Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 869 Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het beperken van de compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid tot kleine werkgevers
Nr. 6
VERSLAG
Vastgesteld 26 januari 2026
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend
onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen
van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende
door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het
wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
I.
Algemeen
1
1.
Inleiding
2
2.
Hoofdlijnen van het voorstel
3
3.
Verhouding tot hoger recht
6
4.
Gevolgen
7
5.
Bedrijfseffectentoets
10
6.
Uitvoering
10
7.
Misbruik, oneigenlijk gebruik en toezicht en handhaving
11
8.
Financiële gevolgen
11
9.
Advies en consultatie
12
10.
Overgangsrecht en inwerkingtreding
13
I. Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en de daarbij behorende
stukken. Deze leden onderschrijven het belang van houdbare overheidsfinanciën en begrijpen
de wens van de regering om de compensatieregeling voor de transitievergoeding gerichter
in te zetten. Tegelijkertijd hechten deze leden aan een zorgvuldige belangenafweging
tussen werkgevers en werknemers, mede gelet op de kwetsbare positie van langdurig
arbeidsongeschikte werknemers en de bredere werking van het arbeidsrechtelijke stelsel.
Zij hebben daarom enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek in verband met het beperken van de compensatieregeling transitievergoeding
bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid tot kleine werkgevers. Deze leden
onderschrijven het belang van houdbare overheidsfinanciën en het uitgangspunt dat
ondersteuning primair terechtkomt bij kleine werkgevers. Tegelijkertijd zijn deze
leden kritisch op de ingeslagen koers en maken zij zich zorgen over de toenemende
lasten en onzekerheden voor het midden- en kleinbedrijf (mkb), in het bijzonder voor
werkgevers die net buiten de gekozen definitie van «kleine werkgever» vallen. Deze
leden hebben hierover een aantal vragen aan de regering.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben nog enkele vragen.
De leden van de JA21-fractie hebben met stijgende belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en de daarbij
behorende stukken. Deze leden constateren dat hier in wezen een forse bezuinigingsoperatie
wordt vormgegeven die tegelijkertijd een onderdeel van het Nederlandse ontslag- en
socialezekerheidsstelsel raakt, waarin Nederland binnen de Europese Unie een tamelijk
unieke en vergaande uitzonderingspositie inneemt.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband
met het beperken van de compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag wegens
langdurige arbeidsongeschiktheid tot kleine werkgevers. Deze leden snappen de wens
van de regering om de lasten voor de overheid terug te dringen maar maken zich wel
zorgen over de gevolgen van het afschaffen van de compensatie voor de grotere bedrijven.
Met name bij arbeidsintensieve bedrijven die net over de grens van 25 werknemers vallen
kunnen er problemen ontstaan.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben hierover nog enkele
vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden maken graag
van de gelegenheid gebruik enkele vragen te stellen over het wetsvoorstel.
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben nog enkele vragen.
1. Inleiding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de compensatieregeling destijds is ingevoerd om slapende dienstverbanden
tegen te gaan. Deze leden vragen de regering om te reflecteren op de invoering van
deze wet, de doelen die daarbij hoorden en expliciet te benoemen welke problemen voor
werknemers aan de ene kant en werkgevers aan de andere kant destijds aanleiding waren
voor deze wetgeving.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de regering kan verantwoorden dat
zij, met kennis van deze eerdere misstanden en de negatieve gevolgen voor werknemers,
nu kiest voor het afschaffen van juist die maatregel die bedoeld was om slapende dienstverbanden
te voorkomen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen specifiek waarom de regering ervoor
kiest om werknemers wederom te confronteren met de problemen die horen bij slapende
dienstverbanden, zoals het onthouden van transitievergoedingen, langdurige onzekerheid,
een afhankelijkheidspositie ten opzichte van de werkgever en onzekerheid en stress.
De leden van de CDA-fractie lezen dat enkel in Nederland zowel een verplichte loondoorbetaling bij ziekte van
twee jaar bestaat als een verplichte vergoeding voor wanneer de arbeidsovereenkomst
eindigt op initiatief van de werkgever in de vorm van een transitievergoeding. Deze
leden lezen dat de regering hierover schrijft dat de twee aspecten een ander doel
hebben. Deze leden vragen of de regering nader kan reflecteren op de wenselijkheid
van een transitievergoeding na twee jaar loondoorbetaling bij ziekte en daarbij ook
in kan gaan op het doel en de doelmatigheid daarvan. Kan de regering daarbij ook ingaan
op de vraag in hoeverre deze transitievergoeding nog bijdraagt aan het vergemakkelijken
van de overgang naar andere werk op een wijze waar de loondoorbetaling bij ziekte
niet in voorziet? Voorts vragen deze leden hoe deze regeling zich verhoudt tot onze
buurlanden.
De leden van de SGP-fractie vragen naar de reden, de achtergrond en de gedachtegang achter deze maatregel. Is
deze besparing gekoppeld aan een specifieke maatregel of gaat het om een generieke
besparing?
