Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de Geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad van 22-23 januari 2026 (Kamerstuk 32317-989) (Asiel en Migratie)
32 317 JBZ-Raad
Nr. 990 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 21 januari 2026
De vaste commissie voor Asiel en Migratie heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Asiel en Migratie over de volgende brieven; geannoteerde agenda
van de informele JBZ-Raad, 22–23 januari 2026 (Kamerstuk 32 317, nr. 989); antwoorden op vragen commissie over o.a. de geannoteerde agenda van de formele
JBZ-Raad, 8–9 december 2025 (Kamerstuk 32 317, nr. 978) (Kamerstuk 32 317, nr. 984).
De vragen en opmerkingen zijn op 19 januari 2026 aan de Minister van Asiel en Migratie
voorgelegd. Bij brief van 21 januari 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Vijlbrief
De griffier van de commissie, Burger
Inhoud
blz.
I
Vragen en opmerkingen uit de fracties en reactie van de bewindspersoon
2
•
Inbreng van de leden van de PVV-fractie
2
•
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
4
•
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
6
•
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
12
•
Inbreng van de leden van de JA21-fractie
15
•
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
25
I Vragen en opmerkingen uit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Inbreng van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda inzake
de JBZ-raad van 22 en 23 januari 2026 en de brief over de Raad van 8–9 december 2025.
Deze leden hebben vragen over de geagendeerde stukken.
De Minister heeft met veel bombarie in de media laten weten dat hij een deal met Griekenland
heeft gesloten over het overnemen van Dublinclaimanten, terwijl op grond van de huidige
Dublin-verordening Griekenland al verplicht is als eerste land van inreis het asielverzoek
te behandelen. De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel Dublinclaimanten Nederland
afgelopen vijftien jaar heeft opgenomen, terwijl deze verzoeken behandeld hadden moeten
worden door Griekenland. Kan de Minister een schatting geven hoeveel dit Nederland
gekost heeft? Wat zal de Nederlandse financiële bijdrage worden aan het solidariteitsmechanisme
en voor welke periode zal de korting gelden?
Antwoord
Er is geen registratie beschikbaar van het aantal niet-overgedragen zaken uit de achterliggende
jaren waarin geen Dublinoverdrachten naar Griekenland en Italië mogelijk waren. Het
is terugkijkend niet mogelijk daarvan een kosten-baten overzicht te maken.
Zoals aangegeven in het verslag van de JBZ-Raad van 8 en 9 december betreft het voor
Nederland een financiële bijdrage van 21,9 miljoen. Dit betreft de bijdrage voor de
solidariteitspool voor cyclus van 2026 lopend van de periode 12 juni tot en met 31 december.
De uiteindelijke vermindering van het financiële aandeel is afhankelijk van de uiteindelijke
verdeling tussen de bijdragen van bijdragende lidstaten en de ontvangende lidstaten.
Nederland is hierover nog in gesprek met de Commissie en kan hierop niet vooruitlopen.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de deal met de Grieken voor het ingaan al geflopt
is. Als de instroom toe zal nemen, zal deze deal meteen van tafel gaan volgens de
Griekse Asielminister. Heeft de Minister deze voorwaarde besproken gedurende het bezoek?
Zo ja, is hij zich ervan bewust dat bij het minste of geringste wij weer terugvallen
in de huidige situatie?
Antwoord
De afspraken die ik op 14 januari jl. namens het kabinet met mijn Griekse ambtgenoot
heb gemaakt maken onderdeel uit van de implementatie van het Asiel- en Migratiepact
en zijn het resultaat van een reeds langlopende bilaterale samenwerking tussen Nederland
en Griekenland op het gebied van migratie. Goede implementatie van deze nieuwe regelgeving
is cruciaal. Dat heb ik ook benadrukt in mijn gesprekken in Griekenland. De Commissie
zal op 12 juli (één maand na de inwerkingtreding van het Pact) en op 15 oktober (publicatie
jaarverslag 2026) beoordelen of onder meer Griekenland de Dublinregels naleeft. Indien
de Commissie op dat moment vaststelt dat er sprake is van zogenaamde systemische tekortkomingen,
vanwege het niet naleven van het Dublinacquis, zal Nederland voor die landen geen
solidariteitsbijdrage leveren.
Daarnaast lezen de leden van de PVV-fractie dat Nederland een Griekse shelter financiert
voor statushouders. Hoeveel bedragen deze kosten, waarom draagt Nederland hieraan
bij en wat krijgt Nederland hiervoor terug?
Antwoord
Sinds januari 2025 steunt Nederland voor de duur van twee jaren twee opvangtehuizen
van Movement on the Ground, een non-gouvernementele organisatie, voor jonge Griekse statushouders tussen de
18 en 24 jaar. De totale kosten voor dit project bedragen 1,1 miljoen euro en worden
gedragen door het Ministerie van Asiel en Migratie. Onderliggend doel voor het kabinet
van financiering van een project als dezen is de bevordering van duurzaam verblijf
en integratie in de lidstaat waar een statushouder asiel heeft toegewezen heeft gekregen
en voorkomen van doorreizen naar andere EU-lidstaten als Nederland.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister waarom de Minister nog niet begonnen
is met het prioriteren van de herbeoordeling van de Syriërs met een tijdelijke verblijfsvergunning,
aangezien deze groep anders voor altijd mag blijven. Kan de Minister daarbij aangeven
hoeveel van de bijna 69.000 Syriërs met een tijdelijke verblijfsvergunning in het
eerste kwartaal omgezet zullen worden in onbepaalde tijd? Ook hebben deze leden vernomen
dat Duitsland al meerdere malen Syriërs gedwongen heeft uitgezet. Waarom loopt Nederland
wederom achter op het daadwerkelijk uitvoeren van gedwongen uitzettingen van Syriërs?
Antwoord
Bij mijn brief over het landenbeleid Syrië van 10 juni jl. heb ik aangegeven dat nog
niet kon worden geconcludeerd dat de positieve wijzigingen in Syrië reeds voldoende
ingrijpend en van niet-voorbijgaande aard waren. De situatie was daarom nog niet voldoende
bestendig om conform de voorwaarden van het Unierecht op herbeoordelingen voor statushouders
met een verblijfsvergunning over te gaan. In januari 2026 wordt een nieuw ambtsbericht
verwacht. Aan de hand van dit ambtsbericht zal opnieuw bezien worden of herbeoordeling
kan plaatsvinden. Nederland zet in op duurzame terugkeer zodra dit mogelijk en gepast
is. Daarnaast draagt Nederland bij aan verbetering van de veiligheid en socio-economische
omstandigheden in Syrië, hetgeen een voorwaarde is voor verantwoorde en duurzame terugkeer.
Er kan niet voorspeld worden hoeveel tijdelijke vergunningen van Syriërs in dit kwartaal
omgezet zullen worden in onbepaalde tijd vergunningen, omdat zij daarvoor een aanvraag
zullen moeten indienen en ook aan bepaalde voorwaarden voldaan moet worden. Het aantal
Syriërs met een tijdelijke vergunning waarvan de looptijd afloopt kan wel met uw Kamer
gedeeld worden. Dit zal ik met het verslag van de informele JBZ-raad aan u doen toekomen.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister kan bevestigen dat het aantal asielaanvragen
in Duitsland in 2025 met de helft is gedaald. Is de Minister het ermee eens dat dit
gevolg is van de aanscherping van de grenscontroles? Zo ja, waarom worden het aantal
Nederlandse controles afgeschaald in plaats van dat wij onze grenzen sluiten?
Antwoord
In de door Duitsland gepubliceerde cijfers is er sprake van ongeveer een halvering
van de eerste asielaanvragen in Duitsland in 2025 ten opzichte van 2024. Het is niet
mogelijk om eenduidige conclusies te trekken over waar deze daling mee verband houdt.
Zo is er naast de aanscherping van het asiel- en migratiebeleid in Duitsland, ook
een veel lager aantal aankomsten vanuit Syrië na de val van het Assad-regime in 2024.
Dit was één van de grootste groepen aanvragers in Duitsland. Daarnaast is het aantal
irreguliere aankomsten in Europa significant gedaald in het afgelopen jaar, net als
het aantal aankomsten via secundaire migratie.
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda inzake
de JBZ-raad van 22 en 23 januari 2026 en de brief over de Raad van 8–9 december 2025.
Deze leden hebben vragen over de geagendeerde stukken.
De leden van de VVD-fractie verwelkomen dat duurzame terugkeer en re-integratie een
centraal onderwerp vormen tijdens deze informele Raad. Deze leden onderstrepen dat
het Europese asielstelsel alleen houdbaar is wanneer terugkeer van afgewezen asielzoekers
daadwerkelijk plaatsvindt. Deze leden vragen zich hierbij af wat de inzet van de Minister
is op het gebied van re-integratie. Maakt Nederland met landen waar afspraken bestaan
over terugkeer ook afspraken op het gebied van re-integratie en draagt Nederland hier
financieel aan bij? Begint het re-integratieproces pas in het land waarnaar wordt
teruggekeerd of begint het re-integratieproces al in Nederland?
Antwoord
Iedere EU-lidstaat kent zijn eigen programma’s ten aanzien van terugkeer en re-integratie.
Nederland kijkt daarbij hoe kan worden samengewerkt met andere EU-lidstaten. Voor
terugkeer en re-integratie maakt Nederland tevens gebruik van het European Reintegration Program (EURP) van Frontex. De ondersteuning die door Frontex wordt geboden wordt vanuit
de Europese begroting gefinancierd. De ondersteuning bij re-integratie begint bij
voorkeur in het land van herkomst, maar er zijn ook programma's die al in Nederland
ondersteuning bieden, bijvoorbeeld door het geven van (beroeps)opleidingen.
De leden van de VVD-fractie hebben met positieve interesse gelezen over het politieke
akkoord op 18 december 2025 over onder andere de introductie van een Europese lijst
van veilige herkomstlanden. Deze leden vragen zich hierbij af of het voor Nederland
ook weer mogelijk wordt om een nationale lijst te hanteren die verder gaat dan de
Europese lijst. Indien dit mogelijk is, acht de Minister het dan opportuun om zo’n
nationale lijst opnieuw in te voeren en om hierbij gebruik te maken van de mogelijkheid
om ook delen van landen veilig te verklaren?
