Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 843 Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668
Nr. 6
VERSLAG
Vastgesteld 14 januari 2026
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend
onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen
van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende
door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het
wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
I.
Algemeen
1
1.
Inleiding
2
2.
Implementatiewetgeving
3
3.
Hoofdlijnen van het voorstel
3
4.
Nadere uitwerking vergunningsplicht in het Arbeidsomstandighedenbesluit
5
5.
Verhouding tot hoger recht
6
6.
Verhouding tot nationale regelgeving
7
7.
Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen)
7
8.
Uitvoering
7
9.
Toezicht en handhaving
8
10.
Financiële gevolgen
9
11.
Evaluatie
9
12.
Advies en consultatie
9
13.
Inwerkingtreding en overgangsbepalingen
10
I. Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben een aantal vragen.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben nog een aantal vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de
Arbeidsomstandighedenwet in verband met de invoering van een vergunningplicht voor
bepaalde asbestwerkzaamheden. Deze leden onderschrijven het belang van een hoog beschermingsniveau
voor werknemers die met asbest werken en erkennen de noodzaak om Richtlijn (EU) 2023/2668
zorgvuldig te implementeren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben nog enkele vragen.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet,
waarin een nieuwe vergunningplicht voor bepaalde asbestwerkzaamheden wordt geïntroduceerd
ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668 en treden daaromtrent nog in het ongewis
over enkele zaken, daaruit voortvloeiend hebben zij de volgende vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden hebben naar aanleiding
van dit wetsvoorstel nog enkele vragen.
1. Inleiding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat in de nieuwe situatie wordt beoogd «een aanzienlijke verbetering in het
naleefgedrag te bewerkstelligen: geen slecht presterende bedrijven meer die herhaaldelijk
zware overtredingen begaan en het minimaliseren van het aantal matig presterende bedrijven».
Deze leden vragen de regering hoe deze doelstelling wordt geoperationaliseerd en op
welke wijze het naleefgedrag wordt gemonitord. Deze leden vragen tevens of extra stappen
worden overwogen als de doelstellingen niet worden gehaald.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de overweging geen nadere kwantificering te geven van de
doelstelling om het aantal matig presterende bedrijven te minimaliseren. Deze leden
begrijpen dat het lastig is een doelstelling te formuleren, aangezien de genoemde
naleefcijfers betrekking hebben op de bedrijven die momenteel gecertificeerd zijn
en dus niet op de bedrijven die ook onder de doelgroep gaan vallen vanwege de vergunningplicht.
Deze leden zijn wel van mening dat het goed is een doelstelling te formuleren, zodat
in de toekomst beter geëvalueerd kan worden over de mate waarin bedrijven goed presteren
en vragen de regering of zij een streefcijfer kan formuleren wat betreft het percentage
goed, matig en slecht presterende bedrijven.
Daarnaast constateren de leden van de ChristenUnie-fractie dat dit wetsvoorstel voorziet
in een grondslag om in de toekomst voor het bewerken van asbest een vergunning te
kunnen verplichten. Deze leden vragen waarom de regering er niet voor kiest nu al
een vergunningplicht in te voeren voor het bewerken van asbest, aangezien het bewerken
van asbest ten minste net zo gevaarlijk is voor de gezondheid als het verwijderen
van asbest. Bovendien is het bevorderen van de gezondheid en veiligheid van medewerkers
een belangrijk doel van dit wetsvoorstel. Deze leden vragen de regering graag een
toelichting op dit punt en of de regering dit punt zou willen heroverwegen.
2. Implementatiewetgeving
In de memorie van toelichting lezen de leden van de JA21-fractie dat sprake is van een rechtstreekse implementatie van de richtlijn, met enkele nationale
aanvullingen zoals de Bibob-grondslag en een toekomstige vergunningplicht voor bewerken
van asbest. Kan de regering beknopt of schemagewijs aangeven welke elementen rechtstreeks
en verplicht uit de richtlijn voortvloeien, en welke elementen uit nationale beleidsruimte
komen (waaronder Bibob, VOG-plicht en mogelijke vergunningplicht voor bewerken)?
