Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 885 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Bankwet 1998 en de Wet op de economische delicten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1619 met betrekking tot kapitaalvereisten voor banken en Richtlijn (EU) 2024/2994 met betrekking tot blootstellingen op centrale tegenpartijen (Implementatiewet kapitaalvereisten 2026)
Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING
ALGEMEEN
§ 1. Inleiding
Dit wetsvoorstel strekt tot implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1619 van het Europees
Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU wat betreft
toezichtsbevoegdheden, sancties, bijkantoren uit derde landen en ecologische, sociale
en governancerisico’s (hierna: de richtlijn). De richtlijn wijzigt Richtlijn 2013/36/EU1, welke bekend staat als de richtlijn kapitaalvereisten (hierna: CRD2). Tegelijkertijd met de richtlijn is Verordening (EU) 2024/1623 van het Europees
Parlement en de Raad van 19 juni 2024 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013
wat betreft vereisten inzake kredietrisico, risico van aanpassing van de kredietwaardering,
operationeel risico, marktrisico en de output floor (hierna: de verordening) vastgesteld.
De verordening wijzigt Verordening (EU) nr. 575/20133, welke bekend staat als de verordening kapitaalvereisten (hierna: CRR4). Waar nodig is aan de verordening uitvoering gegeven middels het Uitvoeringsbesluit
kapitaalvereisten 2025.
De CRD en CRR voorzien samen in het prudentiële kader voor banken, en voor bepaalde
beleggingsondernemingen die van dermate omvang zijn5 dat zij moeten voldoen aan dit prudentiële kader in plaats van het prudentiële kader
voor beleggingsondernemingen uit Verordening (EU) 2019/20336 (IFR) en Richtlijn (EU) 2019/20347 (IFD).8 De richtlijn en verordening passen de CRD en CRR aan. De richtlijn kent een getrapte
vantoepassingwording. Op 29 juli 2024 zijn twee wijzigingen van de artikelen 131 en
133 CRD met betrekking tot de procedure voor het vaststellen van de systeemrisicobuffer
en de samenloop met andere kapitaalbuffers die de toezichthouder kan vaststellen van
toepassing geworden. Deze artikelen zijn geïmplementeerd middels dynamische verwijzing,
waardoor de wijziging direct doorwerkt in de Nederlandse wetgeving.9 Uiterlijk 10 januari 2026 moeten de meeste wijzigingen waarin de richtlijn voorziet
omgezet zijn in Nederlandse wetgeving, waarna de wijzigingen op 11 januari 2026 van
toepassing worden. Een aantal bepalingen uit de richtlijn, rondom rapportagevereisten
voor bijkantoren van banken uit landen die geen lidstaat zijn en het overgangsrecht
dat daarmee gemoeid is, zal pas later, vanaf 11 juli 2026, van toepassing zijn. Tot
slot zal het volledige bijkantorenregime, dat ziet op de vereisten die worden opgelegd
aan bijkantoren van ondernemingen uit staten die geen lidstaat zijn en actief willen
zijn op de Nederlandse markt voor het verlenen van de bancaire diensten, van toepassing
worden op 11 januari 2027.
De verordening is op 1 januari 2025 van toepassing geworden, met uitzondering van
de wijzigingen betreffende marktrisico, ten aanzien waarvan het van toepassing worden
is uitgesteld tot en met 1 januari 2027.10 Zie voor een nadere toelichting paragraaf 3.2.1.
Naast de implementatie van de richtlijn voorziet dit wetsvoorstel ook in implementatie
van twee artikelen uit Richtlijn (EU) 2024/2994 (hierna: EMIR 3-richtlijn).11 De EMIR 3-richtlijn is gepubliceerd op 4 december 2024, tegelijk met Verordening
(EU) 2024/2987 (hierna: EMIR 3-verordening)12, die wijzigingen aanbrengt aan Verordening (EU) 648/2012, beter bekend als de European Market Infrastructure Regulation (EMIR-verordening). De EMIR 3-richtlijn bevat een aantal wijzigingen van de CRD en
IFD. Omdat de aanpassingen die voortvloeien uit de EMIR 3-richtlijn aan de CRD leiden
tot aanpassing van dezelfde artikelen uit de CRD die ook door de richtlijn gewijzigd
worden, is ervoor gekozen om de implementatie van de twee richtlijnen samen te nemen.
De inhoud van de wijzigingen zal kort besproken worden. Zie voor een nadere toelichting
op de totstandkoming en inhoud van de EMIR 3-verordening en de EMIR 3-richtlijn de
toelichting bij het Uitvoeringsbesluit EMIR 3-verordening en EMIR-3 richtlijn. De
EMIR-richtlijn moet uiterlijk 25 juni 2026 zijn omgezet in Nederlandse wetgeving.
In paragraaf 2 van deze memorie van toelichting wordt ingegaan op de totstandkoming
van de verordening en richtlijn. In paragraaf 3 wordt de inhoud van de richtlijn en
de verordening besproken en wordt kort stilgestaan bij de inhoud van de EMIR 3-richtlijn.
Paragraaf 4 beschrijft de wijze waarop de richtlijn en de EMIR 3-richtlijn in Nederlandse
wet- en regelgeving worden geïmplementeerd en de lidstaatopties in de richtlijn. In
paragraaf 5 worden de gevolgen van het wetsvoorstel besproken met daarin aandacht
voor de regeldruk. Paragraaf 6 beschrijft de gevolgen voor de uitvoering van dit voorstel
voor De Nederlandsche Bank (DNB) als toezichthouder. In paragraaf 7 komen de openbare
internetconsultatie en de reacties daarop aan bod. Na de algemene toelichting volgt
de artikelsgewijze toelichting. Als bijlage is een transponeringstabel van de richtlijn
en de EMIR 3-richtlijn toegevoegd.
§ 2. Totstandkoming richtlijn en verordening.
§ 2.1 Bazel-afspraken
De bankensector is een internationaal opererende sector. Daarom zijn in internationaal
verband afspraken gemaakt over de prudentiële eisen voor banken. Prudentiële eisen
hebben als doel de weerbaarheid van individuele banken en de sector als geheel te
vergroten, en zo de soliditeit van banken en de financiële stabiliteit te bevorderen.
Deze prudentiële eisen zien onder andere op het aan te houden kapitaal, de aan te
houden liquide middelen en het risicomanagement door banken. Internationale afspraken
over prudentiële eisen worden opgesteld door het Bazels Comité voor Bankentoezicht.
Dit Comité is een onafhankelijk internationale organisatie waaraan vertegenwoordigers
van centrale banken en financiële toezichthouders op banken deelnemen. Het Comité
formuleert uitgangspunten voor het prudentiële toezicht op banken, waarbij de belangrijkste
criteria de financiële soliditeit en stabiliteit zijn. In 1988, 2004 en 2010 zijn
er drie Bazel-akkoorden gesloten omtrent prudentiële eisen waaraan banken moeten voldoen.13 De Bazelstandaarden uit deze eerste drie akkoorden zijn in de Europese Unie opgenomen
in de CRR en CRD en daarmee, waar nodig, ook in Nederlandse wetgeving geïmplementeerd
in onder andere de Wet op het financieel toezicht (Wft).
Ook de afspraken uit het Bazelakkoord uit 2010 (Bazel III) zijn in 2013 in de Europese
Unie opgenomen middels de vaststelling van de CRR en (de wijziging van) de CRD (het
CRD-IV/CRR-pakket14). Het voornaamste doel van het CRR-IV/CRR-pakket was het vergroten van de veerkracht
van banken en het voorkomen van een soortgelijke crisis als de financiële crisis van
2008–2009. Zo werden de minimale kapitaalvereisten voor banken verhoogd en werden
er eisen gesteld aan de kwaliteit van het aan te houden kapitaal. Ook werden er additionele
buffers geïntroduceerd die bovenop de minimale vereisten kwamen en werden nieuwe eisen
gesteld om liquiditeitsrisico’s adequaat te ondervangen. Daarnaast werd in 2014 het
toezicht op naleving van de vereisten uit de CRD en CRR door Europese banken, als
onderdeel van de Bankenunie, gecentraliseerd in het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme
(GTM) middels de verordening bankentoezicht.15 Hierbij werd de Europese Centrale Bank (ECB) verantwoordelijk voor het directe toezicht
op significante banken, en de nationale toezichthouders (zoals DNB) voor de minder
significante banken.16 Zie voor een uitgebreide beschrijving van de inhoud van het CRD-IV/CRR-pakket de
memorie van toelichting van de Implementatiewet richtlijn en verordening kapitaalvereisten.17 In 2019 werden bepaalde herziene elementen uit de Bazelstandaarden ingevoerd in de
Europese Unie middels de vaststelling van het CRD-V/CRR-II-pakket18. Zie voor een uitgebreide beschrijving van de inhoud van het CRD-V/CRR-II-pakket
de memorie van toelichting van de Implementatiewet kapitaalvereisten 2020.19
§ 2.2 Noodzaak tot aanpassing
Sinds het CRD-V/CRR-II pakket is ingevoerd zijn op internationaal niveau aanvullende
afspraken gemaakt, omdat sommige onderdelen van het Bazel III akkoord nadere specificatie
vereisten en omdat nog niet alle onderdelen van de Bazelstandaarden na de financiële
crisis waren herzien. Op 7 december 2017 heeft het Bazels Comité een definitief akkoord
gepresenteerd met een set hervormingen als afronding van het kapitaaleisenraamwerk
van Bazel III. Met het CRD-VI/CRR-III pakket wordt het laatste deel van de op 7 december
2017 overeengekomen hervormingen (ook wel de finale Bazel III standaarden of Bazel
3.5 genoemd) opgenomen in de Europese Unie.
De belangrijkste wijzigingen uit het CRD-VI/CRR-III pakket zien voor wat de CRR betreft
op de wijze van berekening van kapitaalvereisten door banken. Kapitaalvereisten hebben
tot doel het niveau van kapitaal vast te stellen dat banken ten minste moeten aanhouden
om onverwachte verliezen op te vangen en daarmee de kans op insolvabiliteit te verkleinen.
De kapitaalvereisten worden primair toegepast op basis van risicogewogen activa (RWA).20 Hoe risicovoller de blootstelling van banken is, des te hoger is het risicogewicht
dat hiervoor geldt. Hoe hoger het risicogewicht, des te hoger de hoeveelheid kapitaal
die moet worden aangehouden om eventuele verliezen op te vangen. Banken kunnen in
CRR voorgeschreven risicogewichten, oftewel de standaardbenadering, toepassen of risicogewichten
die volgen uit interne modellen die banken op basis van beschikbare data zelf opstellen.
Uit analyses van het Bazels Comité, de Europese Bankenautoriteit (EBA) en de ECB is
gebleken dat de kapitaalvereisten die berekend worden met behulp van interne modellen
sterk van elkaar kunnen verschillen, ook in gevallen waarin de onderliggende risico’s
niet sterk verschillen.21 De met de standaardbenadering berekende kapitaalvereisten bleken in sommige gevallen
in onvoldoende mate risicogedreven, wat kan leiden tot ontoereikende of juist onnodig
hoge kapitaalvereisten voor specifieke financiële producten of activiteiten. De Bazelstandaarden
en de CRR zijn (onder meer) aangepast om deze tekortkomingen in de standaardbenadering
en bij het gebruik van interne modellen te adresseren. Zie voor meer toelichting over
de wijzigingen in de CRR de nota van toelichting bij het Uitvoeringsbesluit verordening
kapitaalvereisten 2025.
De aanpassingen in de CRD zijn vierledig. Als eerste zijn er aanpassingen gemaakt
om ecologische, sociale en governance-risico’s (hierna: ESG-risico’s) te verankeren
in het risicoraamwerk dat banken hanteren om hun risico’s te beheersen. Banken kunnen
als geen ander getroffen worden door transitierisico’s en fysieke risico’s die kunnen
opspelen bij de omwenteling naar een duurzamere economie. In 2020 heeft de ECB hiervoor
al richtsnoeren opgesteld die banken kunnen meenemen in hun risicobeheersing.22 Met de wijzigingen in de CRD worden ESG-risico’s nu op het niveau van de richtlijn
in het governanceraamwerk opgenomen als een specifiek risico dat beheerst moet worden.
Een tweede aanpassing ziet op de harmonisatie van toezichtsbevoegdheden en -instrumenten.
Er is nog een grote verscheidenheid aan instrumenten die de nationale toezichthouders
kunnen toepassen (zoals bij prudentieel relevante transacties). Het karakter van minimumharmonisatie
dat eerdere versies van de CRD hadden, heeft geleid tot divergerende toezichtinstrumenten
en -handelingen, waardoor meer harmonisatie wenselijk is bevonden (o.a. met betrekking
tot geschiktheid- en betrouwbaarheidsbeoordelingen en administratieve sancties). Dit
is met name noodzakelijk in de context van het GTM, waarbij de ECB nationale bevoegdheden
toepast voor het toezicht op significante banken. Bovendien kunnen deze verschillen
leiden tot een ongelijk speelveld binnen de Europese Unie en een verhoogde kans op
toezicht- en regelgevingsarbitrage. Deze problematiek werd ook genoemd in het rapport
van de Europese Commissie over het GTM.23
De derde aanpassing aan de CRD volgt uit de situatie die is ontstaan na Brexit.24 Gebleken is dat het regime voor derde land bijkantoren25 van banken in een staat die geen lidstaat is binnen de EU zeer verschillend is. Voorheen
waren er in de CRD alleen enkele informatieverplichtingen opgenomen voor derde land
bijkantoren. Omdat het verder aan de lidstaten zelf was om nadere regels te stellen,
heeft dat in de EU een lappendeken aan verschillende regimes opgeleverd. Dit brengt
een risico op een gebrek aan toezicht en financiële stabiliteitsrisico’s met zich.
De onderhavige richtlijn beoogt dit te adresseren, door in harmonisatie van het derde
land bijkantorenregime te voorzien.
De vierde aanpassing ziet op de onafhankelijkheid van de nationale toezichthouders.
Naar aanleiding van het faillissement van Wirecard is gebleken dat de onafhankelijkheid
van toezichthouders op banken versterkt kon worden.26 Daarnaast is gebleken dat de regels omtrent belangenconflicten enige vorm van harmonisatie
behoeven.
§ 2.3 Proces
Na het akkoord over de finale Bazel III-standaarden op 7 december 2017 hebben in maart
2018 de Ministers van Financiën en de presidenten van de centrale banken van de G20
hun steun voor de hervormingen uitgesproken. In november 2019 kondigde de Europese
Commissie aan met een wetgevingsvoorstel te willen komen om de hervormingen te verankeren
in het Europese prudentiële kader. In oktober 2021 publiceerde de Europese Commissie
het voorstel voor dit hernieuwde bankenpakket. Over dit pakket is lang onderhandeld.
Uiteindelijk is op 13 november 2023 in de triloog tussen de Europese Commissie, de
Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement een definitief akkoord bereikt
over de aanpassing van de CRR en CRD.27 De uiteindelijke teksten zijn door de Commissie gepubliceerd op 19 juni 2024.
§ 3. Inhoud richtlijn en verordening
In deze paragraaf wordt de inhoud van de richtlijn en verordening toegelicht. In paragraaf
3.1 worden de belangrijkste nieuwe onderdelen die de richtlijn toevoegt aan de CRD
besproken. In paragraaf 3.2 worden kort de belangrijkste onderdelen die de verordening
toevoegt aan de CRR besproken, nu de inhoud van de verordening reeds is toegelicht
in de nota van toelichting bij het Uitvoeringsbesluit verordening kapitaalvereisten
2025, dat uitvoering geeft aan de verordening. In paragraaf 3.3 wordt kort ingegaan
op de wijzigingen die de EMIR 3-richtlijn aanbrengt in de reeds bestaande onderdelen
van de CRD.
§ 3.1. Inhoud richtlijn
§ 3.1.1 ESG-risico’s
Het doel van de wijzigingen in CRD is om het inzicht in- en beheer van alle ESG-risico’s28 zowel bij banken, als bij toezichthouders te verbeteren. Dit betreft het risico op
negatieve financiële gevolgen voor een bank die voortvloeien uit de huidige of toekomstige
ESG-risico’s voor haar tegenpartijen of de belegde activa. De richtlijn verplicht
onder meer dat banken over strategieën en procedures beschikken om ervoor te zorgen
dat de hoogte, samenstelling en verdeling van het interne kapitaal29 aansluiten op huidige en toekomstige risico's. Daarbij dient bij ESG-risico's uitdrukkelijk
rekening te worden gehouden met de korte, middellange en lange termijn. Ook wordt
het verplicht voor banken om effectieve procedures in te richten voor het identificeren,
monitoren en beheersen van ESG-risico’s en moeten er concrete plannen ontwikkeld worden
om de financiële risico’s te beheersen die op de korte, middellange en lange termijn
ontstaan door ESG-risico’s. Hierbij moet tevens aandacht besteed worden aan de EU
Klimaatwet30, de Overeenkomst van Parijs31, het «Fit for 55»-pakket32 en het biodiversiteitskader van Kunming-Montreal.33
Daarnaast worden de mogelijkheden voor de toezichthoudende autoriteiten om ESG-risico’s
mee te nemen in het toezicht, uitgebreid. EBA krijgt het mandaat om criteria voor
de beoordeling van ESG-risico’s nader te specificeren en daarnaast richtsnoeren uit
te vaardigen voor uniforme opneming van ESG-risico’s in de procedure voor prudentiële
toetsing en evaluatie (Supervisory Review and Evaluation Process – SREP). In het SREP proces beoordelen toezichthouders het risicoprofiel en risicobeheer
van een bank en kunnen zij aanvullende vereisten stellen, waaronder met betrekking
tot het aan te houden kapitaal of liquiditeitsvereisten. Door de beoordeling van ESG-risico’s
onderdeel te maken van dit proces, kunnen toezichthouders beter beoordelen of het
beheer van ESG-risico’s door banken toereikend is. Toezichthouders zullen bovendien
moeten analyseren of banken voldoende voortgang boeken in de aanpassing van hun bedrijfsmodellen
in het licht van de ESG-risico’s.
§ 3.1.2.1 Prudentieel relevante transacties
De toezichtbevoegdheden voor de bevoegde autoriteiten met betrekking tot een aantal
specifieke activiteiten van banken worden op grond van de richtlijn uitgebreid. Het
gaat hierbij om gevallen waarin een bank een deelneming van betekenis in een financiële
of niet-financiële onderneming verwerft, materiële activa/passiva transacties aangaat
of een fusies of splitsing aangaat. De richtlijn voorziet ten aanzien hiervan in een
verplichting dat bevoegde autoriteiten voorafgaand aan de transactie op de hoogte
worden gebracht en beschikken over de noodzakelijke informatie om een gedegen prudentiële
beoordeling te kunnen doen, op basis waarvan zij in sommige gevallen de mogelijkheid
hebben om maatregelen te nemen. In Nederland kennen we al een dergelijk stelsel in
de vorm van de verklaringen van geen bezwaar (vvgb) voor handelingen waarbij bijvoorbeeld
een bank een deelneming verwerft in een andere onderneming of een fusie aangaat. Voor
dergelijke handelingen is voorafgaande goedkeuring van DNB benodigd. De nieuwe artikelen
in de CRD worden met het onderhavige wetsvoorstel zoveel mogelijk gevat in het bestaande
vvgb-stelsel, inclusief bijbehorende procedures, die grote gelijkenis vertonen met
het regime uit de CRD.
§ 3.1.2.2 Harmonisatie geschiktheid- en betrouwbaarheidseisen
De beoordeling van de betrouwbaarheid en geschiktheid van leden van het leidinggevend
orgaan van een bank, een (gemengde) financiële holding of een beleggingsonderneming
was reeds geharmoniseerd. CRD introduceert nu de definitie «medewerkers met een sleutelfunctie».
Hieronder vallen onder andere hoofden van de interne controlefuncties en de financieel
directeur. Deze «medewerkers met een sleutelfunctie» worden ook onderworpen aan de
geschiktheid- en betrouwbaarheidseis. In dit wetsvoorstel wordt deze definitie geïntroduceerd
en komt deze voor banken in de plaats van de huidige definitie van de groep personen
die een leidinggevende functie vervullen direct onder het echelon van de beleidsbepalers
en verantwoordelijk zijn voor natuurlijke personen wier werkzaamheden het risicoprofiel
van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden (het zogenaamde «tweede echelon»).
Medewerkers met een sleutelfunctie bij een beleggingsonderneming onder de verordening
kapitaalvereisten en bij (gemengde) financiële holdings met een goedkeuring moeten
ook aan de nieuwe vereisten gaan voldoen.
§ 3.1.2.3 Harmonisatie administratieve maatregelen en -sancties
De administratieve maatregelen en -sancties die nationale toezichthouders kunnen opleggen
worden verder geharmoniseerd. Grootste verandering daarbij is dat er in de CRD periodic penalty payments worden geïntroduceerd als maatregel. In Nederland kennen wij al de last onder dwangsom
als maatregel, waardoor er geen aanpassing van de Nederlandse wetgeving nodig is.
De lidstaatoptie om last onder dwangsommen per week of per maand op te kunnen leggen,
in plaats van per dag zoals voorgeschreven, komt al tot uitdrukking in het bestaande
recht in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarbij de termijn een afweging van
de toezichthouder vergt.34
§ 3.1.3 Derde land bijkantoren uit staten die geen lidstaat zijn
De CRD bevatte voorheen weinig bepalingen omtrent de regulering van bijkantoren van
banken uit staten die geen lidstaat zijn. Nederland kende al wel een vergunningstelsel
voor bijkantoren van banken uit dergelijke staten, op grond waarvan bijkantoren, en
de bank in de staat die geen lidstaat is waar zij deel vanuit maken, aan verschillende
vereisten moesten voldoen. Met de wijzigingen uit de richtlijn voorziet de CRD nu
in minimumharmonisatie van het kader voor het verlenen van bancaire diensten vanuit
een staat die geen lidstaat is en het (daarvoor vereiste) oprichten van een derde
land bijkantoor met bijbehorende vergunning.
Indien een onderneming uit een staat die geen lidstaat is voornemens is diensten in
Nederland aan te bieden, of te willen voortzetten, zal die onderneming een bijkantoor
moeten vestigen om de bancaire diensten, specifiek de kernbankdiensten 1 (deposito’s
en andere opvorderbare gelden aantrekken), 2 (leningen verstrekken) en 6 (garanties
afgeven) uit bijlage I CRD, te kunnen (blijven) verlenen in Nederland. Dit bijkantoor
dient een vergunning te verkrijgen waaraan meerdere prudentiële en organisatorische
vereisten verbonden zijn. Op deze manier wordt het mogelijk om ondernemingen die bankdiensten
verlenen in de Europese Unie te onderwerpen aan effectieve prudentiële regelgeving
en toezicht. Hiermee wordt voorkomen dat er lacunes ontstaan, waardoor risico’s voor
de financiële stabiliteit zich ongezien kunnen opbouwen in (bijkantoren van) ondernemingen
uit staten die geen lidstaat zijn die minder zichtbaar zijn voor de toezichthouders
in de EU. In de richtlijn zijn ook enkele uitzonderingsgronden opgenomen waardoor
het oprichten van een derde land bijkantoor met vergunning niet in alle gevallen noodzakelijk
is om dienstverlening te beginnen of voort te zetten. Een uitzondering kan zich voordoen
wanneer een in de EU gevestigde cliënt of tegenpartij een in een staat die geen lidstaat
is gevestigde onderneming expliciet op eigen initiatief benadert voor het leveren
van bankdiensten.35 Andere uitzonderingen zijn als de onderneming uit de staat die geen lidstaat is een
bank is en diensten verleent aan in de EU gevestigde banken, als er sprake is van
een groepsverband tussen ondernemingen in de EU en de ondernemingen in een staat die
geen lidstaat is, en gevallen waarin de dienstverlening direct gerelateerd is aan
het uitvoeren van diensten onder de richtlijn markten voor financiële instrumenten
2014 (MiFID II)36.
§ 3.1.4 Institutionele aangelegenheden
In de CRD wordt verduidelijkt wat lidstaten moeten doen om de onafhankelijkheid van
de bevoegde autoriteiten te waarborgen. De richtlijn introduceert daartoe minimumvereisten
om belangenconflicten bij het personeel en de leden van het bestuursorgaan van de
bevoegde autoriteit te voorkomen. EBA wordt in dit kader verplicht tot het opstellen
van richtsnoeren op basis van internationale best practices.
De CRD introduceert de definitie van «leden van het bestuursorgaan van de bevoegde
autoriteit». Voor de bepalingen rondom belangenconflicten gaat het om de leden van
het bestuursorgaan die zich dagelijks met de toezichtfunctie bezig houden. Bij DNB
betreft dat de twee toezichtdirecteuren. Hiermee zijn de vereisten uit de CRD niet
van toepassing op de andere directieleden van DNB, te weten de directeur monetaire
zaken en financiële stabiliteit en de directeur intern bedrijf en resolutie. Op grond
van de CRD is de president van de centrale bank expliciet uitgezonderd.
Desalniettemin zijn ook de andere directieleden gebonden aan onafhankelijkheidseisen
die voortvloeien uit interne regelingen van DNB en/of de ECB, zoals een verbod om
na beëindiging van de functie binnen zes maanden een andere functie uit te oefenen
die direct of indirect leidt of zou kunnen leiden tot (de schijn van) belangenverstrengeling.37 Daarnaast zijn directieleden ook gebonden aan regels ten aanzien van privébeleggingen,
waarbij het niet is toegestaan om te beleggen in financiële instrumenten die uitgegeven
zijn door een instelling die onder toezicht valt van DNB.38 Voor directieleden geldt tevens dat zij uitsluitend mogen beleggen indien het beleggingsbeleid
niet overwegend, dat wil zeggen meer dan 50 procent van de totale waarde van het beleggingsportefeuille,
gericht is op beleggen in financiële instellingen.39 Daarmee is ook de onafhankelijkheid van de overige directieleden geborgd.
§ 3.2. Inhoud verordening
§ 3.2.1 Algemeen
Het belangrijkste onderdeel dat de verordening toevoegt aan de CRR betreft de introductie
van de kapitaalvloer, welke in paragraaf 3.2.2 nader zal worden toegelicht. Voor nadere
toelichting op de verschillende onderdelen van de wijzigingsverordening wordt verwezen
naar de nota van toelichting bij het Uitvoeringsbesluit verordening kapitaalvereisten
2025.
§ 3.2.2 Kapitaalvloer
Om verschillen in kapitaalsvereisten, indien die door banken worden vastgesteld op
basis van intern berekende risicogewichten («interne modellen») te beperken, wordt
de kapitaalvloer geïntroduceerd. De kapitaalvloer stelt een ondergrens vast voor de
uitkomst van interne modellen. Op grond van deze ondergrens dienen de totale risicogewogen
activa40, zoals berekend volgens de interne modellen van de betreffende bank, minimaal 72,5%
te zijn van wat de risicogewogen activa van de bank volgens de standaardbenadering
zouden moeten zijn. Deze kapitaalvloer wordt toegepast bij de berekening van alle
geldende kapitaalvereisten voor banken die interne modellen gebruiken, waaronder ook
voor specifieke Europese kapitaalvereisten die niet rechtstreeks voortvloeien uit
de Bazelse standaarden. In de verordening is opgenomen dat de kapitaalvloer op elk
niveau van consolidatie toegepast dient te worden. Lidstaten hebben echter de mogelijkheid
om ervoor te kiezen om de kapitaalvloer alleen op het hoogste niveau van consolidatie
van een bank binnen een lidstaat toe te passen. Van deze lidstaatoptie is in Nederland
gebruik gemaakt. Zie voor een toelichting hierop paragraaf 3.2.3.
De invoering van de kapitaalvloer heeft invloed op het totale risicobedrag van de
risicogewogen activa (Total Risk Exposure Amount (TREA)).41 Wanneer bij gebruik van risicogewichten op basis van interne modellen de kapitaalvloer
toegepast moet worden en daarmee een ondergrens stelt van minimaal 72,5% van wat de
risicogewogen activa zouden zijn op grond van de standaardbenadering, neemt TREA toe.
Dit heeft ook invloed op de macroprudentiële buffervereisten uit de CRD, te weten
de kapitaalconserveringsbuffer, de contracyclische kapitaalbuffer, de buffers voor
mondiaal- en overig systeemrelevante banken en de systeemrisicobuffer. Immers, de
berekening van deze buffers wordt gebaseerd op TREA. Daarnaast kan dit invloed hebben
op de instellingspecifieke pijler 2-vereisten, aangezien deze ook worden vastgesteld
als percentage van TREA.
Specifiek voor de systeemrisicobuffer en de instelling specifieke pijler 2-vereisten
geldt dat zij kunnen worden gebruikt om risico’s aan te pakken die mogelijk ook al
ondervangen worden wanneer de kapitaalvloer een ondergrens stelt aan de risicogewogen
activa bij gebruik van interne modellen. Dit verhoogt het risico op dubbeltellingen.
In de CRD VI worden daarom bepalingen opgenomen ter voorkoming van dubbeling van kapitaalvereisten
die enerzijds volgen uit de kapitaalvloer en anderzijds uit door de toezichthouder
opgelegde buffers. Tevens moet de toezichthouder, wanneer de kapitaalvloer van toepassing
is, ook de gepastheid van de kalibratie van verschillende buffers beoordelen.
§ 3.2.3 Lidstaatopties in de verordening
De verordening voegt twee lidstaatopties toe aan de CRR. De eerste lidstaatoptie betreft
het niveau van toepassing van de kapitaalvloer op banken binnen een lidstaat. De tweede
lidstaatoptie maakt het mogelijk om tot en met 2032 de kapitaalvereisten voor laag
risico hypotheken, die berekend worden op basis van interne modellen, tijdelijk te
verlagen. Er is in Nederland gebruik gemaakt van beide lidstaatopties. De keuze daarvoor
is toegelicht in paragraaf 3.2 van de nota van toelichting bij het Uitvoeringsbesluit
verordening kapitaalvereisten 2025.
§ 3.3 Wijzigingen uit de EMIR 3-richtlijn
De aanpassingen die voortvloeien uit de EMIR 3-richtlijn wijzigen de CRD en de IFD,
specifiek met betrekking tot de risico’s voor banken en beleggingsondernemingen die
voortvloeien uit excessieve blootstellingen aan een centrale tegenpartij.42 Banken en beleggingsondernemingen dienen dit risico duidelijker mee te nemen en hun
interne governanceregelingen en risicobeheer zo in te richten dat zij dit risico mitigeren.
Daarnaast kunnen toezichthouders op grond van de wijzigingen waarin de EMIR 3-richtlijn
voorziet voortaan voorschrijven dat banken of beleggingsondernemingen hun blootstellingen
aan een centrale tegenpartij verminderen of blootstellingen op hun clearingrekeningen
aanpassen, indien de toezichthouder oordeelt dat er sprake is van een buitensporig
concentratierisico, dat voortvloeit uit blootstellingen aan die centrale tegenpartij.
§ 4. Wijze van implementatie
§ 4.1 Implementatiemiddelen
De richtlijn leidt tot wijzigingen in de Wft, de Bankwet 1998, de Wet op de economische
delicten en lagere regelgeving. Het merendeel van de wijzigingen in de richtlijn wordt
middels dit wetsvoorstel geïmplementeerd in de Wft. Er wordt tevens een algemene maatregel
van bestuur voorbereid met daarin de wijzigingen die nodig zijn van enkele besluiten.
Er wordt ook een implementatieregeling voorbereid waarmee op het niveau van ministeriële
regeling enkele aanpassingen gemaakt zullen worden.
§ 4.2 Lidstaatopties in de richtlijn
De richtlijn bevat verschillende lidstaatopties. Hieronder worden de verschillende
lidstaatopties in de richtlijn besproken en of, en zo ja, hoe, deze lidstaatopties
toegepast worden.
§ 4.2.1 Lidstaatopties omtrent afkoelingsperiode
De institutionele bepalingen in de CRD met betrekking tot de toezichthouders bevatten
twee lidstaatopties omtrent afkoelingsperiodes voor personeelsleden en directieleden.
Vooropgesteld moet worden dat DNB reeds in haar interne regelingen afkoelingsperiodes
kent voor personeelsleden en directieleden.43 Gebruik van de lidstaatopties is er op gericht om zoveel mogelijk aan te sluiten
bij de staande praktijk.
De CRD introduceert een afkoelingsperiode voor het personeel (inclusief leidinggevende
posities), als zij willen overstappen naar een onderneming waarop de betreffende persoon
toezicht heeft gehouden. Deze afkoelingsperiode betreft zes maanden voor het personeel
en twaalf maanden voor een lid van het leidinggevend orgaan van de bevoegde autoriteit.
De lidstaatoptie44 biedt de mogelijkheid om een afkoelingsperiode op te leggen, met bijbehorende minimale
termijnen, indien er een overstap zou zijn naar een concurrent van de onderneming
waarop rechtstreeks toezicht werd gehouden. Deze lidstaatoptie wordt gebruikt, zodat
DNB ook bij een dergelijke overstap een afkoelingsperiode kan opleggen.
Tevens is er in de CRD een lidstaatoptie45 opgenomen om kortere afkoelingsperiodes voor toezichthouders vast te stellen, als
een toezichthouder wil overstappen naar de onderneming waarop toezicht werd gehouden,
een directe of indirecte moeder- of dochteronderneming, dienstverleners aan die onderneming
en andere aan die onderneming gelieerde ondernemingen. Deze lidstaatoptie kan slechts
worden geïmplementeerd indien aangevoerd kan worden dat een langere afkoelingsperiode
het vermogen van de bevoegde autoriteit om nieuwe personeelsleden in dienst te nemen
onnodig zou beperken of dat het een inbreuk zou kunnen vormen op grondrechten of op
rechten van werkenden zoals vastgelegd in het nationale arbeidsrecht. Deze lidstaatoptie
wordt gebruikt, omwille van de krappe en competitieve arbeidsmarkt. Verwacht wordt
dat de arbeidsinzet komende jaren slechts beperkt zal stijgen en vanaf 2030 zelfs
zal krimpen. Het stellen van kortere afkoelingsperiodes maakt het eerder mogelijk
voor de bevoegde autoriteit om nieuwe personeelsleden in dienst te nemen, die over
de adequate en noodzakelijke vaardigheden beschikken voor de taakuitoefening van haar
toezichthoudende taken. Een langere afkoelingsperiode kan bovendien het recht op vrije
arbeidskeuze, neergelegd in artikel 19, derde lid, van de Grondwet, beperken.
§ 4.2.2 Lidstaatoptie bijkantoren uit een staat die geen lidstaat is
Het regime voor bijkantoren van ondernemingen uit een staat die geen lidstaat is bevat
een lidstaatoptie46 om op derde land bijkantoren dezelfde vereisten toe te passen als op reguliere banken.
Deze lidstaatoptie wordt niet gebruikt. Het reguliere bankenregime is een zwaar en
uitgebreid regime, dat niet per se geschikt is voor derde land bijkantoren. Bovendien
is het nieuwe derde land bijkantorenregime zo vormgegeven dat er stevige vereisten
omtrent kapitaal, liquiditeit, organisatie en boekhouding opgelegd worden alvorens
een vergunning voor de vestiging van een derde land bijkantoor wordt verleend. Hierdoor
is het niet nodig om op dergelijke bijkantoren het (nog) uitgebreidere reguliere bankenregime
van toepassing te verklaren waardoor dergelijke derde land bijkantoren zouden moeten
voldoen aan de volledige CRR en de (implementatie van de) CRD. Dat zou onder meer
betekenen dat derde land bijkantoren aan zwaardere vereisten rondom de berekening
van risico-activa, indringender toezicht (want volledige bankvergunning) en openbaarmakingsvereisten
moeten voldoen.
§ 4.2.3 Lidstaatopties dwangsommen
De artikelen in de CRD omtrent de mogelijk te nemen handhavingsmaatregelen bij overtreding
van artikelen uit de CRD bevatten twee lidstaatopties. De eerste lidstaatoptie47 ziet op het kunnen aanpassen van de modaliteiten van de last onder dwangsom. De CRD
schrijft voor dat dwangsommen opgelegd kunnen worden per dag van de inbreuk, voor
ten hoogste zes maanden, met een maximum per dag van 5% van de gemiddelde dagelijkse
netto-omzet voor rechtspersonen of € 50.000 voor natuurlijke personen. De lidstaatoptie
geeft lidstaten de ruimte om de modaliteiten van de dwangsommen aan te passen, door
bijvoorbeeld ervoor te kiezen om de dwangsommen per week of per maand op te leggen.
Dit is in Nederland reeds mogelijk op grond van de Awb48 waarbij de toezichthouder de tijdseenheid van de op te leggen last onder dwangsom
kan bepalen. Er wordt daarom gebruik gemaakt van de lidstaatoptie zodat hiermee het
bestaande kader omtrent dwangsommen in de Awb wordt behouden.
De tweede lidstaatoptie49 geeft de mogelijkheid om een hoger maximumbedrag vast te stellen voor de bedragen
van de dwangsommen die per dag van de inbreuk worden opgelegd. De maxima van de dwangsommen
zijn in de richtlijn vastgesteld op 5% van de dagelijkse netto-omzet voor een rechtspersoon
en € 50.000,– voor een natuurlijk persoon. Die maxima zijn reeds forse bedragen, waardoor
een verhoging van die maxima niet noodzakelijk is. Bovendien schrijft de Wft en de
Awb geen minimum- en maximumbedragen voor dwangsommen voor. Daarom wordt deze lidstaatoptie
niet gebruikt.
§ 4.2.4 Lidstaatoptie proportionaliteit strategieherziening
Voor de behandeling van risico’s dienen banken strategieën en richtlijnen op te stellen
voor het aangaan, beheren, bewaken en limiteren van de risico’s waaraan de bank blootgesteld
kan worden. Reguliere banken moeten ten minste eenmaal per twee jaar deze strategieën
en richtlijnen herzien.50 Dit zou ook vastgesteld kunnen worden op vaker. In de CRD is de mogelijkheid toegevoegd
om, rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel, kleine en niet-complexe banken
toe te staan dat zij om de twee jaar de strategieën en richtlijnen herzien.51 Deze bepalingen worden zo lastenluw mogelijk geïmplementeerd. Niet alleen kleine
en niet-complexe banken hoeven deze strategieën en richtlijnen maar eenmaal per twee
jaar te herzien, ook grote banken worden aan de termijn van twee jaar gebonden, in
plaats een kortere termijn (zoals jaarlijks) te kiezen.
