Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 872 Wijziging van de Omgevingswet, Algemene wet bestuursrecht en de Wet windenergie op zee ter implementatie van onderdelen van de met Richtlijn 2023/2413 gewijzigde richtlijn hernieuwbare energie (REDIII, vergunnen)
Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING
I. Algemeen deel
1. Inleiding
Dit wetsvoorstel wijzigt de Omgevingswet, de Wet windenergie op zee (in beperkte mate)
en de Algemene wet bestuursrecht in verband met de implementatie van een gedeelte
van de derde versie van de EU-richtlijn hernieuwbare energie («REDIII»).1 REDIII is op 20 november 2023 in werking getreden en is een herziening van Richtlijn
(EU) 2018/2001, de Renewable Energy Directive («RED»).2
REDIII komt voort uit het REPowerEU Plan.3 Met REDIII streeft de Europese Unie, door een snellere uitrol van hernieuwbare energie,4 naar een groter aandeel hernieuwbare energie, een sterker concurrentievermogen en
een grotere energieonafhankelijkheid. De directe aanleiding voor REPowerEU was de
Russische inval in Oekraïne in februari 2022.
Met REDIII wordt het bindende doel voor het aandeel hernieuwbare energie verhoogd
tot ten minste 42,5% in 2030 voor de Europese Unie als geheel. Bij de vorige herziening
van de richtlijn duurzame energie – «REDII» – in 2018 was dat nog 40%. De indicatieve
nationale doelstelling voor Nederland is 39%. Deze doelstelling is meegenomen in de
update van het Integraal Nationaal Plan Energie en Klimaat 2021–2030 van juni 2024.5 Ter vergelijking: in 2024 was het aandeel hernieuwbare energie 19,8% van het totale
energieverbruik in Nederland.6 De doelstelling is dus een verdubbeling van dat aandeel.
Met dit wetsvoorstel en een algemene maatregel van bestuur worden de artikelen geïmplementeerd
uit REDIII over vergunningprocedures voor de totstandbrenging en exploitatie van installaties
voor het opwekken van hernieuwbare energie, of projecten voor de daarvoor benodigde
energie-infrastructuur (hernieuwbare-energieprojecten) (artikelen 15ter tot en met
16septies).
Met dit wetsvoorstel wordt na de uiterste implementatietermijn geïmplementeerd. Dit
is medegedeeld aan de Europese Commissie en ook gemeld in de brief van 7 juni 2024
aan de Tweede Kamer.7
In lijn met vast kabinetsbeleid is bij dit wetsvoorstel sprake van zuivere implementatie.
Met dit voorstel wordt maximaal gebruik gemaakt van de mogelijkheden die REDIII biedt,
zonder nationale koppen toe te voegen.
Leeswijzer
Het algemene deel van deze memorie van toelichting (hoofdstuk I) gaat in paragraaf
2 in op de strekking van dit wetsvoorstel en de wijze van implementatie, voor zover
wet- en regelgeving moet worden aangepast. Paragrafen 3 en 4 bevatten de verhouding
met hoger recht, nationaal beleid en overige nationale wet- en regelgeving. Paragrafen
5 en volgende geven inzicht in effecten, uitvoering, adviezen en consultatie, inwerkingtreding
en overgangsrecht. Hoofdstuk II bevat de artikelsgewijze toelichting. In hoofdstuk
III van deze memorie van toelichting is de implementatietabel opgenomen.
2. Hoofdlijnen van het voorstel
2.1 Aanleiding, doelstellingen en noodzaak
De regering wil de mogelijkheden die de herziene richtlijn biedt voluit benutten om
de energietransitie te versnellen.8 De Nederlandse wet- en regelgeving voor vergunningverlening is al grotendeels in
lijn met de bepalingen in REDIII. Zo voldoet Nederland al grotendeels aan de maximale
termijnen voor vergunningverlening in REDIII. Alleen voor specifieke9 bodemenergiesystemen en (doorgaans al vergunningvrije) zonnepanelen worden de maximale
termijnen beperkt korter. Dit geldt ook voor de termijnen van vergunningverlening
binnen versnellingsgebieden.
REDIII biedt voor hernieuwbare-energieprojecten wel iets ruimere mogelijkheden om
een vergunning te krijgen. De drempel om gebruik te maken van uitzonderingen in Europese
regelgeving ter bescherming van de natuur is op basis van REDIII iets lager voor hernieuwbare-energieprojecten.
Voor het realiseren van de voordelen van REDIII in Nederland is het aanwijzen van
een versnellingsgebied in veruit de meeste gevallen niet randvoorwaardelijk. De meerwaarde
van een versnellingsgebied in Nederland is dus uitermate beperkt.
Implementatie REDIII
Het wetsvoorstel voorziet in het – voor zover nodig – aanpassen van de relevante nationale
wetgeving aan REDIII. Wanneer nodig, zijn grondslagen aan bestaande wetgeving toegevoegd
om artikelen (nader) uit te werken in onderliggende regelgeving.
Aan een aantal artikelen van REDIII wordt al uitvoering gegeven in bestaande wet-
en regelgeving, zoals een groot deel van bepalingen in verband met de vergunningverlening,
of – als het de uitvoering betreft – vigerend beleid. Een deel van de implementatie
betreft ook feitelijk handelen dat geen wettelijke grondslag nodig heeft, zoals bijvoorbeeld
de inventarisatie van gebieden.
REDIII raakt aan materie die sinds 1 januari 2024 grotendeels in het stelsel van de
Omgevingswet is geregeld, zoals verschillende soorten omgevingsvergunningen en regels
over milieubeoordelingen. Daarom landt de implementatie van REDIII grotendeels in
de Omgevingswet en de bijbehorende lagere regelgeving.
2.2 Strekking van het voorstel
Versnellingsgebieden
Dit wetsvoorstel regelt de bevoegdheid tot aanwijzing op land en op zee van zogenaamde
versnellingsgebieden en vergunningverlening binnen die gebieden voor hernieuwbare-energieprojecten.
Het wetsvoorstel voorziet voor de versnellingsgebieden zowel in de bevoegdheid in
de Omgevingswet om versnellingsgebieden aan te wijzen (artikelen 2.21 en 2.21b Omgevingswet)
als de verplichting om voor een versnellingsgebied een plan vast te stellen (artikelen 3.6,
3.8, 3.9 Omgevingswet). Ook worden grondslagen toegevoegd om bij algemene maatregel
van bestuur instructieregels te stellen over de inhoud of motivering van een besluit
tot aanwijzing van deze gebieden en instructieregels te stellen over plannen voor
deze gebieden. Verder wordt het instrument screening geïntroduceerd.
Stroomlijnen vergunningsprocedures
Daarnaast regelt dit wetsvoorstel dat op een beroep tegen omgevingsvergunningen voor
hernieuwbare-energieprojecten door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State in eerste en enige aanleg uitspraak wordt gedaan. Ten slotte wordt de Minister
van Klimaat en Groene Groei aangewezen als contactpunt voor hernieuwbare-energieprojecten
waarbij diezelfde Minister, in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties bevoegd is om het projectbesluit vast te stellen.
2.3 Gebieden voor versnelde uitrol van hernieuwbare energie
REDIII voorziet in de mogelijkheid voor het aanwijzen van gebieden voor de versnelde
uitrol van hernieuwbare energie10, zogenaamde versnellingsgebieden11. Zoals eerder door het kabinet is aangegeven, is de meerwaarde van een versnellingsgebied
voor de energietransitie in Nederland uitermate beperkt.12 Versnellingsgebieden ontsluiten de mogelijkheid dat het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid
op zich neemt voor de compensatie van negatieve natuureffecten als gevolg van een
hernieuwbaar-energieproject op gebied van zon, wind of elektriciteitsinfrastructuur,
op kosten van de initiatiefnemer. Deze compensatie kan alleen plaatsvinden wanneer
alle andere mogelijkheden voor vergunningverlening zijn uitgeput en wordt voldaan
aan de andere eisen die hierover zijn vastgesteld. Het is onwaarschijnlijk dat deze
situatie zich in Nederland voor zal doen.
Er is binnen de zogenaamde versnellingsgebieden geen sprake van een snellere vergunningverlening.
Het Nederlandse stelsel voldoet namelijk al aan de maximale termijnen voor vergunningverlening
die REDIII stelt binnen een versnellingsgebied. Door het samenspel van de regels voor
vergunningverlening binnen het versnellingsgebied met de milieuwetgeving, ontstaat er zelfs een risico op vertraging. Het is aan het bevoegd gezag om
te bepalen of er toegevoegde waarde is in het aanwijzen van een versnellingsgebied,
gelet op de specifieke situatie van het gebied in combinatie met de kenmerken van
het beoogde hernieuwbare-energieproject. Hiervoor wordt praktische informatie ter
beschikking gesteld op de website van RVO13.
2.3.1 Inventarisatie potentiële versnellingsgebieden
Een versnellingsgebied kan alleen worden aangewezen, wanneer het onderdeel is van
de gecoördineerde inventarisatie van potentiële versnellingsgebieden, ook wel «mapping»
genoemd. Hierbij worden gebieden in kaart gebracht die geschikt zijn voor nationale
bijdragen aan het algemeen streefcijfer van de Europese Unie voor hernieuwbare energie
voor 2030.
De inventarisatie van de betrokken gebieden in Nederland heeft inmiddels plaatsgevonden.
Voor die inventarisatie is gebruik gemaakt van bestaand beleid van Rijk, provincies
en gemeenten. Deze inventarisatie is ook geconsulteerd14. Er is voor gekozen de inventarisatie breed op te zetten, om het risico te verkleinen
dat er potentiële versnellingsgebieden gemist worden die dan later niet als versnellingsgebied
kunnen worden aangewezen. Al deze gebieden kunnen worden aangewezen als versnellingsgebied.
2.3.2 Aanwijzing versnellingsgebieden
De aanwijzing van versnellingsgebieden voor één of meer soorten hernieuwbare-energiebronnen
wordt in REDIII15 gezien als onderdeel van een plan, dat tevens voorziet in regels en mitigerende maatregelen
om negatieve effecten voor het milieu en de natuur van in het gebied gerealiseerde
duurzame energieprojecten zoveel mogelijk te voorkomen. Een versnellingsgebied kan
alleen aangewezen worden als er geen aanzienlijke milieu- of natuureffecten te verwachten
zijn of als deze beperkt kunnen worden. Voor het plan is dus een milieueffectrapportage
(mer) nodig, bezien in samenhang met de locatie van het aan te wijzen gebied, en wanneer
relevant een passende beoordeling van effecten voor Natura 2000-gebieden en een soortenbeschermingstoets.
Er gelden daarnaast de volgende eisen:
– Voorrang wordt gegeven aan kunstmatige en bebouwde oppervlakten.
– Geen gebieden worden aangewezen die geheel of gedeeltelijk samenvallen met Natura
2000-gebieden, andere beschermde natuurgebieden, of belangrijke trekroutes, met uitzondering
van al bestaande kunstmatige en bebouwde oppervlakten in die gebieden.
Naast gebieden voor de versnelde uitrol van de opwekking van hernieuwbare energie
biedt de richtlijn16 de mogelijkheid om versnellingsgebieden aan te wijzen voor de ontwikkeling van netwerk-
en opslaginfrastructuur die nodig zijn om die hernieuwbare energie in het energiesysteem
te integreren. Hierbij gelden de volgende afwijkende voorwaarden:
– Deze gebieden hoeven geen deel te zijn van de gecoördineerde inventarisatie. Ze moeten
wel de versnellingsgebieden voor de opwekking van hernieuwbare energie ondersteunen
en aanvullen. Het gaat om synergie met die gebieden; een fysieke verbinding is hierbij
niet nodig.
– De gebieden voor netwerk- en opslaginfrastructuur kunnen aangewezen worden als er
geen aanzienlijke milieu- of natuureffecten te verwachten zijn van de daarbinnen te
realiseren netwerk- en opslagprojecten, of als deze effecten kunnen worden beperkt
of gecompenseerd.
– Bij gebieden voor netwerkinfrastructuur voor hernieuwbare energie is het doorkruisen
van beschermde natuur wel mogelijk als er geen redelijke alternatieven zijn. Dit biedt
energie-infrastructuurprojecten in sommige gevallen een mogelijkheid tot realisatie
waar die mogelijkheid voorheen niet bestond. Gebieden voor opslagprojecten mogen,
net zoals de gebieden voor versnelde uitrol, niet samenvallen met een beschermd gebied.
2.3.3 Implementatie versnellingsgebieden en -plannen
Drie stappen
Met dit wetsvoorstel wordt in drie stappen binnen de systematiek van de Omgevingswet
de mogelijkheid gecreëerd voor het aanwijzen van een versnellingsgebied en het verlenen
van een vergunning daarbinnen:
I. de aanwijzing van een gebied als versnellingsgebied in het omgevingsplan, de omgevingsverordening
of de Omgevingsregeling, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen;
II. het vaststellen van een versnellingsgebiedsplan voor de aangewezen gebieden door het
bevoegd gezag, inclusief mitigerende maatregelen en het opstellen van een plan-MER
en zo nodig een passende beoordeling en soortenbeschermingstoets daarbij; en
III. vergunningen voor projecten of regels in het omgevingsplan of de omgevingsverordening,
om de mitigerende maatregelen uit het plan bindend te maken.
I. Aanwijzen door gemeente, provincie en rijk
Gemeenten, provincies en het Rijk kunnen versnellingsgebieden aanwijzen. Het uitgangspunt
hierbij is opgenomen in artikel 2.3 van de Omgevingswet, dat stelt dat de uitoefening
van de taken en bevoegdheden voor de fysieke leefomgeving in de eerste plaats bij
de gemeenten ligt.
