk van gedrag, intenties
en context. In lijn met het rapport van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur3heeft de regering met dit wetsvoorstel bewust de keuze gemaakt om deze begrippen niet
te definiëren4.
Vraag 4
De leden van de SGP-fractie vragen hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de handhaving
op andere terreinen die raken aan de sociale zekerheid, zoals toeslagen. Hoe wordt
uniformiteit op dit punt bevorderd?
Voor het antwoord op deze vraag verwijst de regering naar het antwoord op vraag 1.
Vraag 5
De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre wat dit wetsvoorstel regelt reeds mogelijk
is in het bestaande afwegingskader. Zo is er nu op bepaalde terreinen reeds ruimte
om verminderde verwijtbaarheid te betrekken bij de beoordeling, maar gebeurt dit in
praktijk weinig. In hoeverre is dit een structuur- of cultuurprobleem? Graag een uitgebreide
reflectie van de regering hierop.
Het klopt dat er in het huidige stelsel ruimte is om de verwijtbaarheid van de betrokkene
mee te nemen in de hoogte van de sanctie. Met het onderhavige voorstel stelt de regering
voor om deze factor eerder in het proces van sanctionering een plaats te geven, bij
het bepalen welke sanctie passend is. Door de wijze waarop het stelsel wordt ingericht,
waarbij de verwijtbaarheid een factor is bij het bepalen van de vraag welke sanctie
passend is, zal dit punt steeds onderkend en geëxpliciteerd moeten worden. Dit leidt
ertoe dat het niet mogelijk is om de verwijtbaarheid voetstoots aan te nemen. Indien
het bestuursorgaan uit de gegeven feiten en omstandigheden niet kan opmaken of duidelijk
sprake is van een reden om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen, blijft de verantwoordelijkheid
om verminderde verwijtbaarheid aan te tonen bij de burger. Als er geen sprake is van
een duidelijke onderbouwing van de verminderde verwijtbaarheid aan de zijde van de
betrokken burger zal het bestuursorgaan uitgaan van normale verwijtbaarheid.
Vraag 6
De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre dit wetsvoorstel tegemoet komt aan
de ervaren handelingsverlegenheid bij mogelijke hardvochtige effecten in de handhaving.
Krijgen ambtenaren en uitvoeringsorganisaties nu voldoende ruimte om af te wijken
op het moment dat zij menen dat een sanctie te hard uitpakt? In hoeverre heeft het
nieuwe kader ook weer het gevaar in zich dat er situaties buiten vallen die mogelijk
wel hardvochtig uitpakken? Hoe wil de regering hiermee omgaan?
Een cruciaal verschil tussen het huidige stelsel en het onderhavige voorstel is dat
het bestuursorgaan een specifieke reactie moet onderbouwen langs het voorgestelde
afwegingskader. De factoren aard en ernst van de overtreding, verwijtbaarheid van
de betrokkene en de rol van het bestuursorgaan bij het ontstaan van de overtreding
of oplopen van het benadelingsbedrag worden daardoor bij ieder besluit geadresseerd.
Het opleggen van een sanctie wordt hiermee een bewuste, onderbouwde keuze van het
bestuursorgaan in plaats van een voorgeschreven reactie vanuit het wettelijk stelsel.
Voor een betrokkene is dan beter inzichtelijk waarom een bepaalde sanctie wordt opgelegd
en de kans dat een sanctie hardvochtig of onevenredig uitpakt wordt hiermee verkleind.
Hiernaast blijft toepassing van de «dringende redenen»-uitzondering mogelijk. Op grond
van deze bepaling kan afgezien worden van een herziening, terugvordering, boeteoplegging
of maatregeloplegging indien dringende redenen daartoe nopen. In de rechtspraak is
de afgelopen periode een ruimere interpretatie gegeven aan de toepassing van dit begrip,
waarbij in het kader van deze bepalingen aan de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur getoetst kan worden.5 De regering omarmt de interpretatie die aan deze bepaling is gegeven in de jurisprudentie.
Voor beide toepassingen geldt dat het noodzakelijk is dat ambtenaren ook in de cultuur
voldoende ondersteuning krijgen om gebruik te maken van de wettelijke mogelijkheden.
Samen met de uitvoeringsorganisaties en gemeenten wordt ingezet op de cultuurverandering,
zodat de mogelijkheden bij inwerkingtreding ook toegepast worden.
Vraag 7
De leden van de SGP-fractie willen geen doorgeschoten fraudeaanpak, maar burgers verwachten
ook geen naïeve opstelling. Denk aan eerdere berichten van massale fraudezaken. Een
gezonde, evenwichtige aanpak om fraude tegen te gaan, is noodzakelijk. Hoe wil de
regering deze in de breedte vorm geven, en hoe draagt dit wetsvoorstel daaraan bij?
De regering deelt de insteek van de leden van de SGP-fractie dat het van belang is
om daadwerkelijk misbruik effectief aan te kunnen blijven pakken, terwijl het ook
van belang is om mensen waar sprake is van een fout passend tegemoet te treden. Beide
zijden van de medaille bestaan en aan beide zijden moet recht gedaan kunnen worden.
De regering hanteert verschillende instrumenten om misbruik zoveel als mogelijk te
voorkomen. Ingezet wordt op preventieve maatregelen om regelovertreding te voorkomen6, iedere nieuwe regeling wordt beoordeeld op misbruikrisico’s en waar nodig worden
mitigerende maatregelen genomen, in de uitvoering blijven bestuursorganen handhavend
optreden en handhavingsonderzoeken doen en indien sprake is van grootschalig misbruik
of misbruik met strafrechtelijke elementen kan een casus worden overgedragen aan het
Openbaar Ministerie (OM) voor strafrechtelijke vervolging7. Hierdoor wordt een duidelijk signaal afgegeven dat bepaald gedrag onaanvaardbaar
is en dat verplichtingen nageleefd moeten worden. Het wetsvoorstel doet daarmee geen
afbreuk aan de aanpak van fraude, maar biedt instrumenten om juist daar ook adequaat
op te kunnen reageren.
Daarnaast stelt het ministerie iedere vier jaar de handhavingskoers op.8 In de koers worden de strategische uitgangspunten, trends en ontwikkelingen uitgezet
en besproken. Een onderwerp is hoe het handhavingsbeleid de balans kan vinden tussen
enerzijds vertrouwen in burgers hebben, en anderzijds niet naïef worden. In de praktijk
uit deze balans zich door bijvoorbeeld het stimuleren van vakmanschap in de uitvoering,
het blijven onderzoeken van nieuwe fraudefenomenen en het duiden en normeren van begrippen
in het handhavingsdomein.
2. Algemene overwegingen
Vraag 8
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe het introduceren van het begrip «verwijtbaarheid» in het afwegingskader
voor het opleggen van een sanctie en het behouden van dit begrip als situatie waarin
wordt afgezien van het opleggen van een sanctie zich verhoudt tot de conclusie van
de De Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB) dat het gebruik van «verwijtbaarheid»
als meetlat voor fraude in de sociale zekerheid onvoldoende accuraat en bruikbaar
is. Hoe vormt dat nu geen probleem meer of blijf je dezelfde problemen rondom die
term in de uitvoering houden?
Het betrekken van de verwijtbaarheid van een persoon is een verplichting vanuit andere
wetgeving. Zowel de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als het Europees Verdrag van
de Rechten van de Mens (EVRM) nopen ertoe om te onderzoeken of er bij een punitieve
sanctie zoals een bestuurlijke boete, sprake is van verwijtbaarheid aan de zijde van
de betrokkene. Gelet op deze wetgeving is daardoor niet te ontkomen aan het betrekken
van deze factor bij sanctieoplegging.
Uiteraard heeft de regering kennisgenomen van het rapport van de NSOB9 en de daarin geschetste knelpunten en dilemma’s. De NSOB constateert dat «verwijtbaarheid»
als toetssteen voor de hoogte van de boete niet toereikend is, omdat uitvoerders veel
problemen ervaren met het afwijken van de norm. Aan dit knelpunt is tegemoetgekomen
in het onderhavige voorstel. Door verwijtbaarheid als factor binnen het afwegingskader
te positioneren wordt het criterium beter toepasbaar. De NSOB stelt bijvoorbeeld in
paragraaf 6.4 van het onderzoek de vraag hoe verwijtbaar een burger is op het moment
dat een bestuursorgaan jaren geen contact meer heeft gehad met een persoon. Binnen
het afwegingskader kan deze afweging expliciet gemaakt worden, door de verwijtbaarheid
van de betrokkene af te zetten tegen de rol van het bestuursorgaan en daaruit een
conclusie te destilleren.
Hiernaast kiest de regering ervoor om voor sommige typen gedragingen aan te geven
dat deze in beginsel als verwijtbaar gezien kunnen worden. In deze gevallen wordt
misbruik verondersteld. Het betreft de volgende situaties: een betrokkene heeft een
uitkering aangevraagd met gebruikmaking van vervalste documenten; een betrokkene heeft
structurele inkomsten en/of vermogen verzwegen; er is sprake van samenloop met het
strafrecht; of de betrokkene heeft de overtreding opzettelijk begaan of heeft hieraan
grove schuld. Dit helpt de uitvoerder met de invulling van de verwijtbaarheid.
Gelet op deze interventies is de regering van mening dat het door de NSOB en de uitvoering
gesignaleerde knelpunt met dit wetsvoorstel verminderd wordt.
Vraag 9
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering kan bevestigen dat in
situaties waarin de fout is veroorzaakt door de uitvoeringsorganisatie van de regeling,
geen sprake kan zijn van verwijtbaarheid aan de zijde van de burger en er derhalve
geen terugvordering plaatsvindt. Zo niet, waarom niet en hoe verhoudt dat zich tot
de rechtvaardigheid van de burger?