§ 4.2.5 Lidstaatoptie ex-post assessment geschiktheid
In het artikel over geschiktheid en betrouwbaarheid is een lidstaatoptie opgenomen52 om, bij wijze van uitzondering, de geschiktheid- en betrouwbaarheidstoets uit te
voeren nadat nieuw benoemde leden van het leidinggevend orgaan van een bank of beleggingsonderneming
in functie zijn getreden. Die mogelijkheid bestaat in geval de meerderheid van de
leden van het leidinggevend orgaan van een instelling tegelijkertijd vervangen moet
worden door nieuw benoemde leden. In Nederland wordt de geschiktheid- en betrouwbaarheidstoets
door de toezichthouder altijd voorafgaand aan de benoeming van nieuwe leden van het
leidinggevend orgaan uitgevoerd, ongeacht of het aantal van de leden dat vervangen
wordt. Deze staande praktijk wordt niet gewijzigd, waardoor van deze lidstaatoptie
geen gebruik wordt gemaakt.
§ 5. Gevolgen
In deze paragraaf worden de gevolgen van het wetsvoorstel besproken. Hierbij wordt
allereerst stilgestaan bij de regeldruk van het wetsvoorstel. Daarnaast wordt kort
stilgestaan bij de lastenluwe implementatie van de richtlijn. Vervolgens wordt het
advies van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) besproken.
Dit voorstel heeft geen gevolgen voor de rijksbegroting nu de kosten voor het prudentieel
toezicht door de financiële sector zelf wordt betaald.53
§ 5.1 Regeldruk
a. systematiek
In deze paragraaf wordt ingegaan op de regeldrukeffecten als gevolg van de implementatie
van de richtlijn. Regeldrukeffecten zijn de investeringen en inspanningen die bedrijven
moeten verrichten om zich aan wet- en regelgeving van de overheid te houden. De regeldrukeffecten
worden in kaart gebracht op basis van de systematiek uit het Handboek meting regeldrukkosten
(verder: handboek).54 De regeldrukeffecten van de CRR worden niet meegenomen omdat de CRR rechtstreeks
werkt en niet omgezet wordt in Nederlandse wetgeving. Voor de regeldrukeffecten van
het voorstel (inclusief de verordening) zij verwezen naar de effectbeoordeling van
de Commissie.55
Deze paragraaf is als volgt opgebouwd. Eerst wordt een beschrijving gegeven van de
begrippen en de systematiek die een rol spelen bij het bepalen van de regeldrukgevolgen.
Daarna wordt de doelgroep omschreven. Tot slot volgt een analyse van de regeldrukgevolgen
voor de doelgroep volgens de methode vastgelegd in het handboek, waarbij gebruik wordt
gemaakt van informatie verstrekt door DNB en de Nederlandse Vereniging van Banken
(NVB).
b. begrippen
Bij regeldrukkosten gaat het om de kosten die voortvloeien uit inhoudelijke verplichtingen
en informatieverplichtingen als gevolg van wet- en regelgeving, waaronder de toezichtgerelateerde
kosten die een bedrijf moet maken. Deze regeldrukkosten bestaan uit structurele regeldrukkosten
(periodiek terugkerend) en eenmalige regeldrukkosten (eenmalige aanpassingen en kosten
kennisname nieuwe regels).
De kosten worden bepaald op basis van het Standaard Kosten Model (SKM). Dat model
komt er in essentie op neer dat wordt nagegaan welke handelingen door de bedrijven
moeten worden verricht om aan de nieuwe regelgeving te voldoen. Vervolgens wordt per
handeling bepaald hoeveel tijd het kost om die handeling te verrichten en op welk
niveau (door welk type personeel) de handeling wordt uitgevoerd zodat de kosten van
de handeling kunnen worden berekend. Alle regeldrukeffecten voortvloeiend uit de richtlijn
worden hieronder in kaart gebracht. Dit geldt niet alleen voor deze implementatiewet,
maar tevens voor hetgeen op niveau van algemene maatregel van bestuur nader wordt
geregeld, nu die nadere invulling voortvloeit uit de in deze wet opgenomen bepalingen.
Er wordt alleen gekeken naar de verandering die optreedt ten opzichte van de bestaande
situatie. De bestaande situatie wordt gevormd door de Implementatiewet kapitaalvereisten
2020, de Implementatiewet richtlijn en verordening kapitaalvereisten uit 2014 en hun
voorlopers die zijn geïmplementeerd in de Wft en onderliggende regelgeving (zoals
het Besluit prudentiële regels Wft (Bpr)). De regeldrukkosten worden overigens onderscheiden
van de financiële lasten (zoals leges en heffingen) die het voorgestelde met zich
brengt. Financiële lasten worden niet tot de regeldrukkosten gerekend.
c. doelgroep
Het bepalen van de doelgroep is noodzakelijk voor de berekening van de regeldrukkosten.
De doelgroep van de CRD is in principe alle banken in Nederland. Op grond van informatie
van DNB betreft dit 35 banken56.
Ook (gemengde) financiële holdings in Nederland moeten voldoen aan een aantal nieuwe
vereisten die volgen uit de CRD. Op grond van informatie van DNB zijn er 15 (gemengde)
financiële holdings in Nederland.
Daarnaast bevinden zich in Nederland 2 bijkantoren van banken uit staten die geen
lidstaat zijn57, die aan het nieuwe derde land bijkantorenregime moeten gaan voldoen.
d. analyse
De tabel geeft een overzicht van de handelingen die nodig zijn om te voldoen aan nieuwe
verplichtingen die als gevolg van de aanpassing van CRD worden geïmplementeerd in
de Wft en lagere regelgeving. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen de incidentele
en structurele kosten (in uren).
Overzicht handelingen en tijd nieuwe artikelen in CRD
Tabel 1: Overzicht handelingen en tijd nieuwe artikelen in CRD
Handeling
Eenmalig
Structureel
Prudentieel relevante transacties (art. 27 bis, 27 quinquies, 27 septies, 27 decies
CRD, implementatie in 3:96a t/m 3:96d Wft; verdere uitwerking in Bpr)
5–10 uur
N.v.t.
Concentratierisico’s bij centrale tegenpartijen in staten die geen lidstaat zijn (art.
74, eerste lid, 76, tweede lid, CRD; geïmplementeerd middels dynamische verwijzingen
in Bpr op grond van 3:17 Wft)
10–20 uur
N.v.t.
Risico’s bij crypto-activa meenemen in risicobeheer (art. 79, 81, 83, vierde lid,
85, eerste lid, CRD; wordt geïmplementeerd middels dynamische verwijzing in 23a Bpr
op grond van 3:17 Wft)
20–30 uur
N.v.t.
Lijst met individuele verklaringen over taken en verantwoordelijkheden (art. 88 CRD;
geïmplementeerd in 17c Bpr op grond van 3:17 Wft)
2,5–5 uur
1,25–2,5 uur
Geschiktheid en betrouwbaarheidsbeoordelingen voor medewerkers met een sleutelfunctie
(art. 91, 91 bis CRD; geïmplementeerd in 3:9b/4:10a Wft)
10–15 uur
N.v.t.
ESG-risico’s meenemen in interne governance, risicobeheer, geschiktheid bestuur en
beloningsbeleid (art. 74, eerste lid, 76, eerste en tweede lid, 87 bis, 91, zevende
lid, 94, eerste lid, CRD; geïmplementeerd in 23a Bpr op grond van 3:17 Wft)
Vanwege de mogelijkheid om proportionaliteit te bieden aan kleine en niet-complexe
banken bij het opstellen van ESG-plannen, wordt er een uitsplitsing gemaakt tussen
de twee type banken.
Reguliere banken: 500–1.000 uur
Kleine en niet-complexe banken:
250–500 uur
Reguliere banken: 225–450 uur
Kleine en niet-complexe banken:
112.5–225 uur
Derde land bijkantorenregime (art. 21 quater en 47 t/m 48 septdecies CRD; implementatie
in 2:20/2:21 en Deel 3 Wft, verdere uitwerking in Besluit Markttoegang financiële
ondernemingen Wft en Bpr)
100–200 uur
25–50 uur
Prudentieel relevante transacties
Nederland kent in artikel 3:96 Wft al een regime voor prudentieel relevante transacties.
De drempel voor wanneer er een vvgb aangevraagd moest worden werd bereikt indien er
met de transactie minstens 1% van de geconsolideerde balans gemoeid was. Deze minimumgrens
komt met de CRD te liggen op 15% van het in aanmerking komend kapitaal. Hierdoor zal
de drempel in de praktijk hoger komen te liggen, waardoor er minder snel een vvgb
aangevraagd dient te worden, indien er een deelneming van betekenis door een bank
of (gemengde) financiële holding verworven gaat worden. Niettemin zullen banken en
(gemengde) financiële holdings incidenteel een aantal kosten moeten maken om kennis
te nemen van de nieuwe vereisten aan het regime voor prudentieel relevante transacties,
zodat duidelijk is wanneer en hoe een vvgb aan te vragen, dan wel een kennisgeving
te doen. Voor de kennisname van de nieuwe vereisten rondom vvgb’s, worden de kosten
die gemaakt moeten worden voor hoogopgeleid personeel58 geschat tussen de (€ 54,– x 5 uur =) € 270,– en (€ 54,– x 10 uur =) € 540,– per bank
of (gemengde) financiële holding. De verwachting is dat het aantal vvgb’s per jaar
met ongeveer 33% afneemt, van 15 tot 10. Ervan uitgaande dat de 5 vvgb’s die nu niet
meer de drempelwaarde behalen simpele vvgb’s waren, levert dat een besparing van (((€ 54,–
x 20 = € 1.080 kosten voor het verzamelen en aanleveren informatie) x 5 vvgb’s =)
€ 5.400 + (5 x € 1.600 =) € 8.000 aan eenmalige kosten voor vvgb’s) = minstens € 13.400
aan lastenbesparing.
Concentratierisico’s bij centrale tegenpartijen
Concentratierisico’s bij centrale tegenpartijen zijn niet nieuw in de CRD. Reeds voorheen
werden dit type risico’s al onderkend en meegenomen in de risicobeheersing. Vandaar
dat de regeldrukkosten voor deze vereisten relatief laag worden ingeschat: tussen
de (€ 54,– x 10 uur =) € 540,– en (€ 54,– x 20 uur =) € 1.080,– per bank aan eenmalige
kosten Dit zijn de kosten voor kennisneming van nieuwe vereisten. Overige kosten zijn
te beschouwen als bedrijfseigen kosten.
Risico’s bij crypto-activa
Banken die crypto-activa willen aanhouden banken zullen beleid en processen moeten
opstellen voor de blootstellingen aan crypto-activa die tot operationeel, krediet-
en marktrisico kunnen leiden. Dit vergt aanpassing van de risicobeheersing en eventuele
interne processen. De regeldrukkosten daarvan worden geschat tussen de (€ 54,– x 20 uur =)
€ 1.080,– en (€ 54,– x 30 uur =) € 1.620,– per bank. Structureel zijn er geen kosten
als de vereisten voor crypto-activa eenmaal opgenomen zijn in de risicobeheersing.
Opstellen lijst individuele verklaringen met taken en verantwoordelijkheden
Op grond van artikel 88, derde lid, CRD moeten banken individuele verklaringen opstellen,
bijhouden en actualiseren waarin de taken en verplichtingen van alle leden van het
bestuur, de raad van commissarissen, de directie en de medewerkers met een sleutelfunctie
worden beschreven en bij worden gehouden. Hierbij wordt tevens een overzicht gegeven
van de taken en rapportagelijnen.
De verwachting is dat dit al grotendeels standaard praktijk is voor banken en (gemengde)
financiële holdings waarmee dit grotendeels bedrijfseigen kosten zijn. Vandaar dat
de incidentele kosten enkel zien op het aanpassen en controleren of de reeds bestaande
informatie voldoet aan de nieuwe vereisten uit de CRD. De regeldruk voor banken hierbij
wordt voor de incidentele kosten geschat tussen de (€ 54,– x 2,5 uur =) € 135,– en
(€ 54,– x 5 uur =) € 270,– per bank. Structurele kosten zullen slechts de helft van
de initiële kosten zijn, nu deze verklaringen slechts aanpassing nodig hebben bij
veranderingen in de personen of in de taken en verplichtingen. Dit komt neer op regeldrukkosten
tussen de (€ 54,– x 1,25 uur =) € 67,50 en (€ 54,– x 2,5 uur =) € 135,– per bank.
Geschiktheid en betrouwbaarheidsbeoordelingen voor medewerkers met een sleutelfunctie
De toetsing van geschiktheid en betrouwbaarheid is voor banken geen nieuw vereiste.
Ook personen die deel uitmaken van het «tweede echelon» werden al onderworpen aan
toetsing van de toezichthouder. Een bank en (gemengde) financiële holding zal kennis
moeten nemen van de nieuwe vereisten die gelden uit hoofde van de CRD. Dit levert
qua regeldrukkosten een inschatting op tussen de (€ 54,– x 10 uur =) € 540,– en (€ 54,–
x 15 uur =) € 810,– per bank. Er kunnen incidentele kosten optreden als er nieuwe
personen getoetst moeten worden. Vooralsnog is niet voorzien dat vanwege de veranderingen
in CRD er een geheel nieuwe groep beleidsbepalers een toetsing moeten ondergaan.
ESG-risico’s invoeren in interne governance, risicobeheer, geschiktheid bestuur en
beloningsbeleid
ESG-risico’s zijn in meerdere artikelen opgenomen in de CRD, waardoor banken ESG-risico’s
moeten verankeren in de interne governance, risicobeheer, beloningsbeleid en de kennis
en opleiding bij het bestuur. Ook zullen banken op grond van artikel 87 bis CRD plannen
opstellen om de financiële risico’s te beheersen die voortvloeien uit ESG-factoren
op de korte, middellange en lange termijn. Dit betekent dat banken dit moeten gaan
meenemen in interne kapitaal- en liquiditeitsberekeningen, stresstesten, scenario
analyses en op veel manieren in de risicobeheersing. Dit zal vermoedelijk leiden tot
nieuwe (specialistische) kennisopbouw waarvoor banken waarschijnlijk nieuwe medewerkers
moeten opleiden.
ESG-risico’s zijn in het kader van kapitaalvereisten echter geen nieuw terrein voor
banken. Reeds in 2019 werd in de eerste wijziging van CRR59 opgenomen dat vanaf 28 juni 2022 beursgenoteerde banken informatie openbaar moeten
maken over ESG-risico’s. EBA heeft hiervoor ook richtsnoeren60 opgesteld over hoe ESG-risico’s door banken en door de toezichthouder bij het toezicht
op banken meegenomen moeten worden. Daarnaast heeft de ECB in november 2020 haar Guide
on climate-related and environmental risks61 gepubliceerd. Hiermee heeft de ECB, als toezichthouder op significante banken in
Nederland, en DNB als toezichthouder op niet-significante banken, al oog voor de beheersing
van ESG-risico’s bij banken. De nieuwe vereisten die zijn opgenomen in de CRD zijn
dus niet nieuw, en ESG-risico’s zijn geen vereisten die pas met de implementatie van
CRD zijn ontstaan en in het risicobeheer van banken worden meegenomen. Banken zijn
al veelvuldig met ESG-risico’s aan de slag gegaan, waarbij de toezichthouders ook
al beoordelingen hebben uitgevoerd over de wijze waarop banken reeds ESG-risico’s
gebruiken.62 Dit betekent dat de ingeschatte kosten voor het integreren van ESG-risico’s in alle
interne systemen geen geheel nieuwe kosten zijn, maar deels al business as usual. Hierbij is dus sprake van bedrijfseigen kosten. Daarom wordt de inschatting gemaakt
dat de kosten op 500–1.000 uur63 per uitkomen. Dit zou dan neerkomen op een geschatte kostenpost van (€ 54,– x 500 uur =)
€ 27.000,– en (€ 54,– x 1.000 uur =) € 54.000,– per bank. Structurele kosten worden
geschat op ongeveer 45% van de initiële kosten. Dit komt neer op een geschatte regeldrukkosten
tussen de (€ 54,– x 225 uur =) € 12.150,– en (€ 54,– x 450 uur =) € 24.300,– per bank.
Voor kleine en niet-complexe banken geldt enige mate van proportionaliteit waardoor
deze banken een vereenvoudigde procedure of ontheffing kunnen krijgen voor de vereisten
voor het opstellen van de plannen op grond van artikel 87 bis CRD. Omdat de kwalificatie
«kleine en niet-complexe bank» afhankelijk is van een veelvoud aan vereisten (zie
artikel 4, eerste lid, onderdeel 145, CRR), waarbij toezichtvertrouwelijke data nodig
is, is het niet mogelijk om te zeggen hoeveel banken hiervoor precies kwalificeren.
Indien alleen gekeken wordt naar de ondergrens van activa voor kleine en niet-complexe
banken (ongeveer € 5 miljard zoals volgt uit artikel 4, eerste lid, onderdeel 145,
subonderdeel b, CRR) dan zijn er volgens de cijfers64 van DNB 5 banken in Nederland met minder dan € 5 miljard activa. Hiervoor zouden
de kosten dan neerkomen op de helft minder dan voor de reguliere banken omdat kleine
en niet-complexe banken weliswaar proportioneel behandeld kunnen worden met betrekking
tot de ESG-plannen, maar nog steeds ESG-risico’s mee zullen moeten nemen in de interne
governance en risicobeheersing. De kosten die eerder werden ingeschat zullen daarom
voor kleine en niet-complexe banken op 50% worden ingeschat. Dit zou betekenen dat
ze incidenteel (€ 54,– x 250 uur =) € 13.500,– en (€ 54,– x 500 uur =) € 27.000,–
per kleine en niet-complexe bank. Structurele kosten worden wederom geschat op ongeveer
45% van de incidentele kosten. Dit komt neer op geschatte regeldrukkosten tussen de
(€ 54,– x 112,5 uur =) € 6.075,– en (€ 54,– x 225 uur =) € 12.125,– per kleine en
niet-complexe bank.
Derde land bijkantorenregime
Een derde land bijkantorenregime is voor Nederland niet nieuw. Nederland kende voorheen
al voor derde land bijkantoren van banken uit een staat die geen lidstaat zijn een
vergunningenregime. Op dit moment zijn er twee derde land bijkantoren.65 Niettemin volgen er ook voor reeds bestaande bijkantoren in Nederland van banken
in een staat die geen lidstaat zijn wijzigingen. Dat vereist dat de bestaande bijkantoren
kennis nemen van de nieuwe verplichtingen en bijvoorbeeld een escrow-rekening openen
waar kapitaal aangehouden moet worden en een afgescheiden rekening voor liquiditeit.
Daarnaast zal er juridische documentatie gereedgemaakt moeten worden, en informatie
van de moederonderneming opgevraagd worden om aan DNB aan te leveren. Al met al zal
dit voor de twee bijkantoren in Nederland van banken uit een staat die geen lidstaat
is, als zij hun vergunning willen behouden, leiden tot geschatte incidentele regeldrukkosten
tussen de (€ 54,– x 100 uur =) € 5.400,– en (€ 54,– x 200 uur =) € 10.800,– per bijkantoor.
De structurele kosten worden op een kwart van de incidentele kosten geschat, tussen
de € 1.350,– en € 2.700,–. Nadat een derde land bijkantoor voldoet zitten de kosten
voornamelijk in het bijhouden van de vereisten, het aanleveren van informatie aan
de toezichthouder, het ondergaan van het SREP proces en het uitvragen van externe
beoordelingen over het voldoen van de vereisten aan de vergunning. Overigens zouden
de structurele kosten nog lager kunnen uitvallen, omdat mogelijk niet voor alle 25–50 uur
hoogopgeleid personeel nodig is, maar bijvoorbeeld ook deels administratief personeel.66
Naast de twee reeds bestaande bijkantoren kan het zijn dat er op dit moment bancaire
dienstverlening plaatsvindt door ondernemingen uit staten die geen lidstaat zijn,
zonder dat zij een bijkantoor hebben gevestigd in Nederland. Dit is bijvoorbeeld het
geval als zij de diensten 1, 2 of 6 uit de bijlage bij de CRD verlenen aan professionele
marktpartijen. Ook deze dienstverlening komt binnen het bereik van het verbod om vanuit
een staat die geen lidstaat is deze diensten te verlenen zonder bijkantoor met bijbehorende
vergunning. Het kan dus zijn dat het onderhavige wetsvoorstel gevolgen heeft voor
bepaalde vormen van bestaande dienstverlening. Omdat de precieze impact sterk afhankelijk
is van keuzes die de betreffende ondernemingen maken in hun bedrijfsvoering, is het
niet goed mogelijk hier nader op in te gaan in de regeldrukberekening. Onder omstandigheden
zou dit ertoe kunnen leiden dat ondernemingen zich genoodzaakt zien een bijkantoor
op te richten in Nederland. Tegelijkertijd ligt het meer in de lijn der verwachting,
gelet op het huidige bankenlandschap in Europa, waarin grensoverschrijdende dienstverlening
door onder andere het zogenoemde EU-paspoort voor banken mogelijk is, dat ondernemingen
uit staten die geen lidstaat zijn eerder zullen kiezen om in één lidstaat een dochteronderneming
te vestigen vanwaar uit deze dienstverlening binnen de gehele EU kan worden verricht.
Die optie is doorgaans efficiënter dan in alle lidstaten afzonderlijk een derde land
bijkantoor op te richten. Ook kan het zijn dat een onderneming uit een staat die geen
lidstaat is reeds een dochteronderneming in een andere lidstaat heeft. In dat geval
zouden er nog steeds diensten verleend kunnen worden aan Nederlandse partijen, als
die dienstverlening verloopt via de dochteronderneming. Dat vergt mogelijk het aanpassen
van processen en contracten, maar is naar verwachting minder impactvol dan de oprichting
van een bijkantoor. Bovendien bevat de CRD overgangsrecht voor reeds bestaande dienstverlening,
waarbij bestaande overeenkomsten gewaarborgd blijven tijdens de looptijd. Zie hiervoor
de overgangsbepaling in Artikel IV van het wetsvoorstel en de bijbehorende toelichting.
De totale regeldrukkosten worden als volgt geschat:
Overzicht totale regeldrukkosten nieuwe artikelen in CRD (in €’s)
Tabel 2: Overzicht totale regeldrukkosten nieuwe artikelen in CRD
Handeling
Eenmalig
Structureel
Eenmalig
(sector)
Structureel
(sector)
De volgende vereisten zijn van toepassing op 35 banken (waarvan 5 klein en niet-complexe
banken) en 15 holdings
Prudentieel relevante transacties
270 – 540
N.v.t.
13.500 – 27.000
N.v.t.
Concentratierisico’s bij centrale tegenpartijen in staten die geen lidstaat zijn
540 – 1.080
N.v.t
27.000 – 54.000
N.v.t.
Crypto-risico’s meenemen in risicobeheer
1.080 – 1.620
N.v.t.
54.000 – 81.000
N.v.t.
Opstellen lijst individuele verklaringen over taken en verantwoordelijkheden
135 – 270
67.50 – 135
6.750 – 13.500
3.875 – 6.750
Geschiktheid en betrouwbaarheidsbeoordelingen voor medewerkers met een sleutelfunctie
540 – 810
N.v.t.
27.000 – 40.500
N.v.t.
Gezamenlijke kosten
2.565 – 4.320
67.50 – 135
128.250 – 216.000
3.875 – 6.750
45 Reguliere banken en holdings: ESG-risico’s meenemen in interne governance, risicobeheer,
geschiktheid bestuur en beloningsbeleid
27.000 – 54.000
12.150 – 24.310
1.343.250 – 2.430.000
546.750 – 1.093.950
Totaal reguliere banken, beleggingsonderneming en holdings
29.565 – 59.320
12.218 – 24.445
1.458.675 – 2.624.400
550.238 – 1.100.125
5 Kleine en niet-complexe banken: ESG-risico’s meenemen in interne governance, risicobeheer,
geschiktheid bestuur en beloningsbeleid
13.500 – 27.000
6.075 – 12.150
67.500 – 135.000
30.375 – 60.750
Totaal kleine en niet-complexe banken
16.065 – 31.320
6143 – 12.285
80.325 – 156.600
30.763 – 61.425
Totaal alles samen voor de gehele sector als je rekent met 35 banken en 15 holdings
1.539.000 – 2.781.000
581.001 – 1.161.150
De volgende vereisten zijn van toepassing op 2 derde land bijkantoren van ondernemingen
uit een staat die geen lidstaat is
Derde land bijkantorenregime
5.400 – 10.800
1.350 – 2.700
10.800 – 21.600
2.700 – 5.400
§ 5.2 Lastenluwe implementatie
Overeenkomstig het regeerprogramma wordt de richtlijn zo lastenluw mogelijk geïmplementeerd.
Waar mogelijk is gebruik gemaakt van verlichtende lidstaatopties zoals de proportionaliteit
voor kleine en niet-complexe banken. Zie hiervoor paragraaf 4.2
§ 5.3 Advisering Adviescollege toetsing regeldruk (ATR)
Aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) is een ontwerp van het wetsvoorstel
en memorie van toelichting voorgelegd met het verzoek om hierover advies uit te brengen.
ATR heeft in haar advies met dictum 1 (indienen/vaststellen) voornamelijk de lidstaatopties
bestudeerd, maar constateert hierbij dat gekozen wordt voor lastenluwe implementatie
en dat het niet gebruiken van sommige lidstaatopties niet leidt tot regeldrukgevolgen,
omdat dit lidstaatopties waren die een regime, zoals het derde land bijkantorenregime
en de handhaving, konden verzwaren. ATR merkt op dat het logisch zou zijn om de lidstaatoptie
met betrekking tot de afkoelingstermijn voor de overstap van toezichthouders naar
concurrenten van de onder toezicht staande onderneming wel te gebruiken. Aan deze
opmerking is gevolg gegeven.
Daarnaast schrijft ATR dat het zaak is om ervoor te zorgen dat het toezicht zo consistent
mogelijk wordt uitgeoefend om hiermee toezichtdivergentie te voorkomen. Het bevorderen
van toezichtconvergentie is een expliciete taak van EBA67 en een doelstelling van het Europees systeem voor financieel toezicht.68
§ 6. Uitvoering
DNB heeft op verzoek een uitvoeringstoets uitgevoerd. In haar reactie geeft DNB aan
dat zij in staat is op grond van de implementatiewet de nieuwe toezichtvereisten uit
te voeren. Hoewel de precieze capaciteit die dit zal vergen nog niet duidelijk is,
is vooralsnog de verwachting dat eventuele extra capaciteit opgevangen kan worden
binnen het huidige kostenkader dat vaststaat tot en met 2028. DNB schat dat de nieuwe
ESG-vereisten en de wijzigingen rondom «medewerkers met een sleutelfunctie» 1,5 tot
2,5 fte aan extra capaciteit gaan vergen. Daarnaast is nog niet duidelijk of er extra
capaciteit benodigd is voor het nieuwe derde land bijkantorenregime en de prioriteiten
die de ECB stelt in het kader van het toezicht op significante banken.
§ 7. Consultatie
Dit wetsvoorstel is openbaar geconsulteerd op www.internetconsultatie.nl van 30 april 2025 tot en met 28 mei 2025. Er zijn vijf reacties gegeven, en ATR heeft
haar brief aan de Minister ook als reactie ingediend. De reactie van de ATR is in
paragraaf 5.3 besproken.
De reacties zijn afkomstig van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), het Verbond
van Verzekeraars (Verbond), Finnius, Clifford Chance, en de belangenorganisaties Bank
Policy Institute and Loan Market Association (BPI/LMA) die gezamenlijk een reactie
hebben ingediend. Voor zover mogelijk worden gelijkluidende reacties van consultatiepartijen
samengenomen ter bespreking. De antwoorden zijn gebundeld in blokken ter bevordering
van een consistente beantwoording.
§ 7.1 Derde land bijkantoren
De NVB, Finnius, Clifford Chance en BPI/LMA hebben allen opmerkingen gemaakt over
de implementatie van het nieuwe derde land bijkantorenregime zoals dat volgt uit de
richtlijn.
7.1.1 Afwezigheid van de term «van het publiek»
Finnius en Clifford Chance stellen voor de term «van het publiek», die voorkomt in
het verbod op het aantrekken van opvorderbare gelden in artikel 3:5 Wft en artikel 9
CRD, toe te voegen aan het voorgestelde artikel 2:20, eerste lid, onderdeel a, Wft.
Artikel 2:20, eerste lid, Wft omvat de verplichting voor ondernemingen uit staten
die geen lidstaat zijn om over een bijkantoor en een vergunning te beschikken, indien
zij in Nederland bepaalde bankdiensten willen verlenen. De voorgestelde toevoeging
zou duidelijk maken dat er alleen een derde land bijkantoor opgericht moet worden
als een onderneming uit een staat die geen lidstaat is opvorderbare gelden aantrekt
van het publiek. Deze clausulering is opgenomen in het verbod op het aantrekken van opvorderbare
gelden in artikel 3:5 Wft, zodat het aantrekken van opvorderbare gelden van anderen
dan het publiek, zijnde professionele marktpartijen, ongemoeid blijft.
De suggestie om de zinsnede «van het publiek» toe te voegen aan artikel 2:20 Wft miskent
de reikwijdte en intentie van het derde land bijkantorenregime uit artikel 21 quater
en 47 CRD. De richtlijn beoogt duidelijk een bredere reikwijdte te hebben dan alleen
het aantrekken van het publiek te reguleren.69 De richtlijn kent slechts vier uitzonderingen hierop, die in het voorgestelde artikel 2:20,
tweede en derde lid, Wft zijn opgenomen:
1) de dienstverlening is op exclusief eigen verzoek van de in Nederland gevestigde onderneming,
onder de zogeheten reverse solicitation uitzondering,
2) de onderneming in een staat die geen lidstaat is een bank die opvorderbare gelden
aantrekt van een bank,
3) de onderneming in Nederland waaraan de dienstverlening plaatsvindt behoort tot dezelfde
groep als de opvorderbare gelden aantrekkende onderneming in een staat die geen lidstaat
is, of
4) het aantrekken van opvorderbare gelden is direct gerelateerd aan de verrichting van
de in bijlage I, deel A of B, van MiFID II genoemde diensten en activiteiten.
Alleen in de vier specifieke gevallen hierboven genoemd is het niet nodig om een derde
land bijkantoor te vestigen en een vergunning te verkrijgen.
Om de samenhang tussen het derde land bijkantorenregime (artikel 2:20) en het verbod
op het aantrekken van opvorderbare gelden (artikel 3:5 Wft) te verbeteren is artikel 3:5
aangepast. Hierbij is verduidelijkt dat, behoudens het vestigen van een derdeland
bijkantoor met bijbehorende vergunning of een van de vier uitzonderingsgevallen uit
de richtlijn, het niet meer mogelijk is voor ondernemingen uit een staat die geen
lidstaat is om opvorderbare gelden aan te trekken van professionele marktpartijen
in Nederland.
7.1.2 Aantrekken van opvorderbare gelden door aanbieding van effecten
Artikel 3:5, tweede lid, onderdeel d, Wft bevat een uitzondering op het verbod op
het aantrekken van opvorderbare gelden van het publiek, als dat plaatsvindt door het
aanbieden van effecten. Finnius merkt op dat onduidelijk is of deze uitzondering blijft
gelden voor ondernemingen uit een staat die geen lidstaat is nu dit in essentie leidt
tot het aantrekken van opvorderbare gelden.
Artikel 28 van de prospectusverordening70 voorziet in de mogelijkheid voor ondernemingen uit staten die geen lidstaat zijn
om effecten aan te bieden in de EU, zolang de aanbieding geschiedt middels een prospectus
die voldoet aan de vereisten van de prospectusverordening. Om consistentie met de
prospectusverordening te waarborgen is de uitzondering bedoeld in artikel 3:5, tweede
lid, onderdeel d, Wft ook opgenomen in artikel 2:20, eerste lid, onderdeel a, Wft,
om duidelijk te maken dat het aanbieden van effecten er niet toe moet leiden dat een
onderneming uit een staat die geen lidstaat is een derde land bijkantoor moet vestigen.
7.1.3 MiFID II-uitzondering op 2:20
BPI/LMA merkt op dat de uitzondering voor diensten die worden verleend in het kader
van de zogenoemde MiFID II-diensten, nauwer geformuleerd lijkt dan in de tekst van
de richtlijn is opgenomen. Dit komt met name door de verwijzing naar dat de dienstverlening
van de diensten 1, 2 of 6 direct gerelateerd aan de verlening en noodzakelijk moeten zijn voor de verlening van de in bijlage I, deel A en B, genoemde MiFID II-diensten en activiteiten. Naar
aanleiding hiervan is artikel 2:20 Wft aangepast door direct te verwijzen naar de
bepaling in de CRD waar de uitzondering is opgenomen. Niettemin blijft, zoals ook
in de memorie van toelichting beschreven is bij de artikelsgewijze toelichting, van
belang dat er een direct verband zit tussen het verlenen van de diensten 1, 2 en/of
6 uit Bijlage I van de CRD en de verleende MiFID II-diensten om onder de uitzondering
te vallen.
7.1.4 Overgangsrecht
Finnius, BPI/LMA en Clifford Chance merken terecht op dat er overgangsrecht op grond
van artikel 21 quater, vijfde lid, CRD nodig is. Dit betreft overgangsrecht voor de
gevallen dat ondernemingen uit staten die geen lidstaat zijn bijvoorbeeld nu al opvorderbare
gelden aantrekken van professionele partijen zonder dat zij een bijkantoor in Nederland
hebben gevestigd. Op grond van de huidige bepalingen van de Wft is dat toegestaan.
Na de inwerkingtreding van deze wet moet elke onderneming die opvorderbare gelden
wil aantrekken in Nederland een bijkantoor vestigen (tenzij wordt voldaan aan een
van de in artikel 21 quater, tweede tot en met vierde lid, CRD genoemde uitzonderingen).
Artikel 21 quater, vijfde lid, CRD biedt overgangsrecht om de verworven rechten van
cliënten op grond van bestaande overeenkomsten die gesloten zijn voor 11 juli 2026
te behouden, zodat het nieuwe derde land bijkantorenregime dat niet verstoort. Hiertoe
is overgangsrecht toegevoegd in artikel IV, tweede lid.
7.1.5 Beoordeling reeds bestaande derde land bijkantoren
Finnius merkt op dat het overgangsrecht wat voorzien is in artikel IV met betrekking
tot de reeds verleende vergunningen voor bijkantoren van banken uit staten die geen
lidstaat zijn strikt is: op 11 januari 2027 moet uiterlijk door DNB zijn getoetst
of de reeds bestaande derde land bijkantoren voldoen aan de nieuwe vereisten uit de
richtlijn. Finnius betoogt dat het raadzaam zou zijn om een derde land bijkantoor
de tijd te bieden om herstelmaatregelen te nemen indien DNB constateert dat het derde
land bijkantoor nog niet voldoen aan de nieuwe vereisten. Hoewel een begrijpelijke
suggestie, leidt dit niet tot aanpassing van het overgangsrecht. Het wettelijk mogelijk
maken van een herstelmogelijkheid verhoudt zich niet goed tot het overgangsrecht zoals
opgenomen in artikel 48 quater, zesde lid, CRD, nu dit stelt dat verleende vergunningen
alleen blijven gelden wanneer de derde land bijkantoren voldoen aan de vereisten van
Titel VI CRD. Het overgangsrecht is een stok achter de deur om ervoor te zorgen dat
derde land bijkantoren DNB benaderen om samen na te gaan in hoeverre zij voldoen aan
de nieuwe vereisten voor derde land bijkantoren indien zij hun dienstverlening via
dat bijkantoor willen voortzetten. In de wet is de term «uiterlijk» opgenomen. Er
staat niks in de weg aan het bijkantoor of DNB om reeds ruim voor de datum van 11 januari
2027 te starten met de beoordeling hiervan. DNB streeft ernaar op tijd te beginnen
met het informeren van reeds bestaande bijkantoren over de wijze waarop getoetst wordt
of reeds bestaande derde land bijkantoren voldoen aan de nieuwe vereisten. Mocht onverhoopt
de beoordeling in een specifiek geval toch niet binnen termijn kunnen worden afgerond,
dan betekent dat echter ook dat DNB voorafgaand aan het afronden van die beoordeling
niet zal kunnen overgaan tot handhaving of tot intrekking van de bestaande vergunning.
7.1.6 Verbod op het gebruik van het woord «bank»
Clifford Chance merkt op dat artikel 3:7 Wft aangepast moet worden. Dit artikel reguleert
het gebruik van het woord «bank» in de naam van een onderneming. Hierop is dit artikel
aangepast. Ondernemingen die een derde land bijkantoor in Nederland vestigen en daarvoor
een vergunning hebben, zijn uitgezonderd van het verbod om het woord «bank» in de
naam van het derde land bijkantoor te voeren. Overigens is aanpassing van artikel 3:7
Wft een louter technische wijziging. Voorheen vielen derde land banken reeds onder
de uitzondering van artikel 3:7, tweede lid, onderdeel b, Wft. Vanwege de wijzigingen
in artikel 2:20 Wft is het echter nodig om een nieuw onderdeel toe te voegen zodat
het nu ook expliciet geldt voor derde land bijkantoren.
7.1.7 Secundaire markt leningen
Clifford Chance merkt op dat niet helder is welke activiteiten onder dienst 2 uit
bijlage I van de CRD (het verstrekken van leningen) vallen. Zowel de richtlijn, als
dit wetsvoorstel wijzigen de invulling van dienst 2, zoals op dit moment gangbaar
is in de huidige praktijk, echter niet. Om die reden wordt niet voorzien in een nadere
toelichting.
7.1.8 Implementatie definities uit CRD VI
De NVB vraagt om de definities uit artikel 47, derde lid, CRD te implementeren in
de Wft ter voorkoming van kruisverwijzingen. Omdat deze termen niet gebruikt worden
in de Wft, deze wijze van dynamisch verwijzen de consistentie met de richtlijn borgt
en de regelgeving toekomstbestendig houdt, heeft deze suggestie niet tot wijzigingen
van het voorstel geleid.
§ 7.2 Prudentieel relevante transacties (vvgb’s)
De NVB en Finnius hebben beiden opmerkingen gemaakt over het regime voor prudentieel
relevante transacties.
7.2.1 Behoud vvgb in artikel 3:96
De NVB en Finnius vragen waarom gekozen is om de verplichting om over een vvgb te
beschikken voor een financiële of vennootschappelijke reorganisatie, uit 3:96 Wft,
te behouden, naast het nieuwe kader voor prudentieel relevante transacties dat volgt
uit CRD. Deze opmerkingen hebben, gelet op de mate van harmonisatie waarin de richtlijn
voorziet en reeds bestaande kennisgevingsverplichtingen in de Wft, zoals op grond
van artikel 3:29 Wft, geleid tot de keuze om artikel 3:96 Wft in het geheel te laten
vervallen.
7.2.2 De term «deelneming»
De NVB vraagt wat wordt bedoeld met de term «deelneming» in de artikelen 3:96a en
3:96c Wft, die voorzien in het nieuwe toezichtkader voor prudentieel relevante transacties,
en stelt dat, om rechtsonzekerheid te voorkomen, het woord «deelneming» gewijzigd
kan worden in het woord «belang».