2. Hoofdlijnen van het voorstel
De leden van de D66-fractie begrijpen dat de regering kiest voor aansluiting bij de Wfsv-definitie van kleine
werkgever omwille van eenvoud, uitvoerbaarheid en rechtszekerheid. Deze leden achten
dit in beginsel een logische keuze. Wel vragen zij de regering nader toe te lichten
hoe wordt geborgd dat werkgevers die net boven de grens vallen niet onevenredig hard
worden geraakt, met name in sectoren met een relatief hoog ziekteverzuim. Kan de regering
nader inzicht geven in de spreiding van de financiële effecten voor middelgrote werkgevers,
en in hoeverre hierbij sprake kan zijn van cumulatie met andere werkgeverslasten bij
langdurige ziekte?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering ontkent of het hoofddoel van deze wetswijziging is om te bezuinigen.
Deze leden vragen voorts welke beleidsdoelen hiermee gemoeid zijn en die hiermee dichterbij
worden gebracht. Tevens vragen deze leden welke visie ten grondslag ligt aan deze
wetswijziging.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering inschattingen heeft
gemaakt van het aantal extra slapende dienstverbanden dat als gevolg van deze maatregel
kan ontstaan, en zo ja, deze met de Kamer te delen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of er sinds de invoering van de compensatieregeling
sprake is geweest van monitoring of evaluatie van het aantal slapende dienstverbanden.
Deze leden vragen de uitkomsten hiervan te delen.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de beperking van de compensatieregeling primair wordt gemotiveerd
vanuit het belang van houdbare overheidsfinanciën en leidt tot een structurele besparing
van circa 380 miljoen euro. De Raad van State merkt daarbij op dat deze keuze de fundamentele
vraag naar de rechtvaardiging van de verplichte transitievergoeding bij ontslag wegens
langdurige arbeidsongeschiktheid opnieuw op tafel legt.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering hoe zij in dit wetsvoorstel expliciet
heeft geborgd dat de beperking niet verder gaat dan noodzakelijk, gelet op de constatering
dat in circa 80% van de gevallen de kosten weer volledig bij werkgevers komen te liggen.
Ook vragen deze leden in hoeverre is onderzocht of de budgettaire doelstelling had
kunnen worden bereikt met een minder scherpe afbakening die het risico voor mkb-ondernemers
verder beperkt.
De leden van de JA21-fractie merken op dat volgens de memorie van toelichting circa 34.000 middelgrote en grote
werkgevers geen gebruik meer zullen kunnen maken van de compensatieregeling, terwijl
de gemiddelde compensatie bij langdurige arbeidsongeschiktheid circa 16.000 euro per
werknemer bedraagt. Kan de regering een indicatieve uitwerking geven van de gemiddelde
extra lasten voor middelgrote/grote werkgevers, uitgesplitst naar sectoren met relatief
laag en hoog ziekteverzuim, en daarbij ingaan op de gevolgen voor winstgevendheid
en investeringsruimte?
De leden van de JA21-fractie vragen de regering nader toe te lichten waarom is gekozen
voor de route «compensatie beperken tot kleine werkgevers», en niet voor het door
de Raad van State geschetste alternatief, het (gedeeltelijk) schrappen van de verplichte
transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, serieus te
betrekken als optie om de stapeling van werkgeverslasten bij langdurige ziekte structureel
bij de bron aan te pakken.
De leden van de BBB-fractie merken op dat de grens van 25 werknemers nog niet per definitie iets zegt over de
financiële ruimte van een onderneming. Hoe heeft de regering dat meegewogen? Waarom
is gekozen voor de grens van 25 werknemers en welke (flankerende) maatregelen worden
getroffen als blijkt dat middelgrote en grote werkgevers in sectoren met hoge loonsom-aandelen
hierdoor onevenredig worden geraakt?
De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat het noodzakelijk is dat de positie
van werkgevers op punten verbetert. Een stap in die richting zou kunnen zijn om de
transitievergoeding af te schaffen na twee jaar ziekte. Hoe kijkt de regering naar
dit voorstel? Werknemer heeft immers twee jaar salaris doorbetaald gekregen en bij
definitieve arbeidsongeschiktheid is een vangnet aanwezig. De combinatie van het twee
jaar doorbetalen van loon na ziekte en de transitievergoeding is daarnaast uniek voor
Nederland, wat een ongelijk speelveld creëert voor bedrijven.
De leden van de SGP-fractie lezen dat het aantal uitbetalingen in de achterliggende jaren is gestegen, vanwege
een stijging van het aantal langdurig zieke werknemers. Deze leden zien het terugdringen
van het aantal langdurige ziekwerknemers als een alternatieve optie om te besparen
op de overheidsuitgaven. Welke stappen worden op dit punt gezet, welke aanvullende
maatregelen zouden kunnen worden genomen en wat leveren die globaal op? In hoeverre
acht de regering een hervorming van ons stelsel op dit punt noodzakelijk, en welke
voornemens heeft de regering hieromtrent?
De leden van de SGP-fractie lezen dat de regering stelt dat middelgrote en grote werkgevers
financieel draagkrachtig genoeg zouden zijn voor het betalen van de transitievergoeding.
Deze leden vragen de regering hiervoor onderbouwing aan te leveren. Waarop baseert
zij dat, en kan zij hiervoor ook onafhankelijke, cijfermatige onderbouwing aanleveren?
