Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de reactie op verzoek commissie over de brief van het Comité Schone Lucht NL (CSL), FERN EU en ClientEarth aan de ministeries van Economische Zaken en Klimaat, van Infrastructuur en Waterstaat en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over “'Verstandiger met Hout'; handleiding voor verdergaande implementatie herziene EU Richtlijn hernieuwbare energie (RED III) bij onderdeel biomassaverbranding” (Kamerstuk 32813-1423)
2026D04029 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft een aantal vragen en opmerkingen
aan de Minister voor Klimaat en Groene Groei voorgelegd over de reactie op verzoek
commissie over de brief van het Comité Schone Lucht NL (CSL), FERN EU en ClientEarth
over «Verstandiger met Hout»; handleiding voor verdergaande implementatie herziene
EU Richtlijn hernieuwbare energie (RED III) bij onderdeel biomassaverbranding (Kamerstuk
32 813, nr. 1423), Kabinetsreactie ERK rapport Groene transitie – onduidelijke bijdrage uit de Herstel-
en Veerkrachtfaciliteit (HVF) (Kamerstuk 21 501-07, nr. 2081), Appreciatie van twee wetenschappelijke publicaties van de VU en de UvA over het
verbieden van fossiele reclames (Kamerstuk 32 813, nr. 1438), Routekaart Koolstofverwijdering (Kamerstuk 32 813, nr. 1500), Definitief ontwerp-Klimaatplan 2025–2035 (Kamerstuk 32 813, nr. 1501), Kabinetsreactie op Jongerenakkoord over klimaatdoelen (Kamerstuk 32 813, nr. 1514), Kabinetsreactie rapport NL klimaatneutraal in 2040 (Kamerstuk 32 813, nr. 1513), Inhoudelijke appreciatie van de motie van het lid Teunissen over BECCS op geen
enkele wijze stimuleren of faciliteren met hout als biomassa (Kamerstuk 31 239, nr. 430), Kabinetsreactie op het WKR-advies «Vaart maken met visie. Met toekomstvisie richting
geven aan klimaatbeleid» (Kamerstuk 32 813, nr. 1539), Reactie op het signalenrapport «bestaanszekerheid in de buurt» en de evaluatie
van het Nationaal Klimaat Platform (Kamerstuk 32 813, nr. 1541) en Reactie op verzoek commissie over de brieven van Building Change over «Helder
over elders 2025 bij de begroting van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei»
en van de Grootouders voor het Klimaat m.b.t. COP21 en klimaatbeleid (Kamerstuk 31 793, nr. 289).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Kröger
Adjunct-griffier van de commissie,
Teske
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
II
Antwoord/Reactie van de Minister
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de fractie van D66 hebben met interesse kennisgenomen van de actuele
rapportages en de voorgestelde beleidstrajecten voor de Nederlandse energietransitie.
Hoewel deze leden de klimaatdoelstellingen van het kabinet steunt, maken zij zich
zorgen over de concrete uitvoering en de financiële risico’s van het niet tijdig behalen
van de klimaatdoelen. Zij benadrukken dat elke vertraging nu, leidt tot hogere kosten
en grotere onzekerheid voor de generaties van morgen. Daarom hebben deze leden de
volgende vragen en opmerkingen over de inzet van het kabinet.
De leden van de D66-fractie hebben met grote zorg kennisgenomen van het onderzoek
van Ecorys, waaruit blijkt dat Nederland de Europese verplichtingen voor hernieuwbare
energie en energiebesparing dreigt te missen. Deze leden constateren dat het niet
behalen van deze doelen kan leiden tot een miljardenstrop die kan oplopen tot 2,6 miljard
euro aan «statistische overdrachten» aan andere EU-lidstaten. Zij vinden het onacceptabel
dat belastinggeld wordt uitgegeven aan boetes en afkoopregelingen, terwijl het kabinet
dit geld ook direct zou kunnen investeren in bijvoorbeeld het isoleren van woningen
en het verduurzamen van de Nederlandse industrie. Elke euro die naar een buitenlandse
boete gaat, is in de ogen van deze leden een gemiste kans voor onze eigen groene groei
en energie-onafhankelijkheid. Kan de Minister uitsluiten dat ertussen nu en 2030 opnieuw
«statistische overdrachten» plaatsvinden, zoals de 200 miljoen euro in 2020? Zo nee,
welke stappen zet de Minister om dit te voorkomen?
De leden van de D66-fractie zijn verheugd dat de kabinetsreactie op het Jongerenakkoord
niet langer controversieel is verklaard en we dit akkoord nu kunnen bespreken. Ten
eerste constateren dat het kabinet de motie-Rooderkerk (Kamerstuk 36 600 XXIII, nr. 25) gaat invullen met een «Jonge Klimaattafel». Deze leden steunen dit voornemen en
vinden het een goede uitwerking van de motie Rooderkerk. Zij hechten grote waarde
aan de betrokkenheid van jonge generaties bij het klimaatbeleid, aangezien zij de
gevolgen van de huidige besluitvorming het langst zullen dragen. Deze leden waarderen
de invulling van de motie, maar benadrukken daarbij dat dit geen vrijblijvend karakter
mag hebben. Ten eerste vragen zij op welke wijze de Minister gaat borgen dat de adviezen
van de Jonge Klimaattafel een formele en zwaarwegende plek krijgen in de besluitvorming
rondom de Klimaat- en Energieverkenning. Daarnaast vragen zij of de Minister kan garanderen
dat de ondersteuning van deze tafel voor lange termijn beschikbaar blijft.
