Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over Fiche: Herziening Verordening Duurzaam Beleggen (Kamerstuk 22112-4218)
2026D00943 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Financiën heeft op 13 januari 2026 enkele vragen en opmerkingen
aan de Minister van Financiën voorgelegd over de brief van 5 december 2025 van de
Minister van Buitenlandse Zaken inzake het fiche Herziening Verordening Duurzaam Beleggen
(Kamerstuk 22 112, nr. 4218).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Van der Lee
De griffier van de commissie,
Weeber
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Fiche Herziening
Verordening Duurzaam Beleggen. Deze leden onderschrijven het belang van transparantie
en betrouwbare informatie voor beleggers, maar vinden dat regelgeving niet onnodig
complex of kostbaar mag zijn. De leden van de VVD-fractie hebben meerdere vragen.
Onderdeel 2: Essentie voorstel
a) Inhoud voorstel
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Commissie voorstelt om rapportageverplichtingen
op entiteitsniveau te schrappen, omdat deze volgens haar beperkte toegevoegde waarde
hebben en overlappen met andere rapportagekaders zoals de Richtlijn duurzaamheidsrapportering
door ondernemingen (CSRD). Deze leden onderschrijven het belang van het voorkomen
van dubbele rapportagelasten, maar vragen de Minister of met deze wijziging de overlap
met de CSRD daadwerkelijk volledig wordt weggenomen. Kan de Minister toelichten of
er na de herziening nog sprake is van resterende overlap of aanvullende rapportageverplichtingen
voor financiële marktdeelnemers? En in hoeverre wordt actie ondernomen om ook de EU
Taxonomy, die de inhoudelijke classificatie van duurzaamheidsproducten bepaalt, te
versimpelen en lager te maken in regeldruk? Hoe wordt geborgd dat de nieuwe productcategorieën
(Transition, ESG Basics, Sustainable) niet leiden tot greenwashing? Welke rol speelt
de Taxonomie hierbij?
b) Impact assessment Commissie
De leden van de VVD-fractie lezen dat het voorstel beoogt de verordening te vereenvoudigen
en de regeldruk met circa 25% te verminderen, onder meer door introductie van drie
productcategorieën met minimumcriteria. Tegelijkertijd brengt dit nieuwe verplichtingen
mee voor aanbieders. Hoe wordt geborgd dat de introductie van nieuwe productcategorieën
niet leidt tot extra complexiteit of hogere nalevingskosten voor Nederlandse financiële
marktdeelnemers?
De leden van de VVD-fractie lezen dat volgens het impact assessment het voorstel de
nalevingskosten voor het mkb met 25% zullen verminderen. Toch kunnen nieuwe productcategorieën
en transparantievereisten voor kleinere partijen een uitdaging vormen. Hoe wordt rekening
gehouden met de uitvoerbaarheid voor kleinere marktpartijen en het mkb? Wat zijn de
resterende regeldrukkosten van deze verordening voor het Nederlandse mkb en het bedrijfsleven
in Nederland in het algemeen?
Onderdeel 3: Nederlandse positie ten aanzien van dit voorstel
a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein
De leden van de VVD-fractie hebben op dit onderdeel geen vragen.
b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
De leden van de VVD-fractie nemen met instemming kennis van het standpunt van het
kabinet om de introductie van nieuwe productcategorieën en minimumcriteria per fondsenlabel
te steunen. Ook onderschrijven zij het belang dat investeringen in defensie en veiligheid
niet categorisch worden uitgesloten binnen het duurzaamheidskader. Zij vragen de Minister
op welke wijze dit uitgangspunt concreet wordt geborgd in de verdere onderhandelingen.
Welke inzet pleegt de Minister om te voorkomen dat defensie- en veiligheidsinvesteringen
alsnog indirect worden uitgesloten via minimum- of exclusiecriteria?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Commissie minimum- en exclusiecriteria wil
vastleggen om vergelijkbaarheid te vergroten. Het kabinet steunt dit, maar benadrukt
dat criteria uitvoerbaar moeten zijn en ruimte moeten laten voor marktontwikkeling.
Hoe wordt voorkomen dat de introductie van minimumcriteria leidt tot een te rigide
kader dat innovatie in duurzame beleggingen (onbedoeld) belemmert?
