Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag schriftelijk overleg over het Rapport 'Hospices in Nederland' (Kamerstuk 29509-97)
2026D02551 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties
behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 4 november 2025 inzake Rapport
«Hospices in Nederland» (Kamerstuk 29 509, nr. 97).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Meijerink
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
II.
Reactie van de Staatssecretaris
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het rapport
«Hospices in Nederland» en delen de zorg dat er geen langdurig zicht is op de beschikbaarheid
van hospicebedden. Hoewel het huidige aanbod in kaart is gebracht, is dit slechts
een momentopname en blijkt dat structurele monitoring van wachtlijsten momenteel te
versnipperd is. Daardoor blijft de werkelijke onvervulde vraag onzichtbaar. Gezien
de prognose dat er tot 2040 naar verwachting 200 tot 450 extra hospicebedden nodig
zijn, vragen deze leden welke concrete maatregelen de Staatssecretaris overweegt om
de bedbezetting, wachtlijsten en onderliggende factoren structureel te monitoren.
De leden van de D66-fractie willen weten hoe en door wie wordt gewaarborgd dat het
aanbod blijft aansluiten bij de groeiende vraag.
De leden van de D66-fractie vernemen dat er een specifieke groep mensen is die redelijkerwijs
niet thuis kan overlijden, maar die geen 24-uurs aanwezigheid van formele zorg nodig
heeft. De leden van de D66-fractie maken zich zorgen dat de omvang van deze groep
momenteel onbekend is en dat nader onderzoek noodzakelijk is om de behoefte aan dit
type «informele bedden» vast te stellen. Het gaat hierbij vaak om kwetsbare mensen
met een zwak informeel netwerk of een ongeschikte thuissituatie. Welke stappen gaat
de Staatssecretaris ondernemen om deze specifieke zorgvraag in kaart te brengen en
te borgen dat ook voor deze groep voldoende capaciteit beschikbaar blijft in het sociaal
domein?
De leden van de D66-fractie wijzen op de conclusie dat de grote variëteit aan organisatie-
en bekostigingsvormen leidt tot een gebrek aan transparantie voor zowel de zorgvrager
als de verwijzer. Voor cliënten is het vaak onduidelijk voor welke vorm en kwaliteit
van zorg zij kiezen, waarbij de keuze nu vaak gebaseerd wordt op nabijheid in plaats
van de best passende zorg. De leden van de D66-fractie ondersteunen het advies om
een duidelijk onderscheid te maken tussen hospices met een formele zorgfunctie en
hospices die fungeren als alternatieve verblijfplaats met informele zorg. Zij vragen
op welke wijze de Staatssecretaris de sector gaat ondersteunen om in de komende vijf
jaar toe te groeien naar dit meer eenduidige landschap.
De leden van de D66-fractie lezen dat de hoogte van de eigen bijdrage voor cliënten
momenteel sterk varieert zonder dat dit goed uitlegbaar is vanuit de zorgvraag. Het
huidige model, waarbij de mate van financiële bijdrage afhankelijk is van de organisatievorm
van het hospice in plaats van de indicatie van de cliënt, is volgens deze leden op
de lange termijn niet houdbaar. Zij vragen de Staatssecretaris om met voorstel te
komen voor duidelijke, uitlegbare afspraken over eigen bijdragen, zodat de financiële
consequenties van een hospice voor de burger voorspelbaar en rechtvaardig zijn.
De leden van de D66-fractie merken op dat de huidige bekostigingsstructuur een lappendeken
is die hospices weinig zekerheid biedt voor investeringen op de lange termijn. Veel
hospices zijn afhankelijk van tijdelijke VWS-subsidies die eind 2026 aflopen, wat
risico’s met zich meebrengt voor de continuïteit en noodzakelijke opschaling. Deze
leden vragen hoe de Staatssecretaris invulling gaat geven aan een stabieler financieringskader
dat hen in staat stelt om met vertrouwen te bouwen aan de benodigde extra capaciteit
voor 2040.