De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet een netto broeikasgasreductie van
circa 90% in 2040 als een logische tussenstap ziet op weg naar klimaatneutraliteit
in 2050. Zij complimenteren het kabinet met deze ambitie. Het behalen van 90% reductie
in 2040 is een opgave die vraagt om ongekende inspanning, maar het is de enige weg
om de doelen van het akkoord van Parijs binnen bereik te houden en de Nederlandse
economie toekomstbestendig te maken. Deze leden zijn van mening dat deze ambitie omgezet
moet worden in juridische zekerheid voor burgers en bedrijven. Daarom vragen zij de
Minister welke mogelijkheden zij ziet om het doel van 90% broeikasgasreductie in 2040
steviger te borgen in haar beleid.
De leden van de D66-fractie constateren dat de woningbouwopgave en de uitrol van laadinfrastructuur
onder grote druk staan door de toenemende netcongestie. Zij zien echter grote kansen
in «netbewuste nieuwbouw», waarbij door slim ontwerp en gespreid verbruik meer woningen
op dezelfde kabel kunnen worden aangesloten. Deze leden zijn van mening dat netbewuste
nieuwbouw de standaard moet worden in Nederland. Het kan niet zo zijn dat de woningbouw
stagneert terwijl er door slimme technische oplossingen en gebiedsgerichte vermogensnormen
nog ruimte op het net te vinden is. Welke mogelijkheden ziet de Minister om netbewuste
nieuwbouw als standaard op te nemen in ruimtelijke plannen en aanbestedingen? Hoe
beoordeelt de Minister het voorstel van Aedes om een subsidieregeling in te richten
voor netbewust renoveren?
De leden van de D66-fractie constateren dat er na 2030 een reëel risico ontstaat op
tijdelijke elektriciteitstekorten, waardoor het tijdelijk openhouden van bestaande
gascentrales noodzakelijk lijkt voor de leveringszekerheid. Hoewel deze leden de noodzaak
van leveringszekerheid erkennen, maken zij zich zorgen over het risico op een «lock-in»
van fossiele infrastructuur. Zij zijn van mening dat een mogelijk instrument voor
regelbaar vermogen óók ruimte moet geven voor regelbaar vermogen anders dan de reguliere
gascentrales. Hoe gaat de Minister stimuleren dat marktpartijen nu al investeren in
duurzaam regelbaar vermogen? Kan de Minister concreet schetsen hoe en wanneer zij
een instrument voor regelbaar vermogen zoals batterijen of grootschalige langdurige
opslag gaat realiseren?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stukken behorend bij het schriftelijk
overleg Klimaat en energie (algemeen) en hebben hierover geen verdere vragen en/of
opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Minister wat de reden is dat een
nationaal fossiel verbod wel moeilijk ligt in het kader van verdragen, terwijl gemeenten
als Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Delft, Nijmegen, Leiden, Bloemendaal en Zwolle het
gewoon al doen. Wat maakt volgens de Minister dat de aangehaalde onzekerheid over
de juridische houdbaarheid op nationaal niveau wel een probleem zou zijn, terwijl
gemeenten dat probleem niet lijken te hebben? Verder vragen deze leden de Minister
waarom ze niet gewoon één door de gemeenten gehanteerde definities overneemt. Kan
de Minister de Kamer een overzicht bezorgen van de definities die de Nederlandse gemeenten
voor fossiele reclame hanteren en in een helder overzicht aanduiden waar precies de
verschillen liggen? Kan de Minister verder een uitputtende lijst aanleveren van de
flankerende maatregelen om klimaatvriendelijke keuzes voor de consument aantrekkelijker
te maken, die op basis van het wetenschappelijke advies nodig zouden zijn? Kan de
Minister daarbij voor ieder van die maatregelen vermelden wat de stand van het beleid
vandaag is, welke de concrete plannen al in uitwerking zijn en wat precies nog nodig
is om die maatregelen effectief in te voeren?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Minister, of zij bij het oormerken
van middelen voor koolstofverwijdering een minimumpercentage aan middelen voor natuur-gebaseerde
oplossingen zal vastleggen, gezien de routekaart Koolstofverwijdering die aangeeft
dat koolstofverwijdering zoveel mogelijk moet aansluiten bij andere beleidsdoelen
zoals voor natuur. Zal de Minister ook in gesprek gaan met het Nederlandse bedrijfsleven
over hun wereldwijde impact die de natuurlijke capaciteit tot koolstofverwijdering
vermindert, zoals bijvoorbeeld door de vernietiging van bossen in de toeleverketen
of de aanvaringen van walvissen door schepen van Nederlandse rederijen wat volgens
het Internationaal Monetair Fonds (IMF) ook tot een verminderde koolstofverwijderingscapaciteit
leidt? Deze leden vragen de Minister tot slot of zij zal garanderen dat Nederland
het maximaal voorkomen van uitstoot nog steeds als eerste prioriteit blijft beschouwen.