De leden van de VVD-fractie lezen dat het voorstel beperkingen oplegt aan de communicatie
over duurzaamheidsaspecten voor beleggingsproducten die niet onder één van de drie
voorgestelde labels vallen. De leden van de VVD-fractie delen de zorg van het kabinet
over de mogelijke gevolgen hiervan voor pensioenfondsen, met name omdat bij pensioenfondsen
het beleggingsproduct de gehele portefeuille omvat. Zij vragen de Minister hoe wordt
voorkomen dat pensioenfondsen in de praktijk niet langer over duurzaamheidsaspecten
kunnen communiceren met hun deelnemers, bijvoorbeeld via websites en nieuwsbrieven.
Welke concrete aanpassingen of verduidelijkingen beoogt de regering hiervoor te realiseren?
Hoe kunnen Nederlandse pensioenfondsen voldoen aan zowel SFDR 2.0-marketingrestricties
als IORP II-verplichtingen? Is hier Europese afstemming nodig?
Onderdeel 4: Beoordeling, bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit
De leden van de VVD-fractie hebben op dit onderdeel geen vragen.
Onderdeel 5: Financiële consequenties, gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht
en geopolitieke aspecten
De leden van de VVD-fractie hebben geen vragen ten aanzien van de paragrafen a t/m c over de consequenties EU-begroting, over de financiële consequenties voor rijksoverheid
en/of medeoverheden en over de financiële consequenties en gevolgen voor regeldruk
voor bedrijfsleven en burger.
De leden van de VVD-fractie hebben wel vragen naar aanleiding van paragraaf d over de gevolgen voor concurrentiekracht en geopolitieke aspecten.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Commissie verwacht dat het voorstel de Europese
concurrentiekracht versterkt door een gestandaardiseerd kader en minder regeldruk.
Toch kan dit gevolgen hebben voor aanbieders die concurreren met niet-EU-markten.
Hoe waarborgt de Minister dat de nieuwe regels niet leiden tot een concurrentienadeel
voor Nederlandse aanbieders ten opzichte van niet-EU-markten? In hoeverre maken Europese
beleggingsinstellingen naar aanleiding van deze verordening extra kosten ten opzichte
van niet-Europese beleggingsinstellingen? Heeft dit een substantieel effect op de
kosten voor beleggers?
Ten aanzien van de geopolitieke dimensie constateren de leden van de VVD-fractie dat
het voorstel vereist dat duurzaamheidsclaims onderbouwd worden met data of schattingen
over prestaties ten opzichte van minimum- en exclusiecriteria. Zij vragen de Minister
hoe reëel het risico is dat dit leidt tot verminderde investeringen vanuit de EU in
niet-EU-jurisdicties, indien daar beperkingen gelden op de beschikbaarheid van dergelijke
data of schattingen. Kan de Minister dit risico nader duiden en waar mogelijk voorzien
van concrete voorbeelden?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het fiche over de herziening
van de verordening duurzaam beleggen. Deze leden zijn van mening dat het Europese
en Nederlandse investeringsklimaat gebaat is bij zo min mogelijk regelgeving en rapportageplichten
op het gebied van duurzaamheid.
De leden van de BBB-fractie verwelkomen de vermindering van de administratieve regeldruk
door de nieuwe verordening. De leden hebben de volgende vragen aan de Minister:
− In hoeverre hebben aanbieders van beleggingsfondsen/producten baat bij het uitdragen
van een focus op duurzame investeringen, zorgt dit aantoonbaar voor meer groei?
− Is bekend hoeveel geld er door Nederlandse particulieren en instellingen actief wordt
geïnvesteerd in duurzame fondsen met als hoofdreden de focus op duurzaamheid?
− Is er onderzoek gedaan naar de motieven van beleggers in relatie tot de duurzaamheidsambities
van beleggingsfondsen?
− Het kabinet geeft aan dat Nederland wil voorkomen dat de nieuwe criteria beleggingen
in defensie en veiligheid onmogelijk maken of uitsluiten van duurzaamheid labels.
Dit zou namelijk een politiek gevoelig punt zijn in het kader van de Europese veiligheid.
Leeft er bij het kabinet of bij andere lidstaten de wens om ook andere sectoren een
uitzondering te geven op de uitsluitingscriteria?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
A.H.M. Weeber, griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.