II. Opstellen plan-MER en mitigerende maatregelen
Voor een goede milieubeoordeling op planniveau moet bij het opstellen van het plan
duidelijk zijn welk soort projecten in een gebied kunnen worden uitgevoerd en wat
de milieueffecten van die projecten zijn voor de omgeving en – als dit aan de orde
is – wat de effecten zijn voor Natura 2000-gebieden en beschermde soorten. Na aanwijzing
van het versnellingsgebied en – in samenhang daarmee – de vaststelling van het plan
voor dat gebied hoeft in beginsel geen milieueffectrapportage, passende beoordeling
of soortenbeschermingstoets meer te worden uitgevoerd op projectniveau. Dit zal vergen
dat het plan specifieker en concreter wordt, om voldoende bescherming voor milieu
en natuur te bieden (passende regels en maatregelen) en om – conform de bedoeling
van de richtlijn – zoveel mogelijk zekerheid te bieden dat bij latere screening van
de effecten op projectniveau onverhoopt toch aanzienlijke effecten voor milieu of
natuur blijken en alsnog op projectniveau aanvullende maatregelen of een projecttoets
nodig zijn. Daardoor zal de mer op planniveau ook gedetailleerder zijn dan gebruikelijk.
In elk geval voldoende gedetailleerd om het bevoegde gezag bij de vergunningaanvraag
binnen de gestelde termijn van 30 of 45 dagen een screening (zie paragraaf 2.2.4)
van de milieueffecten te laten doen. De plan-mer kan het karakter krijgen van een
gecombineerd plan- en project-mer. Het zal regelmatig voorkomen dat dit niet haalbaar
is, of juist tot vertraging van het proces leidt. Bijvoorbeeld omdat van de beoogde
projecten in een gebied nog onvoldoende details bekend zijn, of omdat de beoordeling
van verschillende varianten van een project meer tijd kost. Het bevoegd gezag moet
zorgvuldig de afweging maken of een dergelijk gedetailleerde plan-mer behulpzaam is
voor de doelen. Hierbij wordt opgemerkt dat het milieubegrip niet alleen natuurlijke
elementen als water, lucht en bodem bevat, maar bijvoorbeeld ook cultureel erfgoed
en natuur.
Voor een versnellingsgebied is dus zowel een aanwijzing van het gebied, als het vaststellen
van een plan nodig. De samenhang hiertussen wordt bij algemene maatregel van bestuur
geregeld.
Inspraak en draagvlak
Inspraak is onderdeel van de procedure voor het aanwijzen van een versnellingsgebied
en voor vergunningverlening voor concrete projecten in een gebied. De Algemene wet
bestuursrecht en de Omgevingswet voorzien in inspraakprocedures voor het aanwijzen
van een gebied en het vaststellen van een plan door toepassing van afdeling 3.4 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Bevoegde gezagen kunnen op diverse manieren het draagvlak vergroten, zoals vroegtijdige
en brede participatie, transparante communicatie, of samenwerking met andere overheden
en belangengroeperingen. Het stimuleren van lokale deelname aan projecten kan worden
overwogen. In de Energiewet (artikel 6.2, derde lid) is vastgelegd dat provincies
en gemeenten de mogelijkheid hebben om bij verordening te bepalen dat een initiatiefnemer
aantoont welke inspanningen zijn verricht om mede-eigendom te bevorderen. Daarnaast
is participatie al onderdeel van diverse plannen in het Nationaal Programma Regionale
Energie Strategieën. In dit wetsvoorstel worden hier geen toevoegingen aan gedaan.
III. Vergunningverlening
Hernieuwbare-energieprojecten in versnellingsgebieden zullen in beginsel geen aanzienlijke
gevolgen voor milieu en natuur hebben, als ze voldoen aan de regels en mitigerende
maatregelen die zijn opgenomen in de voor die gebieden vastgestelde plannen – zo is
de gedachte achter de betrokken richtlijnbepalingen. De mogelijke effecten van projecten
binnen het gebied zijn immers betrokken bij de selectie van het versnellingsgebied
en bij de definiëring van de regels en maatregelen die in het plan opgenomen worden
om te voorkomen dat de projecten aanzienlijke negatieve effecten kunnen hebben. Het
plan is bovendien onderworpen aan een plan-mer en zo nodig aan een passende beoordeling
van de effecten voor Natura 2000-gebieden en een soortenbeschermingstoets op planniveau.
Daarom worden deze projecten volgens de richtlijn17 vrijgesteld van de verplichting tot het doorlopen van een project-mer-(beoordeling)
en (waar aan de orde) een passende beoordeling van effecten voor Natura 2000-gebieden
en een soortenbeschermingstoets.
Voor hernieuwbare-energieprojecten binnen gebieden voor netwerk- en opslaginfrastructuur
biedt de richtlijn ook de mogelijkheid deze vrij te stellen van de beoordelingsplichten,
onder dezelfde voorwaarden.18 In lijn met het uitgangspunt maximaal gebruik te maken van de richtlijn, zonder nationale
koppen, kiest de regering ervoor de vrijstelling ook voor deze projecten te laten
gelden.
De vrijstellingen van de project-mer-(beoordelings)plicht en natuurtoetsen gelden
niet als het gaat om projecten die vermoedelijk aanzienlijke grensoverschrijdende
milieueffecten hebben. Het is aan het bevoegd gezag om op basis van de door de initiatiefnemers
verstrekte gegevens vast te stellen of daarvan sprake is.
2.3.4 Screening
In plaats van een project-mer-(beoordeling) en, waar dat aan de orde is, een passende
beoordeling van effecten voor Natura 2000-gebieden en soortenbeschermingstoets, voert
het bevoegd gezag binnen 45 of 30 dagen19 een screening uit op projectniveau, zodra een vergunningaanvraag voor een project
in een versnellingsgebied is ingediend.
Bij de screening wordt nagegaan of het project zeer waarschijnlijk zal leiden tot
aanzienlijke onvoorziene negatieve milieueffecten die niet eerder zijn vastgesteld
of ondervangen op planniveau, of dat er aanzienlijke grensoverschrijdende effecten
zijn. De projectontwikkelaar verstrekt informatie over de kenmerken van het project
en hoe het voldoet aan de eisen die gesteld zijn in het plan. Het bevoegd gezag kan
de aanvrager verzoeken aanvullende beschikbare informatie te verstrekken. De screening
gebeurt op basis van de informatie uit de beoordelingen die hebben plaatsgevonden
bij het vaststellen van het plan en de door de aanvrager verstrekte informatie. De
screening is een andere beoordeling dan de mer-beoordeling. Desgevraagd is namens
de Europese Commissie aangegeven dat de screening moet worden uitgevoerd zoals is
beschreven in de artikelen 15sexies, derde lid, en 16bis, vierde lid, van de richtlijn
en dat dit dus een andere procedure is dan de mer-beoordeling als bedoeld in de mer-richtlijn.
Na afloop van het screeningproces kan de vergunning in beginsel vanuit milieu- of
natuuroogpunt worden verleend, zonder verdere toetsen of voorwaarden.
Dit geldt niet als uit de screening blijkt dat het project zeer waarschijnlijk toch
leidt tot aanzienlijke onvoorziene negatieve milieueffecten, die niet kunnen worden
verzacht door de maatregelen die zijn vastgesteld in het plan tot aanwijzing van het
versnellingsgebied of voorgesteld door de projectontwikkelaar. Bij projecten voor
de opwekking van hernieuwbare energie neemt in dat geval het bevoegd gezag een naar
behoren gemotiveerd administratief besluit dat openbaar gemaakt wordt. Het project
wordt dan alsnog onderworpen aan een project-mer en – als dat aan de orde is – een
passende beoordeling en soortenbeschermingstoets. Deze beoordelingen moeten binnen
zes maanden afgerond worden, met de mogelijkheid van verlenging van die termijn op
grond van buitengewone omstandigheden.
Implementatie screening
Voor de implementatie van de screening voegt het onderhavige wetsvoorstel een nieuwe
afdeling (afdeling 16.4b Screening hernieuwbare-energieprojecten) aan de Omgevingswet
toe. Ook voorziet het wetsvoorstel in een grondslag voor het bevoegde gezag om voor
de screening rechten te heffen. Wanneer uit de screening blijkt dat niet zeer waarschijnlijk
negatieve milieueffecten zijn te verwachten als gevolg van het project, kan een vergunning
worden verleend. Indien er wel waarschijnlijk negatieve milieueffecten worden verwacht,
legt het bevoegd gezag dit vast in een besluit. Uit dit besluit kan volgen dat het
nodig is dat de initiatiefnemer een project-MER opstelt met het oogpunt om de milieueffecten
in kaart te brengen, of een passende beoordeling van effecten voor Natura 2000-gebieden
of een soortenbeschermingstoets uit te voeren. Als deze toetsen succesvol zijn doorlopen
of – bij projecten voor netten of opslag en projecten voor wind- of zonne-energie
– de effecten op voldoende wijze zijn gemitigeerd of gecompenseerd, kan een vergunning
alsnog worden verleend.
Uitzondering voor infrastructuur-, wind- en zonprojecten
Het kan zijn dat het initiatiefnemers van projecten voor zon- wind- en infrastructuur
voor elektriciteit niet lukt om binnen het project de eventuele negatieve natuureffecten
te mitigeren of compenseren. Het bevoegd gezag heeft in die gevallen de mogelijkheid
om een vergunning te verlenen, mits het bevoegd gezag de natuurcompensatie elders
vormgeeft. De kosten voor de compensatie blijven voor rekening komen van de initiatiefnemer
van het project. Het wetsvoorstel bevat in artikel 13.6a een grondslag om aan de vergunning
voorschriften te verbinden over deze financiële compensatie.
2.4 Stroomlijnen vergunningsprocedures
Voor projecten binnen en buiten de twee soorten versnellingsgebieden bevat de richtlijn
bepalingen over procedures voor alle relevante administratieve vergunningen voor de
bouw, de repowering en de exploitatie van installaties voor de productie van hernieuwbare
energie. Deze procedures worden gestroomlijnd. De lidstaten moeten bijvoorbeeld maximum
termijnen aanhouden voor vergunningverleningenprocedures, een contactpunt instellen
dat aanvragers begeleidt bij de vergunningenprocedure, eenvoudige geschillenbeslechtingsprocedures
openstellen en ervoor zorgen dat de snelste gerechtelijke procedure geldt.20
Termijnen vergunningverlening
Nederland voldoet al grotendeels aan de maximumtermijnen voor vergunningverlening
die REDIII stelt. Alleen voor specifieke bodemenergiesystemen21 en (doorgaans al vergunningvrije) zonnepanelen worden de maximumtermijnen beperkt
korter. Dit zal worden geregeld in een algemene maatregel van bestuur.
Eenvoudige geschillenbeslechtingsprocedures
Eenvoudige geschillenbeslechtingsprocedures zijn geregeld met de zienswijze- of bezwaarmogelijkheid
en de beroepsmogelijkheid uit de Algemene wet bestuursrecht. Om de snelste administratieve
en gerechtelijke procedure die beschikbaar is van toepassing te laten zijn op hernieuwbare-energieprojecten,
wordt met dit wetsvoorstel aan bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht toegevoegd
dat tegen hernieuwbare-energieprojecten beroep openstaat bij de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State in eerste en enige instantie.
Contactpunt
Voor het vereiste contactpunt wordt in het wetsvoorstel de Minister van Klimaat en
Groene Groei aangewezen als contactpunt voor hernieuwbare-energieprojecten die onder
de projectprocedure vallen, waarvoor het Rijk bevoegd gezag is.
Voor andere hernieuwbare-energieprojecten fungeert het bevoegd gezag als contactpunt
via het Digitaal Stelsel Omgevingswet, daarin bijgestaan door het Informatiepunt Leefomgeving
(IPLO). Daarnaast zijn er diverse andere initiatieven, zoals bijvoorbeeld «Energie
Samen», Helpdesk Zonopwek of het Versnellingshuis Energietransitie Haven Industrieel
Complex en de Vergunningenloods van de haven van Rotterdam, waar initiatiefnemers
van specifieke hernieuwbare-energieprojecten terecht kunnen voor ondersteuning bij
de procedure voor vergunningverlening.
3. Verhouding tot hoger recht
In het kader van de Europese Green Deal die is vastgelegd in de mededeling van de
Commissie van 11 december 2019 («de Europese Green Deal») is in Verordening (EU) 2021/1119
van het Europees Parlement en de Raad22 de doelstelling vastgesteld de Unie uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te maken, alsook
de tussentijdse doelstelling de netto-broeikasgasemissies uiterlijk in 2030 met ten
minste 55% te verminderen ten opzichte van de niveaus van 1990.
Hernieuwbare energie speelt een fundamentele rol bij de verwezenlijking van deze doelstellingen,
aangezien de energiesector verantwoordelijk is voor meer dan 75% van de totale broeikasgasemissies
in de Unie. Via een vermindering van die broeikasgasemissies kan hernieuwbare energie
ook een bijdrage leveren aan de aanpak van uitdagingen op het gebied van milieu, zoals
verlies van biodiversiteit, en aan het terugdringen van de verontreiniging in overeenstemming
met de doelstellingen van het EU-actieplan: Verontreiniging van lucht, water en bodem
naar nul».
De doelstelling van de Unie met betrekking tot klimaatneutraliteit in 2050 vereist
een rechtvaardige energietransitie alsook een toename in energie-efficiëntie en een
aanzienlijk groter aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in een geïntegreerd energiesysteem.
De herziene richtlijn hernieuwbare energie heeft het algemeen streefcijfer voor de
Unie voor het aandeel hernieuwbare energie verhoogd voor 2030, namelijk 42,5%.
De onderhavige richtlijn hernieuwbare energie die – voor zover nodig – met dit wetsvoorstel
voor de versnellingsonderdelen wordt geïmplementeerd, maakt een aantal uitzonderingen
mogelijk op de volgende richtlijnen:
Habitatrichtlijn23 (uitzondering voor projecten gerelateerd aan energie uit hernieuwbare bronnen) en
Vogelrichtlijn24
De Habitatrichtlijn vormt samen met de Vogelrichtlijn het wettelijke kader waarmee
de Europese Unie invulling geeft aan de ambitie om biodiversiteit te beschermen en
te herstellen. Het doel van de Habitatrichtlijn is het beschermen van soorten en habitats
(habitattypen en leefgebieden van soorten). Dat gebeurt door het bieden van specifieke
bescherming voor aangewezen natuurgebieden die tezamen een netwerk vormen van gebieden
van Europees belang, het Natura 2000-netwerk, én door het beschermen van exemplaren
van specifieke soorten door bepaalde schadelijke handelingen te verbieden, tenzij
is voldaan aan daarvoor vastgestelde strikte kaders. De soortenbeschermingsbepalingen
gelden ook buiten Natura 2000-gebieden.
