Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over o.a. Stand van zaken van een aantal moties in het domein Landelijk Gebied, Stikstof en Mest (Kamerstuk 35334-415)
2026D04747 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben
de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over een aantal brieven over Stikstof
en mestbeleid.
De fungerend voorzitter van de commissie,
Podt
De griffier van de commissie,
Jansma
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
II
Antwoord/Reactie van de Minister voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
III
Volledige agenda
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorliggende
stukken. Deze leden hechten aan een voortvarende aanpak van de stikstofcrisis, maar
benadrukken dat maatregelen nooit in een vacuüm staan. Een integrale blik is cruciaal
om te voorkomen dat winst op het gebied van emissies ten koste gaat van het welzijn
van de dieren in de veehouderij. De Kamer heeft derhalve moties aangenomen om te zorgen
dat de stikstofmaatregelen getoetst worden op hun bijdrage aan dierwaardigheid. Kan
de Minister aangeven op welke wijze de huidige en voorgestelde stikstofmaatregelen
reeds wetenschappelijk worden getoetst op de impact op dierwaardigheid en door welke
instanties deze toetsing wordt uitgevoerd? Hoe borgt de Minister dat de integrale
benadering leidend is bij het ontwerp van nieuwe regelingen, zodat maatregelen die
emissies reduceren niet contraproductief werken voor het welzijn van het dier? Voorts
vragen deze leden op welke manier de Minister voorkomt dat een eenzijdige focus op,
of prioritering van, snelle emissiereductie de uitvoering van de afspraken uit het
convenant «Stappen naar een dierwaardige veehouderij» bemoeilijkt of zelfs tegenwerkt.
De leden van de D66-fractie vragen in het kader van integraliteit naar de nieuwbouw
van stallen in de buurt van stikstofgevoelige natuurgebieden. Erkent de Minister dat
het onwenselijk en inconsistent zou zijn als een veebedrijf op dit moment nog een
nieuwe stal bouwt nabij een stikstofgevoelig natuurgebied, terwijl deze locatie op
korte termijn mogelijk in aanmerking komt voor een uitkoopregeling in het kader van
de stikstofaanpak? Kan de Minister reflecteren op de doelmatigheid van publieke middelen
wanneer er enerzijds vergunningen voor uitbreiding worden verleend, terwijl er anderzijds
miljarden worden uitgetrokken voor de beëindiging van locaties op diezelfde locaties?
Welke instrumenten heeft de Minister op dit moment om dergelijke kapitaalvernietiging
te voorkomen? Kan de Minister inzicht geven in hoe de vergunningverlening voor nieuwbouw
op kwetsbare locaties tijdelijk kan worden beperkt of kritischer getoetst in afwachting
van de gebiedsgerichte aanpak?
De leden van de D66-fractie maken zich tevens zorgen over de uitvoeringskracht op
lokaal en provinciaal niveau. De urgentie van natuurherstel is groot, maar de tekorten
op de arbeidsmarkt en de beperkte ambtelijke capaciteit dreigen een flessenhals te
vormen. Erkent de Minister dat een tekort aan menskracht momenteel een reëel risico
vormt voor de snelheid van ruimtelijke ontwikkelingen en de afwikkeling van stikstofdossiers?
Kan de Minister toelichten hoe expertise worden gegroepeerd om concurrentie tussen
overheden te voorkomen?
De leden van de D66-fractie hebben met grote zorg kennisgenomen van de berichtgeving
dat de Staatssecretaris persoonlijk heeft aangedrongen op de publicatie van een stikstofrapport
dat door experts als «rammelend» werd bestempeld (NRC, 26 januari 2026, «Staatssecretaris
Rummenie duwde rammelend stikstofrapport er persoonlijk door», (https://www.nrc.nl/nieuws/2026/01/26/staatssecretaris-rummenie-duwde-ra…)). Deze leden vragen de Minister aan te geven welke specifieke wijzigingen na de
interventie van de Staatssecretaris zijn doorgevoerd en hoe dit zich verhoudt tot
de wetenschappelijke onafhankelijkheid van het onderzoek. Het baart deze leden ernstige
zorgen dat politieke wenselijkheid hier lijkt te prevaleren boven feitelijkheid, wat
de juridische houdbaarheid van het beleid direct in gevaar brengt. Waarom is er besloten
de waarschuwingen terzijde te leggen en het rapport toch met een stellige politieke
conclusie naar buiten te brengen? Kan de Minister de relevante beslisnota’s met de
Kamer delen?
De leden van de D66-fractie constateren dat het concept 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn (AP) op verschillende punten een versoepeling bevat
ten opzichte van het 7e AP, terwijl de dwingende Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelen van 2027 juist in zicht
komen. Kan de Minister motiveren hoe een programma dat inzet op verruiming van stikstofgebruiksnormen,
het versmallen van bufferstroken en het laten vervallen van de 20 procent korting
in voormalige met nutriënten verontreinigde gebieden (NV-gebieden), valt te rijmen
met de Europese resultaatsverplichting om achteruitgang van de waterkwaliteit te voorkomen?
Op welke andere punten was het 8e AP niet in lijn met de KRW-doelen? De landsadvocaat waarschuwt expliciet voor een
«duidelijk risico» dat een rechter een streep zet door deze verruimingen, juist omdat
niet kan worden uitgesloten dat er verslechtering optreedt (Kamerstuk 2026D03556). Hoe rechtvaardigt de Minister het risico op een juridisch vacuüm en nieuwe blokkades
voor de sector als gevolg van deze onvoldoende onderbouwde koers?
De leden van de D66-fractie maken zich bovendien ernstig zorgen over de wijze waarop
de Minister de KRW-toets hanteert. Waar de Nitraatrichtlijn zich primair richt op
een norm van 50 milligram per liter nitraat in grondwater, stelt de KRW andere eisen
aan zowel grond- als oppervlaktewater om eutrofiëring tegen te gaan. Uit ambtelijke
stukken blijkt dat door de voorgestelde versoepelingen de uitspoeling van stikstof
naar het oppervlaktewater vrijwel overal zal toenemen (Kamerstuk 2026D03460). Dit staat haaks op het achteruitgangsverbod, waarbij negatieve effecten per waterlichaam
en per stof niet mogen worden gesaldeerd. Kan de Minister bevestigen dat het 8e AP per individueel waterlichaam wordt getoetst op zowel de verbeteringsverplichting
als het achteruitgangsverbod en kan zij daarbij garanderen dat wetenschappelijke onzekerheden
volgens het voorzorgsbeginsel niet worden gebruikt om verruimingen door te voeren?
De leden van de D66-fractie vragen aandacht voor de voorgestelde doelsturing en de
rol van fosfaat. Het concept 8e AP lijkt geen maatregelen meer te bevatten voor fosfor, terwijl in 46 procent van
de waterlichamen de doelen voor fosfaat niet worden gehaald. Waarom ontbreken deze
essentiële maatregelen in het programma? Ten aanzien van doelsturing wijzen ambtelijke
adviezen erop dat het versoepelen van streefwaarden op percelen die aan de norm voldoen
het gebiedsgemiddelde omhoog brengt, terwijl een equivalent voor aanscherping op overschrijdende
percelen ontbreekt. Hierdoor is het vrijwel zeker dat de doelen nooit zullen worden
gehaald. Kan de Minister toelichten hoe deze systematiek in lijn zou zijn met de Nitraatrichtlijn
en de doelen van de KRW?
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de voortgang van
het mestbeleid. Deze leden constateren dat de Minister zwaar inzet op de export van
organische meststoffen en het vergroten van de mestverwerkingscapaciteit. Kan de Minister
nader toelichten hoe de aanbevelingen van de meststoffengezant, zoals het investeren
in kennisontwikkeling in importerende landen, zich verhouden tot de noodzaak voor
een structurele krimp van het mestoverschot aan de bron? Op welke termijn en in welke
mate verwacht de Minister dat de voorgestelde publiek-private samenwerking en de pilots
in het buitenland leiden tot een meetbare ontlasting van de Nederlandse mestmarkt?