3. Hoofdlijnen van het voorstel
De leden van de D66-fractie merken op dat het verbeteren van het zicht op de markt van asbestverwijdering wenselijk
is gegeven de prestaties naar aanleiding van het certificeringsstelsel. Daarbij hebben
deze leden een aantal vragen naar aanleiding van dit rapport. Op de eerste plek ten
aanzien van deze markt. Wat zijn de inschattingen van het effect van deze wijzigingen
ten aanzien van de sector? Wordt er verwacht dat er eenzelfde aantal bedrijven actief
zal blijven of dat het vergunningstelsel drempelverhogend zal werken met een krimpend
aanbod tot gevolg? Of vormt het vergunningsstelsel een juist veel lagere drempel waardoor
meer concurrentie zal ontstaan? Hoe staat dit in verhouding tot de te verwachtte vraag
van asbestverwijdering, -advies en andere gerelateerde zaken?
De leden van de VVD-fractie nemen kennis van het voornemen van de regering om het bewijs van naleving in belangrijke
mate vorm te geven via certificering, mogelijk met verschillende niveaus afhankelijk
van het risico van de werkzaamheden. Deze leden verzoeken de regering toe te lichten
op welke wijze bij de nadere uitwerking wordt geborgd dat deze differentiatie voor
bedrijven, toezichthouders en opdrachtgevers helder en eenduidig is. Hoe wordt voorkomen
dat discussie ontstaat over de vraag welk niveau van bewijs van naleving in een concreet
geval volstaat, en welke rol speelt de vergunningverlener daarbij?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het hoofddoel van het wetsvoorstel lijkt te zijn gericht op het beperken
van administratieve lasten. Deze leden lezen dat hier in de inleiding van het wetsvoorstel
veel aandacht aan wordt besteed, evenals bij verschillende onderdelen, zoals de varianten
van certificering. Deze leden vragen de regering of zij deelt dat wetgeving altijd
een afweging vergt tussen doelbereik en administratieve lasten en hoe het doelbereik
in dit wetsvoorstel concreet is meegewogen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering hoe blijkt dat het doelbereik
expliciet is afgewogen ten opzichte van het beperken van administratieve lasten. Deze
leden vragen om een onderbouwing.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering hoe zij in dit kader de
optie beoordeelt om vergunningen voor bepaalde tijd af te geven, mede indachtig hetgeen
uit de internetconsultatie is gebleken.
De leden van GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering of de kans niet groter wordt
dat er na vergunningverlening door de bedrijven passiever omgegaan zal worden met
de wet.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of artikel 6 van de asbestrichtlijn wel voldoende
doorgevoerd is omdat er geen manier gevonden lijkt te zijn om voor bewijs van naleving
te zorgen. Deze leden vragen hoe een betere invulling gegeven kan worden aan artikel
6 van de richtlijn.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering hoe de verschillende varianten
van certificering zijn beoordeeld en op basis van welke criteria een keuze is gemaakt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of is overwogen om vergunningen te
weigeren indien blijkt dat bedrijven slecht omgaan met personeel of structureel op
een onveilige wijze werken.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe wordt omgegaan met bedrijven die
werken met zelfstandigen zonder personeel, al dan niet via onder aanneming, of met
zzp’ers zelf. Deze leden vragen of deze bedrijven onder de reikwijdte van de wet vallen,
wat de richtlijn hierover bepaalt en welk beleid er op dit punt is en hoe de mensen
dus optimaal beschermd worden.
Tevens vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of de regering vertrouwen heeft
in de juiste bescherming en opleiding van mensen, met name arbeidsmigranten die via
uitzendbureaus ingehuurd worden. Ook vragen deze leden of een taalprobleem in algemene
zin een probleem kan worden bij de naleving van het besluit.
Daarnaast hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie enkele vragen over de reikwijdte
van de wet. Zo vragen deze leden of uit de richtlijn niet voortvloeit dat bewerken
van asbest onder de definitie van slopen en verwijderen valt. Asbest kan ook niet
bewerkt worden zonder sloop- of verwijderwerkzaamheden. Deze leden vragen hierop een
reflectie. Deze leden vragen of het bewerken van asbest ook niet in de wet opgenomen
moet worden.