De Vogelrichtlijn ziet op het beschermen van alle van nature in het wild voorkomende
vogelsoorten en van leefgebieden voor vogels en gebieden die van bijzonder belang
zijn voor trekvogels (broed-, rui- en overwinteringsgebieden en rustplaatsen in hun
trekzones). De Habitatrichtlijn ziet op het beschermen van andere diersoorten en plantensoorten
van communautair belang, en ook van leefgebieden van die soorten en habitattypen.
De doelstelling van beide richtlijnen tezamen is het behoud en het verbeteren van
de biodiversiteit en – kort gezegd25 – het op termijn realiseren van een gunstige staat van instandhouding voor de betrokken
soorten en hun leefgebieden.
Met het oog daarop is in een strikt beschermingsregime voorzien voor natuurgebieden
van communautair belang, de genoemde Natura 2000-gebieden (artikel 4 van de Vogelrichtlijn
en de artikelen 3 tot en met 7 van de Habitatrichtlijn). De Habitatrichtlijn voorziet
in artikel 6, derde lid, in een specifieke toetsing van plannen en projecten met mogelijk
significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden. Tot de Natura 2000-gebieden behoren
niet alleen de speciale beschermingszones voor habitattypen en leefgebieden die onder
de reikwijdte van artikel 4 van de Habitatrichtlijn vallen, maar ook de speciale beschermingszones
voor vogels als bedoeld in artikel 4 van de vogelrichtlijn (zie de artikelen 3 en
7 van de Habitatrichtlijn).
Op dit moment kan geen vergunning worden afgegeven voor hernieuwbare-energieprojecten
waarvan niet kan worden uitgesloten dat die leiden tot het in gevaar brengen van het
duurzaam voortbestaan van een populatie van een beschermde soort, en niet kan worden
aangetoond dat er geen minder schadelijke alternatieven zijn. Als gevolg van REDIII
wordt de vergunningverlening op dit onderdeel iets soepeler. Een hernieuwbaar energieproject
kan een vergunning krijgen wanneer voorafgaand aan de activiteit passende mitigerende
maatregelen worden genomen die het doden of verstoren van beschermde soorten zo veel
als redelijkerwijs mogelijk voorkomen, ook wanneer het project leidt tot doding of
verstoring waarvan niet volledig kan worden uitgesloten dat er negatieve effecten
zijn op de staat van instandhouding. De soortenbeschermingsbepalingen vereisen overigens
niet alleen passieve bescherming (verboden handelingen), maar ook actieve maatregelen
om soorten op peil te houden en in een gunstige staat van instandhouding te brengen.
Kaderrichtlijn water26 (uitzondering voor hernieuwbare energie-installaties)
Op grond van artikel 15quater, eerste lid, onderdeel b, van REDIII moeten de bevoegde
autoriteiten passende maatregelen vaststellen voor de versnellingsgebieden om de negatieve
effecten die zich kunnen voordoen te voorkomen of, als dit niet mogelijk is, aanzienlijk
te verminderen. Als sprake is van mogelijke negatieve effecten, moeten zij erop toezien
dat er tijdig en op evenredige wijze passende mitigerende maatregelen worden genomen,
als dat van toepassing is. Dat geldt ook voor effecten voor de waterkwaliteit. De
bevoegde autoriteiten, moeten om ervoor te zorgen dat verslechtering van de waterkwaliteit
wordt voorkomen en een goede ecologische toestand of een goed ecologisch potentieel
wordt bereikt, in overeenstemming met artikel 4, eerste lid, onderdeel a, onder i),
van de Kaderrichtlijn water.
Artikel 4, zevende lid, van de Kaderrichtlijn water biedt de mogelijkheid om af te
wijken van die richtlijn als de verslechtering het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten
van menselijke ontwikkeling. REDIII regelt in artikel 16septies dat de uitzondering
van artikel 4, zevende lid, van de Kaderrichtlijn water ook van toepassing is op hernieuwbare-energieprojecten.
Kaderrichtlijn mariene strategie27 (uitzondering voor maatregelen van dwingend openbaar belang)
De Kaderrichtlijn mariene strategie (KRM) verplicht lidstaten tot het vaststellen
van een mariene strategie voor het eigen zeegebied. Deze strategie moet gericht zijn
op bescherming, behoud en herstel van het mariene milieu, waarbij ook het duurzaam
gebruik van de Noordzee wordt gegarandeerd. De lidstaten moeten volgens artikel 13
maatregelen treffen om in hun mariene wateren een goede milieutoestand, zoals vastgesteld
overeenkomstig artikel 9, eerste lid, te bereiken of te behouden. Op grond van artikel 14
kan een lidstaat gevallen aanwijzen waar de milieudoelen of de goede milieutoestand
niet in alle opzichten kunnen worden bereikt, waaronder wijzigingen of veranderingen
in de fysische kenmerken van mariene wateren veroorzaakt door maatregelen die werden
genomen om redenen van dwingend openbaar belang die zwaarder wegen dan de negatieve
milieueffecten, inclusief grensoverschrijdende effecten. Dit beschrijft de lidstaat
in het programma van maatregelen KRM.
Mer-richtlijn28 (uitzondering voor projecten in aangewezen versnellingsgebieden)
Als voor aangewezen gebieden een plan-mer is uitgevoerd, geldt voor projecten binnen
deze gebieden in beginsel onder meer geen mer-(beoordelings)plicht op projectniveau,
mits wordt voldaan een de regels en maatregelen die bij of krachtens het plan zijn
gesteld. Uit een screening op projectniveau moet blijken of het project toch leidt
tot aanzienlijke onvoorziene negatieve milieueffecten die niet kunnen worden gemitigeerd
of gecompenseerd. Als dat het geval is, moet – behoudens de in REDIII geregelde uitzonderingen
voor opslag en infrastructuur voor duurzame energie en voor zonne- en windenergie
– alsnog een mer op projectniveau worden uitgevoerd (artikelen 15sexies, vierde lid,
en 16bis, vijfde lid, van REDIII). Het wetsvoorstel voegt bepalingen toe in hoofdstuk
16 van de Omgevingswet om deze screening te regelen.
Verordening governance van de energie-unie29
Deze Verordening governance van de energie-unie sluit zich aan bij het streefcijfer
van de herziene richtlijn hernieuwbare energie (aandeel hernieuwbare energie 42,5%
in 2030) en verplicht de lidstaten geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen
op te stellen. Zoals vastgelegd in de Klimaatwet moet de Klimaat- en Energie Verkenning
(KEV) eenmaal per jaar verslag doen van het gevoerde klimaat- en energiebeleid en
de verwachte effecten daarvan. De KEV biedt hiermee een onderbouwing voor de noodzaak
van het gevoerde beleid en toont dat alle hernieuwbare-energieprojecten noodzakelijk
zijn om het streefcijfer te halen.
Overige relaties met internationale verplichtingen
Verdrag van Espoo30
In het verdrag van Espoo is geregeld dat bij een project-mer of plan-mer van een project
met mogelijk aanzienlijke milieugevolgen in een ander land, het publiek en de autoriteiten
in dat andere land op gelijkwaardige wijze kunnen deelnemen aan de mer-procedure als
de burgers en organisaties in het land waar het project plaatsvindt. Om die reden
geldt de vrijstelling van de mer-(beoordelings)plicht niet voor hernieuwbare-energieprojecten
die mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten hebben. Bij de screening
wordt onderzocht of een project mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten
heeft.
Biodiversiteitsverdrag31
In het Biodiversiteitsverdrag 2030 is geregeld dat de directe en indirecte oorzaken
van het biodiversiteitsverlies en een tanende natuur moeten worden aangepakt. Duurzame
en hernieuwbare energiebronnen zijn volgens de Europese Commissie essentieel in de
strijd tegen klimaatverandering en biodiversiteitsverlies.
Hernieuwbare energie kan een bijdrage leveren aan de aanpak van uitdagingen op het
gebied van milieu, zoals verlies van biodiversiteit. De groene transitie naar een
op hernieuwbare energie gebaseerde economie zal helpen bijdragen aan de verwezenlijking
van de doelstellingen van Besluit (EU) 2022/591 van het Europees Parlement en de Raad
dat ook tot doel heeft de toestand van het milieu te beschermen, te herstellen en
te verbeteren, onder meer door het biodiversiteitsverlies een halt toe te roepen en
terug te draaien.32
Kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning33
De Kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning stelt een kader vast voor maritieme
ruimtelijke planning, dat erop gericht is de duurzame groei van maritieme economieën,
de duurzame ontwikkeling van mariene gebieden en het duurzame gebruik van natuurlijke
mariene hulpbronnen te bevorderen. Dit kader voorziet in de vaststelling en uitvoering
door de lidstaten van maritieme ruimtelijke planning, om bij te dragen aan de doelstellingen
van de kaderichtlijn, waarbij rekening wordt gehouden met de wisselwerking tussen
land en zee en betere grensoverschrijdende samenwerking. Deze ruimtelijke planning
kan een rol spelen bij het inventariseren van potentiële versnellingsgebieden («mapping»)
op zee.
Natuurherstelverordening34
De Natuurherstelverordening (de NHV) heeft tot doel: een langdurig en duurzaam herstel
van biodiverse en veerkrachtige ecosystemen in de EU, zowel op land als zee, door
herstel van aangetaste ecosystemen, habitattypen en soorten.
De NHV bevat een kader die lidstaten verplicht doeltreffende en gebiedsgebonden herstelmaatregelen
te nemen die: tegen 2030 ten minste 20% van het land- en zeeoppervlak van en tegen
2050 alle ecosystemen van de Unie bestrijkt, niet in alleen in de bestaande Natura
2000-gebieden maar ook daarbuiten.
Voor energie uit hernieuwbare bronnen is in artikel 6, eerste lid, van de NHV bepaald
dat voor de toepassing van de afwijkingen van de verplichtingen tot voortdurende verbetering
en niet-verslechtering buiten Natura 2000 vallende gebieden uit hoofde van deze verordening
installaties voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen, de aansluiting
ervan op het net, het bijbehorende net zelf en opslagvoorzieningen, door de lidstaten
moeten worden geacht van groot openbaar belang te zijn. De lidstaten kunnen voor de
toepassing van die afwijkingen hernieuwbare-energieprojecten vrijstellen van de verplichting
dat er geen minder schadelijke alternatieve oplossingen beschikbaar zijn, mits de
projecten voorwerp zijn geweest van een strategische milieubeoordeling of een milieueffectbeoordeling.
Door dergelijke installaties als van groot openbaar belang te beschouwen en, in voorkomend
geval, het vereiste om minder schadelijke alternatieve oplossingen te beoordelen,
te beperken, zou voor dergelijke projecten een vereenvoudigde beoordeling (screening)
kunnen worden verricht ten aanzien van de afwijkingen van de beoordeling van groot
openbaar belang uit hoofde van deze verordening.
Werelderfgoedverdrag35
Het Werelderfgoedverdrag verplicht tot het waarborgen van identificatie, bescherming,
behoud, toegankelijk maken en overdragen aan komende generaties van werelderfgoed.
Het streven is om het werelderfgoed een maatschappelijke functie te geven en de bescherming
van het werelderfgoed te integreren in de ruimtelijke ordening. Activiteiten die van invloed kunnen
zijn op de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed moeten vroegtijdig worden gemeld. Aantasting van de uitzonderlijke universele
waarde van werelderfgoed moet worden voorkomen.
De verdragsverplichtingen gelden ook voor hernieuwbare-energieprojecten als bedoeld
in de richtlijn. De richtlijn maakt geen uitzonderingen mogelijk op de verplichtingen
uit het Werelderfgoedverdrag. De verplichting om voor hernieuwbare-energieprojecten
binnen Werelderfgoedgebieden op projectniveau een effectrapportage (Heritage Impact
Assessment, HIA) op te stellen, blijft dus onverkort van kracht. Zonder een dergelijke
concrete effectbeoordeling kunnen de verdragsverplichtingen niet worden geborgd. Een
HIA komt niet in de plaats van, maar is aanvullend op een milieueffectrapportage.
Verdrag van Valletta36
Het doel van het verdrag van Valletta van de Raad van Europa is de bescherming van
het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en
als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Het verdrag verplicht
onder meer tot de conservering en instandhouding – bij voorkeur in situ – van het
archeologisch erfgoed, het instellen van procedures voor archeologische activiteiten,
het verankeren van de archeologie in de ruimtelijke ordening, en het waarborgen dat
milieueffectrapportages en de daaruit voortvloeiende beslissingen ten volle rekening
houden met archeologische vindplaatsen.
Bij de screening zal worden gekeken of specifieke projecten niet toch zeer waarschijnlijk
tot aanzienlijke onvoorziene negatieve effecten zullen leiden die niet eerder in de
plan-mer naar voren zijn gekomen. Als dat wel zo is moet alsnog een mer op projectniveau
worden uitgevoerd. Als archeologische vindplaatsen daarbij in het geding zijn zal
archeologisch onderzoek moeten plaatsvinden.
Verdrag van Granada37
Het verdrag van Granada van de Raad van Europa ziet op de bescherming en het behoud
van architectonisch erfgoed: gebouwde en aangelegde monumenten, stads- en dorpsgezichten
en cultuurlandschappen.
Concreet moet worden voorkomen dat beschermde monumenten worden ontsierd, beschadigd
of gesloopt, of dat het karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen
wordt aangetast. In verband met deze verplichtingen wordt via dit wetsvoorstel gebruik
gemaakt van de in de richtlijn geboden uitzonderingsmogelijkheid met betrekking tot
de verkorte beslistermijn in vergunningprocedures voor zonnepanelen en warmtepompen
op (voor)beschermde monumenten en in (voor)beschermde stads- en dorpsgezichten.
