Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Nader verslag
36 702 Wijziging van de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg en de Jeugdwet in verband met digitale identificatie en authenticatie in de zorg
Nr. 9
NADER VERSLAG
Vastgesteld 22 januari 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, belast met het voorbereidend
onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft na kennisneming van de nota naar aanleiding
van het verslag en de nota’s van wijzigingen nog behoefte nadere vragen en opmerkingen
aan de regering voor te leggen.
Onder het voorbehoud dat de in het nader verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende
door de regering worden beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
blz.
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
1
•
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
1
•
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
3
•
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
3
•
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
6
•
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
7
•
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
8
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de wijziging
van de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg en de Jeugdwet
in verband met digitale identificatie en authenticatie in de zorg.
De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting vooral de positieve
gevolgen van de invoering van de generieke functies voor identificatie en authenticatie,
zoals uniformiteit, gebruiksgemak en een snellere registratie in het Dezi-register.
Dezi staat voor «De Zorgidentiteit». Deze leden onderschrijven het belang daarvan,
maar vragen of ook een expliciete inschatting is gemaakt van mogelijke obstakels voor
patiënten en professionals in het zorg- en jeugdveld. Hoe worden zorg- en jeugdhulpaanbieders
en hun medewerkers hierin praktisch ondersteund, en welke waarborgen zijn er om eventuele
opstartproblemen tijdig te signaleren en te verhelpen zodat patiënten en professionals
hier geen nadelige gevolgen van ondervinden?
De leden van de D66-fractie constateren dat het vereiste betrouwbaarheidsniveau «hoog»
veel veiligheidsrisico's afdekt. Kan de regering echter specifiek aangeven welke risico's
resteren na implementatie van dit niveau? Wie draagt de verantwoordelijkheid wanneer
deze risico's zich materialiseren: de overheid (als stelselverantwoordelijke), de
leverancier van het inlogmiddel, of de individuele zorgaanbieder?
De leden van de D66-fractie lezen dat het gebruik van persoonlijke apparaten voor
digitale identificatie risico's met zich meebrengt, omdat het beheer (zoals beveiligingsupdates)
niet bij de werkgever ligt. Hoe wordt voorkomen dat een inlogmiddel op niveau hoog
toch onveilig wordt door malware op een slecht onderhouden privételefoon? Is het inlogmiddel
in staat om te detecteren of een apparaat gehackt is (bijvoorbeeld door spionagesoftware)
alvorens toegang te verlenen?
De leden van de D66-fractie lezen dat het risico op oneigenlijk gebruik van het burgerservicenummer
(BSN) door zorgaanbieders bij de uitgifte van zorgspecifieke middelen wordt gecontroleerd
door audits. Kan de regering concretiseren hoe vaak deze audits zullen plaatsvinden?
Acht de regering een periodieke audit voldoende, of is er ook sprake van continu toezicht
of steekproeven? Hoe wordt technisch en procedureel gegarandeerd dat het BSN daadwerkelijk
direct en onherstelbaar uit de administratie van de middelenuitgever wordt verwijderd
na de koppeling met het Dezi-nummer, en welke gevolgen treden er in werking bij het
niet naleven van deze verwijderplicht?
De leden van de D66-fractie hebben vernomen dat er in contracten voor de hosting van
het Dezi-register afspraken zijn gemaakt over de eventuele beëindiging van de dienstverlening
van de hostingpartij. Wat staat er concreet in deze afspraken? Hoe wordt gegarandeerd
dat bij een faillissement of contractbreuk van de commerciële hostingpartij de data
van alle zorgverleners direct en veilig toegankelijk blijft zonder onderbreking van
de zorg? Ook wordt er in het antwoord op de vraag van de collega’s van de leden van
de GroenLinks-PvdA-fractie geantwoord dat het Nederlands recht van toepassing is.
Is er voldoende gewaarborgd dat deze data bij eventuele overnames door buitenlandse
bedrijven nooit buiten de EU bewaard, ingezien of gebruikt kan worden?