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief over
de wijziging van de uitvoeringsregelgeving in verband met de introductie van RENURE
(Kamerstuk 22 112, nr. 4200). Deze leden verwelkomen de mogelijkheid om kunstmest te vervangen door hoogwaardige
meststoffen uit dierlijke mest, mits dit gepaard gaat met een daadwerkelijke verbetering
van de milieukwaliteit en een reductie van de totale stikstofemissies. Kan de Minister
toelichten hoe zij borgt dat de inzet van RENURE-producten, zoals mineralenconcentraat
en ammoniumzouten, niet leidt tot een hogere totale stikstofbelasting op de bodem,
aangezien het Europese voorstel toestaat om jaarlijks tot 80 kilogram stikstof per
hectare aanvullend op de bestaande 170 kilogram uit dierlijke mest aan te wenden?
Welke aanvullende monitoring zet de Minister op om de effecten van deze verhoogde
stikstofaanwending op de waterkwaliteit en de uitspoeling van nutriënten nauwgezet
te volgen? Voorts vragen deze leden naar de voorwaarde dat het aantal dieren en de
mestproductie niet mag toenemen bij de implementatie van RENURE. Hoe effectief acht
de Minister de huidige regulering via productierechten en mestproductieplafonds om
deze absolute grens te bewaken, zeker in het licht van de wens tot opschaling van
mestverwerking? Met betrekking tot de kwaliteitseisen constateren deze leden dat er
strikte criteria gelden voor pathogenen en maximale gehalten aan koper en zink. Op
welke wijze wordt het toezicht op deze kwaliteitseisen ingericht en wie draagt de
verantwoordelijkheid indien de gebruikte RENURE-producten in de praktijk niet aan
deze veiligheidsnormen voldoen? Tot slot vragen deze leden naar de tijdelijke registratie-
en analyseverplichting voor producenten zolang een definitieve verankering in de Meststoffenwet
nog uitblijft. Hoe voorkomt de Minister dat dit leidt tot onnodige administratieve
lasten, terwijl tegelijkertijd een sluitende borging van de meststromen noodzakelijk
blijft om fraude en onbedoelde emissies tegen te gaan?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stukken met betrekking tot
het schriftelijk overleg Stikstof en mestbeleid. Deze leden hebben geen aanvullende
vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreuren de achteruitgang op het landbouwdossier
van de afgelopen periode. Daarin staan deze leden niet alleen. Alleen al in de onderliggende
adviezen met betrekking tot het 8e AP zien zij zich bevestigd door stevige kritiek van onder andere Wageningen Environmental
Research (WENR), de Commissie Milieueffectrapportage (MER), het Planbureau voor de
Leefomgeving (PBL), de Landsadvocaat, de Europese Commissie (EC), de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten (VNG), de Unie van Waterschappen (UvW), het Interprovinciaal
Overleg (IPO) en zelfs het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W). Zij
waarschuwen onder andere voor verslechtering van de waterkwaliteit en meer stikstofuitstoot,
nieuwe rechtszaken, een Europese infractie en een tweede stikstofcrisis. Dat op deze
kritiek en waarschuwingen nauwelijks is geacteerd is typerend voor het afgelopen kabinet
en desalniettemin betreurenswaardig.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie kijken dan ook met interesse uit naar de plannen
van een volgend kabinet. Wat deze leden betreft, biedt de transitie van de landbouw
kansen om Nederland mooier te maken, om boeren weer perspectief te geven, boeren en
omwonenden gezonder te maken en dieren een beter leven te geven. Deze leden benadrukken
daarbij dat het oplossen van de problemen in de landbouw wat hen betreft niet nog
langer vooruitgeschoven kan worden en dat het dus noodzakelijk is voortgang op korte
termijn te realiseren en te borgen.
De leden van de GroenLinks-PvdA fractie constateren dat het derogatieverzoek definitief
is afgewezen en de mestderogatie daarmee dit jaar definitief vervalt. Wat zijn de
meest recente cijfers over de overschrijding van de mestplafonds en wat zijn de meest
recente prognoses voor hoe dit zich gedurende dit jaar ontwikkelt? Wat is de precieze
opdracht die de Nitraatrichtlijn geeft aan Nederland in het geval van een overschrijding
van het mestplafond en zijn hiervoor scenario’s uitgewerkt en doorgerekend en zo ja,
welke? Welke concrete maatregelen kunnen worden genomen om op korte termijn onder
het plafond uit te komen? Wat zijn van elk van deze de geschatte ecologische, financiële
en juridische gevolgen en op welke termijnen zijn ze mogelijk?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vergelijkbare vragen over stikstof.
Kan de Minister bevestigen dat de Greenpeace-uitspraak (Rechtbank Den Haag, 22-01-2025,
ECLI:NL:RBDHA:2025:578) bindend is, ook in afwachting van het hoger beroep, en dat
dat dus de realiteit is waarmee rekening moet worden gehouden? Zijn er maatregelpakketten
voorbereid en doorgerekend waarmee aan de Greenpeace-uitspraak wordt voldaan? Zo ja,
hoe zien die eruit? Zo nee, waarom niet? Wat zijn concrete maatregelen om versneld
stikstofruimte vrij te maken voor natuurherstel en vergunningverlening?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat de mest- en stikstofdossiers niet
los kunnen worden gezien van andere landbouw- en natuurdossiers, zoals de Europese
Natuurherstelwet. Wat is de voorgenomen planning voor het opstellen van het nationale
conceptplan en hoe wordt de Kamer hierbij betrokken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie maken gebruik van de gelegenheid om grote zorgen en kritiek
te uiten op de koers die dit kabinet vaart met betrekking tot het stikstof- en mestbeleid.
Terwijl onze boeren de ruggengraat vormen van onze voedselzekerheid, worden zij geconfronteerd
met verstikkende regelgeving en onrealistische plafonds die zijn gebaseerd op drijfzand.
De leden van de PVV-fractie vinden het goed dat de Minister in haar brief ingaat op
knelpunten bij de uitvoering van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties
(Lbv) en de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting
(Lbv-plus) en erkent dat ondernemers in de praktijk vastlopen (Kamerstuk 35 334, nr. 400). Tegelijkertijd bevestigt deze brief opnieuw het fundamentele probleem van het Nederlandse
stikstof- en mestbeleid. Beleid dat is gevormd tot een juridisch en administratief
doolhof waarin boeren die jarenlang volgens de regels hebben gehandeld, alsnog de
rekening krijgen gepresenteerd.
De leden van de PVV-fractie zijn van mening dat de Minister terecht vaststelt dat
uit onderzoek blijkt dat bepaalde emissiearme stalsystemen in de praktijk hogere ammoniakemissies
veroorzaken dan eerder werd aangenomen. Deze leden benadrukken echter dat deze systemen
destijds door de overheid zijn goedgekeurd, opgenomen in de Regeling ammoniak en veehouderij
(Rav) en actief zijn gestimuleerd. Boeren hebben hier te goeder trouw en vaak tegen
hoge kosten in geïnvesteerd. Dat alternatieve emissiecijfers zijn toegestaan om deze
ondernemers alsnog toegang te geven tot de Lbv- en Lbv-plus-regelingen is dan ook
geen gunst, maar een kwestie van elementaire rechtvaardigheid.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoe zij voorkomt dat boeren in de toekomst
opnieuw slachtoffer worden van falende emissiemodellen en welke structurele verbeteringen
zij doorvoert om de betrouwbaarheid van emissiefactoren te vergroten.
Ook het dossier rond de wintergarten illustreert volgens de leden van de PVV-fractie
hoe regelgeving en praktijk structureel langs elkaar heen lopen. Deze leden waarderen
dat uiteindelijk is erkend dat deze scharrelruimte onder voorwaarden als dierenverblijf
kan gelden. Tegelijkertijd blijft het onverteerbaar dat ondernemers zonder stalcertificaat,
maar met een feitelijk identieke situatie, alsnog worden uitgesloten. Dat leidt tot
rechtsongelijkheid. Deze leden vragen de Minister of zij bereid is aanvullende, objectieve
bewijsmiddelen toe te staan, zodat de feitelijke situatie leidend wordt in plaats
van papieren formaliteiten.