4. Verhouding tot nationale regelgeving
4.1 Nationaal beleid
Het nationale beleid sluit aan op Europese wetgevingsprogramma’s zoals in paragraaf
3 genoemd. Onder andere voor de uitvoering hiervan zijn er een nationale Klimaatnota38 en een Klimaatplan.
Voor de inventarisatie van geïdentificeerde windenergiegebieden op de Noordzee zijn
de aangewezen windenergiegebieden opgenomen uit het maritiem ruimtelijk plan, dat
zijn weerslag vindt in het Programma Noordzee39 als onderdeel van het Nationaal Waterprogramma.
De infrastructuur voor de aanlanding van de energie opgewekt op zee wordt op verschillende
niveaus uitgewerkt. Het Energie Infrastructuurplan Noordzee (EIPN) geeft een strategische
visie op de infrastructuur die nodig is voor windenergie op zee. In de programma’s
PAWOZ Eemshaven en VAWOZ worden gekeken met welke aanlandingen de energie kan worden
aangesloten op het landelijke net. De individuele aanlanding wordt verder uitgewerkt
in een projectprocedure onder de Omgevingswet.
Het Nationaal Plan Energiesysteem (hierna: NPE) is de visie van het kabinet voor het
energiesysteem tot 2050. Met het NPE wordt door de Rijksoverheid gestuurd op de volgende
energieketens: elektriciteit, waterstof, koolstof en warmte. Ook hiervoor is energie-infrastructuur
nodig om energie te transporteren, waaronder voor elektriciteit. In het NPE staat
dat een integrale aanpak is voorzien voor ruimtelijke inpassing van energievoorzieningen.
Het NPE is op 1 december 2023 aan de Tweede Kamer gestuurd.40
Het programma energiehoofdstructuur (hierna: PEH) ligt in het verlengde van de Nationale
Omgevingsvisie en is gericht op de ruimtelijke planning van nationale energie-infrastructuur
op land met als tijdshorizon 2050. Dit is in afweging met de andere opgaven in het
ruimtelijk domein gedaan. In het PEH worden ontwikkelrichtingen gegeven voor nieuwe
tracés voor hoogspanningsnetten. Dit betreft met name het ruimtelijk reserveren van
de tracés. Het gaat hierbij om het veiligstellen van gronden voor de voorbereiding
van de realisatie van projecten. Ook dit draagt bij aan een versnelde realisatie.
Het PEH is op 4 maart 2024 aan de Tweede Kamer aangeboden.41
De Cluster Energie Strategieën (CES), waarmee industrie, netbeheerders en overheden
de toekomstige vraag en aanbod aan duurzame energie voor een industriecluster in beeld
brengen en die de basis vormen waarop industrie, bedrijven, netbeheerders, energieproducenten
en overheden tijdig besluiten over deze noodzakelijke infrastructuur kunnen nemen,
worden meegenomen in de gecoördineerde inventarisatie.
Daarnaast zijn projecten uit het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat
(MIEK)42 meegenomen in de inventarisatie. In het MIEK zijn projecten van nationaal belang
opgenomen, met name voor de verduurzaming van de industrie. Op regionaal niveau werken
provincies en gemeenten aan regionale pendanten ervan. Het MIEK is ook een belangrijk
sturend element in de aanpak van congestie op het elektriciteitsnet in alle regio’s
van Nederland. Naast het beter inzichtelijk maken van de vraag naar en het aanbod
van energie en grondstoffen en de daarvoor benodigde energie-infrastructuur, wordt
er ook ingezet op mogelijkheden om procedures te verkorten en vertraging van projecten
te voorkomen. Zowel het nationale MIEK als de provinciale MIEK’s zijn erop gericht
de uitbreiding van energie-infrastructuur zoveel mogelijk in de pas te laten lopen
met andere ruimtelijke ontwikkelingen, zoals wonen, werken en mobiliteit. Ook is er
inmiddels een beeld van de netverzwaringen die noodzakelijk zijn om huidige congestieproblemen
te verhelpen.
4.2 Raakvlakken met bestaande wet- en regelgeving
Hieronder worden raakvlakken van het wetsvoorstel met andere wetgeving dan de hiervoor
al aan de orde gekomen Omgevingswet besproken.
Wet windenergie op zee
De realisatie van windenergie-op-zee-projecten heeft met de Wet windenergie op zee
al een goed werkend stelsel voor het selecteren van gebieden, het vaststellen van
regels en voorschriften, en vergunningverlening voor de bouw en exploitatie van een
windpark en infrastructuur die nodig is om energie van windparken op zee naar land
te transporteren.
De Omgevingswet geldt ook in de exclusieve economische zone op de Noordzee en zo ook
de bevoegdheid om versnellingsgebieden aan te wijzen en de bijbehorende plannen vast
te stellen. Het proces van aanwijzen van versnellingsgebieden kent op hoofdlijnen
veel overeenkomsten met het proces dat in het huidige stelsel met de Wet windenergie
op zee is geregeld. Deze wet wordt op enkele punten aangepast aan REDIII en de wijzigingen
in de Omgevingswet.
In het eerdergenoemde maritiem ruimtelijk plan43, dat wordt vastgesteld door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Ministers
die het aangaat en dat zijn weerslag vindt in het Programma Noordzee als onderdeel
van het Nationaal Waterprogramma, worden namelijk onder andere windenergiegebieden
aangewezen als voor windenergie geschikte gebieden op zee. Voor het Programma Noordzee
wordt een plan-MER opgesteld en een passende beoordeling op planniveau gedaan. Binnen
die gebieden wordt met de Routekaart Windenergie op zee de planning voor de kavelbesluiten
en de realisatie van de nog te vergunnen windparken en de bijbehorende netten op zee
uiteengezet. De Minister van Klimaat en Groene Groei neemt dan, in overeenstemming
met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Visserij,
Voedselzekerheid en Natuur en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,44 een kavelbesluit binnen een aangewezen windenergiegebied in de Noordzee. Het kavelbesluit
maakt de realisatie van een windpark mogelijk en bevat onder andere regels over mitigerende
maatregelen en is een besluit waarvoor een project-MER moet worden opgesteld. Na een
tenderproces wordt een vergunning verleend aan de exploitant voor het realiseren van
het windpark.
Voor de infrastructuur die nodig is om energie uit windparken op zee te transporteren
naar land worden potentiële gebieden onderzocht op eventuele significante effecten.
Ook wordt onderzocht welk programma van mitigerende maatregelen daarvoor nodig is
en hoe de screening plaats gaat vinden. Hierdoor is niet alleen het onderzoek in de
volgende fase ingeperkt, maar ook de besluitvorming.
Met het onderhavige wetsvoorstel wordt een instrument toegevoegd aan het huidige stelsel,
namelijk de mogelijkheid om versnellingsgebieden aan te wijzen binnen de gebieden
die in het maritiem ruimtelijk plan zijn aangewezen als windenergiegebied. Omdat het
bestaande systeem voor de Noordzee op een effectieve manier bijdraagt aan het behalen
van de doelen voor hernieuwbare energie, zal de praktijk moeten uitwijzen of dit instrument
zal worden toegepast, in lijn met het huidige aanpak op de Noordzee.
Gelet op deze overeenkomsten lijkt de toepassing van de instrumenten uit de richtlijn
op het eerste gezicht niet tot een (aanzienlijke) versnelling te leiden. De tijdswinst
van het vervallen van de beoordelingsplichten op projectniveau lijkt beperkt, omdat
er voor het realiseren van een windpark toch de nodige informatie vergaard moet worden
om het kavelbesluit te kunnen nemen. De instrumenten uit de richtlijn zouden wel tot
een versnelling kunnen leiden voor projecten voor netwerk- en opslaginfrastructuur,
(zoals netten op zee en de verbinding met het land) en de financiële compensatie die
daarbij onder voorwaarden kan worden toegepast.
De Omgevingswet is ook van toepassing in de exclusieve economische zone. Dat betekent
dat de artikelen die met deze wetswijzing worden toegevoegd aan de Omgevingswet ook
van toepassing zijn op de Noordzee. Artikel 1.4 van de Omgevingswet, op grond waarvan
die wet niet van toepassing is op onderwerpen die bij of krachtens een andere wet
uitputtend zijn geregeld, is hier niet van toepassing, omdat de Wet windenergie op
zee geen uitputtende regeling bevat. Zo zijn de verplichtingen uit de mer-richtlijn
voor windenergie op zee geregeld in de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit en zijn
ook het maritiem ruimtelijk plan en het nationaal waterprogramma gebaseerd op de Omgevingswet.
De Minister van Klimaat en Groene Groei kan dus, in overeenstemming met de Ministers
die het aangaat, in elk geval de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, een versnellingsgebied aanwijzen
op de Noordzee. Er moet dan ook een plan worden vastgesteld, waarvoor een plan-mer
moet worden uitgevoerd. Wijziging van de Wet windenergie op zee is op dit punt dus
niet nodig. Wel wordt een grondslag toegevoegd voor het heffen van rechten voor de
screening.
Klimaatwetgeving
In de Europese klimaatwet45 is vastgelegd dat de Europese Unie uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit moet bereiken,
oftewel een netto-uitstoot van broeikasgassen van nul. Daarnaast bevat de Europese
klimaatwet een bindende tussentijdse doelstelling: in 2030 moet de uitstoot van broeikasgassen
in de EU met ten minste 55% zijn verminderd ten opzichte van het niveau in 1990.
De Nederlandse Klimaatwet sluit hierbij aan. Ook daarin is als lange-termijndoel opgenomen
dat in 2050 netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten. Voor 2030 is het streefdoel
vastgelegd om de uitstoot met 55% te reduceren ten opzichte van 1990.
Hernieuwbare energie speelt een cruciale rol bij het behalen van deze reductiedoelen.
In de herziene Richtlijn hernieuwbare energie is opgenomen dat het aandeel hernieuwbare
energie in de totale energiemix aanzienlijk moet toenemen. Ter ondersteuning hiervan
voorziet de richtlijn in maatregelen om vergunningsprocedures voor projecten op het
gebied van hernieuwbare energie te stroomlijnen, te vereenvoudigen en te versnellen.
Energiewet
Het hoofddoel van de wetgever is om met de Energiewet een stevig wettelijk fundament
te leggen voor de energietransitie en voor een veilige, betrouwbare en betaalbare
energievoorziening.
De Energiewet is modernisering van de verouderde Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet.
De Elektriciteitswet 1998 stamt uit een periode dat elektriciteit hoofdzakelijk werd
opgewekt in grote centrales op basis van fossiele brandstoffen. De energietransitie
heeft de vraag naar elektriciteit enorm vergroot en de opwek gebeurt nu steeds meer
op basis van decentrale, duurzame en hernieuwbare energiebronnen. Daar komt bij dat
door netcongestie de regelgeving niet voldoende aansluit bij de realiteit en dat er
Europese regelgeving is aangenomen die moest worden geïmplementeerd.
De Energiewet is een marktordeningswet en bevat de regels voor de beheerders van energie-infrastructuur
(systeembeheerders) en de regels voor marktpartijen die gebruik maken van deze infrastructuur,
zoals leveranciers. Behalve de aanwijzing van grotere infrastructurele werken als
werken met een nationaal belang, waardoor voor deze projecten de projectbesluitprocedure
als bedoeld in afdeling 5.2 van de Omgevingswet wordt gevolgd, zijn de raakvlakken
tussen dit wetsvoorstel en de Energiewet beperkt.
5. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen)
Het beoogde effect van de richtlijn is versnelling van procedures rond vergunningen
voor hernieuwbare-energieprojecten46. Een belangrijk deel van de bepalingen in de richtlijn zijn reeds onderdeel van Nederlandse
wet- en regelgeving. Uit inventarisatie en onderzoek dat de regering heeft uitgevoerd
in 2025 samen met medeoverheden en initiatiefnemers komt naar voren dat de meerwaarde
van REDIII beperkt lijkt te zijn. Daarmee zijn de gevolgen van dit wetsvoorstel ook
beperkt. Hieronder worden de verschillende gevolgen kort toegelicht.
Verwerking persoonsgegevens
Het wetsvoorstel biedt met het voorgestelde tweede lid, van artikel 2.47 van de Omgevingswet
een grondslag voor de Minister van Klimaat en Groene Groei om persoonsgegevens te
verwerken voor zover dit nodig is voor de vervulling van de rol als contactpunt. Dit
geldt voor projecten waarvoor de Minister van Klimaat en Groene Groei bevoegd is een
projectbesluit vast te stellen. Het effect ten opzichte van de huidige praktijk is
dus beperkt. Ook omdat het contactpunt op verzoek van de initiatiefnemer handelt.
Regeldruk
Het wetsvoorstel omvat de zuivere implementatie van een EU-richtlijn. Hierbij is gekozen
voor lastenluwe implementatie. De instrumenten die de herziene richtlijn biedt zijn
grotendeels facultatief. De richtlijn zal de regeldruk voor initiatiefnemers van hernieuwbare-energieprojecten
over het algemeen niet veranderen en in specifieke gevallen juist verlagen. Bijvoorbeeld
als de project-mer die nu door de initiatiefnemer verricht wordt, vervangen wordt
door een screening door het bevoegd gezag. Er zijn geen markteffecten of innovatie
effecten te verwachten, omdat de herziene richtlijn gaat over het versnellen van procedures.
Bij het voorstel van deze richtlijn heeft de Europese Commissie geen impact assessment
gedaan.
Gevolgen voor de rechtspraak
Rechtstreeks beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
De richtlijn schrijft in artikel 16, zesde lid, voor dat administratieve en gerechtelijke
beroepsprocedures in het kader van hernieuwbare-energieprojecten worden onderworpen
aan de snelste administratieve en gerechtelijke procedure die op het relevante nationale,
regionale en lokale niveau beschikbaar is. De snelste gerechtelijke procedure in het
Nederlandse recht is beroep in eerste en enige aanleg bij de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State.
