Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Nader verslag houdende een lijst van vragen
36 800 XIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2026
Nr. 21
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 22 januari 2026
De vaste commissie voor Economische Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek
van dit voorstel van wet, heeft de eer nader verslag uit te brengen in de vorm van
een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 12 december 2025 voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken.
Bij brief van 19 januari 2026 zijn ze door de Minister van Economische Zaken beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De fungerend voorzitter van de commissie, Michon-Derkzen
Adjunct-griffier van de commissie, Krijger
Vragen en antwoorden
1. Kunt u aangeven wat de vrij besteedbare ruimte op de begroting is en op welke artikelen
deze staat?
Antwoord
De vrij besteedbare ruimte op de begroting is € 0. Dat wil zeggen dat er op de begroting
voor 2026 geen budgetten zijn die nog geen beoogd doel hebben. Alle budgetten zijn
tenminste beleidsmatig gereserveerd. Zie hieronder de budgetflexibiliteit per beleidsartikel.
Naam en omvang beleidsartikel
Juridisch verplicht
Bestuurlijk gebonden
Beleidsmatig gereserveerd
Vrij te besteden
1. Goed functionerende economie en markten (€ 481,7 mln)
94%
4%
2%
0%
2. Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei (€ 1.792,0
mln)
77%
21%
2%
0%
3. Toekomstfonds (€ 499,6 mln)
36%
49%
15%
0%
2. Kunt u een actualisering geven van de uitvoering van de gewijzigde motie van het
lid Grinwis c.s. over het verkennen op welke manier het Rijnlandse denken beter verankerd
kan worden? (Kamerstuk 36 600-XIII, nr. 45)
Antwoord
U heeft op 16 januari jl. mijn verzamelbrief ter voorbereiding op deze begrotingsbehandeling
ontvangen. Hierin geef ik een reactie op de motie van het lid Grinwis en daarmee wordt
de motie afgedaan.
3. Wanneer komt het wetsvoorstel inzake ondernemen met een maatschappelijke BV (BVm)
in internetconsultatie?
Antwoord
Gelet op de demissionaire status van het kabinet wil ik het vervolg van dit concept-wetsontwerp
aan een nieuw kabinet overlaten, zodat een nieuw kabinet gelegenheid wordt geboden
u hierover nader te berichten per kamerbrief.
4. Hoeveel procent van het bruto binnenlands product (bbp) wordt door Nederland uitgegeven
aan onderzoek en ontwikkeling (R&D)? Hoe verhoudt dit zich tot de twee voorgaande
jaren?
Antwoord
Voor 2024 en 2025 is nog niet bekend hoeveel procent van het bbp door Nederland precies
werd uitgegeven aan R&D. In 2023 gaf Nederland volgens het CBS 2,30% van het bbp uit aan R&D, een lichte toename ten opzichte van 2022, toen de
R&D-intensiteit 2,18% was. De cijfers van 2024 komen naar verwachting binnenkort beschikbaar.
Het blijft van belang in te zetten op het verhogen van private R&D-uitgaven in Nederland.
In andere Europese landen als Zweden, België en Oostenrijk betroffen de private R&D-uitgaven
in 2023 respectievelijk 2,65%, 2,46% en 2,27% van het bbp, waar dat in Nederland op
1,44% geschat werd.1 De publieke uitgaven van deze landen vielen in hetzelfde jaar net als in Nederland
op of ook onder de 1% van het bbp.
5. Kunt u een overzicht geven van de totale publieke investeringen in het startup- en
scale-up ecosysteem voor 2023, 2024 en 2025, uitgesplitst naar type instrument?
Antwoord
Op www.bedrijvenbeleidinbeeld.nl wordt van alle instrumenten van het Ministerie van Economische Zaken inzicht gegeven
in het beleid en de daarbij behorende middelen. De website is specifiek ingericht
om een volledig en transparant overzicht te bieden van beleidsdoelen, instrumenten
en de bijbehorende budgettaire inzet. Onder het strategische doel «ondersteunen van
startups en scale-ups» zijn de relevante instrumenten gebundeld, waaronder ecosysteeminstrumenten
zoals Techleap, publieke (co-)investeringsinstrumenten via Invest-NL en de regionale
ontwikkelingsmaatschappijen (ROMs), en innovatie- en ondernemerschapsinstrumenten,
zoals de WBSO en andere financieringsregelingen, die mede op deze doelgroep zijn gericht.
Daarmee lopen de totale directe en indirecte publieke investeringen in de vele honderden
miljoenen.
De activiteiten van Invest-NL en de ROMs samen vormen de meest omvangrijke publieke
investeringen in het startup en scale-up ecosysteem. Aanvullend aan de informatie
die te vinden is op www.bedrijvenbeleidinbeeld.nl, wordt in onderstaande tabel een overzicht weergegeven van de bedragen die in 2023,
2024 en 2025 door Invest-NL en de ROMs zijn gecommitteerd aan het startup en scale-up
ecosysteem.
Tabel: Bedragen zijn afgerond tot gehele getallen en in miljoenen euro's.
2023
2024
20251
Invest-NL2
288
235
241
ROMs3
372
367
276
X Noot
1
Betreft tot 1 december 2025.
X Noot
2
Betreft een combinatie van equity-investeringen, leningen en fonds-investeringen.
X Noot
3
Betreft alle fondsen van de ROM’s, waaronder de participatiefondsen (met EZ-middelen)
en de fondsen in beheer bij ROM’s (voornamelijk middelen van provincies).
6. Hoeveel durfkapitaal is in de afgelopen vijf jaar door Nederlandse pensioenfondsen
en verzekeraars in Nederlandse startups en scale-ups geïnvesteerd?