Met het wetsvoorstel wordt het uitgangspunt bij terugvordering in geval van fouten
van de overheid omgedraaid. Als een betrokkene onterecht of tot een te hoog bedrag
aan uitkering heeft ontvangen door een fout van het bestuursorgaan, wordt in beginsel
niet teruggevorderd. Er zijn echter situaties waarin de betrokkene redelijkerwijs
had kunnen weten dat hij onterecht of te veel uitkering ontving. Bijvoorbeeld als
het bestuursorgaan aan de betrokkene twee uitkeringen tegelijkertijd verstrekt heeft,
waarvan de betrokkene had kunnen weten dat daar geen recht op was, of als het totaal
aan deze uitkeringen veel hoger was dan wat de betrokkene voorafgaand aan de uitkeringsperiode
aan inkomsten ontving. In deze gevallen wordt wel teruggevorderd. Het voorgestelde
wettelijk kader biedt het bestuursorgaan hierbij ruimte om eventueel gedeelde verantwoordelijkheid
te verdisconteren.
De regering beoogt hiermee een evenredig terugvorderingsbeleid in te stellen. Enerzijds
wordt het belang van de betrokkene in acht genomen. Hij wordt in principe niet benadeeld
door fouten van het bestuursorgaan. Anderzijds wordt rekening gehouden met het maatschappelijk
belang dat overheidsgelden rechtmatig en efficiënt besteed worden. Van betrokkenen
die gemeenschapsgeld in de vorm van een uitkering ontvangen, mag verwacht worden dat
zij, voor zover redelijk en mogelijk, alert zijn op de juistheid van deze uitkering.
De regering is daarom van mening dat het gepast is terug te vorderen als de betrokkene
redelijkerwijs had kunnen weten dat hij ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan
uitkering ontving, ook als dit het gevolg is van een fout van de overheid.
Hierbij speelt mee dat het onmogelijk is om te voorkomen dat bestuursorganen fouten
maken. Als altijd afgezien zou worden van terugvordering bij fouten van de overheid,
zouden betrokkenen die fouten in hun uitkering opmerken en deze niet melden bij het
bestuursorgaan, hiervan voordeel ondervinden. Een betrokkene die een fout in zijn
uitkering wel bij het bestuursorgaan meldt, zou hierdoor slechter af zijn dan een
betrokkene die dit niet doet. De regering heeft voor de «tenzij» in de vorm van «redelijkerwijs
duidelijk» gekozen om te voorkomen dat deze perverse prikkel optreedt. Altijd afzien
van terugvordering bij fouten van de overheid, ook in gevallen dat de betrokkene redelijkerwijs
had kunnen weten dat hij onterecht of te veel uitkering ontving, zou bovendien ten
koste gaan van het draagvlak voor en de houdbaarheid van het socialezekerheidsstelsel.
Vanuit de praktijk of rechtspraak zijn er geen aanwijzingen om op dit punt een andere
afweging te maken.
In individuele gevallen kan het bestuursorgaan op grond van de «dringende redenen»
uitzondering, ook als de betrokkene redelijkerwijs had kunnen weten dat hij onterecht
of te veel uitkering ontving, geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering. Het
wetsvoorstel codificeert de interpretatie die met de uitspraak van 18 april 202410 aan deze bepaling is gegeven. Het bestuursorgaan weegt hierdoor in het kader van
de «dringende redenen» het eigen aandeel, het aandeel van de betrokkene en de gevolgen
van de terugvordering voor de betrokkene mee.
In bijzondere omstandigheden kan een bestuursorgaan aan een groep betrokkenen niet
snel duidelijkheid geven over de gemaakte fout(en) en daarmee of hun uitkeringen juist
zijn vastgesteld. Dit is bijvoorbeeld het geval in de herstelactie WIA-dagloonfouten.
Met het wetsvoorstel creëert de regering de mogelijkheid om bij algemene maatregel
van bestuur categoraal af te zien van terugvordering in dit soort bijzondere omstandigheden.
Het bestuursorgaan toetst dan niet bij iedere betrokkene of redelijkerwijs duidelijk
had kunnen zijn dat de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verstrekt.
Vraag 10
De leden van de NSC-fractie lezen dat het wetsvoorstel zich richt op alle sociale zekerheidswetten. Deze leden
zijn hier erg positief over, daar het gaat om een groot aantal wetten zoals de Algemene
Ouderdomswet (AOW), Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA), Participatiewet
(Pw) en Werkloosheidswet (WW). Dat er eerst wordt gekozen voor de sociale zekerheidswetten
is volgens deze leden ook een begrijpelijke stap van de regering. Wel zijn deze leden
van mening dat het een waardevolle toevoeging kan zijn om de bepalingen uit het wetsvoorstel
in de toekomst ook toe te passen op de toeslagen. De Dienst Toeslagen keerde in 2024
immers ruim 8 miljoen toeslagen uit, met een waarde van 20 miljard euro. Deze leden
vragen de regering of zij deze mening deelt, en welke stappen zij voornemens is in
de toekomst hiervoor te zetten.
Voor het antwoord op deze vraag verwijst de regering naar het antwoord op vraag 1.
Vraag 11
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering in de memorie van toelichting toelicht dat voorliggend wetsvoorstel
zich richt op de socialezekerheidswetten. Deze leden hebben begrip voor deze afbakening.
Echter is voor burgers het onderscheid tussen socialezekerheidswetten en inkomsten
uit toeslagen niet gemakkelijk te maken. Is de regering dit met deze leden eens? Op
welke wijze borgt de regering de uniformiteit in wet- en regelgeving én handhaving
tussen de socialezekerheidswetten en de uitvoering van toeslagen? Is er sprake van
samenhang, en zo ja welke, tussen voorliggend wetsvoorstel en de Wet verbetermaatregelen
toeslagen? Op welke punten verschilt de handhaving tussen deze twee stelsels en acht
de regering dit wenselijk?
Voor het antwoord op deze vraag verwijst de regering naar het antwoord op vraag 1.
3. Verplichting tot passend informeren
Vraag 12
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom de regering de keuze maakt om de uitzondering voor de Pw, Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) te laten bestaan
om bij niet tijdige verstrekking van informatie op verzoek een boete op te leggen
en de uitkering op te kunnen schorten. Hoe verhoudt dit zich tot het streven naar
uniformiteit in handhaving en één overheid?
In het concept (tussentijdse) Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten dat voor
internetconsultatie is voorgelegd11 was aanvankelijk het voorstel om bij niet tijdige verstrekking van informatie op
verzoek een maatregel van de eerste categorie op te leggen in de Participatiewet,
IOAW en IOAZ, zoals dat al het geval is bij de werknemersverzekeringen en de volksverzekeringen.
Het aanvankelijke voorstel leidde echter tot onduidelijkheid bij gemeenten of de uitkering
dan nog wel na het verstrijken van de gestelde termijn kan worden opgeschort, als
het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het is en was geenszins de bedoeling
om te regelen dat bij niet naleving van de verplichting om binnen een bepaalde termijn
inlichtingen te verschaffen met als gevolg dat het recht op uitkering niet kan worden
vastgesteld, het recht op bijstand niet meer zou kunnen worden opgeschort. Dat zou
er immers toe kunnen leiden dat gemeenten de uitkering moeten blijven verstrekken,
ook al kan niet worden vastgesteld of er sprake is van rechtmatige verstrekking.
De regering wijst er in dit verband op dat de bevoegdheid om de uitkering op te kunnen
schorten, stelselbreed voorkomt. De werknemersverzekeringen en volksverzekeringen
bevatten ook opschortingsbepalingen, onder andere bij het vermoeden dat het recht
op uitkering niet of niet meer bestaat (zie bijvoorbeeld de artikelen 30, tweede lid,
WW, 47a, tweede lid, Ziektewet, 67, tweede lid, Wet WIA, 50, tweede lid, WAO, 19,
vijfde lid, AOW, 19, AKW en 46, derde lid, Anw). Deze opschortingsbepalingen zijn
echter niet gekoppeld aan onder meer het niet, niet tijdig of onvolledig verstrekken
van gegevens of bewijsstukken zoals in de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ.
Vraag 13
De leden van de NSC-fractie lezen dat een verplichting voor bestuursorganen om tijdens het handhavingsproces
de betrokkene op een passende en begrijpelijke wijze te informeren over diens verplichtingen
wordt geïntroduceerd. Op welke manier de verplichting door bestuursorganen wordt ingevuld
is vormvrij. Deze leden vragen de regering waarom er geen nadere regels worden gesteld
aan deze verplichting. Op welke wijze gaat de regering er zorg voor dragen dat deze
verplichting ook daadwerkelijk passend en begrijpelijk wordt uitgevoerd door de bestuursorganen?
Welke lessen uit de praktijk worden daarin meegenomen?
De regering heeft er bewust voor gekozen om de uitvoering de ruimte te bieden om zelf
invulling te geven aan de verplichting tot passend informeren. Zo kan per doelgroep
of individu worden bezien wat de beste manier is om informatie over te brengen nadat
een overtreding is geconstateerd. In sommige gevallen kan dit via reguliere kanalen,
waar in andere gevallen een meer gerichte benadering noodzakelijk is. De uitvoering
beschikt over de benodigde kennis over hun doelgroepen en cliënten om hier een juiste
keuze in te maken. Door na inwerkingtreding van het wetsvoorstel te monitoren hoe
de verschillende bestuursorganen invulling geven aan deze verplichting en hoe dit
ervaren wordt door uitkeringsgerechtigden, kan worden bezien of met de verplichting
het beoogde doel wordt bereikt. Indien dit niet zo lijkt te zijn, zal met de uitvoering
besproken worden dat de invulling van de verplichting anders vormgegeven dient te
worden. Overigens blijkt uit het periodieke onderzoek Kennis der verplichtingen dat
uitkeringsgerechtigden over het algemeen goed op de hoogte zijn van hun verplichtingen.12
4. Herziening, terugvordering, invordering en kwijtschelding
Vraag 14
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het voor betrokkenen duidelijk is welke signalen bestuursorganen automatisch
ontvangen en welke zij zelf aan dienen te leveren.
