Schriftelijke vragen : Het toenemend aantal schuldregelingen met een ‘nulaanbod’
Vragen van het lid Ceder (ChristenUnie) aan de Staatssecretarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Justitie en Veiligheid over het toenemend aantal schuldregelingen met een «nulaanbod». (ingezonden 20 januari 2026).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van de verschenen artikelen1 2 3 over de ontwikkelingen in de schuldhulpverlening waar het «nulaanbod» toeneemt?
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de verschillende standpunten over de rechtmatigheid van het gebruik
van het «nulaanbod»?
Vraag 3
Onderschrijft u het besluit van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK)
om per 1 juli 2024 het zogenoemde «nulaanbod» voor hun leden toe te staan voor mensen
die conform de methode van het vrij te laten bedrag geen afloscapaciteit hebben? Ziet
u dit als een goede stap vooruit in het kader van de bestaanszekerheid van deze groep
schuldenaren (die voor de schuldregeling vaak jaren te maken hebben gehad met beslagleggingen
en dergelijke)?
Vraag 4
Deelt u tegelijkertijd de zorg dat het structureel toepassen van een nulaanbod bij
een steeds groter wordende groep mensen mogelijk kan leiden tot een disbalans tussen
schuldenaren en schuldeisers en mogelijk afbreuk doet aan het uitgangspunt van wederkerigheid
en draagkracht? Kunt u uw zienswijze delen?
Vraag 5
Kunt u toelichten hoe dit nulaanbod zich verhoudt tot de wettelijke 5%-regeling die
geldt voor de beslagvrije voet en die volgens de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening
(Wgs) en de wetsgeschiedenis ook voor de schuldhulpverlening geldt? Wat is volgens
u de verhouding tussen artikel 285 lid 1 onder f FW en de 5%-regeling? Is het nulaanbod
gelet op de memorie van toelichting van de Wgs (Kamerstukken II 2019/20, 35 316, nr. 3, p. 17.) strijdig met de bedoeling van de wet of is het kabinet van mening dat het
nulaanbod wel degelijk verenigbaar is? In hoeverre is het feit dat een minnelijke
schuldregeling een afspraak is tussen partijen waar de Wgs formeel los van staat hierbij
relevant?
Vraag 6
Klopt het dat het nulaanbod inmiddels voor ongeveer een derde van de nieuwe schuldregelingen
geldt? Hoe beoordeelt het kabinet dit? Bent u bereid dit cijfer nader te onderzoeken
en daarbij ook de onderliggende draagkracht van deze groep te analyseren?
Vraag 7
Wat is uw visie op aflossen, zij het zeer beperkt, in relatie tot duurzame gedragsverandering?
Bent u bereid te onderzoeken hoe duurzame gedragsverandering inclusief financiële
bewustwording en het voorkomen van terugval het beste gerealiseerd kan worden? In
hoeverre is het hierbij relevant dat verschillende schuldeisers liever een schuld
afboeken in plaats van een klein deel van de schuld te ontvangen (inclusief bijbehorende
administratieve handelingen)?
Vraag 8
Bent u bereid om met de relevante partners uit het veld het gesprek te voeren over
het nulaanbod en te onderzoeken wat de ervaringen in de praktijk zijn (zowel van schuldeisers,
schuldenaren als schuldhulpverleners) en of het nulaanbod invloed heeft op de algemene
bereidheid van schuldeisers om mee te werken aan een schuldregeling? Ziet het kabinet
een rol voor zichzelf in het herijken van het beleid rond aflossingsverplichtingen
binnen minnelijke schuldregelingen? Zo nee, waarom niet?
Vraag 9
Wat is uw standpunt aangaande het moment van finale kwijting bij een nulaanbod? In
hoeverre zou een spaarprognose-aanbieding een alternatief zijn (in plaats van een
saneringskrediet i.c.m. een nulaanbod) om schuldenaren 18 maanden te kunnen begeleiden
om duurzame gedragsverandering mogelijk te maken?
Vraag 10
Hoe kijkt u aan tegen een uitspraak4 van de rechtbank Midden-Nederland waarbij een dwangakkoord met een nulaanbod wordt
afgewezen omdat volgens de ene afdeling van de gemeente er wel afloscapaciteit is
en er 5% ingehouden wordt op de uitkering, terwijl de schuldhulpverlener, in opdracht
van diezelfde gemeente aangeeft dat er geen afloscapaciteit is en van schuldeisers
verlangd wordt in te stemmen met een nulaanbod?
Vraag 11
Wat is uw reflectie op de uitspraak5 van de rechtbank Midden-Nederland waarbij een dwangakkoord met een nulaanbod wordt
afgewezen omdat een traject in de wettelijke schuldsanering vergelijkbaar zou zijn
en daar betere waarborgen zijn voor een hogere afdracht aan de schuldeisers dan het
nulaanbod in het minnelijk traject?
Vraag 12
Klopt het dat rechters in Wsnp-zaken het vrij te laten bedrag berekenen volgens een
methode die is ontwikkeld door Recofa, waarbij de wettelijke 5%-norm niet wordt meegenomen?
Hoe beoordeelt u dit juridisch en beleidsmatig?
Vraag 13
Bent u het eens dat het wenselijk zou zijn dat schuldenaren een minimale aflossing
moeten kunnen doen met inachtneming van het vtlb, wat noodzakelijkerwijs vraagt het
sociaal minimum te verhogen? Bent u bereid om, mede naar aanleiding van het rapport
van de Commissie sociaal minimum, te onderzoeken hoe het sociaal minimum zodanig kan
worden versterkt dat mensen ook met een laag inkomen toch een bijdrage naar draagkracht
kunnen leveren in schuldregelingen? Wat zouden de financiële consequenties hiervan
zijn?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Don Ceder, Tweede Kamerlid