De leden van de SGP-fractie vragen waarom is gekozen voor de grens van 25 werknemers
en welke (flankerende) maatregelen worden getroffen als blijkt dat middelgrote en
grote werkgevers in sectoren met hoge loonsom-aandelen hierdoor onevenredig worden
geraakt.
De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre serieus is overwogen de transitievergoeding
volledig af te schaffen, en wat zouden daarvan de consequenties zijn voor werkgevers,
werknemers en de overheid.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering in de memorie van toelichting aangeeft dat het beperken van
de compensatiemogelijkheid tot kleine werkgevers als passend wordt gezien, omdat van
middelgrote en grote werkgevers wordt verwacht dat ze financieel draagkrachtig genoeg
zijn om de transitievergoeding bij ontslag te betalen zonder dat daar een compensatie
tegenover staat. Deze leden vragen of de regering een nadere onderbouwing kan geven
van deze stelling. Is er bijvoorbeeld voorafgaand onderzoek gedaan naar de draagkracht
van middelgrote en grote werkgevers?
Daarnaast merken de leden van de ChristenUnie-fractie op dat de regering geen hardheidsclausule
heeft toegevoegd voor bedrijven en organisaties die niet voldoen aan de definitie
van «kleine werkgever» zoals die is geformuleerd in dit wetsvoorstel. Als argument
noemt de regering dat zij veel waarde hecht aan vereenvoudiging en beperkte regeldruk.
Deze leden vragen de regering of overwogen is om organisaties zonder winstoogmerk
ook onder de definitie van «kleine werkgever» te laten vallen, en zo nee, waarom niet.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering alsnog een wettelijke uitzondering
te maken voor sociaal werkbedrijven. Deze leden vragen de regering nader te motiveren
waarom zij geen reden ziet om voor deze sector een uitzondering te maken. Erkent de
regering dat dit wetsvoorstel ertoe kan leiden dat sociaal werkbedrijven minder in
staat worden gesteld om mensen met een chronische ziekte of arbeidsbeperking te ondersteunen
naar werk? Acht zij dit wenselijk? Erkent de regering dat de kern van sociaal werkbedrijven
re-integratie is waardoor het risico op uitval moeilijk of niet te verspreiden is
over andere werknemers? Deze leden zijn benieuwd naar de redenatie van de regering
achter het besluit om geen uitzondering te maken.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat in de praktijk een transitievergoeding
vaak wordt gebruikt als praktisch «smeermiddel» om een oplossing te creëren voor een
arbeidsconflict om tot tevredenheid van beide partijen uit elkaar te gaan. Deze leden
vragen of de regering verwacht of dit verandert als gevolg van dit wetsvoorstel. Acht
de regering het als mogelijk gevolg dat door het wegvallen van compensatie voor transitievergoedingen
werkgevers minder geneigd zullen zijn om transitievergoedingen in het algemeen overeen
te komen?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen van de regering een nadere duiding op
de verwachte gevolgen van voorliggend wetsvoorstel in relatie tot de Xella-norm. Erkent
de regering dat het onwenselijk is dat het afhankelijk wordt van de grootte van de
werkgever of een langdurig zieke werknemer een beroep kan doen op goed werkgeverschap
en de Xella norm? Of verwacht de regering dat ook na dit wetsvoorstel de norm van
goed werkgeverschap en de Xella norm in stand zal blijven?
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat de Belastingdienst een werkgever
kwalificeert als klein of (middel)groot op basis van loongegevens van twee jaar eerder.
Zoals de Raad van State ook aangeeft in haar advies vergroot dit de kans dat zich
in de tussentijd ontwikkelingen voordoen, zoals een reorganisatie van de onderneming
om een faillissement af te wenden, waardoor een als middelgroot aangemerkte werkgever
in de actualiteit een kleine werkgever is geworden. Hij ontvangt voor een betaalde
transitievergoeding echter geen compensatie, terwijl aangenomen wordt dat hij onvoldoende
financiële draagkracht heeft. Dit zou onrechtvaardig zijn. De regering gaat in haar
reactie op de Raad van State niet in op deze constatering. Deze leden verzoeken de
regering of zij dit alsnog wil doen. Bovendien draagt de regering als argument voor
het in stand houden van de compensatieregeling aan dat kleine werkgevers de lasten
van de transitievergoeding mogelijk niet kunnen dragen. Deze leden vragen de regering
of zij, in het licht van dit argument, het rechtvaardig acht dat een werkgever, die
feitelijk een kleine werkgever is, geen compensatievergoeding ontvangt ten gevolge
van de kwalificatie van de Belastingdienst van twee jaar eerder.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben ook een vraag over transitievergoedingen
bij het niet verlengen van een tijdelijk contract. Sinds 1 januari 2020 hebben werknemers
recht op een transitievergoeding bij het aflopen van een tijdelijk contract. Heeft
de regering signalen dat ook op dit punt kleine werkgevers moeite hebben om de kosten
voor deze vergoedingen te betalen? Overweegt de regering om ook op dit punt een wijziging
voor te stellen ten voordele van kleine werkgevers? Kan de regering dit nader toelichten?