Kan de Minister garanderen dat koolstofverwijdering niet als excuus gebruikt wordt
om langer broeikasgassen uit te stoten, o.a. door de verbranding van fossiele brandstoffen?
Met andere woorden, zal de Minister garanderen dat de finaliteit van koolstofverwijdering
niet is om gelijktijdige uitstoot te compenseren, maar wel in de eerste plaats dient
om de historische uitstoot van Nederland uit de atmosfeer op te ruimen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de Minister met de Kamer een doorrekening
kan delen of het definitief ontwerp Klimaatplan voldoende is om de nationale en Europese
klimaatdoelen te halen. Hoeveel ton CO2-equivalent wijkt de uitwerking van het plan af van de doelen? Wat zullen de verwachte
kosten voor de Rijksbegroting zijn op basis van die afwijking doordat we koolstofkredieten
bij andere landen moeten inkopen ter compensatie van ons eigen tekort? Verder vragen
deze leden wat de huidige stand is van de ontwikkeling van de generatietoets? Is de
Minister het voorts met deze leden eens dat het advies van de Raad van State om een
tussendoel voor 2040 in de Klimaatwet vast te leggen, geenszins in strijd is met een
Europees tussendoel en dat het kabinet er wel voor zou kunnen kiezen aan die aanbeveling
gevolg te geven? Zal ze Minister op basis van het rapport «Eerlijk Verduurzamen, randvoorwaarden
voor rechtvaardig beleid» van de Raad voor Leefomgeving en Infrastructuur uit december
2025 het Klimaatplan wijzigen om het sociaal rechtvaardiger te maken? Wat is de reactie
van de Minister op dat rapport?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen op basis van de appreciatie
van de Minister van het Jongerenakkoord over klimaatdoelen. Wat precies bedoelt de
Minister met «realistisch beleid»? Welke voorstellen beschouwt de Minister als niet
realistisch en waarom? Is dat realisme gebaseerd op fysieke wetmatigheden of juridische
beperkingen, dan wel op politieke onwil? Neemt de Minister daarbij ook de realiteit
van de klimaatregeling en de daaruit volgende schade voor Nederland en de Nederlanders
mee in beschouwing? Zo ja, op welke manier? Kan de Minister per niet-aangenomen voorstel
van het Jongerenakkoord aangeven wat precies de reden is van het niet aan te nemen?
Kan de Minister per aangenomen voorstel aangeven of dat voorstel reeds deel uitmaakte
van voorziene beleidsplannen dan wel juist op basis van het Jongerenakkoord in het
beleid is opgenomen? Welke plannen liggen er voorts al voor de besteding van het Social
Climate Fund? Wil de Minister op het Social Climate Fund wachten om bijkomende middelen
voor onder andere openbaar vervoer vrij te maken of zal de Minister dat al eerder
doen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Minister of ze op basis van de haalbaarheidsanalyse
Nederland Klimaatneutraal in 2040 bijkomend beleid plant. Kan de Minister een uitputtende
lijst bezorgen van de belemmeringen qua juridische haalbaarheid en uitvoerbaarheid
die zij ziet en wat er nodig is om die belemmeringen op te lossen? Wat precies is
ervoor nodig om de kabinetsinzet van 90% reductie in 2040 toch te verhogen naar 100%?
Wat leert de Minister voorts uit de studie van TNO naar de macro-economische effecten?
Welk bijkomend beleid zal zij op basis van die studie voorstellen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de Minister, gezien het toejuichen
van het aanbod van de Grootouders voor het Klimaat om hun eigen elektrische energie
zelf op te wekken, ook zal ingaan op hun daarbij aansluitende vraag om dan te kunnen
rekenen op minimaal gelijke behandeling als de fossiele industrie qua belastingen,
toeslagen, kortingen, vrijstellingen etc.? Zo ja, hoe zal ze dit tot uitvoering brengen?
Zo nee, waarom niet? Zal de Minister voorts naar aanleiding van de Factsheet Brede
Welvaart van Building Change een reflectie opstarten over hoe de Rijksoverheid net
als o.a. Bhutan en Nieuw-Zeeland brede welvaart centraal kan stellen in al het regeringsbeleid
en dus verder zal kijken dan slechts het bruto binnenlands product (bbp) als leidraad?
Zal de Minister in een dergelijke reflectie ook overwegen hoe de principes van de
Donuteconomie een leidraad kunnen vormen voor al het kabinetsbeleid?
De leden van de GroenLinks-PvdA fractie hebben kennisgenomen van de Hamburg Declaration,
die maandag mede door dit kabinet is ondertekend en hebben daarover enkele vragen.
