Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport : Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport
36 878 Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en enkele andere wetten, alsmede tot intrekking van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES vanwege de modernisering van de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland (modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland)
Nr. 4
ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
d.d. 18 juni 2025 en het nader rapport d.d. 22 december 2025, aangeboden aan de Koning
door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het advies van de Afdeling
advisering van de Raad van State is cursief afgedrukt.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 16 april 2025, nr. 2025000861,
machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake
het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies,
gedateerd 18 juni 2025, nr. 2025000861, W05.25.00094/I bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder – cursief weergegeven – aan, voorzien van
mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 16 april 2025, no.2025000861, heeft Uwe Majesteit, op voordracht
van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van
de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging
van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en enkele
andere wetten, alsmede tot intrekking van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES
en de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES vanwege de modernisering van de regels
voor beroeps- en volwassenenonderwijs en het voorkomen en bestrijden van voortijdig
schoolverlaten in Caribisch Nederland (modernisering regels voor beroepsonderwijs,
educatie en vsv Caribisch Nederland), met memorie van toelichting.
De regering beoogt de regels voor het beroepsonderwijs op Bonaire, Sint Eustatius
en Saba te moderniseren en integreren in de bestaande Europees Nederlandse onderwijswetgeving.
Daartoe voorziet dit wetsvoorstel in het zoveel mogelijk van toepassing verklaren
van de Wet educatie en beroepsonderwijs op Caribisch Nederland, en waar nodig wordt
voorzien in specifieke afwijkingen vanwege de eilandelijke context.
De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert de te ruime delegatiegrondslagen
aan te passen. Daarnaast adviseert zij om onderdelen van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen van toepassing te verklaren op de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch
Nederland om de ministeriële verantwoordelijkheid en democratische controle voldoende
te regelen. Ook adviseert zij om duidelijk te maken welke subsidierechtelijke regels
van toepassing zijn op de subsidie voor de uitoefening van de taken van de Raad Onderwijs
Arbeidsmarkt Caribisch Nederland.
Verder adviseert de Afdeling over de doorgifte van persoonsgegevens aan Caribisch
Nederland om de toelichting aan te passen en te voorzien in specifieke maatregelen
om een adequaat beschermingsniveau te waarborgen. De Wet bescherming persoonsgegevens
BES voorziet nu niet in een voldoende passend beschermingsniveau. Ook adviseert zij
om de toelichting aan te vullen met de financiële gevolgen van het wetsvoorstel voor
volwasseneneducatie en onderwijshuisvesting, mede gelet op het ordentelijk beheer
van financiën op de eilanden. Zo nodig dient te worden voorzien in toereikende financiële
middelen.
Ten slotte merkt de Afdeling op dat niet duidelijk is of de evaluatie van het wetsvoorstel
daadwerkelijk inzicht zal kunnen geven in de doeltreffendheid en effecten. Daarom
adviseert zij de toelichting aan te vullen met de evaluatiecriteria- en methode, en
de te evalueren aspecten zijn.
In verband daarmee is aanpassing wenselijk van het wetsvoorstel en de toelichting.
1. Aanleiding, inhoud en doel van het wetsvoorstel
Tot 2019 gold het kabinetsbeleid van legislatieve terughoudendheid. Mede daardoor
is de wetgeving over het beroepsonderwijs in Caribisch Nederland achtergebleven bij
de ontwikkelingen in Caribisch en Europees Nederland. Dit wetsvoorstel betreft een
complexe, omvangrijke en doordachte wetgevingsoperatie om deze wetgeving weer bij
de tijd te brengen.
Het primaire doel van het wetsvoorstel is om de regels voor het beroepsonderwijs voor
Caribisch Nederland te moderniseren en integreren in de bestaande Europees Nederlandse
onderwijswetgeving. Daarbij wordt het uitgangspunt comply or explain toegepast. Het
wetsvoorstel regelt dat de Wet educatie en beroepsonderwijs zoveel mogelijk van toepassing
wordt in Caribisch Nederland. Waar nodig wordt voorzien in specifieke afwijkingen
vanwege de eilandelijke context, met als doel een gelijkwaardig voorzieningenniveau
te bereiken binnen de mogelijkheden van de Caribisch Nederlandse context.1
Specifieke afwijkingen vanwege de eilandelijke context bestaan bijvoorbeeld omdat
in Caribisch Nederland één mbo-instelling is op Bonaire, de Scholengemeenschap Bonaire,
met een gering studentenvolume.