3. Verhouding tot hoger recht
De leden van de PVV-fractie constateren dat de regering stelt dat het schrappen van de verplichte transitievergoeding
bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid zou kunnen leiden tot een ongerechtvaardigd
onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte. De Raad van State plaatst
hierbij echter kanttekeningen en stelt dat sprake is van wezenlijk verschillende omstandigheden,
gelet op de stapeling van werkgeversverplichtingen bij langdurige ziekte.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering nader toe te lichten waarom zij het
standpunt van de Raad van State op dit punt niet volgt en waarom zij van oordeel blijft
dat een dergelijke differentiatie juridisch niet verdedigbaar zou zijn.
De leden van de JA21-fractie lezen dat de regering stelt dat afschaffing of beperking van de transitievergoeding
bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid zou leiden tot een ongerechtvaardigd
indirect onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte, terwijl de Raad van
State erop wijst dat juist in het geval van langdurige arbeidsongeschiktheid de doelen
van de transitievergoeding niet zonder meer op dezelfde wijze aan de orde zijn en
dat het alternatief van het (deels) schrappen van de verplichting tot betaling nader
en meer fundamenteel moet worden gewogen. Kan de regering juridisch meer onderbouwd
uiteenzetten waarom een gedifferentieerde benadering na twee jaar ziekte (bijvoorbeeld
een lagere of anders gefinancierde vergoeding) niet verenigbaar zou zijn met het gelijkheidsbeginsel,
mede in het licht van bestaande uitzonderingen, zoals de beperkte bescherming bij
ontslag na faillissement?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering specifiek kan ingaan op de stelling
van de Raad van State en de Raad voor de rechtspraak dat dit wetsvoorstel leidt tot
een ongelijk speelveld voor langdurig zieke werknemers zelf, doordat het, mede door
de Xella-norm, uitmaakt of iemand bij een kleine dan wel middelgrote/grote werkgever
in dienst is voor de feitelijke mogelijkheid om het dienstverband te laten beëindigen
met transitievergoeding. Acht de regering dit verschil juridisch houdbaar en wenselijk?
4. Gevolgen
De leden van de D66-fractie constateren dat de regering erkent dat het risico op het opnieuw ontstaan van slapende
dienstverbanden toeneemt voor werknemers bij middelgrote en grote werkgevers. Deze
leden begrijpen dat de regering dit risico lastig kwantitatief kan inschatten, maar
achten het wel van belang dat dit effect nauwlettend wordt gevolgd. Is de regering
bereid om expliciet te monitoren in hoeverre het aantal slapende dienstverbanden na
inwerkingtreding van deze wet toeneemt en de Kamer hierover te informeren?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering erkent dat werknemers hierdoor mogelijk niet langer effectief
kunnen verzoeken om beëindiging van een slapend dienstverband. Deze leden vragen hierbij
in te gaan op de Xella-beslissing van de Hoge Raad en of de juridische basis die gelegen
is in de compensatie nog bestaat na deze wetswijziging. Deze leden vragen voorts mee
te nemen wat voor invloed het heeft dat de compensatie voor een deel van de werkgevers
nog wel bestaat na deze wetswijziging en voor een deel niet. Deze leden vragen of
dit een onderscheid creëert in de rechtsbescherming van werknemers. Deze leden vragen
hoe dit zich verhoudt tot de bescherming die de wetgever eerder juist noodzakelijk
achtte.
De leden van de PVV-fractie constateren dat middelgrote en grote werkgevers na inwerkingtreding geen aanspraak
meer kunnen maken op compensatie en dat de gemiddelde compensatie bij langdurige arbeidsongeschiktheid
circa 16.000 euro per werknemer bedroeg. Deze leden vragen hoe de regering dit effect
beoordeelt voor middelgrote mkb-bedrijven die weliswaar boven de loonsomgrens uitkomen,
maar in de praktijk beperkte financiële buffers hebben.
Daarnaast constateren de leden van de PVV-fractie dat zowel de regering als de Raad
van State erkennen dat het risico op het opnieuw ontstaan van slapende dienstverbanden
toeneemt. Deze leden vragen hoe dit zich verhoudt tot de oorspronkelijke doelstelling
van de compensatieregeling om juist aan deze praktijk een einde te maken. Ook vragen
zij hoe de regering deze ontwikkeling verenigbaar acht met het beginsel van goed werkgeverschap
en rechtsgelijkheid.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het aannemelijk is dat het beperken van de wettelijke compensatiemogelijkheid
invloed heeft op de werking of reikwijdte van de norm die voortvloeit uit de Xella-beslissing.
Deze leden lezen ook dat de regering schrijft dat een verbod op slapende dienstverbanden,
of andere maatregelen om slapende dienstverbanden niet mogelijk maken ongewenst is.
Deze leden vragen welke oplossingen de regering biedt om slapende dienstverbanden
tegen te gaan. Ook vragen deze leden of het mogelijk is om de Xella-beslissing wettelijk
te regelen, en wat hier de bijbehorende voor- en nadelen van zijn.
De leden van de JA21-fractie lezen in de memorie van toelichting dat wordt erkend dat het gevolg van het wetsvoorstel
voor ondernemers kan zijn dat zij minder winst kunnen maken en dat hun economische
groei daardoor wordt geremd, zij het dat dit volgens de regering niet «zwaar» zou
wegen voor het ondernemersklimaat. Kan de regering deze uitspraak concretiseren, en
toelichten hoe dit zich verhoudt tot het kabinetsstreven om het Nederlandse investerings-
en vestigingsklimaat te versterken?
