Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de Jaarrapportage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) (Kamerstuk 30371-59) en de reactie op AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026 (Kamerstuk 32279-268)
2026D03970 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties
behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 23 oktober 2025 inzake de Jaarrapportage
2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)
(Kamerstuk 30 371-59) en de brief van 24 november 2025 inzake Reactie op AVOZ-studie en beleid onbedoelde
en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026 (Kamerstuk 32 279, nr. 268).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Meijerink
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
II.
Reactie van de Staatssecretaris
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de Jaarrapportage 2024 van de
Wet afbreking zwangerschap van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en Reactie
op AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026.
De leden van de D66-fractie hebben daarnaast vernomen dat nog maar weinig huisartsen
de abortuspil voorschrijven, terwijl dit een belangrijke en laagdrempelige vorm van
abortuszorg is. Uit recente cijfers blijkt dat slechts ongeveer 3,5% van de huisartsen
de verplichte nascholing heeft gevolgd en daarmee bevoegd is om de abortuspil voor
te schrijven. Deze leden vragen de Staatssecretaris welke stappen worden gezet om
deze vorm van zorg breder beschikbaar te maken binnen de huisartsenpraktijk. Hoe wordt
ingezet op het vergroten van deelname aan de nascholing, het wegnemen van administratieve
lasten en het verbeteren van samenwerking in de keten, zodat vrouwen sneller en dichterbij
huis toegang krijgen tot deze zorg?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Jaarrapportage
2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
Zij hebben daarbij geen vragen of opmerkingen.
Daarnaast hebben de leden van de VVD-fractie kennisgenomen van de Reactie op AVOZ-studie
en beleid onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026. De leden hebben
met instemming kennisgenomen dat ook de AVOZ-studie bevestigt dat «het niet zinvol
en niet passend is om de keuze voor een abortus terug te brengen tot een rijtje redenen».
Dit sluit nadrukkelijk aan bij het standpunt dat de leden van de VVD-fractie hierover
hebben ingenomen. De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen
van de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap en zien in de drie beschreven
pijlers een brede aanpak vanuit de Staatssecretaris. Zij steunen de Staatssecretaris
in deze brede aanpak.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van enerzijds de jaarrapportage
2024 van de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) van de Inspectie Gezondheidszorg en
Jeugd (IGJ), de daar bijbehorende kabinetsreactie en anderzijds de reactie op de AVOZ-studie
en beleid onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026. Zij hebben hier
nog enkele vragen en opmerkingen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er in 2024 659 keer een afbreking
geregistreerd werd voor een vrouw met woonplaats «onbekend», ten opzichte van 2023
waar dit aantal 47 bedroeg. Zij lezen dat de oorzaak van deze stijging niet bekend
is. Wat zouden, theoretisch gezien, mogelijke oorzaken kunnen zijn van deze stijging
en valt hierin een verband te signaleren met het aantal vrouwen dat recht heeft op
een vergoeding van de behandeling?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ook kennisgenomen van de aanbevelingen
uit het AVOZ-rapport en hebben in het bijzonder behoefte aan extra duiding van het
kabinet over de genoemde barrières wat betreft breed toegankelijke anticonceptiezorg
en welke rol zij voor zichzelf hierin ziet. Zou het kabinet nadere toelichting kunnen
geven op dit punt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich ernstig zorgen over desinformatie
over onbedoelde zwangerschappen en abortuszorg. Zij hebben gelezen dat op dit moment
daar onderzoek naar wordt gedaan door Rutgers. Zou nader toegelicht kunnen worden
wat de exacte scope is van dit onderzoek? Zou nader toegelicht kunnen worden in hoeverre
dit onderzoek voldoende zal zijn om volledig inzicht te krijgen in de verspreiding
van desinformatie en de geldstromen die hiermee gepaard gaan?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben enkele vragen. Zijn er cijfers beschikbaar over
de toepassing van «natuurlijke anticonceptie» (waarbij bijvoorbeeld met temperatuurmetingen
de cyclus wordt gevolgd)? Is hier een relatie met het aantal zwangerschapsafbrekingen?
Ook vragen deze leden: wat zijn de (wezenlijke) inhoudelijke verschillen tussen de
oude «Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap» (2023–2025) en de nieuwe? Waarom
is pijler 1 «Voorkomen van een onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap» veranderd
in «Regie op kinderwens»?
In de «Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap» (2023–2025) stond onder pijler
1: «Het voorkomen en terugdringen van het aantal onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen
is een belangrijk doel binnen deze aanpak.» De leden van de PVV-fractie vragen op
welke manier hieraan de afgelopen jaren vorm is gegeven. Is deze aanpak terug te zien
in het aantal zwangerschapsafbrekingen?
Voornoemde leden vragen verder hoe wordt vormgegeven aan het tegengaan van onjuiste
gezondheidsinformatie over anticonceptie.