De leden van de CDA-fractie vragen of uiteengezet kan worden welke regelgeving op dit moment geldt voor bedrijven
die certificering van asbestsaneringsbedrijven uitvoeren. Deze leden vragen of hierbij
ook ingegaan kan worden op de voorwaarden waaraan deze bedrijven moeten voldoen en
wie daar toezicht op houdt.
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering concreet uiteen kan zetten welke typen bedrijven (aantallen,
sectoren en omvang) onder de nieuwe vergunningplicht zullen vallen, met bijzondere
aandacht voor onderhouds- en installatiebedrijven die slechts incidenteel met asbest
in aanraking komen.
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering het risico reëel acht dat kleinere
MKB-ondernemingen dergelijke werkzaamheden geheel zullen staken wegens de zwaarte
van de vergunning en certificeringsvereisten (opleiding, bewijs van naleving, VOG,
aanvraagproces), en zo nee, waarop is dat oordeel gebaseerd.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de gekozen systematiek zich verhoudt tot het
uitgangspunt dat bij nieuwe regelgeving de minst belastende, doelmatige variant wordt
gekozen. Is een volwaardige nul variant of lichter alternatief (bijvoorbeeld een meldplicht
of beperkte certificering voor lage risicowerkzaamheden) vergeleken, en kan de regering
die vergelijking met de Kamer delen?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de regering ervoor kiest geen leges te heffen. In de memorie van toelichting
noemt de regering dat op grond van het rapport «Maat houden» in beginsel kosten moeten
worden doorberekend voor vergunningen omdat bedrijven profijt hebben van de vergunningen,
maar dat zij hier in dit geval niet voor kiest, aangezien op deze manier de lastendruk
verlicht wordt en de verschillen in profijt tussen bedrijven groot zouden zijn. Deze
leden vragen hoe dit past in vergelijking met andere vergunningstelsels. Geldt het
argument van lastendruk daar niet, en bestaan daar geen verschillen in profijt tussen
bedrijven?
4. Nadere uitwerking vergunningsplicht in het Arbeidsomstandighedenbesluit
De leden van de PVV-fractie wijzen erop dat uit cijfers van de Nederlandse Arbeidsinspectie blijkt dat slechts
19% van de gecertificeerde asbestbedrijven goed presteert, terwijl 63% matig en 18%
slecht presteert. Deze cijfers maken duidelijk dat het huidige certificeringsstelsel
geen betrouwbare garantie biedt voor veilig en zorgvuldig werken met asbest. Tegen
deze achtergrond vragen deze leden waarom de regering voornemens is juist ditzelfde
certificeringsstelsel opnieuw een centrale rol te geven als bewijs van naleving en
op welke wijze wordt voorkomen dat hierdoor een situatie van schijnveiligheid ontstaat.
De leden van de PVV-fractie achten een werkelijk risicogerichte aanpak noodzakelijk.
Werkzaamheden waarbij aantoonbaar onder de geldende grenswaarden wordt gewerkt, zouden
volgens hen moeten kunnen worden uitgevoerd op basis van gevalideerde werkmethoden
die zijn goedgekeurd door de Arbeidsinspectie, zonder dat een verplichte certificering
vereist is. Deze leden vragen de regering waarom deze mogelijkheid niet expliciet
als volwaardig alternatief in de regelgeving wordt vastgelegd.
Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie aandacht voor de mogelijke disproportionele
gevolgen van een te rigide uitwerking van de vergunningplicht. Deze leden wijzen daarbij
op het risico van onnodige saneringen, hogere maatschappelijke kosten en het belemmeren
van innovatie. Deze lasten komen uiteindelijk terecht bij huurders en belastingbetalers,
hetgeen deze leden onwenselijk achten.