Voor een aanzienlijk deel van de hernieuwbare-energieprojecten staat al beroep in
eerste en enige aanleg open bij de Afdeling. Het gaat om kavelbesluiten, besluiten
op grond van de Mijnbouwwet, projectbesluiten en besluiten ter uitvoering van een
projectbesluit. Op grond van de Energiewet is het projectbesluit het aangewezen instrument
voor de aanleg of uitbreiding van een windpark met een capaciteit van ten minste 15
MW en de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame
elektriciteit met behulp van zonne-energie met een capaciteit van ten minste 50 MW.
Voor de overige hernieuwbare-energieprojecten is aan artikel 2 van bijlage 2 bij de
Algemene wet bestuursrecht toegevoegd dat tegen een besluit op een aanvraag om omgevingsvergunningen
voor bepaalde hernieuwbare-energieprojecten, beroep in eerste en enige aanleg openstaat
bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Besluiten waarvoor als gevolg van deze wet rechtstreeks beroep bij de Afdeling openstaat,
zijn besluiten op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit,
een Natura 2000-activiteit, een flora- en fauna-activiteit, een bouwactiviteit, een
rijksmonumentenactiviteit, een beperkingengebiedactiviteit, een wateractiviteit en
een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een hernieuwbare-energieproject.
Het bovenstaande betekent dat de beroepszaken die op dit moment bij de rechtbank aanhangig
worden gemaakt, direct bij de Afdeling terecht komen. Naast een toename van beroepszaken
zal de keuze voor beroep in eerste en enige aanleg bij de Afdeling ook voor een afname
van zaken zorgen, namelijk de hoger beroepszaken die op dit moment door de Afdeling
worden afgedaan. Op dit moment is immers hoger beroep bij de Afdeling mogelijk, maar
met het wetsvoorstel wordt voorgesteld beroep in de genoemde gevallen in eerste en
enige aanleg bij de Afdeling te beleggen.
De verwachting is dat er als gevolg van het wetsvoorstel geen veranderingen zullen
optreden in het aantal aanvragen dat wordt ingediend voor hernieuwbare-energieprojecten
en het aantal rechtszaken dat tegen besluiten op deze aanvragen zal worden aangespannen.
Het advies dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ten aanzien van
deze wijziging heeft uitgebracht wordt besproken in hoofdstuk 9.
Gevolgen voor de rechtsbescherming
Hieronder worden kort de verschillende instrumenten, en de daarop van toepassing zijnde
rechtsbescherming, toegelicht die met dit wetsvoorstel worden geïntroduceerd of waarbij
ter implementatie van de richtlijn wordt aangesloten.
Aanwijzen versnellingsgebieden
Op grond van voorgesteld artikel 2.21b, van het wetsvoorstel kunnen versnellingsgebieden
worden aangewezen in het omgevingsplan. Tegen een wijziging van het omgevingsplan
staat beroep open. Het aanwijzen van versnellingsgebieden is voor het gemeentebestuur
geen verplichting. Voor de mapping zijn er enkele tientallen gemeentelijke gebieden
aangedragen, maar op basis van gesprekken met gemeenten en gelet op de geringe meerwaarde
lijkt de kans klein dat die gebieden zullen worden aangewezen als versnellingsgebied.
Daarbij komt dat het voor de hand ligt dat gemeenten het aanwijzen van een gebied
combineren met het ruimtelijk inpassen van hernieuwbare-energieprojecten. In de situatie
voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel stond al beroep open tegen
het (ruimtelijk) mogelijk maken van de projecten. Het tegelijk aanwijzen van een gebied
leidt dan niet tot een extra procedure.
Op grond van de Omgevingswet is tegen het omgevingsplan beroep mogelijk, waardoor
bij aanwijzing van een versnellingsgebied door middel van dit instrument op twee momenten
beroep mogelijk is: op planniveau en op projectniveau.
Als een provincie of de Minister een gebied aanwijst in de omgevingsverordening respectievelijk
Omgevingsregeling, staat daartegen geen beroep open. Tegen het bijbehorende plan evenmin.
Versnellingsgebiedsplan
Het versnellingsgebiedsplan is een verplicht programma als bedoeld in afdeling 3.2.2
van de Omgevingswet. Het versnellingsgebiedsplan hangt nauw samen met het aanwijzen
van een versnellingsgebied. De beide besluiten moeten in samenhang met elkaar worden
voorbereid en vastgesteld. Op grond van artikel 16.27, eerste van de Omgevingswet
is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing op de voorbereiding
van een programma. Dit betekent dat erdoor een belanghebbende een zienswijze kan worden
ingediend over het ontwerp van het versnellingsgebiedsplan.47 Op grond van artikel 1, van bijlage 2, bij de Awb kan tegen het versnellingsgebiedsplan
geen beroep worden ingesteld.48
Screening
Hernieuwbare-energieprojecten worden onderworpen aan een screening, als zij worden
uitgevoerd binnen een versnellingsgebied. Als uit de screening blijkt dat er aanzienlijke
effecten te verwachten zijn die niet naar voren zijn gekomen bij het verrichten van
de toetsen op planniveau, moet het bevoegd gezag dit vastleggen in een besluit. Dit
besluit is een voorbereidende beslissing als bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene
wet bestuursrecht en is op grond van ditzelfde artikel niet vatbaar voor bezwaar of
beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit
rechtstreeks in zijn belang treft.
Omgevingsvergunning voor een hernieuwbare-energieproject/projectbesluit
Tegen het nemen van een besluit op een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor
een hernieuwbare-energieproject of een daarop gericht projectbesluit staat de mogelijkheid
tot het indienen van bezwaar en het instellen van beroep open, al naargelang afdeling
3.4, van de Awb hierop van toepassing is. Met de in artikel II van dit wetsvoorstel
opgenomen wijziging wordt geregeld dat tegen een besluit, dat een omgevingsvergunning
voor een hernieuwbare-energieproject inhoudt, beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State in eerste en enige instantie open staat. In artikel 2, van bijlage
2 bij de Awb is reeds opgenomen dat ditzelfde geldt voor een besluit op grond van
afdeling 5.2, van de Awb.
6. Uitvoering
De inventarisatie van gebieden vergt inzet van bevoegde gezagen. Omdat deze inventarisatie
aan de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel vooraf gaat, is de verhoogde bestuurlijke
last niet toe te rekenen aan dit wetsvoorstel.
Aanwijzing van de gebieden, het vaststellen van een plan en het verrichten van de
screening is aan de bevoegd gezagen. Dit is geen verplichting. De keuze is dus aan
de bevoegd gezagen om hier capaciteit voor in te zetten. De lidstaten moeten de regionale
en lokale autoriteiten bijstaan om de vergunningsprocedure te vergemakkelijken.
De REDIII stelt ook kortere maximale beslistermijnen voor vergunningen, die wel verplicht
zijn. Dit vraagt mogelijk van bevoegd gezagen om vergunningen in bepaalde, uitzonderlijke,
gevallen sneller te beoordelen. Overigens worden de meeste van de gestelde termijnen
voor nationale projecten nu ook al gehaald. Bovendien was tot 1 juli 2025 de noodverordening
hernieuwbare energie49 van kracht, waarin termijnen gesteld worden voor projecten gericht op warmtepompen
en repowering projecten. Er is al een loket (DSO) waar vergunningaanvragen binnen
komen, dit wetsvoorstel verandert daar niets aan.
Het aanwijzen van een versnellingsgebied vergt een uitgebreidere plan-MER dan nu gebruikelijk
is, om in een later stadium geen project-MER nodig te hebben. Dit kan gevolgen hebben
voor de werklast van de Commissie voor de milieueffectrapportage, ook omdat deze commissie
sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog wel gevraagd moet worden om advies
over een plan-MER, maar niet langer over een project-MER.
De REDIII beoogt initiatiefnemers van hernieuwbare-energieprojecten te ontzorgen.
Zo verschuift de verantwoordelijkheid voor de project-MER die gewoonlijk bij de initiatiefnemer
ligt, naar verantwoordelijkheid voor de plan-mer en de screening door het bevoegd
gezag. Met de mogelijkheid voor compensatie door het bevoegd gezag, op kosten van
de initiatiefnemer, verschuift de uitvoering van deze compensatie van initiatiefnemer
naar bevoegd gezag.
Uitvoeringstoets decentrale overheden
Met de Vereniging Nederlandse Gemeenten en het Interprovinciaal Overleg wordt onderzocht
wat de gevolgen van de herziene richtlijn zijn voor decentrale overheden. De resultaten
van deze toets zullen opgenomen worden in de nota bij de AMvB, omdat veel van de effecten
samenhangen met de bepalingen die in de AMvB zullen worden opgenomen.
7. Toezicht en handhaving
Voor hernieuwbare-energieprojecten worden mitigerende maatregelen uit het plan vastgelegd
in vergunningvoorschriften voor het hernieuwbare-energieproject of in algemene regels
in het omgevingsplan of de omgevingsverordening. Toezicht en handhaving vindt plaats
zoals dat voor de vergunningen en het maatwerk en de algemene regels plaatsvindt op
grond van de Omgevingswet, de Algemene wet bestuursrecht en de Wet windenergie op
zee. Als niet tijdig wordt beslist op vergunningaanvragen, gelden de bepalingen uit
de Algemene wet bestuursrecht. Het onderhavige wetsvoorstel verandert hier niets aan.
8. Financiële gevolgen
De implementatie van de richtlijn kan verschillende financiële gevolgen hebben. Hierbij
is het vooralsnog lastig om in te schatten hoe groot deze gevolgen zijn, omdat een
inschatting gemaakt moet worden van hoe vaak de mogelijkheden van de herziene richtlijn
hernieuwbare energie benut zullen worden en of ze daadwerkelijk een verschil maken
met de huidige situatie.
Het aanwijzen van een versnellingsgebied door gemeenten en provincies is facultatief.
Een gevolg van de aanwijzing is dat het bevoegd gezag een plan moet vaststellen en
een screening moet verrichten voor hernieuwbare-energieprojecten binnen het gebied.
Daarentegen komt die screening in de plaats van een eventuele project-mer-(beoordeling),
zodat die inzet bespaard blijft. Met dit wetsvoorstel wordt geregeld dat bij de initiatiefnemer
rechten geheven kunnen worden voor de screening.
De richtlijn biedt onder voorwaarden de mogelijkheid van financiële compensatie van
negatieve natuur- en milieueffecten. De uitvoering hiervan ligt bij het Rijk of de
provincie of externe partijen. De kosten van de uitvoering kunnen net als het bedrag
voor de financiële compensatie ten laste van de initiatiefnemer komen.
Tenslotte kan toezicht en handhaving ook financiële gevolgen hebben.
9. Advies en consultatie
Dit wetsvoorstel en de bijbehorende memorie van toelichting zijn aan diverse instanties
voorgelegd voor advies. Hieronder zullen de verschillende adviezen kort worden toegelicht.
De Afdeling bestuursrechtspraak merkt op dat met de in het wetsvoorstel gemaakte keuze
voor beroep in één instantie een uitzondering wordt gemaakt op het uitgangspunt van
beroep in twee instanties50. Dit uitgangspunt is in de Algemene wet bestuursrecht neergelegd met het oog op het
waarborgen van de kwaliteit van de rechtspraak in de gehele keten. De Afdeling kan
de keuze voor beroep in één instantie volgen, gelet op de verplichting die uit de
richtlijn volgt. De gevolgen van het wetsvoorstel voor de werkbelasting van de Afdeling
bestuursrechtspraak zijn niet op voorhand in te schatten. Om die reden stelt de Afdeling
voor om in geval van een betekenisvolle toename van de inzet van medewerkers en staatsraden,
te bezien welke aanvullende middelen aan de Afdeling bestuursrechtspraak worden verstrekt
om in staat te zijn de beroepen binnen redelijke termijn af te handelen.
De Commissie voor de milieueffectrapportage benadrukt in haar reactie het belang van
zorgvuldige besluitvorming waarbij het milieubelang volwaardig kan meewegen51. Het vervallen van de verplichting tot het doen van een mer voor projecten hoeft
daar niet aan in de weg te staan, mits in de planfase voldoende (gedetailleerde en
brede) milieuonderzoeken worden uitgevoerd, een afdoende toets plaatsvindt of het
specifieke project past binnen de kaders van het plan en plan-milieueffectrapport
(MER) en vereiste mitigerende maatregelen worden geborgd. De Commissie twijfelt aan
de versnelling die met dit wetsvoorstel behaald kan worden, omdat zij meent dat het
lastig zal zijn gebieden te vinden waar aanzienlijke milieueffecten op planniveau
kunnen worden uitgesloten. Verder geeft de Commissie ter overweging dat de screening
mogelijk erg lijkt op het bestaande instrument van project-mer-beoordeling.
Het Adviescollege Toetsing Regeldruk heeft onderhavig wetsvoorstel dat strekt tot
de implementatie van de herziene richtlijn niet geselecteerd voor een formeel advies,
omdat het wetsvoorstel geen gevolgen voor de regeldruk heeft.
De Raad voor de Rechtspraak heeft aangegeven niet om advies gevraagd te hoeven worden,
maar graag te zien dat er in deze memorie meer toegelicht zou worden over rechtsbescherming.
Dat is vervolgens toegevoegd.
Internetconsultatie
Zoals aangegeven in de inleiding is bij het onderhavige wetsvoorstel sprake van zuivere
implementatie van EU-wetgeving en laat de richtlijn op de voor dit wetsvoorstel relevante
punten de lidstaten alleen beperkte keuzemogelijkheden op wetsniveau. Strikt genomen
is geen internetconsultatie nodig voor de implementatie van EU-regelgeving, noch voor
de mapping. Er is voor gekozen om toch breed te consulteren, omdat er belang gehecht
wordt aan een transparant wetgevingsproces en de mogelijkheid van inspraak bij de
(beperkte) keuzes die er zijn, en omdat het een bijdrage kan leveren aan de kwaliteit
van de voorgestelde regelgeving. Daarnaast hecht de regering aan het zo volledig mogelijk
verkrijgen van een beeld van de praktijk en een gedragen voorstel.
