Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de voorhang wijziging Postbesluit 2009 (Kamerstuk 35423-15)
2026D03057 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen aan
de Minister van Economische Zaken voorgelegd over de brief «Voorhang wijziging Postbesluit
2009»van 19 december 2025 (Kamerstuk 35 423, nr. 15).
De voorzitter van de commissie,
Michon-Derkzen
Adjunct-griffier van de commissie,
Krijger
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
II
Antwoord/Reactie van de Minister
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de stukken
die ten grondslag liggen aan de voorhangprocedure inzake de wijziging van het Postbesluit
2009. Naar aanleiding daarvan hebben zij nog enkele vragen aan de Minister.
De leden van de D66-fractie constateren dat in het ontwerpbesluit wordt voorzien in
een overgang naar een D+3-bezorgtermijn per 1 juli 2027. Dit betreft een ingrijpende
wijziging, die niet alleen gevolgen heeft voor gebruikers van postdiensten, maar ook
voor andere aanbieders op de postmarkt en voor de verdere ontwikkeling van de markt
als geheel. Tegen deze achtergrond kan deze stap door marktpartijen worden ervaren
als prematuur en disproportioneel.
De leden van de D66-fractie vragen de Minister welke alternatieve, minder ingrijpende
maatregelen zijn verkend om de uitvoerbaarheid en continuïteit van de universele postdienst
(UPD) te waarborgen zonder over te gaan tot een D+3-bezorgtermijn. Kan de Minister
inzichtelijk maken welke opties zijn overwogen, op welke gronden deze zijn afgevallen
en waarom uiteindelijk toch is gekozen voor invoering van D+3 per 1 juli 2027?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de voorhang wijziging
Postbesluit 2009.
De leden van de VVD-fractie lezen in de stukken dat bij een aanbieding van D+2 naar
D+3 de betrouwbaarheid wordt verhoogd naar 92%. Deze leden vragen waarom niet voor
een hogere betrouwbaarheid wordt gekozen, aangezien nu bij D+1 er een betrouwbaarheid
van 95% wordt verwacht.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de voorgenomen wijziging van
het Postbesluit 2009. Zij zijn verrast door de voorgestelde wijzigingen en hebben
hierover de volgende vragen aan de Minister.
Versnelde invoering van D+3
De leden van de PVV-fractie lezen in de nota van toelichting bij het Postbesluit dat
wordt verwezen naar de brief aan de Kamer van 30 juni jl.1 In deze brief stelt de Minister dat dalende inkomsten en stijgende kosten de uitvoerbaarheid
en betaalbaarheid van de universele postdienst onder druk zetten. Daarbij wordt in
de brief aangegeven dat per 1 juli 2026 de overkomstduur kan worden verruimd naar
D+2, dat de verdere overgang naar D+3 geleidelijk moet plaatsvinden en tenslotte dat
D+3 per 1 januari 2029 kan worden ingevoerd, en mogelijk per 1 januari 2028. Dit kan
alleen als wordt voldaan aan voorwaarden, zoals bezorgzekerheid van minimaal 90% bij
D+2 per 1 januari 2027 en het daadwerkelijk voortzetten van de gemiddelde volumedaling.
De leden van de PVV-fractie zijn dan ook verbaasd dat in de voorliggende wijziging
van het Postbesluit wordt vastgelegd dat al vanaf 2027 wordt overgegaan op D+3-bezorging.
Hoe verhoudt deze versnelde invoering zich tot de uitgangspunten en voorwaarden uit
de genoemde brief van 30 juni jl.? Waarom gelden de daarin genoemde voorwaarden, zoals
de minimale bezorgzekerheid van 90% en de voortzetting van de volumedaling, niet langer
als randvoorwaarden? Waarom kiest de Minister ervoor om de overgang naar D+3 zonder
voorwaarden te versnellen?
Gevolgen voor postbedrijven en werkgelegenheid
De leden van de PVV-fractie wijzen erop dat de overgang naar D+3-bezorging ertoe kan leiden dat postbedrijven die afhankelijk zijn van het netwerk
van PostNL hun bestaande contractuele verplichtingen niet meer kunnen nakomen. Ook
zouden zij hierdoor geen nieuwe contracten meer kunnen afsluiten.