Antwoord
Het onderhandelingsresultaat biedt lidstaten – naast de landen op de EU-lijst – de
mogelijkheid om een aanvullende nationale lijst van veilige landen van herkomst te
hanteren. Het is echter zeer de vraag of het hanteren van een nationale lijst opportuun
is. Dit komt doordat naast het bestaan van de Europese lijst van veilige landen van
herkomst, er met de invoering van het Pact een verplichting is om personen uit herkomstlanden
met een gemiddeld Europees inwilligingspercentage van minder dan 20% versneld af te
doen. Het ligt voor de hand dat landen die kunnen worden aangemerkt als veilig veelal
ook een laag gemiddeld inwilligingspercentage kennen. Die combinatie maakt dat het
daar bovenop hanteren van een nationale lijst geen of beperkte toegevoegde waarde
zal kunnen hebben. Daarbij is tevens van belang dat de ervaring leert dat het niet
(langer) aanmerken van een derde land als veilig land van herkomst in het kader van
een nationale lijst bij dat herkomstland kan stuiten op onbegrip en negatieve gevolgen
kan hebben voor de bilaterale (terugkeer) samenwerking. Om die reden kiest het kabinet
ervoor initieel geen nationale lijst te hanteren, maar wel steeds te monitoren of
er situaties zijn of ontstaan waarvoor het hanteren van zo’n nationale lijst een meerwaarde
heeft.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven de doelstellingen van een voorstel voor
een nieuw terugkeerverordening en zijn verheugd met de urgentie die de Minister op
dit onderwerp laat zien. Wel constateren deze leden dat in het Europees Parlement
inmiddels ruim 2400 amendementen zijn ingediend. In hoeverre acht de Minister het
nog realistisch om de terugkeerverordening tegelijk met de overige wetsonderdelen
van het Europese Asiel- en Migratiepact in te laten gaan?
Antwoord
Met het akkoord over een algemene oriëntatie in de Raad over het voorstel voor een
Terugkeerverordening op de JBZ-Raad van 8–9 december 2025 is een belangrijke stap
gezet in het onderhandelingsproces. Zodra het Europees Parlement zijn positie ook
heeft vastgesteld, kunnen de onderhandelingen starten tussen parlement, Raad en Commissie.
Het kabinet blijft inzetten op een snel onderhandelingsresultaat, want nieuwe Europese
regels op het gebied van terugkeer zijn hard nodig. Tegelijkertijd is zorgvuldigheid
in een dergelijk omvangrijk wetgevingsproces ook van belang. Voor kabinet is daarom
van belang dat uitvoeringsdiensten voldoende tijd krijgen om zich voor te bereiden
op de veranderingen als gevolg van nieuwe regelgeving. Daarmee is het niet realistisch
dat de nieuwe regelgeving tegelijkertijd met het Asiel- en Migratiepact in werking
treedt.
Voorts vragen de leden van de VVD-fractie hoe de Minister aankijkt tegen de terughoudendheid
binnen de Raad ten aanzien van verplichte wederzijdse erkenning van terugkeerbesluiten.
Deelt de Minister de opvatting van de VVD-fractie dat vrijwillige erkenning onvoldoende
zal zijn om terugkeer daadwerkelijk te versnellen? In hoeverre heeft de Minister contact
met ambtsgenoten van andere Europese lidstaten en zijn er andere lidstaten die eenzelfde
opvatting hebben over het erkennen en uitvoeren van terugkeerbesluiten?
Antwoord
De wederzijdse erkenning en uitvoering van terugkeerbesluiten was een groot punt van
discussie in de Raad, omdat het onder andere grote gevolgen heeft voor nationale autoriteiten
die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van terugkeerbesluiten. Enerzijds was
er een groep lidstaten die pleitte voor de invoering van een verplichting en anderzijds
waren er lidstaten die de voorkeur gaven aan een vrijwillig karakter van het concept.
Het uiteindelijke akkoord dat zijn weerslag heeft gevonden in de algemene oriëntatie
van de Raad is dat het in eerste instantie vrijwillig blijft. Twee jaren nadat de
verordening van toepassing is geworden, dient de Commissie een beoordeling uit te
voeren naar de werking en effectiviteit van het concept. Hierna kan de Commissie een
nieuw wetsvoorstel indienen om het concept van de wederzijdse erkenning verplicht
te stellen. Wel worden lidstaten vanaf het moment dat de verordening van toepassing
wordt verplicht om te werken met het zogeheten «European Return Order», een op te
stellen formulier dat de informatie-uitwisseling van terugkeerbesluiten tussen de
lidstaten moet faciliteren. Verder dienen lidstaten voorbereidende maatregelen te
nemen om de wederzijdse erkenning en uitvoering van terugkeerbesluiten te faciliteren.
Dit compromis is in lijn met de Nederlandse inzet, omdat het enerzijds voldoende flexibiliteit
voor lidstaten en anderzijds harmonisering van het terugkeersysteem biedt. Het kabinet
heeft blijvend veelvuldig contact met andere lidstaten tijdens het onderhandelingsproces.
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda
inzake de JBZ-raad van 22 en 23 januari 2026. Deze leden hebben vragen over de geannoteerde
agenda.
Solidariteitspool
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat op dit moment het solidariteitsmechanisme
onvoldoende functioneert. Klopt het dat op dit moment 8.921 van de 21.000 opvangplekken
zijn gerealiseerd? Kan de Minister aangeven wat de gevolgen zijn als de afgesproken
21.000 plekken niet worden gerealiseerd? Wat is het gevolg hiervan voor Nederland
specifiek?
Antwoord
Ingevolge de Asiel- en migratiebeheerverordening kunnen lidstaten hun solidariteitsbijdragen
invullen op drie verschillende wijzen, te weten: 1) herplaatsing; 2) een financiële
bijdrage, of 3) het aanbieden van alternatieve vormen van solidariteit aan lidstaten
die onder migratiedruk staan. Deze vormen van solidariteit zijn gelijkwaardig aan
elkaar. Wanneer op EU-niveau de minimumdrempel van het aantal beoogde herplaatsingen
niet wordt gehaald, is het binnen het solidariteitsmechanisme mogelijk dat lidstaten
worden verplicht om afgebakende aantallen Dublinclaimanten niet over te dragen aan
de begunstigde lidstaat onder migratiedruk, ook al was deze begunstigde lidstaat als
verantwoordelijke lidstaat aangemerkt. In dat geval zullen lidstaten, waaronder Nederland,
Dublinzaken in de nationale procedure moeten opnemen. Of er moet worden overgegaan
tot verplichte verantwoordelijkheidscompensaties is op dit moment nog onduidelijk.
Indien er overgegaan wordt tot verplichte verantwoordelijkheidscompensatie zal dit
nooit meer zijn dan het billijke aandeel van de betreffende lidstaat.
Klopt het dat de gezamenlijke contributie aan het solidariteitsfonds op dit moment
iets meer dan 116 miljoen euro is en dus ook achterblijft op de afgesproken 420 miljoen
euro? Kan de Minister aangeven wat de gevolgen zijn als er niet wordt voldaan aan
het afgesproken bedrag voor het solidariteitsfonds? Wat voor gevolgen heeft dit voor
Nederland specifiek? Heeft Nederland al voldaan aan de 21, 9 miljoen euro bijdrage,
zoals berekend door de Europese Commissie? Zo nee, op welk termijn is het kabinet
van plan dit te doen?
Antwoord
De afspraak voor de solidariteitspool is 21.000 opvangplekken, of het equivalent in
financiële bijdrage (totaal 420 miljoen euro) of alternatieve steun. Nederland heeft
een financiële bijdrage toegezegd. Deze bijdrage is nog niet overgeboekt aan de EU-begroting.
Het daadwerkelijk betalen van het bedrag aan de begroting van de Unie vindt pas aan
het einde van de solidariteitscyclus plaats.
Wat is de reactie van de Minister op het besluit van Hongarije en Slowakije om geen
bijdrage te leveren aan de solidariteitspool? Erkent het kabinet dat dit zeer onwenselijk
is voor de werking van de pool? Zo ja, op welke wijze en op welk termijn kunnen deze
landen gedwongen worden om dat alsnog te doen? Wat zijn de gevolgen en sancties voor
het niet bijdragen aan de solidariteitspool zonder een uitzonderingspositie en zullen
deze sancties worden ingezet?
Antwoord
De bijdrage aan de solidariteitspool is voor alle lidstaten die gehouden zijn aan
het asielacquis wettelijk verplicht. De Nederlandse inzet is er op gericht dat het Pact volledig
en effectief wordt geïmplementeerd en roept de Commissie op dit nauw te monitoren
en met lidstaten die zich hier niet aan houden tot oplossingen te komen. Verder zet
het kabinet zich in het kader van de onderhandelingen over het nieuwe MFK in voor
een duidelijkere koppeling tussen implementatie van regelgeving en uitkering van EU-gelden.
Als laatste redmiddel kan de Commissie een inbreukprocedure starten tegen lidstaten
die zich niet aan de wet houden.
Afghanistan
Het kabinet gelooft dat het bevorderen van terugkeer naar Afghanistan gebaat is bij
een gezamenlijke en gecoördineerde aanpak in Europees verband. Toch moeten de leden
van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat Nederland, nog los van het feit dat
het Taliban-regime op geen enkele wijze voldoet aan mensenrechtennormen en er sprake
is van grove schendingen van vrouwenrechten, al heeft besloten enkele vrouwen terug
te sturen naar Afghanistan. Hoe rijmt dit volgens de Minister met elkaar? Welke andere
landen zijn, naast Duitsland en Nederland, ook overgegaan tot het terugsturen van
niet alleen mensen die een gevaar vormen voor de openbare orde en veiligheid, maar
ook het terugsturen van kwetsbare groepen, zoals vrouwen? Erkent de Minister dat specifiek
vrouwenrechten onder de Taliban sterk zijn ingeperkt, dat vrouwen geen onderwijs kunnen
genieten, bijna niet meer mogen werken en de zeer beperkende kledingvoorschriften
streng worden gehandhaafd?
Antwoord
Ik erken dat de rechten van vrouwen en meisjes in Afghanistan door de Taliban ernstig
zijn ingeperkt. Overigens is er op dit moment feitelijk geen sprake van gedwongen
terugkeer vanuit Nederland naar Afghanistan. In het landgebonden asielbeleid voor
Afghanistan wordt ook rekening gehouden met de kwetsbare positie van vrouwen en meisjes.
Over de individuele zaken waarbij de asielaanvragen van vrouwen zijn afgewezen zijn
recentelijk verschillende Kamervragen gesteld.