Ook vragen deze leden de Staatssecretaris hoe beter kan worden bepaald wanneer zorg
in de thuissituatie nog passend en verantwoord is, en wanneer een hospice een betere
plek biedt in de laatste levensfase. Zij zijn daarbij benieuwd hoe de voorgenomen
afspraken voor 2025 kunnen helpen om deze afweging zorgvuldiger en duidelijker te
maken. Ook vragen zij welke mogelijkheden er zijn om mensen die dat wensen beter te
ondersteunen bij het sterven thuis, samen met mantelzorgers en in de eigen omgeving.
Tot slot willen deze leden inzicht in hoe wordt gekeken naar de balans tussen de wens
om thuis te overlijden en de beschikbaarheid van hospices als alternatief, temeer
omdat uit het rapport blijkt dat nog onvoldoende zicht bestaat op de groep mensen
voor wie een sociale indicatie doorslaggevend is en dat nader onderzoek nodig is.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het rapport «Hospices
in Nederland». Zij benadrukken het belang van hospices als onderdeel van de palliatieve
zorg. Mensen moeten in hun laatste levensfase kunnen rekenen op goede, respectvolle
zorg, met aandacht voor comfort, pijnbestrijding en persoonlijke wensen. Zo zorgen
we voor een waardig levenseinde. De VVD hecht veel waarde aan keuzevrijheid: mensen
moeten kunnen kiezen waar zij de laatste fase van hun leven doorbrengen, bijvoorbeeld
thuis, in een hospice, of in een zorginstelling. Zij stellen enige vragen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat geadviseerd wordt duidelijk onderscheid te maken
tussen twee soorten hospices op basis van de functie die zij vervullen. Enerzijds
gaat het om formele zorg met medisch noodzakelijk verblijf, anderzijds gaat het om
een alternatieve verblijfplaats met informele zorg. Hierbij is volgens de onderzoekers
duidelijke afbakening nodig tussen mensen die op basis van hun zorgvraag 24-uurs aanwezigheid
van formele zorg nodig hebben tegenover mensen die dit niet nodig hebben, maar die
ook niet redelijkerwijs thuis kunnen overlijden. Dit betreft een omvangrijke stelselwijziging.
Deze leden begrijpen dat stakeholders grote bezwaren zien bij de voorgestelde stelselwijziging.
Heeft de Staatssecretaris hiervan kennisgenomen? Kan de Staatssecretaris in haar beantwoording
op deze bezwaren reageren?
De leden van de VVD-fractie lezen de voorgestelde stelselwijziging met interesse,
maar ook met een kritische blik. Leidt de voorgestelde tweedeling in hospices en het
onderbrengen van bijna-thuis-huizen in het sociaal domein naar verwachting van het
kabinet tot een versnippering in het hospicelandschap? Wat zijn de gevolgen voor de
keuzevrijheid van hospicegasten, waar de leden van de VVD-fractie waarde aan hechten?
En welke invloed zou deze stelselwijziging hebben op de administratieve last? Hoe
noodzakelijk vindt het kabinet een stelselwijziging?
De leden van de VVD-fractie lezen dat in het rapport geconcludeerd wordt dat de hospicezorg
precair is. Deelt het kabinet deze aanduiding? Wat zijn volgens het kabinet de grootste
problemen bij hospices die het hoofd geboden moeten worden? Zorgverzekeraars geven
aan dat in alle hospicevarianten zeer gemotiveerde professionals en vrijwilligers
werken en dat de kwaliteit van zorg op orde is. De zorgverzekeraars hebben geen signalen
gehad dat de kwaliteit in hospices tekortschiet. Zij vragen zich af of de voorgestelde
stelselwijzigingen proportioneel en noodzakelijk zijn. De leden van de VVD-fractie
horen graag de reflectie van het kabinet hierop.
De leden van de VVD-fractie merken op dat met de voorgestelde stelselwijziging de
nadruk wordt gelegd op centralisatie, scheiding van functies en uniformering. In de
status quo draaien hospices juist op «naoberschap». Biedt de voorgestelde stelselwijziging
voldoende ruimte voor initiatieven vanuit dit «naoberschap»?