Ter verduidelijking is, naar aanleiding van deze reactie, in artikel 3:96a en 3:96c
Wft opgenomen dat het gaat om een verwerving van een «deelneming van betekenis». Deze
deelneming van betekenis wordt in de CRD omschreven als een deelneming die van materieel
belang wordt beschouwd en ten minste 15% van het in aanmerking komend kapitaal van
de kandidaat-verkrijger bedraagt. Er gelden geen andere drempels dan de voornoemde
15% van het in aanmerking komend kapitaal.
7.2.3 Overgangsrecht voor lopende vvgb-aanvragen.
De NVB vraagt te voorzien in een overgangsregime voor vvgb-aanvragen die aanhangig
zijn ten tijde van de inwerkingtreding van de wet. Deze reactie is gevolgd. In artikel IV
zijn hiervoor overgangsbepalingen opgenomen.
7.2.4 AMvB ter uitwerking van informatieverplichtingen bij vvgb-regime
Ten aanzien van de delegatiegrondslagen in artikel 3:96b en 3:96d benoemt de NVB dat
de relevante AMvB nog niet is gepubliceerd voor consultatie. Zij vraagt aandacht voor
de informatie die aangeleverd zou moeten worden voor de kennisgeving, dat niet dermate
gedetailleerd moet zijn ten aanzien van een voorgenomen transactie, dat dit de facto
alsnog tot een (intensievere) beoordeling leidt.
Voor de aan te leveren informatie middels dit kennisgevingsformulier dient EBA, conform
artikel 27 ter, zevende lid, CRD een technische reguleringsnorm op te stellen die
door de Europese Commissie aangenomen zal worden als gedelegeerde verordening. Die
gedelegeerde verordening zal de minimumvereisten bevatten aan informatie die moet
worden aangeleverd bij een vvgb-aanvraag op grond van de voorgestelde artikelen 3:96a
of 3:96c Wft en de kennisgeving van een overname of overdracht van activa of passiva
als bedoeld in de voorgestelde artikelen 3:96b, eerste lid, onderdeel b, en 3:96d,
eerste lid, onderdeel b, Wft. De gedelegeerde verordening schrijft niet de informatie
voor die aangeleverd moet worden bij een kennisgeving voor een afstoting van een deelneming
van betekenis als bedoeld in de voorgestelde artikelen 3:96b, eerste lid, onderdeel a,
en 3:96d, eerste lid, onderdeel a, Wft. Het voornemen is om de vereiste informatie
hiervoor zeer beperkt te houden. De precieze invulling zal duidelijk worden bij de
consultatie van het ontwerp implementatiebesluit dat volgt op dit wetsvoorstel. Bij
de totstandkoming van dit ontwerp zal de reactie van de NVB worden betrokken.
7.2.5 Benoemen uiterste datum van mogelijke verlening
De NVB verzoekt ten aanzien van verklaringen van geen bezwaar tenslotte om in artikel 1:106d
Wft een bepaling toe te voegen die de toezichthouder(s) verplicht tot het benoemen
van de uiterste datum waarop de aangevraagde vvgb geacht kan worden verleend te zijn
of te worden verleend. Naast het feit dat de aanvrager dit op voorhand kan bepalen
aan de hand van geldende procedures en termijnen, is dit ook af te leiden uit de kennisgeving
die DNB verplicht is te sturen op grond van artikel 1:106b Wft indien zij een aanvraag
ontvangt voor een verklaring van geen bezwaar. Deze reactie leidt daarom niet tot
aanpassing van artikel 1:106d Wft.
§ 7.3 Geschiktheid en betrouwbaarheidsbeoordeling medewerkers met sleutelfunctie
De NVB, het Verbond en Finnius hebben opmerkingen gemaakt over de geschiktheid en
betrouwbaarheid van medewerkers met een sleutelfunctie.
7.3.1 Reikwijdte begrip medewerkers met een sleutelfunctie
De NVB en het Verbond hebben opmerkingen gemaakt over de reikwijdte van het begrip
«medewerkers met een sleutelfunctie» en de verhouding daarvan tot bepaalde functies,
zoals de hoofden van de risicobeheer-, compliance- en interne auditfunctie en de financieel
directeur, die in artikel 91 bis, vierde en vijfde lid, CRD wordt gebruikt. In de
artikelsgewijze toelichting bij artikel 3:9b en 4:10a Wft wordt verduidelijkt dat
deze functies onder het begrip «medewerkers met een sleutelfunctie» vallen, maar dat
dit geen uitputtende lijst functies is die onder de definitie valt. Ook Finnius merkt
op dat de term «medewerkers met een sleutelfunctie» moet gelden in de plaats van «tweede
echelon», niet omdat de reikwijdte van de begrippen anders zijn, maar omdat dit begrip
op Europees niveau wordt geharmoniseerd. In principe is de wetgever niet verplicht
om exact dezelfde termen te gebruiken als de termen in de richtlijn, als de definitie
inhoudelijk maar in lijn is met wat de richtlijn voorschrijft. In dit geval is de
nationale definitie en toetsingsregime onder het tweede echelon beperkter dan de definitie
die CRD voorschrijft en daarom wordt deze definitie, en term, vervangen.
7.3.2 Variabele beloningen medewerkers met een sleutelfunctie
De NVB vraagt om overgangsrecht op te nemen als de reikwijdte van het regime voor
medewerkers met een sleutelfunctie wijzigt ten opzichte van het vigerende regime voor
leden van het tweede echelon. Na heroverweging is ervoor gekozen om artikel 1:128
Wft niet aan te passen, zodat overgangsrecht niet nodig is. In lijn met het kabinetsbeleid
wordt voorkomen dat beloningsregels verder verzwaard worden door met het overnemen
van de definitie van medewerkers met een sleutelfunctie in artikel 1:128 Wft een extra
nationale kop te introduceren, zonder dat daar een Europese aanleiding voor is.
7.3.3 Tweede echelon-regime aanpassen voor verzekeraars
Door het Verbond wordt verzocht om de definitie en het toetsingsregime van medewerkers
met een sleutelfunctie ook te laten gelden voor verzekeraars. Het Verbond stelt dat
het «tweede echelon-regime» niet duidelijk is en verzoekt om dit regime te harmoniseren
en te verduidelijken in de nationale wetgeving. Dit punt wordt erkend en zal geadresseerd
worden bij de implementatie van de aanpassingen aan de richtlijn Solvabiliteit II.71
§ 7.4 ESG-risico’s
De NVB heeft verschillende vragen gesteld over ESG-risico’s.
7.4.1 ESG-bepalingen
De NVB verzoekt om de relevante ESG-bepalingen uit de richtlijn een duidelijke plek
in de wet te geven. Hieraan wordt geen gehoor gegeven. Het opnemen van ESG-risico’s
is verweven in de interne governance en risicobeheersing van banken. De verschillende
bepalingen rondom dergelijke onderwerpen zijn voornamelijk op het niveau van algemene
maatregel van bestuur te vinden, ter uitwerking van de kernbepaling in artikel 3:17
Wft over de bedrijfsvoering. ESG-risico’s zijn een van de categorieën risico’s die
banken effectief moeten beheersen. De huidige systematiek van implementatie, zoals
die al sinds de implementatie van de oorspronkelijke CRD-herziening in 2013 is gevolgd,
wordt gehandhaafd.
7.4.2 Richtsnoeren van de ECB of EBA
De NVB verzoekt om toe te lichten waarom niet-bindende richtsnoeren van de ECB of
EBA, al dan niet volledig, van toepassing zullen zijn. Het is de ECB toegestaan richtsnoeren
uit te brengen op grond van artikel 4, derde lid, van de verordening bankentoezicht.
Indien EBA in de CRD de bevoegdheid gekregen heeft om zaken uit te werken in richtsnoeren,
geldt daar op grond van artikel 16, derde lid, van de EBA-verordening72 voor dat zowel toezichthouders, als financiële instellingen zich tot het uiterste
moeten inspannen om aan de richtsnoeren te voldoen.
7.4.3 Materialiteit
De NVB verzoekt de Minister in de toelichting uitdrukkelijk aandacht te besteden aan
het gebruik van materialiteit in de beheersing van geïdentificeerde ESG-risico’s.
Het verzoek van NVB op dit punt is niet duidelijk. «Materialiteit» ziet op die duurzaamheidsrisico's
die financieel materieel zijn. Maar die materialiteit is al impliciet meegenomen in
het feit dat banken concrete plannen moeten ontwikkelen, op grond van artikel 76,
tweede lid, CRD, om de financiële risico's te beheersen die op termijn ontstaan. Zonder
financiële risico's zijn ESG-risico's immers niet materieel.
7.4.4 Ontwikkelingen omtrent ESG-risico’s op andere terreinen
De NVB verzoekt in de toelichting aandacht te besteden aan het feit dat bij ontwikkeling
van een ESG-risicoraamwerk de toezichthouders rekening houden met ontwikkelingen die
buiten de invloedssfeer van de banken liggen en normen die zich nog ontwikkelen. Hoewel
het juist is dat er in de EU discussie gaande is over duurzaamheidsregelgeving, heeft
dat geen wezenlijke invloed op de implementatie van de richtlijn. De vereisten die
geïmplementeerd moeten worden zijn helder. Hoe dat in de praktijk uitpakt, met name
in het toezicht op de naleving door banken, zal door de ECB en DNB meegenomen moeten
worden in haar (doorlopende) toezicht.
§ 7.5 Harmonisatie administratieve maatregelen en -sancties
De NVB heeft enkele algemene opmerkingen gemaakt omtrent de bepalingen die zien op
de harmonisatie van administratieve maatregelen en administratieve sancties.
7.5.1 Verschil nationale versus Europese boetesystematiek
De NVB verzoekt het nationale systeem van bestuurlijke boetes aan te passen naar de
Europese systematiek. Hoewel de richtlijn de bepalingen omtrent handhaving opnieuw
vaststelt, geven de inhoudelijke wijzigingen hier geen aanleiding toe. Het nationale
systeem van bestuurlijke boetes volgt zoveel mogelijk het Europese systeem uit de
CRD, ingepast in het cross-sectorale systeem va de Wft. De ECB is volledig onafhankelijk,
ook in het voorschrijven van haar boetebeleid, zolang zij daarbij binnen de kaders
van onder andere de verordening bankentoezicht blijft.
7.5.2 Invulling begrip onverwijld
De NVB meent dat het begrip «onverwijld» zoals gebruikt in artikel 1:107 Wft met betrekking
tot inschrijvingen in het openbare register van de toezichthouder nader geduid moet
worden. Dit wordt niet overgenomen. De betekenis van «onverwijld» wordt voor een ieder
voldoende duidelijk geacht, temeer nu dit al jarenlang gehanteerd wordt voor inschrijvingen
in het register.
§ 7.6 Overig
Als laatste heeft de NVB enkele opmerkingen gemaakt in de categorie «overig».
7.6.1 Algemene opmerking over wetgeving
De NVB gaat in haar consultatiereactie in op het belang van duidelijke en voorspelbare
wetgeving, geharmoniseerd met het EU-recht en lastenluwe implementatie van nieuwe
verplichtingen. Zoals ook door de ATR is bevestigd, is de richtlijn zo lastenluw mogelijk
geïmplementeerd, door onder meer lidstaatopties zo lastenluw mogelijk in te zetten.
Bij de implementatie van de richtlijn is getracht zo dicht mogelijk bij de tekst van
de richtlijn te blijven, door onder meer dynamische verwijzingen op te nemen. Waar
mogelijk is bezien of nationale regels geschrapt moeten worden, omdat zij worden vervangen
door een Europees kader.
7.6.2 Uitwisseling van persoonsgegevens bij samenwerking toezichthouders
De NVB maakt zich zorgen over de uitwisseling van gegevens met andere toezichthouders,
zowel uit de Europese lidstaten (artikel 1:51 Wft), als met de toezichthouders van
staten die geen lidstaat zijn (artikel 1:65 Wft).
CRD schrijft voor dat toezichthouders zowel op verzoek, als op eigen initiatief informatie
moeten kunnen uitwisselen met andere toezichthouders. In het kader van deze richtlijnimplementatie
ziet dat specifiek op de gevallen waar er sprake is van prudentieel relevante transacties.
Dit betreft niet, zoals de NVB het schetst, een «continue, omvangrijke en ondoorzichtige
informatiestroom». Zelfs door opname in een algemeen geformuleerd artikel, zoals artikel 1:51
Wft, moet deze verstrekking op eigener beweging nog steeds terug te leiden zijn naar
een in de richtlijn specifiek voorgeschreven reden voor informatie-uitwisseling.
Daarbij komt dat de uitwisseling van informatie tussen toezichthouders gebonden is
aan het informatiekader uit de CRD, wat neergelegd is in de artikelen 53 tot en met
62 CRD. Hierin is onder meer het beroepsgeheim opgenomen, evenals dat het verwerken
van persoonsgegevens in overeenstemming moet zijn met de algemene verordening gegevensbescherming.73
7.6.3 Verwijzingen naar de Awb
De NVB verzoekt om verwijzingen naar de Awb op te nemen om ervoor te zorgen dat toezichthouders,
inclusief de ECB, zich aan de aldaar opgenomen termijnen houden. De Awb is een generieke
wet, en geldt tenzij er expliciet van wordt afgeweken. Alleen in dat geval wordt er
een expliciete verwijzing naar de Awb opgenomen. Indien de NVB constateert dat DNB
zich als zelfstandig bestuursorgaan niet houdt aan de geldende termijnen uit de Awb,
dan zal de individuele bank de gebruikelijke weg van bezwaar en beroep moeten volgen
die op grond van de Awb hierbij open staat.
7.6.4 Lastendruk
De NVB verzoekt om rekening te houden met de lastendruk die voortvloeit uit nationale
en Europese beleidsregels die samenhangen met CRD VI bij het berekenen van de lastendruk.
De mandaten voor EBA, waarvan de richtlijn inderdaad meerdere bevat, zien voornamelijk
op het uitwerken van technische reguleringsnormen die door de Europese Commissie zullen
worden vastgesteld als gedelegeerde verordening. Dit betreft dus geen beleidsregels
maar bindend EU-recht. De inhoud van die gedelegeerde verordeningen, maar ook de richtsnoeren
die EBA vaststelt, worden door EBA opgesteld, na onder meer publieke consultatie en
controle door de Europese Commissie, Raad en Europees Parlement. Nu het onderhavig
wetsvoorstel hier geen betrekking op heeft, en de betreffende gedelegeerde regelgeving
ook nog niet tot stand is gekomen, worden de gevolgen van deze uitwerking niet meegenomen
in deze memorie van toelichting.
7.6.5 Berekening kosten personeel
De NVB ageert tegen het feit dat er gerekend wordt met € 54,– aan kosten voor hoogopgeleid
personeel per uur. De NVB noemt dit achterhaalde cijfers en verzoekt niet meer uit
te gaan van de getallen in het Handboek meting regeldrukkosten maar uit te gaan van
de uurtarieven die toezichthouders rekenen. De regeldruk van bedrijven berekenen is
een verplicht onderdeel van de memorie van toelichting bij een wet. Voor die berekening
dient de gehele Rijksoverheid het Handboek meting regeldrukkosten te gebruiken. De
ATR ziet hier op toe en heeft ook onderhavig wetsvoorstel ontvangen voor advies (zie
paragraaf 5.3).
7.6.5 Toetsing van beleidsbepalers bij bijkantoren
De NVB merkt op dat artikel 36 Bpr, met betrekking tot hertoetsing van nieuwe beleidsbepalers
bij bijkantoren van banken, een nationale kop bovenop de CRD betreft voor banken.
Deze opmerking zal worden meegenomen bij het in voorbereiding zijnde implementatiebesluit.
ARTIKELSGEWIJS
ARTIKEL I (Wet op het financieel toezicht)
A (1:1)
In artikel 1:1 Wft worden zes nieuwe definities opgenomen.
Naar aanleiding van het derde land bijkantorenregime worden er drie nieuwe definities
toegevoegd: klasse 1-bijkantoor, klasse 2-bijkantoor en in aanmerking komend bijkantoor. Deze drie begrippen worden nu opgenomen als definities in 1:1 Wft.
De richtlijn introduceert een classificatiemethodiek om de reikwijdte en het niveau
van de prudentiële eisen per derde land bijkantoor vast te stellen. Daarbij wordt
onderscheid gemaakt tussen klasse 1-bijkantoren en klasse 2-bijkantoren. Een klasse 1-bijkantoor is een derde land bijkantoor als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, Wft dat voldoet
aan minstens één van de volgende voorwaarden uit artikel 48 bis, eerste lid, CRD:
1) de totale waarde van activa op de boeken van het bijkantoor bedraagt € 5 miljard
of meer zoals gerapporteerd voor de onmiddellijk voorafgaande jaarlijkse verslagperiode,
2) de activiteiten van het bijkantoor bevat het aantrekken, ter beschikking verkrijgen
of ter beschikking hebben van opvorderbare gelden van consumenten en die hoeveelheid
opvorderbare gelden omvat minstens 5% van de totale passiva van het bijkantoor of
is groter dan € 50 miljoen, of 3) het bijkantoor is geen in aanmerking komend bijkantoor
als bedoeld in artikel 48 ter CRD. Is aan één van deze volwaarden voldaan, dan is
het bijkantoor een klasse 1-bijkantoor.
Voldoet het bijkantoor aan geen van de drie voorwaarden, dan is zij een klasse 2-bijkantoor. De indeling van bijkantoren op basis van de classificatiemethodiek bepaalt vervolgens
de vereisten ten aanzien van het aan te houden kapitaal, liquiditeitsvereisten en
bepaalde vereisten inzake interne governance en risicobeheersing, waarbij er voor
klasse 1 bijkantoren strengere eisen gelden.
De classificatie wordt beoordeeld bij de vergunningaanvraag van het derde land bijkantoor
en wordt geactualiseerd door DNB indien een bijkantoor van klasse verandert.
De Europese Commissie moet bij uitvoeringshandeling vaststellen of staten die geen
lidstaat zijn waar de moederonderneming van een derde land bijkantoor is gevestigd
a) een regelgevend kader heeft met prudentiële normen en toezicht voor banken in die
staat gelijkwaardig is aan het kader uit de CRR en CRD, en b) de toezichthouder(s)
van de moederonderneming in een staat die geen lidstaat is eenzelfde soort vertrouwelijkheidsvereisten
hebben als die uit de CRD. Als de Europese Commissie voor een staat die geen lidstaat
is een uitvoeringshandeling kan vaststellen die aangeeft dat die staat voldoet aan
de hiervoor genoemde voorwaarden, en de staat waar de moederonderneming gevestigd
is niet is opgenomen in een lijst als staat die geen lidstaat is met een hoog risico
dat strategische tekortkomingen vertoont in zijn regelingen inzake de bestrijding
van witwassen en terrorismefinanciering, dan kan de toezichthouder het bijkantoor
classificeren als een in aanmerking komend bijkantoor. Dit is relevant voor bepaalde rapportageverplichtingen in artikel 48 terdecies CRD
(en wordt geïmplementeerd door artikel 3:82b Wft, zie onderdeel AAA). Zolang de eerder
genoemde uitvoeringshandeling voor een bepaalde staat die geen lidstaat is nog niet
is vastgesteld, wordt het bijkantoor geclassificeerd als klasse 1-bijkantoor.
Verder is in artikel 3, eerste lid, onderdeel 9 bis, CRD het nieuwe begrip «medewerker
met een sleutelfunctie» gedefinieerd. Dit is een natuurlijke persoon die invloed van
betekenis heeft op de leiding van een bank, beleggingsonderneming onder de verordening
kapitaalvereisten of (gemengde) financiële holding, maar geen lid is van het leidinggevend
orgaan. Specifiek worden twee typen medewerkers met een sleutelfunctie nader gedefinieerd,
namelijk hoofden van de internecontrolefuncties en de financieel directeur. Ten aanzien
van deze personen vindt een externe toets op betrouwbaarheid plaats (zie onderdelen
BB, VVV en JJJJ).
B (1:27a)
Met de wijziging van artikel 1:27a Wft wordt artikel 4 bis, tweede lid, tweede alinea,
CRD geïmplementeerd. Deze CRD-bepaling schrijft voor dat de directeuren als bedoeld
in artikel 4 bis, eerste lid, CRD van de bevoegde autoriteit – in Nederland: DNB in
haar hoedanigheid als bevoegde autoriteit – worden benoemd op basis van objectieve
en transparante criteria die gepubliceerd zijn. Aangezien deze directeuren volgens
de definitie in de CRD over de bevoegdheid dienen te beschikken om uitvoerende taken
met betrekking tot het dagelijks beheer van de toezichtfunctie van de bevoegde autoriteit
uit te oefenen, betreft dit bij DNB de toezichtdirecteuren als bedoeld in artikel 12a
Bankwet 1998. De profielschets dient objectieve en transparante criteria te bevatten.
Net als bij de functieprofielen, als bedoeld in artikel 12, derde lid, Bankwet 1998,
bevat de profielschets een omschrijving van individuele functies binnen de directie.
Hierom wordt in de bepaling verduidelijkt dat in het geval van directeuren als bedoeld
in artikel 12a Bankwet 1998 de profielschets objectieve en transparante criteria moet
bevatten, net als de wijziging onder artikel 12, derde lid, Bankwet 1998 ten aanzien
van de functieprofielen. Deze criteria dienen daarnaast gepubliceerd te worden door
DNB. Deze wijzigingen bestendigen de huidige praktijk die DNB reeds hanteert (zie
artikel 6, zesde lid van de statuten van DNB).74
In artikel 4 bis, tweede lid, tweede alinea, CRD staat dat een veroordeling voor een
ernstig strafbaar feit een ontslaggrond is. In de Nederlandse praktijk vormt een veroordeling
wegens een ernstig strafbaar feit een strafrechtelijk antecedent en dat kan ertoe
leiden dat de betrouwbaarheid van de bestuurder niet langer buiten twijfel staat.
In een dergelijk geval kan deze persoon niet langer aan de eisen voor uitoefening
van de functie van artikel 1:27a Wft voldoen. Artikel 4 bis, tweede lid, tweede alinea,
CRD behoeft derhalve geen afzonderlijke implementatie.
C (1:48a)
Dit bevat een klein tekstuele aanpassing van het eerste lid waar «voor een vergunning»
wordt vervangen door «van een vergunning».
D (1:51)
Artikel 1:51 Wft ziet op de samenwerking en uitwisseling van gegevens en inlichtingen
tussen enerzijds de Nederlandse toezichthouders en anderzijds toezichthouders en afwikkelingsautoriteiten
van andere lidstaten. Het derde lid van dit artikel maakt het mogelijk dat er gegevens
en inlichtingen worden verstrekt aan autoriteiten in de EU op het verzoek van een
toezichthouder of afwikkelingsautoriteit. In de samenwerkingsbepalingen van artikel 27
quater, vierde lid, en 27 duodecies, tweede lid, CRD is opgenomen dat toezichthouders
niet alleen gegevens met elkaar delen op verzoek, maar dat dit ook op eigen initiatief
kan plaatsvinden. Om dit mogelijk te maken wordt artikel 1:51, derde lid, Wft aangepast
door toevoeging van «of op eigen initiatief», waardoor gegevens- en inlichtingenuitwisseling
mogelijk is tussen de verschillende toezichthouders in de EU. Hierbij wordt opgemerkt
dat artikel 1:51 Wft een bredere reikwijdte heeft dan alleen de implementatie van
de CRD. Omdat het op eigen initiatief delen van gegevens altijd plaatsvindt in het
kader van de uitoefening van de taken van een toezichthouder, waarbij moet blijken
dat de toezichthouder tot taak heeft om op eigen initiatief gegevens te verstrekken
of de andere toezichthouder de gegevens nodig heeft voor de uitoefening van haar taken,
is de verruiming van het artikellid voldoende ingekaderd.
E (1:54d)
Artikel 1:54d Wft is een nieuw artikel, dat ziet op de samenwerking van toezichthouders
in een college van toezichthouders voor derde land bijkantoren. De oprichting van
en het deelnemen aan colleges van toezichthouders is op grond van de huidige CRD en
Wft (artikelen 1:54b tot en met 1:54c Wft) al bestaande praktijk, maar ziet tot op
heden vooral op een college van toezichthouders voor banken en (gemengde) financiële
holdings die in andere lidstaten dochterondernemingen hebben. Op grond van artikel 1:54d
richt DNB een college van toezichthouders op voor derde land bijkantoren die door
DNB geclassificeerd zijn als een klasse 1-bijkantoor. Voor deze bijkantoren dienen
colleges van toezichthouders opgericht te worden indien er in meerdere lidstaten een
klasse 1-bijkantoor van dezelfde groep is gevestigd. Als de groep uit een staat die
geen lidstaat is reeds een bancaire dochter met zetel in een lidstaat en daar een
college van toezichthouders voor opgericht is, dan zal een derde land bijkantoor dat
in Nederland gevestigd is op worden genomen in het toezicht van het college van toezichthouders.
Het eerste lid van artikel 1:54d Wft schrijft voor dat DNB het college van toezichthouders
opricht indien het in Nederland gevestigde bijkantoor, het bijkantoor is met de grootste
totale waarde van activa en er sprake van is dat a) in meerdere lidstaten een klasse
1 bijkantoor is gevestigd, maar geen dochteronderneming in een lidstaat van de groep
uit een staat die geen lidstaat is, of b) in meerdere lidstaten een klasse 1-bijkantoor
is gevestigd en de groep uit een staat die geen lidstaat is heeft een dochteronderneming
in een lidstaat die niet reeds onder een college van toezichthouders valt. Hiermee
is artikel 48 septdecies, tweede lid, onderdelen b en c, en derde lid, CRD geïmplementeerd.
Het tweede lid van artikel 1:54 Wft schrijft voor dat DNB, als toezichthouder op een
Nederlands derde land bijkantoor, zitting neemt in een college van toezichthouders
dat door een toezichthouder van een andere lidstaat wordt opgericht, indien in die
lidstaat het grootste derde land bijkantoor gevestigd is, of een bancaire dochteronderneming
van dezelfde groep als het Nederlandse derde land bijkantoor is gezeteld met een bestaand
college van toezichthouders waar het derde land bijkantoor in Nederland aan toegevoegd
wordt. Hiermee is artikel 48 septdecies, tweede lid, onderdeel a, CRD geïmplementeerd.
F (1:57a)
Artikel 1:57a Wft is ingevoegd met de Uitvoeringswet verordening Europese groene obligaties
en regelt, kort gezegd, dat de Nederlandse toezichthouder, bijvoorbeeld in het kader
van onderzoek ter plaatse, bijstand verleent aan toezichthoudende instanties uit andere
lidstaten als dat voorgeschreven wordt door een Europese verordening. Verordeningen
kunnen echter ook verplichten tot het verlenen van bijstand aan Europese toezichthoudende
autoriteiten, zoals in de Verordening ESG-ratings75 het geval is. Met het oog hierop wordt artikel 1:57a gewijzigd om ook bijstandsverlening
aan Europese toezichthoudende autoriteiten of andere bij de uitvoering van verordening
betrokken Europese autoriteiten mogelijk te maken.
G (1:62)
In artikel 1:62 Wft is opgenomen dat DNB de toezichthouder van een andere lidstaat
om advies vraagt, indien DNB voornemens is een verklaring van geen bezwaar (vvgb)
te verlenen als bedoeld in artikel 3:95 Wft. Advisering vindt plaats als de aanvrager
van de vvgb een beheerder van een icbe, beleggingsonderneming, herverzekeraar, bank,
levensverzekeraar, schadeverzekeraar of betaalinstelling in een andere lidstaat is,
de moederonderneming van een van de hierboven genoemde ondernemingen in een andere
lidstaat is, of de rechtspersoon die zeggenschap uitoefent over een van de hierboven
genoemde ondernemingen in een andere lidstaat is.
Voor de vvgb’s uit artikel 3:96a en 3:96c Wft die met deze implementatiewet worden
ingevoerd (zie Onderdeel EEE), zijn soortgelijke bepalingen opgenomen in de artikelen 27
quater, eerste lid, en 27 duodecies, eerste lid, CRD. Ter implementatie van die artikelen
wordt de huidige tekst van artikel 1:62 Wft omgezet naar een eerste lid, en wordt
er een tweede lid toegevoegd aan artikel 1:62 Wft. In dit tweede lid is opgenomen
dat DNB een toezichthoudende instantie in de gelegenheid stelt om advies uit te brengen
alvorens DNB een vvgb verleent die ziet op het aangaan van een deelneming van betekenis
dan wel een fusie of splitsing als bedoeld in artikel 3:96a of 3:96c Wft, waar een
bank, beheerder van een beleggingsinstelling, beheerder van een icbe, beleggingsonderneming,
herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar ofwel de onderneming zijn waarin
de deelneming van betekenis wordt verworven, dan wel betrokken zijn bij de fusie of
splitsing, ofwel de hiervoor genoemde ondernemingen de moederonderneming zijn van
die hiervoor genoemde ondernemingen, of wel dat een andere rechtspersoon zeggenschap
uitoefent over de hiervoor genoemde ondernemingen waarin een deelneming van betekenis
wordt verworven, dan wel een fusie of splitsing mee wordt aangegeven. Het doel hiervan
is dat de betrokken toezichthouders hun beoordelingen coördineren en de consistentie
van hun beslissingen waarborgen. In het besluit dat DNB uiteindelijk neemt, worden
de standpunten of bezwaren van de betrokken toezichthouders(s) opgenomen.
Hierbij moet opgemerkt worden dat het nieuwe tweede lid van artikel 1:62 Wft niet
alleen de beheerder van een icbe noemt, maar ook, in tegenstelling tot het eerste
lid, een beheerder van een beleggingsinstelling. Dit komt doordat de nieuwe artikelen
in de CRD het begrip «vermogensbeheerder» gebruiken, waaronder de beide type beheerders
vallen, terwijl het oude artikel 24 CRD alleen de beheerder van een icbe bevat.
H (1:65)
Artikel 1:65 Wft ziet op de samenwerking tussen de Nederlandse toezichthouder en toezichthouders
uit staten die geen lidstaat zijn. De huidige tekst van het eerste lid van artikel 1:65
Wft gaat over de verstrekking van gegevens aan een toezichthouder van een staat die
geen lidstaat is. De formulering van de tekst beschrijft dit proces slechts in termen
van verstrekking door de Nederlandse toezichthouder aan de toezichthouder in een staat
die geen lidstaat is.
Artikel 48 quater, tweede lid, CRD schrijft echter voor dat DNB met toezichthouders
uit staten die geen lidstaten zijn over en weer gegevens kan uitwisselen betreffende
het toezicht op derde land bijkantoren. Door de beperkte formulering van 1:65, eerste
lid, Wft lijkt die uitwisseling slechts één kant op te gaan, namelijk van Nederland
naar de toezichthouder in een staat die geen lidstaat is. Door aanpassing van artikel 1:65,
eerste lid, en te spreken over «uitwisseling» in plaats van «verstrekking» kunnen
toezichthouders in Nederland en derde landen over en weer gegevens uitwisselen, voor
zover dit voor de uitoefening van hun wettelijke taken nodig is. Hierbij wordt opgemerkt
dat het gebruikelijk is dat er schriftelijke overeenkomsten worden gesloten met de
toezichthouders in de staten die geen lidstaat zijn voorafgaand aan eventuele informatie-uitwisseling.
I (1:86)
Artikel 1:86 Wft betreft de implementatie van artikel 66, tweede lid, onderdeel f,
CRD waarin de administratieve maatregel is opgenomen om de stemrechten van aandeelhouders
te kunnen schorsen indien die aandeelhouders verantwoordelijk worden geacht voor een
inbreuk op verschillende vergunningvereisten en vereisten voor een vvgb inzake de
verwerving van gekwalificeerde deelnemingen als beschreven in artikel 66, eerste lid,
CRD.
Door de richtlijn wordt artikel 66 opnieuw vastgesteld. Wezenlijke verandering hierbij
is dat naast de reeds bestaande bepalingen die overtreden konden worden nu ook de
nieuwe bepalingen uit de artikelen 27 bis, 27 quinquies, 27 septies en 27 decies CRD
met betrekking tot de deelname van betekenis verwerven en afstoten, een materiële
overdracht van activa en passiva bewerkstelligen of een fusie danwel splitsing aangaan.
Ter implementatie zijn de artikelen waarin de prudentieel relevante transacties zijn
opgenomen (3:96a tot en met 3:96d Wft) opgenomen in artikel 1:86 Wft.
In de opsomming van artikelen in 1:86 Wft is tevens een omissie uit de vorige implementatie
van CRD hersteld. In artikel 1:86 Wft had ook het goedkeuringsvereiste-artikel 21
bis CRD voor (gemengde) financiële holdings opgenomen moeten worden, nu dit artikel ook
staat in de lijst met handhaafbare artikelen in artikel 66, eerste lid, CRD. Met onderhavige
wijziging wordt de implementatie van artikel 21 bis CRD in artikel 3:280a Wft alsnog
toegevoegd, evenals dat (gemengde) financiële holdings zijn toegevoegd in de opsomming
in artikel 1:86 Wft van ondernemingen waarvan de stemrechten op deelnemingen in die
ondernemingen opgeschort kan worden.
J (1:104)
Artikel 1:104 Wft bevat de bevoegdheden voor de toezichthouders om een vergunning
te wijzigen, geheel of gedeeltelijk in te trekken of te beperken, dan wel nadere voorschriften
aan vergunningen te verbinden. Voor de vergunning voor een derde land bijkantoor worden
ter implementatie van artikel 48 quinquies CRD enkele aanpassingen in dit artikel
aangebracht.
Allereerst is de tekst in artikel 1:104, eerste lid, onderdeel f, opgeknipt in verschillende
subonderdelen, wat de leesbaarheid ten goede komt. Daarnaast is in subonderdeel 2°
ter implementatie van artikel 48 quinquies, tweede lid, onderdeel a, derde zinsnede,
CRD opgenomen dat ook een klasse 1-bijkantoor en klasse 2-bijkantoor onderworpen kan
worden aan de wijzigingen van de vergunning, indien het bijkantoor zijn werkzaamheden
gedurende meer dan zes maanden gestaakt heeft.
Daarnaast zijn de derde land bijkantoren ook opgenomen in de opsomming onder onderdeel k
van artikel 1:104, eerste lid, Wft waar het gaat om ondernemingen die uitdrukkelijk
te kennen hebben gegeven het bedrijf niet of niet langer te zullen uitoefenen. Dit
is de implementatie van artikel 48 quinquies, tweede lid, onderdeel a, tweede zin,
CRD.
Tevens wordt, onder vernummering van de onderdelen o tot en met r tot q tot en met
s een nieuw onderdeel o ingevoegd in artikel 1:104, eerste lid, Wft. Hiermee wordt
het mogelijk om de vergunning van een derde land bijkantoor aan te passen indien de
moederonderneming van dat derde land bijkantoor niet aan de prudentiële vereisten
van die staat voldoet, of er een vermoeden is dat zij niet meer voldoet of binnen
twaalf maanden niet meer zal voldoen. Hiermee wordt artikel 48 quinquies, eerste lid,
onderdeel b, CRD geïmplementeerd voor wat betreft het intrekken van de vergunning.
De gronden voor het weigeren van de vergunning uit hetzelfde onderdeel worden opgenomen
in artikel 2:21 Wft (zie onderdeel T). Artikel 48 quinquies, eerste lid, tweede alinea
schrijft voor dat de derde land bijkantoren de toezichthouder onverwijld op de hoogte
stellen wanneer de omstandigheid zoals nu opgenomen in artikel 1:104, eerste lid,
onderdeel o, Wft zich voordoet. Dit is geïmplementeerd in artikel 3:43a, tweede lid,
Wft (zie onderdeel KK).
Ook wordt een zevende lid toegevoegd. Voor de derde land bijkantoren geldt dat zij
moeten voldoen aan anti-witwaswetgeving en bij overtreding daarvan de vergunning ingetrokken
kan worden (zie artikel 1:104, eerste lid, onderdeel r (nieuw)). Dit volgt uit artikel 48
quinquies, tweede lid, onderdeel g, CRD. Deze bepaling geldt voor derde land bijkantoren
echter ook op het niveau van de moederonderneming van het derde land bijkantoor en
de groep waar het derde land bijkantoor onderdeel van is. Als bij de moederonderneming
of de groep sprake is van een vermoeden of een verhoogd risico op witwassen of terrorismefinanciering,
kan de vergunning van het derde land bijkantoor ook ingetrokken worden.
Als laatste wordt opgemerkt dat artikel 48, quinquies, eerste en tweede lid, CRD nog
meer gronden kennen waarop de vergunning van een derde land bijkantoor ingetrokken
kan worden. Dit kan bijvoorbeeld wanneer het bijkantoor niet meer voldoet aan de vergunning
vereisten (48, eerste lid, onderdeel a, CRD), het bijkantoor de vergunning heeft verkregen
door valse verklaringen (48, tweede lid, onderdeel b, CRD) of het bijkantoor niet
meer voldoet aan de wet of de vereisten waaronder de vergunning is verleend (artikel 48,
tweede lid, onderdeel c en e, CRD). Deze gevallen zijn reeds opgenomen in reeds bestaande
onderdelen van artikel 1:104, eerste lid, Wft. Doordat dit artikel van toepassing
is op alle op grond van de Wft door de toezichthouder verleende vergunningen, behoeft
artikel 1:104 Wft voor deze onderdelen van de richtlijn geen wijziging.
K (1:106b)
Artikel 22, tweede lid, CRD bevat voorschriften over de ontvangstbevestiging die de
toezichthouder moet sturen als een persoon een gekwalificeerde deelneming in een bank
wil verwerven of vergroten en hiervan kennisgeeft aan de toezichthouder. Artikel 22,
tweede lid, is geïmplementeerd in artikel 1:106b Wft, waar in het eerste lid is opgenomen
dat DNB binnen twee werkdagen een ontvangstbevestiging stuurt na ontvangst van de
aanvraag voor een vvgb voor, in casu, verwerving of vergroting van een gekwalificeerde
deelneming in een bank. De nieuwe artikelen 3:96a tot en met 3:96d Wft verlopen volgens
dezelfde procedure zodat artikel 1:106b, eerste lid, ook geldt indien er een vvgb
voor een deelneming van betekenis, splitsing of fusie door banken en (gemengde) financiële
holdings wordt aangevraagd. Wel schrijven de artikelen 22 en 23 en de nieuwe artikelen
uit 27 bis e.v. van de CRD voor dat de te versturen ontvangstbevestiging DNB niet
binnen twee werkdagen verzonden moet zijn, zoals nu voorgeschreven in artikel 1:106b,
eerste lid, Wft, maar 10 werkdagen. Om dit onderscheid duidelijk te maken is het eerste
lid van artikel 1:106b Wft opnieuw vastgesteld. Onderdeel a van het eerste lid bevat
nu de regel dat DNB binnen twee werkdagen een ontvangstbevestiging stuurt voor de
aanvragen van een vvgb en alle gegevens en bescheiden op grond van artikel 3:95, tweede
lid, Wft met uitzondering van de vvgb bij een gekwalificeerde deelneming in een bank
als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, onderdeel b, Wft. Die vvgb-aanvraag valt
onder het tiendagenregime. In het onderdeel b van het eerste lid van artikel 1:106b
is opgenomen dat DNB in drie gevallen binnen tien werkdagen een ontvangstbevestiging
stuurt: a) de vvgb-aanvraag op grond van artikel 3:95, eerste lid, onderdeel b, Wft,
b) de vvgb-aanvragen uit de artikel 3:96a en 3:96c Wft, en c) de kennisgevingen die
banken en (gemengde) financiële holdings op grond van de artikelen 3:96b en 3:96d
Wft moeten doen. Deze drie aanvragen vallen allemaal onder het tiendagenregime.