De leden van de PVV-fractie zien een terugkerend knelpunt in de afhankelijkheid van
boeren van de capaciteit en doorlooptijden bij bevoegde gezagen. Dat de termijn voor
het wijzigen of intrekken van vergunningen is verruimd, was noodzakelijk. Het kan
niet zo zijn dat ondernemers financieel worden gestraft voor trage procedures waar
zij zelf geen enkele invloed op hebben.
Deze leden vragen de Minister welke structurele maatregelen zij neemt om vergunningverlening
bij provincies te versnellen en hoe zij voorkomt dat dit probleem zich bij toekomstige
regelingen opnieuw voordoet.
De leden van de PVV-fractie constateren ten aanzien van het starten van een nieuwe
economische activiteit op een beëindigde veehouderijlocatie dat recente uitspraken
van de Raad van State opnieuw voor onzekerheid zorgen. Hoewel de handreiking voor
medeoverheden welkom is, blijft de verplichting tot het aanvragen van een nieuwe natuurvergunning
voor veel ondernemers een forse drempel. Dit is wrang, omdat deze ondernemers per
saldo juist bijdragen aan stikstofreductie. Deze leden vragen of de Minister, samen
met provincies, bereid is te zoeken naar een eenvoudiger en voorspelbaarder overgangsregime.
De leden van de PVV-fractie hebben ook vragen over de sloopverplichting binnen de
Lbv-regelingen. De mogelijkheid tot ontheffing is positief, maar het volledig vervallen
van de vergoeding voor niet-gesloopte onderdelen kan ondernemers ontmoedigen om te
investeren in een nieuwe economische toekomst. Deze leden begrijpen de beperkingen
van het staatssteunkader, maar vragen de Minister of zij zich in Brussel actief wil
inzetten voor meer flexibiliteit bij toekomstige beëindigingsregelingen.
De leden van de PVV-fractie vragen ook aandacht voor de eis van vijf jaar bedrijfseconomisch
gangbaar gebruik. Het ontbreken van maatwerk, zelfs wanneer leegstand buiten de schuld
van de ondernemer is ontstaan, wordt als onrechtvaardig ervaren. Juist dit soort harde
en onbuigzame regels voedt het gevoel van willekeur en onbegrip onder boeren. Deze
leden vragen zich af of de Minister kan aangeven hoe zij hiernaar kijkt.
De leden van de PVV-fractie benadrukken dat vrijwillige regelingen altijd te verkiezen
zijn boven gedwongen onteigening. Vrijwilligheid kan echter alleen bestaan als regelingen
uitvoerbaar, rechtvaardig en betrouwbaar zijn. De ervaringen met de Lbv en Lbv-plus
laten zien dat het stikstofbeleid fundamenteel eenvoudiger moet met minder juridisering
en meer vertrouwen in de boer. Die les mag de overheid bij toekomstige regelingen
niet opnieuw negeren. Deze leden zouden hier graag een reactie van de Minister op
hebben.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie constateren dat het Europese RENURE voorstel positief
is beoordeeld en dat Nederland inzet op snelle nationale implementatie.
De leden van de JA21-fractie constateren dat regelgeving vooral toeziet op gebruik
en kwaliteit van RENURE, maar vergunningverlening rondom RENURE-installaties op boerderijniveau
nog onduidelijkheid wekt. Een installatie kan worden beoordeeld als normale agrarische
bedrijfsvoering of als industrie. Hoe wordt geborgd dat vergunningverlening voor RENURE-installaties
op boerenbedrijven niet vastloopt door interpretatieverschillen bij provincies en
gemeenten?
De leden van de JA21-fractie benadrukken dat RENURE een toepasbare oplossing is als
regelgeving, vergunningverlening en financiering voorspelbaar zijn ingericht. Zonder
die samenhang dreigt RENURE geen levensvatbaar concept te zijn. Welke financiële instrumenten
of subsidies acht de Minister noodzakelijk om uitrol van RENURE in Nederland succesvol
te maken?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de Subsidieregeling Extensivering Melkveehouderij
(SEM) zich nog in de prenotificatiefase bij de EC bevindt en dat de EC vragen heeft
gesteld over de aard en opzet van de regeling in relatie tot het toepasselijke staatssteunkader.
Kan de Minister een actuele stand van zaken geven over de beantwoording van deze vragen
en de planning richting de start van de formele notificatie en publicatie van de regeling?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben de onderliggende stukken voor het schriftelijk
overleg over Stikstof en mestbeleid met interesse gelezen. Deze leden hebben hierover
nog een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de BBB-fractie hebben een aantal vragen specifiek bij de aanvraag voor
derogatie en de afwijzing die daarop gekomen is op 22 december 2025 van Eurocommisaris
Roswall (Kamerstuk 2025D54012). In die laatste brief lezen deze leden namelijk het volgende: «the nitrogen surplus
being four times higher than the EU average, with 50% coming from agriculture.» Deze
leden zijn over die bewoording zeer verbaasd, omdat uit de meest recente bronnenanalyse
is gebleken dat 31 procent van het stikstofsurplus uit de landbouw komt. Waar komt
de volstrekt onjuiste indruk bij de Eurocommissaris vandaan dat de landbouw zo een
groot aandeel zou hebben? Met welke informatie en welke bijlagen is het derogatieverzoek
onderbouwd geweest? Is er contact gezocht met de Eurocommissaris om dit grove misverstand
recht te zetten en zo nee, waarom niet? Daarnaast lezen deze leden dat de Eurocommissaris
het onderzoek van Wageningen University & Research (WUR) dat gedaan is in 2023 (Kamerstuk
2023D32853) verkeerd lijkt te interpreteren. Eurocommissaris Roswall schrijft in haar brief
dat uit dit onderzoek blijkt dat het afbouwen van de derogatie geen risico zou zijn
voor de waterkwaliteit. Terwijl in dit onderzoek juist letterlijk het volgende staat:
«Het is niet ondenkbaar dat melkveebedrijven die eerst derogatie verkregen hadden
hun areaal maisland zullen uitbreiden ten koste van het areaal grasland. Of dat vanwege
een mogelijke vermindering van de veestapel het areaal op melkveebedrijven zal afnemen.
Als dit het geval is, kan ervoor gekozen worden om de krimp te laten plaatsvinden
ten koste van het graslandareaal. Op melkveebedrijven is er in het kader van eiwitarmer
voeren een behoefte aan een verandering in de verhouding mais gras. Omdat onder maisland
meer nitraat uitspoelt dan onder grasland, zou hierdoor e de gemiddelde nitraatconcentratie
toe kunnen nemen.» Vervolgens wordt in dat rapport alleen voor de zand-regio’s een
berekening gemaakt van de uiteindelijke gevolgen. Die zouden daar klein zijn, maar
juist de overige regio’s zijn van belang in dit verhaal. Waarom is dat niet meegenomen
in de onderbouwing bij de aanvraag van de derogatie? Daarnaast staat in de brief dat
de KDW-doelen verder buiten bereik zouden komen met een derogatie, maar wordt niet
meegenomen dat dankzij een derogatie juist de klimaatdoelen dichterbij komen, dankzij
verhoogde koolstofvastlegging in de bodem. Kan de Minister hierop reflecteren en is
dit specifieke punt ook gecommuniceerd met de Eurocommissaris bij aanvraag van de
derogatie?