Voorts constateren de leden van de VVD-fractie dat al een aantal jaren hospices in
het project «versterken hospicezorg» gezamenlijk met hun partners regionaal werken
aan het aanpakken van vraagstukken. In dit rapport wordt dit project met haar voortgang
en uitkomsten niet meegenomen. Hoe reflecteert het kabinet hierop? Zijn in het rapport
de ideeën van hospices zelf voldoende meegenomen? De leden van de VVD-fractie hechten
er waarde aan dat bij verbetervoorstellen goed wordt afgewogen hoe deze wijzigingen
lokaal in de praktijk landen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het rapport «Hospices
in Nederland» en de bijbehorende brief van de regering. Zij hebben hier nog enkele
vragen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er geen landelijk uniform normenkader
bestaat voor het zogeheten opnamebesluit. Zou het kabinet kunnen reflecteren op de
mate waarin dit (regionale) verschillen versterkt? Zou het kabinet tevens kunnen reflecteren
op de eventuele wenselijkheid van een landelijk uniform normenkader? Zouden zij hierbij
de voor- en nadelen kunnen opsommen van enerzijds het hebben van een landelijk uniform
normenkader en anderzijds het niet hebben van een landelijk uniform normenkader?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het organisatiemodel bepaalt of
en hoe de indicatiestelling en het opnamebesluit bekostigd zijn. Zou het kabinet kunnen
reflecteren op de mate waarin dit leidt tot ongelijkheid in toegang tot zorg in verband
met de kosten die doorgerekend worden naar de patiënt? Hoeveel tijd wordt er doorgaans
door zorgverleners besteed aan indicatiestelling voor eerstelijnsverblijf? Hoeveel
tijd wordt er doorgaans besteed aan het komen tot een opnamebesluit? Hoe dient een
opnamebesluit geregistreerd en verantwoord te worden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het op dit moment onbekend is wat
de totale maatschappelijke kosten zijn van huisartsenvisites in hospices. Is er een
wijze om dit alsnog inzichtelijk te maken? Op welke wijze wordt ingezet op landelijke,
toegankelijke informatievoorziening waarmee patiënten en hun naasten snel en duidelijk
inzicht krijgen in de verschillen tussen hospices en zorgvormen? Hoe wordt gezorgd
dat patiënten en naasten tijdig heldere en toegankelijke informatie ontvangen over
kosten en vergoedingen voor hospicezorg? Hoe wordt de kwaliteit van de palliatieve
zorg gemonitord vanuit het perspectief van patiënten en hun naasten? Op welke wijze
wordt ondersteuning van naasten en mantelzorgers meegenomen in kwaliteitsborging en
financiering van hospices?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er gemeenten zijn die gemeentelijke
subsidies verstrekken aan hospices. Hoe hoog zijn deze subsidies gemiddeld? In hoeveel
en in welke gemeenten worden er subsidies verstrekt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het deel van de cliënten dat een
vergoeding rechtstreeks aan het hospice betaalt en de hoogte van deze vergoeding verschilt
tussen hospices. Bestaat er een maximum aan de eigen bijdrage die gevraagd zou mogen
worden door een hospice die niet zelf V&V levert? Zo nee, waarom niet en bestaan er
andere dergelijke kaders om te voorkomen dat de zorg ontoegankelijk wordt voor mensen
met een lager inkomen of vermogen? Op welke wijze wordt er toezicht gehouden op de
kwaliteit van de (informele) zorg bij hospices die niet zelf V&V leveren? Bij welke
organisatie zouden patiënten en hun naasten terecht kunnen met klachten over de kwaliteit
van de zorg?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de aanbevelingen
van het rapport. Zou het kabinet nader kunnen toelichten in hoeverre deze conclusies
gedeeld worden door de zorgverzekeraars? Zou het kabinet tevens nader kunnen toelichten
welke eventuele risico’s er gepaard zouden kunnen gaan met het overhevelen van de
hospices die informele zorg leveren binnen het sociaal domein?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben het rapport Hospices in Nederland gelezen. Voor
dit schriftelijk overleg hebben zij voor nu geen vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse het rapport «Hospice in Nederland»
gelezen dat in het kader van het Nationaal Programma Palliatieve Zorg II is uitgevoerd.