Kortheidshalve verwijs ik naar de daarin gegeven antwoorden. Naar aanleiding van het
recent gepubliceerde ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over Afghanistan
beziet het Ministerie van Asiel en Migratie momenteel ook de mogelijke beleidsconsequenties
voor het landgebonden asielbeleid ten aanzien van Afghanistan, waaronder de positie
van vrouwen en meisjes.
Daarnaast lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat de inzet voornamelijk
gericht is op vrijwillige terugkeer. Deze leden zijn zeer benieuwd naar welke groepen
ervoor zouden kiezen om eerst hierheen te vluchten en nu de Taliban volledig aan de
macht is, weer terug te keren naar Afghanistan. Kan de Minister nader toelichten hoe
dit eruit ziet en om welke (groepen) mensen dit gaat? Gaat het hier ook om vrouwen?
Antwoord
In het beleid ten aanzien van vrijwillige terugkeer wordt niet ingezet op bepaalde
groepen. Voor iedereen die geen recht meer heeft op verblijf in Nederland geldt dat
er een verplichting is om Nederland te verlaten. Uitgangspunt is dat dit vrijwillig
gebeurt. Mocht iemand daarbij ondersteuning nodig hebben dan kan deze worden geboden
door het wegnemen van praktische belemmeringen als het vergoeden van een vliegticket
of vervangende reisdocumenten en aanvullend met de ondersteuning bij de herintegratie
in het land van herkomst.
Memorandum of Understanding tussen de EU en India
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de brief over de geannoteerde agenda
dat Nederland in Beneluxverband werkt aan afspraken met India over terugkeer en migratie
vanuit India. Kan de Minister deze afspraken nader toelichten? Wanneer verwacht de
Minister concrete afspraken hierover te hebben gemaakt en om welke aantallen zou dit
gaan?
Antwoord
Nederland werkt in Benelux-verband met India al enige tijd aan brede afspraken over
migratie, waaronder afspraken op het gebied van terugkeer en migratie. Zo streeft
het kabinet ernaar om tot (technische) afspraken over procedures en termijnen in het
terugkeerproces te komen. Momenteel zijn de onderhandelingen nog gaande, op het resultaat
kan derhalve niet worden vooruit gelopen. Op het moment dat er een onderhandelingsresultaat
is bereikt, zal de Kamer worden geïnformeerd.
Syrië
Klopt het dat sinds mei vorig jaar Frontex bezig is met het opzetten van een vrijwillig
terugkeerprogramma ten aanzien van Syrische vluchtelingen, waar inmiddels meer dan
14 EU-landen gebruik van hebben gemaakt? Zo ja, kan de Minister aangeven welke landen
dit zijn? Kan de Minister aangeven hoe dit programma eruit ziet en welke positieve
maatregelen hierbij worden ingezet? Is Nederland van plan om gebruik te maken van
dit programma?
Klopt het dat een aanvraag voor de verhoogde terugkeerondersteuning mogelijk was tot
1 januari 2026? Is de Minister voornemens dit te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Europese lidstaten kunnen voor Syrië sinds mei gebruik maken van het EU Reintegration
Programme (EURP) van Frontex. Dit geldt in principe voor alle Europese lidstaten,
maar ik heb geen overzicht van welke landen dit betreft. Daar waar mogelijk is Nederland
voornemens om ook gebruik te maken van EURP. Ondersteuning ziet o.a. op huisvesting,
medische zorg, arbeidsmarktoriëntatie, onderwijs en juridische dienstverlening. Om
gebruik te kunnen maken van EURP moet een terugkeerbesluit zijn afgegeven. Voor een
groot deel van de personen die vanuit Nederland zijn vertrokken geldt dat niet, aangezien
zij of nog in procedure zijn of reeds een vergunning hebben waardoor deelname aan
EURP niet kan. Het klopt dat de tijdelijke regeling voor terugkeerondersteuning liep
van 17 november tot en met 31 december 2025. Het kabinet zal nu eerst het effect van
de verhoogde ondersteuning evalueren. Daarnaast zet het kabinet in op het versterken
van de samenwerking met de Syrische autoriteiten, ook ten aanzien van terugkeer. In
samenhang daarmee zal worden bezien welke vorm van terugkeerondersteuning het meest
geschikt is.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het goed dat het kabinet stelt gastlanden
in de regio te blijven ondersteunen in hun inspanningen om vluchtelingen op te vangen
en te beschermen zolang zij nog niet kunnen terugkeren naar Syrië. Erkent het kabinet
dat deze verantwoordelijkheid ook geldt voor andere gastlanden die op dit moment ook
Syrische vluchtelingen opvangen en beschermen, zoals Nederland dat nu ook doet? Zo
ja, kan het kabinet toelichten waarom Nederland wel heeft gekozen tot een aanscherping
van het landenbeleid, terwijl in de geannoteerde agenda staat dat Nederland gastlanden
wil blijven ondersteunen om vluchtelingen uit Syrië op te vangen zolang het niet veilig
genoeg is om terug te keren?
Antwoord
Het landenbeleid ziet op de beoordeling van de asielrechtelijke beschermingsbehoefte
in een land van herkomst. Met de val van het Assad-regime is er een noemenswaardige
wijziging geweest in de redenen voor asielbescherming voor asielzoekers uit Syrië.
Dit is de aanleiding geweest om het landenbeleid te wijzigen en daar heb ik uw Kamer
over geïnformeerd per brief d.d. 10 juni jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 3435). Eind januari zal er een nieuw ambtsbericht verschijnen en dan zal het landenbeleid
opnieuw bezien worden. Het kabinet is zich ervan bewust dat massale terugkeer van
Syriërs op dit moment nog niet aan de orde is. Dat betekent dat veel Syriërs op korte
termijn nog zullen worden opgevangen in buurlanden en in EU-lidstaten. Bescherming
en opvang in de regio blijft daarom onverkort van belang. Het kabinet zal de bescherming
van vluchtelingen in de regio derhalve blijven ondersteunen.
Griekenland
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben recent kennisgenomen van het kabinetsbesluit
om asielzoekers weer terug te sturen naar Griekenland.1 Kan de Minister nader toelichten hoe de omstandigheden, volgens de Minister, zijn
verbeterd? Kan de Minister concreet aangeven welke projecten en welke middelen hiervoor
zijn vrijgemaakt? Deze leden wijzen hierbij op het verslag van het feitenonderzoek
naar statushouders in Griekenland van iets meer dan een jaar geleden.2 Het onderzoek stelt onder meer dat er nog veel obstakels zijn voor toegang tot documenten,
sociale voorzieningen, werk en huisvesting. Kan de Minister aangeven op welke punten
sinds de opstelling van het feitenonderzoek in september 2024 forse verbeteringen
zijn geweest? Op welke punten hebben Nederlandse investeringen bijgedragen aan een
verbetering? Kan de Minister hiervan concrete voorbeelden geven?
Antwoord
Om verwarring en misvattingen te voorkomen wil ik erop op wijzen dat het in de vraag
genoemde verslag van een feitenonderzoek ziet op de positie van vreemdelingen die
een asielvergunning hebben gekregen (statushouders) in Griekenland, terwijl de Dublinverordening
ziet op asielzoekers (in andere woorden: op asielzoekers die (nog) geen asielvergunning
hebben gekregen). Op 4 april 2025 heeft de Europese Commissie een mededeling uitgebracht
over de stand van zaken omtrent migratiemanagement op het vasteland van Griekenland.
Daarin concludeert de Commissie dat er geen systematische tekortkomingen in het Griekse
asiel- en opvangsysteem (meer) zijn en Dublinoverdrachten naar Griekenland net als
naar andere lidstaten weer mogelijk zijn. In de Mededeling wordt ingegaan op de aanzienlijke
investeringen in opvanginfrastructuur, snellere asielprocedures en betere bescherming
van kwetsbare groepen, waaronder alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’ers).
De financiering hiervan komt onder andere uit het EU Home Affairs Funds. Dit was – in
samenhang met de naderende implementatiedeadline voor het Pact van 12 juni dit jaar –
voor het kabinet de aanleiding om voorbereidingen te treffen voor het hervatten van
Dublinoverdrachten van Nederland naar Griekenland. Nederland ondersteunt verder op
het Griekse eiland Lesbos via IOM een project voor net gearriveerde amv’ers, inclusief
psycho-sociale begeleiding. Een voormalig hotel biedt nu plaats aan maximaal 60 amv’ers.
Dergelijke projecten hebben voorts bijgedragen aan verbeteringen van de situatie in
Griekenland. Ook EUAA biedt aanzienlijke operationele en technische ondersteuning
aan Griekenland
Kan de Minister reageren op de bevindingen van het rapport van hulporganisatie Refugee
Support Aegean?3 Het rapport stelt onder andere dat in veel kampen sprake is van gebrekkig onderhoud,
slechte woonomstandigheden en slechte sanitaire voorzieningen. Het rapport stelt tevens
dat grote groepen kampbewoners weinig tot geen financiële ondersteuning ontvangen
wat hun mogelijkheden om basisbehoeften te betalen ernstig beperkt. Ook de toegang
tot adequate gezondheidszorg en bescherming is ernstig tekortgeschoten in veel kampen,
wat de fysieke en mentale gezondheid van bewoners onder druk zet. Bovendien is er
weinig tot geen gerichte ondersteuning om erkende vluchtelingen te helpen integreren
in de samenleving, zoals hulp bij taal, werk, huisvesting buiten de kampen of participatie
in lokale gemeenschappen. Op welke vlakken ziet de Minister substantiële verbeteringen
en hoe kan de Minister dit concreet bewijzen? Kan de Minister per knelpunt aangeven
wat de stand van zaken is? Hoe is de situatie, per knelpunt, verbeterd sinds eind
2024?
Antwoord
De Commissie erkent in haar mededeling van april 2025 dat op onderdelen van het Griekse
asiel- en opvangstelsel verbeteringen nodig zijn, maar concludeert dat er geen sprake
(meer) is van systematische tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem op het Griekse
vasteland die zouden leiden tot een risico op onmenselijke of vernederende behandelingen
in de zin van artikel 4 van het Handvest.
Kan de Minister aangeven op basis van welke bronnen de conclusie is getrokken dat
asielzoekers weer overgedragen kunnen worden aan Griekenland? Kan de Minister de onderliggende
ambtelijke en juridische adviezen die tot dit besluit hebben geleid met de Kamer delen?
Zo nee, waarom niet? Welke andere EU-landen hebben besloten om asielzoekers weer terug
te sturen naar Griekenland?
