Brief commissie : Brief van de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing over een advies over het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter bestendiging van de bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken
36 859 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter bestendiging van de bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken
Nr. 9 BRIEF VAN DE TIJDELIJKE COMMISSIE GRONDRECHTEN EN CONSTITUTIONELE TOETSING
Aan de Leden
Den Haag, 22 januari 2026
De tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing (hierna: de tijdelijke
commissie) heeft tijdens haar procedurevergadering van 4 december 2025 besloten, gelet
op het dictum en het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna:
de Raad van State), een adviestraject te starten voor het wetsvoorstel Wijziging van
de Vreemdelingenwet 2000 ter bestendiging van de bevoegdheid om biometrische gegevens
van vreemdelingen af te nemen en te verwerken (36 859). De vaste commissie voor Asiel en Migratie (A&M) is hierover geïnformeerd met een
brief van 4 december (2025D50032). Hierbij biedt de tijdelijke commissie haar advies aan.
Inhoud wetsvoorstel
Momenteel worden er op basis van een tijdelijke wettelijke bevoegdheid biometrische
gegevens van vreemdelingen verwerkt. Het gaat om tien vingerafdrukken en een gezichtsopname.
Deze gegevens worden primair gebruikt voor het identificeren of verifiëren van de
identiteit van vreemdelingen binnen de vreemdelingenketen. Secundair kunnen de gegevens
voor een aantal andere doeleinden beschikbaar worden gesteld, waaronder de opsporing
en vervolging van strafbare feiten.
De tijdelijke bevoegdheid is een aanvulling op het Europees recht: wanneer het op
grond van Europese regelgeving niet mogelijk is biometrische gegevens te verwerken
of dit alleen in beperktere mate kan, wordt gebruik gemaakt van de nationale bepaling.
De tijdelijke bevoegdheid verloopt op 1 maart 2026. In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld
de tijdelijke (aanvullende) nationale bevoegdheid permanent te maken.
Bredere context
De tijdelijke nationale bevoegdheid bestaat sinds 2014. Op dat moment kon er onvoldoende
gebruikt worden gemaakt van biometrische gegevens om de identiteit van vreemdelingen
vast te stellen of verifiëren.1 Het Europees recht voorzag al in enige regelgeving en er werd gewerkt aan aanvullende
regelgeving.2 De nationale bevoegdheid zou daarom aanvullend op deze (bestaande en nieuwe) Europese
regelgeving gelden. Op basis van evaluaties zou verdere besluitvorming plaatsvinden
over het verlengen of permanent maken van de aanvullende nationale bevoegdheid.3
De afgelopen jaren is er op basis van twee evaluaties besloten de nationale bevoegdheid
(opnieuw) voor een tijdelijke periode te verlengen.4 Omdat het Europees recht zich in de tussentijd verder ontwikkelde, werd in 2021 besloten
dat deze ontwikkelingen nadrukkelijk zouden moeten worden meegenomen in de derde evaluatie.
Op basis hiervan zou dan (definitieve) besluitvorming kunnen plaatsvinden over de
toegevoegde waarde van de aanvullende nationale bevoegdheid. Op 26 juli 2024 is dit
derde en meest recente evaluatierapport verschenen. Mede op basis van dit evaluatierapport
stelt de regering nu voor om de tijdelijke nationale bevoegdheid permanent te maken.
Grondrechtelijke en constitutionele aspecten
Het wetsvoorstel creëert een (permanente) nationale wettelijke grondslag voor de verwerking
van biometrische gegevens van vreemdelingen. De tijdelijke commissie merkt op dat
het wetsvoorstel hierdoor raakt aan het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het recht op bescherming van persoonsgegevens. Deze rechten zijn neergelegd in Artikel 10 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 7 en 8 van het Handvest van
de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Ten aanzien van het recht op bescherming
van persoonsgegevens geldt bovendien dat hiervoor (nadere) regels zijn uitgewerkt
in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Richtlijn politiële en
justitiële gegevens (de Richtlijn).