De leden van de D66-fractie zijn op de hoogte van de komst van de EU Digital Identity
Wallet (EUDI-wallet), naar verwachting in november 2026. Hoe wordt de technische en
juridische aansluiting van het Dezi-stelsel op de EUDI-wallet exact vormgegeven? Betekent
de Europese acceptatieplicht dat Nederlandse zorgaanbieders vanaf eind 2026 direct
verplicht zijn om ook buitenlandse «wallets» van tijdelijke arbeidskrachten te accepteren,
en zijn hun systemen daarop voorbereid?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de eerste
en tweede nota van wijziging. Zij hebben geen verdere vragen of opmerkingen aan de
regering.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de beantwoording
op de vele vragen van de Kamerfracties. Echter hebben deze leden nog vragen en opmerkingen
over de nota naar aanleiding van het verslag. Zij zetten deze per onderdeel uiteen.
Inleiding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering om nader in te gaan op
de pilot die de Ministeries van VWS en BZK met elkaar aan het voorbereiden zijn met
betrekking tot de EU Digital Identity Wallet. Zij vragen de regering om te beschrijven
wat het doel van deze pilot is en welke acties er ondernomen zullen worden om dit
doel te bereiken.
Het huidige UZI-register en de inlogmiddelen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie benadrukken nogmaals het belang van een cyberveilige
zorgsector. De ketenrisico’s binnen de zorg verdienen maximale aandacht. Met het op
gang komen van nieuwe gegevensuitwisselingen als gevolg van dit wetsvoorstel, roept
dit nog enkele vragen op. Zo zijn deze leden benieuwd hoe risico’s worden voorkomen
zoals het gebruiken van de nieuwe inlogmethoden op telefoons die geïnfecteerd zijn
met ransomware, spyware of een dergelijk virus. Wordt naar aanleiding van dit wetsvoorstel
ook meer aandacht gegeven aan het voorkomen van cyberveiligheidsrisico’s onder zorgmedewerker?
Deelt de regering de mening dat een toename in het gebruik van digitale inlogmiddelen
gepaard moet gaan met een brede inzet op de digitale weerbaarheid van zorgmedewerkers?
Zij vragen daarbij ook of de regering kan reflecteren op de rol van dit wetsvoorstel
om datalekken te voorkomen. Er wordt gevraagd om in te schatten of, en zo ja hoeveel,
cyberincidenten in 2025 voorkomen hadden kunnen worden als dit wetsvoorstel van kracht
was geweest. Acht de regering de toename van kosten en administratieve lasten proportioneel
aan de afname aan cyberveiligheidsrisico’s in de zorg, als hier inderdaad sprake van
is?
Medewerkers registreren in het Dezi-register
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen over de formulering van dit
onderdeel van de wet. Gesproken wordt van zorgaanbieders die moeten verifiëren of
een medewerker, die toegang vraagt tot een elektronische uitwisselingssysteem, «bij
hem werkzaam is.» Echter lijkt dit niet van toepassing op zzp’ers of medewerkers die
in een ander dienstverband voor een zorgaanbieder werkzaam zijn. Deze leden vragen
de regering om te bevestigen of de toegang tot elektronische uitwisselingssystemen
echt alleen maar van toepassing is op medewerkers die bij een zorgaanbieder werken,
of ook voor mensen die voor een zorgaanbieder werken. Daarbij vragen ze ook om een
nadere beschouwing van de gevolgen van dit wetsvoorstel op zzp’ers in de zorg.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben aanvullende vragen over de uitgifte
van de nieuwe inlogmiddelen. In de beantwoording laat de regering weten dat het voor
zorgaanbieders één tot twee dagen kan duren om een certificaat van conformiteit met
de NEN 7518 te verkrijgen. Er zijn echter gevallen waarin noodgedwongen externe inhuur
wordt ingezet om uitgevallen medewerkers te vervangen. In het geval van acute inhuur
zou met spoed een certificering aangevraagd moeten worden, wat ook werkdruk met zich
meebrengt. Deze leden betwijfelen of dit realistisch gezien, kan worden verwacht van
zorgaanbieders en hun personeel. Ook brengt het een risico mee dat er noodgedwongen
gebruik wordt gemaakt van het inlogmiddel van de uitgevallen medewerker(s) die wordt/worden
vervangen. Zij vragen daarom welke terugvalopties of tijdelijke middelen zorgaanbieders
kunnen verwachten in het geval van acute inhuur, waarvoor één tot twee dagen aanvraagtijd
te lang duurt. Ook vragen zij welke risico’s de regering ziet, dat zulke casussen
voorkomen. Is dit in de risico-inventarisatie meegenomen?