Alle socialezekerheidswetten bevatten een inlichtingenplicht. De inlichtingenplicht
houdt in dat de betrokkene alle feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn
op het recht op, de hoogte van of de duur van de uitkering, op verzoek of uit eigen
beweging, aan het bestuursorgaan dient mede te delen. UWV, de SVB en gemeenten communiceren
bij aanvang van de uitkering aan de betrokkene welke informatie, wanneer en op welke
manier moet worden doorgegeven, bijvoorbeeld in een gesprek bij aanvraag van de uitkering.
Ook kan de betrokkene dit vinden op de website van het bestuursorgaan dat de uitkering
verstrekt.
UWV en de SVB worden van bepaalde feiten en omstandigheden op de hoogte gebracht door
middel van signalen uit systemen waar zij rechtstreeks toegang toe hebben. Welke signalen
UWV en de SVB ontvangen uit systemen waar zij rechtstreeks toegang toe hebben, verschilt
per organisatie. Zo krijgt UWV diverse signalen uit de Polisadministratie. De SVB
ontvangt signalen uit de Basisregistratie Personen en de Polisadministratie, bijvoorbeeld
voor gegevens over verhuizing van het hele gezin binnen Nederland en overlijden in
Nederland.
Vraag 15
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe het proces is bij het bestuursorgaan
ingericht wanneer een betrokkene een signaal deelt, dat volgens het bestuursorgaan
niet concreet is. Krijgt deze persoon dan op tijd een melding hiervan zodat deze persoon
alsnog een concreet signaal kan indienen?
Indien het bestuursorgaan een signaal van een betrokkene ontvangt dat onvoldoende
concreet is, maar erop duidt dat de uitkering van de betrokkene mogelijk aanpassing
behoeft, voert het bestuursorgaan vervolgonderzoek uit. Dit vervolgonderzoek kan onder
andere bestaan uit het opvragen van aanvullende informatie bij de betrokkene zelf,
het controleren van systemen zoals de BRP en/of het bevragen van derden, zoals de
werkgever. Het bestuursorgaan wordt geacht dit vervolgonderzoek voortvarend op te
pakken. Het wetsvoorstel verbindt hier geen termijn aan, omdat de tijd die een aanvullend
onderzoek vergt, per onderzoek verschilt. Hoe lang het bestuursorgaan nodig heeft
om het vervolgonderzoek op te starten en uit te voeren, is afhankelijk van het signaal.
Met het vastleggen van de termijn van zes maanden komt te late behandeling van een
voldoende concreet signaal in specifieke gevallen voor rekening van het bestuursorgaan,
om een balans te vinden tussen risico’s die door het bestuursorgaan en door de betrokkene
worden gedragen.
Vraag 16
De leden van de NSC-fractie lezen dat wordt voorgesteld om af te zien van terugvordering wanneer de onverschuldigde
betaling het gevolg is van een handelen of nalaten van het bestuursorgaan, een fout
van het bestuursorgaan, tenzij het betrokkene redelijkerwijs duidelijk had moeten
zijn dat onverschuldigd werd betaald. Deze leden vragen de regering om nader toe te
lichten waarom zij voor de «tenzij» formulering heeft gekozen. Laten hersteloperaties
zoals de WIA-daglonen bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) juist
niet zien dat deze bepaling mogelijke gedupeerden veel onrust kan geven? Waarom kiest
de regering er niet voor om de gevolgen van de fout bij een bestuursorgaan ook gewoon
volledig bij het bestuursorgaan zelf te leggen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijst de regering naar het antwoord op vraag 9.
Vraag 17
De leden van de NSC-fractie lezen daarnaast dat de bescherming tegen traag handelen
alleen van toepassing is als er sprake is van een concreet signaal, wat inhoudt dat
er geen nader onderzoek nodig is om de uitkering aan te passen. Deze leden vragen
de regering of dit niet tot onduidelijkheid zal leiden voor burgers en onjuiste verwachtingen
kan wekken. Hoe wordt bepaald of er nader onderzoek nodig is om de uitkering aan te
passen volgens de regering? Is dat niet überhaupt nodig om een uitkering aan te kunnen
passen? Hoe is de regering voornemens om dit aan de voorkant van het proces goed duidelijk
te maken aan burgers?
Uitgangspunt in de socialezekerheidswetten is dat de betrokkene een inlichtingenplicht
heeft. Dit houdt in dat de betrokkene onverwijld en uit eigen beweging alles dient
te melden dat redelijkerwijs van invloed kan zijn op het recht op, de hoogte van of
de duur van de uitkering. Wanneer de betrokkene aan zijn inlichtingenplicht heeft
voldaan, door een wijziging in zijn omstandigheden tijdig aan het bestuursorgaan door
te geven, dan is de bescherming tegen traag handelen van toepassing. Het wetsvoorstel
heeft niet tot doel de inlichtingenplicht en daarmee dit proces aan te passen.
Een signaal van een betrokkene of uit een direct toegankelijk systeem is voldoende
concreet als het bestuursorgaan de uitkering op basis van het signaal direct naar
de juiste hoogte kan aanpassen. Indien een betrokkene het bestuursorgaan laat weten
dat hij is gaan werken als oproepkracht en daarmee € 200 per maand verwacht te verdienen,
is er sprake van een concreet signaal. Indien een betrokkene echter enkel aangeeft
dat hij is gaan werken, betreft het geen concreet signaal. Het bestuursorgaan moet
in dit geval immers onderzoek doen naar de aard van het werk en het inkomen dat de
betrokkene met het werk verdient. De uitkering kan pas na afronding van dit onderzoek
aangepast worden. Op basis van geldende jurisprudentie13 zijn gemeenten en de SVB (in verband met de uitvoering van de AIO) reeds verplicht
om de terugvordering te beperken tot zes maanden na een concreet signaal van de betrokkene.
Gemeenten volgen de richtlijnen uit de jurisprudentie om te bepalen wanneer een signaal
voldoende concreet is. De SVB heeft hiervoor beleidsregels opgesteld. Gemeenten en
de SVB ervaren geen problemen op dit punt. De bestaande jurisprudentie is niet van
toepassing op UWV en, met uitzondering van de AIO, de SVB.
UWV, de SVB en gemeenten communiceren bij aanvang van de uitkering welke informatie
de betrokkene wanneer moet doorgeven en op welke manier. Zo laten zij de betrokkene
aan de voorkant weten hoe nieuwe feiten en omstandigheden gemeld moeten worden.
Vraag 18
De leden van de SP-fractie lezen dat er bepaalde afwegingskaders zijn waarbij de betrokkenen wist of niet wist
dat de uitkering te hoog was. Wat als de betrokkene aangeeft teveel uitkering te ontvangen
maar de overheid aangeeft dat het wel klopt, zoals bij de fouten rondom de WIA zijn
gebeurd. Hoe wordt zo’n casus behandeld binnen het afwegingskader?
Indien de betrokkene bij het bestuursorgaan aangeeft dat hij te veel uitkering ontvangt
en het bestuursorgaan in reactie hierop ten onrechte aangeeft dat de uitkering van
de betrokkene juist is vastgesteld, is de bescherming tegen traag handelen van toepassing.
De betrokkene heeft immers een signaal bij het bestuursorgaan afgegeven dat hij te
veel uitkering ontving. Het bestuursorgaan heeft niet adequaat op dit signaal gereageerd.
De terugvordering wordt daarom beperkt tot zes maanden nadat het bestuursorgaan het
signaal van de betrokkene heeft ontvangen, tenzij dringende redenen daaraan in de
weg staat.
Vraag 19
De leden van de SP-fractie begrijpen niet waarom er is gekozen voor zes maanden als
termijn en niet korter. Er wordt aangegeven dat het proces onder druk wordt gezet
als de termijn korter is, maar is dat niet juist de reden voor zo’n termijn? Dat daardoor
er reden is voor het uitvoeringsorgaan om snel helderheid te verschaffen voor de betrokkene?
Hoe reflecteert de regering hierop?
De regering weegt in het kader van het terugvorderingsbeleid diverse belangen tegen
elkaar af. Maatschappelijk is het van belang dat overheidsgelden rechtmatig en efficiënt
besteed worden. Hiermee blijft het draagvlak voor de sociale zekerheid behouden. Voor
het individu is het belangrijk dat terugvorderingen zoveel mogelijk voorkomen worden
en dat daarom binnen een redelijke termijn gereageerd wordt op signalen dat wijziging
noodzakelijk is. Dit voorkomt schulden. Voor de uitvoering is de uitvoerbaarheid van
het terugvorderingsbeleid essentieel.
In het kader van bescherming van de betrokkene tegen traag handelen van het bestuursorgaan,
moet er een redelijke reactietermijn zijn. Deze termijn kan niet te kort zijn, omdat
de uitvoerbaarheid dan onder druk komt te staan. Dit leidt ertoe dat onrechtmatig
verstrekte overheidsgelden onvoldoende teruggevorderd kunnen worden. De termijn moet
echter ook niet te lang zijn, omdat de betrokkene dan lang in onzekerheid blijft en
geconfronteerd wordt met een onnodig hoge terugvordering. Met de termijn van zes maanden
wordt recht gedaan aan deze belangenafweging. Hierbij moet in ogenschouw worden genomen
dat indien sprake is van een onevenredig gevolg, nadere matiging op grond van de dringende
redenen-uitzondering mogelijk is.