Daarnaast verwijst de Eurocommissaris naar een rapport van 19 december 2024, waarin
de afbouw van derogatie nog als grootste factor in het verlagen van stikstofdepositie
in stikstofgevoelige natuur wordt gezien (PBL, 19 december 2024, «Toelichting geraamde
ontwikkeling ammoniakemissie uit de landbouw», (https://www.pbl.nl/publicaties/toelichting-op-de-geraamde-ontwikkeling-…)). In dit onderzoek is dus uiteraard niet de inzet van de Ministeriële commissie
Economie en Natuurherstel (MCEN) meegenomen, waardoor een ernstig vertekend beeld
ontstaat. Waarom is de Eurocommissaris niet gewezen op het feit dat dit onderzoek
verouderd is? Is het beleid van dat voorgesteld is door MCEN ook aan de Eurocommissaris
voorgelegd en zo nee, waarom niet? Uit de brief van de Eurocommissaris blijkt verder
dat zij de indruk krijgt dat het percentage overschrijdingen van 50 milliliter per
liter in grondwater zou zijn gestegen van 14 procent naar 18,7 procent. Dat zou uit
het «Report under the Nitrates Directive by The Netherlands for the period 2020–2023»
(RIVM, 28 november 2024, «Agricultural practices and water quality in the Netherland:
status (2020–2023) and trends (1992–2023)», (https://www.rivm.nl/publicaties/agricultural-practices-and-water-qualit…)) gedestilleerd zijn. De leden van de BBB-fractie kunnen deze berekening niet terugzien
in het rapport zelf. Daarin worden drie soorten grondwater apart benoemd, ondiep grondwater,
midden-diep grondwater en zeer diep grondwater. Alleen in de zand-zuid regio is de
nitraatconcentratie gemiddeld te hoog in ondiep grondwater, in de rest van Nederland
niet. Voor de diepere lagen is het gemiddelde over heel Nederland niet te hoog. Het
verbaast deze leden daarom dat de Eurocommissaris lijkt te rekenen met andere cijfers.
Kan de Minister daarop reflecteren? Waar het gaat om oppervlaktewater refereert de
brief aan onder andere de «Report under the Nitrates Directive by The Netherlands
for the period 2020–2023» (RIVM, 28 november 2024, «Agricultural practices and water
quality in the Netherland: status (2020–2023) and trends (1992–2023)», (https://www.rivm.nl/publicaties/agricultural-practices-and-water-qualit…)). In dat rapport lezen deze leden dat het percentage oppervlaktewater dat meer dan
50 milligram per liter stikstof bevat in de afgelopen jaren alleen maar is gedaald.
Toch lijkt de Eurocommissaris daar geen rekening mee te houden. Is daarover met de
Eurocommissaris contact gezocht? Klopt het dat Nederland een groot deel van het oppervlaktewater
«vervuild» noemt bij een lager gehalte dan 50 milligram per liter nitraat? Waarom
is ervoor gekozen om op die manier te rapporteren in Europa, met als gevolg dat een
groter aandeel van het oppervlaktewater «niet voldoet»? De Eurocommissaris is ook
specifiek niet tevreden met het aantal wateren in Nederland dat «eutroof» of «potentieel
eutroof» is. In de laatstgenoemde rapportage staan ook het aantal eutrofe wateren.
Deze leden willen weten of eutrofiëring in alle landen gelijkwaardig wordt beoordeeld.
Het lijkt erop dat voor «te veel stikstof» een andere classificatie wordt gebruikt
dan de 50 milliliter per liter, waardoor meer wateren als «met risico op eutrofiëring»
worden geclassificeerd. Kan de Minister hierop reflecteren? Waarom is daarvoor gekozen
als een andere benadering in Europa ook is toegestaan? Deze leden willen daarnaast
weten of bij de beoordeling van wateren ook rekening is gehouden met de aanwezigheid
van de Amerikaanse rivierkreeft, waardoor eutrofiëring niet aan de landbouw toe te
wijzen zou zijn. Zeker gezien het feit dat vrijwel alle wateren minder dan 50 milligram
per liter stikstof bevatten. Is die informatie ook met de Eurocommissaris gedeeld
in dit verband? Zo nee, waarom niet? Kan de Minister van alle genoemde getallen en
alle «feiten» op basis waarvan de Eurocommissaris de derogatie-aanvraag heeft afgewezen
de herkomst benoemen en uitleggen of de Eurocommissaris die getallen en feiten correct
leest en beoordeelt?
De leden van de BBB-fractie zijn benieuwd of tegen het besluit van de Eurocommissaris
nog bezwaar gemaakt kan worden. Zo nee, waarom niet? Als dat wel kan, hoe gaat de
Minister dat doen?
De leden van de BBB-fractie hebben ook vragen over het aanwijzen van het volledige
Nederlandse grondgebied als «kwetsbare zone». Deze leden constateren dat in het Commissie
van Deskundigen Meststoffenwet (CDM)-advies wordt gesteld dat de nitraatconcentraties
in het grondwater van klei- en veengebieden al jaren onder de norm van 50 milligram
per liter liggen. Deelt de Minister de mening dat dat een reden zou kunnen zijn om
niet langer heel Nederland als kwetsbaar gebied aan te wijzen?
De leden van de BBB-fractie lezen dat het grootste deel van de nutriëntenbelasting
van de Noordzee afkomstig is uit het buitenland en dat de bijdrage vanuit Nederlandse
klei- en veengebieden extreem beperkt is. Hoe rechtvaardigt de Minister extra nationale
maatregelen in deze gebieden, terwijl het effect op de nutriëntenbelasting van de
Noordzee marginaal is?
De leden van de BBB-fractie constateren dat het CDM-advies aangeeft dat eutrofiëring
in klei- en veengebieden voor circa 60 procent een mogelijke ontwikkeling betreft
en geen vastgestelde overschrijding. Acht de Minister het proportioneel om op basis
van risico-inschattingen generieke maatregelen op te leggen?
De leden van de BBB-fractie missen in het CDM-advies een integrale beschouwing van
bestaand beleid, zoals het huidige mestbeleid, gebruiksnormen en fosfaatrechten. Kan
de Minister toelichten waarom deze bestaande borging niet is meegenomen in de risico-inschatting?
Kan de Minister daarnaast aangeven waarom voorgenomen maatregelen gericht op emissiereductie
naar de lucht, waaronder maatregelen die volgen uit de MCEN, niet zijn meegewogen
bij de beoordeling van risico’s voor waterkwaliteit? Hoe beoordeelt de Minister de
effecten van die maatregelen op het risico op verslechtering van de waterkwaliteit
als er gaan actieprogramma meer zou zijn voor klei- en veengebieden?
De leden van de BBB-fractie zien dat het beleid steeds meer inzet op doelsturing.
Deelt de Minister de opvatting dat doelsturing mogelijkheden biedt om individuele
bedrijven aan te spreken, in plaats van gehele gebieden generiek aan te wijzen als
kwetsbare zone? Hoe ziet de Minister die samenhang en deelt zij de mening dat dit
mee kan wegen in het niet langer aanwijzen van klei- en veengebieden als kwetsbare
zone?
De leden van de BBB-fractie constateren dat in het CDM-advies doelen voor de concentratie
van totaal stikstof in oppervlaktewater worden genoemd van 2 tot4 milligram Nitraat
per liter. Op welke wetenschappelijke studies zijn deze normen gebaseerd? Is wetenschappelijk
vastgesteld dat bij overschrijding van deze concentraties in alle typen waterlichamen
daadwerkelijk eutrofiëring optreedt? Kan de Minister aangeven welke normen voor totaal
stikstof in oppervlaktewater worden gehanteerd in andere Europese Unie (EU)-lidstaten
en hoe deze zich verhouden tot de in Nederland gehanteerde waarden?
De leden van de BBB-fractie kennen het document «Beste beschikbare technieken emissiearm
aanwenden dierlijke meststoffen en zuiveringsslib» (Informatiepunt Leefomgeving, «Beste
beschikbare technieken emissiearm aanwenden dierlijke meststoffen en zuiveringsslib»,
(https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/milieubelastende-a…)) en willen weten waarom de toepassing van verschillende toevoegmiddelen aan drijfmest
niet in dit document opgenomen zijn. Wanneer is dit document voor het laatst herzien
en wanneer wordt opnieuw onderzocht of er mogelijk nieuwe technieken zijn die als
optie aan dit document toegevoegd kunnen worden?
De leden van de BBB-fractie hebben ook vragen over de term «meemesten van sloten».