De leden van de JA21-fractie merken op dat de gekozen definitie van «kleine werkgever»
aansluit aan bij de Wfsv-loonsomgrens (tot en met 25 maal het gemiddelde premieplichtige
loon; in 2025 circa 990.000 euro). Kan de regering ingaan op het risico dat werkgevers
die in de buurt van deze loonsomgrens zitten, groei in fte, uren of gemiddeld loon
zullen afremmen om binnen de categorie «klein» te blijven en daarmee toegang tot compensatie
te behouden, en zo de economische groei van deze bedrijven en de werkgelegenheid beperkt
wordt?
De leden van de JA21-fractie merken op dat doordat de grens wordt bepaald op basis
van loonsom, werkgevers met relatief veel hoger opgeleide en dus duurdere werknemers
eerder als middelgroot/groot worden aangemerkt dan werkgevers met veel laagbetaalde
arbeid. Acht de regering dit effect wenselijk, en hoe voorkomt zij dat dit stelselmatig
ten nadele uitwerkt van kennisintensieve bedrijven ten opzichte van arbeidsintensieve,
laagbetaalde sectoren?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering erkent dat vaste contracten
relatief duurder kunnen worden dan flexibele contracten, mede doordat middelgrote
en grote werkgevers na twee jaar ziekte zonder compensatie zowel loondoorbetaling
als transitievergoeding dragen. Kan de regering een inschatting geven van de te verwachten
effecten op de verhouding vast/flex en op de prikkel richting tijdelijke contracten
en schijnzelfstandigheid, vooral in sectoren met hoog ziekteverzuim?
De leden van de JA21-fractie lezen dat de regering stelt dat een deel van de bezwaren
tegen mogelijke waterbedeffecten naar schijn-zzp wordt ondervangen door de hervatte
handhaving op schijnzelfstandigheid per 1 januari 2025. Kan de regering onderbouwen
waarom deze handhaving, gelet op capaciteit en prioritering bij Belastingdienst en
Inspectie, voldoende wordt geacht om de extra prikkel richting schijnzelfstandigheid
als gevolg van dit wetsvoorstel te neutraliseren?
De leden van de JA21-fractie lezen dat de Raad voor de rechtspraak erop wijst erop
dat kleine werkgevers door de compensatiemogelijkheid mogelijk minder belang hebben
bij re-integratie dan grote werkgevers, omdat beëindiging na twee jaar ziekte aantrekkelijker
kan zijn dan een langdurig re-integratietraject. Hoe beoordeelt de regering dit verschil
in prikkelstructuur, en acht zij het onderscheid in re-integratie-incentives tussen
kleine en middelgrote/grote werkgevers wenselijk en te rechtvaardigen?
De leden van de JA21-fractie lezen dat in de memorie van toelichting wordt erkend
dat het risico op een toename van slapende dienstverbanden reëel is, waarbij sociale
partners en de Raad voor de rechtspraak zelfs een aanzienlijke toename van procedures
verwachten. Kan de regering, op basis van historische gegevens van vóór invoering
van de compensatieregeling en recente jurisprudentie, een kwantitatieve inschatting
geven van de te verwachten toename van slapende dienstverbanden en Xella-procedures,
en hoe zij deze ontwikkeling waardeert vanuit het perspectief van rechtszekerheid
voor werknemers?
De leden van de JA21-fractie merken op dat in de beslisnota’s naar voren komt dat
varianten om slapende dienstverbanden structureel te voorkomen (bijvoorbeeld een wettelijke
verplichting tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst na twee jaar ziekte, ook bij
initiatief van de werknemer) zijn verkend maar vooral vanwege de besparingsplanning
en vertraging zijn afgevallen. Kan de regering uiteenzetten in hoeverre budgettaire
overwegingen (zoals het voorkomen van een besparingstekort van 210 miljoen euro bij
een half jaar vertraging) de doorslag hebben gegeven boven inhoudelijke argumenten
om slapende dienstverbanden meer structureel tegen te gaan?
De leden van de BBB-fractie vragen hoe concreet wordt voorkomen dat de beperking van compensatie leidt tot meer
slapende dienstverbanden en daarmee tot minder zekerheid voor langdurig arbeidsongeschikte
werknemers.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering in hoeverre is meegewogen dat het bij transitievergoedingen met
regelmaat gaat om een zeer hoog bedrag, mede vanwege het feit dat medewerkers lang
in dienst zijn en vaak richting de pensioengerechtigde leeftijd gaan. Terwijl zij
reeds twee jaar in de re-integratie van de medewerker hebben geïnvesteerd. Wat zijn
daarvan de consequenties voor individuele werkgevers?
De leden van de SGP-fractie vragen inzichtelijk te maken hoeveel transitievergoedingen
er in de achterliggende vijf jaren zijn vastgesteld voor kleine, middelgrote en grote
werkgevers, en om welke orde van grootte qua bedragen het dan gaat, als percentage
van de totale loonsom van het bedrijf. Daarnaast ontvangen deze leden graag cijfers
over de gemiddelde kosten van twee jaar loondoorbetaling bij ziekte en re-integratieverplichtingen
daaraan voorafgaand.