Hiermee wordt de aanpassing aan artikel 22, tweede lid, CRD en de nieuwe artikelen 27
bis, vijfde lid, 27 septies, derde lid, en 27 decies, vierde lid, CRD geïmplementeerd.
Andere EU regelgeving, zoals de prudentiële kaders voor onder meer verzekeraars in
de richtlijn solvabiliteit II76 en beleggingsondernemingen in MiFID II schrijven twee werkdagen voor als termijn
voor een ontvangstbevestiging. Hierdoor kan niet uniform een termijn van 10 dagen
gaan gelden voor alle type vvgb’s. Opname van de artikelen 3:96b en 3:96d Wft betekent
dat naast een kennisgeving voor de activa/passiva-overdracht (voorgeschreven door
artikel 27 septies, derde lid, CRD), ook een ontvangstbevestiging door DNB verstuurd
zal worden voor de afstoting van een deelneming van betekenis. Dat is niet voorgeschreven
door de CRD maar wordt nu wel voorgeschreven door de Wft. Dit zal voor DNB een kleine
moeite zijn maar komt de rechtszekerheid voor marktpartijen wel ten goede.
In het vierde lid van artikel 1:106b Wft wordt «artikel 3:95» vervangen door «de artikelen 3:95,
3:96a of 3:96c». Deze toevoeging is naar aanleiding van de toevoeging van artikel 1:62,
tweede lid, Wft. Het advies van de toezichthoudende instantie die op grond van artikel 1:62,
tweede lid, Wft geraadpleegd is door DNB wordt ook vermeld in het (ontwerp)besluit,
zoals ook voorgeschreven door artikel 27 quater, vierde lid, tweede alinea, en artikel 27
duodecies, tweede lid, tweede zin, CRD.
Tevens zijn aan het artikel twee leden toegevoegd. Het vijfde lid strekt tot implementatie
van artikel 27 bis, zesde lid, tweede alinea, CRD. Dit betreft de situatie dat er
niet alleen een vvgb is aangevraagd voor een deelneming van betekenis door een bank (of (gemengde) financiële holding), maar ook dat die deelneming van betekenis
plaatsvindt in een bank wat zelfstandig kan leiden tot een vvgb op grond van artikel 3:95 Wft. In
een dergelijk geval, waarbij beide vvgb’s aangevraagd moeten worden, is er sprake
van enige samenloop, maar wijken de beslistermijnen die de ECB (indien DNB een ontwerpbesluit
opstelt) en DNB geboden zijn in het tweede en derde lid van artikel 1:106b Wft af.
In dat geval geldt dat de termijn die als laatst verloopt, de beslistermijn bepaalt.
Het nieuwe zesde lid betreft de implementatie van artikel 27 decies, derde lid, CRD.
Dit lid schrijft voor dat als een vvgb wordt aangevraagd voor een fusie of splitsing,
maar om die transactie te voltooien er ook een vergunningaanvraag voor een bank als
bedoeld in artikel 2:11 Wft of een goedkeuring voor een (gemengde) financiële holding
als bedoeld in artikel 3:280a Wft vereist is, de aanvraag niet in behandeling wordt
genomen. Hiermee wordt voorkomen dat DNB een aanvraag tot een vvgb moet beoordelen
terwijl er ook een volledige vergunningaanvraag voor een bank of een goedkeuring voor
een (gemengde) financiële holding voorligt. Op grond van artikel 4:5, vierde lid,
Awb stelt DNB de aanvrager hiervan op de hoogte.
L (1:106c)
Artikel 1:106c Wft bevat procedurele bepalingen omtrent het opvragen van aanvullende
informatie bij een vvgb. Dit artikel dient ter implementatie van artikel 22 CRD. De
termijn die voor de ontvangstbevestiging staat opgenomen in het tweede lid van artikel 1:106c
Wft wordt verlengd naar 10 dagen nu dit ook zo in artikel 22, tweede lid, CRD is opgenomen.
Hiertoe is een tweede zin opgenomen om te differentiëren tussen de verschillende vvgb-procedures
die gelden voor banken en (gemengde) financiële holdings die een termijn van 10 werkdagen
hebben, en de overige vvgb-procedures waarvoor de termijn 2 werkdagen blijft.
Het derde lid van artikel 1:106c Wft betreft een implementatie van artikel 21 bis,
tweede lid, tweede alinea, CRD waarin de samenloop is opgenomen van enerzijds het
aanvragen van een goedkeuring voor een (gemengde) financiële holding en anderzijds
de beoordeling van een verwerving van een gekwalificeerde deelneming in een bank op
grond van artikel 22 CRD. Met de wijziging van de CRD van dat artikel wordt in deze
alinea een aantal veranderingen doorgevoerd. Allereerst is opgenomen dat het niet
alleen gaat om de goedkeuring van een (gemengde) financiële holding, maar tevens om
de ontheffing voor een (gemengde) financiële holding als bedoeld in artikel 21 bis,
vierde lid, CRD. Deze wijziging krijgt vorm in 1:106c, derde lid, Wft, doordat tevens
de ontheffing van een (gemengde) financiële holding als bedoeld in artikel 3:280c
Wft een reden kan zijn om de beslistermijn op te schorten indien er samenloop is met
de vvgb voor de verwerving van een deelneming van betekenis op grond van artikel 3:96c,
eerste lid, onderdeel a, Wft (deelneming van betekenis). De vvgb procedures voor de
gekwalificeerde deelneming en de deelneming van betekenis worden opgeschort totdat
de goedkeuring of ontheffing van de (gemengde) financiële holding verleend is.
Daarnaast is het vijfde lid van artikel 1:106c Wft aangepast. Dit lid ziet op een
uitzonderingsmogelijkheid voor DNB om de opschorting uit artikel 1:106c, vierde lid,
in plaats van 20 dagen 30 dagen te laten duren. Hierbij is het wel nodig om in de
aanhef «derde lid» te vervangen door «vierde lid» als herstel van een omissie van
de Implementatiewet kapitaalvereisten 2020. Onderdeel a biedt nu de mogelijkheid als
de aanvrager van de vvgb zijn zetel heeft of onder toezicht staat in een staat die
geen lidstaat is de termijn met 10 dagen te verlengen naar 30 dagen. Aan die situatie
worden nu toegevoegd het geval dat de onderneming waarin een deelneming van betekenis
als bedoeld in artikel 3:96a, eerste lid, onderdeel a, of 3:96c, eerste lid, onderdeel a,
Wft zijn zetel heeft of onder toezicht staat in een staat die niet een lidstaat is
heeft, en het geval waarin een van de betrokken ondernemingen bij een fusie of splitsing
als bedoeld in artikel 3:96a, onderdelen b of c, of artikel 3:96c, eerste lid, onderdelen
b of c, zijn zetel heeft of onder toezicht staat in een staat niet die geen lidstaat
is.
Tevens is een nieuw onderdeel c opgenomen in het vijfde lid van artikel 1:106c Wft,
dat ziet op de mogelijkheid om de opschorting in te zetten indien er een uitwisseling
van informatie met de toezichthoudende autoriteiten, bedoeld in artikel 1d, eerste
lid, onderdelen a en b, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van
terrorisme, noodzakelijk is. Dit is ter implementatie van artikel 27 bis, elfde lid,
en 27 decies, zesde lid, CRD.
M (1:106d)
Artikel 1:106d Wft bevat de lex silencio positivo77 bij een vvgb. Aan dit artikel worden drie leden toegevoegd. Het tweede lid ziet specifiek
op de situatie dat er een vvgb gevraagd wordt voor een fusie of splitsing zoals bedoeld
in artikel 3:96a, onderdelen b of c of artikel 3:96c, onderdelen b of c, Wft. Artikel 27
decies, zevende lid, CRD schrijft voor dat de transactie (de fusie of de splitsing)
niet voltooid mag worden voordat de «bevoegde autoriteit een positief advies heeft
uitgebracht». In het Nederlandse geval zal dat zijn dat de fusie of splitsing niet
voltooid mag worden voordat er een vvgb door DNB (of ECB) is afgegeven. In tegenstelling
tot wat artikel 27 bis, veertiende lid, CRD voorschrijft bij de deelneming van betekenis,
is er bij een fusie of splitsing dus geen stilzwijgende goedkeuring. Dit is opgenomen
in het nieuwe tweede lid. Daarbij is tevens de uitzondering opgenomen die is voorgeschreven
in artikel 27 decies, negende lid, CRD. Indien de fusie of splitsing plaatsvindt tussen
twee financieel belanghebbenden (banken dan wel (gemengde) financiële holdings) van
dezelfde groep is er wel sprake van een stilzwijgende goedkeuring. Hierbij wordt opgemerkt
dat er bij een splitsing vanuit wordt gegaan dat hierbij dan altijd een groepssituatie
ontstaat en dit artikel dus altijd van toepassing is bij de splitsing als bedoeld
in artikel 3:96a, onderdeel c, of 3:96c, onderdeel c, Wft.
In het derde lid is opgenomen dat de betrokken onderneming het besluit gebruiken bij
de verplichtingen bij (grensoverschrijdende) fusies en splitsingen die gelden op grond
van het vennootschapsrecht in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Indien het een
binnenlandse fusie betreft dan is de vvgb van DNB een van de vormvoorschriften die
in acht genomen moet worden waarop de notaris op grond van artikel 2:318, tweede lid,
BW (fusie) of 2:334n, tweede lid, BW (splitsing) toeziet. Indien er sprake is van
een grensoverschrijdende fusie ligt dit net anders. Daar zal, op grond van artikel 2:333i
BW (grensoverschrijdende fusie) of artikel 2:334uu BW (grensoverschrijdende splitsing)
in Nederland de notaris een verklaring moeten afgeven van de rechtmatigheid van de
grensoverschrijdende verrichting (het zogenaamde pre-fusie/pre-splitsing attest; gezamenlijk
het pre-verrichting attest). De notaris verricht daartoe een rechtmatigheidstoets
en een fraudetoets en ontvangt daartoe ook bepaalde documenten van de ondernemingen
die deelnemen aan de grensoverschrijdende verrichting. Vervolgens zal de Nederlandse
bank of (gemengde) financiële holding die grensoverschrijdend fuseert/splitst dit
pre-attest moeten aanleveren bij de bevoegde instantie in de lidstaat van bestemming
die een verklaring afgeeft dat aan alle vereisten voor de grensoverschrijdende verrichting
is voldaan (het zogenaamde slotattest). Indien Nederland de lidstaat van bestemming
is voor de grensoverschrijdende verrichting is hier de notaris de bevoegde instantie
die het slotattest afgeeft. Zie hiervoor artikel 2:333ia BW (fusie) en artikel 2:334vv
BW (splitsing).
N (1:106e)
In artikel 1:106e Wft, dat ziet op het stellen van termijnen door DNB na goedkeuring
van een vvgb op grond van artikel 3:95 of 3:96 Wft, wordt met het vervallen van artikel 3:96
Wft dat artikel vervangen door de nieuwe artikelen 3:96a en 3:96c Wft, zodat DNB ook
bij een afgegeven vvgb op basis van die twee nieuwe artikelen een termijn kan stellen
waarbinnen de handeling voltooid moet zijn. Hiermee worden de artikelen 27 bis, vijftiende
lid, en 27 decies, tiende lid, CRD geïmplementeerd. Zie verder onderdelen CCC en DDD.
O (1:107)
Artikel 1:107 Wft schrijft voor dat er een openbaar register is waarin onder andere
is opgenomen welke ondernemingen een vergunning verleend hebben gekregen. Zowel DNB
als de AFM houdt een dergelijk vergunningsverleningsregister bij.78 Ter implementatie van artikel 21 bis, eerste lid, vierde alinea, CRD worden er aan
het tweede lid twee onderdelen toegevoegd. Onderdeel d voegt toe dat een goedkeuring
op grond van artikel 3:280a Wft en een vrijstelling op grond van artikel 3:280c Wft
wordt opgenomen in het register. Dit zijn enerzijds het goedkeuringsartikel voor (gemengde)
financiële holdings en anderzijds het artikel waarbij een (gemengde) financiële holding
in Nederland een ontheffing kan verkrijgen van de verplichting om over een goedkeuring
te beschikken. In dat laatste geval zal het register naast de vrijgestelde (gemengde)
financiële holding tevens vermelden welke onderneming is aangewezen als onderneming
waarop de verplichtingen van de (gemengde) financiële holding rusten conform artikel 3:280c
Wft.
Tevens wordt een onderdeel e toegevoegd aan artikel 1:107, tweede lid, Wft. Dit onderdeel
is opgenomen ter implementatie van artikel 48 bis, derde lid, CRD. Dat artikellid
schrijft voor dat de toezichthouder de classificatie van de derde land bijkantoren
actualiseert indien een bijkantoor van klasse verandert. DNB zal hiervoor het register
aanpassen zodat de juiste klasse van het derde land bijkantoor vermeldt wordt. Een
klasse 2-bijkantoor kan daarnaast geclassificeerd worden als een in aanmerking komend
bijkantoor op grond van artikel 48 ter CRD. Ook hierbij wijzigt DNB het register zodat
weergegeven wordt dat het klasse 2-bijkantoor tevens een in aanmerking komend bijkantoor
is. Deze classificering zal geplaatst worden bij de inschrijving van de vergunning
als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, Wft in hetzelfde register aangezien de vergunning
op grond van artikel 1:107, tweede lid, Wft.
P (1:112)
Artikel 1:112 Wft regelt het toepassingsbereik van hoofdstuk 1.7 Wft. Artikel 48 octies,
tweede lid, CRD schrijft voor dat derde land bijkantoren moeten voldoen aan de artikelen 92,
94 en 95 CRD voor de vergunning als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, Wft. Deze
artikelen uit de CRD, die zien op bepalingen omtrent het beloningsbeleid, zijn grotendeels
geïmplementeerd in afdeling 1.7 van de Wft. Omdat dergelijke derde land bijkantoren
niet vallen onder de definitie van financiële onderneming in de Wft, en tevens het tweede lid van artikel 1:112 Wft niet van toepassing is
op derde land bijkantoren, is het derde lid ingevoegd wat specifiek op derde land
bijkantoren ziet. In dit lid worden afdelingen 1.7.2 tot en met 1.7.6 Wft van overeenkomstige
toepassing verklaard op een derde land bijkantoor. Hierbij wordt het volgende opgemerkt:
de artikelen 92, 94 en 95 zijn grotendeels uitgewerkt via de delegatiegrondslag in
artikel 1:117, vierde en vijfde lid, Wft middels een toezichthoudersregeling (de Regeling
beheerst beloningsbeleid Wft 2021). Deze regeling zal aangevuld worden met de vereisten
die gelden voor derde land bijkantoren. De artikelen 92 en 94 gelden voor de derde
land bijkantoren zelf. Artikel 95 CRD, dat de oprichting vereist van een beloningscommissie
is echter een verplichting die rust op de moederonderneming in een staat die geen
lidstaat is van het derde land bijkantoor. Het is aan het derde land bijkantoor om
aan de toezichthouder aan te tonen hoe de vereisten van artikel 95 CRD worden vervuld
door de moederonderneming. Als het recht van de staat die geen lidstaat is niet voorziet
in het oprichten van een beloningscomité, dan moet het derde land bijkantoor aantonen
dat het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie (artikel 3, eerste lid, onderdeel 8,
CRD) van de moederonderneming die de vereisten uit artikel 95 CRD vervult.
Q (2:13a)
Artikel 2:13a Wft is de implementatie van artikel 8 bis CRD. Artikel 8 bis schrijft
voor dat beleggingsondernemingen die de in bijlage I, deel A, genoemde MiFID II-diensten
en activiteiten 3 (handelen voor eigen rekening) of 6 (garanties en borgstellingen)
uitvoeren, en een gemiddelde omvang bereiken van € 30 miljard totale activa (al dan
niet in groepsverband) over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, op grond
van artikel 4, eerste lid, onderdeel 1, subonderdeel b, CRR kwalificeren als bank
en daarom een bankvergunning dienen aan te vragen. Dit geldt zowel voor beleggingsondernemingen
die zelfstandig de grens van € 30 miljard bereiken (gemiddeld berekend over 12 maanden),
als beleggingsondernemingen die zich in een groep bevinden die op groepsbasis € 30 miljard
totale activa aanhouden. Voor die laatste berekening wordt artikel 8 bis, eerste lid,
onderdeel b, CRD aangepast, waarbij is opgenomen dat dit gaat om alle in de EU gevestigde
ondernemingen in de groep, inclusief bijkantoren en dochterondernemingen die gevestigd
zijn buiten de EU. Omdat artikel 2:13a, eerste lid, onderdeel a, Wft reeds een dynamische
verwijzing naar artikel 8 bis, eerste lid, CRD bevat is aanpassing niet nodig.
Wel is aanpassing nodig om te voorzien in de mogelijkheid die het nieuwe derde lid
bis van artikel 8 bis CRD biedt. Hiermee wordt de mogelijkheid geboden dat beleggingsondernemingen
bij de aanvraag van de bankvergunning tegelijkertijd een aanvraag voor een ontheffing
van die verplichting indienen. Deze ontheffing zorgt ervoor dat een beleggingsonderneming
a) niet over een bankvergunning hoeft te beschikken zodat zij gekwalificeerd blijft
als beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten en b) vanwege aanpassing
in artikel 4, eerste lid, onderdeel 1, subonderdeel b, CRR na een ontheffing ook niet
kwalificeert als een bank zoals gedefinieerd in dat onderdeel van de CRR. Een aanvraag
voor een ontheffing van de verplichting om een vergunning als bank aan te vragen wordt
beoordeeld door de bankentoezichthouder (in casu de ECB op basis van een ontwerpbesluit
van DNB). De ontheffing maakt het mogelijk dat beleggingsondernemingen die weliswaar
de grens van € 30 miljard activa slechten, maar qua risico’s juist niet lijken op
banken van een dergelijke omvang, uitgezonderd kunnen worden van de plicht om een
bankvergunning aan te vragen. Bij beoordeling van de aanvraag houdt de toezichthouder
rekening met onder meer de groepsstructuur en de verdeling van activa over de groep,
de modaliteit van de activiteiten die de beleggingsonderneming verricht in de lidstaat
en de EU als geheel, en het systeemrisico van die activiteiten.
De aanpassing die hiervoor benodigd is, is tweeledig. Enerzijds wordt er aan artikel 2:13a,
eerste lid, onderdeel a, Wft de zinsnede «al dan niet gelijktijdig met een verzoek
tot ontheffing als bedoeld in artikel 8 bis, derde lid bis, van de richtlijn kapitaalvereisten»
ingevoegd na de huidige tekst van onderdeel a. Hiermee wordt duidelijk dat de aanvraag
voor een ontheffing altijd gepaard moet gaan met de aanvraag van een bankvergunning.
De verwachting is dat EBA nadere duiding zal geven over hoe precies omgegaan moet
worden met de aanvraag voor een ontheffing in relatie tot de aanvraag van een bankvergunning.
Daarnaast is onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot derde tot
en met vijfde lid een nieuw tweede lid ingevoegd. Hierin is opgenomen dat DNB, na
een gelijktijdig bij de aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, ingediend
verzoek, ontheffing kan verlenen van het verkrijgen van een vergunning als bedoeld
in artikel 2:12, eerste lid, indien de bank voldoet aan de vereisten van artikel 8
bis, derde lid bis, CRD. Hiermee is artikel 8 bis, derde lid bis, eerste alinea, CRD
geïmplementeerd. Een beleggingsonderneming zal dus altijd een verzoek om een vergunning
als bedoeld in artikel 2:12, eerste lid, Wft moeten indienen. Tegelijkertijd kan zij
daarbij dus het verzoek doen voor een ontheffing. DNB zal bij de beoordeling van het
verzoek tot ontheffing rekening moeten houden met de technische reguleringsnormen
die overeenkomstig artikel 8 bis, zevende lid, CRD door EBA opgesteld worden.
R (paragraaf 2.2.2.3)
Paragraaf 2.2.2.3 van de Wft bevat de vereisten voor vergunningverlening aan een bijkantoor
van een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is. Na implementatie van de
CRD dekt het opschrift de lading niet helemaal meer van hetgeen qua artikelen hieronder
is opgenomen. Het zijn tenslotte niet altijd banken uit een staat die geen lidstaat
is die een derde land bijkantoor willen oprichten in Nederland, het kunnen ook andere
ondernemingen zijn die de bancaire dienst 1 uit bijlage I CRD uitvoeren. Hierom wordt
ook de titel van de paragraaf aangepast, waarbij het woord «banken» wordt vervangen
door «ondernemingen».
S (2:20)
Artikel 2:20 Wft bevatte voorheen het verbod voor eenieder met zetel in een derde
land om zonder een daartoe door DNB verleende vergunning het bedrijf van bank uit
te oefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor. Dit artikel wordt opnieuw vastgesteld
ter implementatie van het nieuwe derde land bijkantorenregime uit de richtlijn.
Het eerste lid van artikel 2:20 bevat het nieuw geformuleerde verbod. Het is verboden
voor een onderneming in een staat die geen lidstaat is om in Nederland zonder vestiging
van een bijkantoor en verkrijging van een vergunning de bancaire diensten 1, 2 of
6, genoemd in bijlage I van de CRD uit te voeren. Voor de bancaire dienst 1, het aantrekken
van opvorderbare gelden, geldt dit verbod voor elke onderneming gezeteld in een staat
die geen lidstaat is die in Nederland opvorderbare gelden wil aantrekken, ongeacht
of die onderneming een bank is of niet en ongeacht of de aantrekking gebeurt van professionele
marktpartijen of niet. De reikwijdte van artikel 21 quater en 47 CRD strekken ertoe
duidelijk te maken dat het verrichten van deze bancaire dienst 1 niet is toegestaan
van buiten de EU naar een lidstaat toe zonder een derde land bijkantoor te vestigen.79 De enige uitzondering hierop indien de aantrekking het gevolg is van het aanbieden
van effecten in Nederland in overeenstemming met hetgeen in de prospectusverordening
is bepaald. Deze uitzondering is opgenomen zodat het mogelijk blijft voor ondernemingen
uit een staat die geen lidstaat is om obligaties aan te bieden in Nederland, zolang
deze aanbieding voldoen aan de vereisten uit de prospectusverordening.
Het is ook verboden om de bancaire diensten 2 of 6 van bijlage I CRD te verrichten
in Nederland, indien de onderneming in een staat die geen lidstaat is een bank zou
zijn geweest indien zij haar zetel in Nederland zou hebben. Dit verbod geldt hiermee
ook voor de grote beleggingsondernemingen die voldoen aan de voorwaarden in artikel 4,
eerste lid, onderdeel 1, subonderdeel b, CRR, te weten de beleggingsonderneming die
de in bijlage I, deel A, genoemde MiFID II-diensten en activiteiten 3 en 6 verricht,
en voldoet aan een van de criteria voor de omvang in artikel 4, eerste lid, onderdeel 1,
subonderdeel b, CRR. Deze beleggingsondernemingen voldoen dan aan de definitie van
«kredietinstelling» in de CRR, en daarmee aan de definitie van «bank» in artikel 1:1
Wft. Partijen die niet zouden kwalificeren als een bank en de diensten 2 of 6 (willen)
verlenen vallen niet onder het verbod uit artikel 2:20, eerste lid, Wft.
Overigens wordt hierbij opgemerkt dat de bancaire dienst 2 uit bijlage I CRD het verstrekken
van leningen, waaronder consumentenkrediet, kredietovereenkomsten met betrekking tot
onroerend goed, factoring (met of zonder regres), financiering van commerciële transacties
(met inbegrip van voorschotten) betreft. Als een onderneming in een staat die geen
lidstaat is deze dienst wil verlenen in Nederland, maar niet gekwalificeerd zou worden
als bank ware zij in de EU gevestigd, behoeft zij niet te voldoen aan de vereisten
van artikel 2:20 Wft. Wel kan het zijn dat zij aan andere vergunningsartikelen zal
moeten voldoen, zoals bijvoorbeeld artikel 2:60 Wft met betrekking tot het verbod
op het aanbieden van krediet zonder vergunning.
Hierbij dient tevens opgemerkt te worden dat hiermee het begrip «bijkantoor van een
bank» verdwijnt. De moederonderneming in een staat die geen lidstaat is behoeft niet
uitsluitend een bank te zijn. Het kan ook zo zijn dat dit een ander type onderneming
is, die op basis van zijn vergunning in de staat die geen lidstaat is het is toegestaan
om bancaire dienst 1 te verrichten. De CRD schrijft namelijk voor dat, ongeacht het
type onderneming in de staat die geen lidstaat is, het verplicht is om een derde land
bijkantoorvergunning aan te vragen indien er sprake is van het aantrekken van deposito’s
of andere opvorderbare gelden. Voor de diensten 2 of 6 met betrekking tot krediet
verstrekken of garanties afgeven, geldt de vergunningsplicht alleen indien de onderneming
in een staat die geen lidstaat is, als bank zou worden beschouwd indien zij hier gevestigd
zou zijn. Dat beperkt het verbod heel duidelijk tot ondernemingen die voldoen aan
de definitie van kredietinstelling in artikel 4, eerste lid, onderdeel 1, CRR, ook
als zij in hun eigen staat die geen lidstaat is geen bank zouden zijn.
Het tweede lid bevat een dynamische verwijzing naar artikel 21 quater, tweede en derde
of vierde lid, CRD waarin de uitzonderingen op de verplichting om een bijkantoor met
een bijbehorende vergunning te verkrijgen limitatief zijn opgenomen. Dit zijn de volgende
vier uitzonderingen:
a. reverse solicitation-uitzondering
Reverse solicitation is het verschijnsel waarin een niet-professionele client, een tegenpartij of een
professionele client als bedoeld in bijlage II, afdelingen I en II, van MiFID II op
eigen initiatief een onderneming uit een staat die geen lidstaat is benadert voor
het verlenen van een dienst, de onderneming uit een staat die geen lidstaat is in
dat specifieke geval en onder specifieke voorwaarden, die gevraagde diensten of activiteiten
kan verrichten in Nederland zonder dat zij in overtreding is van het verbod bedoeld
in artikel 2:20, eerste lid, Wft. Hiermee worden de fundamentele rechten van EU-burgers
gewaarborgd, doordat deze zich tot niet-EU partijen kunnen wenden om van die partijen
diensten af te nemen zolang dit exclusief op het eigen initiatief van de EU-partij
plaatsvindt. In zowel de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 (artikel 42)
als in de verordening cryptoactiva80 (artikel 61) zijn dergelijke reverse solicitationbepalingen eerder opgenomen.
Hierbij zijn een aantal voorwaarden van belang om onder de uitzondering van reverse solicitationte vallen. Dit betreft allereerst het genoemde «exclusief op eigen initiatief» wat
zeer strikt geïnterpreteerd dient te worden. Elke poging, al dan niet indirect, door
een onderneming uit een staat die geen lidstaat is om een klant over te halen een
dienst af te nemen, zorgt ervoor dat dit geen reverse solicitationmeer is. Hierbij kan ook gedacht worden aan enerzijds het omzeilen van het op eigen
initiatief-principe door klanten te laten aanvinken dat dit op eigen initiatief was.81 Anderzijds is het ook niet toegestaan om bijvoorbeeld reclame te maken (op social
media), met als doel EU-burgers in Nederland een dienst te laten afnemen, of bijvoorbeeld
AI-systemen te gebruiken om zo producten te kunnen presenteren. Een onderneming uit
een staat die geen lidstaat is moet kunnen aantonen dat de afname van een dienst door
een EU-burger op eigen initiatief tot stand kwam.
Daarnaast is het ook, op grond van artikel 21 quater, tweede lid, tweede alinea, CRD,
niet toegestaan om klanten op indirecte wijze te benaderen via een entiteit die namens
haar optreedt of nauwe banden heeft met de onderneming uit een staat die geen lidstaat
is. Hieronder valt ter illustratie bijvoorbeeld ook het betalen van (f)influencers
op social media om reclame te maken voor diensten.
Tevens is het niet toegestaan, op grond van artikel 21 quater, derde lid, CRD om andere
producten, activiteiten of diensten aan te bieden indien er een dienst wordt afgenomen
door een EU-burger, tenzij deze andere dienst noodzakelijk is voor of nauw samenhangt
met de initieel aangevraagde dienst. Ter illustratie, als een EU-burger een lening
wil afsluiten, dan kan een noodzakelijke dienst zijn dat deze persoon ook een rekening
kan aanhouden bij de onderneming uit een staat die geen lidstaat is om die lening
af te betalen. In dat geval valt een dergelijke dienstverlening onder de uitzondering
van reverse solicitation nu deze dienst (of bijvoorbeeld een product) noodzakelijk
of nauw verbonden is met de oorspronkelijk verzochte dienst of product.
b. dienstverlening aan banken
Interbancaire dienstverlening over grenzen heen moet niet leiden tot een verplichting
voor een bank uit een staat die geen lidstaat is om een bijkantoor te vestigen in
Nederland indien zij alleen diensten verlenen aan Nederlandse banken en niet aan andere
partijen (en behoudens de uitzonderingen onder a en c).
c. intragroepsdienstverlening
Voor intragroepsdienstverlening geldt eveneens dat het aanbieden van diensten door
een onderneming uit een staat die geen lidstaat is niet leidt tot de verplichting
om een bijkantoor in Nederland te vestigen. Het gaat om gevallen waarin een onderneming
uit een staat die geen lidstaat is diensten verstrekt aan een onderneming in Nederland
die zich in dezelfde groep bevindt als de onderneming uit een staat die geen lidstaat
is.
d. MiFID II-dienstverlening
In het vierde lid van artikel 21 quater CRD is de uitzondering opgenomen voor wanneer
de in het eerste lid van dat artikel genoemde activiteiten worden uitgevoerd ter verlening
van de in bijlage I, deel A en B, genoemde MiFID II-diensten en activiteiten. Deze
uitzondering is opgenomen omdat ter uitvoering van die diensten of activiteiten uit
MiFID II ondernemingen diensten kunnen verrichten die vallen onder de diensten 1,
2 of 6 uit bijlage I van de CRD. De verlening van de bancaire diensten moet direct
gerelateerd zijn aan de te verlenen dienst uit MiFID II. Ter illustratie kan het bijvoorbeeld
zijn dat de dienst portefeuillebeheer uit bijlage I, deel A, onderdeel 4, MiFID II
wordt uitgevoerd. Het kan daarvoor noodzakelijk zijn om tijdelijk opvorderbare gelden
aan te houden (wat dienst 1 uit bijlage I CRD is). Een ander voorbeeld is het verstrekken
van leningen (dienst 2 uit bijlage I CRD): dit valt alleen onder de uitzondering van
artikel 21 quater, vierde lid, CRD als die lening gerelateerd is aan transacties in
een of meer financiële instrumenten en de onderneming die de lening verstrekt zelf
betrokken is bij de transactie. Het kan zijn dat er sprake is van de betrokkenheid
van een bewaarder (custodian) bij deze transactie. Deze is dan weliswaar niet zelf partij bij de transactie, maar
levert wel de nodige dienstverlening om de transactie mogelijk te maken en valt daarmee
ook onder de uitzondering. Ook als een onderneming op zelfstandige basis bijvoorbeeld
het bewaren van effecten- en bewaarnemingsdiensten (safekeeping and custody services) aanbiedt, valt zij onder de uitzondering van artikel 21 quater, vierde lid, CRD nu
dergelijke dienstverlening vaak gepaard gaat met het aanbieden aan klanten van een
geldrekening of het verstrekken van leningen ter uitvoering van de effecten- en bewaarnemingsdiensten.
Dat wordt anders als een bewaarder daarnaast, dus niet gerelateerd aan de effecten-
en bewaarnemingsdiensten, ook opvorderbare gelden aantrekt of leningen verstrekt.
T (2:21)
Artikel 2:21 Wft bevat de vereisten waaraan een te vestigen derde land bijkantoor
van een onderneming uit een staat die geen lidstaat is moet voldoen om een vergunning
als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, Wft te krijgen. Voorheen bevatte artikel 2:21
Wft veel van dezelfde vereisten als artikel 2:12 Wft waaraan een bank met zetel in
Nederland moet voldoen. Voorheen werden tevens de vereisten uit artikel 2:21 Wft niet
altijd opgelegd aan derde land bijkantoren zelf, maar ook aan de moederonderneming
uit een staat die geen lidstaat is, omdat juridisch gezien een bijkantoor geen eigen
juridische entiteit is. In Nederland was er reeds een uitgebreid vergunningsregime
aanwezig voor bijkantoren van banken uit staten die geen lidstaat zijn. Met de komst
van de richtlijn is het nodig daar aanpassingen aan te maken omdat, zoals eerder geschreven,
het niet louter meer banken uit staten die geen lidstaat zijn betreft die een bijkantoor
in Nederland kunnen vestigen. Ook zijn er nieuwe vereisten gaan gelden voor zowel
de aanvrager in een staat die geen lidstaat is, als het bijkantoor dat in Nederland
wordt gevestigd. Omwille van de duidelijkheid is daarom de lijst met vereisten waaraan
een derde land bijkantoor moet voldoen opnieuw vastgesteld.
Artikel 2:21, eerste lid, Wft bevat nu alle cumulatieve vereisten waaraan zowel de
toezichthouder, de aanvrager (de moederonderneming in een staat die geen lidstaat
is) als het bijkantoor (wat wordt gevestigd in Nederland) moet voldoen alvorens een
vergunning voor een derde land bijkantoor wordt verleend. Deze voorwaarden zijn uitgesplitst
in drie onderdelen in artikel 2:21, eerste lid, Wft.
Onderdeel a vereist dat DNB als toezichthouder zich ervan vergewist dat aan de vereisten
van artikel 48 quater, vierde lid, onderdelen e en f, CRD is voldaan. Dit betreft
artikel 48 quater, vierde lid, onderdeel e, CRD omtrent het kunnen verkrijgen van
alle informatie die nodig is voor adequaat toezicht op het bijkantoor (bijvoorbeeld
via gesloten overeenkomsten met de toezichthouder van de moederonderneming in de staat
die geen lidstaat is). Artikel 48 quater, vierde lid, onderdeel f, CRD vereist dat
er geen redelijke gronden zijn om te vermoeden dat het bijkantoor in Nederland gebruikt
gaat worden voor witwassen of terrorismefinanciering.
Onderdeel b vereist dat de aanvrager voldoet aan artikel 48 quater, vierde lid, onderdelen
b en c, CRD. Dit betreft de voorwaarde dat de activiteiten die de aanvrager wil gaan
ontplooien vanuit het bijkantoor vallen onder de vergunning die de moederonderneming
bezit in de staat die geen lidstaat is en dat zij voor die activiteiten onder toezicht
staat. Daarnaast betreft dit de voorwaarde dat de toezichthouder van de moederonderneming
in de staat die geen lidstaat is in kennis is gesteld van de aanvraag voor een vergunning
en alle documenten daarvoor heeft ontvangen (artikel 48 quater, vierde lid, onderdeel c,
CRD).
Tevens zijn in onderdeel b de vereisten opgenomen die van toepassing zijn op het bijkantoor.
Daarbij zijn enkele aanpassingen gemaakt in vergelijking met de reeds bestaande tekst
van artikel 2:21, eerste lid, Wft. Allereerst is artikel 3:18 Wft met betrekking tot
uitbesteding aan een derde opgenomen. Voorheen gold op grond van artikel 3:23, tweede
lid, Wft de bepaling uit de Wft over uitbesteding (artikel 3:18 Wft) al voor de bank
in een staat die geen lidstaat is. Met de komst van het derde land bijkantorenregime
gelden bepalingen omtrent uitbesteding voor het bijkantoor zelf, zoals ook volgt uit
artikel 48 octies, vijfde lid, CRD. In het nieuwe artikel 3:23a Wft (zie onderdeel HH)
wordt artikel 3:18 Wft van overeenkomstige toepassing verklaard op de derde land bijkantoren.
Tevens is artikel 3:46 verwijderd uit de lijst, nu dat artikel vervalt (zie onderdeel MM).
De laatste aanpassing aan de opsomming met artikelen betreft boekingsvereisten. Op
grond van artikel 48 nonies CRD gelden er specifieke boekingsvereisten voor derde
land bijkantoren. Het voldoen aan deze vereisten is opgenomen in het nieuwe artikel 3:80a
Wft en hieraan dient, op grond van artikel 48 quater, vierde lid, onderdeel a, voldaan
te zijn bij de vergunningaanvraag. Daarom is de verwijzing naar artikel 3:75 Wft verwijderd
uit de lijst ten opzichte van het oude artikel 2:21 Wft.
Als laatste bevat onderdeel c het vereiste dat artikel 48 quinquies, eerste lid, onderdeel b,
CRD niet van toepassing is. Hierin is opgenomen dat er een weigeringsgrond bestaat
voor de verlening van een vergunning voor een derde land bijkantoor indien de moederonderneming
of de groep waartoe de moederonderneming behoort niet aan de prudentiële vereisten
voldoet die van kracht zijn op de moederonderneming (of groep) in de staat die geen
lidstaat is. Ook als DNB redelijke gronden heeft om te vermoeden dat er binnenkort
niet voldaan wordt aan de prudentiële vereisten of dat zij binnen twaalf maanden inbreuk
pleegt op die vereisten, kan zij de vergunning voor een derde land bijkantoor weigeren
op grond van dit onderdeel.
Naast aanpassing van het eerste lid van artikel 2:21 Wft wordt er een lid toegevoegd.
Het nieuwe vierde lid ziet op hetgeen op de vergunning vermeld moet worden, hetgeen
volgt uit artikel 48 quater, vierde lid, onderdeel d, CRD. Dit betreft allereerst
de diensten die het derde land bijkantoor mag verrichten in Nederland wanneer zij
de vergunning heeft verkregen. Het verlenen van de diensten door het derde land bijkantoor
is namelijk afhankelijk van de diensten die de moederonderneming in de staat die geen
lidstaat is volgens de vergunning aldaar kan verlenen. Het is bijvoorbeeld niet toegestaan
om, als de moederonderneming in de staat die geen lidstaat is geen vergunning heeft
voor het aantrekken van opvorderbare gelden (dienst 1), hiervoor wel een vergunning
voor het derde land bijkantoor voor die dienst aan te vragen. De voorwaarden bedoeld
in artikel 48 quater, vierde lid, onderdeel d, CRD zijn dat het derde land bijkantoor
alleen in de lidstaat waarin deze gevestigd is zijn diensten mag aanbieden, tenzij
er sprake is van a) intragroepsfinancieringstransacties met andere derde land bijkantoren
in de EU of b) op basis van reverse solicitation verleende diensten in een andere
EU-lidstaat. De redenering achter onderdeel b is dat als een EU partij diensten wil
afnemen middels reverse solicitation, het de voorkeur heeft dat de EU partij deze
dienst betrekt van een (in de EU gevestigd en onder EU toezicht staand) derde land
bijkantoor in plaats van de moederonderneming in een staat die geen lidstaat is.