In deze verklaring wordt een gezamenlijke ambitie uitgesproken van 300 gigawatt (GW)
aan windenergie op zee in 2050, waarvan 100 GW gerealiseerd zou moeten worden via
samenwerkingsprojecten tussen landen. Kan de Minister aangeven welk deel van de 300
GW Nederland voor zijn rekening neemt? Hoe groot is specifiek de Nederlandse bijdrage
aan de genoemde 100 GW aan samenwerkingsprojecten? Kan de Minister een nadere toelichting
geven van het begrip «samenwerkingsproject»? Kan de Minister voorbeelden geven van
reeds gerealiseerde of geplande Nederlandse samenwerkingsprojecten op het gebied van
wind op zee? Hoe gaat de Minister borgen dat deze planning, met name het Nederlandse
deel, daadwerkelijk zal worden gerealiseerd? Is aanpassing van de Routekaart Wind
op Zee naar aanleiding van de verklaring in Hamburg? En zo ja, op welke punten?
In de Hamburg Declaration wordt tevens gesproken over het mobiliseren van financiële
middelen voor samenwerkingsprojecten en bijbehorende infrastructuur, onder meer via
een zogenoemd Offshore Financing Framework (OFF). Kan de Minister toelichten hoe dit
raamwerk bij gaat dragen aan het mobiliseren van de benodigde honderden miljarden
euro’s? Wordt hierbij gerekend op nationale, dus ook Nederlandse middelen, of op aanvullende
financiering vanuit de Europese meerjarenbegroting (MFK)? Hoe verhoudt deze inzet
zich tot de voorgenomen Nederlandse bezuinigingen op het MFK? En ziet de Minister
de in de verklaring genoemde Europese Contracts for Difference (CfD’s) uitsluitend
als instrument voor samenwerkingsprojecten, of als een breder Europees instrument
voor de energietransitie? Ook wordt in de verklaring gesproken over kostenverdeling
van grensoverschrijdende infrastructuur, waarbij wordt verwezen naar nieuwe EU-«guidance».
Betekent ondertekening van de verklaring dat Nederland en andere lidstaten deze «guidance»
ondersteunen? Betekent dit tevens dat deze «guidance» de basis zal vormen voor de
verdeling van netkosten met Duitsland, waarover momenteel knelpunten bestaan?
In de verklaring worden ook afspraken gemaakt over de wind-op-zee-toevoerketen. Kan
de Minister toelichten welke niet-prijscriteria of weerbaarheidscriteria Nederland
wil hanteren bij de uitrol van wind op zee, en hoe Nederland hierin samen optrekt
met andere EU-lidstaten? Hoe wil de Minister de planning van wind op zee beter gezamenlijk
gaan sturen? Hoe wordt geborgd dat tijdlijnen tussen landen op elkaar aansluiten en
dat specificaties, bijvoorbeeld via standaardisatie, bijdragen aan een betrouwbare
en langetermijnopschaling van wind op zee?
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA zijn bezorgd over het stijgende aantal
mensen in energiearmoede. Deze leden zien in het signalenrapport van het Nationaal
Klimaat Platform (NKP) signalenrapport «Bestaanszekerheid in de buurt» een duidelijke
bevestiging dat klimaatbeleid en sociale rechtvaardigheid onlosmakelijk met elkaar
verbonden zijn. Tegelijkertijd constateren zij dat de Minister veel signalen wel herkent,
maar de vertaling naar structurele en langjarige beleidskeuzes onvoldoende concreet
maakt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het NKP expliciet oproept
tot langjarige zekerheid voor programma’s die energiearmoede in kwetsbare wijken aanpakken,
terwijl de Minister aangeeft dat rijksmiddelen voor verduurzaming na 2027 aflopen.
Dat leidt tot onzekerheid bij o.a. gemeenten, woningcorporaties, lokale partners en
initiatieven en bewoners. Zonder langjarige zekerheid kunnen gemeenten, woningcorporaties
en maatschappelijke organisaties niet werken aan structurele vermindering van energiearmoede.
Erkent de Minister dat tijdelijke financiering leidt tot minder zekerheid bij uitvoerende
partijen? Erkent de Minister dat het aflopen van middelen in 2027 kan leiden tot een
terugval in de aanpak van energiearmoede?