Vraag 20
De leden van de SP-fractie lezen dat er gekozen is om de kwijtscheldingstermijn terug
te brengen van tien naar vijf jaar, omdat deze verhoging niet meer in lijn lag met
het perspectief op een schuldenvrij bestaan. Waarom wordt er dan geen stap verder
gegaan en de kwijtscheldingstermijn verder verlaagd in plaats van dat we teruggaan
naar de status quo. Zou er niet te beargumenteren zijn dat een schuldenvrij bestaan
toen ook al onder druk lag, anders was deze wetgeving niet nodig, en dat het vertrouwen
in de overheid wordt versterkt door de kwijtscheldingstermijn verder te verlagen?
In het verleden werd, vanuit het uitgangspunt dat fraude niet mag lonen, de mogelijkheid
om af te zien van het incasseren van terugvorderingen beperkt. In de afgelopen jaren
is dit uitgangspunt veranderd. Het kwijtscheldingsbeleid draait om het vinden van
een balans tussen enerzijds het maatschappelijke belang van terugvordering en anderzijds
het individuele belang van de schuldenaar.
Met het vaststellen van een kwijtscheldingstermijn van vijf jaar wordt deze balans
gewaarborgd. Enerzijds is de termijn lang genoeg om in veel gevallen onverschuldigd
betaalde uitkeringen terug te vorderen. In situaties waarin volledige terugbetaling
niet haalbaar is, wordt doorgaans alsnog een substantieel deel van de schuld voldaan.
Uit onderzoek van Motivaction naar het burgerperspectief op handhaving in de sociale
zekerheid blijkt dat de samenleving het belangrijk vindt dat ten onrechte of te hoog
uitgekeerde gelden worden teruggevorderd.14 De rechtmatige besteding van overheidsgeld, waarin de terugvordering als middel wordt
ingezet, zorgt voor behoud van het draagvlak voor de sociale zekerheid.
Anderzijds biedt een termijn van vijf jaar de schuldenaar eerder perspectief op een
schuldenvrije toekomst binnen de sociale zekerheid. Hiermee wordt meer rekenschap
gegeven aan welke negatieve gevolgen problematische schulden kunnen hebben en wordt
het belang van een realistisch perspectief op financieel herstel benadrukt. Gemonitord
wordt of de aanpassing van de kwijtscheldingstermijn daadwerkelijk bijdraagt aan de
beoogde effecten.
Vraag 21
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering schrijft dat het noodzakelijk is om meer ruimte te bieden voor
maatwerk om geheel of gedeeltelijk af te kunnen zien van terugvordering op het moment
dat het doel van de terugvordering niet opweegt tegen de individuele nadelen die de
betrokkene daarvan ondervindt. Deze leden zijn verheugd dat de conclusie van Advocaat-Generaal
De Bock (ECLI:NL:CRVB:2023:2086) en de daarop volgende uitspraak van de Centrale Raad
van Beroep hiermee gecodificeerd is. Deze leden vragen of de conclusie en uitspraak
één op één zijn gecodificeerd of dat de regering gekozen heeft voor nadere invulling.
De regering heeft in dit geval gekozen voor een nadere invulling, waarbij de ruimte
die is gecreëerd met de betreffende uitspraken is behouden. Met de conclusie van Advocaat-Generaal
De Bock en de daaropvolgende uitspraken van de CRvB15 wordt nadere invulling gegeven aan het evenredigheidsbeginsel en de toepassing daarvan
in de «dringende redenen»-uitzondering in de sociale zekerheid.
In het kader van meer evenredige besluitvorming binnen de sociale zekerheid in algemene
zin heeft de regering gekozen om jurisprudentie bij twee specifieke omstandigheden
op het gebied van terugvordering te codificeren. Dit betreft de fout van de overheid
en traag handelen door de overheid, zoals ook nader toegelicht in de antwoorden op
vragen 9 en 17. Daarnaast wordt met het afwegingskader meer ruimte gecreëerd voor
evenredige besluitvorming bij sanctionering. De regering kiest daarmee voor een aanpak
waarbij besluiten in beginsel evenredig zijn en de «dringende redenen»-uitzondering
voornamelijk voor individuele uitzonderingsgevallen van toepassing kan zijn.
Vraag 22
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen op welke wijze deze jurisprudentie op
dit punt reeds in de praktijk wordt gebracht. Is er informatie beschikbaar in hoeveel
gevallen afgezien wordt van terugvordering met het beroep op het evenredigheidsbeginsel
en/of dringende reden?
De jurisprudentie wordt door de uitvoering toegepast. In het bijzonder in die zin
dat de oorzaak van een terugvordering mee wordt gewogen in de uiteindelijke terugvorderingsbeslissing.
In sommige gevallen leidt dit ertoe dat een terugvordering wordt gematigd of daarvan
af wordt gezien. In andere gevallen wordt ook beoordeeld dat het maatschappelijk doel
dat gediend wordt met de terugvordering zwaarder weegt. Bij UWV zijn hiertoe bijvoorbeeld
expertiseteams ingericht, omdat de beoordeling complex is en vele facetten kent. UWV
heeft een eerste monitoring ingericht hierbij en deze wordt momenteel doorontwikkeld.
In algemene zin zijn deze cijfers daarom nog niet beschikbaar.
Vraag 23
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of conform voorliggend wetsvoorstel
uitvoeringsinstanties ambtshalve het evenredigheidsbeginsel moeten toetsen wanneer
sprake is van een terugvordering. Zo nee, waarom is hier niet voor gekozen?
Het onderhavige wetsvoorstel verplicht bestuursorganen niet om iedere (terugvorderings)beslissing
te toetsen op evenredigheid. Een bepaling met die strekking zou een bijzonder zware
uitvoeringslast met zich brengen. Het instellen van terugvorderingen is aan de orde
van de dag voor bestuursorganen. Gemiddeld zijn dit kleine correcties, bijvoorbeeld
als iemand net te laat informatie heeft doorgegeven over een gezamenlijke huishouding
of als iemand meer uren heeft gewerkt dan vooraf ingeschat. Aangenomen wordt dat deze
vorderingen evenredig zijn: het doel van de terugvordering weegt op tegen het – relatief
kleine – ongemak dat iemand hierdoor kan ervaren. Bestuursorganen blijven daarbij
alert op signalen dat een vordering mogelijk onevenredig uitpakt en het is altijd
mogelijk voor een betrokkene om in het kader van de «dringende redenen» zelf een beroep
te doen op het evenredigheidsbeginsel. Bestuursorganen richten hier hun eigen proces
op in. Het is daarom noodzakelijk dat de toetsing in sommige gevallen gedaan kan worden
en tot een afwijkend resultaat kan leiden, maar in het gros van de gevallen speelt
de vraag rond het evenredigheidsbeginsel geen rol in een beslissing. De regering heeft
daarom afgewogen dat de verzwaring van de uitvoeringslast bij ambtshalve toetsing
aan dit beginsel niet opweegt tegen de voordelen die ambtshalve toetsing met zich
brengt, mede gelet op de uitvoerbaarheid van het gehele stelsel.
Vraag 24
In de memorie van toelichting schrijft de regering dat «Er moet, met andere woorden,
meer aandacht komen voor een evenredige terugvordering. Met dit wetsvoorstel worden
een aantal wijzigingen doorgevoerd waarmee hiertoe een eerste stap gezet wordt.» Deze
zinsnede suggereert dat er nog meer stappen te zetten zijn om daadwerkelijk sprake
te laten zijn van «evenredige terugvordering». Klopt deze aanname, zo vragen deze
leden. Welke stappen zijn er nog meer te zetten volgens de regering? En waarom is
nu niet gekozen om dat te doen?
Hoewel met het onderhavige wetsvoorstel toegewerkt wordt naar een evenredig vorderingenbeleid,
zijn er meer stappen te zetten. Met de Kamerbrief van 1 oktober 2025 is uw Kamer over
deze modernisering geïnformeerd.16 Er kan een aantal stappen gezet worden om tot een evenredig vorderingenbeleid te
komen. Zo wordt onderzocht of een nabetalingsverplichting geïntroduceerd kan worden,
waarbij ook gewerkt wordt aan een oplossing voor keteneffecten door nabetalingen.
Verder wordt de Regeling geringe bedragen geëvalueerd en wordt bezien wat gedaan kan
worden aan de bruto-netto problematiek.
De regering heeft deze stappen niet opgenomen in het wetsvoorstel, omdat onvoldoende
in beeld was wat de aard en omvang van wijzigingen in het vorderingenbeleid zouden
moeten zijn. Ipsos I&O heeft in de eerste helft van 2025 onderzoek gedaan naar de
effecten van het vorderingenbeleid, om de knelpunten en onduidelijkheden in kaart
te brengen.17 De regering heeft ervoor gekozen dit onderzoek niet af te wachten, om vertraging
van het wetsvoorstel te voorkomen.
Vraag 25
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in het wetsvoorstel dat de sociale zekerheidswetten
worden gewijzigd waarbij de «dringende reden» aangaande terugvordering als volgt wordt
omschreven: «Van een dringende reden is onder meer sprake indien de nadelige gevolgen
van de terugvordering voor een belanghebbende onevenredig zijn in verhouding tot de
met het besluit te dienen doelen.» Deze leden vinden de memorie van toelichting op
dit punt enigszins verwarrend, nu er staat: «De huidige invullingen van meer evenredigheid
in de jurisprudentie en huidige werkwijzen worden gecodificeerd en uitgebreid. De
jurisprudentie en werkwijzen gaan bovendien voor alle uitkeringsinstanties gelden.