De noodzaak van een nationale bevoegdheid naast Europese wetgeving
Omdat de verwerking van biometrische gegevens een inmenging in het recht op de bescherming
van de persoonlijke levenssfeer met zich brengt, dient de noodzaak en proportionaliteit
van deze nationale bevoegdheid dragend te worden onderbouwd. Uit artikel 9 van de
AVG volgt bovendien dat het in beginsel verboden is om bijzondere persoonsgegevens
– zoals biometrische gegevens – te verwerken, tenzij hiervoor zwaarwegende redenen
bestaan. Tegen deze achtergrond vraagt de Raad van State zich af in hoeverre het noodzakelijk
is de tijdelijke nationale bevoegdheid nu permanent te maken, aangezien er zich sinds
de invoering van deze bevoegdheid in 2014 vele ontwikkelingen in het Europees recht
hebben voorgedaan. Hierdoor zijn er nieuwe mogelijkheden ontstaan om op basis van
Europees recht biometrische gegevens van vreemdelingen te verwerken.
De Raad van State merkt op dat de verwachte verdere ontwikkeling van het Europees
recht in 20215 nog een reden was om af te zien van het invoeren van een permanente nationale bevoegdheid
en juist te kiezen voor (opnieuw) een tijdelijke bevoegdheid. Sinds die tijd heeft
het Europees recht zich nog verder ontwikkeld. De Raad van State noemt in dit kader
de Eurodac-verordening6: op grond hiervan houden de EU-lidstaten een database met gegevens van asielzoekers
bij. Met ingang van 12 juni 2026 mogen deze gegevens ook voor aanvullende doeleinden
worden gebruikt, waaronder het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische
of andere ernstige strafbare feiten. Ook wordt het mogelijk om behalve vingerafdrukken
ook gezichtsopnames op te slaan.
Wanneer een situatie onder de reikwijde van een Europese verordening valt, kan worden
beargumenteerd dat de Europese wetgever al heeft bepaald welke gegevensverwerkingen
voldoende zijn. Dit roept de vraag op in hoeverre een permanente aanvullende nationale
bevoegdheid – gezien de huidige stand van het Europees recht – nu nog noodzakelijk
is. In de memorie van toelichting wordt hieraan volgens de Raad van State nog onvoldoende
aandacht aan besteed. Er wordt daarom geadviseerd de noodzaak van een permanente (aanvullende)
nationale bevoegdheid nader te motiveren in het licht van de al bestaande Europese
verordeningen en het wetsvoorstel zo nodig aan te passen. Hierbij wordt geadviseerd
in het bijzonder aandacht te besteden aan artikel 9 van de AVG, omdat daaruit volgt
dat biometrische gegevens in beginsel niet mogen worden verwerkt.
In reactie op het advies van de Raad van State heeft de regering de memorie van toelichting
aangevuld met een nadere onderbouwing van de noodzaak van het wetsvoorstel en de verhouding
tot de AVG. In dit kader benadrukt de regering dat het gebruik van biometrische gegevens
noodzakelijk is voor een zorgvuldige en eenduidige vaststelling van de identiteit
van vreemdelingen in de gehele vreemdelingenketen. Dit wordt essentieel geacht voor
de integriteit van het toelatingsproces en het voorkomen van potentiële fraude en
administratieve onregelmatigheden. Het gaat dan bijvoorbeeld om identiteitsfraude,
documentvervalsing en identiteitsdiefstal. De verwerking van biometrische gegevens
dient hiermee volgens de regering een dringend maatschappelijk belang. De regering
merkt op dat er bovendien geen alternatieve, minder ingrijpende maatregelen zijn waarmee
dit maatschappelijke belang op een gelijkwaardige manier kan worden behartigd. Ook
wijst de regering op het bestaan van Europese jurisprudentie, waaruit volgt dat een
nationale regeling voor het afnemen van biometrische gegevens gerechtvaardigd kan
zijn om identiteits- en documentfraude te voorkomen en bestrijden.7
Ook uit de derde evaluatie blijkt volgens de regering de noodzaak van het wetsvoorstel.