Geïnventariseerde risico’s: het uitlenen van inlogmiddelen en gebruik privételefoon
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben aanvullende vragen over het gebruik
van privételefoons als inlogmiddel door zorgmedewerkers. Zij zien een cyberveiligheidsrisico
door zorgdomeinen waarin (nog) geen of weinig gebruik wordt gemaakt van zakelijke
telefoons. Hierbij benadrukken deze leden dat de uitbreiding van de verplichting om
veilig in te loggen naar schatting 1,5 miljoen medewerkers in de zorg zal raken, ten
opzichte van de ca. 90.000 die momenteel gebruik maken van een UZI-pas. Met welke
zekerheid kan de regering zeggen dat alle 1,5 miljoen medewerkers over een zakelijke
telefoon (zullen) beschikken zodra de wet van kracht gaat? Kan worden ingeschat of
berekend welk aandeel van deze medewerkers momenteel niet over een zakelijke telefoon
beschikt? Genoemde leden doen een beroep op de regering om in goed overleg met verschillende
zorgdomeinen dit risico nader uit te werken en te bezien hoe het gebruik van zakelijke
telefoons zo veel mogelijk gefaciliteerd kan worden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn eveneens bezorgd over de randgevallen
met betrekking tot zakelijk telefoongebruik in de zorg. Zij denken bijvoorbeeld aan
medewerkers met meerdere werkgevers, waarvan mogelijk verwacht wordt dat zij meerdere
werktelefoons tot hun beschikking krijgen. Deze leden vragen daarom aan de regering
om samen met zorgmedewerkers en – werkgevers heldere richtlijnen op te stellen voor
het gebruiken van zakelijke telefoons. Hierin moet ook duidelijk worden hoe werkgevers
verwacht worden te voldoen aan de verwachting dat zij alle relevante medewerkers zullen
voorzien van een zakelijke telefoon. Ook zijn genoemde leden benieuwd of, en zo ja
hoe, de verwachting dat zorgaanbieders zakelijke telefoons ter beschikking stellen
zijn meegerekend in de verwachte uitvoeringskosten van dit wetsvoorstel. Is hiervoor
een impactanalyse opgesteld? Zo nee, is de regering bereid om alsnog een impactanalyse
uit te voeren in samenwerking met de zorgaanbieders? Hierbij vragen zij tevens om
expliciet stil te staan bij het gebruiken van een zakelijke telefoon door zzp’ers
in de zorg.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben bovendien nog vragen over het beheer
van zakelijke- en privételefoons om te kunnen voldoen aan het wetsvoorstel. Zij schetsen
de situatie waarin een zorgmedewerker een privéwallet, gekoppeld aan de eigen EU Digital
Identity Wallet bijvoorbeeld, gebruikt op de zakelijke telefoon. Als deze telefoon
in beheer is van de werkgever, treden er dan geen privacyrisico’s op? Deze leden vragen
om nader toe te lichten hoe de privacy van zorgmedewerkers die een privéwallet gebruiken
om zich te identificeren wordt gewaarborgd op zakelijke telefoons. Zij wijzen op het
maken van aanvullende afspraken, die zien op het gebruik van privé en zakelijke telefoons,
met de zorgsector als mogelijke oplossing.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen erop dat DigiD voor bepaalde zorghandelingen
niet geschikt is. Zorgspecifieke inlogmiddelen, bijvoorbeeld voor het digitaal tekenen
van recepten, worden door Qualified Trust Service Partners (QTSP’s) gedaan. Genoemde
leden vragen of de jaarlijkse kosten die worden gemaakt door een QTSP gelijk, of hoger,
kunnen uitvallen dan de kosten voor een UZI-pas. Zo lezen deze leden in de beantwoording
op hun vragen dat er een stimuleringsregeling van twee jaar wordt voorzien door de
overheid om aanschafkosten van nieuwe inlogmiddelen te verlichten. Ten eerste vragen
zij om hoe veel geld dit gaat, gezien de veel grotere scope dan het gebruik van UZI-passen.