Dit komt de uniformiteit en rechtszekerheid van de burger ten goede. Daarnaast kan
de reeds geldende uitzondering van de «dringende redenen» benut worden, voor die gevallen
waar ondanks toepassing van de eerdergenoemde opties in een individueel geval alsnog
geen sprake is van een evenredige terugvordering.» Kan de regering nader uitleggen
wat er met «de eerdergenoemde opties» bedoeld wordt?
«De eerdergenoemde opties» verwijst naar de maximale terugkijktermijn van vijf jaar,
de bescherming tegen traag handelen en het omdraaien van het uitgangspunt bij terugvordering
in geval van fouten van de overheid. Met deze wijzigingen beoogt de regering de terugvordering
voor iedereen aan de voorkant evenrediger te maken. De «dringende redenen» uitzondering
blijft bestaan voor betrokkenen bij wie op basis van deze wijzigingen niet van terugvordering
afgezien wordt, maar bij wie dit wel gewenst is. Bijvoorbeeld wegens persoonlijke
omstandigheden, die maken dat (volledige) terugvordering onevenredig is.
5. Codificatie dringende redenen
Vraag 26
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn blij dat met voorliggend wetsvoorstel het amendement Ceder c.s. (Kamerstuk 36 582, nr. 25) in alle sociale zekerheidswetten breed is gecodificeerd, zoals ook de wens was van
de indieners van het amendement. De regering schrijft dat «de bepaling zoals voorgesteld
door de indieners van het amendement [is] geoptimaliseerd». Deze leden vragen de regering
dit nader te duiden. Wat is het verschil tussen het voorgestelde amendement tot wijziging
van de Participatiewet en de bepalingen voor wijziging van de sociale zekerheidswetten
conform voorliggend wetsvoorstel?
De regering heeft, gezien de toelichting bij het amendement en de jurisprudentie die
aanleiding gaf tot het amendement, een tekst voorgesteld die dichter bij de jurisprudentie
ligt en het amendement verbreed naar de hele sociale zekerheid, en naar alle relevante
«dringende redenen»-bepalingen daarbinnen. Ten aanzien van de tekstuele wijziging
is naar aanleiding van de behandeling van het wetsvoorstel Participatiewet in balans
het risico gesignaleerd dat iedere beslissing ambtshalve getoetst zou moeten worden
aan deze bepaling. Dit is in verreweg de meeste gevallen niet nodig, omdat de meeste
besluiten in de kern evenredig zijn. Daarbij blijven bestuursorganen alert op kennelijke
onevenredige uitkomsten en kunnen mensen een beroep doen op het evenredigheidsbeginsel.
6. Keuze sanctiestelsel
Vraag 27
De leden van de SP-fractie begrijpen de keus om over het algemeen niet over te gaan tot strafrechtelijke handhaving.
Wel zijn deze leden benieuwd in welke specifiek aangewezen gevallen er wel wordt gekozen
voor strafrechtelijke handhaving. Aan welke voorwaarden moet dan voldaan worden?
De keuze voor bestuurs- dan wel strafrechtelijke afdoening wordt gereguleerd door
de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude van het College van procureurs-generaal waarvan
de meest recente versie op 1 oktober 2023 in werking is getreden18. Voorop staat dat de strafrechtelijke en bestuursrechtelijke afdoening elkaar wederzijds
uitsluiten: er kan niet twee keer voor hetzelfde feit een punitieve sanctie worden
opgelegd. Uitgangspunt van de Aanwijzing is dat zaken met een benadelingsbedrag van
meer dan € 50.000 strafrechtelijk worden afgedaan en zaken met een lager benadelingsbedrag
bestuursrechtelijk. De Aanwijzing somt daarnaast een aantal categorieën zaken op waarin,
ondanks een lager benadelingsbedrag, strafrechtelijk kan worden opgetreden. Dat is
bijvoorbeeld het geval wanneer bestuursrechtelijk optreden niet mogelijk is, zoals
bij gefingeerde dienstverbanden, als zaken bijzonder ernstig of ontwrichtend zijn,
zoals bij samenspanning van medewerkers om misbruik te plegen, of wanneer sprake is
van recidive.
Vraag 28
De leden van de SGP-fractie constateren dat gesproken wordt over de «mogelijkheid» tot het afzien van een sanctie
bij een vergissing of wanneer met een waarschuwing niet de met de sanctie te dienen
doelen bereikt zal worden. In de wet staat echter dat het bestuursorgaan hiervan afziet,
en is dit niet geformuleerd als kan-bepaling. Wat betekent dit in de praktijk? Kan
het bestuursorgaan dit zelf bepalen, of moet de betrokkene een beroep doen op dit
wetsartikel?
Op basis van het afwegingskader bepaalt het bestuursorgaan of wordt afgezien van sanctionering.
Indien het bestuursorgaan oordeelt dat er sprake is van een vergissing of dat met
een boete, maatregel of waarschuwing de doelen van de sanctie niet bereikt worden,
ziet het bestuursorgaan af van sanctionering. Er wordt dan dus geen boete of maatregel
opgelegd. De betrokkene hoeft dus zelf geen beroep te doen op dit artikel.
7. Hoofdlijnen boeteregime
Vraag 29
De leden van de NSC-fractie lezen dat de niet tijdige verstrekking van inlichtingen op verzoek expliciet wordt
uitgezonderd van boeteoplegging. Echter geldt niet voor de Participatiewet, IOAW en
IOAZ. In deze wetten kan het bestuursorgaan de uitkering opschorten en een boete opleggen
bij de niet tijdige verstrekking van informatie op verzoek. Deze leden vinden dit
onwenselijk, omdat juist mensen in een kwetsbare positie gebruik maken van deze wetten.
Zij vragen de regering waarom deze uitzondering op de Pw, IOAW en IOAZ in stand wordt
gehouden. Is de regering bereid om de niet tijdige verstrekking van inlichtingen op
verzoek alsnog ook uit te zonderen van boeteoplegging in deze wetten?
Voor het antwoord op deze vraag verwijst de regering naar het antwoord op vraag 12.
Vraag 30
De leden van de D66-fractie constateren dat het wetsvoorstel streeft naar meer uniformiteit in de handhaving.
Kan de regering daarom een toelichting geven waarom is gekozen om voor de Participatiewet,
IOAW en IOAZ een uitzondering te behouden en het niet-tijdig verstrekken van informatie
met een boete te blijven sanctioneren, in tegenstelling tot andere wetten?
Voor het antwoord op deze vraag verwijst de regering naar het antwoord op vraag 12.
Vraag 31
En hoe wil de regering de uniformiteit in handhaving doortrekken naar andere terreinen
die raken aan de sociale zekerheid, zoals bijvoorbeeld toeslagen? En hoe is de samenhang
met de Wet verbetermaatregelen toeslagen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijst de regering naar het antwoord op vraag 1.
Ten aanzien van de samenhang met de Wet verbetermaatregelen toeslagen geldt dat in
het kader van dat wetsvoorstel is bezien op welke wijze het in dit wetsvoorstel voorgestelde
handhavingskader toegepast zou kunnen worden binnen het toeslagenstelsel. In de memorie
van toelichting bij dat wetsvoorstel is hier nader op ingegaan.19
Vraag 32
De leden van de SP-fractie lezen dat er af kan worden gezien van sancties als er sprake is van een vergissing.
Deze leden vragen zich af of de term vergissen is geconcretiseerd, bijvoorbeeld hoe
vaak iemand zich mag vergissen. Of is hier sprake van een contextafhankelijke afweging?
De term vergissing is niet nader gedefinieerd of geconcretiseerd. Het is niet bepaald
in welke situaties sprake is van een vergissing. Ook is niet bepaald hoe vaak er sprake
kan zijn van een vergissing. Het is aan het bestuursorgaan om in de context te bezien
of er naar oordeel van het bestuursorgaan sprake is van een vergissing en hoe vaak
aannemelijk is dat hier sprake van is. Dit laatste kan van persoon tot persoon verschillen,
en om passend te kunnen handhaven moet hier rekening mee gehouden worden.
Het risico op onduidelijkheid door het ontbreken van een definitie wordt geaccepteerd,
omdat een wettelijke definitie juist ook beperkend kan werken. De manier waarop met
deze bepaling om wordt gegaan kan, voor zover nodig, nader worden ingekleed in de
praktijk, bijvoorbeeld in beleidsregels of werkinstructies. Met de uitvoerders wordt
besproken welke behoefte hierin bestaat en wordt deze praktische inkleding afgestemd
en waar mogelijk geüniformeerd. Ook in de jurisprudentie kan de term nader worden
aangescherpt. Door na inwerkingtreding van het wetsvoorstel te monitoren hoe de uitvoering
omgaat met de beoordeling of er sprake is van een vergissing, wordt in de gaten gehouden
of het ontbreken van een wettelijke definitie in de praktijk tot problemen leidt.
Als dat zo is, wordt in overleg met de uitvoering bezien of deze problemen in de uitvoeringspraktijk
opgelost kunnen worden of dat dit vraagt om een aanpassing van de wet.
Vraag 33
De leden van de SGP-fractie constateren dat de term «vergissen» niet nader wordt gedefinieerd, terwijl met dit
wetsvoorstel wel het vergisrecht wordt geïntroduceerd. Op welke situaties ziet dit
specifiek? Deze leden begrijpen dat nadere definiëring beperkend kan werken, maar
vragen ook aandacht voor de mogelijkheid dat het ontbreken van een definitie onvoldoende
duidelijkheid biedt. Hoe wil de regering dit risico tegengaan?
Voor het antwoord op deze vraag verwijst de regering naar het antwoord op vraag 32.
Vraag 34
De leden van de SGP-fractie vragen de regering specifiek in te gaan op de kritiek
van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) op het wettelijk verankeren van het vergisrecht
en hun suggestie enkel in de toelichting op te nemen dat minder verwijtbaar handelen
of nalaten van invloed kan zijn op het uiteindelijke oordeel over het opleggen van
een maatregel of sanctie.