Wat wordt bedoeld met: «om een realistischer beeld van onbedoelde en/of ongewenste
zwangerschap uit te dragen»?
Hoe wordt vormgegeven aan de gespreksleidraad en e-learnings voor huisartsen over
onbedoelde zwangerschap? Welke veranderingen/verbeteringen ten opzichte van de huidige
praktijk worden voorzien? Is hierbij aandacht voor zowel het voorkómen van als het
omgaan met onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap?
Hoe vaak is het «Landelijk informatiepunt onbedoelde zwangerschap» per jaar sinds
de oprichting geraadpleegd? Hoe vaak is daarbij doorverwezen naar de «keuzehulp bij
onbedoelde zwangerschap»?
In de «Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap» (2023–2025) stond: «In samenwerking
met Fiom werken we aan het vergroten van de bekendheid van het informatiepunt.» Is
dat inmiddels gebeurd? Zo ja, op welke manier, en is dat in de hierboven gevraagde
cijfers over raadpleging terug te zien?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Jaarrapportage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de Inspectie Gezondheidszorg
en Jeugd (IGJ)
De leden van de CDA-fractie maken graag van de gelegenheid gebruik om enkele aanvullende
en verduidelijkende vragen te stellen over de jaarrapportage. De inspectie stelt dat
het opvallend is dat abortusklinieken 659 keer «onbekend» opgaven, als antwoord op
de vraag over de woonplaats van vrouwen met een zwangerschapsafbreking. Vorige jaren
was dat aanzienlijk minder vaak het geval. Kan het kabinet aangeven hoe vaak dit vorig
jaar gebeurde en kan het kabinet verder duiden hoe dit komt?
Het aantal vrouwen dat niet voor een nacontrole in een abortuskliniek komt stijgt
de afgelopen jaren van 5% in 2022, tot 9% in 2023 en 20% 2024. De leden van de CDA-fractie
vinden dit een zorgelijke ontwikkeling. Kan het kabinet verklaren waarom het aantal
vrouwen dat niet op nacontrole komt stijgt? Kan het kabinet vervolgens aangeven wat
abortusklinieken kunnen doen om het aantal vrouwen dat op nacontrole komt te verhogen?
Reactie op AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf
2026
Uit de studie blijkt dat onbedoelde zwangerschappen juist vaker voorkomen bij mensen
met een stabiele relatie, die soms al kinderen hebben. Veel mensen zijn ontevreden
over anticonceptiemethoden en stellen anticonceptiekeuzes uit. Dat mensen ontevreden
zijn over anticonceptiekeuzes en het uitstellen vinden de leden van de CDA-fractie
een zorgelijke ontwikkeling. Komt het uitstellen van bepaalde anticonceptiekeuzes
vaker voor bij bepaalde leeftijdsgroepen of ziet men dat overal terug? Kan het kabinet
hier wat meer toelichting op geven?
Een belangrijk verbeterpunt is de vergroting van bekendheid van keuzehulpverlening.
Dat delen deze leden en zij willen dat het kabinet alles in het werk stelt deze bekendheid
te vergroten. Welke maatregel denkt het kabinet dat het meest zal bijdragen aan meer
bekendheid met keuzehulpverlening?
Het kabinet stelt dat er jaarlijks 6 miljoen euro beschikbaar is en dat er een aantal
activiteiten anders wordt ingericht. Het thema Gezonde Relaties en Seksualiteit wordt
weer een regulier onderdeel van de Gezonde School-aanpak, in plaats van de tijdelijke
stimuleringsregeling voor scholen. Daarnaast wordt de monitoring versoberd. Dat maakt
het starten met nieuwe activiteiten mogelijk. De leden van de CDA-fractie kunnen zich
voorstellen dat er keuzes moeten worden gemaakt maar vragen in hoeverre de monitoring
wordt versoberd en wat er vervolgens wel of niet wordt geregistreerd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Jaarrapportage 2024 van de
Wet afbreking zwangerschap van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en Reactie
op AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026. Deze
leden hebben geen vragen aan de Staatssecretaris.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met zorg kennisgenomen van de Jaarrapportage 2024,
de kabinetsreactie op de AVOZ-studie en het nieuwe beleid ten aanzien van onbedoelde
en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026. Zij hebben hierover een groot aantal
vragen.
Jaarrapportage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de Inspectie Gezondheidszorg
en Jeugd (IGJ)
Uit de Jaarrapportage van de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) blijkt dat het aantal
abortussen in 2024 op ongeveer hetzelfde, hoge niveau is gebleven als in 2023. De
leden van de SGP-fractie vinden het zorgelijk dat een inhoudelijke toelichting hierop
opnieuw ontbreekt. Net zoals in voorgaande jaren geeft de Staatssecretaris in haar
brief immers aan dat de IGJ-jaarrapportage alleen kerncijfers presenteert, maar geen
duiding bij die cijfers biedt. Het is daarom volgens haar niet mogelijk om conclusies
te trekken over mogelijke oorzaken van (veranderingen in) het aantal zwangerschapsafbrekingen
of andere kerncijfers.