Ook wordt afgeweken van de examinering van de Nederlandse taalvereisten, omdat bij
de taalniveaus die gelden in Europees Nederland geen rekening is gehouden met de meertalige
context in Caribisch Nederland. Dat wil zeggen dat Nederlands voor de meeste leerlingen
en studenten in Caribisch Nederland niet de moedertaal is. Omdat op dit moment onvoldoende
onderzoek bestaat over welke taalniveaus haalbaar zijn, wordt voorgesteld om de huidige
praktijk te continueren. Daarbij tellen examenresultaten van het vak Nederlands niet
mee voor de slaag-zakbeslissing. Dit is dus een afwijking van de herziene kwalificatiestructuur,2 specifiek voor Caribisch Nederland.
Een ander voorbeeld van een specifieke afwijking is dat de aanpak van voortijdig schoolverlaten
wordt vormgegeven, anders dan in Europees Nederland, per eiland. Ook wordt deze taak,
anders dan in Europees Nederland, bij de schoolbesturen belegd. De openbare lichamen
moeten namelijk nog een flinke slag maken om hun wettelijke taken wat betreft registratie,
doorverwijzing en monitoring op orde te brengen.
2. Ruime delegatiegrondslagen
Het wetsvoorstel biedt ruime delegatiegrondslagen. Dit raakt het primaat van de wetgever
en de uitgangpunten van democratische legitimatie, rechtszekerheid (het legaliteitsbeginsel)
en zorgvuldigheid.3
Op de eerste plaats regelt het wetsvoorstel de mogelijkheid om bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland (hierna:
ROA) andere taken toe te kennen en kunnen nadere regels worden gesteld over de inrichting
en taakuitoefening.4 Concreet betekent dit dat de ROA als zelfstandig bestuursorgaan bij lagere regelgeving
aanvullende wettelijke taken kan krijgen. De Afdeling merkt op dat hiermee structurele
en wezenlijke elementen van een regeling niet bij wet in formele zin worden bepaald.5 De noodzaak van deze ruime delegatiegrondslag wordt in de toelichting niet gemotiveerd.
Ten tweede voorziet dit wetsvoorstel op verschillende onderdelen in de mogelijkheid
voor de Minister om nadere regels te stellen zonder een concrete en nauwkeurige begrenzing.6 Ook deze keuze voor deze ruime delegatiegrondslagen wordt in de toelichting niet
gemotiveerd.
De Afdeling merkt op dat delegatiegrondslagen zo concreet en nauwkeurig mogelijk moeten
worden begrensd, en dat delegatiegrondslagen zoveel mogelijk moeten worden beperkt
tot het niveau van algemene maatregel van bestuur. Bovendien is delegatie of subdelegatie
aan de Minister slechts aanvaardbaar ingeval van voorschriften van administratieve
aard, uitwerking van details en voorschriften die met grote spoed moeten worden vastgesteld.7
De Afdeling adviseert het wetsvoorstel, gelet op het primaat van de wetgever, in overeenstemming
te brengen met de Aanwijzingen voor de regelgeving en de toelichting in het licht
van het voorgaande aan te passen.
2. Ruime delegatiegrondslagen
Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling zijn de delegatiegrondslagen van
de voorgestelde artikelen 1.6.4, tweede lid, 1.6.6, vierde lid,8 2.8.1, zesde lid, 9.3.3, vijfde lid, en 9.3.4, vijfde lid,9 van de WEB zoveel mogelijk begrensd, zodat de wetgever weet waarvoor hij ruimte geeft
aan de regering in een algemene maatregel van bestuur. Ook de grondslag in het voorgestelde
artikel 5.3.2, derde lid (voorheen artikel 1.6.3, derde lid), is naar aanleiding van
deze opmerkingen van de Afdeling geherformuleerd.
3. Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland
a. Toezicht en sturing zelfstandig bestuursorgaan
Het wetsvoorstel voorziet in de nieuwe wettelijke grondslag voor de ROA. In de toelichting
beargumenteert de regering dat de ROA een zelfstandig bestuursorgaan is, en dat de
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen niet van toepassing is in Caribisch Nederland.
Daarom wordt voorzien in ministeriële goedkeuring van statuten en een eventueel bestuursreglement
van de ROA.10
De Afdeling merkt op dat hiermee de ministeriële verantwoordelijkheid voor en de democratische
controle op de ROA niet voldoende is geregeld. Omdat de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen
niet van toepassing is, gelden ook de meest gebruikelijke instrumenten voor toezicht
op en sturing van zelfstandige bestuursorganen niet.11 Terwijl het belang van dergelijke instrumenten evengoed geldt voor Caribisch Nederland.
Daarom ligt het volgens de Afdeling in de rede om in ieder geval de bepalingen die
zien op de informatievoorziening, sturing en het toezicht van de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen van toepassing te verklaren op de ROA.12
De Afdeling adviseert het wetsvoorstel aan te passen door ook (onderdelen van) de
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing te verklaren op de ROA.
b. Financiële verantwoording en beheer
De Minister verleent de ROA subsidie voor de uitoefening van zijn taken.13Omdat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) grotendeels niet van toepassing is in Caribisch
Nederland, is het niet duidelijk welke (algemene) subsidierechtelijke regels gelden
voor (onder meer) de rekening en verantwoording, beheer en rechtspositie.14
De Afdeling adviseert aan het voorgaande in de toelichting aandacht te besteden, en
zo nodig het wetsvoorstel aan te passen door (onderdelen van) titel 4.2 van de Algemene
wet bestuursrecht van toepassing te verklaren op de subsidie voor de uitoefening van
de taken van de ROA.
3. Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland
a. Toezicht en sturing zelfstandig bestuursorgaan
Conform het advies van de Afdeling worden enkele van belang zijnde bepalingen van
de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van overeenkomstige toepassing verklaard
op de Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN), zodat de informatievoorziening,
sturing en het toezicht en daarmee de ministeriele verantwoordelijkheid jegens ROA
CN beter is geregeld.
b. Financiële verantwoording en beheer
Het advies van de Afdeling om titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht over subsidies
van overeenkomstige toepassing te verklaren op de subsidierelatie met ROA CN neemt
de regering over, omdat dit de rechtszekerheid ten goede komt. In Caribisch Nederland
ontbreken nu immers dergelijke regels, aangezien de Wet administratieve rechtspraak
BES of een andere wet hierin niet voorziet.
4. Verwerking van persoonsgegevens
a. Doorgifte
Met dit wetsvoorstel beoogt de regering de uitwisseling van persoonsgegevens uit te
breiden tussen de onderwijsinstelling, openbare lichamen en de Minister van OCW. Daartoe
regelt het voorstel dat informatie over schoolverzuim, eventuele vrijstellingen van
de leerplicht of diplomering in Caribisch Nederland centraal wordt geregistreerd.15
De regering wijst er terecht op dat er twee wettelijke beschermingsregimes van toepassing
kunnen zijn op de hier verwerkte persoonsgegevens. Voor Europees Nederland geldt de
(U)AVG, en voor Caribisch Nederland geldt de Wet bescherming persoonsgegevens BES
(hierna: Wbp BES). Bij gegevensuitwisseling van Europees naar Caribisch Nederland
is op basis van de AVG sprake van doorgifte van persoonsgegevens aan een gebied buiten
de Europese Unie. De openbare lichamen hebben ten aanzien van de Europese Unie de
status van landen en gebieden overzee (LGO-status). Het is op grond van artikel 46
van de AVG noodzakelijk dat een passend beschermingsniveau van de persoonlijke levenssfeer
van de betrokkenen is gewaarborgd. Volgens de regering wordt dit passend beschermingsniveau
gewaarborgd door de Wbp BES.