Omdat er geen nulmeting is uitgevoerd, kan de toegevoegde waarde van de aanvullende
nationale bevoegdheid ook in deze meest recente evaluatie weliswaar niet kwantitatief
worden onderbouwd, maar uit de evaluatie blijkt dat de ketenpartners in de vreemdelingenketen
unaniem en zonder twijfel betogen dat het gebruik van biometrie in het algemeen van
grote toegevoegde waarde is.8 Het gebruik van biometrie is in veel gevallen het enige sluitende en haalbare middel
om te borgen dat de registratie van de identiteit van migranten goed verloopt en vrijwel
alle processen zouden zonder biometrie veel minder doelmatig kunnen worden uitgevoerd,
aldus de ketenpartners.9
Wat betreft de verhouding van het wetsvoorstel tot het Europees recht, merkt de regering
op dat er op basis van Europese verordeningen inderdaad ook biometrische gegevens
van vreemdelingen kunnen worden verwerkt. Voor sommige processen in de vreemdelingenketen
is de nationale aanvullende bevoegdheid dan ook niet noodzakelijk. Dit geldt echter
niet voor alle processen: er zijn ook processen waarvoor het Europees recht niet voorziet
in een juridische grondslag. In die gevallen is de aanvullende nationale bevoegdheid
essentieel om alsnog biometrische gegevens te kunnen verwerken.10 Ook zijn er processen waarvoor geldt dat er in Europese verordeningen andere voorwaarden
worden gesteld aan de verwerking van biometrische gegevens. Het kan bijvoorbeeld zijn
dat er op grond van een Europese verordening minder biometrische gegevens kunnen worden
verwerkt, of dat deze gegevens alleen voor specifieke doeleinden kunnen worden verwerkt.11 In die gevallen maakt de nationale aanvullende bevoegdheid het alsnog mogelijk dat
er tien vingerafdrukken en een gezichtsscan kunnen worden verwerkt. In die aanvullende
werking ligt volgens de regering een belangrijke toegevoegde waarde van de nationale
bevoegdheid: hierdoor kunnen in alle processen dezelfde biometrische gegevens worden verwerkt, wat de uniformiteit en
consistentie van het werk in de vreemdelingenketen ten goede komt.12
De tijdelijke commissie merkt op dat de regering – naar aanleiding van het advies
van de Raad van State – de memorie van toelichting heeft aangevuld met een verdere
onderbouwing van de noodzaak van het wetsvoorstel en de verhouding tot (artikel 9
van) de AVG. Ook constateert de tijdelijke commissie dat uit de derde evaluatie volgt
dat het gebruik van biometrische gegevens in de vreemdelingenketen als waardevol wordt
ervaren.13 Ook de Adviesraad Migratie onderstreept het nut van de verwerking van biometrische
gegevens in de vreemdelingenketen.14 Vanwege het ontbreken van een nulmeting, kan hiervoor echter geen kwantitatieve onderbouwing
worden gegeven.15 Omdat dit gebrek niet meer kan worden hersteld, wordt in het evaluatierapport opgemerkt
dat het uiteindelijk een politieke keuze is of de aanvullende nationale bevoegdheid
van belang wordt geacht voor een goede werking van de Vreemdelingenwet.16 De tijdelijke commissie merkt op dat het bij het maken van die keuze – zoals eveneens
in het evaluatierapport wordt onderstreept – van belang is om kritisch te kijken naar
de verhouding tot het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
De tijdelijke commissie benadrukt dat juist bij het wegen van de verhouding van het
wetsvoorstel tot het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de relatie
van de nationale aanvullende bevoegdheid tot het Europees recht een rol speelt. Wanneer
de Europese wetgever (ook) keuzes heeft gemaakt over de noodzaak van de verwerking
van biometrische gegevens van vreemdelingen, raakt dit ook aan de onderbouwing van
de noodzaak van de nationale bevoegdheid. De nationale aanvullende bevoegdheid is
volgens de regering nodig, omdat er hierdoor in alle processen in de vreemdelingenketen dezelfde biometrische gegevens – tien vingerafdrukken
en een gezichtsopname – kunnen worden verwerkt. Dit geldt ook voor situaties waarin
het op grond van Europees recht niet of beperkt mogelijk is om deze biometrische gegevens
te verwerken. Het zijn juist die situaties ten aanzien waarvan de Raad van State de
vraag oproept of niet kan worden beargumenteerd dat de Europese wetgever al (uitputtend)
heeft bepaald welke gegevenswerkingen voldoende zijn. Ook de Autoriteit Persoonsgegevens
wijst hierop en stelt dat er een gebrek aan noodzaak is, nu Europese wetgeving in
veel gevallen al in geharmoniseerde regels voorziet of gaat voorzien.17
De tijdelijke commissie merkt op dat uit de evaluatie volgt dat Nederland met de tijdelijke
nationale bevoegdheid om biometrische gegevens te verwerken ooit een voortrekkersrol
vervulde. Door de ontwikkelingen in het Europees recht wordt deze rol nu verruild
voor die van vangnet voor situaties waarin er volgens het Europees recht geen tien
vingerafdrukken en een gezichtsopname kunnen worden afgenomen.18 Hierdoor zijn er in de praktijk verschillende situaties denkbaar: situaties waarin
er geen Europese regels gelden, situaties waarin er op grond van Europees recht andere regels gelden (wanneer er bijvoorbeeld minder gegevens mogen worden verwerkt) en
deze regels niet uitputtend zijn bedoeld en tot slot situaties waarin er volgens het
Europees recht is gekozen om een uitputtende regeling te treffen (hetzij om een gegevensverwerkingen juist wel, niet, of alleen onder specifieke
voorwaarden toe te staan).19
Wanneer er in de onderbouwing van de noodzaak van de aanvullende nationale bevoegdheid
een onderscheid zou worden gemaakt tussen deze verschillende mogelijke situaties – en
daarbij zou worden geconcretiseerd in welke situaties de aanvullende bevoegdheid wordt
ingezet en waarom dit noodzakelijk is – wordt het voor de Kamer mogelijk een zorgvuldige
afweging over de noodzaak van een permanente nationale bevoegdheid in aanvulling op
het Europees recht te maken. Uit de memorie van toelichting en het nader rapport volgt
deze informatie nog niet.