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA constateren dat de Minister inzet op minimale
energieprestatie-eisen voor huurwoningen per 2029, maar dat de voortgang bij particuliere
verhuur achterblijft. Deelt de Minister de analyse van het NKP dat het huidige tempo
waarin E-, F- en G-labels worden uitgefaseerd in de particuliere huursector onvoldoende
is om het 2029 doel te halen, en energiearmoede tijdig terug te dringen? Acht de Minister
aanvullende instrumenten noodzakelijk, zoals strengere handhaving, hogere minimumnormen
of gerichtere financiële ondersteuning voor kleine particuliere verhuurders? Welke
concrete mogelijkheden ziet de Minister hiertoe? Wat zijn de consequenties voor huurders
en verhuurders als verhuurders niet voldoen aan de labelverplichting? Wat wordt het
handelingsperspectief voor huurders in een dergelijke situatie? Is er een stok achter
de deur die naleving afdwingt? Hoe wordt geborgd dat de kosten van verduurzaming niet
alsnog worden afgewenteld op huurders met lage inkomens?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderschrijven het NKP-signaal dat een collectieve
aanpak essentieel is, juist voor huishoudens die niet in staat zijn om individueel
te verduurzamen. Kan de Minister concreet aangeven hoe zij collectieve verduurzamingsinitiatieven
in kwetsbare wijken structureel wil ondersteunen, ook financieel, en niet slechts
via tijdelijke of versnipperde regelingen? Hoe kunnen aanvragen vanuit buurten, energiegemeenschappen
of verenigingen van eigenaren (vve’s) worden ondersteund en gestroomlijnd, met minimale
administratieve lasten voor bewoners, en welke concrete stappen zijn daar al toe gezet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie delen de zorg van het NKP over het grote wantrouwen
richting overheid en uitvoerende instanties in kwetsbare wijken, en zien ontzorging
bij verduurzaming als een kans om te werken aan herstel van dit vertrouwen. Ziet de
Minister mogelijkheden om opbouwwerk expliciet te verbinden aan klimaat- en energieprogramma’s
in kwetsbare wijken, en zo ja, op welke termijn? Hoe wordt gestimuleerd dat lokale
isolatie- en verduurzamingsinitiatieven samenwerken met andere onderdelen van opbouwwerk?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ontvangen signalen dat initiatieven waarbij
mensen «achter de voordeur» komen en bewoners begeleiden en adviseren over verduurzaming
regelmatig kampen met tijdelijke financiering. Acht de Minister het verstandig dat
deze financiering een meer structurele vorm krijgt? Kan de Minister concreet aangeven
hoe wordt gestimuleerd dat initiatieven en wijken en gemeenten van elkaar leren? Hoe
wordt er concreet voor zorg gedragen dat, in lijn met het NKP-advies, succesvolle
onderdelen van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) worden uitgebreid
naar andere kwetsbare wijken?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het NKP adviseert om rechtvaardigheid
stevig te verankeren in het lokale energiesysteem. Deze leden zien nog een uitdaging
om juist mensen met beperkte middelen te ondersteunen om hier aan deel te nemen en
van te profiteren. Welke concrete maatregelen worden genomen om energiedelen te stimuleren?
Hoe wordt concreet gestimuleerd dat ook huurders en kwetsbare huishoudens daarbij
worden betrokken? Welke rol kunnen buurtbatterijen daarbij spelen, en kan de Minister
aangeven wat de voortgang is van de uitrol van buurtbatterijen en hun rol in energiedelen?
Door de beëindiging van de salderingsregeling bieden zonnepanelen voor veel huurders
geen voordeel meer, en voor sommigen juist een kostenpost. Hoe worden zonnepanelen
voor (sociale) huurders aantrekkelijk gehouden?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de onderliggende stukken voor
het schriftelijke overleg Klimaat en energie en hebben daarover enkele vragen voor
de Minister.
De leden van de CDA-fractie merken op dat waterstof, zowel groen als blauw, een belangrijke
rol speelt in het verduurzamen van de industrie. De kosten voor groene waterstof zijn
momenteel echter nog hoog. Koolstofarme (blauwe) waterstof uit restgassen of aardgas in combinatie met CO2-afvang (CCS) biedt een meer betaalbare route voor CO2-reductie en kan dienen als overbrugging tot de markt voor groene waterstof verder
is ontwikkeld. Er bestaan nog wel de nodige belemmeringen voor de inzet van blauwe
waterstof. Momenteel stimuleert het beleid de overstap naar blauwe waterstof nog niet
voldoende, en in sommige gevallen wordt deze juist ontmoedigd. Zo is de Stimulering
Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) nu zo ingericht dat alleen het
kostprijsverschil tussen grijze en blauwe waterstof wordt vergoed, en niet tussen
blauwe waterstof en aardgas. Een aanpassing hiervan zou het makkelijker maken voor
aardgasgebruikers om over te stappen op blauwe waterstof.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister op welke manier de SDE++ regeling volgens
haar het overstappen van aardgas naar blauwe waterstof meer zou kunnen stimuleren
en welke aanpassingen van de SDE++ zij daarvoor noodzakelijk en haalbaar acht.
De leden van de CDA-fractie constateren dat met de Routekaart Koolstofverwijdering
een belangrijke eerste stap wordt gezet richting de grootschalige toepassing van koolstofverwijderingstechnieken.
Om de doelen en tijdslijnen uit deze routekaart binnen bereik te houden, is het wel
nodig om ook op korte termijn de vertaling te maken naar een uitvoeringsagenda. Deze
leden vragen de Minister hoe en op welke termijn de Routekaart Koolstofverwijdering
zal worden uitgewerkt tot een concrete uitvoeringsagenda met duidelijke mijlpalen,
zodat de routekaart ook houvast biedt voor de uitvoering en voor investeringsbeslissingen.