Tot slot benadrukken de leden van de PVV-fractie dat het bieden van ruimte voor gevalideerde
werkmethoden nooit mag leiden tot verslapping van toezicht en handhaving. Tegen structureel
overtredende en malafide bedrijven moet hard en effectief worden opgetreden, zodat
veiligheid daadwerkelijk wordt gewaarborgd en goedwillende partijen niet worden benadeeld.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het wetsvoorstel op verschillende punten nog nader moet worden uitgewerkt
in lagere regelgeving. Deze leden vragen de regering om een overzicht te geven van
de onderdelen nog worden uitgewerkt, inclusief het tijdpad waarbinnen elk onderdeel
wordt afgerond. Deze leden vragen tevens waarom niet is gekozen om meer onderdelen
reeds inhoudelijk uit te werken en mee te nemen in het wetsvoorstel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat pas op een later moment wordt
ingevuld hoe bedrijven uit andere lidstaten aan de vergunningsplicht moeten voldoen.
Deze leden vragen of de regering erkent dat dit kan leiden tot ontduiking en ontwijking.
Deze leden vragen waarom dit aspect niet nu al is uitgewerkt, welke routes de regering
voornemens is te bewandelen om dit te regelen en wanneer de Kamer hierover geïnformeerd
kan worden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat ook de regels over het weigeren,
schorsen en intrekken van vergunningen van groot belang zijn voor de effectiviteit
van de wet. Deze leden vragen waarom hierover nog geen keuzes zijn gemaakt en waarom
deze informatie niet direct met het wetsvoorstel is meegestuurd. Ook vragen deze leden
of bij de verdere uitwerking nadrukkelijk gekeken wordt of de handhaving van bedrijven
buiten Nederland mogelijk is en hoe die vormgegeven kan worden.
De leden van de CDA-fractie lezen dat een relatief hoog percentage van 18% van de gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijven
herhaaldelijk overtredingen begaat en dat dit betrokken zal worden bij de vergunningverlening.
Ook lezen deze leden dat hiernaast 63% van de gecertificeerde bedrijven de bestaande
voorschriften matig naleeft. Gezien het voornemen dat vergunningen voor onbepaalde
tijd geldig zullen zijn, vragen deze leden hoe er na het verlenen van een vergunning
op toegezien wordt dat bedrijven zich daadwerkelijk aan de regels houden. Ook vragen
deze leden om in te gaan op de suggestie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
(VNG) – gezien het huidige naleefgedrag op de markt – de geldigheidsduur van onbepaalde
tijd – te heroverwegen. Voorts vragen deze leden om een nadere toelichting hoe certificering
als bewijs van naleving in de praktijk zal functioneren en of een bedrijf werkzaamheden
kan blijven uitvoeren als zij, nadat zij reeds een vergunning gekregen hebben, hun
certificering verliezen. Tot slot vragen deze leden of en hoe de regering verwacht
dat dit wetsvoorstel ervoor zal zorgen dat de percentages van resp. 63% matige en
18% slechte naleving van de bestaande voorschriften zal verbeteren.
De leden van de CDA-fractie lezen dat een VOG voor rechtspersonen (VOG rp) een voorwaarde
zal worden voor het verkrijgen en behouden van een vergunning. Deze leden vragen om
een nadere toelichting hoe dit een rol zal spelen in het behoud van een vergunning.
De leden van de CDA-fractie menen dat de regering niet een grondslag voor een vergunningsverplichting
voor bewerken van asbest op zou nemen in het wetsvoorstel als zij niet van plan was
om ook een dergelijke verplichting in te voeren. Toch schrijft de regering steeds
in het wetsvoorstel dat het nog maar de vraag is of er daadwerkelijk een dergelijke
vergunningsplicht komt. Deze leden vragen om een toelichting van de regering waarom
deze bepaling in het wetsvoorstel is opgenomen en om een toelichting welke overwegingen
de regering maakt ten aanzien van het al dan niet invoeren van een dergelijke verplichting.
Voorts vragen deze leden om een reflectie van de regering hoe het al dan niet invoeren
van een vergunningsplicht voor het bewerken van asbest zich verhoudt tot het gelijke
speelveld in Europa.
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering bereid is de Kamer vóór de plenaire behandeling een nadere uitwerking
of concept van de relevante wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de belangrijkste
onderliggende keuzes (opleidingseisen, bewijs van naleving, risicodifferentiatie in
certificering) toe te sturen, zodat de Kamer de feitelijke impact van dit wetsvoorstel
kan beoordelen.