Naar aanleiding van de reacties op de internetconsultatie is het wetsvoorstel op een
aantal punten aangepast. Zo is de bevoegdheid voor het aanwijzen van versnellingsgebieden
uitgebreid met gemeenten (was eerst alleen Rijk en provincies). Daarnaast vindt het
aanwijzen van een gebied niet langer plaats in een afzonderlijk aanwijzingsbesluit,
maar in de bestaande instrumenten: het omgevingsplan (door gemeenten), de omgevingsverordening
(door provincies) en de Omgevingsregeling (door het Rijk).
Verder is het voornemen in een algemene maatregel van bestuur op te nemen dat projecten
na de screening een natuurvergunning krijgen, in plaats van vergunningvrij door te
mogen. Diverse respondenten gaven namelijk aan te verwachten dat een vergunning meer
juridische zekerheid biedt. De memorie van toelichting is op bovenstaande punten verduidelijkt.
10. Inwerkingtreding en overgangsrecht
De inwerkingtreding wordt op basis van dit wetsvoorstel bepaald bij koninklijk besluit.
Gestreefd wordt naar spoedige inwerkingtreding. Er zijn samenloopbepalingen opgenomen
voor de relatie met het Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie52 en het wetsvoorstel Wet versterking regie volkshuisvesting53.
II Artikelsgewijze toelichting
Artikel I (Omgevingswet)
Onderdeel A (toevoegen artikel 2.21b)
Op grond van de richtlijn kunnen gebieden worden aangewezen voor de versnelde uitrol
van hernieuwbare energie en kunnen gebieden worden aangewezen voor netwerk- en opslaginfrastructuur.
Voor die gebieden moeten plannen worden vastgesteld.
De richtlijn gaat uit van één besluit voor het aanwijzen van het gebied en het vaststellen
van een plan. Op grond van artikel 2.21 kan de Minister versnellingsgebieden aanwijzen
in de Omgevingsregeling. Het toe te voegen artikel 2.21b, aanhef en onder a, van de
Omgevingswet biedt de grondslagen dat het gemeentebestuur gebieden kan aanwijzen in
het omgevingsplan en het provinciebestuur in de omgevingsverordening.
Voor het vaststellen van een plan worden aan de artikelen 3.6, 3.8 en 3.9 van de Omgevingswet
onderdelen toegevoegd. Zie de toelichting bij onderdelen E, F en G.
Bij algemene maatregel van bestuur worden op grond van de artikelen 2.21b, aanhef
en onder b, en 2.24 en 2.25, eerste lid, onder a, onder 2° en derde lid, onder c,
onder 1° en onder 4°, van de Omgevingswet, zoals aangepast met dit wetsvoorstel, twee
dingen geregeld: (i) welk bestuursorgaan (gemeenteraad, provinciale staten of de Minister)
wijst in welk geval een gebied aan, en (ii) aan welke criteria moet de keuze van het
gebied voldoen?
(i). Welk bestuursorgaan wijst een versnellingsgebied aan?
Het uitgangspunt is dat gemeenten versnellingsgebieden aanwijzen in het omgevingsplan.
Dit is in overeenstemming met artikel 2.3 van de Omgevingswet, op grond waarvan de
uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van die wet wordt overgelaten aan
de bestuursorganen van een gemeente, tenzij daarover andere regels zijn gesteld. Daarbij
komt dat bij projecten als een windpark tot 15MW, een zonnepark tot 50MW of de aanleg
van een warmtenet geen rijks- of provinciale belangen aan de orde zijn. Daarnaast
hebben VNG en het IPO in de consultatie aangegeven dat het primaat voor het aanwijzen
van een versnellingsgebiedsplan bij de gemeente ligt.
Provincies hebben als taak het behoud of herstel van dier- en plantensoorten en van
hun biotopen en habitats. Ook moeten zij zorgdragen voor het treffen van maatregelen
voor Natura 2000-gebieden, in overeenstemming met de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn
(artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder g, Ow). Om deze taak te kunnen uitoefenen
is het van belang dat provincies betrokken zijn bij het aanwijzen van gebieden en
vaststellen van plannen door gemeenten. De Omgevingswet bevat hiervoor al verschillende
bepalingen en instrumenten. Zo moet de gemeente op grond van artikel 2.2 van de Omgevingswet
rekening houden met het beleid van de provincie en afstemmen met de provincie. Daarnaast
kan de provincie in de omgevingsverordening instructieregels opnemen waaraan de gemeente
moet voldoen. Als de gemeente een plan-mer verricht, moeten gedeputeerde staten geraadpleegd
worden. Tot slot zijn op projectniveau gedeputeerde staten ofwel bevoegd gezag, of
geven zij, als het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is, advies
met instemming voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000- of flora- en fauna-activiteit.
De Minister, in overeenstemming met de Ministers die het aangaat, wijst versnellingsgebieden
aan in Rijkswateren. De Minister en provincies kunnen ook gebieden aanwijzen als binnen
dat gebied een of meer hernieuwbare-energieprojecten worden uitgevoerd waarvoor de
Minister een projectbesluit neemt of gedeputeerde staten een projectbesluit nemen.
Gelet op de taakverdeling tussen de Ministers zal het de Minister van Klimaat en Groene
Groei zijn die gebieden aanwijst, in overeenstemming met de Ministers die het aangaat,
bijvoorbeeld de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor gebieden op de Noordzee
en andere Rijkswateren en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en
Natuur bij natuurbelangen.
(ii). Aan welke criteria moet de keuze van het gebied voldoen?
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels opgenomen over de keuze van de gebieden.
Omdat het aanwijzen van een versnellingsgebied gevolgen heeft voor hernieuwbare-energieprojecten
binnen het gebied, zoals het vrijstellen van de verplichting een mer-(beoordeling)
of passende beoordeling te verrichten, mogen versnellingsgebieden alleen worden aangewezen
volgens bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels. In het Besluit kwaliteit
leefomgeving wordt, overeenkomstig de artikelen 15quater, eerste lid, onder a en 15sexies,
eerste lid, onder a, b en c, van de richtlijn, bepaald dat het moet gaan om gebieden
waar de voorziene hernieuwbare-energieprojecten naar verwachting geen aanzienlijke
milieueffecten zullen hebben. Daarom moet bijvoorbeeld voorrang worden gegeven aan
kunstmatige en bebouwde oppervlakken en moeten Natura 2000-gebieden en belangrijke
trekroutes van vogels en zeezoogdieren worden vermeden.
Het aanwijzen van een versnellingsgebied heeft als gevolg dat voor bepaalde hernieuwbare-energieprojecten
specifieke termijnen en afwijkende regels gelden voor het verlenen van vergunningen.
In samenhang met het plan dat op grond van de artikelen 3.6, 3.8 en 3.9 van de Omgevingswet
voor een versnellingsgebied moet worden vastgesteld, heeft het aanwijzen van een versnellingsgebied
meer gevolgen. Het belangrijkste is dat hernieuwbare-energieprojecten binnen het gebied
onder voorwaarden zijn vrijgesteld van de mer-(beoordelings)plicht, passende beoordeling
en soortenbeschermingstoets op projectniveau.
Onderdeel B (wijziging artikel 2.25)
Instructieregels over omgevingsplannen en omgevingsverordeningen kunnen alleen worden
gesteld over de taken en typen regels die zijn genoemd in artikel 2.25, derde lid,
Omgevingswet.
Artikel 2.25, derde lid, Omgevingswet perkt de mogelijkheid tot het geven van instructieregels
in tot de taak- en bevoegdheidsuitoefening die de Omgevingswet vereist en bevoegdheden
die de wet daartoe verleent. Voor andere onderwerpen wordt het al of niet stellen
van regels aan decentrale overheden overgelaten.
Onderdeel B regelt de grondslag waarmee bij algemene maatregel van bestuur in het
Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels worden gesteld waaraan de keuze van
het gebied moet voldoen. Het moet gaan om gebieden waar hernieuwbare-energieprojecten
naar verwachting geen aanzienlijke milieueffecten zullen hebben. Daarom wordt bij
voorkeur gekozen voor kunstmatige en bebouwde oppervlakken en moeten Natura 2000-gebieden
en gebieden die onder nationale beschermingsregelingen voor natuur- en biodiversiteitsbehoud
vallen worden vermeden. Ook wordt geregeld dat in het besluit waarmee een gebied wordt
aangewezen gemotiveerd wordt hoe de criteria zijn toegepast. Dit is ter implementatie
van de artikelen 15quater, eerste lid, aanhef en onder a, en 15sexies, eerste lid,
van de richtlijn.
Onderdeel C (wijziging artikel 2.26)
Voor elk aangewezen gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie en voor
netwerk- en opslaginfrastructuur moet een plan worden vastgesteld. Deze plannen hebben
in de Omgevingswet de vorm van een programma als bedoeld in afdeling 3.2 van die wet.
Om aan te sluiten bij de richtlijn worden deze programma’s «plannen» genoemd.
Er is overigens alleen sprake van een verplicht programma als er een versnellingsgebied
is aangewezen. Ook worden grondslagen toegevoegd om bij algemene maatregel van bestuur
instructieregels te stellen over de inhoud of motivering van een besluit tot aanwijzing
van deze gebieden en instructieregels te stellen over plannen voor deze gebieden.
Aan artikel 2.26, derde lid, van de Omgevingswet wordt een onderdeel toegevoegd op
grond waarvan de instructieregels die moeten worden gesteld over plannen die voortvloeien
uit de richtlijn hernieuwbare energie, in ieder geval strekken ter uitvoering van
die richtlijn. Die instructieregels kunnen betrekking hebben op de plannen zelf en
op de doorwerking van de plannen naar juridisch bindende instrumenten. De doeltreffende
mitigerende maatregelen zullen worden opgenomen in die plannen. In het Besluit kwaliteit
leefomgeving worden instructieregels opgenomen over de inhoud van die plannen.
Dit is ter implementatie van de artikelen 15quater, eerste lid, aanhef en onder b,
en 15sexies, eerste lid, van de richtlijn, die stellen dat voor de aangewezen gebieden
onder andere passende regels worden opgesteld over doeltreffende mitigerende maatregelen.
Onderdeel D (toevoegen van paragraaf 2.6.4. over bijzondere taken gelet op hernieuwbare
energie)
Met dit artikel is artikel 16, derde lid, van de richtlijn geïmplementeerd, waarin
bepaald is dat de lidstaten een of meer contactpunten oprichten of aanwijzen die de
aanvrager om een hernieuwbare-energieproject op diens verzoek begeleiden en de volledige
administratieve vergunningaanvraag- en vergunningverleningsprocedure vergemakkelijken.
De aanvrager dient volgens de richtlijn gedurende de gehele procedure slechts met
één contactpunt contact te hebben. Het contactpunt begeleidt de aanvrager op transparante
wijze gedurende de administratieve vergunningsaanvraagprocedure, met inbegrip van
de milieubeschermingsgerelateerde stappen, tot het moment waarop de bevoegde autoriteiten
aan het einde van de vergunningverleningsprocedure een of meer besluiten vaststellen.
Het contactpunt verschaft de aanvrager daarnaast alle nodige informatie en schakelt,
in voorkomend geval, andere administratieve autoriteiten in. Het contactpunt zorgt
ervoor dat de in deze richtlijn vastgestelde termijnen voor de vergunningsprocedures
worden nageleefd.
Eerste lid
De Minister van Klimaat en Groene Groei wordt aangewezen als contactpunt dat op verzoek
van degene die een hernieuwbare-energieproject uitvoert, de procedure begeleidt, als
afdeling 5.2 daarop van toepassing is en de Minister van Klimaat en Groene Groei op
grond van artikel 5.44, eerste lid, of op grond van artikel 5.44a, vierde lid, van
de Omgevingswet bevoegd is om het projectbesluit in overeenstemming met de Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vast te stellen. De Minister van Klimaat
en Groene Groei is al contactpunt is voor hernieuwbare-energieprojecten die de projectprocedure
doorlopen en wordt hierbij ondersteund door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Met het voorgestelde eerste lid van artikel 2.47 van de Omgevingswet wordt de rol
van de Minister van Klimaat en Groene Groei verder geconcretiseerd.
Voor de overige hernieuwbare-energieprojecten is de verplichting tot het aanwijzen
van een contactpunt reeds geïmplementeerd door de artikelen 20.20 en 20.21 van de
Omgevingswet. Deze artikelen van de Omgevingswet vormen de grondslag voor het digitaal
stelsel Omgevingswet en de landelijke voorziening. Een initiatiefnemer van een hernieuwbare-energieproject
kan met gebruikmaking van het digitaal stelsel Omgevingswet en de landelijke voorziening
terecht bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag wordt hierbij ondersteund door het
Informatiepunt Leefomgeving.
Tweede lid
De Omgevingswet bevat grondslagen voor regels over de verwerking van persoonsgegevens
bij handhaving en in het digitaal stelsel Omgevingswet. Met het tweede lid wordt geregeld
dat ook bij de vervulling van de rol als contactpunt, persoonsgegevens alleen worden
verwerkt voor zover dat daarvoor nodig is.
Onderdelen E, F en G (wijziging artikelen 3.6, 3.8 en 3.9 voor het verplicht vaststellen
van versnellingsgebiedsplan bij aanwijzing van versnellingsgebied)
Voor de aangewezen gebieden moeten op grond van de artikelen 15quater, eerste lid,
en 15sexies, eerste lid, van de richtlijn plannen worden vastgesteld. In dit voorstel
krijgen die vorm als verplichte programma’s, maar in lijn met de richtlijn wordt gesproken van plannen.
Op basis van de onderhavige onderdelen van dit wetsvoorstel betekent dit dat het College
van B&W, gedeputeerde staten, dan wel de Minister van Klimaat en Groene Groei een
zelfbindend programma vaststelt als versnellingsgebiedsplan, zodra een versnellingsgebied
is aangewezen in respectievelijk het omgevingsplan, omgevingsverordening of Omgevingsregeling.