De leden van de CDA-fractie merken op dat er vanuit de sector wordt gepleit om in
aanvulling op de Routekaart Koolstofverwijdering ook een aparte routekaart voor Carbon
Capture and Utilisation (CCU) op te stellen. Zij vragen de Minister hoe zijn aankijkt
tegen dat pleidooi en welke mogelijkheden zij daarvoor ziet.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de Wetenschappelijke Klimaatraad al in juli
2024 adviseerde om een door de Nederlandse overheid geleid inkoopprogramma voor permanente
CO2-verwijdering te starten, waarmee voor 2035 ervaring kan worden opgedaan met diverse
methoden van CO2-verwijdering in Nederland. Deze leden vragen de Minister hoe zij invulling heeft
gegeven en/of zal geven aan deze aanbeveling.
De leden van de CDA-fractie constateren dat CCU momenteel voor afvalverbrandingsinstallaties
(AVI’s) en de glastuinbouw de enige realistische manier is om CO2 op een betaalbare wijze beschikbaar te houden voor verdere verduurzaming. De inzet
van CCU in de glastuinbouw staat echter onder druk vanwege het feit dat de Nederlandse
Emissieautoriteit (NEa) de Europese regels op dit gebied zodanig interpreteert dat
een zogenaamde bioswap – waarmee seizoenswisselende CO2-vraag van telers kan worden opgevangen – niet is toegestaan. Deze leden vragen de
Minister toe te lichten hoe kan worden voorkomen dat deze strikte uitleg van de regels
ertoe leidt dat de verduurzaming van AVI’s en glastuinbouw wordt belemmerd. Zij vragen
de Minister tevens toe te lichten wat de mogelijke gevolgen zijn voor het behalen
van de klimaatdoelen voor 2030 als deze toepassing van CCU onmogelijk of onhaalbaar
wordt.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister tevens of zij bereid is om met de NEa
en eventueel met de Europese Commissie in gesprek te gaan over de interpretatie van
de regels rond gemengde CO2-stromen, zodat afname van deze mengstroom door de glastuinbouw mogelijk blijft.
De leden van de CDA-fractie zien dat het Aramis-project van groot belang is voor de
Nederlandse CCS-infrastructuur en afhankelijk is tijdige instroom van CO2-leveranciers en afnemers. De AVI’s behoren tot de weinige partijen met een concreet
perspectief op CO2-afvang op korte termijn en hebben in 2025 SDE++-subsidie aangevraagd. Deze leden
vragen de Minister hoe zij de voortgang en planning van Aramis beoordeelt, gezien
het uitstel van de investeringsbeslissing tot 2027 en hoe de Minister aankijkt tegen
de rol van AVI’s als potentiële leveranciers van CO2 binnen het project. Zij vragen de Minister met name te reageren op het belang van
nog dit jaar door de AVI’s te nemen investeringsbeslissingen. Welke stappen worden
er gezet om dat mogelijk te maken? Hoe beoordeelt de Minister het risico dat onzekerheid
het CO2-aanbod en de businesscase van Aramis zullen schaden? Hoe wordt omgegaan met mogelijke
kostenstijgingen voor CO2-leveranciers?
De leden van de CDA-fractie merken op dat Bioenergy with Carbon Capture and Storage
(BECCS) een substantiële bijdrage kan leveren aan koolstofverwijdering en daarnaast
van belang zal zijn voor de beschikbaarheid van flexibele elektriciteit en de verdere
ontwikkeling van de Nederlandse CCS-infrastructuur. Zij vragen de Minister hoe zij
de rol van BECCS ziet binnen het Nederlandse klimaat- en energiebeleid en in hoeverre
zij in de huidige cap van 100 MW voor het stimuleren van BECCS een belemmering ziet
voor de bijdrage van BECCS aan koolstofverwijdering, flexibiliteit in het elektriciteitssysteem
en het behalen van de klimaatdoelen.
De leden van de CDA-fractie constateren dat er na 2030 naar verwachting een reëel
en toenemend risico ontstaat op tijdelijke elektriciteitstekorten. Zij vragen de Minister
hoe zij in dat kader aankijkt tegen het langer openhouden van bestaande gascentrales
en onder welke voorwaarden en voor welke periode dat eventueel mogelijk zou kunnen
zijn. Deze leden wijzen erop dat er in het Actieplan Toekomst Kolencentrales uit 2023
door de CDA-fractie een aantal suggesties is gedaan met betrekking tot de rol die
bestaande kolencentrales en/of de locaties en aansluitingen van deze centrales kunnen
spelen in het elektriciteitssysteem van de toekomst. Deze zouden na 2030 als er geen
kolen meer in mogen worden verbrand kunnen worden benut voor CO2-neutrale energieproductie via bijvoorbeeld BECCS, Small modular reactors (SMR’s)
of waterstofgascentrales.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister welke concrete stappen er tot nu toe
zijn gezet om de vier kolencentrales of hun locaties beschikbaar te houden voor CO2-neutrale elektriciteitsproductie na 2030. Hoe kijkt de Minister naar de mogelijkheden
voor de toepassing van BECCS op één of meerdere van deze centrales?