Is de Minister bekend met deze gevolgen? Weet hij welke impact dit heeft op de werkgelegenheid
bij deze bedrijven, met name voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt? Kan
de Minister aangeven of hij het risico onderkent dat hierdoor circa 4.500 banen van
een kwetsbare groep verloren kunnen gaan? Zo ja, welke maatregelen neemt hij om dit
te voorkomen? Hoe verhoudt zich dit tot de aangenomen motie-Van Meetelen,2 waarin de regering wordt verzocht om bij wijzigingen in regelgeving die de postmarkt
beïnvloeden expliciet de effecten op de werkgelegenheid mee te wegen en deze vooraf
met de Kamer te delen?
Bezorgzekerheid en rol van de ACM
De leden van de PVV-fractie merken op dat de Minister in reactie op de uitvoerbaarheids-
en handhaafbaarheidstoets (UHT) van de ACM stelt dat gebruik is gemaakt van recent
ACM-onderzoek. Volgens de Minister zou hieruit blijken dat maatregelen zoals de invoering
van een D+3-bezorgnorm, in combinatie met een bezorgzekerheid van circa 92%, noodzakelijk zijn voor
een financieel houdbare uitvoering van de UPD.
Naar welk concreet onderzoek van de ACM verwijst de Minister? Hoe verhoudt zich dit
tot de eigen bevindingen van de ACM, waarin wordt gesteld dat betrouwbaarheid voor
gebruikers het belangrijkste criterium is?
Deze leden vragen ook hoe dit standpunt zich verhoudt tot de brief van 30 juni jl.,
waarin het behoud van een bezorgbetrouwbaarheid van 95% als uitgangspunt wordt genomen.
Waarom wordt nu van dit uitgangspunt afgeweken?
De ACM geeft in haar UHT bovendien aan dat in andere Europese landen bij D+3-bezorging
zelden een betrouwbaarheid van minder dan 95% wordt gehanteerd. Welke conclusies trekt
de Minister hieruit voor de Nederlandse situatie? Op welke wijze weegt hij hierbij
het belang van betrouwbaarheid voor gebruikers mee?
Evaluatie
De Minister stelt dat de nieuwe norm voor bezorgzekerheid bij de evaluatie zal worden
bezien en dat, indien een hoger kwaliteitsniveau uitvoerbaar en verantwoord blijkt,
een aanpassing zal worden overwogen.
Waarom kiest de Minister voor een evaluatie, achteraf, terwijl de ACM nu al aangeeft
dat betrouwbaarheid voor gebruikers het zwaarst weegt?
Prijsontwikkeling en marktwerking
De leden van de PVV-fractie merken voorts op dat de Minister stelt dat de UPD-verlener
door deze aanpassing minder vergaande prijsverhogingen hoeft door te voeren dan wanneer
de strengere UPD-normen zouden blijven gelden. Hoe waarborgt de Minister dat dit daadwerkelijk
het geval zal zijn? Hoe wordt voorkomen dat gebruikers alsnog worden geconfronteerd
met substantiële prijsstijgingen?
Daarnaast vragen deze leden of de Minister onderkent dat het op korte termijn verlengen
van de overkomstduur de beoogde transitie naar een brede bezorgmarkt juist kan belemmeren.
Andere marktpartijen krijgen mogelijk onvoldoende tijd om zich hierop aan te passen.
Deelt de Minister de zorg dat hierdoor de facto een situatie ontstaat waarin PostNL
dominant blijft en de regie in handen houdt, waardoor de ontwikkeling naar een bredere
bezorgmarkt wordt belemmerd? Zo nee, waarom niet?
Herstelnorm
Tot slot constateren de leden van de PVV-fractie dat de ACM voorstelt om naast de
primaire bezorgnorm ook een herstelnorm in te voeren, om extra zekerheid te bieden
over tijdige bezorging. De Minister kiest er vooralsnog voor om dit niet over te nemen.
Hoe wordt binnen het huidige normstelsel dan voldoende zekerheid geboden aan gebruikers
in gevallen waarin de primaire norm niet wordt gehaald?
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister welke reacties hij heeft ontvangen
van PostNL op het ontwerpbesluit tot wijziging van het Postbesluit 2009 en wat de
kern was van deze reactie. Deze leden vragen ook of de Minister tevens reacties heeft
ontvangen van andere postvervoerders, zoals DHL, DPD en Business Post. Zo ja, wat
was de kern van hun bezwaren of aandachtspunten bij de overgang naar D+2 en met name
D+3?