Op grond van artikel 2.24 en 2.26 van de wet worden in het Besluit kwaliteit leefomgeving
instructieregels gesteld over de inhoud van de plannen en over de doorwerking van
de plannen in juridisch bindende instrumenten, zoals omgevingsvergunningen (zie ook
de toelichting bij onderdeel C). In het plan moeten bijvoorbeeld mitigerende maatregelen
worden opgenomen. Dit kan op grond van artikel 3.5 van de Omgevingswet.
Dit is ter implementatie van de artikelen 15quater, eerste lid, aanhef en onder b,
en 15sexies, eerste lid, van de richtlijn, die stellen dat voor de aangewezen gebieden
onder andere passende regels worden opgesteld over doeltreffende mitigerende maatregelen.
Overwogen is om te regelen dat een gebied wordt aangewezen in het versnellingsgebiedsplan
zelf. Daarvoor is niet gekozen, omdat dit niet past bij het in het stelsel van de
Omgevingswet waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen de aanwijzing van locaties
en beleid en normstelling.54
Onderdelen H en I (wijziging artikelen 13.1 en 13.1a)
Aan de artikelen 13.1 en 13.1a van de Omgevingswet is toegevoegd dat de Minister van
Klimaat en Groene Groei, gemeenten en provincies rechten kunnen heffen voor het verrichten
van een screening hernieuwbare energie (zie afdeling 16.4b). De kosten van het verrichten
van de screening kunnen daarmee op de initiatiefnemer worden verhaald.
Onderdeel J (nieuw artikel 13.6a)
In sommige specifieke gevallen kan een project ondanks uit de screening gebleken zeer
waarschijnlijke aanzienlijke gevolgen voor het milieu toch doorgang vinden – ook zonder
nadere natuurtoets – als compenserende maatregelen worden getroffen onder verantwoordelijkheid
van het bevoegd gezag, in plaats van initiatiefnemer van het project. Hiermee worden
de in de screening geïdentificeerde (hoogstwaarschijnlijke) negatieve natuureffecten
gecompenseerd of programma’s gefinancierd om de staat van instandhouding van de betrokken
soorten te waarborgen of te verbeteren. Het gaat hier om wind- en zonne-energieprojecten
(art. 16bis van de richtlijn) en infrastructuur voor hernieuwbare energie in het elektriciteitssysteem
(15sexies, vierde lid). De kosten voor deze compenserende maatregelen worden door
de initiatiefnemer van het hernieuwbare-energieproject volledig vergoed.
Met het toevoegen van artikel 13.6a wordt een grondslag opgenomen om voor deze compensatie
voorschriften aan een omgevingsvergunning te verbinden. Volgens de richtlijn is deze
vorm van compensatie mogelijk voor hernieuwbare-energieprojecten voor het opwekken
van wind- en fotovoltaïsche zonne-energie die zijn vrijgesteld van de verplichting
een mer-(beoordeling), passende beoordeling en soortenbeschermingstoets uit te voeren
wanneer uit de screening blijkt dat er hoogstwaarschijnlijk onvoorziene negatieve
milieueffecten zullen zijn. Het voornemen bestaat om bij algemene maatregel van bestuur
voor al deze projecten vrijstelling te verlenen van de genoemde verplichtingen.
Daarnaast kan volgens de richtlijn compensatie van natuureffecten onder verantwoordelijkheid
van het bevoegd gezag alleen worden ingezet voor netwerk- en opslaginfrastructuur.
Hoewel de richtlijn compensatie onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag breder
mogelijk maakt, namelijk voor het compenseren van milieueffecten (waar natuureffecten
deel van uitmaken), wordt in dit wetsvoorstel de toepassing beperkt tot effecten op
soorten en habitats. Anders dan milieueffecten lenen deze natuureffecten zich goed
voor compensatie buiten het project.
Onderdeel K (wijziging artikel 16.53c)
Voor REDIII geldt dat in versnellingsgebieden voor het opwekken, de opslag of het
transport van hernieuwbare energie de effecten voor natuur en het milieu in een eerder
stadium op planniveau zijn onderzocht. Daarom zijn in beginsel geen mer-(beoordeling),
passende beoordeling en soortenbeschermingstoets op projectniveau meer nodig. Het
nieuwe derde lid voorziet hierin.
De verwachting is dat in de toekomst meer richtlijnen en verordeningen in het kader
van versnelling van de energietransitie zullen gaan voorzien in de mogelijkheid om
uitzonderingen toe te laten op de verplichting een passende beoordeling te maken.
Dat zou dan steeds een wetswijziging verlangen, wat een tijdige uitvoering van de
Europese wetgeving kan belemmeren.
Artikel 16.53c is nu te rigide en daarom wordt dit artikel uitgebreid met een derde
lid waarin in algemene zin wordt geregeld dat geen passende beoordeling hoeft te worden
gemaakt, wanneer dit is geregeld voor plannen of projecten op grond van een verordening,
richtlijn of besluit, als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag over de werking van
de Europese Unie. Om nadere invulling hiervan bij algemene maatregel van bestuur mogelijk
te maken, wordt het artikel verder uitgebreid met een delegatiegrondslag in het vierde
lid. In de richtlijn hernieuwbare energie wordt overigens geen mogelijkheid gegeven
voor een uitzondering op de verplichting een passende beoordeling uit te voeren op
planniveau en dus ook niet in de op dit artikel gebaseerde regels.
Onderdeel L (nieuwe afdeling 16.4b en artikel 16.53d Ow)
Met de nieuwe afdeling 16.4b en het nieuwe artikel 16.53d van de Omgevingswet worden
de artikelen 15sexies, derde lid en 16bis, vierde lid, van de richtlijn geïmplementeerd.
Als voor aangewezen gebieden een plan-mer en zo nodig een passende beoordeling of
soortenbeschermingstoets is uitgevoerd, gelden voor projecten binnen deze gebieden
geen mer-(beoordelings)plicht en verplichtingen tot het verrichten van een passende
beoordeling of soortenbeschermingstoets op projectniveau. Het bevoegd gezag moet de
projecten dan wel aan een screening onderwerpen, om na te gaan of het zeer waarschijnlijk
is dat een dergelijk project, gelet op de milieugevoeligheid van het geografische
gebied waar het project zal worden uitgevoerd, zal leiden tot aanzienlijke onvoorziene
negatieve milieueffecten die niet zijn vastgesteld tijdens het vaststellen van de
plan-mer of de natuurtoetsen op planniveau.
Als uit de screening blijkt dat er waarschijnlijk geen aanzienlijke onvoorziene negatieve
milieueffecten zijn, wordt bij algemene maatregel van bestuur geregeld dat een vergunning
kan worden verleend zonder dat een mer-(beoordeling), passende beoordeling en soortenbeschermingstoets
uitgevoerd hoeft te worden.
Eerste lid
In het eerste lid is bepaald dat een screening moet worden uitgevoerd voor hernieuwbare-energieprojecten
die worden verricht binnen een versnellingsgebied, als deze projecten zijn vrijgesteld
van de genoemde beoordelingsverplichtingen. De vrijstelling van deze verplichtingen
wordt geregeld bij algemene maatregel van bestuur.
Tweede lid
Met het tweede lid worden de artikelen 15sexies, derde lid en 16bis, vierde lid geïmplementeerd,
waarin het doel van de screening is opgenomen. De screening is een veel globalere
beoordeling dan de mer-beoordeling. Desgevraagd is namens de Europese Commissie aangegeven
dat de screening moet worden uitgevoerd zoals is beschreven in de artikelen 15sexies,
derde lid, en 16bis, vierde lid van de richtlijn en dat dit dus een andere procedure
is dan de mer-beoordeling als bedoeld in de mer-richtlijn.
Derde lid
Projecten die mogelijk grensoverschrijdende milieueffecten hebben mogen niet worden
vrijgesteld van de mer-(beoordelings)plicht. Daarom wordt bij de screening op projectniveau
gecontroleerd of er niet toch grensoverschrijdende milieueffecten zijn waarvan bij
de beoordeling op planniveau niet is gebleken.
Vierde lid
Als uit de screening van een project voor het opwekken van hernieuwbare energie blijkt
dat het project, gelet op de milieugevoeligheid van het gebied waar het project wordt
uitgevoerd, zeer waarschijnlijk zal leiden tot aanzienlijke onvoorziene negatieve
milieueffecten die niet kunnen worden verzacht door de maatregelen die zijn vastgesteld
in de plannen tot aanwijzing van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare
energie of die door de projectontwikkelaar zijn voorgesteld, moet het bevoegd gezag
dit volgens de richtlijn gemotiveerd op basis van duidelijke bewijzen in een administratief
besluit vaststellen. Dit besluit is een voorbereidende beslissing als bedoeld in artikel 6:3
van de Algemene wet bestuursrecht.
Tegen een voorbereidende beslissing staat geen zelfstandig bezwaar en beroep open,
tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks
in zijn belang treft. Dat is het geval als de initiatiefnemer als gevolg van het besluit
alsnog een mer, passende beoordeling of soortenbeschermingstoets moet verrichten.
Voor het project moeten dan in principe alsnog de milieu- en natuurbeoordelingen gedaan
worden. Voor deze beoordelingen staat een termijn van zes maanden, die in buitengewone
omstandigheden met zes maanden verlengd kan worden.
Voor projecten voor netwerk- en opslaginfrastructuur in een versnellingsgebied vindt
wel een screening plaats, maar als uit de screening blijkt dat er waarschijnlijk onvoorziene
negatieve milieueffecten zijn (waaronder ook natuureffecten vallen), hoeft daarover
geen besluit genomen te worden. Er moeten in dat geval evenredige mitigerende maatregelen
worden toegepast of compenserende maatregelen, die ook financieel kunnen zijn.
De verwachting is dat als een plan-mer of beoordeling op planniveau heeft plaatsgevonden,
projecten doorgang kunnen vinden omdat er op projectniveau ook geen milieueffecten
zullen zijn. Voor de zekerheid wordt een screening uitgevoerd, om er zeker van te
zijn dat er op projectniveau niet toch effecten zijn, die bij de beoordelingen op
planniveau en de plan-mer niet naar voren zijn gekomen. Als er geen effecten zijn,
kan de vergunningenprocedure worden afgerond zonder mer-(beoordeling), passende beoordeling
of soortenbeschermingstoets op projectniveau.
Als er wel onvoorziene milieueffecten zijn, moet voor projecten voor het opwekken
van hernieuwbare energie een mer en zo nodig een passende beoordeling en soortenbeschermingstoets
worden uitgevoerd, tenzij het om het opwekken van wind- of fotovoltaïsche zonne-energie
gaat. Voor de laatstgenoemde projecten wordt bij algemene maatregel van bestuur integraal
vrijstelling verleend van de beoordelingsplichten, ook al zijn er milieueffecten.
Volgens de richtlijn kan vrijstelling worden verleend in het geval van gerechtvaardigde
omstandigheden, onder meer wanneer dit nodig is om de uitrol van hernieuwbare energie
te versnellen om de doelstellingen op het gebied van klimaat en hernieuwbare energie
te halen. Naar de mening van het kabinet is sprake van zulke omstandigheden, omdat
windenergie en fotovoltaïsche zonne-energie de belangrijkste hernieuwbare-energiebronnen
zijn en zonder deze vrijstelling doelstellingen zeer waarschijnlijk niet gehaald worden.
De vrijstellingen worden op grond van de artikelen 16.43, vierde lid, aanhef en onder a,
en 16.53c, derde en vierde lid, van de Omgevingswet geregeld bij algemene maatregel
van bestuur.
In het geval er wel gevolgen zijn, maar niet alsnog beoordelingen hoeven plaats te
vinden, dus voor projecten voor energie-infrastructuur voor hernieuwbare energie en
projecten voor windenergie of fotovoltaïsche zonne-energie, treft de exploitant evenredige
mitigerende maatregelen of compenserende maatregelen, zo nodig financieel. Dit wordt
geregeld in het plan: in het Besluit kwaliteit leefomgeving zal geregeld worden dat
het plan een kader moet bevatten op grond waarvan het bevoegd gezag er met vergunningvoorschriften
of door algemene regels in het omgevingsplan of de omgevingsverordening voor zorgt
dat deze verplichtingen worden opgelegd aan degene die de activiteit verricht.
Vijfde lid
Met het vijfde lid wordt artikel 16quater, derde lid, van de richtlijn geïmplementeerd.
In dat artikellid is bepaald dat geen screening plaatsvindt voor projecten voor de
repowering van een hernieuwbare-energieproject voor zonne-energie, als de repowering
geen extra ruimte inneemt en het hernieuwbare-energieproject voor zonne-energie voldoet
aan de voorgeschreven mitigerende maatregelen.
Voor het begrip repowering wordt verwezen naar de richtlijn. Daarin is repowering
gedefinieerd als het vernieuwen van hernieuwbare energie producerende elektriciteitscentrales,
met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke vervanging van installaties of exploitatiesystemen
en apparatuur, teneinde de capaciteit te vervangen of de efficiëntie of capaciteit
van de installatie te verhogen.
Zesde lid
Op grond van het zesde lid worden in het Omgevingsbesluit regels gesteld over onder
andere de gegevens die worden gebruikt voor de screening en de termijn waarbinnen
de screening moet worden afgerond.
Onderdeel M (wijziging artikel 16.64)
De richtlijn stelt termijnen waarbinnen een besluit genomen moet zijn op een aanvraag
om een vergunning voor een hernieuwbare-energieproject. In de meeste gevallen wordt
met de bestaande regelgeving uit de Algemene wet bestuursrecht en de Omgevingswet
voldaan aan deze termijnen. In sommige gevallen schrijft de richtlijn een termijn
van drie maanden voor, een termijn die korter is dan die voor de reguliere procedure
uit de Algemene wet bestuursrecht. Daarom is aan artikel 16.64 een lid toegevoegd
op grond waarvan bij algemene maatregel van bestuur hernieuwbare-energieprojecten
kunnen worden aangewezen waarvoor kortere termijnen gelden. Omdat termijnen met een
lengte zoals in de richtlijn bedoeld, in het Nederlandse stelsel van bestuursrecht
worden uitgedrukt in weken, is gekozen voor een beslistermijn van twaalf weken.