Antwoord
In de Kamerbrief «Investeringen institutionele beleggers in durfkapitaal» die mijn
voorganger in december 2024 verzonden heeft, staat een overzicht van de investeringen
die pensioenfondsen hebben gedaan in het Nederlandse durfkapitaallandschap tot en
met eind 2024 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 637, nr. 657). Daarnaast publiceert Invest Europe jaarlijks een overzicht van investeringsstromen
in investeringsfondsen. Daaruit komt naar voren dat pensioenfondsen en verzekeraars
in de afgelopen vijf jaar respectievelijk € 642 mln en € 33 mln in Nederlandse durfkapitaalfondsen
hebben geïnvesteerd. In zogenoemde «growth funds» waren deze investeringen respectievelijk
€ 141 mln en € 30 mln. Dit geeft echter enkel de investeringen op fondsniveau weer,
die pensioenfondsen en verzekeraars zelf openbaar hebben gemaakt. Veel institutionele
beleggers investeren ook in individuele bedrijven via co-investeringen, waardoor het
totaal geïnvesteerde kapitaal in startups en scale-ups hoger komt te liggen. Daarnaast
hebben een aantal (zorg)verzekeraars zelf zogenoemde corporate venture capital fondsen, zoals CbusineZ, Achmea Innovation Fund, Achmea Impact Fund, en Cooperatie
VGZ, waarmee zij in innovatie investeren.
Het is belangrijk om te benadrukken dat pensioenfondsen en verzekeraars private entiteiten
zijn en niet verplicht zijn om gedetailleerde, publiek toegankelijke informatie over
hun investeringen in durfkapitaal aan de overheid te verstrekken. Hoewel pensioenfondsen
en verzekeraars wel rapporteren aan toezichthouders, is deze informatie doorgaans
geaggregeerd en niet volledig uitgesplitst. Hierdoor kunnen de hierboven gepresenteerde
gegevens een onvolledig beeld geven.
7. Welke belemmeringen ervaren institutionele beleggers om in startups te investeren?
Antwoord
In de Kamerbrief «Investeringen institutionele beleggers in durfkapitaal» die mijn
voorganger in december 2024 verzonden heeft, wordt ingegaan op de belemmeringen die
worden ervaren door institutionele beleggers zoals pensioenfondsen bij investeringen
in durfkapitaal (Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 637, nr. 657). Institutionele beleggers zoals pensioenfondsen investeren vooral via durfkapitaalfondsen
in startups en scale-ups. We zien in 2024 en 2025 toenemende interesse in investeringen
in durfkapitaal vanuit institutionele beleggers zoals pensioenfondsen. Belemmeringen
om dit verder te intensiveren zijn met name de kleine schaal en een gebrek aan bewezen
resultaat (track-record) van Nederlandse durfkapitaalfondsen, het relatief hoge risicoprofiel
van deze investeringen, en soms de ontbrekende kennis en ervaring om hiermee om te
gaan. Dat laatste geldt met name voor kleinere tot middelgrote pensioenfondsen. Daarnaast
moeten pensioenfondsen voldoen aan de zogenoemde prudent-person regel. De prudent-person-regel verplicht pensioenfondsen om beleggingen te doen met
de zorgvuldigheid en voorzichtigheid die past bij het belang van deelnemers, waarbij
risico’s beheersbaar moeten zijn en de portefeuille voldoende gespreid. Hoewel investeringen
in durfkapitaal niet zijn uitgesloten, kan dit in de praktijk leiden tot terughoudendheid,
met name bij kleinere pensioenfondsen met beperkte expertise en schaalgrootte.
Om deze belemmeringen te helpen wegnemen werkt het Ministerie van Economische Zaken
zoals in voorgenoemde brief beschreven nauw samen met de Nederlandse Vereniging van
Participatiemaatschappijen (NVP) en Invest-NL. Invest-NL is sinds eind 2024 actief
in gesprek met verschillende institutionele beleggers zoals pensioenfondsen en verzekeraars,
om gezamenlijk met deze partijen het opzetten van een fonds-in-fonds vehikel gericht
op start- en scale-up investeringen te verkennen waar private partijen in kunnen investeren.
Daarnaast maakt het kabinet € 200 mln vrij voor een vervolg op het European Tech Champion
Initiative (ETCI), waarbij tevens wordt verkend om institutionele beleggers in te
laten stappen. Dergelijke initiatieven mobiliseren niet alleen direct privaat kapitaal,
maar dragen ook bij aan het vergroten van de schaal van Nederlandse durfkapitaalfondsen
zodat deze aantrekkelijker worden voor investeringen van institutionele investeerders.
8. In hoeveel kunstmatige intelligentie (AI)-gerichte startups is via Invest-NL en de
Regionale Ontwikkelings Maatschappijen (ROM’s) geïnvesteerd, wat is de orde van grootte
van deze investeringen, en hoe ziet u de bijdrage hiervan aan de Nederlandse positie
op het gebied van AI en deep tech?
Antwoord
Via Invest-NL en de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) is tot op heden
geïnvesteerd in ruim 100 AI-gerichte startups en scale-ups, waarbij Invest-NL zich
primair richt op een beperkt aantal kapitaalintensieve, strategische investeringen
en de ROM’s op een groot aantal kleinere vroegefase investeringen.
Invest-NL heeft reeds direct geïnvesteerd in vijf AI-gerichte bedrijven, met een totale
omvang van circa € 65 mln: drie bedrijven gericht op kern-AI-technologie (€ 52,6 mln)
en twee AI-enabled toepassingen (€ 12,2 mln). Daarnaast wordt indirect via fondsen
geïnvesteerd in AI, en dragen semicon- en fotonica-investeringen indirect bij aan
AI-hardware en deep tech.
De ROM’s hebben vooralsnog 96 AI-native startups in portefeuille. Gemiddeld investeerden
zij circa € 1 mln per bedrijf; inclusief cofinanciering ligt de totale investering
per startup doorgaans rond € 2 mln. Het gaat daarbij hoofdzakelijk om jonge, snelgroeiende
bedrijven.
Gezamenlijk versterken Invest-NL en de ROM’s met hun investeringen de Nederlandse
AI- en deeptech-positie door zowel kerntechnologieën als toepassingsgerichte innovaties
te ondersteunen en het onderliggende technologische ecosysteem te verbreden.