De regering begrijpt de zorg van de SVB dat een open term in de wet kan leiden tot
verwarring. Deze zorg is met de SVB en andere uitvoerders gesproken. Besloten is om
de term «vergissing» wel te behouden in de wet. Dit omdat de regering het wenselijk
acht om wettelijk vast te leggen dat op een vergissing geen sanctie zal volgen. Met
de uitvoerders wordt besproken hoe in de praktijk invulling kan worden gegeven aan
deze term. Hiervoor kunnen bijvoorbeeld beleidsregels of werkinstructies worden opgesteld.
Deze beleidsregels en instructies worden afgestemd en waar mogelijk geüniformeerd
tussen de verschillende uitvoeringsdomeinen. Toekomstige jurisprudentie over de term
«vergissing» kan ook leiden tot aanscherping van deze open term.
Vraag 35
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of haar aanname correct is dat het in het huidig wettelijk kader
niet mogelijk is voor uitvoeringsorganen om teveel betaalde uitkeringen als gevolg
van (al dan niet bewuste) overtreding van de inlichtingenplicht terug te vorderen
zónder een boete op te leggen. Deze leden vragen of deze aanname feitelijk juist is.
Deze aanname is niet correct. Het is in het huidige wettelijk kader mogelijk om teveel
betaalde uitkeringen terug te vorderen zonder een boete op te leggen. Zo kan geen
boete opgelegd worden als iedere verwijtbaarheid ontbreekt, of als er dringende redenen
zijn om af te zien van een boete. Ook kan in specifieke gevallen gekozen worden voor
het opleggen van een waarschuwing20. De regering heeft wel geconstateerd dat het opleggen van een boete in het huidige
wettelijke stelsel teveel een automatisme is, gestoeld op de veronderstelling dat
iedere overtreding van de inlichtingenplicht een boete rechtvaardigt. De regering
heeft op basis van onderzoeken over en ervaringen met het huidige stelsel geconstateerd
dat er veel verschillende handelingen kunnen leiden tot overtreding van de inlichtingenplicht.
In een individueel geval moet beoordeeld worden of deze overtreding «boetewaardig»
is.
Vraag 36
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn van mening dat het mogelijk moet zijn voor
uitvoeringsorganen om teveel betaalde uitkeringen als gevolg van (al dan niet bewuste)
overtreding van de inlichtingenplicht terug te vorderen zonder een boete op te leggen.
Maakt voorliggend wetsvoorstel deze optie mogelijk, zo vragen deze leden.
Ja, het onderhavige wetsvoorstel maakt dit mogelijk in meer gevallen. In het voorgestelde
wettelijk kader kan een bestuursorgaan vaststellen dat sprake is van teveel betaalde
uitkering ten gevolge van overtreding van de inlichtingenplicht, en wordt het teveel
betaalde bedrag teruggevorderd. Tevens wordt beoordeeld wat er precies is gebeurd
en of dit leidt tot oplegging van een boete. Andere opties in het stelsel zijn het
afzien van sanctioneren – bijvoorbeeld als iemand zelf binnen een redelijke termijn
meldt dat hij iets niet heeft doorgegeven – en het opleggen van een waarschuwing.
Ook blijven de reeds bestaande afwijkmogelijkheden, het ontbreken van verwijtbaarheid
en de dringende reden, bestaan. In die gevallen kan worden teruggevorderd, zonder
dat daarbij een boete wordt opgelegd.
Vraag 37
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in het wetsvoorstel een volgende formulering
voor het opleggen van een boete: [Het bestuursorgaan] legt een schriftelijke waarschuwing
of een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door [de betrokkene],
tenzij sprake is van een overtreding als bedoeld in [artikel]. Kan de regering nader
uitleggen wat de «tenzij» in dit artikel precies is?
Bij de meeste overtredingen van de inlichtingenplicht is het boeteregime van toepassing.
Bij een specifieke overtreding van de inlichtingenplicht, het niet binnen de door
het bestuursorgaan vastgestelde termijn verstrekken van informatie, is echter in de
meeste socialezekerheidswetten het maatregelenregime van toepassing. In die gevallen
is deze overtreding opgenomen in de bepaling over het opleggen van maatregelen (zie
bijvoorbeeld artikel 17, eerste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet of artikel 27,
derde lid, van de Werkloosheidswet). In de artikelen waarmee de boeteoplegging bij
overtreding van de inlichtingenplicht is geregeld, is deze specifieke overtreding
van de inlichtingenverplichting niet uitgezonderd. Dit betekent dat een bestuursorgaan
in reactie op deze overtreding in theorie zowel een boete als een maatregel kan opleggen.
Dit is ongewenst. Voor de duidelijkheid wordt daarom met de «tenzij» in de boetebepalingen
deze specifieke overtreding van de inlichtingenplicht alsnog uitgezonderd, zodat expliciet
wordt gemaakt dat geen bevoegdheid bestaat voor oplegging van een boete, omdat een
maatregel kan worden opgelegd.
Vraag 38
Op welke wijze voorziet de regering dat het recht op het vergissen in de praktijk
vorm krijgt, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Is het bestuursorgaan
ambtshalve verplicht te onderzoeken of er sprake is van een vergissing voor er een
boete of andere maatregel wordt opgelegd of moet het bestuursorgaan deze beoordeling
pas maken nádat de betrokkene zich meldt over de opgelegde boete of maatregel?
Voor het antwoord op deze vraag verwijst de regering naar het antwoord op vraag 28.
Vraag 39
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering het boetebesluit en de hoogte
van de boetes nader toe te lichten. Op basis waarvan zijn de verschillende boetecategorieën
gebaseerd? Wijzigt voorliggend voorstel ook de hoogtes van de boetes? Zo nee, waarom
niet?
De basis voor de twee categorieën ligt in de wens om passend te handhaven. Passend
handhaven betekent dat (opzettelijk) misbruik, zoals het aanvragen van een uitkering
met vervalste papieren, moet kunnen worden bestraft. Het betekent ook dat minder ernstige
overtredingen, zoals het (herhaaldelijk) te laat doorgeven van vakantie, lichter worden
gesanctioneerd met een waarschuwing of een lagere boete. Daarom is gekozen om naast
het instrument van de waarschuwing twee boetecategorieën te hanteren; een categorie
voor de strafverzwarende overtredingen en een categorie voor de overige overtredingen.
De boete voor strafverzwarende overtredingen is hoger dan de boete voor de overige
overtredingen. Zo behoudt het bestuursorgaan de mogelijkheid om opzettelijk misbruik
passend te beboeten. Ook sluit deze indeling beter aan bij de straffen en classificaties
in het strafrecht.
De specifieke invulling van de hoogte van de boetes geschiedt in het Boetebesluit
socialezekerheidswetten. Voorgesteld wordt om de bestaande boetehoogtes aan te passen.21 Door de aanpassing zijn de boetehoogtes meer in lijn met de strafrechtelijke route.
Voor het bepalen van de percentages (5% en 15% van het benadelingsbedrag voor respectievelijk
de normale overtredingen en de strafverzwarende overtredingen) is gekeken naar verschillende
soorten informatie. Het beleidsmatige uitgangspunt is dat boetes evenredig, realistisch
en leed toevoegend moeten zijn. Om de impact van een boete te bepalen is gekeken naar
de inkomsten per uitkering per persoon per maand en naar gemiddelde benadelingsbedragen.
Ook is gekeken met welke percentages boetes ook daadwerkelijk betaald kunnen worden.
Hierbij is gekeken naar de beslagvrije voet, waarbij de boete voor een lichte overtreding
binnen 12 maanden terugbetaald zou moeten kunnen worden en voor strafverzwarende omstandigheden
binnen 24 maanden. Op basis van data-analyse zou dit met de voorgestelde percentages
in het overgrote deel van de overtredingen het geval moeten zijn. Zie het antwoord
op vraag 59 voor meer duiding hierover.
Tot slot worden de boetepercentages in het bestuursrecht met dit voorstel ook meer
in lijn gebracht met de boetepercentages bij strafrechtelijke afhandeling.
8. Hoofdlijnen maatregelenregime
Vraag 40
De leden van de NSC-fractie lezen dat in het wetsvoorstel twee situaties zijn opgenomen waarin het bestuursorgaan
in ieder geval afziet van het opleggen van een maatregel of waarschuwing: Indien elke
vorm van verwijtbaarheid van de betrokkene(n) ontbreekt of indien er sprake is van
een overtreding uit de eerste drie categorieën: naar het oordeel van het bestuursorgaan
aannemelijk is dat sprake is van een vergissing of anderszins een waarschuwing of
maatregel niet zal bijdragen aan de met het betreffende besluit te dienen doelen.
Deze leden constateren dat het begrip verwijtbaarheid daarmee onderdeel uitmaakt van
het afwegingskader. Zij vragen de regering hoe dit zich verhoudt tot de conclusie
van de NOSB dat het gebruik van «verwijtbaarheid» als meetlat voor fraude in de sociale
zekerheid onvoldoende accuraat en bruikbaar is.
Voor het antwoord op deze vraag verwijst de regering naar het antwoord op vraag 8.
Vraag 41
De leden van de SP-fractie lezen dat er bij ernstige misdragingen jegens een ambtenaar een uitkering kan worden
stopgezet. Wordt dat pas besloten nadat het strafrechtelijk proces is afgerond of
ook al tijdens het proces?
Gezien het ne bis in idem-principe kan het bestuursorgaan alleen een sanctie opleggen
voor een ernstige misdraging wanneer het strafrechtelijke proces is afgerond zonder
strafoplegging, wanneer besloten wordt geen aangifte te doen of wanneer het openbaar
ministerie besluit niet te vervolgen.