Het is geen geheim dat de leden van de SGP-fractie met het kabinet van mening verschillen
over de wenselijkheid van het vastleggen van meer informatie over de factoren en/of
motieven die een rol spelen bij abortus. Hoe wenselijk vindt de Staatssecretaris het
echter zelf dat de IGJ of zijzelf nooit in de gelegenheid zijn tot een nadere duiding
van veranderingen in het aantal abortussen of ten aanzien van andere kerncijfers?
Heeft zij die behoefte, en zo nee, waarom niet? Kan zij aangeven hoe de IGJ (of zijzelf)
in staat zou kunnen worden gesteld om de kerncijfers wél te duiden? Welke informatie
heeft de IGJ hiervoor nodig?
Kan de Staatssecretaris aangeven welke kwantitatieve of kwalitatieve informatie abortusklinieken
op dit moment überhaupt registreren? Welke informatie zijn zij verplicht om te registeren
en te rapporteren aan de IGJ? Welke informatie wordt door abortusartsen geregistreerd,
zonder dat zij dat verplicht zijn, maar enkel vanuit het oogpunt van goede hulpverlening
aan vrouwen?
De leden van de SGP-fractie maken uit «Tabel C: Abortusratio» op dat het aantal abortussen
per 1.000 levendgeborenen in de afgelopen decennia fors is gestegen. In ongeveer dertig
jaar tijd is dit nagenoeg verdubbeld van 110 per 1.000 levendgeborenen in 1995 naar
215 per 1.000 levendgeborenen in 2024. Wat vindt de Staatssecretaris hiervan? Is zijn
van mening dat dit een wenselijke ontwikkeling is? Deelt zij de zorg van de leden
van de SGP-fractie over het feit dat 1 op de 6 zwangerschappen inmiddels eindigt in
een abortus? Hoe verklaart zij dat slechts 1 op de 10 Nederlanders hiermee bekend
is?1
De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat de «Richtlijn behandeling van vrouwen
die een zwangerschapsafbreking ondergaan» (Nederlands Genootschap van Abortusartsen,
2012) wordt herzien. Hoe verloopt dit proces en wanneer wordt de nieuwe richtlijn
verwacht?
De leden van de SGP-fractie vragen naar de uitvoering van de aangenomen motie De Korte-Bikker
(Kamerstuk 36 600 XVI, nr. 174) die verzocht om de evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap binnen twee jaar
te starten. Is de Staatssecretaris voornemens om, mede gelet op het aanhoudend hoge
aantal abortussen, nog dit jaar opdracht te geven tot de voorbereidingen van deze
evaluatie zodat begin 2027 direct met de evaluatie gestart kan worden? Is zij bereid
om de Kamer in gelegenheid te stellen om voorafgaand aan de evaluatie eventuele aandachtspunten
of vragen mee te geven?
De leden van de SGP-fractie lazen in Trouw de suggestie dat het gestegen aantal abortussen
te maken had met een aanpassing van de definitie van abortus.2 Volgens de IGJ was in 2023 inderdaad sprake was van een definitiewijziging, maar
werden overtijdbehandelingen zowel vóór als na die wijziging meegerekend als abortussen.
Deze wijziging kon volgens de Inspectie daarom geen invloed hebben op het aantal abortussen.
De definitiewijziging is geen verklaring voor de stijging van het aantal abortussen.
Kan de Staatssecretaris dit bevestigen?
De leden van de SGP-fractie constateren dat in 2024 659 keer een abortus werd geregistreerd
voor een vrouw met woonplaats «onbekend». In 2023 was dat aantal slechts 47. Het is
volgens de Staatssecretaris niet bekend wat de oorzaak van de stijging is. De leden
van de SGP-fractie vragen haar om hierover in gesprek te gaan met de abortusklinieken
om een nadere duiding te krijgen. Het gaat immers om een immense stijging in één jaar
tijd. Kan de Staatssecretaris de Kamer hierover informeren?
De leden van de SGP-fractie merken op dat het aantal herhaalabortussen onverminderd
hoog blijft. Ongeveer een derde van de vrouwen heeft meerdere keren een abortus gehad.
Kan de Staatssecretaris toelichten welk beleid zij voert om het aantal herhaalde abortussen
tegen te gaan?