9. Kunt u schetsen hoe het aantal startups en scale-ups zich de afgelopen jaren in Nederland
heeft ontwikkeld en welk beeld heeft u van de doorgroei van startups naar scale-ups
in vergelijking met andere Europese landen?
Antwoord
Startups zijn jonge innovatieve technologiebedrijven met groeiambitie. Er zijn – volgens
het State of Dutch Tech 2025 report – in Nederland over 2024 ongeveer 9.250 startups,
waarvan ongeveer 1.220 kennisintensieve deeptech bedrijven. In totaal hebben er in
2024 1.245 startups meer dan € 0,1 mln aan durfkapitaal opgehaald en 268 bedrijven
meer dan 10 miljoen euro aan durfkapitaal opgehaald. Nederland heeft relatief veel
startups en het aantal nieuw opgerichte startups is vrij stabiel in Nederland. Echter
het aantal startups dat een eerste financieringsronde heeft opgehaald in 2024 is wel
afgenomen ten opzichte van de voorgaande drie jaren. In februari 2026 zal de nieuwe
data over 2025 beschikbaar komen.
Het grootste knelpunt in Nederland is en blijft de doorgroei. Nederland heeft in vergelijking
tot andere landen relatief veel startups, maar de doorgroei blijft achter. De scale-up
ratio – het percentage latere fase startups dat doorgroeit tot scale-up – is in Nederland
met 21,5% lager dan het Europese gemiddelde van 23%. In landen als Duitsland (41%),
Zwitserland (35%), Verenigd Koninkrijk (27%) en Frankrijk (26%) is de scale ratio
aanmerkelijk hoger dan in Nederland. Hierbij is de scale-up ratio gedefinieerd als
het aantal bedrijven dat meer met € 10 mln financiering ophaalt gedeeld door het aantal
bedrijven met meer dan € 0,1 mln durfkapitaal.
Voor een nadere toelichting verwijs ik u naar de kamerbrief van april jl. «Het Nederlandse startup en scale-up ecosysteem in internationaal perspectief» (Kamerstuk 32 637- Nr. 690).
10. Beschikt u over cijfers over het aantal startups en scale-ups dat de afgelopen jaren
Nederland heeft verlaten?
Antwoord
Het vertrek van bedrijven is ongewenst, omdat dit het verdienvermogen van Nederland
raakt. We maken er dan ook werk van om het ondernemings- en vestigingsklimaat voor
jonge innovatieve tech-bedrijven te versterken, zodat het aantrekkelijker wordt voor
deze bedrijven om in Nederland te starten en te groeien.
Over (voorgenomen) vertrekbewegingen van startups en scale-ups zijn geen betrouwbare
en representatieve gegevens publiekelijk beschikbaar. Wel is er door de Dutch Start-up
Association onlangs een kleine steekproef uitgevoerd onder 45 startups en scale-ups,
waaruit 37% van de bedrijven aangeeft om binnen 2 jaar een vertrek te overwegen (DSA,
Veelbelovende Nederlandse startups overwegen vertrek uit Nederland, 28 oktober 2025).
Daarnaast biedt de Monitor Ondernemingsklimaat een kwantitatieve onderbouwing van
voorgenomen vertrekbewegingen van bedrijven. In de meest recente editie (november
2025) geeft ongeveer één op de vijf bedrijven aan te overwegen om binnen twee jaar
(delen van) hun activiteiten naar het buitenland te verplaatsen. In de Monitor Ondernemingsklimaat
zijn startups en scale-ups echter niet specifiek uitgesplitst.
11. Wat zijn volgens u de belangrijkste redenen waarom innovatieve bedrijven Nederland
verlaten of overwegen te vertrekken, en welke maatregelen acht u nodig om dit te beperken?
Antwoord
Nederland is en blijft aantrekkelijk voor innovatieve bedrijven. Nederland biedt een
hoge kwaliteit van leven en aantrekkelijke voorwaarden met regelingen zoals de 30%-regeling,
WBSO en innovatiebox. Deze positie staat echter wel onder druk. Er zijn verschillende
factoren die bijdragen aan de beslissing van bedrijven om uit Nederland te vertrekken.
Ruimte om uit te breiden is hier één van, zowel fysieke ruimte maar ook ruimte op
het stroomnet. Regeldruk en stroperige vergunningsverlening zorgen voor onzekerheid
bij innovatieve bedrijven. Ook kunnen een gebrek aan technisch en digitaal talent,
sociale wet- en regeling en beperkte toegang tot kapitaal redenen om te vertrekken
naar het buitenland. Het aanpakken van deze belangrijke randvoorwaarden wordt ook
bemoedigd door Rapport Wennink2 en met die aanbevelingen ga ik ook aan de slag.
Met de nieuwe aanpak regeldruk3 wil ik onnodige regels schrappen om Nederland voor alle bedrijven aantrekkelijk te
houden. In het 3% R&D Actieplan4 heb ik verschillende maatregelen aangekondigd die worden uitgewerkt om innovatieve
bedrijven in Nederland te houden en te laten groeien, zoals het oprichten van een
R&D lanceerplatform, vergroten van experimenteerruimte en het vergroten van de beschikbaarheid
van technisch talent.
In de Actieagenda startups en scale-ups5 zijn maatregelen aangekondigd die de toegang tot, talent, kapitaal, kennis, ruimte
en internationale markten voor innovatieve bedrijven moeten vergroten. In de Kamerbrief
Industriebeleid met focus6 heb ik gerichte programma’s aangekondigd om bedrijven in strategische markten te
ondersteunen en richten we een aantal bestaande instrumenten op de NTS.
12. Hoeveel regels voor ondernemers zijn er het afgelopen jaar bijgekomen en hoeveel
zijn er afgeschaft?