Uit de evaluatie van de Wbp BES blijkt dat niet zonder meer kan worden verondersteld
dat deze wet voorziet in een voldoende passend beschermingsniveau. Want in de praktijk
schort het aan een zorgvuldige uitvoering van en adequaat toezicht op de regels over
de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Gebleken is dat de wetgeving niet
overal bekend is, regels onvoldoende worden nageleefd, en in de praktijk geen toezicht
wordt gehouden.16 Daarom kan de toelichting op dit punt niet volstaan met een verwijzing naar de Wbp
BES, en zijn maatregelen nodig om een passend beschermingsniveau te waarborgen.
Daarnaast wijst de Afdeling erop dat een passend beschermingsniveau ook noodzakelijk
is voor de gegevensuitwisseling tussen de ROA en de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs
Bedrijfsleven (hierna: SBB), voor zover sprake is van het verwerken van persoonsgegevens.
In dit verband wijst de regering erop dat het in beginsel gaat om bedrijfsgegevens.17 Daarmee is het niet duidelijk of en zo ja, welke persoonsgegevens (ook) worden verwerkt.
De Afdeling adviseert de toelichting gelet op het voorgaande aan te passen, nader
in te gaan op de specifieke maatregelen die worden getroffen ten behoeve van een adequate
doorgifte, en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen.
b. Bijzondere persoonsgegevens verzuimmeldingen
Het wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid om gegevens te verwerken over godsdienst,
levensovertuiging en gezondheid in het kader van verzuimmeldingen.18 Dit betreft volgens de toelichting een uitzondering op het verbod in de Wbp BES om
bijzondere persoonsgegevens te verwerken.19
De Afdeling merkt op dat in de toelichting niet expliciet wordt ingegaan op de uitzonderingssystematiek
van de Wbp BES voor het verbod op de verwerking van bijzondere persoonsgegevens. Zij
wijst erop dat voor gegevens over gezondheid de uitzonderingsgrond in artikel 21,
eerste lid, onder c, van de Wbp BES van toepassing kan zijn. Daarnaast wijst zij erop
dat voor de gegevens over godsdienst en levensovertuiging de uitzonderingsgrond in
artikel 23, eerste lid, sub e, van de Wbp BES van toepassing kan zijn. Voor de laatstgenoemde
uitzonderingsgrond dient de regering in de toelichting de noodzaak met het oog op
een zwaarwegend belang dragend te motiveren, en dienen er passende waarborgen te worden
genomen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
De Afdeling adviseert gelet op het voorgaande de toelichting aan te vullen en zo nodig
het wetsvoorstel aan te passen.
4. Verwerking van persoonsgegevens
a. Doorgifte
Voor wat betreft de doorgifte van persoonsgegevens tussen Europees en Caribisch Nederland
merkt de Afdeling op dat in de memorie van toelichting niet kan worden volstaan met
een verwijzing naar de Wet bescherming persoonsgegevens BES (Wbp BES) als passend
beschermingsniveau voor Caribisch Nederland in het kader van de Algemene verordening
gegevensbescherming. Dit omdat de naleving van die wet en het toezicht erop niet vanzelfsprekend
is, zoals is gebleken uit een evaluatie van de Wet bescherming persoonsgegevens BES.
Paragraaf 9 van de memorie van toelichting is op dit punt aangevuld.
Hoewel een consensusrijkswet gegevensbescherming in voorbereiding is, die enige problemen
op dit vlak zou kunnen oplossen, is er nog geen zicht op een concreet tijdstip van
inwerkingtreding daarvan. Bovendien neemt die wet niet het probleem van het gebrek
aan naleving van en toezicht op de bestaande Wbp BES weg. Daarom worden naar aanleiding
van het advies van de Afdeling aanvullende maatregelen genomen om de bekendheid met
de Wbp BES en de naleving ervan te vergroten. Het gaat dan om het aanbieden van een
zelfevaluatie bij de voor dit wetsvoorstel relevante verwerkers van persoonsgegevens
in Caribisch Nederland en het verzorgen van trainingen over het belang van een doeltreffende
gegevensbescherming en hoe dat te realiseren.