Het rapport laat overtuigend zien dat vrijwilligers een onmisbare rol spelen in de
hospicezorg. In hospices die zelf formele zorg leveren zijn gemiddeld 15 à 16 vrijwilligers
per bed actief; in hospices zonder formele zorg loopt dit op tot 17 à 18 vrijwilligers
per bed. Veel voorzieningen zijn ontstaan vanuit buurtinitiatieven en draaien op de
kracht van lokale gemeenschappen. De leden van de CDA-fractie vinden het van groot
belang dat deze maatschappelijke energie behouden blijft en dat eventuele systeemwijzigingen
niet leiden tot extra regeldruk voor vrijwilligers. Kan de Staatssecretaris bevestigen
dat het belang van vrijwilligers en het behoud van hun inzet expliciet wordt meegenomen
als uitgangspunt bij eventuele vervolgstappen?
Veel hospices, met name de hospices die zelf geen formele zorg leveren, zetten vrijwilligers
in bij mensen thuis. Deze vrijwilligers bieden nabijheid, ondersteuning en begeleiding
in de laatste levensfase. Het rapport gaat hier nauwelijks op in, terwijl hun bijdrage
essentieel is. Op welke wijze is de ondersteuning van vrijwilligers die via hospices
worden ingezet in de thuissituatie geborgd, en wordt deze groep meegenomen in het
vervolg?
Hospices die geen formele zorg leveren ontvangen gemiddeld 58% van hun omzet uit de
VWS-subsidie. Deze organisaties, die grotendeels op vrijwilligers draaien, zijn daarmee
sterk afhankelijk van deze financiering. Voor hun continuïteit is tijdige duidelijkheid
essentieel. Voornoemde leden vragen: wanneer komt er duidelijkheid over het vervolg
van de subsidieregeling?
Het rapport laat zien dat er op basis van bevolkingsprognoses in de toekomst meer
hospicecapaciteit nodig zal zijn. Tegelijkertijd laten de cijfers over 2024 zien dat
de verwachte behoefte hoger lag dan de feitelijke capaciteit, zonder dat dit leidde
tot een hogere bezettingsgraad. De leden van de CDA-fractie vinden het positief dat
het aanbod regionaal in kaart is gebracht en dat de Staatssecretaris inzet op betere
monitoring.
Door de verschillende ontstaansgeschiedenissen van hospices bestaat er grote diversiteit
in bekostiging en eigen bijdragen. De leden van de CDA-fractie ondersteunen het streven
naar een eenvoudiger systeem en het wegnemen van verkeerde prikkels. Daarbij is het
essentieel dat administratieve lasten niet toenemen. Liever nog: deze zouden deze
leden bij wijzigingen graag zien afnemen. Hoe borgt de Staatssecretaris dat een nieuwe
bekostigingssystematiek niet leidt tot hogere administratieve lasten, en op welke
wijze kan worden ingezet op een vermindering hiervan?
Het rapport concludeert dat de huidige bekostigingsstructuur onvoldoende toekomstbestendig
is: hospices zijn afhankelijk van diverse inkomstenbronnen, hebben weinig lange termijn
zekerheid en worden geconfronteerd met uiteenlopende prikkels. Ook verschillen de
eigen bijdragen sterk en zijn deze moeilijk uitlegbaar. Dit model is volgens de onderzoekers
niet houdbaar, zeker gezien de verwachte groei van de vraag naar hospicezorg. De leden
van de CDA-fractie delen deze analyse. De leden van de CDA-fractie kunnen zich vinden
in de voorgestelde indeling in twee typen hospicevoorzieningen: 1. hospices met formele
zorg en medisch noodzakelijk verblijf, en 2. hospices als alternatieve verblijfplaats
met informele zorg. Beide vormen blijven noodzakelijk. De leden van de CDA-fractie
vinden daarnaast dat ook hulp en ondersteuning thuis, vaak geleverd door vrijwilligers
via hospices, moet worden meegenomen. Hoe kijkt de Staatssecretaris hiernaar?