Antwoord
Op de regeldrukmonitor houd ik de ontwikkeling bij van de regeldrukkosten van nieuwe,
gewijzigde en geschrapte wet- en regelgeving voor ondernemers. Dit zijn de netto kosten:
zowel de toegenomen en afgenomen regeldrukkosten. In 2025 kwamen de totale structurele
kosten voor ondernemers als gevolg van nieuwe en gewijzigde wet- en regelgeving uit
op ongeveer € 6,9 mln bestaande uit een toename als gevolg van Europese regelgeving
met € 7,1 mln en een afname als gevolg van nationale regelgeving met ongeveer € 0,1
mln. Hierin zijn de resultaten van de nieuwe kabinetsaanpak om voor de zomer 2026
voor 500 regels regeldruk te verminderen nog maar beperkt zichtbaar. Ik verwacht dat
in 2026 de gevolgen van de nieuwe aanpak voor regeldrukvermindering merkbaar zullen
zijn. Deze stijging van de regeldrukkosten in 2025 onderstrepen de noodzaak van de
aanpak voor regeldrukvermindering.
13. Bij hoeveel van de negatieve adviezen van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR)
in 2024 is de voorgenomen regelgeving toch doorgezet?
Antwoord
In 2024 heeft het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) in totaal 49 negatieve adviezen
uitgebracht. Het gaat om 13 adviezen met een dictum 4 (niet indienen) en 36 adviezen
met een dictum 3 (niet indienen, tenzij). Van deze negatieve adviezen zijn er 38 doorgezet
na aanpassing van de betreffende regelgevingsvoorstellen en bijbehorende toelichting
aan de hand van de ATR-adviezen. Over de overige voorstellen is nog geen definitief
besluit genomen en kan het zijn dat ze op een later moment nog worden doorgezet. Ook
kan het zijn dat ze ingetrokken zijn of nog worden ingetrokken.
14. Wat is de stand van zaken van de voorgenomen fiscale regeling voor medewerkersparticipatie
in startups en scale-ups, inclusief de beoogde ingangsdatum, en welke onzekerheden
ziet u nog bij de uitvoering?
Antwoord
Uw Kamer is recent geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de voorgenomen
fiscale regeling voor medewerkersparticipatie in startups en scale-ups.7 Het kabinet streeft ernaar het wetsvoorstel op korte termijn te consulteren. De beoogde
datum voor inwerkingtreding is 1 januari 2027. De bedrijventoets zal door RVO worden
uitgevoerd, de controle en handhaving van de regeling door de Belastingdienst. Beide
uitvoeringsorganisaties zijn nauw betrokken in het traject en zullen nog een uitvoeringstoets
doen. Uw Kamer wordt hier via de gebruikelijke wijze over geïnformeerd.
15. Kunt u toelichten wat de gevolgen zijn van de recente wijzigingen in de 30%-regeling
en in de daarbij horende salarisnormen voor het vermogen van startups en scale-ups
om internationaal talent aan te trekken?
Antwoord
Wanneer aan alle voorwaarden wordt voldaan, kan vanuit het buitenland aangeworven
talent in aanmerking komen voor de 30%-regeling. Verhogingen van salarisnormen kan
het voor startups en scale-ups lastiger maken om internationaal talent aan te trekken.
Zij moeten dan immers een hoger salaris bieden, wil de 30%-regeling van toepassing
zijn. Dit heeft ook effect op de beschikbare liquide middelen om te kunnen ondernemen.
Het grote aantal aanpassingen in de 30%-regeling heeft een negatief effect op het
vestigingsklimaat, mede door het gebrek aan voorspelbaarheid en stabiliteit. Met het
oog hierop is het kabinet geen voorstander van nieuwe aanpassingen, behoudens jaarlijkse
indexatie van de salarisnormen.
16. Hoe weegt u de mogelijke gevolgen van eventuele beperkingen op de instroom van internationale
studenten voor de beschikbaarheid van technisch en digitaal talent voor Nederlandse
startups en scale-ups?
Antwoord
Het Wennink rapport benadrukt het belang van technisch en digitaal talent voor de
toekomstige groei van de Nederlandse economie, zonder voldoende talent stagneert onze
economie. Belangrijke aanjagers van innovatie zijn start- en scale-ups, deze zijn
in hoge mate afhankelijk van internationaal STEM-talent. Een vermindering van internationale
STEM studenten zal dan ook gevolgen hebben voor de doorgroei en concurrentievermogen
van start- en scale-ups en Nederlandse economie.
Het Kabinet onderkent het belang van technisch en digitaal talent voor Nederlandse
startups en scale-ups, en zet zich daarom ook in om deze studenten te blijven aantrekken
en behouden. Ook omdat Internationale STEM-studenten na hun studie, bovengemiddeld
veel in Nederland blijven, ten opzichte van andere studies. De Netherlands Point of
Entry heeft vanuit EZ de opdracht om kansen bij en voor start- en scale-ups onder
de aandacht te brengen bij internationaal STEM-talent zowel in het buitenland als
in Nederland. In dit kader financiert EZ het MIT-MISTI programma dat studenten aan
het Massachussets Institute of Technology (MIT) de kans biedt om stage te lopen bij
Nederlandse bedrijven en zijn we in Maart 2026, samen met regio’s, bedrijven en kennisinstellingen
aanwezig bij de European Carreer Fair van MIT.
Parallel werkt de Minister van OCW aan het wetsvoorstel Wet internationalisering in
balans (WIB), dat instellingen meer regie geeft op de instroom van internationale
studenten en het Nederlands als onderwijs- en wetenschapstaal tracht te beschermen.
Zoals aangekondigd in de Kamerbrief8 van juli jl. blijft het bestaande anderstalige aanbod ongemoeid. Opleidingen waar
momenteel internationaal technisch en digitaal talent instroomt, worden daardoor niet
geraakt. Voor nieuw anderstalig aanbod bevat de WIB voldoende ruimte voor nieuwe anderstalige
opleidingen die bijdragen aan arbeidsmarkttekorten, waaronder in de techniek en digitalisering.