De leden van de SGP-fractie constateren dat het afschaffen van de vaste beraadtermijn
de abortuspraktijk in Nederland wezenlijk heeft veranderd. Sinds het afschaffen van
de bedenktermijn wordt in driekwart van de gevallen bij het eerst bezoek aan de arts
direct overgegaan tot abortus. In 77,2% van de gevallen geldt dus een bedenktijd van
nul dagen. Zij herinneren de Staatssecretaris eraan dat hierover tijdens de parlementaire
behandeling van het initiatiefvoorstel om de bedenktermijn af te schaffen reeds is
gesproken. Zo stelde bijvoorbeeld het lid Hijink (SP) hierover de volgende vraag:
«(...) Dat moment van nul minuten, de nulminutenberaadtermijn, is wat mij betreft
misschien toch wel het lastigste punt in de wet van de indieners. Dat is aan de orde
wanneer een vrouw binnenkomt in een kliniek en in het gesprek met de arts zegt dat
ze nul minuten genoeg vindt. Ik heb ook begrepen dat de indieners zeggen: uiteindelijk
is het aan de vrouw om het eindoordeel te geven over hoelang die beraadtermijn moet
zijn. Wat doen we dan in die situaties waarbij er, op wat voor manier dan ook, toch
sprake is van een vorm van dwang? Hoe wordt dan voorkomen dat er toch een overhaaste
beslissing wordt genomen?» (Handelingen II 2021–2022, 45-6-14). De leden van de SGP-fractie
vragen de Staatssecretaris om hierop te reageren. Hoe weten we zeker dat bij deze
ruim 77% geen sprake is van een vorm van dwang of een overhaaste beslissing?
De leden van de SGP-fractie vragen de Staatssecretaris met name om een nadere duiding
hoe invulling wordt gegeven aan artikel 3, eerste lid Wafz, waarin staat: «De arts
en de vrouw kunnen, met in achtneming van de eisen met betrekking tot hulpverlening
en besluitvorming, bedoeld in artikel 5, in gezamenlijk overleg een termijn vaststellen
die voorafgaat aan de afbreking van de zwangerschap.»
De leden van de SGP-fractie vinden het opvallend dat niet alleen de «piek» na vijf
dagen bedenktijd is verdwenen. Het afschaffen van de verplichte bedenktermijn heeft
ook geleid tot het verdwijnen van veel lange bedenktijden. Waar in 2022 nog 25,8%
van de vrouwen meer dan 10 dagen bedenktijd nam, is dit in 2024 teruggelopen tot slechts
4,1%. Hoe reflecteert de Staatssecretaris hierop? Wat is haar verklaring hiervoor?
Hoe verklaren abortusartsen dit zelf? Vindt de Staatssecretaris dit een wenselijke
ontwikkeling? Hoe kijkt zij hiernaar in het licht van uitspraken van de initiatiefnemers,
die gedurende de wetsbehandeling betoogden dat de lengte van de bedenktermijn iedere
keer zal afhangen van de specifieke situatie van de vrouw?
Overigens vragen de leden van de SGP-fractie of de Staatssecretaris de verschillen
kan toelichten tussen de cijfers van 2022 in Tabel O «Tijdsverloop» in de Jaarrapportage
2024 en de cijfers van 2022 in de jaarrapportage 2022 in Tabel P «Aantal dagen beraadtermijn».
Hoewel het over dezelfde praktijk lijkt te gaan, worden er compleet andere cijfers
gepresenteerd (zelfs als het onderscheid tussen overtijdbehandelingen en abortussen
in acht wordt genomen). Wat is de uitleg voor de verschillen hiertussen?
De leden van de SGP-fractie vragen verder naar de stand van zaken met betrekking tot
de uitvoering van de aangenomen motie-Van Dijk c.s. over een onderzoek naar de afschaffing
van de verplichte bedenktijd (Kamerstuk 36 600 XVI, nr. 168). Heeft de Staatssecretaris dit onderzoek inmiddels opgepakt? Kan zij de onderzoeksopzet
met de Kamer delen?
Het valt de leden van de SGP-fractie op dat het aantal instrumentele abortussen zeer
sterk is toegenomen en het aantal abortussen waarbij sprake is van een combinatie
van medicamenteuze en instrumentele handelingen sterk is afgenomen (Tabel P: Behandelmethode).
Het aantal instrumentele abortussen is gestegen van 1.568 (4,4%) in 2022, 5.140 (13,1%)
in 2023 naar 8.647 (21,9%) in 2024. Wat is de verklaring hiervoor? Ligt hier een wijziging
van de abortuspraktijk door klinieken aan ten grondslag?
De leden van de SGP-fractie constateren dat het aantal complicaties ten gevolge van
abortus de afgelopen jaren significant is toegenomen. Het gaat dan in het overgrote
deel van de gevallen om veel bloedverlies (meer dan een halve liter) of een incomplete
abortus. De leden van de SGP-fractie hebben hiervoor de cijfers van de afgelopen vijf jaar
met elkaar vergeleken. In 2024 ging het om 3,6% van het aantal abortussen (1.420 keer
complicaties). In 2023 ongeveer betrof het 2,9% van het aantal abortussen (1.143 keer),
in 2022 2,6% (945 keer), in 2021 (857 keer) en in 2020 ging het om 2,7% van de gevallen
(834 keer). Hoe verklaart de Staatssecretaris deze stijging? Vindt zij dit een onwenselijke
ontwikkeling en zo ja, wat wil zij eraan doen? Worden vrouwen voorafgaand aan hun
abortus geïnformeerd over het risico op complicaties?