Daarnaast zal in de aanloop naar de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, in samenspraak
met de Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens BES (CBP BES), gerichte voorlichting
worden gegeven aan verwerkers van persoonsgegevens zoals scholen, bestuurscolleges
en hun ambtenaren of andere partijen die bij de uitvoering van bijvoorbeeld voortijdig
schoolverlaten betrokken zijn. Paragraaf 9 van de memorie van toelichting is in voormelde
zin aangevuld. Mocht blijken dat rondom de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel extra
publieksvoorlichting nodig is, dan zal dat worden georganiseerd, zodat ook studenten,
leerlingen en hun ouders hiervan op de hoogte zijn.
Omdat de verwerking van verzuim- en vrijstellingsgegevens van een student, vavo-student
of leerling om uitvoeringsredenen pas na verloop van tijd via het Register onderwijsdeelnemers
zal gaan verlopen, is ook voorzien in tijdelijk overgangsrecht in hoofdstuk 9, titel
3, van de WEB, waarbij gegevens tijdelijk alleen lokaal worden verwerkt.
Voor wat betreft de gegevensuitwisseling tussen ROA CN en de Samenwerkingsorganisatie
beroepsonderwijs bedrijfsleven (SBB) geldt hetzelfde als hierboven geschetst. Ook
daar zal worden ingezet op adequate voorlichting in combinatie met het aanbieden van
trainingen aan ROA CN, zodat een passend beschermingsniveau van persoonsgegevens wordt
bereikt. Er is ook daar sprake van uitwisseling van persoonsgegevens, zij het op zeer
bescheiden schaal. De memorie van toelichting is in voormelde zin aangevuld.
b. Bijzondere persoonsgegevens verzuimmeldingen
Het wetsvoorstel regelt ook dat bij verzuimmeldingen in beperkte mate bijzondere persoonsgegevens
mogen worden gedeeld tussen school of instelling en de leerplichtambtenaar of andere
ambtenaar die is belast met de verwerking van de verzuimgegevens in Bonaire, Sint
Eustatius of Saba. Dit is nodig om de aard van het verzuim te kunnen duiden. Dit is
geen nieuw beleid. Het wetsvoorstel herformuleert op dit punt slechts bestaande bepalingen
uit de Wet voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020) en de Wet educatie en beroepsonderwijs
BES (WEB BES) door positief te formuleren welke gegevens wel mogen worden gedeeld
in plaats van welke gegevens niet. Daarbij blijft de strekking van die bepalingen
ongewijzigd. De artikelsgewijze toelichting is op dit punt verduidelijkt.
5. Financiële gevolgen
De Afdeling merkt op dat voor de volwasseneneducatie en onderwijshuisvesting niet
duidelijk is wat de financiële gevolgen zijn voor het Rijk, de openbare lichamen en
voor andere maatschappelijke sectoren. Duidelijkheid over de financiële gevolgen is
ingevolge de Comptabiliteitswet 2016 wel vereist.20
De bestuurscolleges van de openbare lichamen krijgen een nieuwe wettelijke taak voor
volwasseneneducatie.21 Voor de uitvoering van deze nieuwe taak wordt niet voorzien in financiële middelen
en biedt de toelichting geen inzicht in de financiële gevolgen. De regering zal zich
volgens de toelichting inspannen om de vrije uitkering te verhogen.22 In dit kader uiten Bonaire en Saba in de consultatiereactie zorgen over de onduidelijkheid
van de (toereikende) financiële middelen die nodig zijn om deze nieuwe wettelijke
taak uit te voeren.
Voor de onderwijshuisvesting op Bonaire dragen op dit moment de Minister en het bestuurscollege
van Bonaire de (financiële) verantwoordelijkheid. Dit geldt op basis van bestaand
overgangsrecht.23 Dit overgangsrecht zal met dit wetsvoorstel op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip vervallen. Dit betekent dat de Scholengemeenschap Bonaire op een nader te
bepalen moment financieel verantwoordelijk kan worden voor de onderwijshuisvesting,
zonder dat er duidelijkheid bestaat over de vraag of de financiële gevolgen gedragen
kunnen worden. In de toelichting stelt de regering slechts dat de inzet erop gericht
is om met het openbaar lichaam Bonaire hierover afspraken te maken.24
De Afdeling adviseert de toelichting aan te vullen met de financiële gevolgen van
het wetsvoorstel voor volwasseneneducatie en onderwijshuisvesting voor het Rijk, de
openbare lichamen en voor andere maatschappelijke sectoren, mede vanwege het ordentelijk
beheer van de openbare financiën op de eilanden. Zo nodig dient te worden voorzien
in toereikende financiële middelen.