Ten tweede vermeldt de vergunning of het derde land bijkantoor een klasse 1-bijkantoor
of klasse 2-bijkantoor is. Ten derde vermeld de vergunning ook of het derde land bijkantoor
een in aanmerking komend bijkantoor is. Zie voor meer toelichting hierover onderdeel A.
U (2:22)
Artikel 2:22 Wft ziet op het verlenen van beleggingsdiensten of het verrichten van
beleggingsactiviteiten vanuit een door een bank in een staat die geen lidstaat is
gevestigd bijkantoor in Nederland. Deze mogelijkheid komt voort uit de richtlijn markten
voor financiële instrumenten 2014, en het nieuwe derde land bijkantorenregime uit
de richtlijn staat hier niet aan in de weg. Wel dient daartoe de aanhef aangepast
te worden. Allereerst wordt nu verwezen naar artikel 2:20, eerste lid, Wft in plaats
van alleen artikel 2:20 Wft. Daarnaast is de zinsnede «aan een bank die naast de uitoefening
van het bedrijf van bank» vervangen door «aan een bank die naast de activiteiten bedoeld
in artikel 2:20, eerste lid». Hiermee volgt ook artikel 2:22 Wft het nieuw geformuleerde
artikel 2:20, eerste lid, Wft.
V (2:25 en 2:26)
De artikelen 2:25 en 2:26 Wft bevatten voorschriften over de verrichting van diensten
door financiële instellingen waarbij verwezen wordt naar bijlage I CRD. De werkzaamheden
die in de bijlage van CRD genoemd zijn, zijn uitgebreid door de verordening cryptoactiva.
Met die verordening is werkzaamheid 15 (uitgifte van elektronisch geld) uitgebreid
met de zinsnede «waaronder e-moneytokens zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt
7, van de verordening cryptoactiva». Daarnaast zijn de diensten 16 (uitgifte van activagerelateerde
tokens) en 17 (cryptoactivadiensten) toegevoegd. Omdat de definitie van financiële
instelling in artikel 4, eerste lid, onderdeel 26, van de verordening kapitaalvereisten
ook is aangepast zodat financiële instellingen ook de diensten 16 en 17 kunnen verlenen,
moeten de artikelen 2:25, tweede lid, en 2:26 Wft aangepast worden.
W (2:62a)
Artikel 2:60 Wft bevat het verbod om zonder daartoe strekkende vergunning krediet
aan te bieden in Nederland. De artikelen 2:61 en 2:62 Wft bevatten uitzonderingen
op dat verbod voor ondernemingen die op basis van hun vergunning (als bijvoorbeeld
bank of verzekeraar) krediet mogen aanbieden zonder dat zij een specifieke vergunning
op grond van artikel 2:60 Wft nodig hebben. Kredietverlening valt onder het verstrekken
van leningen zoals bedoeld in bijlage I, onderdeel 2, CRD. Als een derde land bijkantoor
een vergunning als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, Wft verkrijgt, zou het derde
land bijkantoor daarmee ook uitgezonderd moeten zijn van het verbod als bedoeld in
artikel 2:60, eerste lid, Wft. Door de toevoeging van artikel 2:62a Wft wordt dit
mogelijk gemaakt. Artikel 2:62a Wft zondert klasse 1-bijkantoren en klasse 2-bijkantoren
uit van het verbod in artikel 2:60, eerste lid, Wft, indien de vergunning van het
derde land bijkantoor het toestaat om de dienst 2 (leningen verstrekken) te verlenen.
X (3:5)
Artikel 3:5, eerste lid, Wft bevat het verbod om in Nederland in de uitoefening van
een bedrijf van het publiek opvorderbare gelden aan te trekken, ter beschikking te
verkrijgen of ter beschikking te hebben. Ter implementatie van de artikelen 21 quater
en 47 CRD wordt een tweede zin opgenomen om duidelijk te maken dat het aantrekken
van opvorderbare gelden ook breder dan van het publiek niet is toegestaan voor ondernemingen
uit staten die geen lidstaat zijn, behoudens de uitzonderingen in artikel 3:5, tweede
lid, Wft.
Het huidige artikel 3:5, tweede lid, onderdeel a, Wft schrijft voor dat het eerste
lid is niet van toepassing op banken die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:11,
eerste lid, of 2:20 Wft. Vanwege de aanpassingen aan de vergunningverlening voor derde
land bijkantoren wordt het tweede lid aangepast. In onderdeel a vervalt «of 2:20».
Het is niet meer het geval dat alleen banken uit staten die geen lidstaat zijn een
derde land bijkantoor met een vergunning als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid,
Wft kunnen vestigen. Daarom wordt er onder verlettering van de onderdelen c tot en
met f tot e tot en met h twee nieuwe onderdelen ingevoegd. In het nieuwe onderdeel c
is opgenomen dat klasse 1-bijkantoren en klasse 2-bijkantoren ook uitgezonderd zijn
van het verbod van artikel 3:5 Wft. Dit is wel alleen maar het geval als de vergunning
vermeldt dat het derde land bijkantoor de dienst 1 zoals beschreven in bijlage I,
onder 1, CRD mag verrichten. Het kan namelijk het geval zijn dat een vergunning voor
een derde land bijkantoor als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, Wft wordt verleend
als er vanuit dat bijkantoor alleen de diensten 2 of 6 uit bijlage I CRD verricht
gaan worden. Dergelijke bijkantoren mogen dan niet opvorderbare gelden aantrekken
in Nederland en moeten in dat geval geen uitzondering hebben op het verbod van 3:5
Wft.
Het nieuwe onderdeel d is toegevoegd om een uitzondering te creëren voor ondernemingen
uit een staat die geen lidstaat is en die wel opvorderbare gelden aantrekken van Nederlandse
partijen, maar die onder een van de uitzonderingen vallen die zijn genoemd in artikel 21
quater, tweede en derde of vierde lid, CRD. Zie voor een toelichting op deze uitzonderingen
de artikelsgewijze toelichting bij onderdeel S.
Y (3:7)
Artikel 3:7 bevat het verbod op het gebruik van het woord «bank» in de naam van een
onderneming. Aan het tweede lid van dat artikel wordt een onderdeel toegevoegd, zodat
klasse 1-bijkantoren en klasse 2-bijkantoren wel de naam «bank» mogen voeren.
Z, AA en BB (3:8, 3:9 en 3:9b)
Met de introductie van artikel 91 bis CRD wordt een nieuwe bepaling t.a.v. de geschiktheid-
en betrouwbaarheidseis geïntroduceerd voor «medewerkers met een sleutelfunctie» van
banken (zie artikel 4:10a Wft voor de wijziging voor beleggingsondernemingen onder
de verordening kapitaalvereisten). Dit zijn personen die geen lid zijn van het leidinggevend
orgaan van de bank, maar wel invloed van betekenis hebben op de leiding van de bank.
Dit begrip is breder dan de huidige definitie van tweede echelon dat gebruikt wordt
in de Wft, dat alleen ziet op personen die een leidinggevende functie vervullen direct
onder het echelon van de beleidsbepaler en verantwoordelijk zijn voor natuurlijke
personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen
beïnvloeden. Er is daarom voor gekozen om het tweede echelon begrip, voor wat banken
betreft, te vervangen. Hiertoe vervalt in zowel artikel 3:8, eerste lid, derde zin,
als 3:9, eerste lid, derde zin, Wft het woord «bank» waardoor het tweede echelon-begrip
niet meer geldt voor personentoetsingen bij banken.
Met de toevoeging van onderdeel d aan artikel 3:8, derde lid, Wft en de toevoeging
van het vierde lid aan artikel 3:9 Wft wordt artikel 91, eerste lid, CRD geïmplementeerd.
De geschiktheid en betrouwbaarheid van tijdelijk bewindvoerders en bijzondere bestuurders
worden op grond van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen82 getoetst nu deze personen aangesteld worden door de toezichthouder in een snel verslechterende
situatie (tijdelijk bewindvoerder) of als een bank of beleggingsonderneming faalt
en in afwikkeling belandt (bijzonder bestuurder). Er is daarom voor gekozen om in
artikel 91 CRD te verduidelijken dat de geschiktheid en betrouwbaarheidstoets op grond
van artikel 91 CRD niet op deze bestuurders van toepassing. Omwille van de duidelijkheid
is dit ook in artikel 3:8, derde lid, Wft opgenomen.
Ter verduidelijking wordt in artikel 3:9, derde lid, Wft (en artikel 4:10, derde lid,
Wft) een zin toegevoegd dat aan de eisen van artikel 91 CRD moet worden voldaan bij
het vaststellen van de betrouwbaarheid van het leidinggevend orgaan van een bank.
Hiermee wordt bewerkstelligd dat de uitwerking van de betrouwbaarheidseis in het Bpr
en het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo) voldoet aan de
eisen die artikel 91 CRD stelt. Deze dynamische verwijzing bestond reeds voor de geschiktheidseis
(zie artikel 3:8, derde lid, en 4:9, tweede lid, Wft).
Het nieuwe artikel 3:9b Wft voorziet in de implementatie van artikel 91 bis CRD. Artikel 91
bis CRD bevat, net als artikel 91 CRD, vereisten aan de geschiktheid en betrouwbaarheid
van medewerkers met een sleutelfunctie. Deze medewerkers zijn personen die invloed
van betekenis hebben op de leiding van een bank, maar geen lid zijn van het leidinggevend
orgaan, met inbegrip van de hoofden van de internecontrolefuncties en de financieel
directeur, als deze hoofden of die directeur geen lid zijn van het leidinggevend orgaan.
Gelet hierop stelt artikel 3:9b, eerste lid, Wft dat medewerkers met een sleutelfunctie
bij de bank geschikt zijn en dat hun betrouwbaar buiten twijfel staat. Banken moeten
hieraan voldoen met inachtneming van artikel 91 bis, eerste tot en met vierde lid,
CRD, wat regels geeft omtrent de interne toetsing van dergelijke medewerkers met een
sleutelfunctie. Dit betreft onder meer het moment van toetsing (zie artikel 91 bis,
tweede lid, CRD).
In artikel 3:9b, tweede lid, Wft is opgenomen wanneer de betrouwbaarheid van de hoofden
van de internecontrolefuncties en de financieel directeur buiten twijfel staat. Deze
genoemde functies van de hoofden van de internecontrolefuncties en financieel directeur
zijn een onderdeel van alle medewerkers met een sleutelfunctie, maar zij zijn de enige
functies die aan de toetsing van DNB worden onderworpen. De overige medewerkers met
een sleutelfunctie zullen primair door de bank zelf getoetst moeten worden op betrouwbaarheid.
Banken zijn verplicht maatregelen te nemen indien een medewerker met een sleutelfunctie
niet voldoet aan de geschiktheid en betrouwbaarheid (zie artikel 91 bis, derde lid,
CRD) en om informatie over de geschiktheid en betrouwbaarheid van medewerkers met
een sleutelfunctie actueel te houden (zie artikel 91 bis, vierde lid, CRD).
Voor de hoofden van de internecontrolefuncties en de financieel directeur (zie voor
de definities hiervan artikel 1:1 en artikel I, onderdeel A, van deze memorie van
toelichting) geldt dat deze personen getoetst moeten worden door DNB om de geschiktheid
en betrouwbaarheid vast te stellen. Dit zal verder worden uitgewerkt bij algemene
maatregel van bestuur, gelijk aan de wijze waarop de externe toetsing is uitgewerkt
voor artikel 3:9 Wft. De geschiktheid en betrouwbaarheid vaststellen van medewerkers
met een sleutelfunctie die niet de hiervoor genoemde functies vervullen zal de bank
zelf moeten doen. Aan artikel 3:9b, tweede lid, Wft is toegevoegd dat artikel 3:9,
derde lid, Wft van overeenkomstige toepassing is. Hierdoor is het mogelijk om bij
algemene maatregel van bestuur regels te stellen over de externe toetsing.
Het derde lid van artikel 3:9b Wft bevat een delegatiegrondslag om, gelijk aan artikel 3:8
Wft regels te stellen met de wijze waarop de toetsing van de geschiktheid plaatsvindt
voor zover noodzakelijk.
Voor deze wijziging is geen overgangsrecht nodig. Vanaf de inwerkingtreding van het
wetsvoorstel zal iedere nieuwe aanmerking van een persoon die hetzij een leidinggevende
functie vervult hetzij als sleutelfunctiehouder wordt aangemerkt, onder het nieuwe
regime vallen. Personen die bij de inwerkingtreding van het wetsvoorstel niet als
tweede echelon worden beschouwd, maar wel als sleutelfunctiehouder moeten worden aangemerkt,
dienen op dat moment intern op geschiktheid en betrouwbaarheid te worden getoetst
onder dit nieuwe regime. Voor zover er hoofden van internecontrolefuncties of financieel
directeuren zijn die niet al waren aangemerkt en getoetst onder het tweede echelon,
of er hoofden van de interneceontrolefuncties of financieel directeuren zijn die al
wel onder het tweede echelon getoetst zijn op betrouwbaarheid, maar niet op geschiktheid,
zal een toetsing alleen plaatsvinden indien feiten of omstandigheden daartoe redelijke
aanleiding geven.83
CC (3:11)
Artikel 3:11 Wft verklaart de artikelen 3:8, 3:9 en 3:10 Wft van overeenkomstige toepassing
op bijkantoren van banken uit staten die geen lidstaat zijn. Vanwege de aanpassingen
in artikel 2:20, eerste lid, Wft wordt «van banken met zetel in een staat die geen
lidstaat is» vervangen door «met een vergunning als bedoeld in artikel 2:20, eerste
lid». Op grond van artikel 3:11 Wft zijn de artikelen 3:8, 3:9 en 3:10 Wft van overeenkomstige
toepassing op bijkantoren van banken in een staat die geen lidstaat is. Deze bepalingen
zullen ook van overeenkomstige toepassing zijn op derde land bijkantoren gezien de
vereisten aan de interne governance voor derde land bijkantoren op grond van artikel 48
octies CRD. De toetsing van de geschiktheid en betrouwbaarheid voor het derde land
bijkantoor ziet op de twee beleidsbepalers die op grond van artikel 48 octies, eerste
lid, CRD (en artikel 3:21 Wft) aanwezig moeten zijn.
DD (3:18a.1)
Artikel 3:18a.1 Wft wordt nieuw ingevoegd ter implementatie van artikel 100, derde
lid, CRD. Hierin is voorgeschreven dat banken, beleggingsondernemingen onder de verordening
kapitaalvereisten en andere partijen die in het kader van stresstests optreden in
een raadgevende functie voor banken of beleggingsondernemingen onder de verordening
kapitaalvereisten zich onthouden, in het kader van stresstesten voor toezichtdoeleinden
van belemmerende gedragingen. Belemmerende gedragingen zijn bijvoorbeeld benchmarking,
onderlinge uitwisseling van informatie, afspraken over gemeenschappelijk gedrag of
optimalisering van hun bijdragen met als doel het belemmeren van die stresstesten.
Voor de duidelijkheid ziet dit alleen op de stresstesten uitgevoerd door de toezichthouder,
en niet op de interne stresstesten.
EE (3:18ab)
Artikel 3:18ab Wft wordt ingevoegd in de Wft ter implementatie van artikel 48 quindecies
CRD. Dit artikel voorziet in het uitvoeren van de toetsing en evaluatie door de toezichthouder
van de regelingen, strategieën, processen en mechanismen die het derde land bijkantoor
uitvoert. Dit is gelijkend aan het standaard Supervisory Review and Evaluation Process
(SREP) voor in Nederland gezetelde banken uit artikel 3:18a Wft.
Het eerste lid van artikel 3:18ab Wft schrijft voor dat DNB periodiek controleert
of het derde land bijkantoor voldoet aan de vereisten bedoeld in artikel 2:21, eerste
lid, Wft.
Het tweede lid bepaalt dat DNB op grond van de evaluatie in het eerste lid beoordeelt
of een derde land bijkantoor haar bedrijfsvoering op orde heeft, en de aangehouden
liquiditeit en solvabiliteit een degelijk beheer, solide dekking en levensvatbaarheid
van het bijkantoor waarborgen. De evaluatie uit het tweede lid kan gebruikt worden
als informatie om na te gaan of het nodig is om maatregelen op te leggen op grond
van het nieuwe artikel 3:111a.1 Wft (zie onderdeel QQQ).
Het derde lid van artikel 3:18ab Wft schrijft voor dat DNB de frequentie en omvang
van de SREP afstemt op de aard, omvang, complexiteit en classificatie van het bijkantoor.
Hiermee kan enige mate van proportionaliteit worden betracht door de toezichthouder
zoals vereist door artikel 48 quindecies, derde lid, CRD.
FF (3:21)
In artikel 3:21, eerste lid, Wft wordt «van een bank met zetel in een staat die geen
lidstaat is» vervangen door «met een vergunning als bedoeld in artikel 2:20, eerste
lid». Dit artikel stelt dat ten minste twee natuurlijke personen het dagelijks beleid
bepalen van een derde land bijkantoor (eerste lid) en dat deze personen zich in Nederland
bevinden (tweede lid). Hiermee is artikel 48 octies, eerste lid, eerste zin, CRD geïmplementeerd.
GG en HH (3:23 en 3:23a)
Artikel 3:23 Wft bevat een schakelbepaling waarmee de artikelen uit de reeks 3:17
tot en met 3:18 Wft van overeenkomstige toepassing werden verklaard op enerzijds banken
uit staten die geen lidstaat zijn en anderzijds de bijkantoren van dergelijke banken.
Omdat door de komst van het derde land bijkantorenregime er geen sprake meer is van
dat het altijd een bank is de staat die geen lidstaat is, komen de onderdelen twee
en drie vervallen. Het tweede lid dat vervalt legde de vereisten uit de artikelen 3:17
en 3:18 Wft op aan de moederonderneming in een staat die geen lidstaat is, omdat deze
vereisten niet voldaan konden worden door het bijkantoor van een dergelijke bank in
Nederland. De artikelen 3:17b en 3:17c Wft konden wel door het bijkantoor zelf worden
voldaan, wat de reden is dat deze vereisten op het bijkantoor zelf kwamen te rusten
middels het derde lid van artikel 3:23 Wft. Alle vereisten komen onder het nieuwe
regime op het derde land bijkantoor zelf te rusten, waardoor het tweede en derde lid
van artikel 3:23 Wft niet meer nodig zijn. Door het vervallen van het tweede en derde
lid kan ook de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen.
Artikel 3:23a Wft wordt ingevoegd ter vervanging van de bepalingen in artikel 3:23
Wft. Op het derde land bijkantoor worden de artikelen 3:17 tot en met 3:18 Wft van
overeenkomstige toepassing verklaard. Hiermee moeten derde land bijkantoren dus voldoen
aan de bepalingen omtrent de beheerste en integere bedrijfsvoering (3:17 Wft), de
eed (3:17b Wft), de tuchtrechtregeling (3:17c Wft) en uitbesteding (3:18 Wft). Hiermee
wordt tevens de optie mogelijk om op het niveau van algemene maatregel van bestuur
nadere invulling te geven aan de bedrijfsvoering en uitbesteding.
In het tweede lid is de mogelijkheid opgenomen dat DNB nadere eisen oplegt als bedoeld
in artikel 48 octies, tweede en derde lid, CRD. Dit betreft de bevoegdheid om een
klasse 1-bijkantoor te verplichten een plaatselijk beheerscomité op te richten of
van een klasse 2-bijkantoor te verlangen dat zij hoofden van internecontrolefuncties
aanstelt.
Op grond van het derde lid dient een derde land bijkantoor ervoor te zorgen dat er
regelmatig een beoordeling door een onafhankelijke derde plaatsvindt waarbij gecontroleerd
wordt of het derde land bijkantoor voldoet aan de vereisten uit artikel 48 octies
CRD.
Het vierde lid schrijft voor dat DNB de frequentie van de beoordeling in het derde
lid vaststelt en de verwachting daaromtrent mededeelt aan het derde land bijkantoor.
Hierbij dient DNB een proportionele afweging te maken die recht doet aan enerzijds
het belang van DNB als toezichthouder op derde land bijkantoren en anderzijds de regeldruk
voor een derde land bijkantoor van een dergelijke externe audit.
II
Artikel 3:29 Wft wordt op twee punten gewijzigd. Allereerst wordt artikel 2:106.0a
Wft toegevoegd aan het eerste lid. Dit betreft de informatie die aangeleverd moet
worden door een afwikkelonderneming met zetel in Nederland die voornemens is vanuit
een buiten Nederland gelegen bijkantoor haar bedrijf uit te oefenen jegens een cliënt
met wie zij niet in een groep is verbonden. Wijzigingen in de aangeleverde gegevens
moet een afwikkelonderneming doorgeven aan DNB. Abusievelijk ontbrak dit artikel terwijl
in artikel 3:29, eerste lid, wel afwikkelondernemingen zijn opgenomen.
In het tweede lid wordt de verwijzing naar artikel 2:108 Wft aangepast om te verwijzen
naar het derde lid in plaats van het tweede lid nu het derde lid van artikel 2:108
Wft gaat over de gegevensaanlevering.
JJ en KK (3:43 en 3:43a)
Artikel 3:43 Wft, dat artikel 3:32 Wft van overeenkomstige toepassing verklaart op
bijkantoren van banken uit staten die geen lidstaat zijn, wordt aangepast nu het niet
meer het geval is dat er altijd sprake is van een bank in een staat die geen lidstaat
is dat een bijkantoor vestigt in Nederland. Hierom wordt het artikel 3:32 Wft uit
het eerste lid gehaald, evenals het woord bank. Het eerste lid geldt nog steeds voor
verzekeraars.
In het tweede lid vervalt ook «bank of» en «artikel 2:21, tweede lid». Deze materie
zal nu voor derde land bijkantoren worden opgenomen in een nieuw artikel 3:43a Wft.
Artikel 3:43a Wft wordt ingevoegd om het mogelijk te maken dat wordt voorgeschreven
dat derde land bijkantoren bij wijzigingen in het bijkantoor DNB in kennis stellen
hiervan. Door opname van het eerste lid kan deze kennisgeving verder uitgewerkt worden
op het niveau van algemene maatregel van bestuur.
In het tweede lid van artikel 3:43a Wft wordt een kennisgevingsverplichting opgenomen
voor de derde land bijkantoren. Het derde land bijkantoor moet onverwijld DNB in kennisstellen
indien de moederonderneming in een staat die geen lidstaat is niet meer voldoet aan
de aldaar geldende prudentiele vereisten of dat zij niet meer gaat voldoen of in het
komende jaar inbreuk maakt op die vereisten. Omdat DNB uiteraard alleen maar informatie
van het derde land bijkantoor kan ontvangen, en niet van de moederonderneming in de
staat die geen lidstaat is, is het noodzakelijk om deze verplichting op de derde land
bijkantoren te leggen, zoals ook artikel 48 quinquies, eerste lid, tweede alinea,
CRD voorschrijft.
LL (3:44)
In artikel 3:44 Wft vervalt in het eerste lid «bank». Onder vernummering van het tweede
tot derde lid, wordt er een nieuw lid twee ingevoegd, dat dezelfde materiële strekking
heeft als het eerste lid, namelijk dat een derde land bijkantoor DNB raadpleegt indien
het bijkantoor heeft besloten te ontbinden of te liquideren.
Het nieuwe derde lid bevat een terugverwijzing naar artikel 3:30, tweede tot en met
vierde lid, Wft wat van overeenkomstige toepassing is. Dit artikel geldt ook voor
derde land bijkantoren.
MM (3:46)
Artikel 3:46 Wft komt te vervallen. In dit artikel was opgenomen dat als een bank
in een staat die geen lidstaat is een bijkantoor wilde vestigen in Nederland, deze
bank in de staat die geen lidstaat is onder voldoende geconsolideerd toezicht stond
om zeker te weten dat de toezichthouder op de moederbank van de bank met bijkantoor
in Nederland voldoende toezicht kon houden op de bank met bijkantoor en haar in Nederland
gevestigde bijkantoor. Deze bepaling komt geen effect meer toe. Allereerst is vereist
dat de onderneming die een derde land bijkantoor in Nederland vestigt onder voldoende
toezicht staat op grond van artikel 48 quater, vierde lid, onderdeel b, CRD. Dit is
een voorwaarde voor vergunningverlening aan het derde land bijkantoor dat zich in
Nederland wil vestigen. Daarnaast was artikel 3:46 Wft vooral ingegeven door het feit
dat de bank in een staat die geen lidstaat is verantwoordelijk was voor de vereisten
rondom solvabiliteit en liquiditeit van het bijkantoor in Nederland. Omdat die vereisten
voldaan moeten worden door het derde land bijkantoor zelf, en niet de moederonderneming
in een staat die geen lidstaat is, is het niet meer relevant of de onderneming met
bijkantoor onder voldoende geconsolideerd toezicht staat van de toezichthouder op
haar moederonderneming.
NN en OO (3:54 en 3:54a)
Artikel 3:54 Wft verklaart een aantal artikelleden uit artikel 3:53 Wft met betrekking
tot het minimum vermogen van overeenkomstige toepassing op banken uit staten die geen
lidstaat zijn die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.
Artikel 48 sexies, eerste lid, CRD schrijft een minimumvermogen voor voor derde land
bijkantoren. Uit artikel 3:54 Wft wordt het woord «banken» verwijderd, zodat artikel 48
sexies afzonderlijk kan worden geïmplementeerd.
Een nieuw artikel 3:54a Wft wordt toegevoegd, wat artikel 3:53, eerste en derde lid,
Wft van overeenkomstige toepassing verklaart op derde land bijkantoren. De daadwerkelijke
minimumvermogens die genoemd worden in artikel 48 sexies, eerste lid, CRD (10 miljoen
voor een klasse 1-bijkantoor en 5 miljoen voor een klasse 2-bijkantoor) worden opgenomen
in het Bpr nu artikel 3:54, derde lid, Wft delegatie naar het niveau van algemene
maatregel van bestuur mogelijk maakt.
PP en QQ (3:58 en 3:58a)
Artikel 3:58 Wft verklaart artikel 3:57 Wft met betrekking tot de solvabiliteit van
overeenkomstige toepassing op een aantal ondernemingen uit een staat die geen lidstaat
is. In het eerste lid, onderdeel b, wordt artikel 3:57 Wft van overeenkomstige toepassing
verklaart op banken met zetel in een staat die geen lidstaat is die hun bedrijf uitoefenen
vanuit in Nederland gelegen bijkantoren. Dit onderdeel komt te vervallen, onder verlettering
van onderdeel c tot onderdeel b.
Artikel 3:58a Wft wordt nieuw ingevoegd om artikel 3:57 Wft van overeenkomstige toepassing
te verklaren op een klasse 1-bijkantoor en klasse 2-bijkantoor. Hiermee kunnen er
solvabiliteitsvereisten worden opgelegd aan het derde land bijkantoor. Deze solvabiliteitsvereisten
zullen verder uitgewerkt worden bij algemene maatregel van bestuur op basis van hetgeen
de CRD voorschrijft qua hoeveelheid (2,5% van alle passiva voor klasse 1-bijkantoren,
0,5% van alle passiva voor klasse 2-bijkantoren uit artikel 48 sexies, eerste lid,
CRD), type activa die hiervoor gebruikt kunnen worden (cash, schuldtitels of andere
instrumenten voor beperkt en onmiddellijk gebruik uit artikel 48 sexies, tweede lid,
CRD) en de wijze waarop zij deze middelen zullen moeten deponeren op een escrow-rekening
(artikel 48 sexies, derde lid, CRD). De op de escrow-rekening gedeponeerde kapitaalinstrumenten
zijn beschikbaar voor gebruik indien er sprake is van het toepassen van een afwikkelingsmaatregel
of opschorting als bedoeld in artikel 3A:19 Wft op het derde land bijkantoor.
RR en SS (3:62b en 3:62ba)
De aanpassingen van de artikelen 3:62b en 3:62ba Wft zien op de implementatie van
de artikelen 141 en 141 ter CRD. Naar aanleiding van vragen van de Europese Commissie
over de implementatie van de vorige wijziging van de CRD zijn enkele aanpassingen
gemaakt. Het betreft de verduidelijking in een nieuw derde lid van de artikelen 3:62b
en 3:62ba Wft dat de verboden uitkeringen in het tweede lid niet van toepassing zijn
indien het niet doen van die uitkeringen zou leiden tot het veroorzaken van wanbetaling
of zou leiden tot het starten van een faillissementsprocedure. Hiermee worden de artikelleden
141, zevende lid, en 141 ter, zevende lid, CRD geïmplementeerd. De overige wijzigingen
betreffen vooral aanpassingen in verband met kruisverwijzingen in artikel 3:62ba Wft.
TT en UU (3:65 en 3:65a)
Artikel 3:65 Wft verklaart artikel 3:63 Wft met betrekking tot de liquiditeit van
overeenkomstige toepassing op banken en beleggingsondernemingen uit staten die geen
lidstaat zijn die vanuit een bijkantoor in Nederland diensten aanbieden.
Daarnaast wordt een nieuw artikel 3:65a Wft toegevoegd aan paragraaf 3.3.7.3 Wft waarmee
artikel 3:63 Wft van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op derde land bijkantoren.
Met deze van overeenkomstige toepassing wordt het mogelijk om de liquiditeitsvereisten
voor derde land bijkantoren die artikel 48 septies CRD voorschrijft op het niveau
van algemene maatregel van bestuur verder in te vullen op grond van de delegatiegrondslag
in artikel 3:63, tweede lid, Wft.
VV (3:74a)
Artikel 3:74a Wft omvat in de huidige vorm de specifieke openbaarmakingsvereisten
uit zowel artikel 106 CRD als artikel 44 IFD. Artikel 106 CRD bevat de mogelijkheid
voor de toezichthouder om, in het kader van toezichtmaatregelen aan een bank of beleggingsonderneming
onder de verordening kapitaalvereisten specifieke publicatieverplichtingen op te leggen.
Ten opzichte van het huidige artikel 106 CRD wordt het eerste lid van dat artikel
aangepast. Omdat het gewijzigde artikel 106 CRD afwijkt van de bevoegdheid voor beleggingsondernemingen
onder artikel 44 IFD, is ervoor gekozen het eerste lid van artikel 3:74a Wft op te
splitsen. Hierdoor ziet het voorgestelde artikel 3:74a, eerste lid, Wft enkel op openbaarmakingsverplichtingen
waaraan een bank of een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten
moet voldoen. De vereisten voor beleggingsondernemingen die in artikel 3:74a, eerste
lid, onderdelen b en c, Wft waren opgenomen zijn verplaatst naar een nieuw tweede
lid.
Daarnaast is inhoudelijk voor banken de openbaarmaking uit artikel 106, eerste lid,
onderdeel a, CRD niet meer vastgezet op frequenter dan jaarlijks, maar wordt terugverwezen
naar de artikelen 433 tot en met 433 quater CRR. Die reeks van artikelen bevat verschillende
publicatiemomenten (jaarlijks/halfjaarlijks/kwartaalbasis) voor verschillende type
banken (grote banken, kleine en niet-complexe banken en andere banken). Afhankelijk
van de frequentie van publicatie en het type bank kan DNB opdragen dat een bank de
desbetreffende informatie vaker publiceert dan voorgeschreven door de CRR. Dit geldt
dus ook voor beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten die het
regime van de verordening moeten toepassen. Nieuw is dat DNB aan banken en beleggingsondernemingen
onder de verordening kapitaalvereisten bepaalde termijnen opleggen voor het indienen
van openbaarmakingsinformatie bij EBA die deze informatie zal publiceren op haar website.
Eveneens kan DNB bepalen dat een bank of een beleggingsonderneming onder de verordening
kapitaalvereisten informatie publiceert via andere specifieke media en op andere locaties
dan de EBA-website.
Als laatste is een vierde lid ingevoegd, met daarin de uitzondering die geldt voor
kleine en niet-complexe banken als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 145,
CRR. Voor deze banken geldt dat DNB de termijnen niet kan stellen waarbinnen informatie
aangeleverd moet worden bij EBA. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, onderdeel b,
CRD.
WW en XX (3:80 en 3:80a)
Voor de derde land bijkantoren wordt artikel 3:80a Wft ingevoegd. Klasse 1-bijkantoren
en klasse 2-bijkantoren moeten voldoen aan de boekingsvereisten die voorgeschreven
worden door artikel 48 nonies CRD. Deze verplichting ziet erop dat dergelijke bijkantoren
een register bijhouden dat hen in staat stelt een volledig en nauwkeurig overzicht
bij te houden van alle activa en passiva die het bijkantoor in Nederland boekt of
initieert, en om deze activa en passiva autonoom te beheren. In de eerste twee leden
van artikel 48 nonies CRD staan alle eisen opgenomen voor het register en de daarmee
samenhangende verplichtingen. Hierom is er in artikel 3:80a, eerste lid, Wft een dynamische
verwijzing opgenomen naar de eerste twee leden van artikel 48 nonies CRD. In het derde
lid van artikel 48 nonies CRD is de verplichting opgenomen dat bijkantoren zorgen
voor een onafhankelijk, schriftelijk en met redenen omkleed advies over de uitvoering
en naleving van de in artikel 3:80a, eerste lid, Wft opgenomen vereisten. Dit wordt
geïmplementeerd in artikel 3:80a, tweede lid, Wft als een beoordeling door een onafhankelijke
derde die uitgevoerd moet worden. Hiermee vertoont dit grote gelijkenis met de vergelijkbare
beoordeling door een onafhankelijke derde uit artikel 3:23a, tweede lid, Wft ter implementatie
van artikel 48 octies, achtste lid, CRD (zie onderdeel HH). Beide beoordelingen dienen
uitbesteed te worden aan een onafhankelijke derde die de expertise heeft om de interne
governance en het risicobeheer enerzijds en boekingsvereisten anderzijds te evalueren.
Het kan noodzakelijk zijn om die diensten af te nemen bij verschillende partijen indien
de expertise bij een partij ontbreekt voor een van de twee onderwerpen.
Het vierde lid van artikel 48 nonies, wat een delegatiegrondslag voor EBA is om de
boekingsvereisten nader uit te werken in een technische reguleringsnorm die als gedelegeerde
verordening wordt vastgesteld door de Europese Commissie, is ook opgenomen in het
eerste lid van artikel 3:80a Wft middels dynamische verwijzing.
YY (3:81)
In artikel 3:81 Wft vervalt het woord bank, zodat op banken uit staten die geen lidstaat
zijn met bijkantoor in Nederland niet meer de verplichting rust om binnen zes maanden
na afloop van het boekjaar de jaarrekening, de geconsolideerde jaarrekening en het
bestuursverslag te verstrekken aan DNB. Voorheen was dit logisch omdat het bijkantoor
in Nederland van de bank in een staat die geen lidstaat is geen eigen activa en passiva
aanhield, maar alles via de moederonderneming in een staat die geen lidstaat is verliep.
Nu de derde land bijkantoren, die overigens niet altijd een bijkantoor van een bank
in een staat die geen lidstaat is zullen zijn, zelfstandig solvabiliteit en liquiditeit
aanhouden en boekingsvereisten moeten naleven uit hoofde van de CRD en de implementatie
in de Wft, is de rapportageverplichting voor de moederonderneming in een staat die
geen lidstaat is niet meer relevant. Bovendien dienen derde land bijkantoren op grond
van artikel 48 duodecies, tweede lid, CRD informatie aan DNB te rapporteren over de
moederonderneming in een staat die geen lidstaat is.
ZZ en AAA (3:82 en 3:82b)
Artikel 3:82 Wft verklaart artikel 3:72 Wft met betrekking tot het aanleveren van
staten van overeenkomstige toepassing op een aantal ondernemingen. In het eerste lid
van artikel 3:82 Wft vervallen alle verwijzingen naar banken en hun bijkantoren.
Voor de derde land bijkantoren wordt een nieuw artikel 3:82b Wft ingevoegd, dat artikel 3:72,
eerste lid en vijfde tot en met negende lid, Wft van overeenkomstige toepassing verklaart.
Hierdoor is het mogelijk om in het Bpr de inhoud en frequentie te bepalen van de staten
die aangeleverd moeten worden. Hiermee wordt artikel 48 duodecies, eerste en tweede
lid, CRD geïmplementeerd.
Tevens zijn er twee extra leden toegevoegd. Ten eerste is dat de bevoegdheid voor
DNB in het tweede lid om aanvullende rapportagevereisten te stellen aan een bijkantoor
zoals vereist door artikel 48 duodecies, derde lid, Wft. Dit dient om een volledig
beeld te krijgen van de bedrijfsactiviteiten, solvabiliteit of liquiditeit van het
derde land bijkantoor of de moederonderneming, om na te gaan of het bijkantoor of
de moederonderneming de op hen van toepassing zijnde wetgeving naleeft en om ervoor
te zorgen dat de bijkantoren dat ook werkelijk doen
Ten tweede is er de mogelijkheid voor DNB om met inachtneming van artikel 48 terdecies,
derde lid, CRD een klasse 2-bijkantoor dat tevens een in aanmerking komend bijkantoor
is uit te zonderen van het aanleveren van staten. Hiermee wordt artikel 48 terdecies,
derde lid, CRD geïmplementeerd.
BBB (3:83a)
In artikel 3:83a Wft vervalt de van overeenkomstige toepassingsverklaring van artikel 3:74a
Wft op bijkantoren van banken uit staten die geen lidstaat zijn nu klasse 1-bijkantoren
en klasse 2-bijkantoren zelfstandig rapportageverplichtingen hebben opgelegd gekregen
in 3:82b Wft.
CCC (3:91)
In artikel 3:91 Wft, dat artikel 3:88 Wft met betrekking tot de accountantsverklaring
van overeenkomstige toepassing verklaart op een onderneming in een staat die geen
lidstaat is met een bijkantoor in Nederland, wordt aangepast om een eigen lid te creëren
voor derde land bijkantoren. Hiertoe wordt voor de tekst van het huidige artikel een
«1.» geplaatst en vervalt het woord «bank» in het nieuwgevormde lid. Een tweede lid
wordt toegevoegd, waarin artikel 3:88 Wft van overeenkomstige toepassing wordt verklaard
op accountants of andere deskundigen die het onderzoek, bedoeld in artikel 3:82b,
eerste of tweede lid, Wft uitvoeren van de staten van een klasse 1-bijkantoor en klasse
2-bijkantoor.