5. Verhouding tot hoger recht
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de wet uiterlijk op 21 december 2025 geïmplementeerd had moeten zijn
en dat deze termijn niet wordt gehaald. Deze leden vragen de regering wat de gevolgen
hiervan zijn en hoe kan worden voorkomen dat implementatietermijnen in de toekomst
opnieuw worden overschreden.
6. Verhouding tot nationale regelgeving
7. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen)
8. Uitvoering
De leden van de D66-fractie zouden graag toelichting krijgen over de beoogde manier van persoonscertificering.
Aangezien nog onduidelijk is of en hoe dit vormgegeven gaat worden is de vraag of
de aanlooptijd naar de inwerkingtredingdatum niet te kort is. Omdat het belangrijk
is dat kwaliteit en deskundigheid gewaarborgd worden en mensen tijd krijgen zich te
certificeren, misschien bij te scholen en voor te bereiden is de vraag hoe dit vormgegeven
wordt belangrijk. Wordt er rekening gehouden met deze transitie voor het bedrijfsleven?
Op welke manier? Wanneer kan hier duidelijkheid over verwacht worden? En wat zijn
potentieel de lasten waar het bedrijfsleven mee te maken krijgt om deze transitie
te organiseren?
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de opmerkingen van de VNG en
stellen daarom de vraag hoe de regering de geldigheidsduur van de vergunning van plan
is vorm te geven. Daarnaast is het wenselijk dat gemeenten tijdig inzicht krijgen
in de taken, verantwoordelijkheden en mogelijkheden die hen ten deel vallen in dit
aankomende vergunningstelstel. Op welke manier worden procedures die in de omgevingswet
voor gemeenten samenkomen bij het vergunningstelsel voor asbestverwijdering georganiseerd?
Krijgen gemeenten inzicht in vergunningstrajecten van asbestverwijderingsbedrijven
die wellicht ook in andere TVH-trajecten zitten bij de gemeente? Welke rol krijgen
Omgevingsdiensten in het vergunningstraject? Wordt gemeenten hetzelfde inzicht geboden
inzake vergunninghouders en -trajecten als het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)?
De leden van de VVD-fractie constateren dat de uitvoering van de vergunningverlening zal worden belegd bij een
nog aan te wijzen ambtelijke dienst of agentschap onder verantwoordelijkheid van de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Deze leden verzoeken de regering nader
toe te lichten op welke wijze zij waarborgt dat de vergunningverlenende organisatie
bij inwerkingtreding beschikt over voldoende expertise, capaciteit en duidelijke werkprocessen
om tijdig en consistent besluiten te nemen. Kan de regering aangeven hoe zij voorkomt
dat in de opstartfase verschillen ontstaan in interpretatie of toepassing van de vergunningscriteria,
en hoe zij zorgt voor een voorspelbare uitvoeringspraktijk voor bedrijven?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat nog onduidelijk is welke instantie verantwoordelijk wordt voor de uitvoering
van de wet. Deze leden vragen hoe dit besluitvormingsproces wordt ingericht, hoe de
Kamer hierover wordt geïnformeerd en welke stappen worden gezet indien uitvoering
door de beoogde uitvoerder niet haalbaar blijkt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat in de toelichting wordt beschreven
hoe relevante partners worden betrokken bij de uitwerking en uitvoering van de wet,
maar dat werknemers daarin niet expliciet worden genoemd. Deze leden vragen of de
regering bereid is toe te zeggen dat werknemers en hun vertegenwoordigers alsnog worden
betrokken.