De leden van de CDA-fractie merken op dat de SDE++ momenteel vooral selecteert op
de laagste korte-termijn kostprijs. Technieken zoals CCU en Direct Air Carbon Capture
and Storage (DACS) komen daardoor vaak onvoldoende aan bod, ondanks dat deze op de
lange termijn kosteneffectief zijn, grote systeembaten hebben en kansen bieden voor
de Nederlandse (maak)industrie en op het gebied van strategische autonomie. Vanuit
de sector wordt daarom geopperd om net als bij groene waterstof een apart budget (hekje)
binnen SDE++ in te stellen om DACS kosteneffectief op te schalen. Deze leden vragen
de Minister in hoeverre zij deze mogelijkheid overweegt en/of welke andere mogelijkheden
zij ziet om innovatieve technieken zoals DACS meer te stimuleren.
De leden van de CDA-fractie constateren dat woningbouwprojecten vaak een lange doorlooptijd
kennen en pas laat in het proces een netaansluiting aan kunnen vragen. Door de wijziging
van het prioriteringskader van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) mogen netbeheerders
geen netruimte meer reserveren voor toekomstige woningbouw. Daardoor krijgen projecten
die nog niet ver genoeg zijn, geen voorrang meer: alle beschikbare netruimte kan inmiddels
al zijn toegekend, ook aan niet-prioritaire sectoren. Deze projecten moeten dan wachten
tot het elektriciteitsnet is verzwaard.
Deze leden vragen de Minister of zij erkent dat de lange doorlooptijd van woningbouw
hierdoor een extra risico vormt voor toegang tot het net en daarmee kan bijdragen
aan toenemende woningnood. Hoe kijkt de Minister tegen de mogelijke oplossing die
vanuit de woningbouwsector wordt geopperd om binnen het jaarlijks toe te wijzen transportvolume
per maatschappelijke categorie vaste reserveringen aan te brengen, zodat woningbouw
altijd een gegarandeerde kans houdt op netruimte? Welke voor- en nadelen ziet de Minister
bij het binnen de prioriteringscategorieën instellen van een minimale reserveringsruimte
voor woningbouw?
De leden van de CDA-fractie merken op dat industriële bedrijven die hun productieproces
willen verduurzamen met procesgeïntegreerde warmtepompen in de praktijk tegen beperkingen
aanlopen binnen de SDE++. Deze projecten zijn namelijk geen standaardinstallaties,
maar ingrijpende procesaanpassingen waarbij meerdere nieuwe onderdelen samenkomen.
De prestaties, kosten en het aantal draaiuren verschillen daardoor sterk per bedrijf,
omdat de SDE++ met vaste aannames en vooraf vastgestelde categorieën voor het aantal
draaiuren werkt sluiten de berekeningen vaak niet aan bij de werkelijkheid. In veel
gevallen zijn de werkelijke prestaties en CO2-besparingen hoger dan waar de regeling van uitgaat, terwijl het subsidiebedrag juist
lager uitvalt. Dit kan ertoe leiden dat rendabele verduurzamingsprojecten alsnog financieel
onhaalbaar worden. Deze leden vragen de Minister of zij bekend is met deze problematiek
en of zij bereid is te onderzoeken of en hoe de SDE++ kan worden aangepast, zodat
bij industriële warmtepompprojecten wordt uitgegaan van projectspecifieke kenmerken,
zoals de daadwerkelijk gerealiseerde Coefficient of Performance (COP) en het werkelijke
aantal draaiuren, in plaats van vaste referentiewaarden?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk
overleg Klimaat en energie (algemeen).
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie aangaande
de publicaties van de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) en de Universiteit van Amsterdam
(UvA) over het verbieden van fossiele reclames. Zij zijn faliekant tegen een verbod
op fossiele reclame. Volgens de artikelen is een nationaal verbod op fossiele reclame
juridisch mogelijk. Ook een Europees verbod kan onder voorwaarden ook juridisch mogelijk
zijn. De artikelen geven fossiele reclame de volgende definitie: «reclame voor fossiele
brandstoffen en andere koolstof intensieve producten». Wat is volgens de Minister
de definitie van fossiele reclame en welke producten en/of diensten vallen hieronder?
Deelt de Minister de mening van de auteurs van de publicaties dat een verbod op fossiele
reclame juridisch mogelijk is? Hoe gaat de Minister opvolging geven aan de kabinetsreactie
op de artikelen?
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het Klimaatplan 2025–2035. De
leden staan er positief tegenover dat het klimaatplan meerdere keren benoemt dat inzetten
op kernenergie cruciaal is en dat kernenergie een onmisbare schakel moet worden in
de elektriciteitsmix. In de SMR-strategie liet het kabinet weten dat grotere projecten
en centrales de komende jaren de focus hebben en dat SMR’s pas in toekomstscenario’s
betrokken worden. Blijft de inzet van het kabinet wat SMR’s onveranderd, ondanks de
inzet op kernenergie in het klimaatplan? Hoe reageert de Minister op het nieuws dat
de gemeente Opmeer in Allseas een ontwikkelaar heeft gevonden voor een SMR1? Deelt de Minister de mening dat de positie van centrale overheden voor de ontwikkeling
en ambitie met kernenergie en SMR’s zoveel mogelijk versterkt en ondersteund moet
worden?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk
overleg en hebben hier enkele opmerkingen en vragen bij.