De tijdelijke commissie adviseert de leden om de regering te verzoeken om de onderbouwing
van de noodzaak van het wetsvoorstel aan te vullen met een nadere reflectie op de
verhouding met het Europees recht, waarin ook regels zijn vastgelegd voor de verwerking
van biometrische gegevens van vreemdelingen.
De tijdelijke commissie adviseert de leden om de regering te verzoeken om in deze
onderbouwing onderscheid te maken tussen situaties waarvoor de Europese wetgever al
uitputtende regels heeft vastgelegd, situaties waarvoor de Europese wetgever (nog)
geen regels heeft gesteld en situaties waarvoor de Europese wetgever heeft voorzien
in beperkte(re) mogelijkheden voor het verwerken van biometrische gegevens. De tijdelijke
commissie geeft de leden in overweging om ook de ketenpartners uit het vreemdelingendomein
hierover te bevragen, bijvoorbeeld in de vorm van een technische briefing.
Het opsporen en vervolgen van strafbare feiten: de CATCH-vreemdelingen database
Naast het identificeren en verifiëren van de identiteit van vreemdelingen, kunnen
biometrische gegevens van vreemdelingen secundair beschikbaar worden gesteld voor
de opsporing en vervolging van strafbare feiten.20 Dit gebeurt in de praktijk door gegevens van alle vreemdelingen op te nemen in de
CATCH21-vreemdelingen database. In deze database worden – onder verantwoordelijkheid van
de Minister van Asiel en Migratie – door de politie de biometrische waarden van de
gezichtsopnamen berekend en toegevoegd.22 Dit maakt het mogelijk om de gegevens te vergelijken en doorzoeken. Het gaat hierbij
om gegevens van alle vreemdelingen: zo wordt er niet gedifferentieerd op het bestaan
van een eventueel crimineel verleden. Voor de verwerking van biometrische gegevens
van Nederlanders en andere Europese burgers gelden er striktere voorwaarden.
Biometrische gegevens mogen volgens de AVG alleen onder strikte voorwaarden worden
verwerkt omdat deze gegevens gelden als «bijzondere persoonsgegevens». Deze gegevens
mogen bijvoorbeeld worden verwerkt als er sprake is van redenen van zwaarwegend algemeen
belang en hiervoor een basis in het recht bestaat. Een beroep op een zwaarwegend algemeen
belang vereist – zoals de Raad van State opmerkt – een verscherpte motivering en afweging
van de noodzaak en proportionaliteit. Ook mag een dergelijke gegevensverwerking niet
verder gaan dan noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken. Dit volgt uit het
vereiste van minimale gegevensverwerking, dat is opgenomen in de AVG.