Overigens is de registratie van complicaties niet verplicht conform de Wafz en geeft
de registratie in de jaarrapportage dus geen volledig beeld. De leden van de SGP-fractie
vragen of de IGJ een indruk heeft hoe accuraat de door hen gepresenteerde cijfers
ten aanzien van complicaties zijn. Aangezien het aantal complicaties significant toeneemt,
overweegt de Staatssecretaris om regelgeving rondom registratie aan te scherpen? Waarom
is het überhaupt niet verplicht om te registreren?
Reactie op AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf
2026
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van deelrapporten vanuit de AVOZ-studie,
de reactie van de Staatssecretaris hierop en het nieuwe beleid ten aanzien van onbedoelde
en/of ongewenste zwangerschappen.
De leden van de SGP-fractie benadrukken dat zij zich terdege beseffen dat het thema
abortus in de maatschappij een gevoelig thema is. Het raakt aan diepe menselijke gevoelens
en ervaringen. Veel vrouwen verkeren in een moeilijke situatie, als zij onbedoeld
zwanger zijn. Vaak lijkt abortus de enige uitweg. Om deze reden hechten de leden van
de SGP-fractie eraan om zorgvuldig te zijn in hun woordkeuze. Zij willen niemand onheus
bejegenen of kwetsen. Daarbij wil de leden van de SGP-fractie niemand veroordelen,
ook geen vrouwen die een abortus hebben ondergaan. Zij hebben een standpunt over abortus
en niet over de vrouwen die een abortus ondergaan.
Abortus is een maatschappelijke kwestie waarover verschillend wordt gedacht. De Wet
afbreking zwangerschap geeft de beschermwaardigheid van het ongeboren leven nadrukkelijk
een plaats. Een abortus doodt, hoe men het wendt of keert, een ongeboren leven. Het
is daarom volstrekt legitiem om vragen te stellen bij de gegroeide abortuspraktijk
in Nederland en te pleiten voor het voorkomen of het verminderen van het aantal abortussen.
Het doet de leden van de SGP-fractie ronduit verdriet dat deze noties in de brief
van de Staatssecretaris compleet ontbreken. Zij vragen de Staatssecretaris om te verantwoorden
waarom de bescherming van het ongeboren leven geen enkele plek meer lijkt te hebben
in haar beleidsvoornemens, terwijl dit één van de pijlers van de abortuswet betreft.
Het rapport «Dit is mijn verhaal» keurt het vragen naar redenen voor abortus af en
pleit voor vragen naar behoeften: «Wat heb je nodig». De leden van de SGP-fractie
betreuren het dat de Staatssecretaris dit volledig omarmt. Hoe waarborgt zij dat er
voldoende zicht blijft op maatschappelijke oorzaken en structurele problemen die ten
grondslag liggen aan onbedoelde zwangerschap en/of abortus? Het rapport stelt dat
stijgende abortuscijfers moeilijk causaal te duiden zijn. Acht de Staatssecretaris
dit voldoende reden om af te zien van verdiepend onderzoek naar oorzaken van de stijging
van het aantal abortussen? Hoe worden de aanbevelingen uit dit rapport gewogen ten
opzichte van het eerdere beleidsdoel om het aantal abortussen terug te dringen?
De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat de onderzoekers van «Dit is mijn verhaal»
ambivalent zijn over het überhaupt onderzoeken en bevragen van de motieven of factoren
die een rol spelen bij een abortus. In de conclusie van het onderzoek overwegen zij:
«Uiteindelijk maakt het niet uit welke motieven men heeft, zolang iemand een eigen
en weloverwogen keuze heeft kunnen maken. Het is geheel en al aan de zwangere in kwestie,
welke keuze die maakt. Er is hiervoor dan ook geen verantwoording nodig.» (p. 12)
De leden van de SGP-fractie vatten dit op als een politieke uitspraak die aantoont
hoe verschillend er gedacht kan worden over de abortuspraktijk en op z’n minst vragen
oproept over de mate van wetenschappelijke nieuwsgierigheid waarmee het betreffende
onderzoek tot stand is gekomen. Hoe kijkt de Staatssecretaris hiernaar? Is zij het
ermee eens dat deze uitspraak van de onderzoekers niet gestoeld is op het onderzoek
dat zij hebben verricht, maar voortvloeit vanuit hun ideologische visie op de autonomie
van de vrouw en de beschermwaardigheid van het ongeboren leven?