De leden van de JA21 fractie vragen de Minister voorts of hij kan toelichten in hoeverre
de invoering van D+2 en D+3 gevolgen heeft voor de concurrentieverhoudingen op de
postmarkt. Zij vragen ook wat de effecten van D+3 zijn voor de mogelijkheden van concurrerende
postbedrijven om een rendabel alternatief te bieden voor postvervoer. Deze leden vragen
daarnaast hoe de door andere postbedrijven geuite zorgen over markttoegang, concurrentie
en netwerkvoordelen van PostNL zijn meegewogen bij de totstandkoming van het besluit,
en waar dit concreet in de besluitvorming tot uitdrukking komt.
De leden van de JA21 fractie vragen tenslotte hoe de Minister voorkomt dat de versoepeling
van kwaliteitsnormen voor de UPD in de praktijk leidt tot een verdere versterking
van de dominante marktpositie van PostNL, in plaats van tot de beoogde versterking
van concurrentie en markttoetreding.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de bijgevoegde
stukken aangaande de voorhang wijziging Postbesluit 2009. Deze leden hebben nog enkele
vragen.
Klopt het dat PostNL als beleid hanteert dat de voorwaarden die voor de UPD gelden,
één op één doorvertaald worden naar de zakelijke postmarkt en de dienstverlening van
PostNL op die markt aan partijen die van toegang tot het netwerk van PostNL afhankelijk
zijn?
Klopt het dus ook, dat indien PostNL straks (zoals het Postbesluit beoogt), een bezorgtermijn
van 72 uur toegestaan krijgt voor de UPD, PostNL ook een termijn van 72 uur hanteert
voor zijn concurrenten op de zakelijke markt?
De leden van de BBB-fractie vragen of de Minister gedetailleerd uiteen kan zetten
wat hij vindt van dit gedrag van PostNL en welke gevolgen dit volgens hem heeft voor
een gelijk speelveld tussen PostNL en andere zakelijke postaanbieders, bijvoorbeeld
bij aanbestedingen. Kan de Minister ook gedetailleerd uiteenzetten of hij vindt dat
PostNL dit marktgedrag kan uitoefenen als gevolg van de economische machtspositie
waarover PostNL beschikt? Kan de Minister voorts in detail uiteenzetten in hoeverre
hij onderschrijft dat die machtpositie herleidbaar is naar de situatie zoals beschreven
in de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb) van 2 december
2025?3 Tenslotte vragen de leden van de BBB-fractie of de Minister in detail kan uiteenzetten
of hij van mening is dat op basis van bovengenoemde uitspraak hij een juridische of
morele verplichting heeft om de concurrentie in de postmarkt alsnog zoveel mogelijk
te stimuleren. Welke concrete plannen hij heeft om daaraan gestalte te geven en welke
tijdslijn verbindt hij daaraan?
De leden van de BBB-fractie vragen of de Minister bereid is om de ACM om een oordeel
te vragen over dit marktgedrag van PostNL, hoe de ACM de gevolgen van dat gedrag inschat
voor de verhoudingen op de brede postmarkt (dus inclusief de zakelijke postmarkt)
en in hoeverre dit bijdraagt aan, of juist afbreuk doet aan het bevorderen van concurrentie
en een gelijk speelveld in de zakelijke postmarkt? Is de Minister tevens bereid om
de opvattingen van de ACM hierover naar de Kamer te sturen?
Is de Minister bekend met problemen in het veld, bijvoorbeeld bij aanbestedingen van
overheden, als gevolg van het marktgedrag van PostNL en/of het voornemen van de Minister
om de bezorgtermijn te verruimen naar 72 uur? Zo ja, kan de Minister die problemen
nader specificeren en zijn standpunt hierin toelichten? Welke gevolgen verbindt hij
daaraan?
De leden van de BBB-fractie vragen of het klopt dat de verruiming naar 72-uursbezorging
binnen de aanbesteding van de zakelijke postbezorging voor de Belastingdienst tot
complicaties heeft geleid? Kan de Minister toelichten wat hier de complicaties zijn,
of hij daarover contact heeft gehad met de Staatssecretaris van Financiën en welke
conclusies hij hieraan verbindt?