Volgens de Raad van State rijst de vraag in hoeverre de huidige werkwijze in de CATCH-vreemdelingen
database aan deze voorwaarden voldoet. In de Vreemdelingenwet is weliswaar een grondslag
opgenomen voor het beschikbaar stellen van biometrische gegevens van vreemdelingen voor het opsporen en vervolgen van strafbare
feiten, maar hieruit volgt volgens de Raad van State niet zonder meer dat de gezichtsopnamen
van alle vreemdelingen – zonder een daaraan voorafgaand individueel verzoek – mogen worden
opgenomen in de CATCH-vreemdelingen database. De Raad van State wijst erop dat uit de parlementaire
geschiedenis blijkt dat bij de totstandkoming van dit wetsartikel in de eerste plaats
werd gedacht aan individuele verstrekkingen.23 Mocht de regering dit anders zien, dan is het volgens de Raad van State raadzaam
om de toelichting bij het huidige wetsvoorstel hierop aan te vullen, zodat hierover
een parlementair debat kan worden gevoerd. In dit licht adviseert de Raad van State
om toe te lichten op basis van welke juridische grondslag het kopiëren van gegevens
van alle vreemdelingen naar de CATCH-vreemdelingen database plaatsvindt, en de noodzaak
daarvan dragend te motiveren. Wanneer dit niet mogelijk is, adviseert de Raad van
State de verwerking in deze vorm aan te passen of stop te zetten.
In reactie op het advies van de Raad van State is de regering een verkenning gestart
naar de juridische inbedding van de CATCH-vreemdelingen database. Uitgangspunt is
volgens de regering dat de verwerking in lijn moet zijn met de AVG. Per brief van
17 december 2025 heeft de regering de Kamer geïnformeerd over de laatste stand van
zaken rondom deze verkenning. De tijdelijke commissie constateert dat de regering
in deze brief aangeeft dat het huidig wettelijk kader niet voorziet in de benodigde
juridische grondslag. Volgens de regering bestaat er weliswaar een grondslag voor
het verstrekken van biometrische gegevens van vreemdelingen ten behoeve van de opsporing
en vervolging van strafbare feiten, maar voldoet de huidige werkwijze – waarin gegevens
van alle vreemdelingen naar de CATCH-vreemdelingen database worden gekopieerd – niet aan de
eisen van proportionaliteit en noodzakelijkheid.24 Dit betekent dat het plaatsen van gegevens van vreemdelingen in de CATCH-vreemdelingen
database op dit moment op onrechtmatige wijze gebeurt.25
In de brief aan de Kamer geeft de regering aan dat de verkenning in de eerste plaats
is gericht op het vinden van een technische oplossing. Wanneer het – kort samengevat
– mogelijk zou zijn om in individuele gevallen een zoekopdracht uit te voeren voor
het opsporen en vervolgen van strafbare feiten in de bestaande database van de vreemdelingenketen26, is het niet meer nodig om de gegevens van alle vreemdelingen voor dit doel naar de afzonderlijke CATCH-vreemdelingendatabase te
kopiëren. Een dergelijke werkwijze zou – wellicht – passen binnen het huidige wettelijke
kader, in het bijzonder de eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit. De regering
verwacht de Kamer in het vierde kwartaal van 2026 te kunnen informeren over de definitieve
uitkomst van de verkenning.
De tijdelijke commissie signaleert dat de regering de huidige werkwijze in de tussenliggende
periode tot aan het vierde kwartaal van 2026 beoogt voort te zetten, zonder dat hiervoor
een wettelijke grondslag bestaat. Ook merkt de tijdelijke commissie op dat de gewijzigde
(Europese) Eurodac-verordening met ingang van 12 juni 2026 van toepassing wordt. Op
basis hiervan mogen biometrische gegevens van vreemdelingen onder bepaalde voorwaarden
ook worden gebruikt voor het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische
of andere ernstige strafbare feiten. Op dit moment is nog onduidelijk hoe deze nieuwe
Europese regels zich volgens de regering verhouden tot de (noodzaak van de) nationale
CATCH-vreemdelingendatabase, of dat hieraan aandacht zal worden besteed in de verkenning.
De tijdelijke commissie adviseert de leden om de regering te verzoeken om in de aangekondigde
verkenning aandacht te besteden aan de gewijzigde Eurodac-verordening, die met ingang
van 12 juni 2026 van toepassing wordt en ook voorziet in mogelijkheden voor het verwerken
van biometrische gegevens van vreemdelingen voor het opsporen en vervolgen van ernstige
strafbare feiten.
Ook adviseert de tijdelijke commissie de leden om de regering te vragen binnen een
kortere termijn dan het vierde kwartaal van 2026 een oplossing te vinden voor de onrechtmatige
verwerking van persoonsgegevens in de CATCH-vreemdelingendatabase, nu de regering
concludeert dat de benodigde wettelijke grondslag voor de huidige werkwijze ontbreekt.