De leden van de SGP-fractie benadrukken dat dit wetsvoorstel niet alleen betrekking
heeft op bedrijven, maar ook op instellingen in de (semi)publieke sector, maatschappelijke
organisaties en andere organisaties met een publieke of sociale taak, zoals zorg-
en welzijnsinstellingen, onderwijsinstellingen, kerken, woningcorporaties en uitvoeringsorganisaties.
In hoeverre zijn de consequenties hiervan meegewogen in dit voorstel? Deze leden ontvangen
graag inzicht in de financiële draagkracht van deze organisaties ten aanzien van de
voorgestelde maatregel.
De leden van de SGP-fractie vragen naar de bredere arbeidsmarktgevolgen van de voorgestelde
maatregel. De kosten zullen immers leiden tot een zware belasting van het arbeidscontract,
terwijl werkgever al terughoudender worden in het aanbieden van een vast contract.
In dat kader kan gedacht worden aan eerdere arbeidsmarktwetgeving, maar ook aan het
afschaffen van het nulurencontract of de verlengde ketenregeling met langdurige onderbrekingstermijn.
In hoeverre heeft de regering de doelstelling het vaste contract aantrekkelijker te
maken voor werkgevers, en hoe verhoudt dit wetsvoorstel zich daartoe?
De leden van de SGP-fractie vragen daarnaast specifiek naar de consequenties ten aanzien
van een inclusieve arbeidsmarkt, gelet op het feit dat werkgevers terughoudender zullen
zijn ten aanzien van het aannemen van werknemers van wie zij inschatten dat zij een
hoger risico op arbeidsongeschiktheid hebben.
De leden van de SGP-fractie vragen welke mogelijkheden de regering ziet voor het uitzonderen
van specifieke sectoren in de basis van de arbeidsmarkt of sectoren die in hoge mate
werk bieden aan mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
De leden van de SGP-fractie vragen specifiek aandacht voor de gevolgen van dit voorstel
voor werkontwikkelbedrijven, die in veel gevallen niet financieel draagkrachtig zijn
om dergelijke, grote bedragen in een keer «op te hoesten». Is de regering bereid deze
bedrijven uit te zonderen van de afschaffing van de compensatie?
De leden van de SGP-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat beperking van de compensatie
leidt tot meer slapende dienstverbanden en daarmee tot minder zekerheid voor langdurig
arbeidsongeschikte werknemers.
De leden van de SP-fractie lezen dat de regering het risico op een toename van het aantal slapende dienstverbanden
accepteert. Deze leden vragen de regering of zij meer in kan gaan op dit risico. Waarom
accepteert de regering dit risico? Welke risico’s ziet de regering voor de werknemers
die dit betreft? Welke rechten kunnen deze werknemers uitoefenen wanneer zij zich
in zo’n situatie van slapend dienstverband betreffen wanneer het voorliggende wetsvoorstel
is ingegaan? Hoeveel werknemers bevinden zich nu in zo’n situatie, en met hoeveel
mensen verwacht de regering dat dit zal toenemen? Waar baseert de regering dit op?
De leden van de SP-fractie lezen ook dat dankzij de zogenoemde Xella-beslissing van
de Hoge Raad werknemers die zich op dit moment in een slapend dienstverband betreffen
de mogelijkheid hebben om uit zo’n slapend dienstverband te komen terwijl ze hun recht
op transitievergoeding behouden. Deze beslissing dreigt door het opheffen van de wettelijke
compensatiemogelijkheid weg te vallen. Kan de regering toelichten welke mogelijkheden
zij heeft onderzocht om in stand te houden dat wanneer een werknemers in een slapend
dienstverband beslist om uit dienst te reden, deze werknemers automatisch recht heeft
op de transitievergoeding? Kan de regering toelichten welke mogelijkheden er zouden
kunnen zijn om dit alsnog in stand te houden?
5. Bedrijfseffectentoets
De leden van de PVV-fractie constateren dat de regering verwacht dat de macro-economische effecten beperkt zullen
zijn. Deze leden vragen of de regering inzichtelijk kan maken welke effecten specifiek
worden verwacht voor werkgevers die zich rond de grens tussen «klein» en «middelgroot»
bevinden, en of hierbij ook is gekeken naar cumulatie van lasten uit andere regelgeving.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering, mede in het licht van de bedrijfseffectentoets, om concreet aan
te geven hoe groot het aandeel van de totale werkgeverslasten bij langdurige ziekte
(twee jaar loondoorbetaling, re-integratiekosten en transitievergoeding zonder compensatie)
uitvalt in verhouding tot de gemiddelde omzet en marges van middelgrote en grote werkgevers
in een aantal representatieve sectoren, en of de regering deze cumulatie proportioneel
acht.
6. Uitvoering
De leden van de D66-fractie nemen kennis van de uitvoeringstoetsen van UWV en de Belastingdienst en constateren
dat het wetsvoorstel uitvoerbaar wordt geacht. Deze leden vragen de regering wel hoe
zij aankijkt tegen de tijdelijke situatie waarin werkgevers zelf moeten aantonen dat
zij als kleine werkgever zijn aangemerkt. Kan de regering toelichten welke waarborgen
worden getroffen om fouten en onnodige geschillen in deze fase zoveel mogelijk te
voorkomen, en hoe wordt gezorgd voor duidelijke communicatie richting werkgevers?