Antwoord
Zoals in het antwoord op de vorige vragen reeds aangegeven is – in samenhang met de
naderende implementatiedeadline voor het Pact van 12 juni dit jaar – de mededeling
van de Commissie over de stand van zaken omtrent migratiemanagement op het vasteland
van Griekenland van 4 april 2025 de aanleiding voor het kabinet geweest om over te
gaan tot het treffen van voorbereidingen voor het hervatten van Dublinoverdrachten
van Nederland naar Griekenland. De onderliggende beslisnota van 12 mei 2025 daarover,
treft u aan in de bijlage bij deze beantwoording. Ook voor andere lidstaten is dit
aanleiding geweest om de overdracht van Dublinclaimanten naar Griekenland te hervatten
vanaf de implementatiedeadline van het Pact. Het kabinet beschikt niet over een overzicht
welke lidstaten daartoe hebben besloten. Dat hangt mede samen met het feit dat daadwerkelijke
overdrachten nog niet hebben plaatsgevonden. Tijdens mijn bezoek van 14 en 15 januari
jl. heb ik met mijn Griekse ambtgenoot nadere afspraken gemaakt om de overdracht van
Dublinclaimanten zorgvuldig voor te bereiden. Die afspraken zien onder andere op nadere
informatie over de situatie in Griekenland ten behoeve van de onderbouwing van het
standpunt van de Staat in eventuele beroepsprocedures in de toekomst. Die informatie
is eerst nodig om daadwerkelijk over te gaan tot het zetten van stappen met juridische
gevolgen in de vorm van het nemen van een overdrachtsbesluit en zal tevens bij een
procedure voor de rechter onderdeel worden van een openbare terechtzitting en daarmee
publiek toegankelijk. De komende maanden wordt dit in aanloop naar 12 juni verder
uitgewerkt door de IND en het Ministerie van Asiel en Migratie.
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de
Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 22 en 23 januari. Deze leden maken graag van
de gelegenheid gebruik om enkele vragen te stellen aan de Minister hierover.
Werksessie I – Duurzame benaderingen van terugkeer en herintegratie
De leden van de CDA-fractie lezen dat tijdens deze werksessie zal worden gesproken
over duurzame benaderingen van terugkeer en herintegratie van vertrekplichtige vreemdelingen.
Deze leden vragen het kabinet welke concrete inzet het voor ogen heeft tijdens deze
strategische discussie. Daarnaast vragen deze leden het kabinet hoe de recente algemene
oriëntatie op de Terugkeerverordening zich verhoudt tot deze discussie. Ook vragen
deze leden hoe het kabinet aankijkt tegen de effectiviteit van verschillende vormen
van herintegratieondersteuning.
Antwoord
Het kabinet zet in de strategische discussie over duurzame en effectieve benaderingen
van terugkeer en herintegratie in op Europese samenwerking en het uitwisselen van
goede praktijken tussen lidstaten. Brede en strategische migratiepartnerschappen met
derde landen zijn een essentieel onderdeel zijn van het Nederlandse beleid om terugkeer
en herintegratie te bevorderen. Voor maximale efficiëntie en resultaat hebben het
Ministerie van Asiel en Migratie en het Ministerie van Buitenlandse Zaken de krachten
gebundeld in een gezamenlijke taskforce internationale migratie. Aandachtspunten voor
het kabinet om meer resultaat te bereiken op het gebied van terugkeer en re-integratie
is de beschikbaarheid van voldoende financiële middelen, zowel nationaal als Europees.
Voor de toekomst moet dat breed verankerd worden in de nieuwe Global Europe pijler
van het volgende Meerjarig Financieel Kader (MFK). Nederland beziet verder actief
hoe samenwerking met andere lidstaten kan worden versterkt.
Daarnaast maakt Nederland voor terugkeer en re-integratie gebruik van het European Reintegration Programme (EURP) van Frontex. De recente algemene oriëntatie op de Terugkeerverordening acht
het kabinet ondersteunend aan deze discussie. De Raad zet in op verdere harmonisatie
van de regelgeving en effectievere uitvoering van het Europese terugkeerbeleid, met
aandacht voor duurzame herintegratie.
Het kabinet is van oordeel dat herintegratieondersteuning het meest effectief is wanneer
sprake is van maatwerk. Daarbij heeft ondersteuning in het land van herkomst de voorkeur,
terwijl aanvullende voorbereiding in Nederland, een waardevolle bijdrage kan leveren
aan duurzame herintegratie.
Werklunch – Terugkeer naar Syrië en Afghanistan
De leden van de CDA-fractie nemen kennis van het voornemen om tijdens de werklunch
te spreken over het bevorderen van terugkeer naar Syrië en Afghanistan. Deze leden
vragen het kabinet welke concrete stappen het kabinet van de Europese Commissie verwacht
bij het ontwikkelen van een meer gecoördineerde EU-aanpak ten aanzien van de terugkeer
van Syriërs en binnen welk tijdpad het dergelijke voorstellen verwacht. Ook vragen
deze leden hoe het kabinet verwacht dat de Europese Commissie borgt de omstandigheden
voor terugkeerders in Syrië te verbeteren.
Antwoord
Het kabinet is van mening dat een gezamenlijke en brede EU aanpak voor Syrië nodig
is die inzet op bijdragen aan verbetering van de stabiliteit, veiligheid en socio-economische
omstandigheden in Syrië met daarbij tegelijkertijd een aanpak ten aanzien van verantwoorde
en duurzame terugkeer. Met het oog op de migratiedoelstellingen moet deze aanpak duidelijke
stappen bevatten om 1) te investeren in de sociaaleconomische situatie om duurzame
terugkeer mogelijk te maken, 2) de internationale bescherming en vrijwillige terugkeer
van vluchtelingen in landen in de regio te blijven ondersteunen, 3) samen te werken
aan vrijwillige terugkeer en, waar op termijn gepast en mogelijk, gedwongen terugkeer,
en 4) bij te dragen aan institutionele ontwikkeling en capaciteitsversterking op het
gebied van Syrisch migratiemanagement en grensbeheer. Deze gezamenlijke EU aanpak
kan de volgende concrete maatregelen bevatten: EU coördinatie op het gebied van capaciteitsopbouw
alsmede operationele afspraken over migratie en terugkeer. De situatie in Syrië is
nog volop in ontwikkeling, mede in dat kader is het van belang dat de door het kabinet
verlangde gecoördineerde aanpak op korte termijn wordt besproken met de lidstaten.
Ten aanzien van Afghanistan vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet de
spanning beoordeelt tussen het niet erkennen van het Taliban-regime en de noodzaak
om terugkeer te bevorderen. Welke praktische mogelijkheden ziet het kabinet om toch
vooruitgang te boeken bij het organiseren van terugkeer waarbij wordt gewaakt dat
de minimale contacten met het Taliban-regime niet uitgebreid worden? Daarnaast vragen
deze leden hoe het kabinet waarborgt dat gezamenlijke inzet van EU-landen gaat leiden
tot hogere terugkeercijfers.
Antwoord
Nederland erkent het Taliban-regime niet als de legitieme vertegenwoordiging van de
Afghaanse bevolking. Het kabinet onderhoudt operationele contacten met het Taliban
regime. Erkenning is niet aan de orde. Voor Nederland is het belangrijk dat internationale
stappen richting normalisering van de betrekkingen met de Taliban worden gekoppeld
aan een inclusief vredesproces en vooruitgang op het gebied van mensenrechten, zeker
voor wat betreft vrouwen en meisjes. Nederland steunt in dit kader en via de EU het
zogenaamde VN-geleide Doha proces.
Het organiseren van terugkeer naar een staat met een niet erkende autoriteit is een
collectieve uitdaging voor EU lidstaten. We denken hier effectiever in te kunnen optreden
door dit gezamenlijk te doen. De Europese Commissie kan ondersteunen met het opzetten
van een re-integratieprogramma in Afghanistan en terugkeer meenemen in lopende gesprekken.
Een dergelijke aanpak en het toewerken naar operationele afspraken kan helpen met
het bevorderen van vrijwillig en gedwongen vertrek.
Werksessie II – Versterken van het Schengengebied: interne veiligheidsmaatregelen
om secundaire migratie binnen Schengen te voorkomen
De leden van de CDA-fractie lezen dat het Voorzitterschap een brede discussie wil
voeren over maatregelen tegen secundaire migratie en ter versterking van de interne
veiligheid binnen Schengen. Deze leden vragen welke specifieke aandachtspunten Nederland
ziet bij andere lidstaten op het gebied van buitengrensbeheer en secundaire migratie,
en op welke manier deze verbeterd kunnen worden.
Antwoord
De inzet van het kabinet is erop gericht dat lidstaten de in Schengenevaluaties geïdentificeerde
tekortkomingen adresseren. In het afgelopen jaar is er door lidstaten voortgang gemaakt
ten aanzien van de implementatie van de aanbevelingen uit de Schengenevaluaties, waaronder
ook op het gebied van het buitengrensbeheer, waardoor het percentage niet geïmplementeerde
aanbevelingen gedaald is. Voorbeelden van de belangrijkste tekortkomingen zijn de
tekortkomingen in grenssurveillance, gebrekkige risicoanalyses en situationeel bewustzijn,
en technische problemen. Daarnaast is er in sommige lidstaten ook een gebrek aan voldoende
capaciteit en middelen. Het kabinet zet erop in dat er meer transparantie komt t.a.v.
hoe lidstaten tekortkomingen adresseren, bijvoorbeeld door dit vaker op politiek niveau
te bespreken en best practices uit te wisselen. Daarnaast is het van belang dat er voldoende middelen beschikbaar
zijn en te bezien of het mogelijk is om Europese fondsen hiervoor te gebruiken.
Verder is het van belang dat ook het Pact volledig geïmplementeerd wordt, waaronder
de asielgrensprocedure, uniforme screening en Eurodac-registratie, en de asiel- en
migratiebeheerverordening. In dit kader moet ook Dublin weer gaan werken. Nederland
roept consequent op tot een effectieve implementatie van het Pact en heeft in dit
kader belangrijke afspraken gemaakt met Griekenland over Dublin.
Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie welke concrete stappen het kabinet zet
om de informatie-uitwisseling en samenwerking tussen lidstaten te verbeteren. Kan
de Minister aangeven waar de Minister verdere versterking noodzakelijk acht?