In conclusie, de beperkingen die voortkomen uit de WIB zullen niet de studies raken
waar het noodzakelijke talent voor start- en scale-ups vandaan komt.
In conclusie, blijft het kabinet zich inzetten op het aantrekken en behouden van de
nodige internationale studenten en wordt via de WIB gewaarborgd dat de internationale
studenten die naar Nederland komen aansluiten op de tekorten van de arbeidsmarkt.
Hiermee zorgen we dat er talent beschikbaar is en blijft voor onze start- en scale-ups.
17. In welke mate treedt de rijksoverheid bij haar inkoop op als eerste klant van innovatieve
oplossingen van Nederlandse startups en scale-ups, en bent u bereid hiervoor concrete
doelen of streefwaarden vast te stellen?
Antwoord
We zien dat er veel kansen liggen om overheden meer op te laten treden als launching
customer van innovatieve oplossingen. Voorbeelden laten zien dat de overheid een eerste
markt kan creëren voor de meest innovatieve en disruptieve bedrijven, waardoor zij
makkelijker vervolgfinanciering kunnen ophalen en verder kunnen groeien. We hebben
hier verschillende kleine instrumenten voor zoals de Innovation Impact Challenge en
de opdracht naar PIANOo.
In de Europese benchmark voor innovatiegericht inkopen van 2024 is Nederland zeven
plaatsen gedaald ten opzichte van de vorige benchmark (2021): van de 3e naar de 10e plek. Deze achterstand is een gemiste kans, daarom is het streven om weer in de top
3 te landen.
Om dat te bereiken ben ik o.a. samen met de Ministeries van Defensie, KGG & LVVN;
en externe partners als Techleap, bezig met een verkenning naar een Nationaal Agentschap
voor Disruptieve Innovatie (NADI), naar voorbeeld van het Amerikaanse DARPA en de
Europese SPRIN-D (DE) en ARIA (VK). Hier wordt de inzet op innovatiegericht inkopen
en de rol van bijpassende instrumenten in meegenomen. De resultaten van die verkenning
zal ik in het voorjaar 2026 met de TK delen.
18. Welke instrumenten zet u op dit moment in om samenwerking tussen kennisinstellingen,
chipbedrijven en AI-startups te bevorderen, zodat technologische voorsprong in hardware
en deep tech ook daadwerkelijk leidt tot succesvolle AI-software startups en scale-ups?
Antwoord
Om de samenwerking tussen kennisinstellingen, chipbedrijven en AI-startups te bevorderen
worden specifieke innovatie-instrumenten thematisch ingezet, zoals meerjarige projecten
in het Nationaal Groeifonds, waaronder NXTGEN HighTech. Ook in de IPCEI Advanced Semiconductor
Technologies, waarin bedrijven worden opgeroepen tot (Europese) kennisdeling en samenwerking
met andere bedrijven en kennisinstellingen, is AI expliciet als focusgebied aangemerkt.
Dat betekent dat er projecten ingediend kunnen worden die zich richten op innovaties
ten aanzien van AI-chips. Dit staat ook open voor start-ups.
Daarnaast zijn financiële instrumenten beschikbaar voor relevante spelers in het desbetreffende
ecosysteem, zoals voor startups en scale-ups. Het gaat bijvoorbeeld om InvestNL, en
specifiek het Deeptech Fonds dat investeert in deeptech-technologieën waaronder AI
en semicon en de mogelijkheden voor Seed Capital. Techleap kan een rol spelen bij
het ondersteunen van de groei van startups naar scale-ups. Daarbij zet Techleap samen
met private partners, de AI Coalitie voor Nederland, en de AI-hubs in op het versnellen
van AI-bedrijven. Digitale diensten, met name AI, is een belangrijk focusgebied van
het nieuwe industriebeleid. Momenteel loopt een verkenning naar een gerichte aanpak
en governance voor een sectorplan, inclusief samenwerking tussen de genoemde spelers.
19. In hoeverre ziet u het risico dat Nederland vooral gebruiker wordt van Amerikaanse
AI-producten en -platforms, en welke mogelijkheden ziet u om Nederlandse AI-startups
en scale-ups te helpen uitgroeien tot volwaardige aanbieders van zulke oplossingen?
Antwoord
Het is duidelijk dat Nederland en de EU in grote mate afhankelijk zijn op het gebied
van AI-technologie, en in het bijzonder van AI-infrastructuur. Niet alle afhankelijkheden
zijn problematisch, zo kunnen wederzijdse afhankelijkheden bijdragen aan onze welvaart.
Enkel afhankelijkheden die significante risico’s voor onze publieke belangen behelzen
moeten worden gemitigeerd. Om deze risico’s beter in kaart te brengen wordt een vertrouwelijke
analyse uitgevoerd in het kader van de interdepartementale Taskforce Strategische
Afhankelijkheden. Zowel in Europa als nationaal zijn er verschillende acties om tot
een sterker Europees en Nederlands aanbod te komen. Het vestigen van een AI-fabriek
in Groningen om geavanceerde AI-modellen te kunnen trainen, draagt hier ook aan bij.
Voor het bevorderen van startups en scale-ups, ook voor AI, zijn verder verschillende
instrumenten beschikbaar, zoals genoemd in het antwoord op vraag 18. Daarnaast investeren
Europese lidstaten en bedrijven gezamenlijk € 4 mld in het creëren van Europese alternatieven
op het gebied van cloud in het Important Project of Common European Interest on Cloud Infrastructure and Services
(IPCEI CIS). Cloud vormt een belangrijk fundament voor de ontwikkeling en de inferentie
van AI-producten en diensten.
20. Hoe wordt het ecosysteem van startups en scale-ups ondersteund? Is er ook een Europees
netwerk om op te bouwen of bij aan te haken?
