Brief regering : Periodieke Kamerbrief onderwijshuisvesting najaar 2025
36 800 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2026
Nr. 35
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 december 2025
Sinds 2023 wordt met de PO-Raad, VO-Raad en VNG samengewerkt aan de gezamenlijke aanpak
onderwijshuisvesting1 en is toegezegd uw Kamer periodiek te informeren over de voortgang. In deze brief
wordt uw Kamer geïnformeerd over de ontwikkelingen binnen deze aanpak sinds de brief
van vorig jaar najaar2 en over de uitvoering van motie Pijpelink3 die vroeg naar een brede verkenning van monitoringsmogelijkheden op het gebied van
onderwijshuisvesting. Onlangs heeft uw Kamer een brief ontvangen van de PO-Raad en
de VO-raad (hierna: sectorraden) over onderwijshuisvesting4. Uw vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft gevraagd om een reactie
op die brief5. Hieronder volgt daarom eerst een korte reactie op die brief.
Brief sectorraden en aanpak onderwijshuisvesting
Zoals de sectorraden aangeven, zijn veel schoolgebouwen verouderd. Ze voldoen niet
aan de (toenemende) klimaateisen en hebben een slecht binnenklimaat. Eerder concludeerde
het IBO Onderwijshuisvesting «een vak apart» 2021 daarom dat er tot 2050 een grote
opgave ligt om aan de klimaatdoelen te voldoen. Naast klimaatdoelen vragen ook andere
maatschappelijke ontwikkelingen rond kansengelijkheid, samenwerking in het sociaal
domein en inclusie steeds meer van schoolgebouwen. Ook heeft het binnenklimaat een
directe impact op de leerprestaties van kinderen.6 Goede schoolgebouwen zijn niet alleen van belang voor de leerprestaties van kinderen,
maar ook voor een gezonde werkomgeving van onderwijspersoneel.
Het IBO concludeerde dat om de geconstateerde opgave aan te pakken, het vervangingstempo
van schoolgebouwen omhoog moet, dat wil zeggen dat er jaarlijks meer schoolgebouwen
vervangen of gerenoveerd worden dan nu het geval is. Dit draagt ook bij aan een beter
binnenklimaat en aan de andere maatschappelijke uitdagingen.
Het rapport concludeerde dat daarvoor aanvullende middelen nodig zijn van € 730 miljoen
per jaar tot 2050 (prijspeil 2019). Bij de behandeling van de Onderwijsbegroting 2026
heeft uw Kamer gevraagd om dit bedrag te indexeren. Geïndexeerd met de gemiddelde
inflatie over de jaren 2019–2025 komt dit bedrag op € 930 miljoen per jaar (prijspeil
2025). In de brief van de sectorraden wordt gesproken over een financieel tekort van
1,3 miljard. Dit verschil wordt verklaard doordat de sectorraden een inschatting hebben
gemaakt die is gebaseerd op de bouwkosten die sneller gestegen zijn dan de gemiddelde
inflatie.
De zorg voor onderwijshuisvesting is gedecentraliseerd aan gemeenten en schoolbesturen
zijn verantwoordelijk voor het onderhoud van de gebouwen. Zoals eerder met uw Kamer
gewisseld, is het tot nu toe niet mogelijk gebleken om vanuit het Rijk te voorzien
in de voor de opgave benodigde aanvullende middelen. Ondanks dat is het wel gelukt
om samen met de VNG en de sectorraden te werken vanuit een gezamenlijke ambitie7 aan een aanpak onderwijshuisvesting. Hiermee zorgen we ervoor dat de middelen die
er zijn zo doelmatig mogelijk worden ingezet en ondersteunen we gemeenten en scholen
bij scholenbouw. Ik ben de sectorraden en VNG daarom zeer erkentelijk voor deze samenwerking.
Het biedt echter nog geen oplossing voor de aanvullende middelen die nodig zijn voor
de opgave.
Voortgang aanpak onderwijshuisvesting
De aanpak onderwijshuisvesting bestaat uit drie onderdelen. Ten eerste is er het wetsvoorstel
planmatige aanpak onderwijshuisvesting dat tot doel heeft verbeteringen in het stelsel
te verankeren in de wetgeving. Ten tweede is er het Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting,
dat door bouwend te leren komt tot product- en procesinnovatie. Ten derde is er het
Programma Onderwijshuisvesting, dat zich onder andere richt op kennisdeling, professionalisering,
en ondersteuning van gemeenten en schoolbesturen bij hun vastgoedopgave. Alle drie
de onderdelen samen beogen te komen tot het sneller en kostenefficiënter realiseren
van kwalitatief betere schoolgebouwen.
Wetsvoorstel onderwijshuisvesting
Het wetsvoorstel planmatige aanpak onderwijshuisvesting is begin 2025 aan uw Kamer
aangeboden. De plenaire behandeling van dit wetsvoorstel staat voorlopig gepland in
week 13 2026.