Een van de voorstellen is om budgetten voor informele zorg mee te nemen in de tariefstelling
voor formele hospicezorg. Dit zou betekenen dat zorgaanbieders die veel vrijwilligers
inzetten een lagere vergoeding ontvangen, terwijl deze middelen juist bedoeld zijn
om vrijwilligers te ondersteunen. Dit creëert een negatieve prikkel voor vrijwillige
inzet. De leden van de CDA-fractie zijn hier geen voorstander van. Hoe beoordeelt
de Staatssecretaris het risico dat het meenemen van informele-zorgbudgetten in de
tariefstelling leidt tot een financiële prikkel die vrijwilligerswerk ontmoedigt?
In de begeleidende brief staat dat er nog nadere afstemming met het veld plaatsvindt.
Voor een zorgvuldige beoordeling van vervolgstappen is inzicht in deze gesprekken
belangrijk. Met welke partijen vindt de nadere afstemming plaats over de toekomstige
inrichting van de hospicezorg?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbrief over het rapport
Hospices in Nederland. De leden hebben hierover de volgende vragen.
De leden lezen dat uit het rapport blijkt dat de hospicecapaciteit regionaal sterk
uiteenloopt (4 tot 12 bedden per 1.000 overledenen) en dat 42.000 mensen langer dan
30 minuten moeten rijden naar een hospice met 24/7 formele zorg. Hoe gaat de Staatssecretaris
voorkomen dat deze regionale ongelijkheid verder toeneemt, en kan zij garanderen dat
ook krimpregio’s, dorpen en kleinere kernen toegang houden tot tijdige palliatieve
zorg dichtbij huis?
Verder stelt de rapportage dat het onduidelijk is wie verantwoordelijk is voor opschaling
van hospicecapaciteit, terwijl er tot 2040 200 tot 450 extra bedden nodig zijn. Wie
krijgt volgens de Staatssecretaris de eindregie over uitbreiding van capaciteit, en
hoe wordt voorkomen dat hospices zelf financiële risico’s dragen bij noodzakelijke
opschaling?
Ook lezen de leden van de BBB-fractie dat de opnamecriteria en indicatiestelling sterk
verschillen per hospice, met risico’s op willekeur en ongelijke toegang. Is de Staatssecretaris
bereid te komen tot heldere landelijke normen voor opname, zodat cliënten niet afhankelijk
zijn van lokale verschillen in interpretatie of organisatiemodel?
Daarnaast lezen de leden in het rapport dat de eigen bijdragen extreem verschillen
(0 tot € 85 per dag). Ook is de bekostiging complex en versnipperd. Hoe beoordeelt
de Staatssecretaris deze ongelijkheid in kosten voor cliënten, en is zij bereid toe
te werken naar een transparant en uniform systeem dat betaalbaarheid en toegankelijkheid
bevordert?
Tot slot laat het rapport zien dat de financiële situatie van hospices niet inzichtelijk
is door constructies met stichtingen, vriendenfondsen en onderaanneming. Hoe gaat
de Staatssecretaris zorgen voor transparantie in de financiële stromen en continuïteit
van hospices, zonder extra administratieve lasten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het rapport van Gupta over hospicezorg
in Nederland. Graag maken zij van de gelegenheid gebruik om hierover een aantal vragen
te stellen.
De leden van de SGP-fractie constateren dat Gupta in hoofdstuk 1 een adequaat en grondig
overzicht van het «hospicelandschap» heeft gemaakt. Zij zijn vooral benieuwd naar
een reflectie van de Staatssecretaris op de hoofdstukken 2 en 3 van het rapport waarin
Gupta de belangrijkste knelpunten opsomt en een oplossingsrichting voorstelt.
Deelt de Staatssecretaris de bevindingen van Gupta in hoofdstuk 2? Kan zij hier puntsgewijs
op reageren?
Kan de Staatssecretaris verduidelijken welke maatregelen er al zijn genomen om het
inzicht in de beschikbaarheid van hospicezorg in regionaal verband te vergroten? Kan
zij met name ingaan op het project «Versterken Hospicezorg»? Zijn er regio’s waar
al wel een gezamenlijke wachtlijst is? Hoe functioneert dit?