Antwoord
Het kabinet zet op meerdere niveaus in op het verbeteren van informatie-uitwisseling
en samenwerking tussen lidstaten op het gebied van zowel justitie en veiligheid en
asiel en migratie. Ten eerste wordt er in EU-verband ingezet op tijdige en goede werking
van bestaande EU-informatiesystemen, zoals het Schengen Informatiesysteem (SIS) en
het Visa Informatiesysteem (VIS). Deze systemen zijn gezamenlijke Europese databanken
waarin lidstaten informatie delen over persoonsgegevens, biometrische gegevens en
signaleringen over reizigers. Ze spelen een belangrijke rol bij het vaststellen van
identiteit, voorkomen van misbruik van procedures en het ondersteunen van de uitvoering
van de Dublinverordening.
Een belangrijke prioriteit van het kabinet met betrekking tot de informatie-uitwisseling
tussen lidstaten, is de effectieve implementatie van de nieuwe of aangepaste Europese
systemen waaronder EES en ETIAS en de interoperabiliteit hiertussen. Bij volledige
implementatie zullen dezeinformatiesystemen, die EU-breed worden uitgerold, in staat
te zijn met elkaar te communiceren. Het kabinet zet in op de verdere versterking van
deze systemen. Dit draagt bij aan bestrijding van irreguliere migratie en de veiligheid
van het Schengengebied in den brede. Informatie die deze systemen leveren, zullen
voor onder meer analysedoeleinden gebruikt worden door lidstaten en agentschappen
om het toezicht op grenzen verder te verbeteren en (tijdig) te bepalen wie wel of
geen toegang krijgt tot het Schengengebied. Verbeterd inzicht in passagiersstromen
die de buitengrenzen passeren, modus operandi, weigeringen of overstayers, zal ook
ten goede komen aan binnenlandse vreemdelingentoezicht.
Inbreng van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met bijzondere belangstelling kennisgenomen van
de geagendeerde JBZ Raad en de daarbij behorende documentatie en wensen in dat licht
enkele vragen en kanttekeningen naar voren te brengen.
De leden van de JA21-fractie hebben de Minister-President een notitie aangeboden met
een voorstel voor een nieuw interpretatieprotocol bij het Europees Verdrag voor de
Rechten van de Mens (EVRM). Het kabinet verwijst in de beantwoording op onze vorige
vragen hierover naar een brede verkenning in het kader van de motie Van Zanten/Boomsma
(Kamerstuk 32 317, nr. 951).4 Wanneer komt het kabinet met deze verkenning? Kan het kabinet apart ingaan op de
afzonderlijke voorstellen van deze notitie?
Antwoord
De uitkomsten van de verkenning zullen uiterlijk einde van het eerste kwartaal met
uw Kamer worden gedeeld. De voorstellen in de notitie zullen daarin worden meegenomen.
Nederland vormde een kopgroep met gelijkgezinde lidstaten, met onder andere Denemarken
en Italië, om te komen tot «innovatieve oplossingen» en verdere aanscherping van het
migratiebeleid. Welke status heeft deze kopgroep nu? Is deze uitgebreid met andere
landen? Vindt hiermee nog apart overleg plaats? Hoe verhoudt deze kopgroep zich nu
tot de groep van negen landen die een gezamenlijke brief stuurden over de interpretatie
van het EVRM?
Antwoord
Er bestaat zowel een kopgroep op innovatieve oplossingen als een kopgroep over de
aanscherping van asiel- en migratiebeleid, waar verdragen onderdeel van zijn. Nederland
neemt in beide kopgroepen deel, de samenstelling van deze kopgroepen is deels overlappend
en deels anders.
De kopgroep van gelijkgezinde lidstaten over de aanscherping van asiel- en migratiebeleid,
waar verdragen onderdeel van zijn heeft zich over de periode tussen juni en december
sterk uitgebreid. De gezamenlijke verklaring werd door 27 lidstaten van de Raad van
Europa ondertekend. De negen landen die de brief op initiatief van Denemarken en Italië
ondertekenden zijn onderdeel van deze groep. Er is nauw contact met gelijkgezinde
lidstaten over de inzet van betrokken lidstaten in Straatsburg. Daarnaast is dit onderwerp
met gelijkgezinde lidstaten meermaals besproken en marge van de Europese Raad. Uw Kamer is hierover geïnformeerde in de Geannoteerde agenda
van de Europese Raad.
Daarnaast, heeft Nederland een voortrekkers rol in de kopgroep van gelijkgezinde lidstaten
over innovatieve oplossingen. Deze kopgroep verzond op 16 december jl. een politieke
brief aan de Europese Commissie over innovatieve oplossingen, ondertekend door 19
lidstaten, waarover u geïnformeerd bent in de aanbiedingsbrief van het Verslag van
de JBZ-Raad van 8 en 9 december (Kamerstuk 32 317, nr. 987).
Op 10 december vond een ministeriële conferentie plaats bij de Raad van Europa in
Straatsburg. Wat was de inzet van Nederland op die bijeenkomst? Graag een toelichting
op de Nederlandse inbreng en inzet, het verloop van die bijeenkomst, en de uitkomsten
ervan. In hoeverre heeft Nederland zich daar achter de voorstellen geschaard van leden
van de JA21-fractie voor een nieuw interpretatie-protocol bij het EVRM?
Antwoord
Voor de inzet van Nederland, het verloop en de uitkomsten verwijs ik u naar de aanbiedingsbrief
bij de Geannoteerde Agenda van de JBZ-Raad van 8 en 9 december en de aanbiedingsbrief
bij het Verslag van de JBZ-Raad van 8 en 9 december.
Steunt het kabinet de inzet om de politieke ruimte voor het kabinet om beleid te maken
te verruimen, en zo ja, hoe?
Antwoord
Het kabinet steunt de oproep voor het aanscherpen van asiel- en migratiebeleid. Als
onderdeel van de verkenning in het kader van de motie Van Zanten / Boomsma brengt
het kabinet in kaart welk handelingsperspectief er is binnen de huidige wet- en regelgeving
en in hoeverre aanpassing van internationale verdragen en het Unierecht bij zou kunnen
dragen aan mogelijke oplossingen voor deze uitdagingen. Ook heeft het kabinet in het
kader van deze verkenning een onderzoek uitgezet bij Clingendael naar de mogelijkheden
tot het opvangen van meer asielzoekers buiten de EU en het afhandelen van asielverzoeken
buiten het EU-grondgebied in relatie tot de internationale verdragen. Daarnaast is
het kabinet onderdeel van de kopgroep gelijkgezinde lidstaten die zich inzet voor
de aanscherping van asiel- en migratiebeleid. Dit heeft er onder andere toe geleid
dat er momenteel wordt gewerkt aan een politieke verklaring in de Raad van Europa.
Over een paar maanden vindt dus de volgende bijeenkomst plaats in Moldavië waarbij
het streven is om tot een politieke verklaring te komen over de interpretatie van
het EVRM. Welke overleggen vinden op dit moment plaats ter voorbereiding van deze
verklaring en de inhoud ervan? Wat is de inzet van het kabinet daarbij? Graag een
toelichting. Is het kabinet bereid om een toelichting te geven op de specifieke inhoudelijke
inzet van deze onderhandelingen en de motivatie daarachter?
Antwoord
Momenteel wordt er op technisch juridisch niveau gekeken naar mogelijke elementen
die een dergelijke verklaring kan bevatten. In een later stadium zal onderhandeld
worden over de politieke verklaring zelf. Over de inzet van het kabinet t.a.v. de
politieke verklaring bent u geïnformeerd in de aanbiedingsbrief van het Verslag van
de JBZ-Raad van 8 en 9 december. Zoals toegezegd wordt u via deze wijze geïnformeerd
bij nieuwe ontwikkelingen.
In het verslag van de JBZ-raad in december stelt het kabinet dat de inzet van het
kabinet is dat deze de status krijgt van een interpretatieve verklaring.5 Kan het kabinet dat toelichten? Wanneer is formeel sprake van een «interpretatieve
verklaring» en welke procedure geldt voor het bepalen of daar sprake van is? Moet
deze dan worden onderschreven door twee derde van de leden van de Raad?
Antwoord
De inzet van het kabinet is erop gericht dat deze verklaring een interpretatieve verklaring
zal zijn, in de zin dat deze een «later tot stand gekomen overeenstemming» vormt over
de uitleg of toepassing van het EVRM. Hiervoor is overeenstemming nodig tussen alle
verdragsluitende partijen. Met een op die manier tot stand gekomen verklaring dient
op basis van het verdragenrecht door alle partijen rekening te worden gehouden bij
de interpretatie van het EVRM. Ook indien het niet mogelijk blijkt de verklaring bij
consensus aan te nemen, kan deze mogelijk alsnog gewicht in de schaal leggen, als
uitdrukking van de politieke wens van de (gekwalificeerde) meerderheid van de staten
die partij zijn bij het EVRM.
In dit verslag staat tevens: «In de conclusies is ook opdracht gegeven aan de Secretaris-Generaal
om internationaal een dialoog te voeren over migratie. Nederland zet erop in dat deze
dialoog ertoe zal leiden dat jurisprudentie, bijvoorbeeld van het EU Hof van Justitie,
meer in lijn wordt gebracht met uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van
de Mens.» Kan het kabinet dit toelichten? Welke specifieke jurisprudentie moet «meer
in lijn» worden gebracht met de uitspraken van het Europese Hof? Graag een aantal
voorbeelden over de belangrijkste uitspraken waar op wordt gedoeld. Hoe verhoudt dat
zich tot de inzet om juist een nieuw interpretatieprotocol op te stellen voor het
EVRM?
Antwoord
De nationale ambtelijke analyse naar de modernisering van Verdragen is momenteel in
een afrondende fase. Op grond van de initiële analyse kan worden vastgesteld dat het
Unierecht en de jurisprudentie van het EU-Hof van Justitie, alsook nationale jurisprudentie,
de lat hoe burgers te behandelen vaak hoger legt dan de mensenrechtelijke ondergrens,
zoals bepaald in het EVRM en de rechtspraak van het EHRM. Wanneer de verkenning afgerond
is, wordt uw Kamer hierover nader geïnformeerd. De uitkomsten van de verkenning zullen
in het eerste kwartaal met uw Kamer worden gedeeld.
De gezamenlijke verklaring van de Ministers over de bijeenkomst op 10 december – «Joint
follow-up letter from the undersigned Ministers on the operationalisation of new and
innovative solutions to counter and prevent irregular migration to Europe» – is erg
abstract geformuleerd.6 Er staat onder andere: «The EU and its Member States, together with key partner countries,
need to continue enhancing the comprehensive partnership approach, of which migration
management is a fundamental part, and expand it with new and innovative solutions.