Deze leden lezen dat het zogeheten Kantstrooi Advies Systeem (KAS) uit 1989 nog steeds
de basis vormt voor de berekening van het «meemesten van sloten» en daarmee voor de
toerekening van stikstof- en fosforbelasting van oppervlaktewater aan de landbouw.
Zij zien in de praktijk dat het zogenaamde «meemesten van sloten» al jaren niet meer
voorkomt. Boeren worden door deze benadering onnodig verantwoordelijk gehouden voor
iets dat al jaren niet meer bestaat. Deze leden vinden dit zeer problematisch. Zij
vragen of het klopt dat dit systeem sinds de ontwikkeling eind jaren tachtig niet
inhoudelijk is geactualiseerd op basis van nieuwe metingen of herberekeningen van
mesttoedieningstechnieken. Zij constateren bijvoorbeeld dat in het KAS expliciet wordt
gerekend met mesttoedieningsmethoden zoals een Schuitemaker SR 10000 L met spreidplaat
voor drijfmest en volveldse kunstmeststrooiers zonder kantstrooivoorziening en merken
op dat deze technieken destijds representatief waren voor de praktijk, maar inmiddels
verboden zijn of structureel zijn vervangen door andere systemen. Sommige technieken
zijn op dit moment zelfs al jaren verboden.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat drijfmest tegenwoordig emissiearm wordt
toegediend, veelal via injectie- of sleuftechniek, dat kunstmeststrooiers verplicht
zijn uitgerust met kantstrooivoorzieningen en dat daarnaast bemestingsvrije bufferstroken
langs watergangen wettelijk verplicht zijn. Deze leden vragen of de Minister het ermee
eens is dat deze maatregelen ertoe leiden dat direct meemesten van sloten in de huidige
praktijk sterk is verminderd en feitelijk niet meer voorkomt.
De leden van de BBB-fractie lezen verder dat de effecten van gewijzigd beleid en gewijzigde
toedieningsmethoden niet zijn doorgerekend in een nieuw rekenmodel, maar uitsluitend
zijn verwerkt via correctiefactoren op de uitkomsten van het oorspronkelijke KAS.
Deze leden vragen waarom ervoor is gekozen om geen volledige herberekening uit te
voeren op basis van actuele mesttoedieningstechnieken, maar te blijven werken met
correcties op een verouderde rekenkern.
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast op basis van welke empirische gegevens
of metingen deze correctiefactoren zijn vastgesteld. Deze leden vragen tevens waarom
deze factoren niet specifiek zijn doorgerekend voor verschillen tussen grasland en
bouwland, terwijl juist bij deze vormen van landgebruik de mesttoedieningsmethoden
en risico’s op emissies sterk verschillen.
De leden van de BBB-fractie constateren dat aan de emissiefactor voor het meemesten
van sloten een betrouwbaarheidspercentage van 100 procent is toegekend, wat duidt
op een grote onzekerheid. Deze leden vragen hoe deze hoge onzekerheid zich verhoudt
tot het gebruik van deze cijfers in de bronverdeling van nutriëntenbelasting van oppervlaktewater
en tot de beleidsmatige consequenties die hieraan worden verbonden.
De leden van de BBB-fractie vragen of de Minister het mogelijk acht dat door het gebruik
van een verouderd rekeninstrument, gecombineerd met globale correctiefactoren, het
aandeel van de landbouw in de berekende nutriëntenbelasting van oppervlaktewater structureel
wordt overschat. Deze leden wijzen erop dat de bronverdeling direct van invloed is
op de haalbaarheid en proportionaliteit van waterkwaliteitsdoelen. Zij vragen welke
gevolgen een mogelijke bijstelling van het aandeel «meemesten van sloten» zou hebben
voor de totale toerekening van stikstof en fosfor aan de landbouw en voor de haalbaarheid
van de geldende waterkwaliteitsdoelen.
De leden van de BBB-fractie lezen tot slot in de factsheet zelf dat een update van
emissies op basis van huidige toedieningsmethoden noodzakelijk wordt geacht. Deze
leden vragen of de Minister bereid is het rekeninstrumentarium voor het meemesten
van sloten te laten actualiseren op basis van actuele mesttoedieningstechnieken en
praktijkmetingen, zodat de toerekening van nutriënten aan sectoren beter aansluit
bij de huidige landbouwpraktijk.
De leden van de BBB-fractie hebben ook een vraag over de meest recente bronnenanalyse
van nutriënten in water. Omdat belasting vanuit het buitenland niet meegerekend wordt,
lijkt te belasting door landbouw groter dan die daadwerkelijk is. Waarom wordt daarvoor
gekozen?
Deze leden zouden graag van de Minister een overzicht per gebied ontvangen van de
landbouwbijdrage aan stikstof als rekening gehouden wordt met de belasting uit het
buitenland én met de correctie voor het feit dat «meemesten van sloten» niet meer
bestaat.
De leden van de BBB-fractie zijn verbaasd over de strikte hantering van het «achteruitgangsverbod»
als het gaat over het 8e AP. Ook daarover hebben deze leden een aantal vragen. Waarom wordt bijvoorbeeld het
achteruitgangsverbod als het gaat om de landbouwbijdrage veel strikter genomen dan
als het gaat om de bijdrage vanuit rioolwater? Als voorbeeld willen deze leden het
aansluiten van nieuwe woningen op de riolering noemen. Omdat rioolwaterzuiveringen
een groot aandeel van de stikstofbelasting veroorzaken én in veel gevallen nog overstorten
bestaan, is iedere nieuwe aansluiting op de riolering een reëel risico op achteruitgang
van de toestand van het water. Er worden echter nog steeds nieuwe woningen (en zelfs
wijken) aangesloten op bestaande rioolnetwerken die zorgen voor overbelasting van
bestaande rioolwaterzuiveringen. In dat geval wordt kennelijk een afweging van belangen
gemaakt. Waarom bestaat die mogelijkheid niet als het gaat om de landbouw en dan met
name de bemestingsnormen van vollegrondsgroenten? Met name de teelt van verschillende
vollegrondsgroenten kan onmogelijk worden zonder versoepeling van de normen, hoe wordt
daarmee omgegaan? Waarom wordt daar geen belangenafweging gemaakt? Deze leden vragen
de Minister om niet alleen in te gaan op de mogelijkheid tot een belangenafweging
bedrijfseconomische effecten, maar ook de mogelijke effecten op de voedselvoorziening
en dus de belangenafweging van de voedselvoorziening van de Nederlandse samenleving.
Voedsel is ten slotte niet alleen een economisch product, maar ook zonder twijfel
noodzakelijk voor de samenleving. De belangen van (mogelijk) iets minder stikstof
in het water moet dus altijd ook afgewogen worden tegen de belangen van voedsel voor
de samenleving. Daarnaast zijn er verschillende regels uit het 7e AP waarvan algemeen bekend is dat ze niet (of hooguit zeer marginaal) bijdragen aan
de waterkwaliteit. Het advies van de landsadvocaat laat zien dat het mogelijk is om
die maatregelen te laten vervallen (of vervangen door effectieve maatregelen). Hoe
gaat dit advies worden meegenomen in de vaststelling van het volgende AP? Als niet-effectieve
maatregelen blijven bestaan, hoe groot is dan het risico dat belangengroepen of individuele
ondernemers deze maatregelen zullen aanvechten? Kan de Minister reflecteren op de
risico’s van het niet laten vervallen van maatregelen die niet of slechts zeer marginaal
effectief zijn voor de waterkwaliteit?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
Mestbeleid
De leden van de SGP-fractie constateren dat vorig jaar via 81 duizend ton rundveemest
386 duizend kilogram fosfaat en 616 duizend kilogram stikstof is geëxporteerd. Tegelijkertijd
is met de import van 132 duizend ton rundveemest 251 duizend kilogram fosfaat en 580
duizend kilogram stikstof geïmporteerd. Deze leden vinden het opvallend dat nog zoveel
rundveemest wordt geïmporteerd en de fosfaat- en stikstofgehaltes daarbij substantieel
lager liggen. Kan de Minister dit nader duiden?