De leden van de PVV-fractie constateren dat de vaststelling of een werkgever als «klein» wordt aangemerkt, plaatsvindt
op basis van loongegevens van twee jaar eerder en via een mededeling of beschikking
van de Belastingdienst. Deze leden vragen in hoeverre dit systeem voldoende recht
doet aan de actuele financiële situatie van ondernemers, bijvoorbeeld in geval van
krimp, herstructurering of economische tegenwind.
Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie hoe wordt voorkomen dat ondernemers pas
achteraf ontdekken dat zij geen recht hebben op compensatie, terwijl zij hier bij
het voortzetten van het dienstverband wel op rekenden.
7. Misbruik, oneigenlijk gebruik en toezicht en handhaving
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering risico’s ziet op strategisch gedrag rond de loonsomgrens en
hoe zij voorkomt dat ondernemers onbedoeld in een ongunstiger positie terechtkomen
door beperkte schommelingen in de loonsom.
De leden van de JA21-fractie merken op dat de Raad voor de rechtspraak extra procedures verwacht over de «rekbaarheid»
van het kleine-werkgever-criterium en wijst op mogelijke constructies om kunstmatig
binnen de grens te blijven. Hoe beoordeelt de regering dit risico, welke concrete
constructies acht zij denkbaar, en welke handhavings- of anti-misbruikmaatregelen
staan haar ter beschikking om dergelijke strategische herstructureringen tegen te
gaan?
8. Financiële gevolgen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat bij de invoering van de compensatie van de transitievergoeding is afgesproken
dat deze zou worden gefinancierd via een aanpassing van de AWf-premie. Deze leden
vragen waarom de regering ervoor kiest om de compensatieregeling te beëindigen zonder
de financiering via de AWf-premie dienovereenkomstig aan te passen. Deze leden vragen
een nadere toelichting op hoe deze afspraken tot stand zijn gekomen en welke deze
precies omvatten.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de regering van mening kan zijn
dat er sprake is van een betrouwbare overheid, aangezien deze op eerder gemaakte afspraken
terugkomt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe deze maatregel zich verhoudt tot
andere aangekondigde of reeds doorgevoerde bezuinigingen op de Werkloosheidswet (WW).
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat het totale budgettaire beslag is
van het afschaffen van de compensatie van de transitievergoeding aan het einde van
de kabinetsperiode.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de besparing van circa 380 miljoen euro structureel wordt ingeboekt
op de Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW-)begroting. Deze leden vragen hoe deze
besparing zich verhoudt tot mogelijke indirecte kosten, zoals extra procedures, juridische
onzekerheid en verminderde bereidheid tot het aanbieden van vaste contracten.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het wetsvoorstel per saldo leidt tot een besparing van uitgaven aan de CRTV
die oploopt van circa 58,2 miljoen euro in 2026 tot circa 379,1 miljoen euro structureel
in 2065. Deze leden lezen echter ook in de brief van 11 december 2025 dat gesproken
wordt van een incidenteel besparingsverlies van 230 miljoen euro bij vertraagde inwerkingtreding
van een half jaar. Deze leden vragen om een nadere uitleg hoe deze bedragen zich tot
elkaar verhouden.
9. Advies en consultatie
De leden van de D66-fractie merken op dat zowel de Raad van State als de Raad voor de rechtspraak aandacht vragen
voor het alternatief om de verplichting tot betaling van een transitievergoeding bij
ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid te heroverwegen. Zij constateren dat
de regering dit alternatief heeft verworpen, onder meer vanwege de doelen van de transitievergoeding
en het risico op ongerechtvaardigd onderscheid. Deze leden vragen de regering om deze
afweging nader te onderbouwen. Kan de regering concreter toelichten waarom het in
haar ogen noodzakelijk blijft dat ook bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid
altijd een transitievergoeding verschuldigd is, ondanks de reeds bestaande verplichtingen
tot loondoorbetaling en re-integratie? Hoe weegt de regering hierbij het argument
dat de transitievergoeding in deze situaties in de praktijk soms een ander karakter
heeft dan bij regulier ontslag? Daarnaast vragen deze leden of de regering heeft bezien
of er varianten denkbaar zijn waarbij de verplichting tot betaling van de transitievergoeding
bij langdurige arbeidsongeschiktheid anders wordt vormgegeven, zonder direct over
te gaan tot volledige afschaffing, en waarom dergelijke varianten niet zijn uitgewerkt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat in de memorie van toelichting geen expliciete reactie van sociale partners
is opgenomen. Deze leden vragen welke opvattingen sociale partners hebben geuit over
de afschaffing van de compensatie en waarom deze niet zijn verwerkt of meegewogen
in de toelichting. Deze leden vragen zowel expliciet de opvatting van werkgevers als
werknemers te delen.
De leden van de PVV-fractie wijzen op de kritische opmerkingen van de Raad van State, die adviseert het voorstel
nader te bezien en zelfs suggereert dat het schrappen van de verplichte transitievergoeding
bij langdurige arbeidsongeschiktheid inhoudelijk consistenter zou zijn. Deze vragen
waarom de regering dit advies niet heeft gevolgd en of zij bereid is dit alternatief
alsnog serieus te onderzoeken.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de ontstaansgeschiedenis van de compensatieregeling transitievergoeding
bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid aangehaald is in de internetconsultatie.