This will require us to further develop innovative solutions, creating necessary conditions
within the EU legal framework and policies to ensure that these partnerships are practical
and sustainable.» Welke innovatieve oplossingen betreft het dan? In de verklaring
wordt verwezen naar het belang om «in the earliest possible stages» te proberen om
«prospective partner countries» te betrekken. Welke stappen worden hiertoe door het
kabinet gezet? In hoeverre wordt daarmee samengewerkt met andere lidstaten en met
welke?
Antwoord
Op dit moment worden er in de Europese Unie verschillende vormen van innovatieve oplossingen
bestudeerd. Dit gaat grofweg over drie concepten: het veilig derde land concept, de
terugkeerhub en het veilige haven concept. Het kabinet onderstreept dat er continu
gezocht moet worden naar nieuwe vormen van oplossingen, en ziet graag dat nieuwe ideeën
ook onderdeel worden van de aanpak van innovatieve oplossingen. Het kabinet trekt
daarbij nauw op met de ondertekende lidstaten van de brief die op 16 december jl.
naar de Europese Commissie verstuurd werd.
De gezamenlijke verklaring van 27-lidstaten «Joint Statement delivered to the Conference
of Ministers of Justice of the Council of Europe» stelt dat als het huidige asielsysteem
landen onvoldoende ruimte biedt om op te treden tegen migratie en misbruik van het
asielstelsel, en nu geen stappen worden gezet om die problemen te kunnen aanpakken,
dit juist de rechten en vrijheden die het mensenrechtenverdrag zegt te beschermen
zal ondermijnen.7 Amen, zo zeggen de leden van de JA21-fractie. Wil het kabinet dit inzicht blijven
uitdragen in de komende besprekingen?
Antwoord
Nederland heeft de gezamenlijke verklaring van zevenentwintig lidstaten gesteund.
In de verklaring wordt opgeroepen tot het versterken van het Conventiesysteem met
oog voor de belangrijkste uitdagingen op het gebied van asiel- en migratie. De inzet
van het kabinet blijft erop gericht de belangrijkste uitdagingen op het gebied van
asiel- en migratie aan te pakken, door het aanscherpen van asiel- en migratiebeleid.
Bovenstaande verklaring werd getekend door 27 landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk,
maar niet door Frankrijk of Duitsland. Waarom tekenden deze landen niet mee? Is het
kabinet bereid om met deze twee belangrijke lidstaten in overleg te treden om hen
te bewegen tot steun voor deze voorstellen en met het oog op breder draagvlak voor
de geplande verklaring van Chișinău?
Antwoord
Het kabinet kan geen uitspraken doen over de beweegredenen van andere lidstaten. Het
kabinet streeft naar zo breed mogelijke steun voor de politieke verklaring in het
Comité van Ministers van Chisinău en staat in nauw contact met andere lidstaten over
het traject.
De leden van de JA21-fractie lezen in deze stukken een bevestiging dat de huidige
EVRM-jurisprudentie een belemmering kan vormen voor de effectieve implementatie van
onderdelen van het nieuwe migratiepact, zoals terugkeer en detentie. Kan het kabinet
dat bevestigen? Erkent het kabinet dat zonder een nieuwe interpretatieve verklaring
de nieuwe EU-instrumenten (Terugkeerverordening, veilige derde landen, hubs) tegen
te veel praktische en juridische belemmeringen op zullen lopen?
Antwoord
Het kabinet ziet geen belemmeringen in internationale wet- en regelgeving voor de
implementatie van nieuwe EU-instrumenten, zoals de Terugkeerverordening en het veilig
derde land concept.
De leden van de JA21-fractie hebben eerder gevraagd naar een fundamentele herziening
van het asielstelsel, waarbij opvang en procedure worden geëxternaliseerd en het perverse
stelsel dat illegale inreis loont en beloont, wordt weggenomen. Het kabinet verwijst
naar een lopend onderzoek bij Clingendael over externalisering dat begin 2026 klaar
zou zijn.8 Kan het kabinet toezeggen om op zo kort mogelijke termijn en in ieder geval binnen
één maand na ontvangst een kabinetslijn met concrete voorstellen en scenario’s naar
de Kamer te sturen?
Antwoord
Het kabinet zal de appreciatie van het Clingendael rapport gelijktijdig met de nationale
ambtelijke analyse over de modernisering van Verdragen aan uw Kamer doen toekomen.
Dit zal uiterlijk einde van het eerste kwartaal met uw Kamer worden gedeeld.
Deelt het kabinet de visie dat een stelsel waarin asielverzoeken in beginsel uitsluitend
buiten EU-grondgebied kunnen worden ingediend en illegale inreis leidt tot uitsluiting
van toegang tot de asielprocedure in de lidstaat van binnenkomst, uiteindelijk het
meest effectief is om mensensmokkel tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Meer grip op migratie, inclusief het tegengaan van mensensmokkel, moet een combinatie
zijn van nationale, Europese en internationale maatregelen. Op EU-niveau is een cruciale
stap de implementatie van het Asiel- en Migratiepact. Tegelijkertijd is het van belang
dat de Europese Commissie en lidstaten continu op zoek blijven naar meer en nieuwe
oplossingen, waaronder het veilig derde land concept en de terugkeerhub.
Bij de schriftelijke inbreng bij de vorige JBZ-raad hebben de leden van de JA21-fractie
gevraagd naar de notitie van de voormalig Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen
Bossuyt getiteld «How to meet the concern expressed by Nine EU Leaders» die op verzoek
van de Belgische premier is opgesteld. Het kabinet gaf aan kennis te hebben genomen
van deze notitie en te werken aan bredere verkenning naar de modernisering van verdragen
naar aanleiding van de motie van de leden Van Zanten en Boomsma.9 Veel van de 28 voorstellen in die notitie betreft echter geen herziening van verdragen
maar van EU-wetgeving. Kan het kabinet ingaan op deze afzonderlijke voorstellen? Heeft
het Belgische kabinet inmiddels gereageerd op deze voorstellen?
Antwoord
Zoals ook beschreven in het plan van aanpak over de uitvoering van motie Van Zanten/Boomsma
over de modernisering van Verdragen wordt het Unierecht en handelingsperspectief op
dat punt specifiek meegenomen in deze analyse. Het Belgische kabinet heeft geen officiële
reactie gegeven op de voorstellen van de heer Bossuyt.
In het licht van de lopende onderhandelingen over veilige derde landen en de EU-lijst
van veilige landen van herkomst stelt het kabinet dat de nieuwe regels «een belangrijke
aanvulling» op het pact vormen en meer ruimte bieden voor versnelde of externe procedures.
Kan het kabinet concreet aangeven hoeveel zaken per jaar het denkt te kunnen afdoen
met het veilig derde land concept en externe procedures, en hoe dit zich verhoudt
tot de totale instroom? Klopt het dat een herkomstland nu ook gedeeltelijk veilig
kan worden verklaard, als onderdeel van de wetgeving over veilige herkomstlanden?
Antwoord
Deze onderhandelingen zijn afgerond. De wetgeving wordt van toepassing per 12 juni
2026. Op grond van het onderhandelingsresultaat is het niet langer een verplichtende
voorwaarde dat de vreemdeling banden had met het derde land op grond waarvan het redelijk
was voor hem om naar dat land terug te keren. Het zal ook mogelijk worden het veilig
derde land concept toe te passen indien de vreemdeling door het land is gereisd of
er een overeenkomst bestaat met het derde land. Mogelijk wordt het concept daarom
toepasbaar op meer zaken. Het is niet mogelijk om concrete en betrouwbare cijfers
te generen, omdat dit afhankelijk is van meerdere voorwaarden, waaronder een eventuele
overeenkomst met een derde land, en omdat in iedere zaak ook een individuele beoordeling
moet plaatsvinden. Lidstaten kunnen bij het aanmerken van een derde land als veilig
land van herkomst of veilig derde land inderdaad uitzonderingen maken voor specifieke
delen van zijn grondgebied of voor duidelijk identificeerbare categorieën personen.
De leden van de JA21-fractie hebben eerder hun steun uitgesproken voor het gebruik
van veilige derde landen en de toepassing van het veilig derde land concept, maar
met de nadrukkelijke wens het bandencriterium te schrappen. Het kabinet erkent dat
schrappen niet haalbaar bleek en dat nu een compromis geldt waarin óók doorreis of
een overeenkomst met het derde land voldoende kan zijn. Kan het kabinet een inschatting
geven hoeveel asielzoekers kunnen worden verwezen naar deze derde landen?
Antwoord
Zoals aangegeven in het antwoord op de vorige vraag is het niet mogelijk om betrouwbare
cijfers te generen die betrekking hebben op dit criterium.
Welke stappen onderneemt het kabinet op dit moment om afspraken te maken met veilige
derde landen om terugkeer en opvang daar mogelijk te maken? Graag een toelichting.
In welk stadium bevinden deze voorbereidingen zich? Is het kabinet bereid om zo snel
mogelijk alle benodigde stappen te zetten hiertoe? Kan het kabinet aangeven welke
derde landen hiervoor in aanmerking komen?
Antwoord
Het onderhandelingsresultaat inzake de Verordening Veilige derde landen biedt EU-lidstaten
meer mogelijkheden om dit concept toe te passen. Als onderdeel van het Asiel- en Migratiepact
gaat de herziening in op 12 juni 2026. In de Asielprocedurerichtlijn zijn verschillende
criteria gesteld voor wanneer dit concept toegepast mag worden. Zo moet het land buiten
de Europese Unie toegang verlenen aan de overdragen te asielzoeker, en moet de mogelijkheid
bestaan om doeltreffende bescherming aan te vragen en, indien de voorwaarden vervuld
zijn, te krijgen. Op dit moment wordt niet gewerkt met een lijst van veilige derde
landen. Het kabinet heeft op dit moment ook geen gesprekken met derde landen over
het maken van afspraken op dit gebied. Het initiëren van dergelijke afspraken is aan
een volgend kabinet. Wel roept het kabinet de Europese Commissie op tot het uitwerken
van dergelijke afspraken. Ondertussen wordt het concept Veilige derde landen wel op
individueel niveau toegepast, er wordt in dergelijke zaken de individuele en op dat
moment huidige situatie van de vreemdeling en in het land beoordeeld.
Lidstaten wordt gevraagd door de voorzitter te reflecteren op terugkeer naar Syrië.