De leden van de SGP-fractie hebben een vraag in verband met de aangenomen motie-Flach/Grinwis
(Kamerstuk 28 973, nr. 278) waarin wordt gevraagd om in te zetten op het beperken van de aanwijzing van heel
Nederland als een kwetsbaar gebied door graslandregio’s als het rivierengebied, waar
weinig problemen zijn met de waterkwaliteit, niet aan te wijzen dan wel een apart
AP hiervoor op te stellen. Wil de Minister het toegezegde advies van de CDM per ommegaande
naar de Kamer sturen (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2025–2026, nr. 766)? Is de veronderstelling juist dat als Nederland ervoor kiest dit jaar bijvoorbeeld
het rivierengebied niet aan te wijzen als kwetsbaar gebied er dan in ieder geval dit
jaar voor dit gebied meer ruimte kan worden gecreëerd voor het uitrijden van dierlijke
mest, omdat voor het al dan niet aanwijzen van heel Nederland als kwetsbaar gebied
geen toestemming vooraf nodig is?
De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering de aanwijzing van NV-gebieden
niet wil aanpassen op basis van geactualiseerde data en daarbij verwijst naar de oproep
van de Kamer om de geïmplementeerde maatregelen uit het 7e AP ongewijzigd voort te zetten. Deze leden willen erop wijzen dat de Kamer ook heeft
gevraagd om actualisering van de aanwijzing van NV-gebieden (Kamerstuk 28 973, nr. 278) en dat het bij de actualisering van de lijst met NV-gebieden niet gaat om de overstap
naar aandachtsgebieden of een wijziging van maatregelen in het 7e AP, maar om een aanpassing van de lijst van gebieden (waar specifieke geïmplementeerde
maatregelen van toepassing zijn) volgens de huidige criteria in het huidige AP. Deelt
de Minister de mening dat de gevraagde actualisatie van NV-gebieden in lijn is met
de wensen van de Kamer? Is zij alsnog bereid deze actualisatie door te voeren?
De leden van de SGP-fractie horen graag of de Minister bereid is boomkwekerijgewassen
toe te voegen aan de lijst met rustgewassen onder het 7e AP.
De leden van de SGP-fractie horen graag of de Subsidieregeling Behoud Grasland de
komende jaren wordt voortgezet, gelet op de blijvende druk op omzetting van grasland
in meer uitspoelinggevoelig bouwland.
De leden van de SGP-fractie ontvangen graag inzicht in de hoeveelheden fosfaatrechten
die in de opeenvolgende jaren 2022, 2023, 2024 respectievelijk 2025 in de rundveehouderij
zijn verhandeld.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de excretieforfaits voor melkvee de daadwerkelijke
excretie overschatten. De regering wil de wettelijke excretieforfaits nog niet actualiseren
in verband met de verwachte extra dieren die dan aangehouden zullen worden. Dat betekent
evenwel ook dat melkveehouders nu meer mest moeten afvoeren dan nodig is, terwijl
de mestmarkt al gespannen is door de afschaffing van de derogatie. Deze leden horen
graag welke mogelijkheden de Minister ziet om ervoor te zorgen dat melkveehouders
niet meer mest hoeven af te voeren dan nodig is.
Stikstof
De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat enkele steden, zoals Arnhem, ’s Hertogenbosch
en Veenendeel, pal naast stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden liggen en derhalve
grote problemen ondervinden bij onder meer woningbouw en de energietransitie. Deze
leden horen graag of de Minister wil investeren in gerichte maatregelen voor stedelijke
emissiereductie om maatschappelijk noodzakelijke ontwikkelingen in deze steden mogelijk
te houden.
De leden van de SGP-fractie horen graag wanneer de Minister de SEM gaat openstellen.
Is dit op de kortst mogelijke termijn?
De leden van de SGP-fractie constateren dat wordt gesuggereerd dat door emissiereductie
natuurherstel wordt gerealiseerd en dat vergunningverlening pas op gang kan komen
als sprake is van natuurherstel. Deze leden willen erop wijzen dat wetenschappelijk
onderzoek laat zien dat vanwege opgehoopte neerslag over langere tijd emissiereductie
in verschillende Natura 2000-gebieden op korte termijn op zichzelf geen zichtbaar
natuurherstel zal opleveren. Dat zou betekenen dat het opgang brengen van de vergunningverlening
nog heel lang op zich laat wachten. Deze leden horen graag hoe de Minister dit weegt.
De leden van de SGP-fractie horen graag welke afweging het kabinet inmiddels heeft
gemaakt ten aanzien van de gevraagde juridische duidelijkheid over het opnemen van
intern salderen in de voortoets als activiteiten onlosmakelijk aan elkaar verbonden
zijn (Kamerstuk 35 334, nr. 392).
De leden van de SGP-fractie horen graag of de Minister de opgekochte stikstofruimte
in het kader van de opkoopregelingen tijdelijk wil inzetten richting provincies om
handhaving bij Programma Aanpak Stikstof (PAS)-melders af te kunnen houden.
De leden van de SGP-fractie hebben enkele vragen over de Subsidieregeling Brongerichte
Verduurzaming (Sbv). De deelname van melkveehouders aan deze regeling is minimaal
vanwege de zware eisen. Deze leden hebben de indruk dat zo kansen worden gemist. Welke
ruimte ziet de Minister voor het tijdelijk ondersteunen van innovatieve technieken
en managementmaatregelen, waarbij de uitstootreductie via monitoring gevolgd moet
worden? Welke mogelijkheden ziet de Minister om de huidige eis van minimaal 85 procent
emissiereductie te versoepelen, zodat meer technieken en managementmaatregelen, al
dan niet gestapeld, in aanmerking komen?
De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering in het kader van het «Vervolgpakket
Nederland van het slot» 50 miljoen euro heeft gereserveerd voor een gebiedsgerichte
aanpak voor het Rotterdamse havengebied. Ook andere havengebieden, zoals North Sea
Port, kampen met de stikstofproblematiek. Worden deze havengebieden ook meegenomen
in de genoemde gebiedsgerichte aanpak? Zo nee, waarom niet?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk
overleg Stikstof en mestbeleid en hebben hier nog een aantal vragen over.
De leden van de PvdD-fractie constateren dat de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur (LVVN) er sinds haar aantreden alles aan heeft gedaan om maatregelen tegen
te houden en verslechteringen door te voeren. In de praktijk heeft dit er niet alleen
toe geleid dat er kostbare tijd is verspild, maar ook dat de problemen, die al zeer
ernstig waren, nog meer zijn vergroot. Hierdoor moeten er op zeer korte termijn maatregelen
komen om alle problemen die worden veroorzaakt door de veehouderij, zoals de stikstof-
en watercrisis, achteruitgang van de natuur en gezondheidsproblemen voor Nederlands,
op te lossen. Boeren zijn in nog meer onzekerheid gestort en door het afbraakbeleid
van het afgelopen kabinet komt er nog meer op hen af. In stukken van het Ministerie
van I&W lezen deze leden dat ambtenaren van I&W zich stevig uitspreken tegen het functioneren
van het Ministerie van LVVN. Zo spreken zij van een «nietus-wellus spel», «onjuiste
vergelijking», «eufemisme voor verslechtering» en «appels met peren vergelijken» (Kamerstuk
2026D03468). Wat vindt de Minister van deze stevige kritiek op het functioneren van haar ministerie?