DDD (3:96)
Artikel 3:96 Wft bevatte een verplichting voor een vvgb wanneer een bank voornemens
was een aantal handelingen te verrichten zoals gekwalificeerde deelnemingen te verwerven,
activa en passiva over te dragen, een fusie aan te gaan, een financiële of vennootschappelijke
reorganisatie te starten of een beherend vennoot toe te laten tot de bank. Vanwege
de komst van een geharmoniseerd CRD-regime voor prudentieel relevante transacties
komt dit artikel te vervallen.
EEE (3:96a tot en met 3:96e)
De artikelen 3:96a tot en met 3:96e Wft vormen in belangrijke mate de implementatie
van hetgeen bepaald is in de artikelen 27 bis tot en met 27 terdecies CRD met betrekking
tot prudentieel relevante transacties. Op grond van de CRD gelden deze bepalingen
zowel voor banken als (gemengde) financiële holdings. Banken en (gemengde) financiële
holdings zijn verplicht om bij het verwerven van een deelneming van betekenis, of
het aangaan van een fusie of splitsing, een vvgb aan te vragen op grond van artikel 3:96a
(voor banken) en 3:96c (voor (gemengde) financiële holdings) Wft. Voor de afstoting
van een deelneming van betekenis en een overname of overdracht van activa of passiva
wordt alleen een kennisgevingsverplichting opgenomen in de artikelen 3:96b en 3:96d
Wft.
Artikel 3:96a
Artikel 3:96a Wft is de verplichting om over een vvgb te beschikken voor banken. Hoewel
in de CRD artikel 27 bis en 27 undecies zowel banken als (gemengde) financiële holdings
samen noemen, is omwille van de overzichtelijkheid de artikelen voor banken afgesplitst
van de (gemengde) financiële holdings. Belangrijkste overweging hierbij was het niveau
van (geconsolideerd) toezicht en de daarbij betrokken toezichthouder.
Voor banken geldt voor alle bepalingen dat, op één geval na, de drempel voor de omvang
van de deelneming van betekenis van 15% van het in aanmerking komend kapitaal beoordeeld
wordt op individueel niveau van de bank. Dit zal betekenen dat de toezichthouder voor
banken in Nederland die een vvgb willen aanvragen of een kennisgeving willen doen
in veruit de meeste gevallen enerzijds DNB of anderzijds de ECB zal zijn. Dit is afhankelijk
van de vraag of de bank significant is, en dus valt onder ECB toezicht op grond van
de verordening bankentoezicht, of minder significant in welk geval DNB toezicht houdt.
In één situatie kan het zo zijn dat zowel DNB als de ECB niet de consoliderende toezichthouder
is, maar dat een toezichthouder van een andere lidstaat die rol vervult. Deze situatie
doet zich bij banken alleen maar voor als er sprake is van een deelneming van betekenis
die zowel op individueel niveau als op geconsolideerd niveau de drempel van 15% in
aanmerking komend kapitaal overschrijdt. Deze situatie is opgenomen in het derde lid
van artikel 3:96a Wft. Deze situatie zou kunnen ontstaan indien er een kleinere bank
in Nederland gezeteld is en een deelneming/fusie/splitsing aangaat, en waarvan de
moederbank zich bevindt in een lidstaat die niet deelneemt aan de bankenunie. In dat
geval staat de moederbank onder toezicht van een consoliderende toezichthouder uit
een dergelijke lidstaat, en dus niet de ECB. De toezichthouder uit die lidstaat zal
dan, in samenspraak met DNB als nationale toezichthouder van de bank in Nederland,
een besluit moeten nemen. Alleen in dat geval wordt gekeken naar zowel de individuele
situatie als de geconsolideerde situatie bij een bank. In alle andere gevallen wordt
alleen gekeken naar de individuele situatie van een bank.
Naast een bank als moederonderneming van een bank kan het geval zich ook voordoen
dat een (gemengde) financiële holding de moederonderneming is van een bank in Nederland.
Artikel 111, tweede lid, CRD beschrijft wie de consoliderende toezichthouder is van
een (gemengde) financiële holding die de moederonderneming is van een bank. Het geconsolideerde
toezicht volgt altijd de bank waarvan de (gemengde) financiële holding de (EU-)moederonderneming
is. Indien een (gemengde) financiële holding de moederonderneming is van meerdere
banken, dan is de toezichthouder van de bank met het hoogste balanstotaal de consoliderende
toezichthouder. Hieronder is schematisch weergegeven welke toezichthouder verantwoordelijk
is voor het geconsolideerde toezicht voor een in Nederland gezetelde bank met als
moederonderneming een bank of (gemengde) financiële holding:
Tabel 3: Overzicht geconsolideerd toezicht op een bank in Nederland
Geconsolideerd toezicht op een bank in Nederland
Wat is de moederonderneming van de bank?
Is de moederonderneming in NL gezeteld?
Is de moederonderneming gezeteld in deelnemende lidstaat?
Is de NL bank significant?
Is de NL de grootste bank onder de holding?
Consoliderende toezichthoudervan de bank
Bank
Ja
Ja
Ja
–
ECB
Bank
Ja
Ja
Nee
–
DNB
Bank
Nee
Ja
Ja
–
ECB
Bank
Nee
Ja
Nee
–
NCA1
Bank
Nee
Nee
–
–
NCA
Holding
Ja
Ja
Ja
–
ECB
Holding
Ja
Ja
Nee
–
DNB
Holding
Nee
Ja
Ja
–
ECB
Holding
Nee
Ja
Nee
Ja
DNB
Holding
Nee
Ja
Nee
Nee
NCA
Holding
Nee
Nee
Ja
–
ECB
Holding
Nee
Nee
Nee
Ja
DNB
Holding
Nee
Nee
Nee
Nee
NCA
X Noot
1
NCA staat voor «national competent authority» en hiermee wordt de toezichthouder in
een andere lidstaat bedoeld.
In artikel 3:96a, eerste lid, onderdeel a, Wft wordt gesproken over in aanmerking
komend kapitaal. In aanmerking komend kapitaal volgt de definitie in de CRR in artikel 4,
eerste lid, onderdeel 71. In die definitie zijn twee vormen opgenomen van in aanmerking
komend kapitaal. Het betreft bij artikel 3:96a (en ook 3:96c) Wft de eerste vorm onder
a), namelijk die voor de toepassing van deel 2, titel III, CRR. Hierbij moet opgemerkt
worden dat een verwerving van 15% van het in aanmerking komend kapitaal een nieuwe
verwerving moet zijn. Als er reeds een deelneming is in een onderneming van bijvoorbeeld
11% en vanwege een kapitaalverlaging deze deelneming ineens 15% van het in aanmerking
komend kapitaal bedraagt, dan geldt dit niet als een verwerving van een deelneming
van betekenis in de zin van artikel 3:96a, eerste lid, onderdeel a (en 3:96c, eerste
lid, onderdeel a,) Wft. Ook een extra verwerving van minder dan 15% die de totale
deelneming verhoogt tot boven de grens van 15% van het in aanmerking komend kapitaal
geldt niet als een verwerving van een deelneming van betekenis als bedoeld in artikel 3:96a,
eerste lid, onderdeel a, (en 3:96c, eerste lid, onderdeel a,) Wft. Het moet gaat om
een initiële verwerving die 15% of meer van het in aanmerking komend kapitaal bedraagt.
In artikel 3:96a, eerste lid, onderdelen b en c, Wft wordt verwezen naar een fusie
en een splitsing als bedoeld in artikel 27 nonies CRD. In dit artikel zijn verschillende
vormen van fusies en splitsingen opgenomen. Deze vormen zijn niet geheel gelijk aan
de fusie en splitsing zoals bekend uit de Vennootschapsrichtlijn84 en het BW. Hierom kan er niet naar nationale wetgeving verwezen worden voor duiding
van deze fusies en zal de CRD hierin gevolgd moeten worden. In het geval van de fusie
is het alleen nodig om een vvgb in Nederland aan te vragen indien de fuserende bank
in Nederland ook de entiteit zal zijn die voortvloeit uit de fusie. Logischerwijs
hoeft een bank die opgaat in een in een andere lidstaat gezetelde entiteit geen vvgb
voor een fusie aan te vragen in Nederland, maar zal de entiteit in de andere lidstaat,
indien zij een bank of (gemengde) financiële holding is, dat wel moeten doen bij haar
toezichthouder in de andere lidstaat.
Het tweede lid van artikel 3:96a Wft schrijft voor waar de vvgb aangevraagd moet worden.
In veruit de meeste gevallen zal de bank de vvgb aanvragen bij DNB, ook als zij een
significante bank is. In de praktijk verloopt het huidige vvgb-proces via DNB richting
de ECB85, waarbij de aanvraag geïnitieerd moet worden bij DNB. De verwachting is dat dit ook
voor de nieuwe vormen van vvgb’s het geval zal zijn. Het tweede lid bevat tevens een
delegatiegrondslag om bij algemene maatregel van bestuur uit te werken welke gegevens
aangeleverd moeten worden. EBA stelt hiervoor, op grond van artikel 27 ter, zevende
lid, CRD een technische reguleringsnorm op, met minimaal aan te leveren informatie.
Het derde lid beschrijft de uitzondering op de regel dat alle drempels op individueel
niveau gelden voor banken. Voor het specifieke geval dat een bank de drempel van 15%
van het in aanmerking komend kapitaal behaald zowel op individueel als geconsolideerd
niveau, indien er dus sprake is van een groep, moet de bank de vvgb-aanvraag tevens
naar de consoliderende toezichthouder verzenden.
In het vierde lid van artikel 3:96a Wft is opgenomen dat er een gezamenlijk besluit
benodigd is van DNB en de consoliderende toezichthouder als het geval uit het derde
lid zich voordoet. Het uiteindelijk besluit zal worden genomen door DNB, in volledige
samenspraak met de toezichthoudende instantie in een andere lidstaat. De samenwerking
tussen DNB en de toezichthoudende instantie in een andere lidstaat is ook beschreven
in artikel 27 quater, tweede en derde lid, CRD, welk artikel in acht genomen moet
worden bij deze samenwerking. Dit zou ook de ECB kunnen zijn.
Het vijfde lid betreft de implementatie van artikel 27 decies, eerste lid, CRD waarbij
vereist wordt dat bij een fusie of splitsing na de vaststelling van de ontwerpvoorwaarden
van de beoogde handeling er een aanvraag voor een vvgb ingediend wordt.
3:96b
Artikel 3:96b Wft voorziet in de kennisgeving voor de rechtstreekse of middellijke
afstoting van een deelneming van betekenis en een overname of overdracht van activa
of passiva van materieel belang. Hierbij is evenals in artikel 3:96a, zesde lid, delegatie
naar algemene maatregel van bestuur mogelijk gemaakt om voor te schrijven welke gegevens
aangeleverd moeten worden. In tegenstelling tot de deelneming van betekenis en de
fusie/splitsing, is het op grond van de CRD niet de bedoeling dat DNB tegen een dergelijke
handeling in verzet kan komen. Daarom is deze bepaling vormgegeven als kennisgeving
alvorens de handeling te verrichten, en niet de verbodsbepaling met vvgb-aanvraag
zoals artikel 3:96a en 3:96c Wft. Wel kan DNB handhavend optreden indien niet voldaan
wordt aan de kennisgeving. Dit volgt uit artikel 27 octies en artikel 66 CRD.
De kennisgeving voor een afstoting van een deelneming van betekenis is alleen nodig
indien er sprake is van de afstoting van een deelneming van 15% of meer van het in
aanmerking komend kapitaal. Indien door een kleinere afstoting het percentage onder
de 15% van het in aanmerking komend kapitaal komt, is dat niet te beschouwen als een
afstoting van een deelneming van betekenis als bedoeld in artikel 3:96a, eerste lid,
onderdeel a, Wft.
Een overname of overdracht van activa of passiva is van materieel belang indien het
minstens 10% van alle activa of passiva betreft. Enige uitzondering daarop is indien
de overdracht of overname plaatsvindt tussen ondernemingen die onderdeel zijn van
dezelfde groep. Hierbij geldt dan een drempel van minstens 15% van de totale activa/passiva.
Artikel 27 septies, tweede lid, CRD bevat ook een aantal activa die niet meetellen
voor de 10%/15% drempel, te weten niet-renderende activa, activa die opgenomen worden
in een gedekte obligatie, overdracht van te securitiseren activa en indien er sprake
is van de overdracht van activa of passiva op grond van het afwikkelingsraamwerk wat
volgt uit de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen
in geïmplementeerd is in Deel 3A Wft.
3:96c
Artikel 3:96c Wft is de evenknie van artikel 3:96a Wft maar dan voor (gemengde) financiële
holdings. Zoals eerder beschreven is met name de toezichtvraag relevant geweest voor
de keuze om de bepalingen voor banken en (gemengde) financiële holdings) los te implementeren.
In tegenstelling tot banken dient bij een (gemengde) financiële holding altijd de
geconsolideerde situatie bekeken te worden, en gelden alle drempels zoals de 15% voor
een deelneming van betekenis uit artikel 3:96c, eerste lid, onderdeel a, Wft op geconsolideerd
niveau. Het feit dat op geconsolideerd niveau gekeken moet worden betekent ook dat
het altijd de consoliderende toezichthouder van de (gemengde) financiële holding zal
zijn die de aanvraag voor een vvgb en de kennisgeving ontvangt en beoordeelt. Artikel 111,
tweede lid, CRD beschrijft wie de consoliderende toezichthouder is van een (gemengde)
financiële holding die de moederonderneming is van een bank. Het geconsolideerde toezicht
volgt altijd de bank waarvan de (gemengde) financiële holding de (EU-)moederonderneming
is. Hieronder is schematisch weergegeven welke toezichthouder verantwoordelijk is
voor het geconsolideerde toezicht op een in Nederland gezetelde (gemengde) financiële
holding:
Toezicht op een (gemengde) financiële holding in Nederland
Tabel 4: Overzicht toezicht op een (gemengde) financiële holding in Nederland
Is de dochterbank gezeteld in NL?
Is de dochterbank gezeteld in deelnemende lidstaat?
Is de NL bank significant?
Is de dochterbank in een andere lidstaat signficant?
Is de NL de grootste bank onder de holding?
Consoliderende toezichthouder van de (gemengde) financiële holding
Ja
Nee
Ja
–
–
ECB
Ja
Nee
Nee
–
–
DNB
Ja
Ja
Ja
–
–
ECB
Ja
Ja
Nee
Nee
Ja
DNB
Ja
Ja
Nee
Ja
–
ECB
Ja
Ja
Nee
Nee
Nee
NCA
Nee
Ja
–
Nee
–
NCA
Nee
Ja
–
Ja
–
ECB
Nee
Nee
–
-
–
NCA
Het tweede lid van artikel 3:96c Wft schrijft voor dat een (gemengde) financiële holding
een verklaring aanvraagt bij DNB, de ECB of de toezichthoudende instantie van een
andere lidstaat, al naar gelang welke toezichthouder de consoliderende toezichthouder
van de (gemengde) financiële holding is. Het derde lid schrijft voor dat DNB, als
nationale toezichthouder, een besluit neemt over de aanvraag van de holding, ook als
die aanvraag bij de consoliderende toezichthouder gedaan is. Artikel 27 quater, tweede
en derde lid, CRD voorzien in een samenwerkingskader om gezamenlijk tot een dergelijk
besluit te komen. Deze samenwerking is nodig omdat de consoliderende toezichthouder
geen jurisdictie heeft in Nederland waar de (gemengde) financiële holding is gezeteld
en geen besluit onder Nederlands recht kan nemen. Daarom zal de consoliderende toezichthouder
overeenstemming moeten vinden met de nationale bevoegde autoriteit (in casu DNB) om
een besluit te kunnen nemen over de vvgb voor een (gemengde) financiële holding.
Het derde en vierde lid van artikel 3:96c Wft zijn het evenbeeld van artikel 3:96a,
vijfde en zesde lid, met betrekking tot de vereisten over het moment van indienen
van een vvgb bij een fusie of splitsing en de delegatiegrondslag voor de gegevens
die bij de aanvraag van een vvgb aangeleverd moeten worden.
3:96d
Artikel 3:96d Wft ziet op de kennisgeving die (gemengde) financiële holdings moeten
doen op het moment dat zij een deelneming van betekenis afstoten, dan wel een overname
of overdracht van activa of passiva uitvoeren die van materieel belang is. Het is
hiermee de evenknie van artikel 3:96b Wft. Het tweede lid voorziet in een delegatiegrondslag
om bij algemene maatregel van bestuur te bepalen welke gegevens aangeleverd moeten
worden bij de kennisgeving.
3:96e
Artikel 3:96e, eerste lid, Wft regelt de situatie dat DNB de consoliderende toezichthouder
is van een holding met zetel in een andere lidstaat die een kennisgeving als bedoeld
in de artikelen 27 bis, eerste lid, of 27 septies, eerste lid, CRD ontvangt en beoordeelt.
Deze gevallen kunnen plaatsvinden als de (gemengde) financiële holding in een andere
lidstaat de moederonderneming is van een bank die in Nederland is gezeteld. DNB is
dan op grond van artikel 111, tweede lid, CRD de consoliderende toezichthouder indien
de in Nederland gezetelde bank de grootste dochterbank is van die (gemengde) financiële
moederholding. Voorwaarde is dat de Nederlandse dochterbank niet-significant is, nu
Nederland een deelnemende lidstaat is. Indien de dochterbank wel significant is, is
de ECB de consoliderende toezichthouder.
Voor een (gemengde) financiële holding die is gezeteld in een deelnemende lidstaat
en waarvan de grootste dochterbank significant is en haar zetel heeft in Nederland,
is de ECB de consoliderende toezichthouder (gezien artikel 111, tweede lid, CRD in
combinatie met de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht). In dit geval
is de ECB tevens de bevoegde autoriteit van de deelnemende lidstaat waar de holding
is gezeteld (gezien de artikelen 4, 6 en 9 van de verordening bankentoezicht) en dus
zelfstandig bevoegd te besluiten omtrent de kennisgeving van deze holding.
In deze gevallen ligt het voor de hand dat de gezamenlijke besluiten omtrent de kennisgeving
en de beoordeling worden genomen op grond van het toepasselijk recht dat geldt voor
de holding met zetel in de andere lidstaat. In het geval dat het recht van de lidstaat
waarin de holding is gezeteld niet voorziet in de mogelijkheid een dergelijk besluit
te nemen, of de toezichthouders gezamenlijk van mening zijn dat het besluit beter
genomen kan worden op grond van het recht van de lidstaat van de consoliderende toezichthouder
is voorzien in dit artikel. De artikelen 27 quater, tweede en derde lid, en 27 duodecies,
eerste en tweede lid, CRD, die genoemd worden in het derde lid van artikel 3:96e Wft,
voorzien in samenwerkingsbepalingen voor de toezichthouders die dergelijke kennisgevingen
moeten beoordelen.
FFF (3:98)
In artikel 3:98 Wft vervallen de eerste twee leden. Dit waren samenloopbepalingen
voor vvgb’s indien er sprake is van banken die ook beleggingsdiensten mogen uitvoeren
(zogenoemde bankbeleggingsondernemingen). De eerste twee leden van artikel 3:98 Wft
komen geen betekenis meer toe, nu artikel 3:96 Wft komt te vervallen en er geen samenloop
optreedt met de nieuwe artikelen 3:96a of 3:96c Wft.
GGG (3:100)
Artikel 3:100 Wft bevat het beoordelingskader voor de vvgb’s die op grond van artikel 3:95
Wft worden aangevraagd. Artikel 23, eerste lid, derde alinea, CRD bevat een nieuwe
weigeringsgrond die opgenomen moet worden in artikel 3:100, eerste lid, Wft. Hiermee
kan DNB een vvgb weigeren indien de aanvrager gezeteld is in een staat die geen lidstaat
is, indien die staat is aangemerkt als een staat met een hoog risico dat strategische
tekortkomingen vertoont in zijn regelgeving met betrekking tot witwassen of terrorismefinanciering,
of in een land dat onderworpen is aan beperkende maatregelen van de Europese Unie,
en dit afbreuk doet aan de capaciteit van de kandidaat-verwerver om de vereiste praktijken
en processen toe te passen om te voldoen aan de voorschriften van de Wet voorkoming
van witwassen en financieren van terrorisme. Deze weigeringsgrond komt naast de weigeringsgrond
om een vvgb af te wijzen indien er goede redenen zijn om te vermoeden dat er sprake
zal zijn van witwassen of terrorismefinanciering. Omdat deze bepaling alleen in de
CRD voorkomt, is in het onderdeel opgenomen dat het moet gaan om een vvgb ter verwerving
van een gekwalificeerde deelneming in een bank (artikel 3:95, eerste lid, onderdeel b,
Wft). Hiermee is dit onderdeel alleen relevant voor dergelijke vvgb’s en is het geen
weigeringsgrond indien een andere vvgb op grond van artikel 3:95 Wft wordt aangevraagd.
HHH (3:101)
Artikel 3:101 Wft bevat de criteria die DNB meeneemt bij de beoordeling van de aanvraag
van een vvgb op grond van artikel 3:96 en 3:97 Wft (met betrekking tot vvgb’s bij
verzekeraars). Met het vervallen van artikel 3:96 Wft (zie onderdeel DDD) kan in dit
artikel de verwijzing naar artikel 3:96 Wft vervallen en bevat dit artikel na inwerkingtreding
van deze wet alleen de criteria voor de beoordeling van een verklaring van geen bezwaar
aangevraagd op grond van artikel 3:97 Wft.
III (3:101a)
Artikel 3:101a Wft wordt ingevoegd ter implementatie van de artikelen 27 ter en 27
undecies CRD waarin de beoordelingscriteria zijn opgenomen van de aanvragen voor vvgb’s
op grond van artikel 3:96a, eerste lid, en 3:96c, eerste lid, Wft. In artikel 3:101a,
eerste en tweede lid, Wft worden de criteria opgenomen zoals deze in artikel 27 ter,
eerste lid, en 27 undecies, eerste lid, CRD zijn opgenomen. Het eerste en tweede lid
zijn zo geformuleerd dat DNB de vvgb verleent tenzij er sprake is van een van de weigeringsgronden.
Dit volgt uit artikel 27 ter, derde lid, en artikel 27 undecies, derde lid, CRD. Er
zijn geen nationale weigeringsgronden opgenomen.
Het derde lid van artikel 3:101a Wft regelt dat een vvgb geweigerd kan worden indien
een aanvrager ervan onjuiste of onvolledige informatie verstrekt, ondanks een verzoek
als bedoeld in artikel 1:106c, eerste lid, Wft om aanvullende informatie te verstrekken.
Hiermee wordt artikel 27 ter, derde lid, en artikel 27 undecies, derde lid, CRD geïmplementeerd
waarin deze weigeringsgrond is opgenomen.
Het vierde lid is de implementatie van artikel 27 bis, zevende lid, en artikel 27
decies, tweede lid, CRD. In deze twee leden zijn situaties opgenomen waarin DNB geen
beoordeling hoeft te geven van een aangevraagde vvgb voor een deelneming van betekenis
of fusie/splitsing. Dit kan het geval zijn als de deelneming van betekenis wordt verworven
in een entiteit behorende tot een groep die binnen hetzelfde bereik van consolidatie
valt of bij hetzelfde institutioneel protectiestelsel is aangesloten (27 bis, zevende
lid, CRD). Voor de fusie geldt dat een beoordeling niet nodig is bij een fusie tussen
banken en/of (gemengde) financiële holdings van dezelfde groep, met inbegrip van banken
die zijn aangesloten bij een centrale kredietinstelling. Omdat in deze gevallen wel
voldaan moet worden aan de aanvraag van de vvgb, zijn deze artikelen niet opgenomen
als uitzondering op de aanvraagverplichting. Op grond van het vierde lid kan DNB dan,
in afwijking van het eerste en tweede lid van artikel 3:101a Wft, de vvgb alsnog verlenen
omdat een beoordeling niet nodig is. DNB is voornemens ook in dergelijke gevallen
wel positief te beschikken en de vvgb te verlenen.
JJJ (3:102)
Artikel 3:102, derde lid, Wft komt geen betekenis meer toe nu artikel 3:96 Wft vervalt.
KKK (3:103a)
Artikel 3:103a Wft bevat een verwijzing naar artikel 1:62. Aan dat artikel is een
tweede lid toegevoegd door dit wetsvoorstel. Daarom wordt de verwijzing naar artikel 1:62
Wft gespecificeerd naar het eerste lid van dat artikel.
LLL (3:104)
Artikel 3:104 Wft bevat bepalingen over aan een vvgb te verbinden voorwaarden of de
vernietigbaarheid van besluiten indien er zonder een vvgb rechtshandelingen worden
verricht door een onderneming waarvoor een vvgb verplicht is. Vanwege de toevoegingen
van de artikelen 3:96a en 3:96c Wft en de beoordeling daarvan in 3:101a Wft worden
deze artikelen toegevoegd aan artikel 3:104 zodat ook voor deze vvgb’s de mogelijkheid
tot voorwaarden verbinden en besluiten vernietigen mogelijk is voor DNB. Daarnaast
vervallen de verwijzingen naar artikel 3:96 Wft nu dat artikel komt te vervallen.
MMM (paragraaf 3.3.11.2)
Paragraaf 3.3.11.2 van de Wft komt te vervallen. In deze paragraaf, getiteld «Banken
met zetel in een staat die geen lidstaat is» bevindt zich artikel 3:109 Wft. Dit artikel
verklaart artikel 3:96 Wft met betrekking tot de mogelijke vvgb-verplichtende handelingen
door een bank van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van
banken met zetel in een staat die geen lidstaat zijn en een vergunning voor dat bijkantoor
hebben. Artikel 3:109 Wft, dat afkomstig is uit de Wet toezicht kredietwezen 1992,
vervult geen behoefte meer. Artikel 3:96 Wft komt te vervallen. Bovendien is een bijkantoor
geen zelfstandig juridische entiteit, waardoor bijvoorbeeld een verwerving van een
gekwalificeerde deelneming niet mogelijk is. Het nieuwe artikel 3:96a wordt daarom
niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Hierom kan heel artikel 3:109 Wft,
en daarmee paragraaf 3.3.11.2, komen te vervallen.
NNN (3:110)
Artikel 3:110 Wft wordt aangepast om een onjuiste verwijzing te repareren. In het
zesde lid dient verwezen te worden naar onderdeel b van artikel 3:95, eerste lid,
Wft en niet naar onderdeel a.
OOO (3:111a)
Artikel 3:111a Wft bevat de toezichtsbevoegdheden op basis waarvan DNB als toezichthouder
maatregelen kan nemen indien een bank (of beleggingsonderneming onder de verordening
kapitaalvereisten) onder andere niet meer voldoet aan Deel 3 van de Wft of de CRR
(3:111a, eerste lid, onderdeel a, Wft). Het tweede lid van dit artikel wordt op een
aantal punten gewijzigd.
Allereerst worden de onderdelen f en g opnieuw vastgesteld zodat deze nu nauwer aansluiten
op de tekst van de CRD. De richtlijn wijzigt ook artikel 104, eerste lid, onderdeel e,
CRD door de zinsnede «onder meer met betrekking tot het in ontvangst nemen van deposito’s»
toe te voegen als een bedrijfsactiviteit welk beperkt kan worden door DNB. Deze zinsnede
is nu opgenomen in onderdeel f. Hetgeen voorheen in de onderdelen f tot en met h in
het tweede lid van artikel 3:111a Wft stond, en een weerspiegeling was van artikel 104,
eerste lid, onderdelen e en f, CRD, is nu samengenomen in twee onderdelen in 3:111a,
tweede lid, onderdelen f en g, Wft.
Door de hiervoor besproken samenvoeging kan onderdeel h komen te vervallen waarbij
de onderdelen i tot en met o verletterd worden tot h tot en met n. Daarna worden,
onder verlettering van het nieuwe onderdeel n tot q, een drietal nieuwe onderdelen
ingevoegd. De onderdelen n en o die worden ingevoegd volgen uit artikel 104, eerste
lid, onderdelen m en n, CRD en zien op maatregelen die genomen kunnen worden in relatie
tot ESG-risico’s en crypto-activa. Onderdeel p volgt uit de EMIR 3-richtlijn en ziet
op het verminderen van de blootstellingen die banken of beleggingsondernemingen onder
de verordening kapitaalvereisten hebben aan centrale tegenpartijen. Dit zal met name
het geval zijn als dit excessieve blootstellingen op centrale tegenpartijen buiten
de EU betreft. Het tot q verletterde onderdeel betreft het onderdeel dat de mogelijkheid
geeft dat DNB haar voortdurende aanwezigheid instelt bij de bank of beleggingsonderneming.
Dit was voorheen het laatste onderdeel in de opsomming en is dat nu wederom.
PPP (3:111a.0)
In artikel 3:111a.0 Wft, dat een kopie van artikel 3:111a Wft is maar dan voor beleggingsondernemingen
in de zin van de IFD, vinden dezelfde wijzigingen plaats als hiervoor beschreven bij
artikel 3:111a Wft, behoudens de maatregelen met betrekking tot ESG-risico’s en crypto-activa
die niet in de IFD zijn opgenomen. De wijzigingen uit de EMIR 3-richtlijn zijn ook
in dit artikel opgenomen middels toevoeging van het nieuwe onderdeel p van het tweede
lid van artikel 3:111a.0 Wft waardoor DNB als toezichthouder van beleggingsondernemingen
in de zin van de IFD ook bij dit type beleggingsondernemingen kan voorschrijven dat
de blootstellingen aan centrale tegenpartijen verminderd moet worden.
QQQ (3:111a.1)
Na artikel 3:111a.0 Wft wordt artikel 3:111a.1 Wft ingevoegd. Dit betreft een soortgelijk
artikel als 3:111a en 3:111a.0 Wft maar in het geval van 3:111a.1 Wft betreft het
de toezichtmaatregelen die DNB kan toepassen op derde land bijkantoren. Hiermee wordt
artikel 48 sexdecies CRD geïmplementeerd. Hierbij wordt opgemerkt dat de formulering
van artikel 48 sexdecies CRD (en dus de implementatie in 3:111a.1 Wft) anders is dan
in de artikelen 3:111a en 3:111a.0 Wft. Waar die laatstgenoemde twee artikelen in
het eerste lid beschrijven dat DNB maatregelen oplegt indien een bank of een beleggingsonderneming
niet meer voldoet, is de formulering in 3:111a.1 Wft zo dat DNB maatregelen oplegt
om ervoor te zorgen dat een bijkantoor blijft voldoen aan bepaalde vereisten die volgen
uit de Wft. Dit vergt dus een meer proactief ingrijpen van DNB als toezichthouder.
Niettemin bevat het tweede lid van artikel 3:111a.1 Wft dezelfde type maatregelen
als ook in 3:111a en 3:111a.0 Wft te vinden zijn. Dit betreft onder meer de bevoegdheid
om een hogere solvabiliteit of liquiditeit voor te schrijven (onderdeel a), beperkingen
op te leggen aan de bedrijfsactiviteiten (onderdeel c) en aanvullende informatie rapporteren
danwel openbaar maken (onderdelen e en f). Evenals het geval is in de artikelen 3:111a,
vierde lid, en 3:111a.0, zevende lid, Wft is in het derde lid van artikel 3:111a.1
Wft opgenomen dat DNB de maatregel opheft zodra de omstandigheden bedoeld in het eerste
lid van artikel 3:111a.1 Wft zich niet meer voordoen.
RRR (3:111aa)
Artikel 3:111aa, eerste lid, van de Wft bevat een dynamische verwijzing naar artikel 104
ter, derde en vierde lid, CRD. Met de wijziging van artikel 3:111aa, eerste lid, van
de Wft wordt artikel 104 ter, vierde lid bis, CRD toegevoegd aan de opsomming. Artikel 104
ter, vierde lid bis, CRD bevat het voorschrift dat, indien een instelling aan de output
floor wordt gebonden, de toezichthouder de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen
kan toetsen om te waarborgen dat haar kalibratie passend blijft.
SSS (3:111ac-3:111ae)
De wijzigingen in de artikelen 3:111ac tot en met 3:111ae Wft volgen uit de verlettering
die heeft plaatsgevonden in artikel 3:111a waarbij onderdeel k met betrekking tot
een verbod op uitkeringen of betalingen doen aan aandeelhouders of vennoten verletterd
is tot onderdeel j.
TTT (3:111ba – 3:111bb)
Na artikel 3:111b Wft wordt een afdeling 3.5.1.0 ingevoegd met daarin de artikelen 3:111ba
en 3:111bb Wft. Deze artikelen vormen de implementatie van de artikelen 48 decies
en 48 undecies CRD en bevatten bepalingen omtrent het bepalen van de systeemrelevantie
van een derde land bijkantoor (3:111ba Wft) en een verdochteringseis die opgelegd
kan worden aan een derde land bijkantoor (3:111bb Wft).
Artikel 3:111ba Wft schrijft voor dat DNB beoordeelt of een derde land bijkantoor
systeemrelevant is. Deze beoordeling vindt alleen plaats als het derde land bijkantoor
onderdeel is van een groep ondernemingen waarvan de derde land bijkantoren in de EU
gezamenlijk € 40 miljard of meer activa aanhouden. Ter beoordeling hiervan baseert
DNB zich op hetgeen in de artikelen 48 decies, tweede lid, tweede alinea en 48 undecies,
eerste tot en met derde lid, CRD is opgenomen. Hierin liggen criteria besloten om
te bepalen of een derde land bijkantoor relevant is. Criteria daarvoor zijn onder
meer aard, omvang en complexiteit van het derde land bijkantoor, het type dienstverlening
en verwevenheid met het financiële stelsel in Nederland en de EU, en de systeemrelevantiecriteria
die gebruikt worden ter beoordeling van andere systeemrelevante banken op grond van
artikel 131, derde lid, CRD.
Indien een derde land bijkantoor als systeemrelevant aangemerkt wordt, kan DNB allereerst
maatregelen nemen om de risico’s te adresseren. Deze maatregelen zijn voorgeschreven
in artikel 3:111ba, tweede lid, Wft ter implementatie van artikel 48 undecies, vierde
lid, CRD.
Een mogelijk gevolg van de systeemrelevantie kan zijn dat een derde land bijkantoor
een zelfstandige bankvergunning als bedoeld in artikel 2:11 Wft behoeft zodat het
bijkantoor een volwaardige dochteronderneming wordt en daarmee een zelfstandige juridische
entiteit. Het eerste lid van artikel 3:111bb Wft schrijft voor wanneer DNB dit kan
voorschrijven, namelijk a) als het bijkantoor toch activiteiten verricht over de landsgrenzen
heen die niet voldoen aan de uitzonderingen voor intragroepfinancieringstransacties
of de uitzondering van reverse solicitation uit artikel 21 quater, tweede lid, onderdeel a,
CRD, b) het bijkantoor op grond van artikel 3:111ba Wft systeemrelevant wordt geacht,
of c) het derde land bijkantoor zelf € 10 miljard activa op de balans heeft staan
of onderdeel is van een groep derde land bijkantoren met meer dan € 40 miljard op
de balans. Voor de berekening van de € 10 miljard en € 40 miljard activa tellen de
activa die verkregen zijn door reverse solicitation en intragroepstransacties wel mee.
DNB kan tevens de verdochtering van een derde land bijkantoor voorschrijven, als zij
eerder al de maatregelen uit artikel 3:111a.1, tweede lid, of 3:111ba, tweede lid,
Wft heeft genomen, dan wel van oordeel is dat het op andere gronden dan die in de
vorige alinea genoemd zijn kan rechtvaardigen dat de hiervoor genoemde maatregelen
ontoereikend zijn om toezichtproblemen weg te nemen en dat alleen een verdochtering
dit kan remediëren.
UUU & VVV (3:271 en 3:272)
De artikelen 3:271 en 3:272 Wft zien op de vereisten van geschiktheid en betrouwbaarheid
uit de artikelen 3:8 en 3:9 Wft die van overeenkomstige toepassing zijn op verschillende
typen holdings in Nederland. De wijzigingen uit de richtlijn in artikel 91 CRD maken
duidelijk dat alleen de (gemengde) financiële holdings in het toepassingsbereik van
artikel 21 bis CRD moeten voldoen aan de vereisten uit artikel 91 en daarmee de artikelen 3:8
en 3:9 Wft. Hierop zijn de artikelen 3:271 en 3:272 Wft aangepast.
WWW (3:272a)
Zoals eerder beschreven bij artikel 1:1 en 3:8 Wft (zie onderdelen A en Z) wordt het
tweede echelonbegrip voor banken en beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten
vervangen door de CRD-definitie van medewerker met een sleutelfunctie waarvoor een
apart artikel is opgenomen. Daarom wordt een nieuw artikel 3:272a Wft ingevoegd om
artikel 3:9b Wft van overeenkomstige toepassing te verklaren op (gemengde) financiële
holdings nu deze ondernemingen onder het bereik van artikel 91 CRD vallen. Dit volgt
uit het opnieuw vastgestelde artikel 91, eerste lid, CRD.
XXX (3:273)
Artikel 3:273 Wft omschrijft de informatieplicht van de (gemengde) financiële holding
met zetel in Nederland bij wijzigingen van geschiktheid en betrouwbaarheid van dagelijkse
beleidsbepalers. Omdat de geschiktheid- en betrouwbaarheidseis voor medewerkers met
een sleutelfunctie is geregeld in een separaat artikel 3:9b en met een schakelbepaling
in artikel 3:272a Wft voor gemengde financiële holdings en financiële holdings met
zetel in Nederland geldt, wordt de informatieplicht uit artikel 3:273, eerste lid,
Wft daarmee aangevuld. Deze informatieverstrekking aan de bevoegde autoriteit vloeit
voort uit artikel 91 bis, vierde lid, CRD.
YYY (3:275)
Artikel 110 bis CRD is ingevoegd door de richtlijn en verklaart kort gezegd het hoofdstuk
over geconsolideerd toezicht (Titel VII, hoofdstuk 3) uit de CRD van toepassing op
beleggingsondernemingsgroepen waarin zich een beleggingsonderneming bevindt waarop
de CRR van toepassing is. Een beleggingsondernemingsgroep is gedefinieerd in artikel 1:1
van de Wft en behelst een groep van een moederonderneming met dochterondernemingen
waarvan ten minste één onderneming een beleggingsonderneming is en de groep geen banken
bevat. Dat bepaalde beleggingsondernemingen de vereisten van de CRR moeten toepassen,
volgt uit artikel 1, tweede of vijfde lid, IFR. Dit zijn beleggingsondernemingen die
de diensten 3 of 6 van bijlage I, deel A, MiFID II verrichten, gemiddeld over 12 onafgebroken
maanden meer dan 15 miljard, al dan niet in groepsverband, aan geconsolideerde activa
hebben (artikel 1, tweede lid, onderdelen a en b, IFR) of beleggingsondernemingen
die toestemming verkrijgen van de toezichthouder om de CRR toe te passen (artikel 1,
vijfde lid, IFR). Verder vallen hier ook de beleggingsondernemingen onder waarvoor
door DNB is besloten dat de CRR van toepassing zijn (artikel 5 IFD jo. artikel 1,
tweede lid, onderdeel c, IFR).