Antwoord
Het kabinet zet in op het versterken van het ecosysteem voor startups en scale-ups
door de toegang tot talent, kapitaal, kennis, ruimte en internationale markten te
verbeteren. In september jl. heb ik u hierover in de kamerbrief «Bouwen aan de Tech
kampioenen van morgen» geïnformeerd. In deze brief heb ik een actieagenda voor startups
en scale-ups gepresenteerd, waarin ik onder andere de verlenging van het Techleap
programma heb aangekondigd.
Kansen voor innovatieve startups en scale-ups liggen vaak in het buitenland. In de
eerdergenoemde kamerbrief had ik aangegeven op welke manier het kabinet de toegang
tot internationale markten en netwerken verbetert. Ik hecht veel belang aan het versterken
van de Europese interne markt. Om dit te bevorderen worden op (hoog)ambtelijk niveau
regulier gesprekken gevoerd met onder andere de Europese Commissie (EC) en vertegenwoordigers
van andere lidstaten.
Onder het EU-kadeprogramma voor onderzoek & innovatie (Horizon Europe) wordt o.a.
ingezet op beter verbonden en efficiënte innovatie-ecosystemen om de opschaling van
bedrijven te ondersteunen, innovatie aan te moedigen en samenwerking tussen nationale,
regionale en lokale innovatieactoren te stimuleren.
De Europese Commissie is momenteel bezig met het verder uitwerken van plannen om het
ecosysteem van startups en scale-ups verder te ondersteunen. Zo is uw Kamer middels
het BNC-fiche «The EU startup and scaleup strategy: Choose Europe to start and scale» in juli jl. geïnformeerd over de kabinetspositie ten aanzien van de EU startup en
scale-up strategie van de EC. De daarin aangekondigde actiepunten zal het Kabinet
na hun publicatie in 2026 en 2027 appreciëren en de Kamer hierover informeren.
21. Wanneer wordt de Europese kapitaalmarktunie voltooid?
Antwoord
Het beleid en de wetgeving rond de kapitaalmarktunie is erop gericht om de interne
Europese markt van kapitaal te versterken, zodat er meer kapitaal beschikbaar komt
en dat makkelijker kan bewegen tussen EU-lidstaten. Naar zijn aard is de voltooiing
van de interne markt voor kapitaal een traject van de lange adem. Tegelijkertijd worden
er momenteel belangrijke stappen gezet. Het kabinet stelt zich constructief en ambitieus
op in de dialoog over de voorstellen van de Europese Commissie in dit kader. Dit doet
het kabinet conform de kabinetsinzet kapitaalmarktunie van maart jl.9 neemt Nederland deel aan de kopgroep van landen als onderdeel van de European Competitiveness Labs waarin een groep van welwillende landen gezamenlijk optrekt om verdere integratie
van de Europese kapitaalmarkten te bewerkstelligen. In deze Kamerbrief richt de inzet
van het kabinet zich op (i) versterkingen van het Europees toezicht op de kapitaalmarkt,
(ii) meer en divers aanbod van kapitaal voor financiering van bedrijven en (iii) eenduidigere
regels in de EU.
Gelijktijdig werkt de Europese Commissie – ook in het kader van haar agenda voor de
Spaar- en Investeringsunie (SIU) – doorlopend aan voorstellen om verbetering en verdieping
van de Europese kapitaalmarkten te bewerkstelligen10. Op 19 november jl. heeft de Commissie het Supplementary Pensions Package gepubliceerd met daarin voorstellen die beogen pensioenopbouw te stimuleren in landen
waar dit nu nog niet voldoende het geval is. Op 3 december jl. heeft de Europese Commissie
verschillende voorstellen gepresenteerd via het Kapitaalmarktintegratie en Toezichtcentralisatie
Pakket (KTP) Dit pakket bevat herzieningen van een groot aantal richtlijnen en verordeningen
waarmee wordt beoogd het toezicht, de infrastructuur en het toezicht op de Europese
kapitaalmarkten te verbeteren en bestaande barrières weg te nemen. Over beide voorstellen
zal de Tweede Kamer binnen de gebruikelijke termijn per BNC-fiche worden geïnformeerd.
22. Waar worden de sterk gestegen kosten van de Kamer van Koophandel (KvK) in 2025 door
veroorzaakt?
Antwoord op vragen 22 en 23
De in de begroting genoemde bedragen betreffen niet de kosten van de Kamer van Koophandel
(KVK) maar de rijksbijdragen van het ministerie aan de KVK. Deze rijksbijdragen zijn
niet een-op-een te vertalen naar de kosten, de KVK-begroting bestaat namelijk uit
meer dan alleen de rijksbijdragen. Een volledige uitsplitsing van de daadwerkelijke
kosten van de KVK is opgenomen in de jaarverslagen van de KVK, te vinden op de website
kvk.nl/over-kvk/jaarverslagen.
Gedurende 2025 is de rijksbijdrage aan de KVK verhoogd met in totaal € 26,3 mln, wat
neerkomt op een stijging van circa 16,4% ten opzichte van de oorspronkelijke rijksbijdrage.
Deze stijging wordt verklaard door de volgende drie posten. Ten eerste zijn er additionele
opdrachten aan de KVK verleend waarvoor extra middelen benodigd waren, ter hoogte
van € 11,2 mln. Hieronder vallen onder meer € 6,1 mln voor de ontwikkeling, het onderhoud
en de promotie van de financieringsgids en € 2,5 mln voor de uitvoering van de digitaliseringsrichtlijn.
Ten tweede heeft de KvK in 2025 circa € 5,5 mln ontvangen aan loon- en prijsbijstelling.
Ten derde is de zogenoemde inputfinanciering verhoogd met ongeveer € 9,7 mln. Deze
inputfinanciering betreft de bijdragen van andere bestuursorganen aan de KVK voor
publiek gebruik van het handelsregister en is verhoogd vanwege kostenstijgingen sinds
de laatste wijziging in 2014. Deze bijdrage loopt middels overboekingen van andere
departementen aan de EZ-begroting naar de KVK, waardoor deze dus ook op de EZ-begroting
zichtbaar is.