Bij algemene maatregel van bestuur zal de termijn worden aangepast voor een omgevingsvergunning
voor het aanleggen en het gebruiken van een bodemenergiesysteem met een warmtepomp
met een vermogen van minder dan 50 MW. Als het gaat om een open bodemenergiesysteem
is een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit vereist. Daarnaast
worden energieprojecten voor zonne-energie op kunstmatige constructies aangewezen.
In de meeste gevallen geldt geen vergunningplicht, maar in bepaalde gevallen kan toch
een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, rijksmonumentenactiviteit of een
omgevingsplanactiviteit vereist zijn. Het voornemen bestaat om bij de aanwijzing van
hernieuwbare-energieprojecten op grond van het voorgestelde vijfde lid gebruik te
maken van de mogelijkheid die de richtlijn biedt om projecten op, aan of in (voor)beschermde
monumenten of in beschermde stads- en dorpsgezichten uit te zonderen. Op grond van
de nu geldende regeling in het Omgevingsbesluit over advies en instemming voor aanvragen
om een omgevingsvergunning zouden dergelijke projecten zonder deze uitzondering onder
onderdeel b van het voorgestelde artikel 16.64, vijfde lid, vallen (gevallen waarvoor
geen instemming is vereist).
Onderdeel N (wijziging bijlage I)
Door middel van dit onderdeel worden zes begripsbepalingen toegevoegd aan de Omgevingswet.
1. Voor het begrip hernieuwbare energie wordt verwezen naar de begripsbepalingen uit de richtlijn:
«energie uit hernieuwbare bronnen» of «hernieuwbare energie»: energie uit hernieuwbare
niet-fossiele bronnen, namelijk windenergie, zonne-energie (thermische zonne-energie
en fotovoltaïsche energie) en geothermische energie, omgevingsenergie, getijdenenergie,
golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, en energie uit biomassa,
stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties, en biogas.
In aanbeveling (EU) 2024/1343, van 13 mei 2024 heeft de Europese Commissie aangegeven
dat hernieuwbare waterstof ook onder de definitie van het begrip hernieuwbare energie
valt.
2. Van een hernieuwbare-energieproject is sprake bij de totstandbrenging en exploitatie van een installatie voor:
a. het opwekken van hernieuwbare energie
b. energie-infrastructuur voor hernieuwbare energie.
Deze tweedeling haakt aan op de twee soorten versnellingsgebieden die kunnen worden
aangewezen. Een installatie voor het opwekken van hernieuwbare energie omvat ook de
bijbehorende infrastructuur, bijvoorbeeld voor opslag en aansluiting op het netwerk.
De onder b bedoelde installaties zijn afzonderlijke installaties voor energie-infrastructuur.
Energie-infrastructuur is in de Omgevingswet gedefinieerd als werken, kabels of leidingen,
waaronder lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd
voor opwekking of winning, transport en opslag van elektriciteit, respectievelijk
stoffen als energiedrager. Een project is gedefinieerd als a) het bouwen van bouwwerken
of de totstandbrenging van installaties of werken, en b) andere activiteiten die onderdelen
van de fysieke leefomgeving wijzigen, inclusief activiteiten voor de winning van delfstoffen.
3. Voor een gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie wordt niet aangesloten bij de begripsbepaling uit de richtlijn, maar wordt verwezen
naar artikel 15quater, eerste lid, van de richtlijn, omdat dat concreter is. Gebieden
voor netwerk- en opslaginfrastructuur worden niet gedefinieerd in de richtlijn. De
richtlijn definieert overigens een «gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare
energie» als: een specifieke locatie of gebied, te land, ter zee of op binnenwateren,
die/dat een lidstaat heeft aangewezen als bijzonder geschikt voor de installatie van
installaties voor de productie van hernieuwbare energie.
4. Een infrastructuurgebied voor hernieuwbare energie is volgens de richtlijn een gebied voor de ontwikkeling van projecten voor netten
en opslag die nodig zijn voor de integratie van hernieuwbare energie in het elektriciteitssysteem.
5. In de begripsomschrijving bij screening hernieuwbare energie is verwezen naar de artikelonderdelen in de richtlijn waarin het doel en de eisen
aan de screening zijn beschreven.
6. Een versnellingsgebiedsplan is een zelfbindend programma dat wordt zodra een versnellingsgebied is aangewezen.
Voor dergelijke plannen worden in het Bkl instructieregels voorgeschreven. Bijvoorbeeld
dat er mitigerende maatregelen in het plan moeten worden opgenomen.
Artikel II (Algemene wet bestuursrecht)
Dit artikel wijzigt artikel 2 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht. Op
grond van artikel 16, zesde lid, van de richtlijn, moeten beroepsprocedures voor hernieuwbare-energieprojecten
worden onderworpen aan de snelste administratieve en gerechtelijke procedure die op
het relevante nationale, regionale en lokale niveau beschikbaar is. Met de aanvulling
van artikel 2 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt daarom geregeld
dat tegen besluiten over hernieuwbare-energieprojecten beroep openstaat bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State als eerste en enige instantie.
Artikel III (Wet windenergie op zee)
Artikel III wijzigt artikel 12a van de Wet windenergie op zee. Er wordt een grondslag
toegevoegd om rechten te heffen voor een screening hernieuwbare energie aan de exploitant
van een windpark op zee.
Het is niet nodig om aan de Wet windenergie op zee een grondslag toe te voegen om
aan een vergunning voor een project voor windenergie op zee de voorwaarde te verbinden
dat de exploitant een bedrag betaalt voor de compensatie van de gevolgen voor de natuur
van het windpark. In artikel 15, derde lid, van de Wet windenergie op zee is bepaald
dat de Minister van Klimaat en Groene Groei aan een vergunning voorwaarden en voorschriften
kan verbinden. Deze bepaling omvat ook de mogelijkheid om voor te schrijven dat een
bijdrage wordt betaald voor natuurcompensatie.
Artikelen IV en V
Met de in deze artikelen opgenomen voorgestelde wijzigingen zijn samenloopbepalingen
opgenomen in verband met de tekstuele afhankelijkheid tussen onderhavig wetsvoorstel,
de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie en het bij koninklijke boodschap
van 6 maart 2024 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht,
de Huisvestingswet 2014, de Omgevingswet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
en de Woningwet in verband met de versterking van de regie op de volkshuisvesting
en met het oog op enkele andere met de volkshuisvesting samenhangende maatregelen
(Wet versterking regie volkshuisvesting) (Kamerstukken 2024/25, 36 512).
III Implementatietabel
Richtlijn (EU) 2023/2413
Omgevingswet, Algemene wet bestuursrecht, Wet windenergie op zee
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting op keuze bij invulling beleidsruimte
Artikel 15ter
Behoeft geen implementatie, gaat om voorschriften die door feitelijk handelen worden
ingevuld
Artikel 15quater, eerste lid
Artikel I, onder A, D, E, F en G
(Artikelen 2.21b, 3.6, 3.8 en 3.9 Omgevingswet) en bij amvb op basis van de grondslag
van artikel 2.21b, onder b, van de Omgevingswet.
Artikel 15quater, tweede lid
Reeds geïmplementeerd in de Omgevingswet (artikelen 16.36 en 16.53c)
Artikel 15quater, derde lid
Dit wordt geïmplementeerd bij amvb op grond van artikel 16.139, tweede lid, onder g,
van de Omgevingswet.
Artikel 15quater, vierde lid
Eerder aangewezen gebieden konden worden aangemerkt als versnellingsgebied
Er zijn geen eerder aangewezen gebieden.
Artikel 15quater, vijfde lid
Zie bij artikel 16bis
Artikel 15quinquis, eerste lid
Reeds geïmplementeerd in de Algemene wet bestuursrecht (Afdeling 3.4), de Omgevingswet
en daarop gebaseerde regelgeving (artikelen 5.47, 5.48 en 5.51, 16.23 en 16.55 Omgevingswet,
5.3, 5.5, 10.8 Omgevingsbesluit, artikel 7.4 Omgevingsregeling)
Artikel 15quinquis, tweede lid
Reeds geïmplementeerd in artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet
Artikel 15sexies, eerste lid
Artikel I, onder A, D, E, F en G
(Artikelen 2.21b, 3.6, 3.8 en 3.9 Omgevingswet)
Gebieden voor opslag- en netwerkinfrastructuur kunnen worden aangewezen.
Hiervoor is een kan-bepaling in de wet opgenomen.
Artikel 15sexies, tweede lid
Artikel I, onder K (artikel 16.53c Omgevingswet) en bij amvb op grond van artikel 16.53c,
vierde lid, van de Omgevingswet.
Artikel 15sexies, derde lid
Artikel I, onder L (artikel 16.53d Omgevingswet)
Artikel 15sexies, vierde lid
Dit wordt geïmplementeerd bij amvb op grond van artikel 16.53c, vierde lid, van de
Omgevingswet.
Artikel 15sexies, vijfde lid
Dit wordt geïmplementeerd bij amvb op grond van artikel 16.53d, zesde lid, van de
Omgevingswet.
Artikel 16, eerste lid
Reeds geïmplementeerd in hoofdstuk 4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 8 van het Besluit
kwaliteit leefomgeving.
Artikel 16, tweede lid
Dit wordt geïmplementeerd bij amvb op grond van artikel 16.64, vijfde lid, van de
Omgevingswet.
Artikel 16, derde lid
Artikel I, onderdeel D (artikel 2.47 Omgevingswet)
De lidstaat kan een of meerdere contactpunten oprichten of aanwijzen.
Voor de overige hernieuwbare- energieprojecten is de bepaling reeds geïmplementeerd
in de artikelen 20.20 en 20.21 van de Omgevingswet.
Artikel 16, vierde lid
Behoeft geen implementatie, gaat om voorschriften die door feitelijk handelen worden
ingevuld.
Artikel 16, vijfde lid
Reeds geïmplementeerd in hoofdstukken 6, 7 en 8 Algemene wet bestuursrecht
Artikel 16, zesde lid
Artikel II (hoofdstuk 2 Algemene wet bestuursrecht)
Artikel 16, zevende lid
Behoeft geen implementatie, gaat om voorschriften die door feitelijk handelen worden
ingevuld.
Artikel 16, achtste lid
Reeds geïmplementeerd in afdeling 16.5.2 en afdeling 16.6 van de Omgevingswet.
Artikel 16, negende lid
Reeds geïmplementeerd in afdeling 16.3 en artikel 16.64, derde lid, van de Omgevingswet.
Artikel 16 bis, eerste en tweede lid
Dit wordt geïmplementeerd bij amvb op grond van artikel 16.64, vijfde lid, van de
Omgevingswet.
Artikel 16bis, derde lid
Artikel I, onder K (artikel 16.53c Omgevingswet) en bij amvb op grond van artikel 16.53c,
vierde lid, van de Omgevingswet.
Artikel 16bis, vierde lid
Artikel I, onder L (artikel 16.53d Omgevingswet)
Artikel 16bis, vijfde lid
Artikel I, onder L (artikel 16.53d Omgevingswet) en bij amvb op grond van artikel 16.53d,
zesde lid, van de Omgevingswet.
Er kan vrijstelling verleend worden van beoordelingen op projectniveau voor projecten
voor wind- en fotovoltaïsche zonne-energie.
Gelet op het behalen van de doelstellingen is ervoor gekozen om integraal vrijstelling
te verlenen.
Artikel 16bis, zesde lid
Geen implementatie nodig, omdat het beginsel van administratieve stilzwijgende goedkeuring
niet bestaat ten aanzien van vergunningen in het stelsel van de Omgevingswet.
Artikel 16ter, eerste lid
Reeds geïmplementeerd in artikel 16.64 van de Omgevingswet.
Artikel 16ter, tweede lid
Reeds geïmplementeerd in artikel 16.66, derde lid, van de Omgevingswet en artikel 11.15
van het Omgevingsbesluit.
Artikel 16quater, eerste lid
Behoeft geen implementatie, omdat er in Nederland geen vergunningsprocedures bestaan
voor aansluitingen op het transmissienet of distributienet.
Artikel 16quater, tweede lid
Dit wordt geïmplementeerd bij amvb op grond van artikel 16.53d, zesde lid, van de
Omgevingswet.
Artikel 16quater, derde lid
Dit wordt geïmplementeerd bij amvb op grond van artikel 16.53d, zesde lid, van de
Omgevingswet.
Artikel 16quinquis, eerste lid
Dit wordt, voor zover implementatie nodig is, geregeld bij amvb op grond van artikel 16.64,
vijfde lid, van de Omgevingswet.
Artikel 16 quinquis, tweede lid
Dit wordt, voor zover implementatie nodig is, geregeld bij amvb op grond van artikel 16.43,
eerste en vierde lid, van de Omgevingswet.
Artikel 16sexies, eerste lid
Dit wordt, voor zover implementatie nodig is, geregeld bij amvb op grond van artikel 16.64,
vijfde lid, van de Omgevingswet.
Artikel 16sexies, tweede lid
Behoeft geen implementatie, omdat er in Nederland geen vergunningsprocedures bestaan
voor aansluitingen op het transmissienet of distributienet.
Artikel 16sexies, derde lid
Dit wordt, voor zover implementatie nodig is, geregeld bij amvb op grond van artikel 16.139,
eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.
Artikel 16sexies, vierde lid
Reeds geïmplementeerd in afdeling 3.6 van de Awb.
Artikel 16 septies
Reeds geïmplementeerd in de artikelen 8.74j, eerste lid, onder b, subonderdeel 1°,
8.74k, eerste lid, onder b, subonderdeel 3° en 8.74l, eerste lid, onder b, subonderdeel 3°
van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.T.M. Hermans
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.