De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat het landbouwbeleid al jaren wordt gekenmerkt
door een gefragmenteerde aanpak waarin wordt gestuurd op deelproblemen. Op het ene
moment focust de politiek zich op stikstof en wordt daarop gestuurd, op het andere
moment op fosfaatreductie of vermindering van de ammoniakuitstoot, verbetering van
de waterkwaliteit en verbetering van dierenwelzijn. Deze leden zijn van mening dat
het nodig is dat er duidelijkheid komt over de toekomst van de landbouw, zodat boeren
een richting hebben waar ze op een integrale manier naartoe kunnen. Deze leden hebben
hier een aantal vragen over: welke maatregelen van de Minister dragen integraal bij
aan de stikstofaanpak en dierwaardigheid? Heeft de Minister een totaaloverzicht in
kaart laten brengen van maatregelen die én de stikstofaanpak en de transitie naar
een dierwaardige veehouderij in uiterlijk 2040 moeten realiseren? Hoe heeft zij uitvoering
gegeven aan de motie die de regering verzoekt om stikstofmaatregelen die dierenwelzijn
raken wetenschappelijk te laten toetsen op dierwaardigheid en in kaart te brengen
welke maatregelen getroffen kunnen worden die integraal bijdragen aan de stikstofaanpak
en dierwaardigheid (Kamerstuk 35 334, nr. 391)? Deelt de Minister de visie dat de focus op emissiereductie in stikstof- en mestbeleid
niet moet leiden tot maatregelen die het dierenwelzijn verslechteren, zoals dichte
stallen met luchtwassers, aanpassingen in voer (zoals eiwitbeperking en Bovaer) die
risico’s voor de diergezondheid met zich meebrengen en beperking van weidegang (vanwege
hoge mestafzetkosten), maar dat er in plaats daarvan moet worden gekeken naar integrale
oplossingen voor alle uitdagingen in de landbouw? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PvdD-fractie lezen in de appreciatie van het maatregelpakket stikstof
door het PBL dat een deel van de ammoniakreductie in de veehouderij moet worden bereikt
door een toename van het aandeel en de effectiviteit van emissiearme stallen, met
name bij varkens en kippen. Deze leden merken ook op dat het kabinet voornemens is
om meer subsidie uit te trekken voor technologische innovaties die stikstof reduceren
en daarentegen veel minder budget beschikbaar stelt voor de opschaling van een dierwaardige
veehouderij. Hoe voorkomt de Minister dat een toename in emissiearme stalsystemen
voor met name varkens en pluimvee de transitie naar een dierwaardige veehouderij vertraagt
of zelfs tegenwerkt? Hoe kan de Minister borgen dat eiwitnormen in veevoer niet onder
veterinair vastgestelde gezondheidsgrenzen uitkomen? Volgens de Volkskrant voeren
melkveehouders minder eiwit in verhouding tot de hoeveelheid energie om de stikstofuitstoot
van hun dieren te verlagen (Volkskrant, 17 oktober 2025, (https://www.volkskrant.nl/wetenschap/koeien-varkens-en-kippen-gaan-gebu…)). Kan de Minister een inschatting geven van de schaal van deze trend (aantal dieren
of aantal bedrijven)? Volgens de Volkskrant zien pathologen ook steeds vaker gevallen
van leververvetting en baarmoederontsteking rond het afkalven. Kan de Minister dit
bevestigen en verklaren? Heeft u kennisgenomen dat het beleid van de provincie Gelderland
om met zones van 500 meter (rond de Veluwe/landgoederen Brummen) te werken slechts
55 procent emissiereductie in 2035 beoogt, waarvan slechts 11 procent extra boven
op het autonome pad. Kunt u bevestigen dat de Veluwe het grootste Natura 2000-gebied
van Nederland is, waar bovendien het gros van de Urgente Lijst die centraal staat
in de Greenpeace-rechtszaak (Rechtbank Den Haag, 22-01-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:578),
zich bevindt? Kunt u bevestigen dat het vonnis toeziet op 2030, en het beleid van
provincie Gelderland onvoldoende is om dit te halen? Hoe kan worden voorkomen dat
deze aanpak onterechte verwachtingen schept over zowel het tempo als opgave die vervolgens
tot weerstand leidt omdat er, overduidelijk, meer nodig is? Erkent de Minister dat
het gebrek aan nationale sturing ertoe leidt dat provincies hun eigen, ontoereikende
invulling aan de opgave bieden? Ook provincies zijn immers verplicht invulling te
geven aan het Greenpeace-vonnis. Hoe valt de keuze voor enerzijds slechts een 500
meter zone rond het grootste Natura 2000-gebied, evenals een enclave binnen de Veluwe,
zonder extra opgave, volgens u te verklaren en uit te leggen aan de rest van het land?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie maken zich ernstige zorgen dat er nog geen zicht
is op het van het stikstofslot komen van ons land. Na jaren steggelen over welk natuur-
en stikstofbeleid precies nodig is – of er vooral focus moet zijn op emissiereductie
en natuurherstel of vooral focus op aanpassing van regelgeving of een combinatie van
die beide – om uit de stikstoffuik te zwemmen, is er nog steeds geen zekerheid dat
stap x, y en z leiden tot het vlot verstrekken van nieuwe Natuurbeschermingswetvergunningen
(NB-vergunningen) die stand houden voor de rechter. De vraag van deze leden is daarom
of nog één keer kan worden uiteengezet wat nodig is om met 100 procent kans een verstrekte
natuurvergunning de rechtbank te laten overleven? Of is die garantie niet te bieden
bij de huidige Vogel- en Habitatrichtlijn en de vigerende interpretatie daarvan? Als
dat zo is, welke consequentie trekt het kabinet daar dan uit? Immers, er staat veel
op het spel: woningen die moeizaam gebouwd kunnen worden, infrastructuur die niet
aangelegd kan worden, bedrijven die niet kunnen innoveren en verduurzamen en anderzijds
boerenbedrijven die mogelijk worden opgeofferd voor een onzeker resultaat in de rechtbank.
Graag een goed onderbouwde en diepgaande reactie op deze fundamentele zorg. In de
tussentijd wordt onder de huidige wet- en regelgeving gewerkt aan het verhogen van
de rekenkundige ondergrens in de Aerius Calculator, namelijk naar een wetenschappelijk
onderbouwde ondergrens van 0,5 mol per hectare per jaar. Hoe staat het daar nu mee,
welke stappen worden wanneer gezet en vanaf wanneer rekent Aerius met deze nieuwe
rekenkundige ondergrens? Welke flankerende maatregelen wil het kabinet nemen om de
kans te vergroten dat de verhoogde ondergrens stand houdt voor de rechter? In welke
mate zijn de wensen en eisen van de provincies ingevuld door het kabinet? Stel dat
de nieuwe rekenkundige ondergrens geen stand houdt, wordt met het oog daarop in de
tussentijd gewerkt aan een nieuwe bouwvrijstelling voor stikstofoxiden uitstoot, aangezien
zo een vrijstelling met meer kennis en zekerheid dan een aantal jaar geleden is te
onderbouwen en vorm te geven, zo vragen deze leden. Waarom lukt het niet de opvolger
van het legalisatieprogramma PAS-melders voor 1 mei 2026 van kracht te laten zijn?
Tijdens de wetsbehandeling was toch al bekend dat er afstemming met derden zou worden
gezocht? Wordt er wel voldoende prioriteit aan het oplossen van de onzekerheid voor
PAS-melders gegeven, zo vragen deze leden.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben een aantal vragen aan de regering. In
de eerste plaats willen deze leden weten of er naast noodzakelijke agrarische ondersteuning,
ook Rijksmiddelen beschikbaar komen voor natuurherstel en stedelijke/lokale emissiereductie
in steden en dorpen die direct grenzen aan Natura 2000-gebieden. Ook vragen deze leden
hoe de regering borgt dat de nationale woningbouwopgave van 100.000 woningen per jaar
haalbaar blijft, ook in steden die binnen de stikstof-emissiestroken rond Natura 2000-gebieden
liggen. Verder constateren deze leden dat het vervolgpakket financieel vooral agrarisch
is gericht, en vragen zij of in de verdere uitwerking ook expliciet middelen geboden
worden voor natuurherstel en stedelijke emissiereductie in steden als Arnhem, Veenendaal
en ’s-Hertogenbosch, die pal naast zwaar belaste Natura 2000-gebieden liggen en waar
woningbouw dreigt vast te lopen door onder andere 5 tot 15 procent meerkosten voor
emissieloos bouwen. Wil de regering deze middelen toezeggen? Voorts vragen deze leden
of de regering bereid is om gemeentelijke natuurherstelprojecten rond Natura 2000-gebieden
mee te laten tellen als structurele stikstofmaatregelen binnen de landelijke aanpak.