Het grootste deel van de verhoging van de rijksbijdrage in 2025 betreft tijdelijke
middelen. Van de totale verhoging van de rijksbijdrage in 2025, ter hoogte van € 26,3
mln, is circa € 3,5 mln structureel van aard. Over de totale kosten van de KvK in
2025 kan nog geen uitspraak worden gedaan, aangezien deze pas objectief kunnen worden
vastgesteld na publicatie van het jaarverslag 2025 van de KvK, inclusief controleverklaring
van de onafhankelijke accountant.
23. Met hoeveel procent zijn de kosten van de KvK gestegen als percentage van de totale
kosten van de KvK in 2025?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 22.
24. Hoeveel procent van de totale Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) is in 2025 reeds terugbetaald?
Antwoord
Uitgaande van de gehele looptijd van de TVL (per 1-1-2020) is per 31-12-2025 77% van
de totale vorderingen tot terugbetaling voldaan. Dit komt neer op een bedrag van € 730
mln.
25. Verloopt het terugbetalen van de TVL-gelden volgens schema?
Antwoord
De TVL wordt teruggevorderd wanneer bij de definitieve vaststelling blijkt dat de
daadwerkelijke omzetderving lager is dan aanvankelijk door de aanvrager is opgegeven.
Dit verloopt grotendeels volgens schema. Wanneer ondernemers gebruikmaken van een
terugbetalingsregeling komen de ontvangsten gespreid over meerdere jaren binnen. Ook
de vorderingen waarvoor een betalingsregeling met ons is afgesproken, worden volgens
schema terugbetaald.
26. Hoeveel ondernemers hebben grote moeite met het terugbetalen van de TVL-gelden?
Antwoord
Het aantal ondernemers bepalen dat «grote moeite» heeft met betalen is lastig te beantwoorden,
het gaat hier immers om een subjectief begrip. Voor zo’n 5352 zaken loopt een incasso,
673 heeft te maken met faillissement, en 599 heeft te maken met schuldhulpverlening,
Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) of Wet Homologatie Onderhands Akkoord
(WHOA) voor ondernemers.
27. Wat wordt bedoeld met de zinsnede dat in 2025 de begrotingsreserves van de Borgstelling
MKB-kredieten (BMKB), de Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) en de Kleine Kredieten
Corona garantieregeling (KKC) ten guste gaan van het generale beeld?
Antwoord
De reguliere garantie instrumenten, de Borgstelling MKB kredieten (BMKB) en de Garantie
Ondernemingsfinanciering (GO), delen een risicoreserve met hun corona-variant (de
BMKB-C en de GO-C).
De risicoreserves van deze corona-varianten van de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)
en de Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) zijn net als de Kleine Kredieten Corona
garantieregeling (KKC) ten tijde van COVID-19 gedekt met generale middelen, dat wil
zeggen, met algemene middelen uit de staatskas die niet zijn toegewezen aan een specifieke
begroting. Daarbij is de afspraak gemaakt dat de middelen die vrijkomen door de afbouw
van de risicoreserve terugvloeien naar het generale beeld, met andere woorden, teruggaan
naar de algemene staatskas. Per 1 juli 2022 zijn de corona-garantieregelingen gesloten
voor nieuwe aanvragen. Omdat openstaande leningen sindsdien worden afgelost, neemt
het risico af en wordt de bijbehorende risicoreserve afgebouwd. Daarmee komen deze
begrotingsreserves ten gunste van het generale beeld.
28. Kunt u in de operationalisering van het definitieve 3% actieplan R&D, best practices
meenemen zoals die in België, Denemarken en Duitsland?
Antwoord
In de uitwerking van de beleidsopties uit het 3%-actieplan worden best practices uit
andere landen bestudeerd en meegenomen. Specifiek bij de verkenning van het ARPA-model
voor Nederland (onder de noemer NADI) wordt gekeken naar vergelijkbare landen die
al een dergelijk model hanteren. In deze verkenning wordt bijvoorbeeld nauw contact
onderhouden met SPRIN-D, de Duitse organisatie voor innovatiegerichte inkoop. In de
andere verkenningen naar beleidsopties zullen de genoemde landen betrokken worden
waar relevant, zoals het fiscale regime van België bij de opvolging van de WBSO-evaluatie
of ten aanzien van de maatwerkaanpak van deze landen bij het aantrekken van buitenlandse
investeringen voor de opzet van het R&D-lanceerplatform. Het R&D-lanceerplatform moet
praktische belemmeringen (binnen de invloedssfeer van EZ) wegnemen voor bedrijven
die substantiële R&D investeringen in Nederland willen doen.
29. Hoe denkt u concreet over het toepassen van de blauwdruk van opzet, structuur en structurele
financiering van het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) voor sleuteltechnologieën
in Nederland (halfgeleiders, lifescience, quantum etc.)?
Antwoord
In Nederland kennen we een gevarieerde structuur aan instituten en stichtingen binnen
het onderzoeks- en innovatiebeleid. Deze hebben als doel onderzoek te stimuleren en
onderzoeksresultaten te vertalen naar maatschappelijke en economische waarde. Voorbeelden
hiervan zijn de TKI’s uit het voormalige Topsectorenbeleid, NGF-Stichtingen, TO2-kennisinstellingen
en instituten zoals Wetsus, Holst en QuTech, met de bijbehorende financieringsinstrumenten.
Verder heeft het organisatiemodel en de werkwijze van het VIB als inspiratie gediend
voor Nederlandse initiatieven waaronder het NGF-project Biotech Booster.
In mijn Kamerbrief Industriebeleid met focus heb ik aangegeven op welke zes markten het industriebeleid zich zal richten en waarvoor
programma’s worden ontwikkeld, waaronder voor biotechnologie en halfgeleiders. In
de uitwerking van deze programma’s zal worden gekeken naar de opzet, structuur en
financiering van instituten, waarbij ik de lessen van het VIB ter harte zal nemen.