Gupta kwalificeert de zorg in hospices in Nederland als «precair». Deelt de Staatssecretaris
deze omschrijving? Zo niet, hoe zou zij zelf de situatie met betrekking tot en hospicezorg
omschrijven? Heeft de Staatssecretaris kennisgenomen van de kritiek van VPTZ Nederland
die zich niet herkent in de kwalificatie «precair»? Hoe duidt zij dit?
Het belangrijkste voorstel van Gupta is om een onderscheid te gaan maken tussen twee
soorten hospices. Enerzijds hospices waar formele zorg wordt geleverd, sprake is van
medisch noodzakelijk verblijf en die gefinancierd worden vanuit de zorgverzekeraars
en zorgkantoren. Anderzijds hospices als alternatieve verblijfplaats met informele
zorg, gefinancierd vanuit het sociaal domein. Hoe kijkt de Staatssecretaris naar dit
onderscheid?
Als het door Gupta voorgestelde onderscheid doorgevoerd wordt, moeten hospices die
nu beide functies vervullen kiezen wat voor soort hospice zij willen zijn. Hoe wenselijk
vindt de Staatssecretaris dit? Blijkbaar voorzien hospices die nu beide functies aanbieden
in een behoefte. Hoe wordt voorkomen dat er gaten in het zorgaanbod ontstaan doordat
hospices gedwongen worden om te kiezen tussen één van beide categorieën?
Meer principieel vragen de leden van de SGP-fractie hoe wenselijk de Staatssecretaris
het vindt om een organisch gegroeid zorglandschap dat voor het grootste deel bestaat
uit hospices die financieel gezond zijn en goede kwaliteit van zorg bieden zo rigoureus
te gaan herinrichten. Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat er een soort tekentafeloplossing
wordt ingevoerd? Het kenmerk van hospices is dat er vaak sprake is van sterke lokale
of regionale verworteling, een grote betrokkenheid van lokale vrijwilligers of lokale
sponsoren. Dit valt vaak niet in een beleidsmatig of wetmatig hokje te passen. De
leden van de SGP-fractie vragen zich af: is dat juist niet iets moois en lopen we
niet het risico door alle hospicezorg strikt onder te brengen bij de Zvw of Wmo dat
dergelijke lokale verworteling wordt aangetast? Ziet de Staatssecretaris het risico
dat hospices in een keurslijf worden geperst waar ze niet in passen?
Als iemand in een hospice wordt opgenomen, is dat vrijwel altijd de laatste plek waar
diegene voor diens overlijden verblijft. In het nieuwe systeem zou het kunnen gebeuren
dat iemand verblijft in een hospice met informele zorg, te maken krijgt met verslechterende
gezondheid waardoor 24/7 zorg nodig is en dus overgeplaatst moet worden naar een andersoortig
hospice. Hoe wenselijk zou de Staatssecretaris zoiets vinden?
Gupta beoogt met haar rapport een oplossing te bieden voor de versnippering in het
hospiceaanbod. Tegelijkertijd adviseert Gupta een deel van de hospicezorg onder te
brengen in het sociaal domein, waardoor gemeenten – náást de Rijksoverheid en verzekeraars
– ook een rol gaan krijgen in de hospicezorg. Hoe kijkt de Staatssecretaris hiernaar?
Vindt zij dat wenselijk vanuit het oogpunt van versnippering van zorg?
Gupta constateert dat het onduidelijk is wanneer iemand aanspraak kan maken op formele
zorg met verblijf en wanneer het verblijf buiten de aanspraak valt. Is de Staatssecretaris
van mening dat met het voorstel van Gupta om twee soorten hospices te creëren dit
probleem is opgelost?
De Associatie Hospicezorg Nederland wijst erop dat de inzet van vrijwilligers in bijna
hospices overdag is. Slechts in een heel klein aantal voorzieningen is er ook informele
zorg in de nacht. In het voorstel van Gupta komen er straks hospices die verblijf
met informele zorg aanbieden. De verpleegkundige komt dan alleen op indicatie langs.