Deze leden betreuren de gemiste kans in deze kabinetsstukken om het klimaatbeleid
te versterken, juist nu geopolitieke spanningen een versnelling van de hernieuwbare
energietransitie dwingend noodzakelijk maken. In plaats van afhankelijkheid van fossiele
importen te reduceren via maximale energiebesparing en 100% hernieuwbare opwek, kiest
dit kabinet voor uitstel en afbouw van cruciale maatregelen, met als treffend voorbeeld
de afschaffing van de CO2-heffing industrie, die een van de belangrijkste pijlers vormde van het Klimaatplan.
De leden van de PvdD-fractie merken op dat de nationale CO2-heffing, ingevoerd in 2021 als prikkel voor industriële verduurzaming en vastgelegd
in het Herstel- en Veerkrachtplan, nu is afgeschaft. Deze heffing, met oplopende tarieven
tot 87,17 euro per ton in 2025, was essentieel om emissies te beprijzen bovenop het
EU ETS, en stimuleerde investeringen in groene processen. Door deze afschaffing vervalt
een sleutelmaatregel uit het Klimaatplan 2025–2035 (Kamerstuk 32 813, nr. 1501), zonder overtuigende alternatieven. De Overlegtafel concludeert dat er geen alternatief
nationaal beleidsinstrument is dat de klimaatdoelen binnen bereik brengt en tegelijk
de concurrentiepositie niet verslechtert, zonder een beroep te doen op extra subsidiemiddelen.
Herkent de Minister dat de afschaffing van de CO2-heffing de 2030-doelen onbereikbaar maakt, en welke concrete vervangende prikkel
introduceert zij vóór 2027? Deze leden vragen de Minister of zij bereid is om de CO2-heffing weer in te voeren, aangezien er dus geen geloofwaardig alternatief wordt
opgeworpen.
De leden van de PvdD-fractie merken op dat tegelijkertijd het kabinet een landelijk
verbod op fossiele reclame blokkeert (Kamerstuk 32 813, nr. 1438), met het excuus dat flankerend beleid ontbreekt, ondanks bestaande accijnzen op
brandstof, de vliegtaks en ETS-mechanismen. Wat wel nodig is, is duidelijke landelijke
richtlijnen die juridisch houdbaar zijn en daadwerkelijk bijdragen aan gedragsverandering.
Ook de reclamesector vraagt in reactie op de vele lokale fossiele reclameverboden
om landelijk beleid2. Gedragswetenschappers benadrukken3 dat een verbod juist draagvlak kweekt voor meer klimaatmaatregelen, zoals bij tabaksreclame
gebeurde. Gemeenten als Amsterdam, Den Haag, Delft en Amstelveen pleiten eveneens
voor nationale wetgeving. Is de Minister bereid met een positieve grondhouding te
onderzoeken welke baten een landelijk verbod heeft, en daarbij ook de positieve ervaringen
van reclameverboden in andere sectoren mee te nemen die dienden om schadelijke consumptie
te ontmoedigen en de nodige andere departementen te betrekken?
De leden van de PvdD-fractie zijn verontwaardigd over de appreciatie van de Minister
op de aangenomen motie-Teunissen (Kamerstuk 31 239, nr. 430), die met 100 zetels oproept om BECCS met hout als biomassa op geen enkele wijze
te stimuleren of faciliteren. De Minister negeert deze motie door te stellen dat huidig
beleid voldoende waarborg biedt en dat uitvoering de koolstofmarkt zou smoren. Dit
is een onhoudbare redenering gezien de praktijk en wetenschap: certificering faalt,
en BECCS levert geen netto-negatieve emissies door ketenlekken en biodiversiteitsverlies
(EIA 20224, Comité Schone Lucht 20255). Wanneer volgt alsnog een volledige uitvoering van de motie-Teunissen?
In de Routekaart Koolstofverwijdering zou BECCS op basis van verbranding van biogrondstoffen
naar verwachting een beperkte toekomstige rol spelen. Wat verstaat de Minister onder
een beperkte rol? Biomassacentrales tot 100 MW zijn geen «relatief kleine biomassacentrales».
Bij houtige biomassa gaat het bij 100 MW om een input van jaarlijks ca 200.000 ton
houtige biomassa, een jaarlijkse kap equivalent aan 15 maal het Haagse bos. Hoeveel
«relatief kleine biomassacentrales» hebben in 2024 SDE++ subsidie voor CCS aangevraagd
en ontvangen?
De leden van PvdD-fractie verwelkomen tot slot de verwijzing naar de Jonge Klimaattafel
in de kabinetsreactie op het Jongerenakkoord (Kamerstuk 32 813, nr. 1514) als mogelijke structurele vorm van jongerenparticipatie. Zij zien de Jonge Klimaattafel
als een belangrijke stap om jongeren structureel te betrekken bij klimaatbeleid, juist
omdat zij de gevolgen van uitblijvende actie, zoals extreme weersomstandigheden en
een onbetaalbare energierekening, het sterkst zullen voelen. Deze leden vragen de
Minister wat zij gaat doen met de voorgestelde maatregelen uit het Jongerenakkoord.
II Antwoord/reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.C. Kröger, voorzitter van de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
C.M. Teske, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.