5. Financiële gevolgen
In navolging van het advies van de Afdeling is in paragraaf 8 van de memorie van toelichting
gepreciseerd wat de financiële gevolgen van het wetsvoorstel zijn voor de wettelijke
taken van de bestuurscolleges van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als het gaat om
volwasseneneducatie. Wat betreft de onderwijshuisvesting is de inzet erop gericht
om het overgangsrecht pas te laten vervallen als duidelijk is dat de Scholengemeenschap
Bonaire de financiële gevolgen van eigen verantwoordelijkheid voor de onderwijshuisvesting
kan dragen. Ook is aan het wetsvoorstel een nieuw artikel 11.79a WVO 2020 toegevoegd
over de verticale scholengemeenschap in Caribisch Nederland. Dit artikel regelt dat
de zeggenschap over een schoolgebouw of -terrein, zodra dat niet meer voor onderwijs
zal worden gebruikt, moet worden overgedragen aan het openbaar lichaam, ook indien
dat gebouw of terrein in beheer is bij het bevoegd gezag van een verticale scholengemeenschap.
6. Evaluatie
Het wetsvoorstel voorziet in een evaluatiebepaling.25 De regering beoogt hiermee binnen vijf jaar na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
de doeltreffendheid en de effecten ervan in de praktijk te evalueren.26
De Afdeling merkt op dat uit artikelsgewijze toelichting bij de evaluatiebepaling
niet blijkt aan de hand van welke criteria en methode de evaluatie zal plaatsvinden.
Ook is niet duidelijk hoe en op welke aspecten de wet wordt geëvalueerd. Daardoor
is het niet duidelijk of evaluatie daadwerkelijk inzicht zal kunnen geven in de doeltreffendheid
en effecten van dit wetsvoorstel.27 Voor de te evalueren aspecten ligt het in de rede om ieder geval de volgende aspecten
te betrekken: de monitor naar het Nederlandse taalonderwijs,28 de haalbaarheid van de nieuwe taaleisen mbo,29 en de samenwerking en taakafbakening tussen de ROA en SBB.30
De Afdeling adviseert in de toelichting de evaluatiecriteria- en methode, en de te
evalueren aspecten te expliciteren en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen.
6. Evaluatie
Conform het advies zijn in de memorie van toelichting, in de artikelsgewijze toelichting
bij artikel 13.1.2 WEB, de thans reeds bekende, relevante aspecten voor evaluatie
van het wetsvoorstel opgenomen, waaronder de suggesties die de Afdeling zelf al doet.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het
voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede
Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De vice-president van de Raad van State,
Th.C. de Graaf
7. Overige wijzigingen
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de samenloop van dit wetsvoorstel met een
andere wet en een wetsvoorstel te actualiseren na het vragen van advies voor dit wetsvoorstel.
In concreto gaat het om de inmiddels vastgestelde Wet van school naar duurzaam werk
(Stb. 2025, 210). Daarbij zijn de met die wet samenhangende wijzigingen voor Caribisch Nederland
nu rechtstreeks in de artikelen I en II van het onderhavige wetsvoorstel verwerkt.
In de versie van het wetsvoorstel dat aan de Raad van State is voorgelegd, was in
artikel XVIII nog voorzien in een samenloopbepaling met die wet.
Artikel XVII, de samenloopbepaling in verband met het wetsvoorstel Verbetering aansluiting
beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36 670) is aangevuld en gecorrigeerd zodat beide wetsvoorstellen beter op elkaar aansluiten.31 Bij nader inzien bleek artikel V (Wijziging Wet medezeggenschap op scholen) overbodig.
Het schrappen van dat artikel en van het eerder genoemde artikel XVIII (Samenloop
met Wet van school naar duurzaam werk) heeft dan ook tot enkele vernummeringen in
het wetsvoorstel geleid.
Ik verzoek U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie
van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
G. Moes
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Th.C. de Graaf, vicepresident van de Raad van State -
Mede ondertekenaar
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.