De leden van de SGP-fractie verwijzen verder naar de twee wetsevaluaties van de Wet
afbreking zwangerschap, waarin verschillende «redenen» voor een abortus worden besproken,
waarbij ook aandacht wordt gegeven aan de «belangrijkste reden».3 Twee voorbeelden: in de eerste wetsevaluatie wordt geconstateerd dat relatief veel
vrouwen aangaven dat financiële redenen de belangrijkste reden voor een abortus was;4 en uit de tweede wetsevaluatie volgt dat in 19% van de gevallen «Mijn gezin is compleet»
de belangrijkste reden vormt voor een abortus.5 Dit maakt naar het oordeel van de leden van de SGP-fractie het uitlichten van de
hoofdreden voor abortus legitiem. Is de Staatssecretaris van mening dat deze informatie
in de wetsevaluaties nu haar waarde heeft verloren?
De leden van de SGP-fractie wijzen er verder op dat de onderzoekers in «Dit is mijn
verhaal» telkens benadrukken dat de besluitvorming rondom abortus complex is. Tegelijkertijd
vermelden de onderzoekers: «Maar voor veel personen is de besluitvorming helemaal
niet complex. Het besluit kan heel ongecompliceerd zijn, als absoluut duidelijk is
voor de betrokkene dat de zwangerschap moet worden afgebroken. De uitdrukking «het
is complex» (...) doet géén recht aan de ervaring van alle personen. Voor velen is
het namelijk direct duidelijk wat er moet gebeuren, voor hen is het niet complex (...)»
(p. 68) De leden van de SGP-fractie vragen de Staatssecretaris hierop te reageren.
Erkent zij dat praten over complexiteit ook een gemakkelijke manier kan zijn om de
discussie over abortus te onderdrukken?
Het rapport «Het begint met luisteren» spreekt over het «destigmatiseren» van onbedoelde
zwangerschap en abortus. De Staatssecretaris neemt dit nu over als beleidsdoel. De
leden van de SGP-fractie vragen hoe zij wil voorkomen dat hiermee ook normvervaging
optreedt rond seksualiteit, verantwoordelijkheid en gezinsvorming. In hoeverre wordt
in beleid nog expliciet uitgegaan van het belang van stabiele relaties en gezinnen
als beschermende factor tegen abortus? Ook vragen de leden van de SGP-fractie hoe
voorkomen wordt dat door abortus te «destigmatiseren» de ernst en impact van het beëindigen
van de zwangerschap wordt gebagatelliseerd.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de focus van het beleid door de Staatssecretaris
wordt verlegd naar het vergroten van de reproductieve regie en autonomie van vrouwen.
Kan de Staatssecretaris aangeven hoe de beschermwaardigheid van het ongeboren leven
geborgd is in haar aanpak? De nadruk ligt sterk op reproductieve autonomie. Hoe wordt
in het beleid het evenwicht bewaakt tussen autonomie enerzijds en verantwoordelijkheid
voor nieuw leven anderzijds?
De leden van de SGP-fractie maken uit de beslisnota op dat Fiom en Rutgers jaarlijks
250.000 euro extra krijgen voor de publiekscampagne «voor realistischer beeldvorming
en destigmatisering rond onbedoelde zwangerschap». Kan de Staatssecretaris toelichten
wat deze activiteiten precies gaan behelzen? Hoe wordt voorkomen dat het kabinet aan
burgers gaat voorschrijven hoe zij moeten denken over thema’s als zwangerschap, relatievorming
en seksualiteit? Uit de beslisnota blijkt dat dit bedrag wordt toegevoegd aan de instellingssubsidie
van Fiom en Rutgers. Kan de Staatssecretaris toelichten of deze extra middelen voldoen
aan de voorwaarden die gelden voor instellingssubsidies in de Kaderregeling subsidies
OCW, SZW en VWS?
De Staatssecretaris maakt een prioriteit van de toegang tot anticonceptie. Hoe voorkomt
zij daarmee de suggestie wordt gewekt dat anticonceptie altijd probleemloos en waardenvrij
is? In hoeverre wordt aandacht besteed aan natuurlijke methoden of onthouding als
reële keuze? In de brief wordt gesproken over extra middelen voor een publiekscampagne
over het gebruik van voorbehoedsmiddelen. Neemt het Ministerie van VWS zelf het initiatief
voor deze publiekscampagne of gaat een andere organisatie dit doen?
De leden van de SGP-fractie juichen het toe dat er meer oog komt voor de rol van de
vader van het ongeboren kind en/of partner van de vrouw. Zij vragen de Staatssecretaris
in hoeverre de rol van (toekomstig) vaderschap positief en normatief benaderd wordt
in beleid en zorg. Wordt overwogen om mannen nadrukkelijker te betrekken in preventiebeleid,
niet alleen wat betreft de medische zorg, maar ook relationeel en moreel? Kan de Staatssecretaris
aangeven welke interventies er reeds beschikbaar zijn voor hulp aan mannen?
De leden van de SGP-fractie lezen dat het thema Gezonde Relaties en Seksualiteit weer
een regulier onderdeel wordt van de Gezonde School-aanpak, in plaats van de tijdelijke
stimuleringsregeling voor scholen. Zij vragen waarom de Staatssecretaris de aangenomen
de motie-Stoffer c.s. (Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 105) niet uitvoert, waarin werd verzocht om de subsidie voor relationele en seksuele
vorming ook beschikbaar te stellen zonder de verplichtingen van het programma Gezonde
School.