Is het kabinet bereid om nadrukkelijk het belang naar voren te brengen dat zo snel
mogelijk wordt begonnen met het herbeoordelen van tijdelijke asielstatussen en daarvoor
de samenwerking te zoeken met andere landen? Welke andere landen gaan over tot herbeoordeling
van reeds verleende asielstatussen of overwegen dat te doen? Kan het kabinet daarin
samenwerken in een «kopgroep» van gelijkgestemde lidstaten?
Antwoord
Het kabinet beschikt niet over informatie dat lidstaten op grote schaal bezig zouden
zijn met het herbeoordelen van Syrische statushouders met een tijdelijke verblijfstitel,
noch dat er dergelijke voornemens leven bij bepaalde lidstaten. Vooropgesteld staat
dat er eerst voldaan zal moeten worden aan de Unierechtelijke voorwaarden om tot intrekking
van een reeds verleende vergunning over te gaan. Dan pas speelt de vraag of, en zo
ja, op welke wijze er overgegaan zal worden tot het herbeoordelen van Syrische zaken.
In de nationale context dient er ook rekening gehouden te worden met de grote voorraad
zaken in eerste aanleg waarvoor de IND aan de lat staat. Ik kan hier daarom nog niet
op vooruit lopen.
Het kabinet zegt in te zetten op een gecoördineerde EU-aanpak in samenwerking met
Syrië en andere landen in de regio. Welke aspecten zou een dergelijke aanpak volgens
het kabinet moeten bevatten? Is het kabinet het eens met de leden van de JA21-fractie
dat dit wel zo snel mogelijk gestalte moet krijgen?
Antwoord
Zie beantwoording op een gelijkluidende vraag. Het kabinet onderschrijft de noodzaak
om een gecoördineerde EU aanpak op korte termijn te bespreken met alle lidstaten en
zet zich hier ook voor in tijdens de Raad op Cyprus.
De EU heeft onlangs 620 miljoen toegezegd voor de re-integratie van Syrische terugkeerders.
Hoe wordt dat geld besteed? Op welke manier wordt het daarmee makkelijker gemaakt
om statussen te herbeoordelen? Het kabinet stelt dat een nieuw ambtsbericht begin
2026 nodig is voor herbeoordeling van statushouders uit Syrië. Wanneer wil het kabinet
beginnen met het herbeoordelen? Graag een overzicht van de tijdlijn die het kabinet
beoogt.
Antwoord
De voorzitter van de Europese Commissie en de voorzitter van de Europese Raad hebben
begin 2026 als onderdeel van het verder versterken van de betrekkingen tussen de EU
en Syrië een financieel steunpakket toegezegd van ongeveer 620 miljoen euro voor 2026
en 2027. Dit steunpakket omvat humanitaire hulp, steun voor vroeg herstel (in aanloop
naar wederopbouw) en bilaterale steun van lidstaten.
Op 19 januari jl. heeft VVD Kamerlid Van der Burg vragen gesteld ook over de wijze
van toezicht op de besteding van de EU middelen voor Syrië. De Minister van Buitenlandse
Zaken zal hier volgens de gebruikelijke procedures op antwoorden.
Ik kan nog geen tijdlijn noemen voor het herbeoordelen van statushouders uit Syrië.
Zoals ook reeds in eerdere antwoorden op gelijkluidende vragen van andere fracties,
zal eerst vastgesteld moeten worden dat er wordt voldaan aan de Unierechtelijke voorwaarden
om tot intrekking van een reeds verleende vergunning over te gaan. Enkel als dit het
geval is kan worden bepaald of, en zo ja op welke wijze, er overgegaan zal worden
tot het herbeoordelen van Syrische zaken. In deze afweging zal er rekening gehouden
moeten worden met de grote voorraad zaken in eerste aanleg waarvoor de IND aan de
lat staat en de capaciteit die de IND heeft om zowel deze zaken als een eventuele
herbeoordeling uit te kunnen voeren.
Hoeveel capaciteit bij de IND wordt gereserveerd voor het herbeoordelen van deze statussen?
En hoe verhoudt dat zich tot de andere uitdagingen voor de IND zoals het wegwerken
van achterstanden? Overweegt het kabinet om een speciaal team in te richten voor het
herbeoordelen van deze statussen? Welke ruimte en mogelijkheden ziet het kabinet om
hiervoor aanvullende mensen aan te nemen? Graag een toelichting.
Antwoord
Zie antwoord op de vorige vraag.
De leden van de JA21-fractie constateren dat Zweden afspraken met Syrië voorbereidt
om veroordeelde criminele Syriërs terug te sturen, terwijl Nederland zich vooralsnog
richt op «vrijwillige terugkeer». Welke afspraken maakt de Zweedse regering en kan
Nederland hier aspecten van overnemen dan wel zich daarbij aansluiten?
Antwoord
Het kabinet volgt de ontwikkelingen in andere lidstaten nauwgezet, ook op het gebied
van terugkeer naar Syrië. Eventuele lessen en best practices van lidstaten dienen te worden meegenomen in de door Nederland verzochte gecoördineerde
EU-aanpak op migratie en terugkeer naar Syrië.
Het kabinet meldt dat Nederland en Oeganda een Letter of Intent hebben getekend voor
een kleinschalige pilot van een transithub voor vertrekplichtige vreemdelingen uit
de regio, maar beroept zich op diplomatieke vertrouwelijkheid en herhaalt slechts
dat alles «in lijn met nationaal, Europees en internationaal recht» moet zijn. Kan
het kabinet wat preciezer aangeven wie tot de beoogde doelgroep behoren en op grond
van welke indicatoren het project wordt beoordeeld?
Antwoord
Het kabinet is momenteel in onderhandeling met Oeganda om een transit hub te ontwikkelen,
die in lijn moet zijn met nationaal, Europees en internationaal recht. Omdat die onderhandelingen
nog gaande zijn, kan het kabinet op dit moment niet in het openbaar nader ingaan op
specifieke onderdelen van de onderhandeling. Uw Kamer wordt geïnformeerd op het moment
dat het kabinet tot een onderhandelingsresultaat is gekomen.
Inmiddels is overeenstemming bereikt ten aanzien van de solidariteitspool in het kader
van het Asiel en Migratiepact. Op grond daarvan moeten 21.000 asielzoekers worden
doorgeplaatst, maar er zijn nu minder dan 9.000 plekken toegezegd, ook omdat onder
andere Nederland (terecht) kiest voor financiële compensatie. Accepteren landen als
Griekenland en Italië nu dat als gevolg van deze afspraken zij veel grotere aantallen
asielzoekers zullen moeten opvangen? Hoe groot acht het kabinet de kans dat dit secundaire
migratie naar Nederland daadwerkelijk significant gaat beperken?
Antwoord
In de Asiel- en migratiebeheerverordening is opgenomen dat, indien er onvoldoende
herplaatsingen zijn, lidstaten verplicht kunnen worden om een bepaald aantal Dublinzaken
in hun eigen procedure op te nemen, de zogenaamde verantwoordelijkheidscompensaties
(offsets). Ook voor deze verantwoordelijkheidscompensatie geldt dat het aandeel van
Nederland gelijk blijft. Bovendien, biedt de Commissie de mogelijkheid om Dublinzaken
die in de tijdsperiode tussen 1 juli 2024 tot en met 30 juni 2025 niet konden worden
overgedragen in overleg met de desbetreffende lidstaten onder migratiedruk mee te
laten tellen voor de solidariteitsbijdrage. Het kabinet heeft afspraken gemaakt met
Griekenland vorige week en verkent de mogelijkheden met Italië over het laten meetellen
van Dublincasussen uit het verleden als onderdeel van de solidariteitsbijdrage van
Nederland.
Voor het functioneren van het Pact is het naast de solidariteitsbijdrage, onder meer
van belang dat het Dublinsysteem functioneert en dat de toereikende opvang- en personeelscapaciteit
van de asielgrensprocedure door lidstaten aan de buitengrenzen gerealiseerd wordt.
De versterking van de buitengrenzen door middel van de invoering van de verplichte
asielgrensprocedure, alsook Eurodac-registratie en screening draagt bij dat er meer
zicht en grip komt op wie de EU in reist. De invoering van deze onderdelen van het
Pact bepalen bij uitstek het succes ervan, ook omdat hiermee secundaire migratie meer
wordt voorkomen.
Onlangs werd bericht dat Nederland na vijftien jaar doorreizende asielzoekers kan
terugsturen naar Griekenland. Dat is een zeer goede ontwikkeling. In hoeverre is dit
juridisch getoetst en berust deze aankondiging op concrete verbeteringen in Griekenland?
Antwoord
Voor een antwoord op de vraag wordt verwezen naar antwoorden op gelijkluidende vragen
van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA.
Het kabinet wijst erop dat lidstaten die de regels van het Dublin systeem blijven
schenden door de Commissie kunnen worden aangemerkt als lidstaten met systemische
tekortkomingen waardoor bijdragende lidstaten niet langer verplicht zijn solidariteit
te leveren. Is het kabinet bereid om, als ondanks deals met Italië en Griekenland
de feitelijke overdrachten vanuit Nederland achterblijven, actief in de JBZ Raad en
richting de Commissie aan te sturen op zo’n constatering van systemische tekortkomingen
en om in dat geval de Nederlandse solidariteitsbijdrage richting deze landen op te
schorten?
Antwoord
De Commissie zal op 12 juli (één maand na de inwerkingtreding van het Pact) en op
15 oktober (publicatie Europese jaarverslag voor de volgende solidariteitscyclus)
beoordelen of Italië en Griekenland de Dublinregels naleven. Indien de Commissie op
dat moment vaststelt dat er sprake is van zogenaamde systemische tekortkomingen, vanwege
het niet naleven van het Dublinacquis, zal Nederland voor die landen geen solidariteitsbijdrage
leveren
Kan het kabinet aangeven hoeveel personen Nederland in 2026 en 2027 concreet beoogt
over te dragen op basis van Dublin?
Antwoord
Een Dublinonderzoek, en indien van toepassing een Dublinclaim, wordt gedaan zodra
een vreemdelingen asiel aanvraagt in Nederland. Het aantal Dublinclaims van Nederland
is afhankelijk van het aantal vreemdelingen waarvoor een andere lidstaat volgens de
asiel- en migratiebeheerverordening verantwoordelijk voor is. Het kabinet kan daarom
nog niet aangeven hoeveel Dublin claims Nederland in 2026 en 2027 beoogt te doen.