9. Overige onderwerpen in het voorstel
10. Burgerperspectief
11. Verhouding tot rechtsbeginselen en nationale wetgeving
12. Verkenning internationale handhavingsstelsels
13. Regeldruk
14. Uitvoering
Vraag 42
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering een inschatting kan maken of er voldoende uitvoeringscapaciteit
is om evenredig te kunnen handhaven, in het licht van een krappe arbeidsmarkt. Kan
de regering aangeven of hier financiële middelen voor zijn uitgetrokken?
De factoren personele capaciteit en benodigde middelen zijn meegenomen in de uitvoeringstoetsen
die UWV, SVB en VNG hebben gedaan op het wetsvoorstel en de lagere regelgeving. Om
de uitvoeringskosten voor gemeenten nader in kaart te brengen zijn twee artikel 2
Financiële-verhoudingswet-onderzoeken (Fvw) uitgevoerd.22 Uit de uitvoeringstoetsen zijn geen belemmeringen voortgekomen op het gebied van
capaciteit, mits daar vanuit het Rijk de gevraagde middelen voor worden uitgetrokken.
De gedane onderzoeken worden hierbij aan uw Kamer aangeboden.
Op basis van in de uitvoeringstoetsen genoemde bedragen zijn middelen gereserveerd.
Het gaat hierbij om incidentele middelen voor de implementatie van de wet en om structurele
middelen voor de uitvoering. In totaal zijn de budgettaire gevolgen voor de uitvoering
€ 12,1 miljoen incidenteel en € 4,6 miljoen structureel. Voor UWV is incidenteel € 4,1 miljoen
en structureel € 2,5 miljoen gereserveerd voor het wetsvoorstel en de lagere regelgeving.
Voor de SVB is incidenteel € 1,4 miljoen en structureel € 0,4 miljoen gereserveerd.
Voor gemeenten worden middelen gereserveerd op basis van het artikel 2 Fvw-onderzoek,
dat recent is afgerond. Dit betreft € 1,7 miljoen structurele en € 6,5 miljoen incidentele
uitvoeringskosten. Daarnaast worden afspraken gemaakt met de VNG over de monitoring
van de uitvoeringkosten voor gemeenten ten behoeve van de invoeringstoets en evaluatie
van het wetsvoorstel en bijbehorende lagere regelgeving. Voor deze kosten zijn middelen
vrijgemaakt in de voorjaarsbesluitvorming van 2023. Aanvullend daarop zijn bij de
augustusbesluitvorming van 2024 middelen vrijgemaakt uit de envelop «Groepen in de
Knel».
Vraag 43
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering kan toelichten welke
maatregelen worden genomen om te voorkomen dat bij risicogerichte handhaving gebruik
wordt gemaakt van postcode- of gebiedsgerichte selecties die kunnen leiden tot ongelijke
behandeling.
In het voorliggende wetsvoorstel zijn geen maatregelen opgenomen om te voorkomen dat
bij risicogerichte handhaving gebruik wordt gemaakt van postcode- of gebiedsgerichte
selecties. De reden hiervoor is dat het wetsvoorstel gaat over handhaving en sanctionering
– met andere woorden, de wijze waarop gereageerd wordt op een geconstateerde onrechtmatigheid
– en niet raakt aan toezicht, controle of het gebruik van risicoselecties. Voor dergelijke
maatregelen is dit wetsvoorstel dus niet geschikt.
Vraag 44
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering het uitvoeringsrapport
over de lagere regelgeving met de Kamer kan delen zodra dit beschikbaar is.
De uitvoeringstoetsen van UWV en de SVB op de lagere regelgeving zijn al gedeeld bij
aanbieding van het wetsvoorstel aan uw Kamer.23 De uitvoeringstoets van de VNG wordt als bijlage bij deze nota naar aanleiding van
het verslag met uw Kamer gedeeld.
Vraag 45
De leden van de D66-fractie constateren dat de implementatie van de Wet handhaving sociale zekerheid een beroep
doet op de schaarse ICT-capaciteit van het UWV. Dit kan ten koste gaan van andere
verandertrajecten en de bredere vernieuwingsagenda. Daarom vragen deze leden de regering
welke plannen er zijn om te waarborgen dat de inzet van deze capaciteit voor het wetsvoorstel
niet leidt tot ongewenste vertraging of afstel van andere, eveneens cruciale, moderniserings-
en verbetertrajecten binnen het UWV.
In de uitvoeringstoetsen van UWV is aandacht besteed aan de gevolgen van de voorgestelde
wijzigingen voor de ICT-capaciteit. UWV signaleert daarbij geen directe knelpunten
op dit gebied. Wel is tussen UWV en het Ministerie van SZW de afspraak gemaakt om
periodiek te bezien hoe de beschikbare ICT-capaciteit ingezet moet worden. Hierbij
wordt zowel gekeken naar het implementeren van nieuwe wet- en regelgeving als overige
verandertrajecten binnen UWV. In het geval er in de toekomst knelpunten ontstaan door
samenloop van verschillende trajecten, moeten keuzes worden gemaakt. Uw Kamer zal
hier dan over worden geïnformeerd.
Vraag 46
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de benadrukking door de Raad
van State en de uitvoeringsorganisaties van het belang van voldoende uitvoeringscapaciteit.
Kan de regering een concrete inschatting geven of deze capaciteit, met name gezien
de krappe arbeidsmarkt, momenteel beschikbaar is en welke financiële middelen hiervoor
zijn uitgetrokken?
Voor het antwoord op deze vraag verwijst de regering naar het antwoord op vraag 42.
Vraag 47
De leden van de D66-fractie zien dat dit wetsvoorstel diverse open en potentieel vage
normen introduceert, zoals «passend informeren», «redelijkerwijs duidelijk» en «vergissing».
De Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden (LOSR) heeft al gewaarschuwd dat de
ruimte die de wet biedt, met name in het boeteregime, kan leiden tot willekeur en
rechtsongelijkheid. Hoe gaat de regering waarborgen dat deze open normen door alle
uitvoeringsorganisaties (UWV, SVB en gemeenten) eenduidig en uniform worden toegepast,
om te voorkomen dat burgers in vergelijkbare situaties ongelijk worden behandeld en
de rechtszekerheid wordt ondermijnd?
Wanneer bij passende handhaving op basis van het afwegingskader meer rekening wordt
gehouden met bijvoorbeeld de evenredigheid en de eigen rol van de overheid bij het
ontstaan van een overtreding, is er weliswaar sprake van verschillende uitkomsten,
maar dat is dan zo omdat de situaties ook verschillen. Waar situaties wèl gelijk zijn,
is uniformiteit wel van belang. Om de uniformiteit in de uitvoering te bevorderen
faciliteert het Ministerie van SZW gesprekken tussen UWV, SVB en VNG over hoe de discretionaire
ruimte en de open normen die de wet biedt, worden ingevuld. Uniformiteit is hierbij
het streven, maar gezien de verschillen in wetten en doelgroepen en de bewuste keuze
om ruimte te laten voor de afweging van uitvoeringsprofessionals, is volledige uniformiteit
niet mogelijk of wenselijk. Dit moet echter niet afdoen aan de rechtszekerheid van
uitkeringsgerechtigden. Daarom wordt na inwerkingtreding van de nieuwe wet door middel
van monitoringsinformatie en periodieke gesprekken met de uitvoering gemonitord of
de beoogde uniformiteit in de praktijk goed uitpakt of dat er aanvullende inzet nodig
is om niet uitlegbare verschillen te verkleinen.
Vraag 48
De leden van de BBB-fractie vragen hoe wordt geborgd dat de bredere ruimte voor uitvoeringsorganisaties niet
leidt tot willekeur of rechtsongelijkheid tussen burgers.
Zijn de uitvoeringsorganisaties voldoende toegerust qua IT en opleiding om het vereiste
maatwerk en de uitgebreidere motivering in elk individueel geval vorm te geven?
Zie voor het antwoord op deze vraag ook het antwoord op vraag 42. Aanvullend daarop
is het van belang dat uitvoeringsprofessionals de kennis en kunde hebben om hun taak
goed uit te kunnen voeren. Ook de IT-systemen moeten worden aangepast. In de uitvoeringstoetsen
en de artikel 2-onderzoeken zijn factoren als opleiding en training en ICT-wijzigingen
ook onderdeel van het totaalbeeld van benodigde financiële middelen. Hiervoor zijn
dus middelen gereserveerd.
Vraag 49
Wat gebeurt er als uitvoeringsorganisaties het vertrouwen-principe anders interpreteren
en dus lokaal verschillend toepassen? Hoe wordt uniformiteit bewaakt?
Voor het antwoord op deze vraag verwijst de regering naar het antwoord op vraag 47.
Vraag 50
Hoe wordt voorkomen dat de beperkingen van de terugkijktermijn of coulance in het
sanctiebeleid fraude in de hand werken?
Het wetsvoorstel bevat een aantal waarborgen om te voorkomen dat misbruik loont. Allereerst
is een aantal situaties beschreven waarbij een boete de aangewezen reactie is, omdat
in deze gevallen misbruik wordt verondersteld. Het betreft de volgende situaties:
een betrokkene heeft een uitkering aangevraagd met gebruikmaking van vervalste documenten;
een betrokkene heeft structurele inkomsten en/of vermogen verzwegen; er is sprake
van samenloop met het strafrecht; of de betrokkene heeft de overtreding opzettelijk
begaan of heeft hieraan grove schuld. Het bestuursorgaan zal voor deze gedragingen
in principe een boete opleggen van de hoogste categorie in het Boetebesluit socialezekerheidswetten.