Betekent het dat de verplichting voor scholen om eerst een speciale Gezonde Schoolcoördinator
aan te stellen en te laten trainen voordat zij lespakketten konden inkopen, is komen
te vervallen? Betekent deze wijziging dat scholen nu verplicht worden om gebruik te
gaan maken van het overige aanbod van de Gezonde School, óók als zij eigenlijk alleen
maar lesmethoden op het gebied van seksualiteit en relaties wilden inkopen?
De leden van de SGP-fractie vragen waarom het budget dat nodig is voor de begeleiding
door coördinatoren niet direct wordt ingezet om meer scholen de mogelijkheid te bieden
een erkende methode af te nemen en hierover direct contact te hebben met de aanbieders
over implementatie. Deze leden constateren dat het aantal begeleidingsuren is gehalveerd,
maar dat van het stimuleringsbudget slechts een kwart overblijft. Kan de Staatssecretaris
aangeven waarop deze berekening berust en hoe het in het licht van de motie-Stoffer
te rechtvaardigen is dat juist nog sterker in het budget van scholen wordt ingegrepen
in plaats van in het aantal verplichte uren begeleiding?
Verder vragen de leden van de SGP-fractie hoe de Staatssecretaris reageert op de bevinding
uit het onderzoek van DUO onderwijsonderzoek uit maart 2025 dat de bekendheid van
organisaties en initiatieven bij scholen sterk kan variëren (p. 20). Wat doet de Staatssecretaris
eraan om te bevorderen dat de verschillende initiatieven op gelijkwaardige wijze door
(de coördinatoren van) de GGD onder de aandacht worden gebracht, in ieder geval wanneer
deze een erkenning hebben gekregen? Is zij ermee bekend dat sommige methoden aangeven
zelden tot nooit een doorverwijzing van scholen door de GGD mee te maken? Hoe bevordert
zij de gelijke kansen van aanbieders?
Ook vragen de leden van de SGP-fractie in hoeverre de GGD in staat is om scholen ten
aanzien van alle methoden adequaat te ondersteunen bij de implementatie in de organisatie
en het toepassen van de visies waarop de verschillende methoden gebaseerd zijn. Onderkent
de Staatssecretaris dat het vanuit de «whole school approach» juist erg belangrijk
kan zijn dat scholen in direct contact met de aanbieder de integrale implementatie
kunnen verrichten?
Voor het overige vragen de leden van de SGP-fractie vragen de Staatssecretaris welke
aanbevelingen uit het AVOZ-onderzoek zij niet overneemt, en waarom.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de Staatssecretaris van plan is om de
Kamer niet langer periodiek te informeren over de aanpak, maar alleen als er sprake
is van relevante ontwikkelingen, aanpassingen en veranderingen binnen de Aanpak onbedoelde
en/of ongewenste zwangerschap. Om zicht te houden op de voortgang en resultaten van
de aanpak vragen de leden van de SGP-fractie of zij dit wil heroverwegen. Is zij bereid
om de Kamer (op zijn minst) jaarlijks te informeren over de stand van zaken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruik om vragen te
stellen over de jaarrapportage 2024 van de Wet Afbreking zwangerschap van de IGJ en
de reactie op de AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen
vanaf 2026.
De leden van de ChristenUnie-fractie vinden het zeer verdrietig dat in 2024 39.438
keer abortus is uitgevoerd. Dat dit aantal jaar op jaar stijgt vinden deze leden zorgelijk.
Hoe men ook denkt over abortus, het gaat altijd om een intens en verdrietig dilemma
van de vrouw. De leden hebben al in aparte schriftelijke vragen hun vragen over de
cijfers over 2024 gesteld aan de Staatssecretaris. Aanvullend vragen de leden van
de ChristenUnie-fractie op welke manier wél conclusies getrokken kunnen worden over
causale verbanden tussen ontwikkelingen zoals gevoeligere zwangerschapstesten en veranderingen
in abortuscijfers. Hoe voert de Staatssecretaris in dit licht de aangenomen motie
De Korte-Bikker (Kamerstuk 36 600 XVI-174) uit?
Ten aanzien van de kabinetsreactie op de AVOZ-studie en het beleid onbedoelde en ongewenste
zwangerschappen vanaf 2026 merken de leden van de ChristenUnie-fractie op dat de aanbeveling
om mannen meer mee te nemen rond de geboorte herkenning oproept. Zij moedigen het
dan ook aan dat organisaties zoals Fiom en de kraamzorg dit verder oppakken. Op welke
manier houdt de Staatssecretaris bij welke verbeteringen op dit vlak plaatsvinden,
zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de AVOZ-studie dat de keuzehulp bij
een onbedoelde zwangerschap beter bekend zou moeten worden. Deze leden lezen dat deze
aanbeveling wordt opgevolgd door één helder contactpunt te creëren én deze plek te
promoten. Is het vergroten van de bekendheid van de keuzehulp een expliciete doelstelling
bij het creëren van dit punt? Zo nee, wil de Staatssecretaris dit eraan toevoegen?
Zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van het nieuwe beleid per 2026 vragen de leden van de ChristenUnie-fractie
waarom de Staatssecretaris ervoor heeft gekozen dit nieuwe beleid te formuleren in
een demissionaire periode. Vond zij dit onderwerp niet dusdanig dat het beter bij
een nieuw kabinet past om hierop nieuw beleid te ontwikkelen?
De leden van de ChristenUnie-fractie vinden het zorgelijk dat er wordt bezuinigd op
de monitoring van de Aanpak. Hoe gaat die eruitzien en waarin verschilt die van de
monitoring tot nu toe? De leden lezen dat de Kamer na april 2026 geen reguliere monitor
van het RIVM meer ontvangt maar slechts geïnformeerd wordt als er sprake is van relevante
ontwikkelingen, aanpassingen en veranderingen binnen de Aanpak. Deze leden vinden
dat te beperkt. Blijft het RIVM wel monitoren? Anders kan de Staatssecretaris niet
bijhouden of haar beleid effect heeft. En als het RIVM toch monitort, is het dan niet
redelijk om de Kamer hierover te informeren? Waarom maakt de Staatssecretaris deze
keuze?
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat de doelstelling van het terugdringen
van het aantal abortussen zoals geformuleerd door eerdere kabinetten wordt losgelaten
en wordt ingewisseld voor het vergroten van de regie op de kinderwens. Deze leden
betreuren dat ten zeerste. De pijler «voorkomen van een onbedoelde en/of ongewenste
zwangerschap» is herformuleerd naar «regie op kinderwens». Welke inzet wordt stopgezet
met deze herformulering, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Deze leden
erkennen dat het veroordelen en stigmatiseren van onbedoelde zwangerschappen niet
bijdraagt aan een goede en zorgzame begeleiding. Dat betekent wat deze leden betreft
niet dat een beleidsdoel niet kan zijn om het aantal abortussen te verminderen. Erkent
de Staatssecretaris dit?
Wordt er met deze aanpak nog ingezet op het vergroten van de toegang tot anticonceptie
aan kwetsbare groepen, met name door financiële drempels weg te nemen, zo vragen de
leden van de ChristenUnie-fractie.
Tot slot vragen de leden van de ChristenUnie-fractie aandacht voor de positie van
arbeidsmigranten die onbedoeld zwanger raken. Is de Staatssecretaris bekend in welke
mate zij keuzevrijheid hebben om hun zwangerschap uit te dragen? Deze leden kunnen
zich voorstellen dat de arbeidspositie, de huisvesting, bekendheid met het zorglandschap
en de ondersteuningsmogelijkheden er niet aan bijdragen dat de vrouw zich vrij voelt
en daadwerkelijk voldoende weet om de zwangerschap uit te dragen. Is de Staatssecretaris
bereid in beeld te brengen hoe hun positie is en hoe preventie en hulpverlening voor
hen verbeterd kunnen worden, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de stukken en hebben hier nog
een aantal vragen en opmerkingen over.
De leden van de SP-fractie lezen dat de Staatssecretaris meerjarig wil inzetten op
«het promoten van het condoom». Tegelijkertijd weigert het kabinet al lange tijd om
anticonceptie, waaronder condooms, gratis beschikbaar te maken. Is de Staatssecretaris
het ermee eens dat het gratis maken van anticonceptie één van de beste maatregelen
is om deze te promoten?
De leden van de SP-fractie constateren daarnaast dat toegang tot abortuszorg slecht
is geregeld voor vrouwen zonder verzekering. Abortuszorg is bijvoorbeeld uitgezonderd
van de regelingen voor onverzekerden van het CAK. Is de Staatssecretaris bereid om
abortuszorg niet langer uit te zonderen van deze regelingen?
De leden van de SP-fractie vragen aandacht voor de crisis die momenteel bestaat in
de kraamzorg. Steeds meer gezinnen krijgen niet meer de kraamzorg die zij nodig hebben,
terwijl zorgverleners de sector verlaten vanwege de slechte arbeidsvoorwaarden. Ziet
de Staatssecretaris in dat zij moet ingrijpen om deze crisis op te lossen, omdat het
onrealistisch is om te verwachten dat de zorgverzekeraars die deze hebben veroorzaakt
deze ook zelf gaan oplossen? Zo ja, wat gaat de Staatssecretaris hieraan doen? Zo
nee, waarom denkt de Staatssecretaris dat afwachten hier een goede strategie zou zijn?
II. Reactie van de Staatssecretaris
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
J.J. Meijerink, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.