Ten tweede vragen zij of er na die periode van twee jaar structurele compensatie wordt
verzorgd. Ten derde vragen zij hoe de regering de rol van marktwerking voor zich ziet
om kosten verder te drukken, in relatie tot de kosten voor compliance van QTSP’s.
Overheid
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen over de gebruiksvriendelijkheid
van de nieuwe werkprocessen. De UZI-pas kent problemen met toegankelijkheid, waardoor
het niet makkelijk te gebruiken is in alle werkprocessen. Deze leden krijgen signalen
dat QTSP’s voornamelijk met nieuwe insteekpassen zullen komen. Daarom vragen zij de
regering hoe voorkomen gaat worden dat de nieuwe zorgspecifieke inlogmiddelen niet
dezelfde gebruiksproblemen krijgt als de UZI-pas. Welke problemen ziet de regering
met de gebruiksvriendelijkheid van de UZI-pas en hoe gaat de regering deze specifiek
wegnemen?
Burgers
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten grote waarde aan het inzagerecht van
patiënten in hun gegevens. In de beantwoording wordt aangegeven dat onderzocht wordt
of de EHDS-verordening aanvullende mogelijkheden biedt om burgers meer regie te geven
op hun recht op inzage. Daarover vragen deze leden wat de doel en de scope van het
onderzoek is, en welke ideeën de regering zelf heeft op het versterken van het inzagerecht.
Werkbare invoering in de praktijk
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie steunen het doel van een lagere administratieve
werkdruk in de zorg van harte. Echter hebben zij vragen over de ervaringen die zijn
opgedaan met praktijkproeven, waaronder met het gebruiken van DigiD in het kader van
het Nationaal Contactpunt voor eHealth (NCPeH). Deze leden bereiken signalen dat hier
uit voort kwam dat medewerkers zich voor elke patiënt opnieuw moesten authentiseren,
in plaats van dat dit dagelijks gebeurt zoals geschetst in antwoord op vragen van
deze fractieleden onder onderdeel 2.2. Genoemde leden vragen de regering te bevestigen
dat zorgmedewerkers zich inderdaad slechts één keer per dagen hoeven te authentiseren
via DigiD. Als dit niet waar blijkt, vragen deze leden om te onderbouwen dat er bij
een nieuwe authenticatie voor iedere patiënt die wordt behandeld inderdaad sprake
is van een significante verminderen van administratieve lasten.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben dezelfde vraag over het zetten van
een digitale handtekening, bijvoorbeeld voor recepten en consulten. Dit zijn handelingen
die doorgaans meerdere keren per dag worden uitgevoerd. Zij vragen dan ook hoe er
wordt voorkomen dat er een forse toename van administratieve lasten plaatsvindt voor
handelingen die door de dag heen vaker worden uitgevoerd.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden de regering te weinig concreet over
de implementatie op de BES-eilanden. Genoemde leden benadrukken dat het doel moet
zijn om een gelijkwaardige bescherming van persoons- en patiëntgegevens te bereiken
in heel het Koninkrijk. Daarom vragen zij om nader toe te lichten welke verkenning
voor de implementatie op de BES-eilanden er nu plaatsvindt. Op welke termijn is deze
afgerond en wat gaat de regering doen als blijkt dat er aanvullende maatregelen nodig
zijn om het Dezi-stelsel op de BES-eilanden in te voeren? Vraagt dit mogelijk aanpassingen
van dit wetsvoorstel?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie danken de regering voor de antwoorden op de gestelde vragen
in de nota naar aanleiding van het verslag en hebben met interesse kennisgenomen van
de beide nota’s van wijzigingen. Deze leden maken van de gelegenheid gebruik om nog
enkele vragen te stellen. Over de tweede nota van wijziging hebben deze leden geen
vragen.