De leden van de JA21-fractie lezen dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft geconcludeerd dat het
wetsvoorstel «niet handhaafbaar, niet uitvoerbaar en niet fraudebestendig» is. Acht
de regering deze kwalificatie onjuist, en zo ja, op grond van welke concrete aanpassingen,
afspraken of nadere uitwerkingen acht de regering het stelsel inmiddels wél uitvoerbaar,
handhaafbaar en fraudebestendig? Heeft de regering naar aanleiding van de HUF-toets
nadere gesprekken gevoerd met ILT en andere betrokken toezichthouders, en kan zij
aangeven: welke afspraken of wijzigingen hieruit zijn voortgekomen, en in hoeverre
de eerder door ILT gesignaleerde risico’s volgens de regering daadwerkelijk zijn weggenomen?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering in één overzicht uiteen kan zetten
welke toezichthoudende instantie primair verantwoordelijk wordt voor:
− toezicht op de vergunningplicht,
− inhoudelijke arbo handhaving op de werkplek, en
− toezicht op milieu en objectaspecten,
− en hoe onderlinge afstemming tussen de Nederlandse Arbeidsinspectie, omgevingsdiensten,
ILT, SodM en de vergunningverlener wordt geborgd om toezicht-gerelateerde lacunes
of doublures te voorkomen?
De leden van de JA21-fractie lezen dat de vergunning voor onbepaalde tijd wordt verleend
om administratieve lasten te beperken, terwijl onder meer de VNG heeft gewezen op
het huidige naleefgedrag en het belang van periodieke actualisatie van opleidingseisen.
Wat zijn de overwegingen van de regering om de vergunning voor onbepaalde tijd uit
te geven in plaats van een vaste looptijd of periodiek herbeoordelingsmoment van vergunningen?
9. Toezicht en handhaving
De leden van de VVD-fractie constateren dat met de vergunningplicht een zwaarder instrument beschikbaar komt
om structureel slecht nalevende bedrijven van de markt te weren. Deze leden verzoeken
de regering nader toe te lichten hoe in de praktijk wordt bepaald wanneer toezichtsinformatie
zodanig ernstig of structureel is dat weigering, schorsing of intrekking van een vergunning
gerechtvaardigd is. Is de regering voornemens hiervoor beleidsregels of beoordelingskaders
vast te stellen, en zo ja, hoe wordt geborgd dat deze voldoende ruimte laten voor
maatwerk zonder afbreuk te doen aan rechtszekerheid?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het mogelijk wordt gemaakt dat vakbonden signalen kunnen doorgeven aan
certificerende instellingen en of dergelijke signalen aanleiding kunnen zijn voor
aanvullend toezicht of extra onderzoek.
In beantwoording van recente Kamervragen lezen de leden van de CDA-fractie dat een voorgenomen wijziging van de asbestregelgeving naar aanleiding van het Panteia-rapport
is stopgezet vanwege tussenkomst van dit implementatiewetsvoorstel.1 Deze leden vragen of de voorgenomen wijzigingen in dit wetstraject zijn opgenomen
en, indien ja, welke wijzigingen dat zijn. Indien nee, vragen deze leden welke wijzigingen
door tussenkomst van dit wetsvoorstel niet doorgezet zijn. Hiernaast constateren deze
leden dat dit wetsvoorstel geen oplossing biedt voor de in de beantwoording van de
Kamervragen gestelde problematiek rondom eindbeoordelingen van asbestsaneringswerkzaamheden,
klopt deze constatering? Deze leden vragen hierbij ook of aangegeven kan worden welke
oplossing op dit moment doorgevoerd wordt voor de misstanden rondom de eindbeoordelingen
van asbestsaneringswerkzaamheden.
10. Financiële gevolgen
De leden van de D66-fractie hebben vragen over de leges van de vergunningen. Het voorstel is dat aanvragers vrijgesteld
worden van deze leges. Waarom is ervoor gekozen leges niet in rekening te brengen
in relatie tot de certificeringen die wel voor rekening kwamen van de aanvragers?
Daarnaast zouden deze leden graag weten wie de beoogd vergunningverlener wordt, wanneer
dit bekend wordt en of de inwerkingtredingdatum van 1 januari 2027 haalbaar is.
De leden van de JA21-fractie lezen dat in de toelichting een jaarlijkse bandbreedte van € 1,7 tot € 4,1 miljoen
aan certificeringskosten voor het bedrijfsleven wordt genoemd, afhankelijk van de
gekozen variant. Kan de regering voor de definitieve uitwerking aangeven welke variant
nu voorligt, en wat dit concreet betekent aan gemiddelde kosten per bedrijfscategorie
(intensieve asbestsaneerders versus bedrijven voor wie asbest een nevenactiviteit
is)?