Bij invoering van deze regeling is de Aof-premie met circa 0,1 procentpunt verhoogd.
Deze leden lezen dat de regering schrijft dat er geen koppeling tussen de uitgaven
aan de compensatieregeling en de hoogte van de Aof-premie bestaat en hebben daar vanuit
de techniek begrip voor. Wel merken deze leden daarbij op dat wat deze leden betreft
zorgvuldig omgegaan dient te worden met afspraken met sociale partners. Is de regering
het met deze leden eens dat er niet zomaar een streep gezet kan worden door afspraken
met sociale partners? En kan de regering aangegeven in hoe zij de sociale partners
die indertijd betrokken waren bij de totstandkoming van de compensatieregeling heeft
betrokken bij de totstandkoming van het voorliggend wetsvoorstel?
De leden van de CDA-fractie merken op dat de Raad van State in haar advies benoemt
dat er geen structurele oplossing voor de onderliggende problematiek van hoge werkgeverslasten
bij langdurige ziekte van de werknemer geboden wordt en dat zij daarbij in overweging
geeft deze compensatieregeling te schrappen. Deze leden vragen om een nadere reflectie
op dit advies en de motivatie waarom dit niet wordt overgenomen.
De leden van de JA21-fractie merken op dat de Raad van State het derde dictum (niet indienen tenzij aangepast)
heeft afgegeven en spreekt van de noodzaak van een fundamentele belangenafweging tussen
de kwetsbare positie van langdurig zieke werknemers en de meerjarige werkgeversverplichtingen.
Kan de regering uiteenzetten waarom zij, ondanks dit dictum en de door de Raad van
State gevraagde fundamentele belangenafweging, vasthoudt aan de gekozen route van
het beperken van de compensatieregeling voor middelgrote en grote werkgevers, in plaats
van alsnog een bredere heroverweging van de rol en vorm van de transitievergoeding
bij langdurige arbeidsongeschiktheid te verkennen
De leden van de SGP-fractie vragen de regering of dit voorstel ook voorgelegd is aan het Adviescollege toetsing
regeldruk, en wat daarvan de uitkomsten zijn.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering te reflecteren op de verwachting van
werkgevers dat de beperking van de compensatiemogelijkheid tot kleine werkgevers mogelijk
leidt tot een toename in het aantal tijdelijke contracten. In hoeverre acht zij dit
wenselijk?
De leden van de SP-fractie merken op dat de regering in de memorie van toelichting schrijft dat er in het wetsvoorstel
voor geen enkele sector of branche een uitzondering wordt gemaakt. De regering onderbouwt
dit mede door te stellen dan een uitzondering ertoe kan leiden dat het besparingsdoel
van het wetsvoorstel niet wordt gehaald. Deze leden hebben alarmerende signalen van
de sociale ontwikkelbedrijven ontvangen en willen deze graag nog een keer onder de
aandacht van de regering brengen.
Wat de leden van de SP-fractie betreft zouden sociaal ontwikkelbedrijven een uitzondering
moeten krijgen op het wetsvoorstel. Deze leden stellen dit omdat sociaal ontwikkelbedrijven
een specifiek sociaal doel dienen. Daarnaast komt de in het wetsvoorstel voorgenomen
maatregel direct terug op de gemeentebegroting van de gemeenten en is dit dus per
saldo geen werkelijke bezuiniging voor de overheid. Kan de regering erop ingaan welke
afwegingen zij specifiek heeft gemaakt voor de sociaal ontwikkelbedrijven? Kan de
regering toelichten hoe zij aankijkt tegen het feit dat de in het wetsvoorstel voorgenomen
bezuiniging direct neerkomt bij gemeenten? Kan de regering toelichten waarom zij sociaal
ontwikkelbedrijven op deze manier wil duperen? Welke gesprekken zijn hierover gevoerd
met vertegenwoordigers van gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven?
10. Overgangsrecht en inwerkingtreding
De leden van de PVV-fractie constateren dat overgangsrecht is opgenomen om lopende gevallen te beschermen. Deze
leden vragen de regering te bevestigen dat ondernemers die onder het huidige regime
verplichtingen zijn aangegaan, niet alsnog onevenredig worden benadeeld. Ook vragen
deze leden of het overgangsrecht voldoende bescherming biedt voor ondernemers die
zich rond de grens van «klein» en «middelgroot» bevinden.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering tot slot te bevestigen dat het overgangsrecht waarborgt dat in
alle gevallen waarin de dag na afloop van het opzegverbod na twee jaar ziekte vóór
de inwerkingtreding ligt, de oude compensatieregeling volledig van toepassing blijft,
en dat er geen grijze gevallen ontstaan waarin werkgevers of werknemers achteraf worden
geconfronteerd met andere rechtsgevolgen dan zij op basis van de huidige wet en beleidsuitingen
redelijkerwijs mochten verwachten.
De fungerend voorzitter van de commissie, Van der Burg
Adjunct-griffier van de commissie, Van den Broek
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. van der Burg, voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede ondertekenaar
E.E. van den Broek, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.