Nota naar aanleiding van het verslag
De leden van de CDA-fractie hebben nog enkele vragen over het belang van strategische
autonomie en de nationale veiligheid en de mate van keuzevrijheid bij het gebruik
van inlogmiddelen. Deze leden lezen dat dit wetsvoorstel geen mogelijkheid biedt om
nadere eisen te stellen op het gebied van strategische autonomie en de nationale veiligheid,
en dat dit al geregeld is via het Europese en nationale toezicht. Deze leden begrijpen
dat dit waarborgen biedt, maar vragen of dit voldoende is, zeker gezien de actuele
(geopolitieke) ontwikkelingen. Genoemde leden vragen of de regering deelt dat de actuele
ontwikkelingen, ook de ontwikkelingen rondom de overname van DigiD, laten zien dat
het cruciaal is dat we controle hebben over onze eigen IT-infrastructuur, zeker in
de zorg. Deze leden vragen of de regering het verstandig acht dat er tenminste één
of enkele inlogmiddelen zijn die volledig in Europese handen zijn, en waarvan de regering
het gebruik kan stimuleren. Zo ja, dan vragen deze leden hoe de regering hieraan wil
werken.
De leden van de CDA-fractie hebben vragen gesteld over de mate van keuzevrijheid die
het wetsvoorstel biedt als het gaat om de keuze voor inlogmiddelen. Zij lezen dat
de regering beperking van het aantal inlogmiddelen niet vindt passen bij het karakter
van een open markt en het belang van innovatie. Genoemde leden vragen of de regering
kan aangeven waarom bij een inlogmiddel als DigiD dan wel is gekozen voor één middel
en bij eHerkenning voor een aantal erkende leveranciers, terwijl de zorg net zo goed
van groot publiek belang is. Deze leden vragen of de regering heeft overwogen om een
aantal erkende leveranciers aan te wijzen, zodat de veiligheid en betrouwbaarheid
goed geborgd is en voorkomen wordt dat een wildgroei aan inlogmiddelen ontstaat.
Nota van wijziging: Onderdelen G en H
De leden van de CDA-fractie vragen waarom de gefaseerde inwerkingtreding aangepast
is, zodat enkele onderdelen in werking treden op 1 januari 2031. Deze leden constateren
dat het hiermee nog vijf jaar duurt voordat het verplicht wordt om goedgekeurde inlogmiddelen
te gebruiken, en vragen wat eerst de voorgenomen datum was. Genoemde leden vragen
ook of het niet verstandiger is deze datum naar voren te halen, zodat sneller kan
worden geborgd dat in de hele zorg gebruik wordt gemaakt van goedgekeurde inlogmiddelen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Wijziging van de Wet aanvullende
bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg en de Jeugdwet in verband met digitale
identificatie en authenticatie in de zorg. Deze leden hebben hierover de volgende
vragen aan de regering.
De leden van de BBB-fractie waarderen het belang van veilige toegang tot cliëntgegevens,
maar constateren dat het wetsvoorstel zeer ingrijpende verplichtingen oplegt aan zorgaanbieders,
grote administratieve veranderingen met zich meebrengt en forse kosten en technische
randvoorwaarden neerlegt bij een sector die al onder grote druk staat.
Genoemde leden constateren dat het wetsvoorstel uitgaat van een verplicht centraal
Dezi-register, waarin naar verwachting meer dan 1,5 miljoen zorgmedewerkers moeten
worden opgenomen. Ook worden uitsluitend digitale inlogmiddelen met het hoogste betrouwbaarheidsniveau
verplicht gesteld. De leden vragen in hoeverre de gevolgen voor kleine zorgaanbieders,
zoals zelfstandige praktijken, wijkzorgteams en kleinschalige jeugdhulpaanbieders,
realistisch zijn ingeschat. Welke uitvoeringsproblemen verwacht de regering specifiek
bij kleinere zorgaanbieders, en welke ondersteuning komt beschikbaar om deze verplichtingen
haalbaar te maken? Kan inzichtelijk worden gemaakt welke eenmalige en structurele
kosten kleine zorgaanbieders moeten maken om aan dit systeem te voldoen? Hoe voorkomt
de regering dat aanbieders afhaken of stoppen omdat deze ICT-verplichtingen voor hen
niet uitvoerbaar of betaalbaar zijn?