Waarborgen in de praktijk
De Raad van State maakt tot slot nog twee opmerkingen over de waarborgen die in de
praktijk nodig zijn voor de rechtmatige verwerking van biometrische gegevens van vreemdelingen.
De eerste opmerking ziet op de voorwaarden voor het verstrekken van biometrische gegevens
aan de politie, wanneer de biometrische gegevens eenmaal in de CATCH-vreemdelingen
database zijn opgenomen. In de Vreemdelingenwet zijn hierover regels opgenomen, maar
die zien alleen op vingerafdrukken. Zo mogen vingerafdrukken uit de CATCH-vreemdelingendatabase
door de politie worden gebruikt wanneer er sprake is van (de verdenking van) een misdrijf
waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en na schriftelijke machtiging van de
rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie.27 De Raad van State merkt op dat deze wettelijke voorwaarden niet gelden voor de verstrekking
van gezichtsopnames aan de politie, terwijl dit evengoed raakt aan het recht op de
bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De Raad van State adviseert daarom de
wettelijke voorwaarden die gelden voor het gebruiken van vingerafdrukken door de politie,
ook van toepassing te verklaren op gezichtsopnames.
De tweede opmerking van de Raad van State ziet op de (tijdige) vernietiging van biometrische
gegevens, wanneer bewaren niet meer noodzakelijk is. De Raad van State merkt op dat
uit de derde evaluatie blijkt dat dit in de praktijk niet altijd goed verloopt. Het
hebben – en naleven – van bewaartermijnen is een waarborg die voortvloeit uit de AVG
en de Richtlijn politiële en justitiële gegevens. In de memorie van toelichting geeft
de regering in algemene zin aan dat de interne controlemechanismen naar aanleiding
van de evaluatie worden aangescherpt, maar de Raad van State merkt op dat niet wordt
uitgelegd welke concrete maatregelen er worden getroffen. De Raad van State adviseert
om in de toelichting te concretiseren welke maatregelen er worden genomen en om daarnaast
een evaluatiebepaling in het wetsvoorstel op te nemen. Op die manier kan worden nagegaan
of de gesignaleerde knelpunten daadwerkelijk worden opgelost.
De tijdelijke commissie constateert dat de regering naar aanleiding van de bovengenoemde
adviespunten van de Raad van State wijzigingen heeft doorgevoerd in de memorie van
toelichting en het wetsvoorstel. Zo wordt wettelijk vastgelegd dat de voorwaarden
die nu alleen gelden voor het opvragen van vingerafdrukken, ook van toepassing zijn
op het opvragen van gezichtsopnames. In de uitvoeringspraktijk werd dit al gedaan.28 Ook heeft de regering de memorie van toelichting aangevuld met een aantal concrete
maatregelen om ervoor te zorgen dat gegevens in de praktijk daadwerkelijk worden vernietigd,
en is er een evaluatiebepaling toegevoegd aan het wetsvoorstel die specifiek ziet
op de (tijdige) vernietiging van biometrische gegevens. Het rapport van die evaluatie
zal uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel aan de Kamer worden
aangeboden.
De tijdelijke commissie merkt tot slot op dat de regering de twee adviezen van de
Raad van State over waarborgen in de praktijk heeft verwerkt in het wetsvoorstel en
de memorie van toelichting.
De hiervoor genoemde punten kunnen betrokken worden bij de verdere behandeling van
het wetsvoorstel.
De voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing, Bushoff
De griffier van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing, Kling
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.J. Bushoff, voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing -
Mede ondertekenaar
Y.C. Kling, griffier
Stemmingsuitslagen
Aangenomen met handopsteken
| Fracties | Zetels | Voor/Tegen | Vergissing |
|---|---|---|---|
| D66 | 26 | Voor | |
| VVD | 22 | Voor | |
| GroenLinks-PvdA | 20 | Voor | |
| PVV | 19 | Voor | |
| CDA | 18 | Voor | |
| JA21 | 9 | Voor | |
| FVD | 7 | Voor | |
| Groep Markuszower | 7 | Voor | |
| BBB | 4 | Voor | |
| ChristenUnie | 3 | Voor | |
| DENK | 3 | Tegen | |
| PvdD | 3 | Tegen | |
| SGP | 3 | Voor | |
| SP | 3 | Voor | |
| 50PLUS | 2 | Voor | |
| Volt | 1 | Voor | Vergissing |
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.