Klopt het dat Nederland de verantwoordelijkheid neemt voor eerdere asielzoekers uit
Griekenland die niet konden worden teruggestuurd? Om hoeveel mensen gaat dit over
de afgelopen tien jaar, per jaar? En om hoeveel mensen gaat het bij Italië? Kunnen
deze oude Dublincasussen met Griekenland worden gebruikt om nieuwe verplichtingen
in het kader van de solidariteitsbijdrage weg te strepen?
Antwoord
Zie de beantwoording van de vraag van uw fractie ten aanzien van Italië en Griekenland
op een mogelijke financiële bijdrage aan de solidariteitspool. De afspraken met Griekenland
over het laten meetellen van Dublincasussen uit het verleden, die niet hebben geleid
tot een overdracht, als onderdeel van de solidariteitsbijdrage van Nederland worden
nog technisch uitgewerkt. Daarna worden deze afspraken met de Europese Commissie gevalideerd.
Het aantal Dublinzaken is afhankelijk van uitkomst van deze gesprekken.
Zie ook het antwoord op een gelijkluidende vraag van de PVV-fractie over het aantal
Griekse Dublinzaken die zijn opgenomen in de Nederlandse nationale procedure.
Hoeveel geld draagt Nederland bij aan (projecten rond) de opvang in Griekenland?
Antwoord
Nederland, het Ministerie van Asiel en Migratie, draagt aan een tweetal projecten
in Griekenland financieel bij. Het gaat dan om een project voor jonge Griekse statushouders.
Hiervoor draagt Nederland 1,1 miljoen euro bij over een periode van twee jaren. Het
tweede project ziet op de opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen op het
eiland Lesbos. Hiervoor is voor de duur van drie jaren 2,4 miljoen euro gereserveerd.
Ten slotte is de Koninklijke Marechaussee op de luchthaven van Athene operationeel
actief in het kader van zogenaamde pre boarding controles. In dat kader worden de Griekse autoriteiten ondersteund bij het onderkennen
van documentfraude op vluchten naar Nederland.
Worden alleenstaande mannelijke asielzoekers op dit moment teruggestuurd naar België?
Hoe staat het met de gesprekken met de Belgische regering hierover, mede naar aanleiding
van de uitspraak van de Raad van State dat daarbij sprake zou zijn van schending van
artikel 3 EVRM? Hoeveel mannelijke asielzoekers zijn er uit België die niet konden
worden teruggestuurd en wat is daarmee gebeurd?
Antwoord
Op dit moment vinden er geen Dublin overdrachten plaats van alleenstaande niet-kwetsbare
mannen van Nederland naar België. Het kabinet is over het spoedig kunnen hervatten
van de Dublin overdrachten met de Belgische regering in gesprek. Op dit moment zijn
er 170 alleenstaande niet-kwetsbare mannen Dublin claimanten.
Vindt het kabinet dat het bestaan van een nieuwe afspraak met Griekenland niet automatisch
betekent dat eerder gesignaleerde systemische tekortkomingen zijn opgelost? Welke
objectieve criteria hanteert het kabinet om te toetsen of de feitelijke opvang en
procedurele omstandigheden in Griekenland thans toereikend zijn, en welke stopknoppen
gelden als dat niet het geval blijkt te zijn en dreigt dat de afspraak in het geding
komt bij de rechter(s)?
Antwoord
Zie voor het antwoord op deze vraag de antwoorden op gelijkluidende vragen van de
fractie van GroenLinks-PvdA.
In de stukken erkent het kabinet dat terugkeer naar Afghanistan complex is door het
gebrek aan erkende autoriteiten en de minimale operationele contacten met de Taliban
en dat zelfs vrijwillige terugkeer slechts beperkt ondersteund kan worden. Tegelijk
verzoekt Nederland samen met 19 andere lidstaten de Commissie om een gezamenlijke
EU-aanpak. Wat is de concrete inzet van Nederland in die oproep? Wordt daarin expliciet
gevraagd om een minimale, strikt operationele relatie (via derde landen) gericht op
identificatie, reisdocumenten en terugkeer? Welke categorieën Afghanen (bijvoorbeeld
veroordeelde criminelen) krijgen daarin prioriteit, en welke tijdslijn wordt daarbij
beoogd?
Antwoord
Het organiseren van terugkeer naar een staat met een niet erkende autoriteit is een
collectieve uitdaging voor EU lidstaten. We denken hier effectiever in te kunnen optreden
door dit gezamenlijk te doen. De Europese Commissie kan ondersteunen met het opzetten
van een re-integratieprogramma in Afghanistan en terugkeer meenemen in lopende gesprekken.
Een dergelijke aanpak en het toewerken naar operationele afspraken kan helpen met
het bevorderen van vrijwillig en gedwongen vertrek.
De brief verzoekt de Europese Commissie om vrijwillige en gedwongen terugkeer, van
afgewezen Afghanen, met name degenen die een bedreiging vormen voor de openbare orde
of de nationale veiligheid, verder te onderzoeken. Lidstaten verzoeken de Commissie
onder andere om coördinatie op zich te nemen om zo een versnipperde aanpak te vermijden,
gezamenlijke identificatiemissies/overnameprocedures, ontmoetingen met de de facto autoriteiten te faciliteren en terugkeer- en reintegratieondersteuning via Frontex
te organiseren.
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de informele JBZ-Raad
te Cyprus. Hier zijn nog een aantal vragen over.
De leden van de BBB-fractie hebben van begin af aan al grote zorgen over het migratiepact
en een eenduidige en gelijke invoering hiervan. Hoewel het pact uitgaat van jaarlijks
minimaal 30.000 relocaties of 600 miljoen euro, is daar nu maar een fractie van overgebleven.
Slechts 8.921 opvangplekken zijn toegezegd door lidstaten en ook financieel wordt
maar een kwart van het afgesproken bedrag geleverd. Meerdere lidstaten hebben bovendien
forse kortingen bedongen omdat zij zelf een «significante migratiesituatie» zouden
hebben. Nederland krijgt geen enkele korting en draagt het volledige aandeel af. Waarom
doet Nederland dit, vragen de leden van de fractie zich af. Deelt de Minister de mening
dat Nederland ook een «significantie migratiesituatie» heeft en dat wij daarom ook
die korting zouden moeten krijgen?
Antwoord
Voor de beoordeling van een significante migratiesituatie baseert de Europese Commissie
zich op de migratiesituatie in de afgelopen vijf jaar. Dit gebeurt op basis van een
lijst indicatoren (waaronder bijvoorbeeld het aantal asielaanvragen en ingewilligde
asielbesluiten). Daarbij houdt de Commissie, net als voor migratiedruk, rekening met
de relatieve druk op basis van het bruto binnenlands product (BBP) en de bevolkingsomvang.
Op basis van deze methode heeft de Europese Commissie bepaald dat Nederland geen significante
migratiesituatie heeft. Wel heeft Nederland risico op migratiedruk. Nederland krijgt
daarom voorrang in de toegang tot de EU Migration Support Toolbox.
Bovendien heeft het kabinet afspraken gemaakt met Griekenland en zet het kabinet in
op afspraken met Italië over de mogelijkheden voor het inzetten van Dublincompensaties
uit het verleden als solidariteitsbijdrage. De financiële bijdrage van Nederland aan
de solidariteitspool wordt hierdoor verminderd. Hoeveel het financiële aandeel wordt
verminderd is afhankelijk van gesprekken met de Europese Commissie.
Tegelijkertijd weigeren Hongarije en Slowakije helemaal om mee te doen, zonder dat
de Raad daaraan consequenties verbindt. Tot extra zorgen leidt het feit dat Duitsland
en Frankrijk van plan lijken de toegezegde opvangplekken grotendeels niet met nieuwe
relocaties in te vullen, maar via Dublin compensaties. Daarmee wordt geen enkele daadwerkelijke
plek gecreëerd. Spanje heeft in een stemverklaring aangegeven dat dit in strijd is
met de bedoeling van het pact en dat dit de solidariteit binnen de EU uitholt. De
leden van de BBB-fractie willen graag duidelijkheid over de vraag of dergelijke Dublin
compensaties inderdaad door grote lidstaten worden ingezet en, zo ja, hoeveel feitelijke
relocaties er dan nog overblijven. Ook willen deze leden weten hoe groot het risico
is dat dit gedrag een precedent schept voor volgende jaren, want op deze manier wordt
het hele pact lam gelegd.
Antwoord
Zie antwoord op gelijkluidende vraag van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA
en JA-21.
Ook de discussie over terugkeer naar Afghanistan en Syrië vraagt om helderheid. De
leden van de BBB-fractie staan er al langer op dat afgewezen asielzoekers, zeker degenen
die een gevaar vormen, daadwerkelijk moeten worden uitgezet. Nu blijkt dat Duitsland
via Qatar al meer dan honderd Afghanen heeft uitgezet met een strafrechtelijk verleden
en dat de Europese Commissie gesprekken voert met de Taliban. Kan de Minister duidelijk
aangeven hoe Nederland hierin zit en hoe deze gesprekken verlopen? Kan de Minister
ook toelichten of Nederland Afghanen met een strafrechtelijk verleden terug kan/gaat
sturen?
Antwoord
Nederland heeft de voorkeur voor een gezamenlijke EU-gecoördineerde inzet als het
gaat om de terugkeer naar complexe landen zoals Afghanistan. Nederland onderhoudt
minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten in Kaboel om de Nederlandse belangen te behartigen. Deze contacten zijn
belangrijk om voor de rechten van de bevolking op te komen.
Voor Syrië geldt dat de situatie in het land zich op sommige plekken stabiliseert
en dat vele Syriërs inmiddels vrijwillig zijn teruggekeerd. Verschillende EU-landen
scherpen hun beoordeling daarom aan. De leden van de BBB-fractie horen graag welke
andere lidstaten, net als Nederland, hun beleid hebben aangescherpt en op welke manier.
Ook hoort de fractie graag hoe Nederland gebruikmaakt van het Frontex programma voor
vrijwillige terugkeer.
Antwoord
Het landenbeleid van de EU-lidstaten wordt op vertrouwelijke basis gedeeld onder de
lidstaten. Er kan daarom niet zonder meer inzage gegeven worden in het beleid van
andere lidstaten zonder deze vertrouwelijkheid schade aan te doen. In algemene zin
heeft de val van hetAssad-regime net als in Nederland inderdaad geleid tot een wijziging
van de beleidskaders in verschillende lidstaten.
Zie verder het antwoord op een gelijkluidende vraag van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
over het Frontex programma voor vrijwillige terugkeer.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.A. Vijlbrief, voorzitter van de vaste commissie voor Asiel en Migratie -
Mede ondertekenaar
M.C. Burger, griffier