De leden van de BBB-fractie constateren dat het wetsvoorstel een gefaseerde verplichtstelling
kent, maar dat nota’s van wijziging meerdere keren de overgangsdata wijzigen, wat
leidt tot onduidelijkheid. Genoemde leden vragen waarom het overgangsrecht zo vaak
aangepast moet worden en of dit duidt op onvoldoende voorbereiding of technische problemen.
Wat verklaart dat binnen één jaar meerdere malen de einddatum van de overgangsperiode
moest worden gecorrigeerd? Kan de regering garanderen dat de sector tijdig beschikt
over voldoende goedgekeurde inlogmiddelen voordat verplichtingen ingaan? Hoe wordt
voorkomen dat zorgaanbieders halverwege moeten overstappen omdat eerdere planning
onrealistisch bleek?
De leden van de BBB-fractie constateren dat het wetsvoorstel sterk leunt op technische
inlogmiddelen die nog niet bestaan of nog in ontwikkeling zijn. Daarmee wordt de sector
verplicht om zich aan te passen aan toekomstige ICT-oplossingen zonder vooraf inzicht
in beschikbaarheid, kosten, gebruiksvriendelijkheid of interoperabiliteit. Is de regering
bereid een risicoanalyse te delen over het scenario waarin goedgekeurde inlogmiddelen
niet tijdig beschikbaar zijn? Hoe beoordeelt de regering de afhankelijkheid van commerciële
leveranciers en certificerende instanties bij de uitvoering van een wettelijke verplichting?
Waarom is niet gekozen voor een publieke oplossing die garant staat voor continuïteit,
in plaats van afhankelijkheid van marktpartijen?
Tot slot merken de leden van de BBB-fractie op dat het wetsvoorstel gepaard gaat met
een verplichting voor uitsluitend digitale communicatie met het register. Genoemde
leden vragen of dit proportioneel is voor grote aantallen kleinere zorgaanbieders,
zeker in regio’s waar digitale infrastructuur of digitale vaardigheden beperkt zijn.
Hoe beoordeelt de regering de uitvoerbaarheid voor zorgaanbieders in krimpregio’s,
waar digitale aansluiting problematischer is en digitale systemen vaker falen? Is
de regering bereid uitzonderingen te overwegen voor partijen met beperkte ICT-capaciteit?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
en van de nota naar aanleiding van het verslag. Zij hebben hierover op dit moment
nog een enkele vraag.
Nota naar aanleiding van het verslag: 2.3 Identificatie en authenticatie voor toegang
tot cliëntgegevens
De leden van de SGP-fractie sluiten zich aan bij de vragen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
over het risico dat continuïteit in de zorg afhankelijk wordt van niet-Europese IT-bedrijven.
Zij lezen in de beantwoording dat er alleen gebruik zal worden gemaakt van door Nederland
erkende en/of onder Europees toezicht staande inlogmiddelen, zodat de continuïteit
in de zorg in geen enkel geval volledig afhankelijk wordt van niet-Europese Tech leveranciers.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering of het niet wenselijker is om vanuit
het perspectief van strategische autonomie regelgeving op dit punt aan te scherpen
zodat alleen gebruik kan worden gemaakt van software van bedrijven die daadwerkelijk
in Nederland of in Europa gevestigd zijn. Zij vragen de regering hierop te reflecteren,
waarbij in ieder geval ingegaan wordt op de juridische mogelijkheden hiertoe.
Kan de regering aangeven in hoeverre we ten aanzien van inlogmiddelen op dit moment
afhankelijk zijn van niet-Europese marktpartijen? In bredere zin vragen de leden van
de SGP-fractie of er door de regering gewerkt aan het in kaart brengen van de afhankelijkheid
van niet-Europese bedrijven als het gaat om kritieke functies in de zorg?
De fungerend voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Sjerp
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
E.M. Sjerp, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.