Kan de regering dit nader toelichten? Deze leden vragen de regering of zij deze punten
expliciet mee wil geven aan een volgend kabinet, zodat in de verdere uitwerking van
het stikstof- en natuurbeleid structureel rekening wordt gehouden met steden en dorpen
die direct grenzen aan Natura 2000-gebieden.
Hoe staat het met de uitvoering van de volgende onderdelen uit het dictum van de motie-Grinwis
(Kamerstuk 33 037, nr. 631): «Verzoekt de regering onderwijl in overleg te gaan met de waterschappen over een
heldere en voor ieder navolgbare aanwijzing van de aandachtsgebieden» en «verzoekt
de regering conform de motie-Vedder c.s. (33 037, nr. 593) de ingroei naar doelsturing, zoals beschreven in het concept 8e AP, onverdroten voort te zetten, zodat geen tijd verloren gaat en agrariërs (onder
andere in de aandachtsgebieden) komend najaar op perceelniveau het stikstofbodemoverschot
kunnen gaan meten.». Welke acties zijn reeds uitgevoerd en welke acties moeten nog
ondernomen worden om aanpassing van de aandachtsgebieden en de gevraagde doelsturing
in het najaar door te voeren? Wat is in het kader van het 8e AP overigens de reactie van het kabinet op de brief van Eurocommissaris Roswall?
Ten slotte vragen de leden van de ChristenUnie-fractie welke gevolgen het kabinet
ziet voor het vervolg van 2026 van het verlies van de derogatie, zowel bedrijfseconomisch
als milieu- en bodemkundig, en of en welke beleidsreactie wordt overwogen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben voor nu geen vragen en opmerkingen aangaande
het schriftelijk overleg Stikstof en mestbeleid.
II Antwoord/Reactie van de Minister
III Volledige agenda
Eerste appreciatie voorlichting van de Raad van State over de Rekenkundige Ondergrens
Kamerstuk 35 334-399, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 13 juni 2025
Toetsingskader Risicoregelingen voor de Borgstelling MKB Landbouwen Visserijkredieten
Kamerstuk 32 637-699, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 13 juni 2025
Voorkomende problematieken in de uitvoering van de Lbv en Lbv-plus en hoe hiermee
is omgegaan
Kamerstuk 35 334-400, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 16 juni 2025
Reactie op verzoek commissie over de voorgestelde routes door juristen van Van Doorne
om energieprojecten die onderaan de streep voor emissiereductie zorgen uit de stikstofimpasse
te helpen
Kamerstuk 30 196-849, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 23 juni 2025
Jaarrapportages Nederlands mestbeleid 2025
Kamerstuk 33 037-604, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 30 juni 2025
Publicatie CBS-monitor Fosfaat- en stikstofexcretie in dierlijke mest, eerste kwartaalrapportage
2025
Kamerstuk 33 037-605, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 3 juli 2025
CW 3.1 kaders (Beleidskeuzes Uitgelegd) bij maatregelen uit 1e suppletoire begroting
2025 van LVVN
Kamerstuk 36 725 XIV-17, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 4 juli 2025
Wetsvoorstel vervangen van de KDW Omgevingswaarde
Kamerstuk 35 334-405, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 11 juli 2025
Verzoek voor een derogatie op de Nitraatrichtlijn
Kamerstuk 33 037-606, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 11 juli 2025
Stand van zaken keuze in relatie tot grondgebondenheid
Kamerstuk 34 295-26, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 11 juli 2025
Concept 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn voor consultatie en advisering Commissie voor de
Milieueffectrapportage
Kamerstuk 33 037-607, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 14 juli 2025
Extra budget voor uitbreiding Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer in 2026 en budget
voor extensivering veehouderij
Kamerstuk 36 600 XIV-87, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 15 juli 2025
Reactie verzoek commissie over de uitspraken van de rechtbank Overijssel inzake de
openbaarmaking van emissiegegevens van veehouderijen, alsmede op het artikel dat hierover
in NRC is verschenen
Kamerstuk 32 802-133, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 4 augustus 2025
Publicatie CBS Monitor fosfaat- en stikstofexcretie in dierlijke mest tweede kwartaal
2025
Kamerstuk 33 037-608, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 20 augustus 2025
Internetconsultatie AMvB over vergunningsvrije verduurzamingsactiviteiten
Kamerstuk 35 334-408, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 25 augustus 2025
Appreciatie PBL maatregelpakket stikstof
Kamerstuk 35 334-409, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 28 augustus 2025
PAS-melders en handhavingsverzoeken
Kamerstuk 35 334-410, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 29 augustus 2025 PAS-melders en handhavingsverzoeken
Informatieverzoeken Baudet en Mutluer over de stukken die besproken worden in de Ministeriële
Commissie Economie en Natuurherstel (MCE&N)
Kamerstuk 35 334-411, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 1 september 2025
Evaluatie Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen
(Sbv)
Kamerstuk 28 973-281, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 8 september 2025
Voortgang van diverse onderwerpen van het mestbeleid
Kamerstuk 33 037-610, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 16 september 2025
Vervolgpakket Nederland van het slot
Kamerstuk 35 334-413, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 16 september 2025
Eerste weegmoment in het kader van de maximale mestproductie
Kamerstuk 33 037-611, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 18 september 2025
Stand van zaken Subsidieregeling extensivering melkveehouderij & Vrijwillige beëindigingsregeling
veehouderijlocaties
Kamerstuk 28 973-282, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 19 september 2025
Doorontwikkeling berekening stikstofdepositie
Kamerstuk 35 334-414, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 19 september 2025
Stand van zaken van een aantal moties in het domein Landelijk Gebied, Stikstof en
Mest Kamerstuk 35 334-415, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 19 september 2025
Voortgang bedrijfsgerichte doelsturing
Kamerstuk 30 252-209, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 23 september 2025
Publicatie Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025
Kamerstuk 35 334-416, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 1 oktober 2025
Reactie op het verzoek van het lid Kostic, gedaan tijdens de Regeling van Werkzaamheden
van 25 juni 2025, over het onderzoek van PBL waaruit blijkt dat de veehouderij 8,5
miljard euro aan schade per jaar veroorzaakt
Kamerstuk 32 813-1537, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 2 oktober 2025
Innovaties en vooruitgang in diervoeder
Kamerstuk 36 800-XIV-7, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 2 oktober 2025
Voortgang op de wetswijziging alternatief voor de KDW en de rekenkundige ondergrens
Kamerstuk 35 334-417, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 17 oktober 2025
Voortgang 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn
Kamerstuk 33 037-625, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 17 oktober 2025
Onderzoeken in het kader van hoger beroep rechtszaak Greenpeace inzake het stikstofbeleid
Kamerstuk 35 334-419, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 4 november 2025
Wijziging Uitvoeringsregelgeving Meststoffenwet in verband met RENURE
Kamerstuk 22 112-4200, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 7 november 2025
Actualisatie excretieforfaits en stikstofcorrectiefactoren voor landbouwhuisdieren
Kamerstuk 35 334-420, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 14 november 2025
Beleidsreactie op rapport «Praktijkvalidatie van het CIGR-model voor CO2-productie in stallen met lacterende HF-melkkoeien»
Kamerstuk 28 973-284, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 19 november 2025
Publicatie CBS Monitor fosfaat- en stikstofexcretie in dierlijke mest derde kwartaal
2025
Kamerstuk 33 037-626, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 20 november 2025
Voortgang op diverse onderwerpen van het mestbeleid
Kamerstuk 33 037-636, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 19 december 2025
Stand van zaken van een aantal moties m.b.t. het stikstofbeleid en een aantal andere
ontwikkelingen
Kamerstuk 36 800 XIV-11, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 19 december 2025
Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de omgang met intern
salderen bij plantoets
Kamerstuk 35 334-424, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 15 januari 2026
Ambtelijke adviezen en stukken die gebruikt zijn bij de voorbereiding van en besluitvorming
over het achtste actieprogramma Nitraatrichtlijn
Kamerstuk 33 037-639, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma,
d.d. 27-01-2026
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A. Podt, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
R.P. Jansma, griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.