Dit roept de vraag op hoe zorg in de nacht dan wordt georganiseerd. Wordt dit dan
bij familieleden of andere mantelzorgers neergelegd? Ook vragen de leden van de SGP-fractie
zich af wat dan nog het verschil is met palliatief terminale zorg thuis. De Associatie
Hospicezorg Nederland vraagt zich (naar het oordeel van de leden van de SGP-fractie
terecht) af of er behoefte bestaat aan dergelijke hospices met verblijf en informele
zorg. Gupta geeft zelf aan ook niet te weten hoe groot deze groep is, dit vraagt nader
onderzoek. De leden van de SGP-fractie vragen de Staatssecretaris dan ook om die behoefte
nader te laten onderzoeken.
Gupta geeft aan dat het wenselijk is dat de bekostiging uitgaat van de zorgvraag van
de cliënt, niet van de (huidige) organisatievormen van hospices. De leden van de SGP-fractie
vragen zich af of hospicelandschap dat Gupta schetst, voldoet aan de zorgvraag van
de cliënt.
Gupta schrijft dat een smalle afbakening van de aanspraak betekent dat capaciteit
van hospices die nu formele zorg leveren, en via elv-bekostigd worden, moet worden
afgebouwd of omgevormd naar hospices zonder medisch noodzakelijk verblijf. De leden
van de SGP-fractie vragen de Staatssecretaris om een nadere duiding van wat dit betekent
voor zelfstandige hospices. Het kan toch niet zo zijn dat deze beweging ertoe zou
leiden dat goedlopende hospices hun activiteiten helemaal moeten beëindigen?
Gupta verwijst naar de afspraak in het AZWA dat «burgerinitiatieven worden ondersteund».
Hiermee ligt er volgens Gupta een duidelijke basis om coördinatie op de regionale
samenwerking tussen gemeenten onderling en tussen sociaal domein en zorgdomein te
verbeteren en er gezamenlijk voor te zorgen dat straks in alle regio’s voldoende «informele
bedden» beschikbaar zijn. De leden van de SGP-fractie vragen zich af waarom dit een
extra taak voor gemeenten zou moeten betekenen. Waarom zouden activiteiten op het
snijvlak van het zorgdomein en het sociaal domein per se door gemeenten opgepakt moeten
worden? Het zou toch op z’n minst ook van zorgverzekeraars gevraagd kunnen worden
om (financieel) te ondersteunen bij dergelijke burgerinitiatieven?
Uit bijlage A blijkt dat de reistijden naar specifieke types hospicezorg in bepaalde
delen van het land ver achterblijft. Dit gaat dan met name om high care hospicezorg
(Friesland, Groningen, Drenthe en het grootste deel van Zeeland) en palliatieve units
(delen van Zeeland, Overijssel, Gelderland en Brabant). Wie is straks in het nieuwe
systeem verantwoordelijk voor de beschikbaarheid en het creëren van dergelijke zorgaanbod?
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruik om enkele vragen
te stellen over het rapport Hospices in Nederland; adviezen richting toekomstbestendige
inrichting en bekostiging» van Gupta Strategists.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen welke vraag of probleemstelling vanuit
het ministerie is meegegeven aan de opdrachtnemers van dit adviesrapport. Wat is de
achtergrond van deze vraag en wordt deze vraag of dit probleem ook zo in de sector
beleefd, zo vragen deze leden. Zijn de sectorpartijen betrokken geweest bij de totstandkoming
van de opdracht en zo nee, waarom niet? De leden van de ChristenUnie-fractie vinden
het belangrijk dat oplossingen voor ervaren problemen worden gezocht. Is aan de sectorpartijen
gevraagd welke problemen moeten worden opgelost?
De leden van de ChristenUnie-fractie herkennen dat het hospicelandschap veelkleurig
is en soms diffuus in financiering, regelgeving en toegang. Tegelijk willen deze leden
ervoor waken dat het een doel op zich wordt om het systeem te vereenvoudigen. Het
gaat er wat deze leden betreft allereerst om dat er goede en voldoende hospicezorg
in al haar vormen kan worden geboden. De oplossing die het rapport aanreikt, namelijk
een drastische herinrichting van het landschap, roept dan ook vragen op bij deze leden.