Een belangrijk onderdeel in de uitwerking van een programma is de wijze waarop instituten
kunnen bijdragen aan het versterken van de innovatie-ecosystemen van technologiegebieden
en de vertaling van de onderzoeksresultaten. Momenteel worden door kennispartijen
en bedrijfsleven Nationale Technologie Strategie (NTS) actie-agenda’s opgesteld voor
onder andere biomolecular & celltechnologies, semiconductor technologie en quantum
technologie. De NTS actie-agenda’s geven hierbij richting voor publieke en private
inzet in fundamenteel, experimenteel en industrieel onderzoek. De verdere ontwikkeling
van de programma’s en agenda’s zal aan het volgende kabinet worden overgelaten.
30. Hoeveel van de 500 beoogde regels verwacht u per zomer 2026 gereduceerd te hebben?
Antwoord
Op 15 december 2025 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van de nieuwe aanpak
regeldruk voor ondernemers.11 Hierin heb ik aangegeven dat het kabinet aan de slag gaat om regeldruk te verminderen
voor 218 bestaande regels. Een regel staat op de lijst als het kabinet voor deze regel
stappen gaat zetten om regeldruk te verminderen (voor de zomer 2026) of dat recent
heeft gedaan (vanaf 1 januari 2025). De komende maanden zal het kabinet werken aan
het schrappen en administratief luwer maken van de regels die reeds in kaart zijn
gebracht en doorwerken aan het in kaart brengen van meer regels om het target van
500 te halen. Mijn verwachting is dat het kabinet het huidige aantal regels op de
lijst de komende periode flink zal uitbreiden. Ik verwacht voor de zomer 2026 regeldruk
van de 500 beoogde regels te hebben gereduceerd.
31. Kunt u een overzicht delen hoe de inzet om 500 regels te schrappen bijdraagt aan regelreductie
op het gebied van de «Terrible Ten» zoals geformuleerd in het Letta rapport?
Antwoord
De inzet om 500 regels te schrappen of de regeldruk ervan te verminderen, draagt op
verschillende manieren bij aan de regeldrukreductie van de «Terrible Ten», zoals benoemd
in de horizontale interne-marktstrategie die opvolging geeft aan het Letta-rapport.
Voor een aantal punten kan ik dit al concreet maken, aan de hand van de voortgangsbrief
die ik uw Kamer 15 december 2025 heb gestuurd en waarin ik een lijst van 218 bestaande
regels waar het kabinet regeldruk gaat verminderen. Zo werkt het kabinet met de 500-regels
aanpak aan het vereenvoudigen van complexe EU-regels. Het kabinet zet zich hiervoor actief in door zelf voorstellen voor regeldrukvermindering
te doen en daarin op te trekken met andere lidstaten, bijvoorbeeld via non-papers.
Nederland doet dit bijvoorbeeld al ten aanzien van (transparantie)voorschriften in
het raamwerk met betrekking tot securitisaties, dat voor banken en verzekeraars geldt.
Ook zorgt het kabinet dat Europese regelgeving zo lastenluw mogelijk wordt geïmplementeerd
in onze nationale wet- en regelgeving. Daarnaast maakt het schrappen of verminderen
van belastende regels de vestiging en exploitatie van bedrijven in Nederland toegankelijker. Tegelijkertijd pakt het kabinet het gebrek aan geharmoniseerde normen aan door verschillende regels te stroomlijnen en te standaardiseren. Een voorbeeld
zijn regels bij aanbestedingen voor het herstellen van administratieve fouten. Ook
zijn verschillende regels op het gebied van verpakkingen, etikettering en afval, zoals het afschaffen van de meerprijs voor wegwerpbekers- en bakjes die plastic
bevatten, het wegnemen van interne-marktbelemmeringen op het terrein van etikettering
en de inzet op verdere harmonisatie van regels over afval, reeds opgenomen in de eerste
lijst van 218 regels die ik op 15 december 2025 aan uw Kamer heb gestuurd. Verder
zal de actualisering van de interne-marktactieagenda die u in het eerste kwartaal
van 2026 zult ontvangen, verder bijdragen aan regelreductie op het gebied van de «Terrible
Ten».
32. In welke mate heeft Nederland op basis van Europese regelgeving de verplichting om
colportage (huis-aan-huis verkoop) toe te staan en welke juridische mogelijkheden
zijn er om hiervan af te wijken?
Antwoord
Op grond van Europese regelgeving is verkoop buiten de verkoopruimte, waaronder verkoop
aan de deur, toegestaan. Een algeheel of sectoraal verbod op verkoop buiten de verkoopruimte
is op dit moment niet mogelijk onder het Europese consumentenrecht.12 De Europese consumentenrichtlijnen bieden onder andere wel de mogelijkheid om nationale
regels te stellen voor overeenkomsten die worden gesloten in het kader van ongevraagde
huisbezoeken om de legitieme belangen van consumenten verder te beschermen tegen oneerlijke
handelspraktijken. Deze maatregelen moeten evenredig, niet-discriminerend en gerechtvaardigd
zijn op grond van consumentenbescherming.13 Ook mogen deze bepalingen de verkoop buiten de verkoopruimte niet als zodanig verbieden.14 Denemarken kent wel een verbod op verkoop aan de deur dat ertoe strekt het recht
op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van burgers te beschermen (privacy-oogpunt).
Gemeenten hebben daarnaast de mogelijkheid om colportage te beperken, bijvoorbeeld
door het invoeren van een vergunningstelsel, of door deze verkoopmethode te beperken
in plaats en tijd.15
Ik blijf mij in Europees verband ervoor inzetten dat lidstaten de mogelijkheid krijgen
om colportage geheel of sectoraal te verbieden. Ik heb deze inzet onder meer opnieuw
kenbaar gemaakt in mijn non-paper over de Europese Consumentenagenda 2025–2030.16
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
I.J.M. Michon-Derkzen, voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken -
Mede ondertekenaar
H.W. Krijger, adjunct-griffier