De leden van de BBB-fractie vragen voorts of de ACM op de hoogte is van bedoelde complicaties.
Zo ja, is de Minister bereid om af te wachten welke conclusies de ACM daaraan verbindt
voordat hij voortgaat met invoering van het gewijzigde Postbesluit?
Is de Minister voorafgaand aan de voorbereiding van het Postbesluit nagegaan welke
gevolgen de invoering van 72-uursbezorging heeft voor andere spelers in de (zakelijke
of bredere) postmarkt? Zo ja, welke feiten constateerde hij hieruit en waarom weerhouden
die de Minister?
Deze leden vragen of de Minister voorafgaand aan de voorbereiding van het Postbesluit
overlegd heeft met de postbedrijven die van toegang tot het netwerk van PostNL afhankelijk
zijn voor hun dienstverlening over de gevolgen van invoering van 72 uurs-bezorging
voor die dienstverlening. Zo neen, waarom niet? Zo ja, hoe beoordeelt de Minister
de bezwaren van die bedrijven?
Is de Minister bereid om de verruiming naar 48-uursbezorging los te koppelen van de
invoering van 72-uursbezorging door PostNL en die 72-uursbezorging op te schorten
totdat er een toegangsregime ligt dat beklijft, zoals de Kamer eerder bij motie gevraagd
heeft en zoals de ACM ook aanbevolen heeft? Zo neen, waarom niet en welke oplossingen
heeft hij dan voor ogen voor de andere postbedrijven die van PostNL afhankelijk zijn?
Is de Minister bereid om PostNL niet toe te staan om de verruimde voorwaarden voor
de UPD één op één toe te passen op de zakelijke postmarkt, zodat de 48-uursbezorging
op de zakelijke postmarkt kan blijven bestaan? Zo neen, is hij dan ten minste bereid
om de ACM te verzoeken hierop maatregelen te nemen? Zo neen, waarom niet?
De leden van de BBB-fractie vragen vervolgens of de Minister uiteen kan zetten welke
besparing de invoering van 72-uursbezorging PostNL oplevert, nu de ACM als toezichthouder
op deze markt tot op heden niet in staat bleek om die economische meerwaarde te berekenen.
Als de Minister niet in staat is om die besparing uit te rekenen, hoe kan er dan op
vertrouwd worden dat invoering van een 72-uursbezorgtermijn doelmatig en noodzakelijk
is?
Is de Minister bereid om de invoering van een 72-uursbezorging op te schorten totdat
de ACM de werkelijke cijfers van PostNL heeft kunnen bestuderen, zoals de Kamer eerder
heeft verzocht, en hij heeft kunnen vaststellen dat dit inderdaad noodzakelijk is
om een doelmatige postbezorging overeind te houden? Zo neen, waarom niet?
Uit cijfers die PostNL eerder zelf publiceerde, blijkt dat een mogelijke invoering
van 72-uursbezorging voor PostNL ongeveer evenveel zou opleveren als de subsidie zou
opleveren waarom PostNL tevergeefs heeft verzocht bij het ministerie. Kan de Minister
uitsluiten dat beide zaken verband met elkaar houden? Zo neen, is het toestaan van
72-uursbezorging dan niet feitelijk een verkapte subsidie? Kan de Minister zijn antwoord
toelichten?
De leden van de BBB-fractie vragen of de Minister ermee bekend is dat andere postpartijen
stellen dat het toestaan van 72-uursbezorging de weg afsluit naar keuzes die nog gemaakt
zouden kunnen worden in het kader van de vorming van de bredere bezorgmarkt. Hoe beoordeelt
de Minister die stellingen? Heeft hij daarover met die andere postpartijen gesproken
en is hij van mening dat het beter zou zijn om de 72-uursbezorging op te schorten
totdat de eerder door de Kamer gevraagde routekaart naar de bredere bezorgmarkt er
ligt? Zo neen, waarom niet?
Onlangs heeft de Minister gelijktijdig drie besluiten genomen over subsidie, intrekking
van de universele postdienst en het starten van een transparante procedure in de zin
van de Postwet.4 Is de Minister van mening dat de inhoudelijke beoordeling van die drie besluiten
onderling samenhangen? Zo ja, hoe? Zo neen, waarom niet?
II Antwoord/Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
I.J.M. Michon-Derkzen, voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken -
Mede ondertekenaar
H.W. Krijger, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.