Het geconsolideerde toezicht is in de Wft onder meer geïmplementeerd in de artikelen 3:274
Wft e.v. In artikel 3:275, eerste lid, Wft is opgenomen dat DNB geconsolideerd toezicht
houdt op banken en beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten
indien dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 111, eerste tot en met vijfde
lid, CRD of indien zij als consoliderend toezichthouder is aangewezen overeenkomstig
artikel 111, zesde lid, van die richtlijn. Met de toevoeging van artikel 110 bis CRD
kan uit dat artikel ook volgen dat DNB geconsolideerd toezicht moet houden op beleggingsondernemingen
onder de verordening kapitaalvereisten als die zich in een beleggingsondernemingsgroep
bevinden. Hierom wordt artikel 110 bis CRD toegevoegd aan artikel 3:275, eerste lid,
Wft zodat duidelijk is dat het geconsolideerde toezicht op een beleggingsondernemingsgroep
door DNB wordt uitgevoerd indien die groep een beleggingsonderneming onder de verordening
kapitaalvereisten bevat.
ZZZ (3:276)
In artikel 3:276, eerste en tweede lid, Wft wordt telkens de verwijzing naar artikel 3:96,
eerste lid, onderdeel b, Wft vervangen door een verwijzing naar het nieuwe artikel 3:96a,
eerste lid, onderdeel a, Wft wat ziet op de deelneming van betekenis die een bank
neemt in een onderneming. Deze verwijzing komt zowel in het eerste als tweede lid
voor.
AAAA (3:277a)
In artikel 3:277a, eerste lid, Wft wordt de verwijzing naar artikel 3:96, eerste lid,
onderdeel b, Wft vervangen door een verwijzing naar het nieuwe artikel 3:96a, eerste
lid, onderdeel a, Wft wat ziet op de deelneming van betekenis die een bank neemt in
een onderneming.
BBBB (3:280a)
In artikel 3:280a Wft, dat de implementatie vormt van artikel 21 bis CRD, wordt een
zinsnede toegevoegd ter implementatie van de wijziging in artikel 21 bis, eerste lid,
eerste alinea, CRD. Andere (gemengde) financiële holdings dan de hoogste financiële
holdings in een lidstaat of op EU-niveau, zijn verplicht om goedkeuring aan te vragen
indien zij op ge(sub)consolideerd verantwoordelijk zijn voor naleving van de prudentiële
vereisten door de groep. Voorheen was in artikel 3:280a reeds opgenomen dat andere
(gemengde) financiële holdings een goedkeuring moesten aanvragen indien zij op gesubconsolideerd
niveau moeten voldoen aan de prudentiële regels van de CRR en de Wft. Hieraan wordt
toegevoegd ter verduidelijking dat indien een (gemengde) financiële holding op grond
van artikel 3:280c Wft wordt aangewezen als verantwoordelijk voor de naleving van
de vereisten uit verordening en wet, die holding ook beschikt over een goedkeuring.
CCCC (3:280b)
In artikel 3:280b Wft worden de voorwaarden gesteld waaronder DNB een financiële holding
of gemengde financiële holding goedkeuring kan geven als bedoeld in artikel 3:280a
Wft. Een van die voorwaarden is dat de in artikel 3:271 en 3:272 Wft bedoelde personen
aan de geschiktheid- en betrouwbaarheidseis voldoen. Nu artikel 3:272a Wft de geschiktheid-
en betrouwbaarheidseis regelt van medewerkers met een sleutelfunctie van overeenkomstige
toepassing verklaart op (gemengde) financiële holdings, wordt artikel 3:272a Wft toegevoegd
aan de opsommingen met bepalingen die de geschiktheid- en betrouwbaarheidseis voorschrijven
in artikel 3:280b Wft.
DDDD (3:280c)
Artikel 3:280c Wft bevat de aanwijzing waarbij in plaats van een (gemengde) financiële
holding een dochterbank in de groep wordt aangewezen die verantwoordelijk wordt geacht
voor het op ge(sub)consolideerd niveau voldoen aan de vereisten van de CRR en de Wft.
De wijziging in artikel 21 bis, vierde lid, onderdeel c, CRD maakt het nu mogelijk
dat er ook een dochter(gemengde) financiële holding wordt aangewezen die hiervoor
verantwoordelijk wordt geacht zolang deze dochter(gemengde) financiële holding een
goedkeuring als bedoeld in artikel 3:280a Wft heeft.
In het eerste lid wordt tevens opgenomen dat de holding die uitgezonderd wordt, naast
artikel 3:280a Wft (de goedkeuringsbepaling) ook uitgezonderd wordt van de vereisten
die volgen uit artikel 3:271, 3:272 en het nieuw toegevoegd 3:272a Wft. Hierdoor zijn
de artikelen 3:8, 3:9 en 3:9b Wft niet meer van overeenkomstige toepassing op een
uitgezonderde holding. Hiermee wordt artikel 121 CRD geïmplementeerd. Hierin is opgenomen
dat er weliswaar bestuurders aangesteld moeten worden die voldoen aan de betrouwbaarheids-
en geschiktheidsvereisten uit artikel 91, eerste lid, CRD (geïmplementeerd in artikel 3:8,
eerste lid, en 3:9, eerste lid en via 3:271, tweede lid, en 3:272, tweede lid, Wft
van overeenkomstige toepassing op (gemengde) financiële holdings), maar dat zij zelf
verantwoordelijk zijn voor de waarborging van die geschiktheid en betrouwbaarheid
en hier niet op getoetst worden door DNB.
Daarnaast wordt een vijfde lid toegevoegd aan artikel 3:280c Wft ter implementatie
van artikel 21 bis, vierde lid bis, CRD. Hiermee wordt het mogelijk voor DNB, indien
zij de consoliderende toezichthouder is van de (gemengde) financiële holding, een
dergelijke holding vrijstellen van het goedkeuringsvereiste op grond van artikel 3:280c
Wft (omdat een dochterbank of dochterholding is aangewezen), buiten de werkingssfeer
van consolidatie laten vallen. Hieraan zijn een drietal voorwaarden verbonden: 1)
het mag de doeltreffendheid van het toezicht op de dochterbank of groep niet hinderen
2) de (gemengde) financiële holding heeft geen andere aandelen dan die in de dochterbank
of de dochter(gemengde) financiële holding die zeggenschap uitoefent over de dochterbank
en 3) de (gemengde) financiële holding maakt geen substantieel gebruik van hefboomwerking
en heeft geen blootstellingen die geen verband houden met haar eigendommen in de dochterbank
of in de dochterholding die zeggenschap uitoefent over de dochterbank.
EEEE (3:280e)
Dit betreft herstel van een omissie. In het tweede lid van artikel 3:280e Wft wordt
geen richtlijn genoemd, waardoor de terugverwijzing «van die richtlijn» niet juist
is. Dit wordt aangepast naar «van de richtlijn kapitaalvereisten».
FFFF en GGGG (3A:26 en 3A:103)
Artikel 3A:26 Wft betreft de implementatie van de richtlijn herstel en afwikkeling
van banken en beleggingsondernemingen en bevat onder meer uitzonderingen op het vvgb-regime
indien er sprake is van de afwikkeling van een bank of beleggingsonderneming die faalt.
Artikel 27 nonies CRD schrijft voor dat fusies en splitsingen die voortvloeien uit
het gebruik van het afwikkelingsinstrumentarium uit de (implementatie van de) richtlijn
niet hoeven te voldoen aan het vvgb-regime dat volgt uit de CRD. Hiertoe zijn de artikelen 3:96a
en 3:96c Wft opgenomen in artikel 3A:26, tweede lid, onderdeel b, Wft. Hetzelfde geldt
voor artikel 3A:103 Wft wat zich in het onderdeel over afwikkeling van verzekeraars
bevindt.
HHHH (4:3)
Artikel 4:3, tweede lid, Wft wordt aangepast om de verwijzing naar artikel 2:20 Wft
in onderdeel a te verwijderen en een los onderdeel op te nemen voor derde land bijkantoren.
IIII (4:9.0a)
Artikel 91 en 91 bis CRD hebben betrekking op banken, beleggingsondernemingen onder
de verordening kapitaalvereisten en (gemengde) financiële holdings. Voor banken gelden
de geschiktheid- en betrouwbaarheidseis uit artikelen 3:8 en 3:9 Wft terwijl voor
beleggingsondernemingen deze eisen omschreven staan in artikel 4:9, 4:9.0a en 4:10
Wft. In artikel 4:9.0a Wft worden dezelfde wijzigingen als in artikel 3:8 Wft opgenomen
(zie onderdelen Z, AA en BB).
JJJJ (4:10)
Artikel 4:10 bevat bepalingen betreffende de betrouwbaarheid van beleidsbepalers bij
verschillende ondernemingen waaronder beleggingsondernemingen.
Met de toevoeging aan het derde lid aan artikel 4:10 Wft, wordt de koppeling gemaakt
met de betrouwbaarheidseis uit artikel 91 CRD. Dit geldt alleen voor beleggingsondernemingen
onder de verordening kapitaalvereisten.
Het vijfde lid bevat dezelfde toevoeging als in artikel 3:9, vierde lid, Wft (zie
onderdelen Z, AA en BB).
KKKK (4:10a)
Artikel 4:10a Wft bevat dezelfde bepalingen als artikel 3:9b (zie onderdeel Z, AA
en BB) betreffende de geschiktheid en betrouwbaarheid van medewerkers met een sleutelfunctie
bij een bank. Artikel 4:10a Wft geldt hetzelfde voor beleggingsondernemingen onder
de verordening kapitaalvereisten. Aanpassingen op het niveau van algemene maatregel
van het bestuur zullen, in tegenstelling tot wijzigingen in het Bpr vanuit artikel 3:9b,
plaatsvinden in het BGfo.
LLLL (Bijlagen behorende bij de artikelen 1:79 en 1:80)
Teneinde de toezichthouders de mogelijkheid tot handhaving te geven worden aan de
bijlagen bij de artikelen 1:79 en 1:80 Wft verwijzingen opgenomen naar de nieuwe artikelen 3:18a.1,
3:43a, 3:96a tot en met 3:96d, 3:111a.1, 3:111ba, tweede lid en 3:111bb Wft. Tevens
worden artikel 2:20 en 3:74a Wft aangepast gezien de wijzigingen daarin. Ook wordt
2:13a, eerste lid, Wft toegevoegd aan de opsomming nu dit artikel, dat de implementatie
vormt van artikel 8 bis CRD, handhaafbaar moet zijn op grond van artikel 66 CRD.
Artikel II (Bankwet 1998)
A (artikel 1)
In artikel 1 van de Bankwet 1998 wordt de definitie van de CRD toegevoegd.
B (artikel 12)
Met deze wijzigingen van artikel 12 Bankwet 1998 wordt allereerst artikel 4 bis, tweede
lid, tweede alinea, CRD geïmplementeerd. Artikel 4 bis CRD schrijft voor dat leden
van het bestuursorgaan van de bevoegde autoriteit benoemd worden op basis van objectieve
en transparante criteria die gepubliceerd worden. Ten aanzien van de profielschets,
zoals in de wijziging bij artikel 1:27a Wft beschreven (zie artikel I, onderdeel B),
is het reeds staande praktijk van DNB om deze te publiceren (zie artikel 6, zesde
lid, van de Statuten van DNB). De profielschets geldt voor de gehele directie en er
wordt vooral aandacht geschonken aan het opleidings- en kennisniveau en ervaring,
waarna de functieprofielen een uittreksel zijn van de profielschets voor specifieke,
individuele directieposities. Ter verduidelijking wordt nu in artikel 12 Bankwet 1998
opgenomen dat het functieprofiel, dat specifiek de eisen voor een functie omvat, voor
de directeuren als bedoeld in artikel 12a Bankwet 1998 gebaseerd moet zijn op objectieve
en transparante criteria en ook door DNB gepubliceerd moet worden.
Artikel 4 bis, tweede lid, tweede alinea, CRD geeft voorts aan dat leden ontslagen
kunnen worden als ze niet meer aan de benoemingscriteria voldoen. Artikel 12, vierde
lid, Bankwet 1998 geeft hier reeds uitvoering aan, door de bewoording in artikel 14.2
van de statuten van de ECB («de eisen voor de uitoefening van hun functie») te gebruiken.
Bovendien volgt uit artikel 4 bis, tweede lid, tweede alinea, CRD dat voor de in artikel 12a
bedoelde directeuren de redenen voor ontslag gepubliceerd dienen te worden. Uit de
memorie van toelichting bij de Bankwet 1998 blijkt dat ontheffing uit de functie hetzelfde
betekent als de term ontslag uit artikel 4 bis CRD. Ontslag geschiedt bij koninklijk
besluit, waarvan een mededeling gepubliceerd wordt in de Staatscourant. Met de toevoeging
in artikel 12, vijfde lid, van de Bankwet 1998 wordt wettelijk verankerd dat de redenen
voor ontslag ook gepubliceerd dienen te worden. De enige uitzondering daarop is als
de betrokkene zich daartegen verzet, waarna publicatie niet zal volgen.
Artikel 4 bis, tweede lid, vierde alinea, CRD schrijft voor dat artikel 4 bis, tweede
lid, CRD met betrekking tot de onafhankelijkheid van DNB als toezichthouder geldt
«onverminderd de rechten en verplichtingen van de bevoegde autoriteiten die voortvloeien
uit het feit dat zij deel uitmaken van internationale of Europese systemen voor financieel
toezicht» en noemt hierbij specifiek de verordening bankentoezicht, de kaderverordening gemeenschappelijk
toezichtmechanisme86 en de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme.87 Dit betekent in de praktijk dat de door DNB op te stellen interne richtlijnen niet
mogen afdoen aan het ethische kader88 dat de ECB heeft vastgesteld om de onafhankelijkheid van de bevoegde autoriteiten
te waarborgen. De Gedragscode voor hoge ambtenaren van de ECB,89 die van toepassing is op directieleden van DNB die tevens lid zijn van de Governing
Council of Supervisory Board van de ECB en op hun plaatsvervangers, maakt onderdeel
uit van dat ethische kader.
C (artikel 12d)
Allereerst wordt met dit nieuwe artikel 12d Bankwet 1998, artikel 4 bis, derde lid,
onderdeel a, CRD geïmplementeerd. In dit artikel staat dat personeelsleden en leden
van het bestuursorgaan van de bevoegde autoriteit (in casu: DNB in haar hoedanigheid
als bevoegde autoriteit) geen handel mogen drijven in financiële instrumenten die
uitgegeven zijn door of refereren aan directe of indirecte moeder- of dochterondernemingen
of aan gelieerde ondernemingen van banken of beleggingsondernemingen. Daarnaast schrijft
artikel 4 bis, zevende en achtste lid, CRD voor dat personeelsleden en leden van het
bestuursorgaan van de bevoegde autoriteit een belangenverklaring moeten afleggen en
de verplichting om binnen een bepaalde termijn financiële instrumenten die aanleiding
kunnen geven tot een belangenconflict te verkopen of af te stoten. Door middel van
een verwijzing naar deze artikelleden van de CRD wordt bewerkstelligd dat DNB over
deze onderwerpen interne richtlijnen vaststelt, zoals bijvoorbeeld in de Regeling
privébeleggingstransacties DNB uit 2023.90
Ten tweede wordt in artikel 12d Bankwet 1998 een afkoelingsperiode voorgeschreven
(zie artikel 4 bis, derde lid, onderdeel b, CRD) in geval personeelsleden of directeuren
als bedoeld in artikel 12a Bankwet 1998 diensten willen gaan verrichten of in dienst
willen treden bij (i) een instelling waar zij rechtstreeks gelieerd zijn geweest aan
het toezicht op die instelling, bij (ii) entiteiten die diensten verlenen aan zulke
instellingen, of bij (iii) entiteiten die lobby- en belangenbehartigingsactiviteiten
verrichten (zie artikel 4 bis, derde lid, onder b, CRD). Dit is middels een verwijzing
geregeld. Dit laat onverlet dat DNB voor andere gevallen dan omschreven in artikel 12d
Bankwet 1998, een afkoelperiode kan opleggen. De interne richtlijnen zullen betrekking
hebben op:
a) De entiteiten waarvoor de afkoelingsperiode geldt. Deze staan opgesomd in artikel 4
bis, derde lid, onder b, onder i tot en met iii, CRD. Op verzoek van DNB wordt middels
artikel 12d, tweede lid, Bankwet 1998 geregeld dat de afkoelingsperiode kan worden
toegepast ten aanzien van alle onder toezicht van DNB staande instellingen.
b) De aanvang van de termijn van afkoelingsperiode. Dat volgt uit artikel 4 bis, vierde
lid, CRD en is het moment waarop rechtstreekse betrokkenheid bij het toezicht op de
instellingen is beëindigd.
c) De duur van de afkoelingsperiode. Dit is minstens drie maanden voor personeelsleden
die rechtstreeks betrokken zijn geweest bij het toezicht op banken of beleggingsondernemingen,
met inbegrip van directe of indirecte moederondernemingen, dochterondernemingen of
gelieerde ondernemingen van die bank of beleggingsonderneming en de entiteiten die
diensten verrichten aan die ondernemingen zoals bedoeld in artikel 4 bis, derde lid,
onder b, onder ii, CRD. Dit volgt uit artikel 4 bis, vijfde lid, CRD. De duur van
de afkoelingsperiode bij personeelsleden die lobby- en belangenbehartigingsactiviteiten
gaan verrichten bedraagt drie maanden. Dit volgt uit artikel 4 bis, vierde lid, CRD.
De duur van de afkoelingsperiode voor leden van het bestuursorgaan bedraagt minstens
twaalf maanden indien zij rechtstreeks betrokken zijn geweest bij het toezicht op
banken of beleggingsondernemingen, met inbegrip van directe of indirecte moederondernemingen,
dochterondernemingen of gelieerde ondernemingen van die bank of beleggingsonderneming.
Dit volgt uit artikel 4 bis, vierde lid, CRD.
d) De verplichting dat het personeelslid of het lid van het bestuursorgaan gedurende
de afkoelingsperiode geen toegang heeft tot vertrouwelijke of gevoelige informatie
met betrekking tot de kredietinstelling of bank. Dit volgt uit artikel 4 bis, vierde
lid, CRD.
e) De passende compensatie voor de afkoelingsperiodes. Dit volgt uit overweging 3 en
artikel 4 bis, zesde lid, CRD. Bij de berekening van de compensatie voor de leden
van het bestuursorgaan zal DNB rekening moeten houden met de bepalingen uit de Wet
normering topinkomens.
Met de introductie van artikel 12d, tweede lid, Bankwet 1998 wordt artikel 4 bis,
vijfde lid, CRD geïmplementeerd. Deze bepaling bevat een lidstaatoptie om de termijnen
van de afkoelingsperiodes uit artikel 4 bis, vierde lid, CRD te verkorten van minstens
zes naar minstens drie maanden voor personeelsleden die rechtstreeks betrokken zijn
bij het toezicht op instellingen als bedoeld in artikel 4 bis, derde lid, onderdeel b,
onder i, CRD. Hierbij is een bredere invulling gegeven dan de reikwijdte van artikel 4
bis, derde lid, CRD. Die ziet namelijk alleen op de rechtstreekse betrokkenheid bij
het toezicht op CRD-instellingen. Ook geldt deze afkoelingsperiode indien personeelsleden
overstappen naar een dienstverlener van die financiële instelling, of een gelieerde
entiteit aan die financiële instelling, zoals ook bepaald in artikel 4 bis, derde
lid, onderdeel b, onder i en ii, CRD.
Daarnaast wordt in artikel 12d, tweede lid, Bankwet 1998 de lidstaatoptie van artikel 4
bis, vierde lid, tweede alinea, CRD geïmplementeerd. DNB kan hiermee een afkoelingsperiode
opleggen bij de overstap naar rechtstreekse concurrenten van de financiële instellingen
waar een personeelslid of een lid van het bestuursorgaan van de bevoegde autoriteit
rechtstreekse betrokkenheid heeft gehad bij het toezicht erop. DNB kende reeds een
dergelijk beleid omtrent rechtstreekse concurrenten.
Artikel 4 bis, vijfde lid, CRD geeft een tweetal situaties aan wanneer de lidstaat
die lidstaatoptie kan gebruiken. Allereerst kan aangetoond worden dat de afkoelingsperiode
van minstens zes maanden het vermogen van DNB onnodig beperkt om nieuwe personeelsleden
in dienst te nemen die over de adequate of noodzakelijke vaardigheden beschikken voor
de uitoefening van de toezichthoudende taken, met name vanwege de geringe omvang van
de nationale arbeidsmarkt. DNB opereert qua werving in een competitief speelveld.
Er wordt hieromtrent op nationaal, Europees en internationaal niveau geconcurreerd
met publieke instellingen en private instellingen, zoals banken, verzekeraars, beleggingsondernemingen
en pensioenfondsen. De krapte op de Nederlandse arbeidsmarkt heeft vooral betrekking
op de werving van toezichthouders met gespecialiseerde profielen, waaronder expertise
in cyberveiligheid en IT-risico’s, data-analyse of econometrie. Gelet op de opkomende
risico’s en ontwikkelingen in de wetgeving is het noodzakelijk dat de toezichthouders
kennis en expertise hebben hierin. Daarnaast dienen kandidaten ook te beschikken over
de competenties en vaardigheden voor het functioneren als toezichthouder.
Ten tweede kan aangetoond worden dat een langere afkoelingsperiode een inbreuk zou
vormen op grondrechten of op het nationale arbeidsrecht. Het belang van een afkoelingsperiode
is om ervoor te zorgen dat personeelsleden niet toezichtvertrouwelijke informatie
kunnen meenemen naar hun nieuwe functie, waarmee de onafhankelijkheid van de toezichthouder
in het geding komt. Een minimale afkoelingsperiode van zes maanden vormt echter een
disproportionele inperking voor werknemers. Deze afkoelingsperiodes maken namelijk
geen onderscheid in hoe lang het personeelslid al betrokken is geweest bij de onder
toezicht staande instellingen, of aanverwante ondernemingen, wat voor werkzaamheden
die persoon bij dit toezicht had, en welke werkzaamheden die bij de kredietinstelling
of bank gaat verrichten. Dit terwijl het wel factoren zijn die bepalen hoeveel belang
DNB bij de afkoelingsperiode heeft, welk belang op grond van bovengenoemde wetgeving
moeten worden afgewogen tegen het belang van de medewerker om een bepaalde overstap
te maken. Door gebruikmaking van de lidstaatoptie kan DNB per individueel geval een
afweging maken, wat een betere balans biedt tussen enerzijds de borging van de onafhankelijkheid
van de toezichthouder en het belang van werknemers op een vrije arbeidskeuze.
Deze wettelijke verankering van afkoelingsperiodes wordt niet beschouwd als een concurrentiebeding
in de zin van artikel 7:653 BW. De afkoelingsperiode is een verplichting die voortvloeit
uit een publiekrechtelijke norm, vastgelegd in de CRD en in dit wetsvoorstel, en DNB
kan alleen een invulling geven aan de duur van de afkoelingsperiode en de mogelijke
compensatie. Dit is anders bij het concurrentiebeding, waar de werkgever en de werknemer
dit beding onderling als onderdeel van de arbeidsovereenkomst overeen kunnen komen.
Bovendien verschilt het doel van de afkoelingsperiode: het is namelijk ter voorkoming
van belangenconflicten in het kader van de onafhankelijke uitvoering van de toezichthoudende
taak van DNB. Bij het concurrentiebeding gaat het om bescherming van het bedrijfsdebiet
ten opzichte van (potentiële) concurrenten. Tot slot verschilt de afkoelingsperiode
van het concurrentiebeding in die zin dat het concurrentiebeding pas een rol speelt
na het einde van het dienstverband, waarvan geen sprake is bij de afkoelingsperiode
uit dit wetsvoorstel.
Artikel III (Wet op de economische delicten)
Artikel III bevat een aanpassing van de Wet op de economische delicten (WED). Met
de uitsplitsing van artikel 2:20 Wft in verschillende leden wordt in de WED de verwijzing
naar artikel 2:20 Wft gespecificeerd naar artikel 2:20, eerste lid, Wft, nu in het
eerste lid van artikel 2:20 Wft na de wijzigingen van deze wet de verbodsbepaling
is opgenomen. Daarnaast wordt met het vervallen van artikel 3:96 Wft (zie Artikel I,
onderdeel DDD) dit artikel vervangen door artikel 3:96a en 3:96c Wft. Artikel 3:96a
en 3:96c Wft vervangen het nationale systeem van artikel 3:96 met een geharmoniseerd
Europees kader. Niettemin wordt het systeem van verklaringen van geen bezwaar verhouden.
Verder voorziet de wijzigingsopdracht in enige mate van opschoning, door bij een aantal
artikelen het woord «artikel» voorafgaande aan het artikelnummer te verwijderen.
Artikel IV (Overgangsrecht)
Artikel III bevat overgangsrecht op het gebied van derde land bijkantoren en de verklaringen
van geen bezwaar.
In het eerste lid is overgangsrecht opgenomen met betrekking tot de reeds bestaande
bijkantoren van banken uit staten die geen lidstaat zijn. In Nederland zijn er twee
van dergelijke bijkantoren gevestigd die een vergunning van DNB hebben ontvangen op
grond van het huidige artikel 2:20 Wft. Deze twee bijkantoren moeten uiterlijk 10 januari
2027 voldoen aan Titel VI van de richtlijn kapitaalvereisten met betrekking tot derde
land bijkantoren. DNB beoordeelt of de reeds bestaande bijkantoren met een bestaande
vergunning voldoen aan alle vereisten die na inwerkingtreding van deze wet zijn opgenomen
in artikel 2:21 Wft. Hiermee wordt artikel 48 quater, vijfde lid, CRD geïmplementeerd.
Indien het bijkantoor voldoet, verleent DNB een vergunning op grond van artikel 2:20,
eerste lid, Wft waardoor het bijkantoor dan over een nieuwe vergunning beschikt afgegeven
onder het nieuwe derde land bijkantorenregime. De oude vergunning, verstrekt op grond
van artikel 2:20 van de Wft zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van deze
wet, wordt gelijktijdig ingetrokken als de nieuwe vergunning wordt verleend. Indien
blijkt dat het bijkantoor niet voldoet aan de nieuwe vereisten, trekt DNB de oude
vergunning in. Omdat dit artikel redelijk binair is (voldoen = vergunning, niet voldoen
= intrekking) is het zaak voor bijkantoren die reeds een vergunning hebben en deze
willen behouden onder het nieuwe regime om op tijd te voldoen aan de nieuwe vereisten
voor dergelijke vergunningen uit artikel 2:20, eerste lid, Wft. Het is daarom raadzaam
om in de aanloop naar de datum van 10 januari 2027 al na te gaan, zowel door het bijkantoor
zelf als door DNB, of voldaan wordt aan de nieuwe vereisten die volgen uit de implementatie
van de richtlijn. Het eventuele niet voldoen van het derde land bijkantoor kan dan
nog geremedieerd worden voor de cliff-edge datum van 10 januari 2027.
Met het tweede lid wordt artikel 21 quater, vijfde lid, CRD geïmplementeerd. Daarin
is bepaald, met zoveel woorden, dat het vergunningvereiste voor het vestigen van een
derde land bijkantoor met bijbehorende vergunning, geen afbreuk mag doen aan overeenkomsten
die zijn gesloten voorafgaand aan 11 juli 2026 tussen een onderneming gevestigd in
een staat die geen lidstaat is en een persoon als bedoeld in artikel 1:1 Wft in Nederland.
In overweging 6 van de considerans bij de richtlijn is opgemerkt dat deze regel strikt
moet worden geïmplementeerd om omzeiling te voorkomen. Hiermee wordt duidelijk gemaakt
dat dit geen zogenoemd grandfathering regime betreft waarin dergelijke oude contracten kunnen blijven doorlopen en aangepast mogen
worden. Het betreft een phasing out regime zodat bestaande contracten uitgediend worden, maar niet meer aangepast mogen worden
zonder dat aan de vereisten uit de richtlijn is voldaan. Uit de considerans moet worden
afgeleid dat een wijziging al snel leidt tot een nieuwe overeenkomst die niet kan
worden gesloten zonder vestiging van een derde land bijkantoor en verkrijging van
bijbehorende vergunning. Naar Nederlands recht is in het concrete geval dikwijls moeilijk
uit te maken of een bepaalde wijziging in de verbintenis wel of geen schuldvernieuwing
(novatie) met zich meebrengt. Dat zal naar Europees recht niet anders zijn. Artikel 25
van de Richtlijn sanering en liquidatie van banken91, en vooral een vergelijking van de Engelse taalversie met de Nederlandse taalversie
daarvan, levert de aanwijzing op dat onder «novation» ook verrekening of een netting agreement moet worden verstaan. Alleen in het geval dat een novatie of verrekening louter leidt
tot het reduceren van verplichtingen over en weer, of hiermee een overeenkomst beëindigd
wordt, zal novatie of verrekening mogelijk zijn zonder dat dit voor de derde land
onderneming ertoe leidt dat deze een bijkantoor moet vestigen en een vergunning moet
aanvragen. Alle andere gevallen, waarbij novatie of nettering zouden leiden tot een
nieuwe verbintenis, een nieuwe schuld (niet zijnde de gereduceerde schuld door novatie/verrekening)
of een aanpassing in de identiteit van de verbintenis, zijn niet toegestaan zonder
dat een derde land bijkantoor te vestigen en daarvoor een vergunning te verkrijgen
(tenzij de onderneming en overeenkomst valt onder de uitzonderingen op het derde land
bijkantorenregime).
Het derde tot en met vijfde lid bevat overgangsrecht voor verklaringen van geen bezwaar.
Het derde lid ziet op de situatie dat er voor inwerkingtreding van deze wet een aanvraag
voor een verklaring van geen bezwaar is afgegeven op grond van artikel 3:96 Wft zoals
dat artikel luidde voor inwerkingtreding van deze wet. Die vvgb’s worden gelijkgesteld
met de vvgb’s op grond van artikel 3:96a Wft. Voor de artikelen 3:96, eerste lid,
onderdelen a, b, en d, bevat artikel 3:96a Wft een evenknie.
Voor vvgb’s met betrekking tot 3:96, eerste lid, onderdeel c, Wft is er het vierde
lid in dit artikel opgenomen. Dit verklaart artikel 3:96b, eerste lid, onderdeel b,
Wft niet van toepassing indien er al een aanvraag voor een vvgb voor activa/passiva
overdracht was ingediend of een dergelijke vvgb was verkregen voorafgaand aan inwerkingtreding
van deze wet. Dit omdat de activa/passiva-overdracht na implementatie van de richtlijn
niet meer een activiteit betreft die een vvgb vereist. In die gevallen is wel een
kennisgeving vereist. Indien echter reeds een aanvraag voor een vvgb is gedaan voor
activa/passiva-overdracht voor de inwerkingtreding van dit onderdeel van het onderhavige
wetsvoorstel, is het niet nodig om alsnog een kennisgeving te doen. Daarom is artikel 3:96b,
eerste lid, onderdeel b, Wft niet van toepassing verklaard.
Het vijfde lid ziet op de situatie dat een aanvraag voor een vvgb op grond van artikel 3:96
Wft nog niet onherroepelijk is geworden voor de inwerkingtreding van deze wet. In
dat geval moet de aanvraag beschouwd worden als een aanvraag onder het nieuwe systeem
uit artikel 3:96a en 3:96b Wft. Omdat de drempelwaarden voor wanneer een vvgb aangevraagd
moet worden hoger komen te liggen, en er dus minder snel sprake zal zijn van een deelneming
van betekenis onder het nieuwe artikel 3:96a, zou het kunnen dat er gevallen zijn
waar voorheen een vvgb-aanvraag nodig was, maar dat nu niet meer het geval is. Ook
de beoordelingsgronden voor het oude systeem op grond van artikel 3:101 Wft en de
nieuwe systematiek in 3:101a Wft zijn nagenoeg gelijk. Beoordeling onder het nieuwe
kader zou hiermee geen verzwaring voor partijen moeten opleveren.
Artikel V (Inwerkingtreding)
De omzettingsbepaling van de richtlijn bevat een aantal verschillende momenten waarop
de bepalingen uit de richtlijn van toepassing worden. Om die reden wordt de inwerkingtreding
geregeld bij koninklijk besluit zodat per artikel bepaald kan worden of dit op 11 januari
2026 (grootste gedeelte wijzigingen, niet zijnde artikelen die betrekking hebben op
derde land bijkantoren), 11 juli 2026 (voor bepaalde rapportagevereisten voor derde
land bijkantoren) of 11 januari 2027 (voor het gehele derde land bijkantorenregime)
van toepassing moet worden.
De Minister van Financiën, E. Heinen
Bijlage: transponeringstabellen
Afkortingen:
Awb = Algemene wet bestuursrecht
Bbbfs = Besluit bestuurlijke boetes financiële sector
Bpr = Besluit prudentiële regels Wft
BGfo = Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft
BMfo = Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft
CRD = Richtlijn 2013/36/EU
EMIR 3-verordening = Verordening (EU) 2024/2987
EMIR 3-richtlijn = Richtlijn (EU) 2024/2994
Fw = Faillissementswet
IFD = Richtlijn (EU) 2019/2034
Rtt = Regeling taakuitoefening toezichthouders Wft
Wbft = Wet bekostiging financieel toezicht 2019
Wed = Wet op de economische delicten
Wft = Wet op het financieel toezicht
Transponeringstabel behorende bij Richtlijn (EU) 2024/1619 tot wijziging van Richtlijn
2013/36/EU wat betreft toezichtsbevoegdheden, sancties, bijkantoren uit derde landen
en ecologische, sociale en governancerisico’s
Bepaling in Richtlijn (EU) 2024/1619
Bepaling in Richtlijn 2013/36/EU
Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling
(Toelichting indien niet geïmplementeerd of naar zijn aard geen implementatie behoeft)
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte
1, lid 1, onderdeel a
2, vijfde lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht middels dynamische verwijzing naar artikel 2,
vijfde lid, CRD in artikel 1:2, eerste lid, Wft
Geen
1, lid 1 onderdeel b
2, zesde lid
Behoeft geen implementatie: louter technische aanpassing
Geen
Alleen technische aanpassing n.a.v. wijziging in artikel 2, vijfde lid, CRD
1, lid 2
3, eerste lid
Artikel I, onderdeel A (1:1 Wft)
Geen
1, lid 3
4, vierde lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in o.a. Wft, Bankwet 1998, Wbft, Kaderwet
ZBO’s.
Geen
1, lid 4
4 bis, eerste lid
Behoeft geen implementatie
Geen
Definitie die niet gebruikt wordt
1, lid 4
4 bis, tweede lid, eerste alinea
Behoeft geen implementatie: Bestaand recht in 1:30 Wft jo 130 VWEU jo artikel 6 Wbft
2019 en artikel 29 Kaderwet ZBO’s.
Geen
1, lid 4
4 bis, tweede lid, tweede alinea, eerste zin
Behoeft geen implementatie: Bestaand recht in artikel 12, tweede lid, Bankwet 1998
Geen
De periode van max. 14 jaar in functie blijven volgt reeds uit de parlementaire geschiedenis:
er worden twee functies onderscheiden, die van directeur en die van president, zie
artikel 12 Bankwet en nota naar aanleiding van het verslag op wet versterking governance
DNB en AFM.1
1, lid 4
4 bis, tweede lid, tweede alinea, tweede zin
Artikel I, onderdeel B, en artikel II, onderdeel A (1:27a Wft en artikel 12 Bankwet
1998)
Geen
1, lid 4
4 bis, tweede lid, tweede alinea, derde zin
Artikel I, onderdeel B, en artikel II, onderdeel A (1:27a Wft en artikel 12 Bankwet
1998)
Geen
1, lid 4
4 bis, tweede lid, derde alinea
Behoeft geen implementatie: Bestaand recht op grond van artikel 2 en 4 Bankwet 1998,
artikel 7, tweede en derde lid, Wbft, artikel 35 Kaderwet ZBO’s, artikel 7.24 en 7.25
Comptabiliteitswet 2016
Geen
1, lid 4
4 bis, tweede lid, vierde alinea
Behoeft naar zijn aard geen implementatie.
Geen
De alinea geeft aan dat artikel 4 bis, eerste lid, geldt onverminderd het bepaalde
in de EBA-verordening, de verordening bankentoezicht, de SSM-verordening en de SRM-verordening.
1, lid 4
4 bis, derde lid
Artikel II, onderdeel C (12d, eerste lid, Bankwet 1998)
Geen
1, lid 4
4 bis, vierde lid, eerste alinea
Artikel II, onderdeel C (12d, eerste lid, Bankwet 1998)
Geen
1, lid 4
4 bis, vierde lid, tweede alinea
Artikel II, onderdeel C (12d, eerste lid, Bankwet 1998)
Lidstaatoptie waar gebruik van wordt gemaakt
Termijn afkoelingsperiode in geval rechtstreekse concurrent van de instelling.
1, lid 4
4 bis, vijfde lid
Artikel II, onderdeel C (12d, eerste lid, Bankwet 1998)
Lidstaatoptie waar gebruik van wordt gemaakt.
Verkorting afkoelingsperiode
1, lid 4
4 bis, zesde lid
Artikel II, onderdeel C (12d, eerste lid, Bankwet 1998)
Geen
1, lid 4
4 bis, zevende lid
Artikel II, onderdeel C (12d, eerste lid, Bankwet 1998)
Geen
1, lid 4
4 bis, achtste lid
Artikel II, onderdeel C (12d, eerste lid, Bankwet 1998)
Geen
1, lid 4
4 bis, negende lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 5, onderdeel a
8 bis, eerste lid
Behoeft geen implementatie: Dynamische verwijzing naar artikel acht bis, eerste lid,
CRD in Artikel 2:13a, eerste lid, Wft
Geen
1, lid 5, onderdeel b
8 bis, derde lid bis, eerste alinea
Artikel I, onderdeel Q (2:13a, vijfde lid, Wft)
Geen
1, lid 5, onderdeel b
8 bis, derde lid bis, tweede tot en met vijfde alinea
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 5, onderdeel c
8 bis, zevende en achtste lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 6
18, punt g
Behoeft geen implementatie: Bestaand recht in artikel 212ha en 212k Fw
Geen
1, lid 7, onderdeel a
21 bis, eerste lid, eerste alinea
Artikel I, onderdeel BBBB (Artikel 3:280a Wft)
Geen
1, lid 7, onderdeel a
21 bis, eerste lid, tweede alinea
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 7, onderdeel a
21 bis, eerste lid, derde alinea
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 7, onderdeel a
21 bis, eerste lid, vierde alinea
Artikel I, onderdeel O (1:107, tweede lid, onderdeel d, Wft)
Geen
1, lid 7, onderdeel b
21 bis, tweede lid, eerste alinea
Behoeft geen implementatie: Bestaand recht in 3:280b, eerste lid, onderdeel d, Wft
Geen
1, lid 7, onderdeel b
21 bis, tweede lid, tweede alinea
Artikel I, onderdeel L (1:106c, derde lid, Wft)
Geen
1, lid 7, onderdeel c
21 bis, derde lid, onderdeel c
Behoeft geen implementatie: Bestaand recht in 3:280b, eerste lid, onderdeel d en e,
Wft
Geen
1, lid 7, onderdeel d
21 bis, vierde lid, aanhef
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in artikel 3:280c, eerste lid, Wft
Geen
1, lid 7, onderdeel d
21 bis, vierde lid, onderdeel c
Artikel I, onderdeel DDDD (3:280c, eerste lid, aanhef, Wft)
Geen
1, lid 7, onderdeel e
21 bis, vierde lid bis
Artikel I, onderdeel DDDD (3:280c, vijfde lid, Wft)
Geen
1, lid 7, onderdeel f
21 bis, achtste lid, eerste alinea
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in artikelen 3:280d en 3:280e Wft.