11. Evaluatie
De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat het onderhavige wetsvoorstel tot doel heeft werknemers beter te beschermen
tegen blootstelling aan asbest bij het verrichten van arbeid en vragen de regering
hoe zij wil evalueren of dit doel behaald is, zeker gezien het feit dat er geen streefcijfers
zijn opgenomen in het wetsvoorstel.
12. Advies en consultatie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de diverse kanttekeningen van de ILT en vragen zich daarom
af of naar aanleiding van de memorie van toelichting de ILT tot een ander advies komt.
Kan de regering toelichten waarom een last onder bestuursdwang of dwangsom niet noodzakelijk
wordt geacht? Deze leden houden daarbij de ontevredenheid in gedachte aangaande het
huidige certificeringsstelsel en de eigen wens meer grip te krijgen. Welke regime
heeft de regering voorbereid in relatie tot handhaving? Is het de bedoeling dat bedrijven
een transitieperiode gegund wordt om te voldoen aan nieuwe regelgeving waarbij minimaal
tot niet gehandhaafd wordt? Is er voorzien dat er een periode van gerichte inspectie
en handhaving komt om de sector als geheel te sturen te voldoen aan nieuwe wetgeving?
De handhavingscapaciteit is in algemene zin niet toereikend, hoe heeft de regering
voorzien in handhaving en door welke partijen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de Nederlandse Arbeidsinspectie heeft aangegeven dat het eisen van
een waarborgsom bij de vergunningsaanvraag nuttig kan zijn. Deze leden merken op dat
de regering deze optie niet eens heeft onderzocht, omdat deze gepaard gaat met regeldruk.
Deze leden vragen waarom er überhaupt geen afweging lijkt te zijn gemaakt waarbij
wordt beoordeeld of dit voorstel proportioneel is. Deze leden vragen om te kwantificeren
hoe het voorstel bijdraagt aan doelbereik en effectiviteit.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de ILT adviseert om vaker dan
eenmalig bij de start van bedrijfsactiviteiten te toetsen aan de Wet Bibob. Deze leden
vragen waarom dit advies niet is overgenomen en of dit niet wijst op het belang van
een vergunning voor bepaalde tijd.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat toezichtsinformatie wordt gebruikt
om ongewenste doorstarts van bedrijven te voorkomen, onder meer via Bibob-onderzoeken.
Deze leden vragen hoe deze informatie in de praktijk aan het licht komt, wie deze
informatie aanlevert en welke vervolgstappen vervolgens worden gezet. Ook vragen deze
leden of de regering kan uitleggen waarom niet de hele vergunning openbaar gemaakt
kan worden, zoals de ILT aangeeft en hoe de regering de bezwaren van de ILT weg kan
nemen over de handhaafbaarheid.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het ontvangen van relevante toezichtsinformatie
door de vergunningverlener niet is voorbehouden aan het moment dat een vergunning
wordt aangevraagd. Deze leden vragen hoe dit proces er in de praktijk uitziet, via
welke kanalen nieuwe informatie wordt ontvangen en hoe frequent dit gebeurt. Deze
leden vragen of de regering kan toelichten of deze werkwijze voldoende waarborgen
biedt om tijdig in te grijpen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de punten uit de zeer kritische uitvoeringstoets van de ILT weerlegd worden
in de memorie van toelichting. Deze leden vragen of hiermee, ook wat de ILT betreft,
deze bezwaren van de ILT nu opgelost zijn.
13. Inwerkingtreding en overgangsbepalingen
De leden van de CDA-fractie lezen dat de implementatiedeadline van de Wijzigingsrichtlijn 21 december 2025 is
en dat de voorziene inwerkingtredingsdatum uiterlijk 1 januari 2027 is. Deze leden
vragen wat de gevolgen zijn van het niet voldoen aan de implementatiedeadline.
De fungerend voorzitter van de commissie, Van der Burg
Adjunct-griffier van de commissie, Van den Broek
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. van der Burg, voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede ondertekenaar
E.E. van den Broek, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.