Bovendien wordt er wat deze leden betreft in het rapport geen rekening gehouden met
de stappen die de sector de afgelopen jaren al heeft gezet en de ontwikkelingen die
nu nog gaande zijn.
Welke stappen zijn er de afgelopen jaren gezet om meer afstemming te creëren tussen
hospices, om meer inzicht te krijgen in de huidige capaciteit, lege bedden en toekomstig
benodigde capaciteit in regio’s, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Welke
stappen zijn er al gezet en welke ontwikkelingen lopen er momenteel om de bekostiging
beter aan te laten sluiten bij de daadwerkelijke kosten en zorgvraag, zo vragen de
leden van de ChristenUnie-fractie.
Ten aanzien van de constatering op pagina 33 dat de Inspectie Gezondheid en Jeugd
(IGJ) een inspectie heeft uitgevoerd bij 3% van de hospicelocaties, merken de leden
van de ChristenUnie-fractie op dat de IGJ na deze steekproef geen signalen had om
verder onderzoek te doen en bij andere signalen de inspectie weer activeert. Herkent
de Staatssecretaris dit en dat dit een standaard manier van werken is voor de IGJ?
Ten aanzien van het beperkte zicht dat zorgverzekeraars hebben op de kwaliteit van
zorg in hospices, vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of de bestaande regels
voor inkoop en verantwoording van werkzaamheden niet net als bij andere zorgaanbieders
voldoende controle op de kwaliteit biedt. Wat maakt het zicht op de kwaliteit in hospicezorg
anders dan bij andere zorgaanbieders?
Deelt de sector de conclusie van Gupta Strategists dat situatie van de hospicezorg
precair is, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
Ten aanzien van de adviezen van Gupta Strategists om tot een nieuwe inrichting te
komen van het hospicelandschap vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of er geen
minder drastische maatregelen zijn te bedenken die de geschetste moeilijkheden in
de hospicezorg net zo goed kunnen oplossen. Deze leden denken dan aan het verbeteren
van de subsidieregeling voor de inzet van vrijwilligers, de verplichte aansluiting
bij de VPTZ of de Associatie Hospicezorg Nederland om in aanmerking te komen voor
de subsidie, en verplichte aansluiting bij een regionaal overleg van hospices om samen
de capaciteit af te kunnen stemmen. Wat vindt de Staatssecretaris daarvan?
Hoe zou een strikt onderscheid tussen hospices met formele zorg met medisch noodzakelijk
verblijf en hospices die een alternatieve verblijfplaats met informele zorg zijn eruit
moeten zien of wat betekent dit voor hospices die beide vormen van zorg bieden, zo
vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Gaan er hospices verdwijnen als dit zou
worden doorgevoerd?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het rapport «Hospices in Nederland»
en de bijbehorende kabinetsbrief. Zij hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen
over.
De leden van de SP-fractie vragen de Staatssecretaris of zij bij de aangekondigde
vervolgstappen ook met plannen zal komen om te voorkomen dat meer hospices zullen
moeten sluiten.
De leden van de SP-fractie vragen daarnaast of zij bij de vervolgstappen op het gebied
van hospicezorg ook de motie Dobbe over een einde maken aan omzetplafonds in de ggz
en de palliatieve zorg (Kamerstuk 36 725 XVI, nr. 23) meeneemt. Het gebruik van omzetplafonds in de palliatieve zorg kan immers ook de
toegankelijkheid van hospices beperken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
De leden van de 50PLUS-fractie danken de Staatssecretaris voor de toezending van het
Gupta-rapport over Hospicezorg in Nederland. Zij willen hierbij nog een tweetal korte
vragen stellen.
Deze leden begrijpen dat de Staatssecretaris een beleidsarme reactie heeft gestuurd.
Kan de Staatssecretaris inmiddels wat meer duiden inzake de opvolging van de aanbevelingen
en wat er kan worden voorbereid in het kader van NPPZ II? Ook willen de leden van
de 50PLUS-fractie vragen om een reflectie op de suggestie uit het rapport om gemeenten,
een nieuwe partij in deze, te betrekken bij een deel van de hospicezorg.
II. Reactie van de Staatssecretaris
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
J.J. Meijerink, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.