In deze situaties wordt bovendien in het kader van de terugvordering een terugkijktermijn
van tien jaar, in plaats van vijf jaar, gehanteerd. Misbruikzaken waar het benadelingsbedrag
hoger is dan € 50.000 kunnen bestuursorganen daarnaast overdragen aan het OM, zodat
hier strafrechtelijk vervolg aan kan worden gegeven.
Vraag 51
De leden van de SP-fractie zien dat de regering, na de bezwaren van de SVB rondom de uitvoeringstoets, de wet
heeft aangepast. Hebben de aanpassingen op de uitvoeringstoets van de SVB voldoende
de principiële bezwaren van de SVB weggenomen?
In de uitvoeringstoets op de lagere regelgeving geeft de SVB aan dat het wetsvoorstel
vanuit uitvoeringsperspectief bezien aanzienlijk is verbeterd ten opzichte van wetsvoorstel
dat in september 2023 voorlag voor uitvoeringstoets. Met de aanpassingen zijn de principiële
bezwaren die de SVB in de uitvoeringstoets op het wetsvoorstel noemde, weggenomen.
In de uitvoeringstoets op de lagere regelgeving benoemt de SVB wel nog één belemmering
voor de uitvoering, namelijk het begrip «vergissing». In het antwoord op vraag 34
wordt toegelicht hoe hiermee wordt omgegaan.
Vraag 52
De leden van de SP-fractie onderschrijven de stelselherziening die wordt voorgesteld
door de Parlementaire Enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening en de NSOB
om tot meer evenredige sancties te komen zoals de SVB graag ziet. Als er op dit moment
wordt ingezet op handhaving van sociale zekerheid en andere wetgeving die de menselijke
maat centraal zet, is het dan nu niet juist tijd voor een stelselherziening? Hoe reflecteert
de regering hierop?
Het onderhavige wetsvoorstel behelst een stelselherziening. Door af te stappen van
een voorgeschreven reactie op een overtreding, en via het afwegingskader ruimte te
laten aan het bestuursorgaan om – gespecificeerde – handhavingsinstrumenten te kunnen
toepassen, wordt gekozen voor een nieuw stelsel waarin meer recht wordt gedaan aan
de feitelijke situatie. Het advies van de Raad van State onderschrijft deze conclusie.
Vraag 53
De leden van de SP-fractie zijn benieuwd of er nog andere wetgeving, naast de genoemde
in dit hoofdstuk, in behandeling zijn waarbij de menselijk maat (opnieuw) wordt geïmplementeerd.
De regering werkt breed aan het beter implementeren van de menselijke maat in het
wettelijke stelsel. Het wetsvoorstel Verbetermaatregelen Toeslagen is hier een voorbeeld
van, evenals het wetsvoorstel Proactieve Dienstverlening, het wetsvoorstel Versterking
waarborgfunctie Awb en de recent door de Kamers aangenomen Participatiewet in balans.
Vraag 54
De leden van de SGP-fractie worden graag geïnformeerd over hoeveel (aanvullende) uitvoeringscapaciteit nodig
is als gevolg van dit wetsvoorstel. Is deze capaciteit er en hoeveel financiële middelen
zijn hiervoor nodig? Wordt dit budget ook hiervoor uitgetrokken en hoe wordt dit gedekt?
Voor het antwoord op deze vraag verwijst de regering naar het antwoord op vraag 42.
Vraag 55
De leden van de SGP-fractie vragen welke gevolgen het inzetten van de schaarse ICT-capaciteit
voor dit wetsvoorstel heeft op andere trajecten bij het UWV en specifiek voor welke
trajecten.
Voor het antwoord op deze vraag verwijst de regering naar het antwoord op vraag 45.
15. Toezicht en handhaving
16. Financiële gevolgen
Vraag 56
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering kan aangeven wat de omvang is van de middelen uit de envelop
Groepen in de knel uit het hoofdlijnenakkoord 2024–2028 die beschikbaar zijn gesteld
voor dit wetsvoorstel.
Kan de regering aangeven hoe groot de reservering is die is gemaakt om structurele
uitvoeringskosten te dekken? Is de regering ervan op de hoogte dat (bestuurlijke)
boetes voor SZW voor gemeenten vaak een inkomstenpost vormen waarop in de begroting
wordt gerekend?
De omvang van de middelen uit de envelop Groepen in de Knel bedraagt € 12,1 miljoen
structureel vanaf 2026.
De reservering voor de structurele uitvoeringskosten bedraagt € 4,4 miljoen per jaar.
De regering is op de hoogte dat de gelden uit boetes onderdeel zijn van de financiële
verslaggeving van gemeente. Dit was ook onderdeel van het artikel 2 Fvw-onderzoek
naar de kosten voor het wetsvoorstel en onderliggende besluiten voor gemeenten. De
belangrijkste uitkomst van dat onderzoek is dat er geen groot nieuw effect wordt verwacht
ten aanzien van de opbrengsten uit boetes, en dat deze opbrengsten qua omvang überhaupt
zeer gering zijn ten opzichte van de uitvoeringslasten van gemeenten. Dit zal worden
gemonitord met de invoeringstoets en wetsevaluatie.
Vraag 57
Deelt de regering de opvatting van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat het
onwenselijk is dat gemeenten boete-inkomsten opnemen in hun begroting, aangezien dit
in feite betekent dat zij begroten op het straffen van inwoners?
De regering acht het onwenselijk dat het boete-instrument (enkel) ingezet zou worden
als middel om geld op te halen. De regering benadrukt nogmaals dat een financiële
prikkel (taakstelling) geen onderdeel is van het nalevingsbeleid in de sociale zekerheid.
Desalniettemin zullen de gelden van boetes wel op de financiële verslaggeving van
de gemeente vermeld moeten worden. Dat valt onder begrotingsdiscipline en de wijze
van begroten en het financieel toezicht daarop.
Vraag 58
Deelt de regering de zorg van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat, wanneer
gemeenten voor de keuze staan tussen het opleggen van een boete of het nemen van een
andere maatregel, de financiële prikkel om te beboeten kan leiden tot de voorkeur
voor het opleggen van boetes, zeker wanneer de financiële middelen beperkt zijn? Is
de regering bereid gemeenten te compenseren om deze financiële prikkel weg te nemen?
Uit het artikel 2 Fvw-onderzoek naar de kosten bij gemeenten is gebleken dat het verschil
tussen een waarschuwing en het opleggen van een boete qua financiële prikkel geen
grote wijziging oplevert ten opzichte van de huidige situatie, en dat de impact op
de totale gemeentelijke begroting slechts zeer beperkt is. De keuze tussen het opleggen
van een boete of het nemen van een andere maatregel zal bovendien gemotiveerd moeten
worden in het individuele besluit, en kan niet worden gebaseerd op begrotingsargumenten.
17. Advies en consultatie
Vraag 59
De leden van de SP-fractie lezen reacties bij de internetconsultatie waarin wordt aangegeven dat de maximale
boete van 4.500 euro te hoog, ook zijn er vragen hoe de boete zich verhoudt tot de
draagkrachtberekening. Hoe reflecteert de regering op deze reacties? Een te hoge boete
zou voor een deel van de getroffenen namelijk kunnen leiden tot grotere problemen,
bijvoorbeeld problematische schulden. Gaat de regering deze feedback verwerken door
het wetsvoorstel aan te passen? Zo zou het wetsvoorstel meer in lijn komen met het
Nationaal Programma Armoede & Schulden, waarbij problematische schulden getracht worden
te voorkomen?
De maximale boetehoogte is niet naar beneden bijgesteld naar aanleiding van deze inbreng
op de internetconsultatie. Dit omdat de regering het wenselijk acht om bij daadwerkelijk
misbruik een adequate boete op te kunnen leggen. Misbruik moet immers worden aangepakt.
Ook is een streven om het bestuursrecht beter te laten aansluiten bij het strafrecht
qua boetehoogtes, en het strafrecht kent een dergelijke verlaging niet in de strafvordering.
Verder heeft een adequate boete zowel een straffunctie als een signaalfunctie. Aangezien
de boetepercentages in het Boetebesluit worden verlaagd, zullen zelden boetes ter
hoogte van het maximum boetebedrag worden opgelegd. Dit betreft alleen gevallen wanneer
er sprake is van een strafverzwarende omstandigheid én een hoog benadelingsbedrag.
Daarnaast geldt voor alle boetes dat een bestuursorgaan de boete ambtshalve of op
verzoek van de betrokkene kan matigen wanneer betrokkene de boete niet binnen een
termijn van 12 maanden (bij normale overtreding) of 24 maanden (bij strafverzwarende
overtreding) kan betalen op basis van een fictieve draagkracht van 5% van de beslagvrije
voet. Tot slot kan in het invorderingsproces altijd rekening gehouden worden met een
individuele situatie en de beschikbare aflossingscapaciteit. Met deze waarborgen wordt
voorkomen dat mensen door een bestuurlijke boete schulden moeten opbouwen.
Afsluitend
Met deze nota naar aanleiding van het verslag wordt tevens de nota van wijziging toegestuurd.
De eerste aanleiding hiervoor is de Participatiewet in balans. Gelet op de wijzigingen
die met die wet zijn gerealiseerd, moeten bepaalde verwijzingen in het onderhavige
wetsvoorstel aangepast worden. De tweede aanleiding hiervoor is een aangetroffen onvolkomenheid
ten aanzien van schuldregelingen. In de huidige formulering hebben UWV en SVB geen
bevoegdheid om deel te nemen aan minnelijke schuldenregelingen bij mensen zonder aflossingscapaciteit.
Dit onbedoelde effect wordt hersteld. Voor de uitgebreidere motivering van deze punten
verwijs ik naar de toelichting bij de nota van wijziging.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M.L.J. Paul
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M.L.J. Paul, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede ondertekenaar
J.N.J. Nobel, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.