Geen
1, lid 7, onderdeel f
21 bis, achtste lid, tweede alinea
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in 3:280d en 3:280e Wft
Geen
1, lid 7, onderdeel g
21 bis, tiende lid
Behoeft geen implementatie: dynamische verwijzing naar artikel 21 bis, tiende lid,
CRD in artikel 3:280c, vierde lid, Wft
Geen
1, lid 8
21 ter, zesde lid bis
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 9
21 quater, eerste lid
Artikel I, onderdeel S (2:20, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 9
21 quater, tweede lid, eerste alinea
Artikel I, onderdeel S (2:20, tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 9
21 quater, tweede lid, tweede alinea
Artikel I, onderdeel S (2:20, tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 9
21 quater, derde lid
Artikel I, onderdeel S (2:20, tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 9
21 quater, vierde lid
Artikel I, onderdeel S (2:20, tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 9
21 quater, vijfde lid
Artikel IV, lid 2.
Geen
1, lid 9
21 quater, zesde lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 10
22, tweede lid, eerste alinea
Artikel I, onderdeel K (1:106b, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 11, onderdeel a
23, eerste lid, onderdeel e
Behoeft geen implementatie: Bestaand recht in artikel 3:100, eerste lid, onderdeel e,
Wft
Geen
1, lid 11, onderdeel a
23, eerste lid, tweede alinea
Behoeft geen implementatie: Bestaand recht in artikel 1:51f
Geen
1, lid 11, onderdeel a
23, eerste lid, derde alinea
Artikel I, onderdeel GGG (3:100, eerste lid)
Geen
1, lid 11, onderdeel b
23, tweede lid, tweede alinea
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 11, onderdeel c
23, zesde lid
Volgt bij implementatiebesluit (138, eerste en vijfde lid, Bpr)
Geen
1, lid 12
27 bis, eerste lid
Artikel I, onderdeel EEE (3:96a, eerste lid, en 3:96c, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 bis, tweede lid
Artikel I, onderdeel EEE (3:96a, eerste lid, en 3:96c, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 bis, derde lid
Artikel I, onderdeel EEE (3:96a, tweede en derde lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 bis, vierde lid
Artikel I, onderdeel EEE (3:96c, eerste en tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 bis, vijfde lid
Artikel I, onderdeel K (Artikel 1:106b, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 bis, zesde lid, eerste alinea
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in 1:106b, derde lid, Wft
Geen
1, lid 12
27 bis, zesde lid, tweede alinea
Artikel I, onderdeel K (1:106b, vijfde lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 bis, zevende lid
Artikel I, onderdeel III (3:101a, vierde lid, onderdeel a, Wft)
Geen
1, lid 12
27 bis, achtste lid
Artikel I, onderdeel K (1:106b, eerste en derde lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 bis, negende lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in 1:106c, eerste lid, Wft
Geen
1, lid 12
27 bis, tiende lid, eerste zin
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in 1:106c, vierde lid, Wft
Geen
1, lid 12
27 bis, tiende lid, tweede zin
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 12
27 bis, elfde lid
Artikel I, onderdeel L (1:106c, vijfde lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 bis, twaalfde lid
Artikel I, onderdeel L (1:106c, derde lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 bis, dertiende lid
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 12
27 bis, veertiende lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in 1:106d Wft
Geen
1, lid 12
27 bis, vijftiende lid
Behoeft geen implementatie: Bestaand recht in 1:106e Wft
Geen
1, lid 12
27 ter, eerste lid
Artikel I, onderdeel III (3:101a, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 ter, tweede lid
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 12
27 ter, derde lid, eerste alinea
Artikel I, onderdeel III (3:101a, eerste en derde lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 ter, derde lid, tweede alinea
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 12
27 ter, vierde lid
Artikel I, onderdeel III (3:101a, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 ter, vijfde lid
Artikel I, onderdeel EEE (3:96a, tweede lid, en 3:96c, tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 ter, zesde lid
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 12
27 ter, zevende lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 12
27 quater, eerste lid
Artikel I, onderdeel G (1:62, tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 quater, tweede lid
Artikel I, onderdeel EEE (3:96a, vierde lid, 3:96c, derde lid, en 3:96e Wft)
Geen
1, lid 12
27 quater, derde lid, eerste alinea
Artikel I, onderdeel EEE (3:96a, vierde lid, 3:96c, derde lid, en 3:96e Wft)
Geen
1, lid 12
27 quater, vierde lid, eerste alinea
Artikel I, onderdeel D (1:51, derde lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 quater, vierde lid, tweede alinea, eerste zin
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 12
27 quater, vierde lid, tweede alinea, tweede zin
Artikel I, onderdeel K (1:106b, vierde lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 quater, vijfde lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie, bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 12
27 quinquies
Artikel I, onderdeel EEE (3:96b, eerste lid, onderdeel a, en 3:96d, eerste lid, onderdeel a,
Wft)
Geen
1, lid 12
27 sexies, eerste zin
Artikel I, onderdeel LLLL (Bijlagen behorende bij de artikel 1:79 en 1:80 Wft)
Geen
1, lid 12
27 sexies, tweede zin
Artikel I, onderdelen I en KKK (1:86 en 3:104, tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 septies, eerste lid
Artikel I, onderdeel EEE (3:96b, eerste lid, en 3:96d, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 septies, tweede lid
Artikel I, onderdeel EEE (3:96b, eerste lid, en 3:96d, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 septies, derde lid
Artikel I, onderdeel K (1:106b, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 octies
Artikel I, onderdeel LLLL (Bijlagen behorende bij de artikel 1:79 en 1:80 Wft)
Geen
1, lid 12
27 nonies
Artikel I, onderdeel EEE (3:96a, eerste lid, en 3:96c, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 decies, eerste lid
Artikel I, onderdeel EEE (3:96a, eerste en vijfde lid, en 3:96c, eerste en vierde
lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 decies, tweede lid
Artikel I, onderdeel III (3:101a, vierde lid, onderdeel b, Wft)
Geen
1, lid 12
27 decies, derde lid
Artikel I, onderdeel K (1:106b, zesde lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 decies, vierde lid, eerste alinea
Artikel I, onderdeel K (1:106b, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 decies, vierde lid, tweede en derde alinea
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in 1:106b, derde lid, Wft
Geen
1, lid 12
27 decies, vijfde lid
Artikel I, onderdeel M (1:106c, vijfde lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 decies, zesde lid
Artikel I, onderdeel M (1:106c, zesde lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 decies, zevende lid
Artikel I, onderdeel N (1:106d, tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 decies, achtste lid
Artikel I, onderdeel N (1:106d, derde en vierde lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 decies, negende lid
Artikel I, onderdeel N (1:106d, tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 decies, tiende lid
Artikel I, onderdeel O (1:106e Wft)
Geen
1, lid 12
27 undecies, eerste lid
Artikel I, onderdeel III (3:101a, tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 undecies, tweede lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in 1:51f Wft
Geen
1, lid 12
27 undecies, derde lid, eerste alinea
Artikel I, onderdeel III (3:101a, derde lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 undecies, derde lid, tweede alinea
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 12
27 undecies, vierde lid
Artikel I, onderdeel III (3:101a, tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 undecies, vijfde lid
Artikel I, onderdeel EEE (3:96a, tweede lid, en 3:96c, tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 duodecies, eerste lid
Artikel I, onderdeel G (1:62, tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 duodecies, tweede lid, eerste alinea
Artikel I, onderdeel D (1:51, derde lid, Wft)
Geen
1, lid 12
27 duodecies, tweede lid, tweede alinea
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
1, lid 12
27 duodecies, derde lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 12
27 terdecies
Artikel I, onderdeel LLLL (Bijlage behorende bij de artikel 1:79 en 1:80 Wft)
Volgt bij implementatiebesluit (artikel 10 Bbbfs)
Geen
1, lid 13
47, eerste lid
Artikel I, onderdeel S (2:20, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 13
47, tweede lid
Artikel I, onderdeel S (2:20, tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 13
47, derde lid
Behoeft geen implementatie: Definities niet gebruikt
Geen
1, lid 13
48
Behoeft geen implementatie: Er is geen lichter regime voor bijkantoren uit staten
die geen lidstaat zijn.
Geen
1, lid 13
48 bis, eerste lid
Artikel I, onderdeel A (1:1 Wft)
Geen
1, lid 13
48 bis, tweede lid
Artikel I, onderdeel A (1:1 Wft)
Geen
1, lid 13
48 bis, derde lid
Artikel I, onderdeel O (1:107, tweede lid, onderdeel e, Wft)
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 13
48 bis, vierde lid
Behoeft geen implementatie: Lidstaatoptie waar geen gebruik van wordt gemaakt.
Lidstaatoptie waar geen geen gebruik van wordt gemaakt.
De lidstaatoptie biedt de mogelijkheid zwaardere eisen op te leggen aan derde land
bijkantoren. Gekozen is om deze lidstaatoptie niet te gebruiken. Het derde land bijkantoren
regime zoals geregeld in CRD VI bevat reeds stevige vereisten aan dergelijke bijkantoren.
Daarnaast opteert het kabinet om de CRD VI lastenluw te implementeren.
1, lid 13
48 ter, eerste lid
Artikel I, onderdeel A en O (1:1 en 1:107, tweede lid, onderdeel e Wft)
Geen
1, lid 13
48 ter, tweede lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: Bepaling gericht tot de Europese Commissie
Geen
1, lid 13
48 ter, derde lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: Bepaling gericht tot de Europese Commissie
en EBA
Geen
1, lid 13
48 ter, vierde lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: Bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 13
48 ter, vijfde lid, eerste zin
Artikel I, onderdeel O (1:107, tweede lid, onderdeel e, Wft)
Geen
1, lid 13
48 ter, vijfde lid, tweede zin
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 13
48 ter, vijfde lid, derde zin
Artikel I, onderdeel O (1:107, tweede lid, onderdeel e, Wft)
Geen
1, lid 13
48 quater, eerste lid
Artikel I, onderdeel S (2:20, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 quater, tweede lid, eerste en tweede zin
Artikel I, onderdeel H (1:65, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 quater, tweede lid, derde zin
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 13
48 quater, derde lid
Artikel I, onderdeel T (2:21, eerste lid, Wft;
Volgt bij implementatiebesluit (10a BMfo)
Geen
1, lid 13
48 quater, vierde lid
Artikel I, onderdeel T (2:21, eerste en vierde lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 quater, vijfde lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in artikel 1:51f, eerste lid, Wft
Geen
1, lid 13
48 quater, zesde lid
Artikel IV, lid 1.
Geen
1, lid 13
48 quater, zevende lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: Bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 13
48 quater, achtste lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: Bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 13
48 quinquies, eerste lid, eerste alinea
Artikel I, onderdelen J en T (1:104, eerste lid, onderdeel o, en zevende lid, 2:21,
eerste lid, aanhef, Wft)
Geen
1, lid 13
48 quinquies, eerste lid, tweede alinea
Artikel I, onderdeel KK (3:43a, tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 quinquies, tweede lid
Artikel I, onderdeel J (1:104, eerste lid en zevende lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 quinquies, derde lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in artikel 1:51f, eerste lid, Wft
Geen
1, lid 13
48 quinquies, vierde lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in artikel 1:104 Wft
Geen
1, lid 13
48 sexies, eerste lid
Artikel I, onderdelen NN en PP (3:54a en 3:58a Wft)
Volgt bij implementatiebesluit (artikelen 48 en 59 Bpr)
Geen
1, lid 13
48 sexies, tweede lid
Artikel I, onderdeel QQ (3:58a Wft)
Volgt bij implementatiebesluit (60, eerste lid, Bpr)
Geen
1, lid 13
48 sexies, derde lid, eerste zin
Artikel I, onderdeel QQ (3:58a Wft)
Volgt bij implementatiebesluit (60, tweede lid, Bpr)
Geen
1, lid 13
48 sexies, derde lid, tweede zin
Artikel I, onderdeel QQ (3:58a Wft)
Volgt bij implementatiebesluit (60, derde lid, Bpr)
Geen
1, lid 13
48 sexies, vierde lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 13
48 septies, eerste lid
Artikel I, onderdeel UU (3:65a Wft)
Volgt bij implementatiebesluit (106c, eerste lid, Bpr)
Geen
1, lid 13
48 septies, tweede lid
Artikel I, onderdeel UU (3:65a Wft)
Volgt bij implementatiebesluit (106c, tweede lid, Bpr)
Geen
1, lid 13
48 septies, derde lid, eerste zin
Artikel I, onderdeel UU (3:65a Wft)
Volgt bij implementatiebesluit (106c, derde lid, Bpr)
Geen
1, lid 13
48 septies, derde lid, tweede zin
Artikel I, onderdeel UU (3:65a Wft)
Volgt bij implementatiebesluit (106c, vierde lid, Bpr)
Geen
1, lid 13
48 septies, vierde lid
Artikel I, onderdeel UU (3:65a Wft)
Volgt bij implementatiebesluit (106c, vijfde lid, Bpr)
Geen
1, lid 13
48 octies, eerste lid
Artikel I, onderdelen CC en FF (3:11, 3:21, eerste lid, Wft)
Volgt bij implementatiebesluit (5, eerste lid, Bpr)
Geen
1, lid 13
48 octies, tweede lid, eerste zin
Artikel I, onderdeel HH (3:23a, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 octies, tweede lid, tweede zin
Artikel I, onderdeel HH (3:23a, derde lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 octies, derde lid, eerste alinea
Artikel I, onderdeel HH (3:23a, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 octies, derde lid, tweede alinea
Artikel I, onderdeel HH (3:23a, derde lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 octies, vierde lid
Artikel I, onderdeel HH (3:23a, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 octies, vijfde lid
Artikel I, onderdeel HH (3:23a, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 octies, zesde lid
Artikel I, onderdeel HH (3:23a, eerste lid, Wft)
Volgt bij implementatiebesluit (15, vierde lid, Bpr)
Geen
1, lid 13
48 octies, zevende lid
Artikel I, onderdeel HH (3:23a, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 octies, achtste lid
Artikel I, onderdeel HH (3:23a, tweede en vierde lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 octies, negende lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: Bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 13
48 nonies, eerste lid
Artikel I, onderdeel XX (3:80a, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 nonies, tweede lid
Artikel I, onderdeel XX (3:80a, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 nonies, derde lid
Artikel I, onderdeel XX (3:80a, tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 nonies, vierde lid
Artikel I, onderdeel XX (3:80a, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 decies, eerste lid
Artikel I, onderdeel TTT (3:111bb Wft)
Geen
1, lid 13
48 decies, tweede lid, eerste alinea
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 13
48 decies, tweede lid, tweede alinea
Artikel I, onderdeel TTT (3:111ba, eerste lid, 3:111bb, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 undecies, eerste lid, eerste alinea
Artikel I, onderdeel TTT (3:111ba, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 undecies, eerste lid, tweede alinea
Artikel I, onderdeel TTT (3:111ba, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 undecies, tweede lid, eerste alinea
Artikel I, onderdeel TTT (3:111ba, eerste lid Wft)
Geen
1, lid 13
48 undecies, tweede lid, tweede zin
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 13
48 undecies, derde lid
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 13
48 undecies, vierde lid, eerste alinea
Artikel I, onderdeel TTT (3:111ba, tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 undecies, vierde lid, tweede alinea
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 13
48 undecies, vijfde lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: Bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 13
48 duodecies, eerste lid
Artikel I, onderdeel AAA (3:82b, eerste lid, Wft)
Volgt bij implementatiebesluit (130, dertiende lid, Bpr)
Geen
1, lid 13
48 duodecies, tweede lid
Artikel I, onderdeel AAA (3:82b, eerste lid, Wft)
Volgt bij implementatiebesluit (130, dertiende lid, Bpr)
Geen
1, lid 13
48 duodecies, derde lid
Artikel I, onderdeel AAA (3:82b, tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 terdecies, eerste lid
Artikel I, onderdeel AAA (3:82b, eerste lid, Wft)
Volgt bij implementatiebesluit (130, dertiende lid, Bpr)
Geen
1, lid 13
48 terdecies, tweede lid
Artikel I, onderdeel AAA (3:82b, derde lid, Wft)
Volgt bij implementatiebesluit (130, dertiende lid, Bpr)
Geen
1, lid 13
48 terdecies, derde lid
Artikel I, onderdeel AAA (3:82b, derde lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 quaterdecies, eerste lid
Behoeft geen implementatie: Volgt uit het systeem van de wet.
Geen
1, lid 13
48 quaterdecies, tweede lid
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 13
48 quindecies, eerste lid
Artikel I, onderdeel EE (3:18ab, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 quindecies, tweede lid
Artikel I, onderdeel EE (3:18ab, tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 quindecies, derde lid, eerste zin
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 13
48 quindecies, derde lid, tweede zin
Artikel I, onderdeel EE (3:18ab, derde lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 quindecies, vierde lid, eerste zin
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 13
48 quindecies, vierde lid, tweede zin
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 13
48 quindecies, vierde lid, derde zin
Artikel I, onderdeel J (1:104, zevende lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 quindecies, vijfde lid, eerste zin
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in artikel 1:51f Wft
Geen
1, lid 13
48 quindecies, vijfde lid, eerste zin
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 13
48 quindecies, zesde lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 13
48 sexdecies, eerste lid
Artikel I, onderdeel QQQ (3:111a.1, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 sexdecies, tweede lid
Artikel I, onderdeel QQQ (3:111a.1, tweede lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 septdecies, eerste lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in artikel 1:51 Wft
Geen
1, lid 13
48 septdecies, tweede lid
Artikel I, onderdeel E (1:54d Wft)
Geen
1, lid 13
48 septdecies, derde lid
Artikel I, onderdeel E (1:54d, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 septdecies, vierde lid
Artikel I, onderdeel E (1:54d, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 13
48 septdecies, vijfde lid
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 13
48 septdecies, zesde lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 13
48 septdecies, zevende lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 13
48 octodecies, eerste alinea
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 13
48 octodecies, tweede alinea
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 13
48 novodecies
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: Bepaling gericht tot de Europese instellingen
en toezichthouders
Geen
1, lid 14
53, eerste lid, tweede alinea
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in artikel 2:5, eerste lid, Awb
Geen
1, lid 15
56, vijfde alinea
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in artikel 1:93, eerste lid, onderdeel f,
en derde lid Wft
Geen
1, lid 16
65, eerste lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in artikel 1:75, eerste lid, 1:79, 1:81,
tweede en derde lid, Wft en 5:2, eerste lid, onderdeel b, Awb en titel 5.3. Awb
Geen
1, lid 16
65, tweede lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in artikel 5:1, tweede en derde lid, Awb
en 51, tweede en derde lid, Sr
Geen
1, lid 16
65, derde lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in artikel 5:2, eerste en tweede lid, Awb.
Geen
1, lid 16
65, vierde lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in artikel 1:56 en 1:74 Wft en 5:15, 5:16,
5:17 en 5:20 Awb
Geen
1, lid 16
65, vijfde lid
Behoeft geen implementatie: Niet van toepassing in Nederland.
Geen
1, lid 16
66, eerste lid
Artikel I, onderdeel LLLL en Artikel III (Bijlagen behorende bij de artikelen 1:79
en 1:90 Wft; Wed)
Volgt bij implementatiebesluit (10 Bbbfs)
Geen
1, lid 16
66, tweede lid, eerste alinea
Behoeft geen implementatie. 66(2)(a+b): bestaand recht in artikel 1:75, eerste lid,
1:79, 1:81, tweede en derde lid, Wft en 5:2, eerste lid, onderdeel b, Awb en titel
5.3. Awb,
66(2)(c)(i) 1:94 Wft
66(2)(c)(ii) 1:75 Wft
66(2)(c)(iii) 1:86 Wft
66(2)(c)(iv) 1:87 Wft
Volgt bij implementatiebesluit
Geen
1, lid 16
66, tweede lid, tweede alinea
Behoeft geen implementatie: Lidstaatoptie die niet gebruikt wordt.
Lidstaatoptie waar geen gebruik van wordt gemaakt.
De lidstaatoptie laat de mogelijkheid open om voor de dwangsommen een hoger maximumbedrag
voorstellen dan voorgeschreven in artikel 66(2)(b) CRD. Hiervan wordt geen gebruik
gemaakt.
1, lid 16
66, tweede lid, derde alinea
Lidstaatoptie om bestaand recht in artikel 5:32b, eerste lid, Awb te gebruiken.
Lidstaatoptie waar gebruik van gemaakt wordt om bestaand recht in de Awb te gebruiken
Artikel 66(2)(b) schrijft voor dat dwangsommen per dag worden verbeurd. De Awb schrijft
voor dat een dwangsom wordt vastgesteld door het bestuursorgaan «hetzij op een bedrag
ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan
wel per overtreding van de last.». Hiermee komt DNB als toezichthouder enige mate
van discretie toe om de beste tijdsperiode van de last onder dwangsom op te leggen.
De lidstaatoptie wordt gebruikt om het bestaande recht in artikel 5:32b, eerste lid,
Awb te behouden. Dit wordt opgenomen in artikel 1a Rtgs.
1, lid 16
66, tweede lid, vierde alinea
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in 5:32b, eerste lid, Awb
Geen
1, lid 16
66, derde lid
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 16
66, vierde lid
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 16
67, eerste lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in artikel 1:117 Wft, de bijlagen bij artikel 1:79
en 1:80 Wft, en Besluit EU-verordeningen Wft bijlage 8
Geen
1, lid 17
67, tweede tot en met vijfde lid
Behoeft geen implementatie: 67(2)(a+b): Bestaand recht in artikel 1:75, eerste lid,
1:79, 1:81, tweede en derde lid, Wft en 5:2, eerste lid, onderdeel b, Awb en titel
5.3. Awb,
67(2)(c)(i) 1:94 Wft
67(2)(c)(ii) 1:75 Wft
67(2)(c)(iii) 1:104 Wft
67(2)(c)(iv) 1:87 Wft
Geen
1, lid 17
67, tweede lid, tweede alinea
Behoeft geen implementatie: Lidstaatoptie die niet gebruikt wordt.
Lidstaatoptie waar geen gebruik van wordt gemaakt.
De lidstaatoptie laat de mogelijkheid open om voor de dwangsommen een hoger maximumbedrag
voorstellen dan voorgeschreven in artikel 66(2)(b) CRD. Hiervan wordt geen gebruik
gemaakt.
1, lid 17
66, tweede lid, derde alinea
Lidstaatoptie om bestaand recht in artikel 5:32b, eerste lid, Awb te gebruiken.
Lidstaatoptie waar gebruik van gemaakt wordt om bestaand recht in de Awb te gebruiken
Artikel 66(2)(b) schrijft voor dat dwangsommen per dag worden verbeurd. De Awb schrijft
voor dat een dwangsom wordt vastgesteld door het bestuursorgaan «hetzij op een bedrag
ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan
wel per overtreding van de last.». Hiermee komt DNB als toezichthouder enige mate
van discretie toe om de beste tijdsperiode van de last onder dwangsom op te leggen.
De lidstaatoptie wordt gebruikt om het bestaande recht in artikel 5:32b, eerste lid,
Awb te behouden. Dit wordt opgenomen in artikel 1a Rtgs.
1, lid 17
67, tweede lid, vierde alinea
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in 5:32b, eerste lid, Awb
Geen
1, lid 17
67, derde lid
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 17
67, vierde lid
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 18
70, eerste lid
Volgt bij implementatiebesluit (1b, eerste lid, Bbbfs)
Geen
1, lid 18
70, tweede lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in 2 Rtgs
Geen
1, lid 18
70, derde lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in 3:4, 5:2 en 5:43 Awb
Geen
1, lid 18
70, vierde lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in 5:44 Awb en 243 lid 2 Sv (1:95 en 1:98
Wft)
Geen
1, lid 18
70, vijfde lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: Bepaling gericht tot EBA.
Geen
1, lid 19
73, eerste alinea
Volgt bij implementatiebesluit (24a, eerste lid, Bpr)
Geen
1, lid 20
74, eerste lid,
Bestaand recht in artikel 1:117 en 3:17 Wft jo. art. 17/19/20/23 Bpr
Geen
1, lid 21, onderdelen a, b en c
76, eerste, tweede en vierde lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in 23b, eerste lid, onderdeel a, Bpr
Geen
1, lid 21, onderdeel d
76, vijfde lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in 23b, tweede lid
Geen
1, lid 21, onderdeel e
76, zesde lid
Volgt bij implementatiebesluit (23b, tweede lid, Bpr)
Geen
1, lid 22, onderdeel a
77, derde lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in bijlage 6 Rtt
Geen
1, lid 22, onderdeel b
77, vierde lid
Behoeft geen implementatie: bepaling gericht tot EBA.
Geen
1, lid 23, onderdeel a
Titel artikel 78
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
1, lid 23, onderdeel b
78, eerste lid
Behoeft geen implementatie: Volgt uit artikel 430, eerste lid, onderdeel f, CRR.
Geen
1, lid 23, onderdeel c
78, derde lid
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 23, onderdeel d
78, vijfde lid
Behoeft geen implementatie: Louter tekstuele aanpassing
Geen
1, lid 23, onderdelen e en f
78, zesde en achtste lid
Behoeft geen implementatie: bepaling gericht tot EBA.
Geen
1, lid 24
79, eerste lid
Behoeft geen implementatie: dynamische verwijzing naar artikel 79 CRD in 23a Bpr
Geen
1, lid 25
81
Behoeft geen implementatie: dynamische verwijzing naar artikel 81 CRD in 23a Bpr
Geen
1, lid 26
83, vierde lid
Behoeft geen implementatie: dynamische verwijzing naar artikel 83 CRD in 23a Bpr
Geen
1, lid 27
85
Behoeft geen implementatie: dynamische verwijzing naar artikel 85 CRD in 23a Bpr
Geen
1, lid 28
87 bis, eerste tot en met derde lid
Volgt bij implementatiebesluit (23a, onderdeel a, Bpr)
Geen
1, lid 28
87 bis, vierde lid
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 28
87 bis, vijfde lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 29, onderdeel a
88, eerste lid, tweede alinea, onderdeel e
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in 17c, eerste lid, Bpr
Geen
1, lid 29, onderdeel b
88, derde lid
Volgt bij implementatiebesluit (17c, eerste lid, Bpr)
Geen
1, lid 30
91, eerste lid
Behoeft geen implementatie: dynamische verwijzing naar artikel 91 CRD in artikel 3:8,
derde lid, Wft
Geen
1, lid 30
91, eerste lid bis, eerste alinea
Behoeft geen implementatie: dynamische verwijzing naar artikel 91 CRD in artikel 3:8,
derde lid, Wft
Geen
1, lid 30
91, eerste lid bis, tweede alinea
Behoeft geen implementatie: niet relevant voor Nederland
Lidstaatoptie waar geen gebruik van wordt gemaakt
Betreft een lidstaatoptie. Niet relevant voor Nederland, want toetsingen vinden al
ex ante plaats.
1, lid 30
91, eerste lid ter
Artikel I, onderdelen Z en HHHH (3:8, derde lid, en 4:9.0a Wft; Bpr/BGfo)
Geen
1, lid 30
91, eerste lid quater
Artikel I, onderdelen Z en HHHH (3:8, derde lid, en 4:9.0a Wft; Bpr/BGfo)
Geen
1, lid 30
91, eerste lid quinquies
Behoeft geen implementatie: niet relevant voor Nederland
Geen
Artikel alleen relevant voor lidstaten met een ex-post toetsingssysteem wat Nederland
niet heeft.
1, lid 30
91, eerste lid sexies
Behoeft geen implementatie: niet relevant voor Nederland
Geen
Artikel alleen relevant voor lidstaten met een ex-post toetsingssysteem wat Nederland
niet heeft.
1, lid 30
91, eerste lid septies
Behoeft geen implementatie: Bestaand recht in artikel 33, tweede lid, Bpr
Geen
1, lid 30
91, eerste lid octies
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 30
91, eerste lid nonies
Volgt bij implementatiebesluit
Geen
1, lid 30
91, eerste lid decies
Volgt bij implementatiebesluit
Geen
1, lid 30
91, eerste lid undecies
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in artikel 33, tweede lid, sub a en b,
Bpr.
Geen
1, lid 30
91, tweede lid, tweede lid bis, tweede lid ter
Behoeft geen implementatie: Dynamische verwijzing naar artikel 91, tweede lid, CRD
in artikel 3:8 en 4:9.0a Wft
Geen
1, lid 30
91, derde tot en met vijfde lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in artikel 3:8, derde lid, en 4:9.0a, tweede
lid, Wft
Geen
1, lid 30
91, zesde lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in artikel 3:8, derde lid, en 4:9.0a, tweede
lid, Wft
Geen
1, lid 30
91, zevende lid
Behoeft geen implementatie: Dynamische verwijzing naar artikel 91, zevende lid, CRD
in artikel 3:8 en 4:9.0a Wft
Geen
1, lid 30
91, achtste lid
Behoeft geen implementatie: dynamische verwijzing naar artikel 91, tiende lid, CRD
in artikel 3:8, derde lid, Wft.
Geen
1, lid 30
91, negende lid
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
1, lid 30
91, tiende lid, eerste, derde en vierde alinea
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 30
91, tiende lid, tweede alinea
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in artikel 3:8, eerste lid, en 3:9, eerste
lid, Wft
Geen
1, lid 30
91, elfde lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 30
91, twaalfde lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 30
91, dertiende lid
Behoeft geen implementatie: Niet relevant voor Nederland.
Geen
1, lid 30
91, veertiende lid
Behoeft geen implementatie: Niet relevant voor Nederland.
Geen
1, lid 31
91 bis, eerste lid
Artikel I, onderdelen BB en IIII (3:9b, 4:10a Wft)
Geen
1, lid 31
91 bis, tweede tot en met zevende lid
Artikel I, onderdelen BB en IIII (3:9b, 4:10a Wft)
Volgt bij implementatiebesluit
Geen
1, lid 31
91 bis, achtste lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 32
92
Aanpassen van toezichthouderregeling op grond van artikel 1:117, vierde lid, Wft en
toezichthouderregeling.
Geen
1, lid 33, onderdeel a
94, eerste lid
Aanpassen van toezichthouderregeling op grond van artikel 1:117, vierde lid, Wft en
toezichthouderregeling.
Geen
1, lid 33, onderdeel b
94, tweede lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 33, onderdeel c
94, derde lid
Behoeft geen implementatie: dynamische verwijzing naar 94, derde lid, CRD op grond
van artikel 1:117, vierde lid, Wft en toezichthouderregeling.
Geen
1, lid 34
97, vierde lid, tweede alinea
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in 1a Rtgs
Geen
1, lid 35
98, eerste, negende en tiende lid
Behoeft geen implementatie: dynamische verwijzing naar artikel 98 CRD in 3:18a Wft
Geen
1, lid 36
100, derde lid
Artikel I, onderdeel DD (3:18a.1 Wft)
Geen
1, lid 36
100, vierde lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: bepaling gericht tot ESA’s
Geen
1, lid 37
101, derde lid
Volgt bij implementatiebesluit (69, derde lid, Bpr)
Geen
1, lid 38, onderdeel a
104, eerste lid, aanhef
Behoeft geen implementatie. Bestaand recht in 3:111a, eerste lid, Wft
Geen
1, lid 38, onderdeel a
104, eerste lid, onderdeel e
Artikel I, onderdeel OOO (3:111a, tweede lid, onderdeel f, Wft)
Geen
38, onderdeel a
104, eerste lid, onderdeel m
Artikel I, onderdeel OOO (3:111a, tweede lid, onderdeel n, Wft)
Geen
1, lid 38, onderdeel b
104, vierde lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 39, onderdeel a
104 bis, derde lid, tweede alinea
Behoeft geen implementatie: dynamische verwijzing naar 104 bis CRD in 3:111a, tweede
lid, onderdeel a, Wft
Geen
1, lid 39, onderdeel b
104 bis, zesde lid
Behoeft geen implementatie: dynamische verwijzing naar 104 bis CRD in 3:111a, tweede
lid, onderdeel a, Wft
Geen
1, lid 39, onderdeel b
104 bis, zevende lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: bepaling gericht tot EBA
Geen
1, lid 39, onderdeel b
104 bis, achtste lid
Behoeft geen implementatie: dynamische verwijzing naar 104 bis CRD in 3:111a, tweede
lid, onderdeel a, Wft
Geen
1, lid 40
104 ter, vierde lid bis
Artikel I, onderdeel RRR (3:111aa, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 41
106, eerste lid
Artikel I, onderdeel VV (3:74a, eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 42
110 bis
Artikel I, onderdeel YYY (3:275 Wft)
Geen
1, lid 43
121
Artikel I, onderdeel DDDD (3:280c. eerste lid, Wft)
Geen
1, lid 44, onderdeel a
131, vijfde lid bis
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: bepaling gericht tot de ESA’s
Geen
1, lid 44, onderdeel b
131, zesde lid
Behoeft geen implementatie: dynamische verwijzing naar artikel 131 CRD in 105c, eerste
en derde lid, Bpr
Geen
1, lid 44, onderdeel c
131, vijftiende lid
Behoeft geen implementatie: dynamische verwijzing naar artikel 131 CRD in 105c, eerste
en derde lid, Bpr
Geen
1, lid 45
133
Behoeft geen implementatie: dynamische verwijzing naar artikel 133 CRD in 105e Bpr.
Geen
1, lid 46, onderdeel a
142, tweede lid, onderdeel c
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in 3:62ba, vijfde lid, Wft en 105i, eerste
lid onderdeel c, Bpr.
Geen
1, lid 46, onderdeel b
142, derde lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in 3:62ba, derde en zevende lid, Wft.
Geen
1, lid 46, onderdeel c
142, vierde lid, onderdeel b
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in 3:62ba, zevende lid, onderdeel b, Wft.
Geen
2
Artikel V
Geen
Omzettingstermijn
3
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Inwerkingtredingsbepaling
4
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Adresseringsbepaling
X Noot
1
Kamerstukken II 2010/11, 32 782, nr. 6.
Transponeringstabel behorende bij Richtlijn (EU) 2024/2994 ter wijziging van Richtlijn
2009/65/EG, Richtlijn 2013/36/EU en Richtlijn (EU) 2019/2034.
Bepaling in Richtlijn (EU) 2024/2994
Bepaling in Richtlijn 2009/65/EG
Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte
1, eerste lid
2, eerste lid
Behoeft geen implementatie: Bestaand recht in 1:1 Wft
Geen
Definitie van «centrale tegenpartij» is opgenomen in 1:1 Wft wat ook geldt voor het
BGfo.
1, tweede lid, onderdeel a
52, eerste lid
138 BGfo
Geen
Geïmplementeerd middels het Uitvoeringsbesluit EMIR 3-verordening en EMIR 3-richtlijn
1, tweede lid, onderdeel b
52, tweede lid, eerste alinea
138 BGfo
Geen
Geïmplementeerd middels het Uitvoeringsbesluit EMIR 3-verordening en EMIR 3-richtlijn
1, tweede lid, onderdeel c
52, tweede lid, tweede alinea
138 BGfo
Geen
Geïmplementeerd middels het Uitvoeringsbesluit EMIR 3-verordening en EMIR 3-richtlijn
Bepaling in Richtlijn (EU) 2024/2994
Bepaling in Richtlijn 2013/36/EU
Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte
2, eerste lid
74, eerste lid
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in artikel 3:17, tweede lid, aanhef en
onderdeel c, Wft en artikel 17 Bpr
Geen
2, tweede lid
76, tweede lid
Behoeft geen implementatie: dynamische verwijzing naar artikel 76 CRD in artikel 23b
Bpr
Geen
2, derde lid
81
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 6 Rtt)
Geen
Wordt geïmplementeerd middels de Implementatieregeling kapitaalvereisten 2026
2, vierde lid
100, vijfde lid
Behoeft naar zijn aard geen implementatie: Bepaling gericht tot EBA.
Geen
2, vijfde lid
104, eerste lid, onderdeel o
Artikel I, onderdeel OOO (3:111a Wft)
Geen
Bepaling in Richtlijn (EU) 2024/2994
Bepaling in Richtlijn (EU) 2019/2034
Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte
3, eerste lid
3, eerste lid
Behoeft geen implementatie: Bestaand recht in 1:1 Wft
Geen
De definitie van centrale tegenpartij is opgenomen in 1:1 Wft. De definitie van gekwalificeerde
CTP wordt niet gebruikt.
3, tweede lid
26, eerste lid
Behoeft geen implementatie: dynamische verwijzing naar artikel 26 IFD in artikel 23a,
onderdeel a, Bpr
Geen
3, derde lid, onderdeel a
29, eerste lid, onderdeel e
Behoeft geen implementatie: dynamische verwijzing naar artikel 26 IFD in artikel 23a,
onderdeel a, Bpr
Geen
3, derde lid, onderdeel b
29, eerste lid, tweede alinea
Behoeft geen implementatie: dynamische verwijzing naar artikel 26 IFD in artikel 23a,
onderdeel a, Bpr
Geen
3, vierde lid
36, eerste lid
Volgt bij implementatieregeling (Bijlage 15 Rtt)
Geen
Wordt geïmplementeerd middels de Implementatieregeling kapitaalvereisten 2026
3, vijfde lid, onderdeel a
39, tweede lid, aanhef
Behoeft geen implementatie: bestaand recht in artikel 3:111a.0, eerste lid, jo. 3:17
Wft
Geen
3, vijfde lid, onderdeel b
39, tweede lid, onderdeel n
Artikel I, onderdeel PPP (3:111a.0 Wft)
Geen
Bepaling in Richtlijn (EU) 2024/2994
Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte
4
Artikel V
Geen
Omzettingstermijn
5
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Inwerkingtredingsbepaling
6
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Geen
Adresseringsbepaling
Ondertekenaars
E. Heinen, minister van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.