Het doel van dit wetsvoorstel is dat gemeenten en het schoolbestuur tot een meer planmatige
en doelmatige aanpak van bouw, beheer en onderhoud van schoolgebouwen in het funderend
onderwijs komen. Het verplicht daartoe gemeenten een integraal huisvestingplan (IHP)
op te stellen en verplicht schoolbesturen een meerjarig onderhoudsplan (MJOP) op te
stellen. Ook wordt renovatie van schoolgebouwen opgenomen als voorziening die aan
te vragen is bij gemeenten. Tot slot worden de investeringsmogelijkheden in het primair
onderwijs verruimd, waardoor het voor schoolbesturen in het primair onderwijs (net
als in het voortgezet onderwijs) mogelijk wordt om in hun schoolgebouwen te investeren.
Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting (IPOHV)
In het Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting(IPOHV) leren we samen hoe we sneller
en kostenefficiënter, betere schoolgebouwen kunnen bouwen, renoveren en vernieuwen.
Daarbij staan de kwaliteit van het gebouw en de talentontwikkeling van leerlingen
centraal. Het wordt gefinancierd met middelen uit het Nationaal Groeifonds.
Op 7 oktober is de eerste tranche formeel van start gegaan met een startbijeenkomst
in Utrecht. Het enthousiasme is groot, zowel bij de deelnemers als bij het Ministerie
van OCW, PO-Raad, VO-raad, VNG en het programmabureau Ruimte-OK. Er zijn 27 bouwprojecten
geselecteerd om aan deze tranche mee te doen. Het aantal aanvragen hiervoor lag boven
verwachting: 92 bouwprojecten hebben een aanvraag ingediend. De looptijd van deze
eerste tranche van het IPOHV is van 2025–2029.
Het doel van de eerste tranche is om te komen tot hogere prestaties van schoolgebouwen
op het gebied van gezondheid, duurzaamheid, inclusiviteit en (onderwijs)adaptiviteit.
Daarnaast wordt gefocust op het vergroten van het innovatief vermogen van de bouwsector
om te komen tot efficiëntere bouwprocessen en het verlagen van ontwikkel-, bouw-,
en exploitatiekosten. Deelnemers zijn verplicht actief deel te nemen aan een leerlab.
Het programmabureau Ruimte-OK zorgt voor de aansturing en uitvoering van de leerlabs.
De opgeleverde innovaties en ervaringen worden breed met de onderwijssector gedeeld.
De leerlabs van de tweede tranche van het innovatieprogramma starten naar verwachting
in het najaar van 2028.
Programma Onderwijshuisvesting (POHV)
Het Programma Onderwijshuisvesting richt zich op het stimuleren en ondersteunen van
een meer programmatische en integrale aanpak van de vastgoedopgave van gemeenten en
schoolbesturen, zodat de voor onderwijshuisvesting beschikbare middelen doelmatiger
worden besteed. Ook wordt ingezet op het verbeteren van de samenwerking met de markt.
Daarnaast zijn er vanuit het programma al experts en specialisten beschikbaar om gemeenten
en schoolbesturen te ondersteunen bij de opgave. Zo kunnen schoolbesturen en gemeenten
bij het programma terecht voor gerichte vragen of voor hulp waarbij de gehele opgave
van een gemeente centraal staat. Er worden masterclasses, cursussen en informatiesessies
georganiseerd waar kennis kan worden uitgewisseld en praktijkvoorbeelden kunnen worden
gedeeld.
Binnen het POHV zijn 27 instrumenten ontwikkeld om gemeenten en schoolbesturen te
ondersteunen in hun vastgoedopgave. De instrumenten bestaan uit kennisdocumenten,
handleidingen en gestandaardiseerde formats waarmee schoolbesturen en gemeenten zelfstandig
of met begeleiding vanuit het programma aan de slag kunnen.8 Naast standaardisatie wordt ook gewerkt aan inzicht in de staat van schoolgebouwen
en versterking van bestuurlijke samenwerking. De instrumenten zijn ontwikkeld in samenwerking
met InvestNL, deze samenwerking loopt nog tot eind dit jaar.
Het POHV is inmiddels in de implementatiefase beland. In 2025 zijn alle instrumenten
door schoolbesturen en gemeenten in de praktijk getest.
Elk instrument is hierbij op kleine schaal in gebruik genomen en is er in kaart gebracht
welke ondersteuning er nodig is in het gebruik. Op deze manier kunnen alle instrumenten
geoptimaliseerd worden en naar verwachting uiterlijk in het voorjaar van 2026 gereed
zijn voor breed landelijk gebruik.
Alle instrumenten zijn in co-creatie met schoolbesturen, gemeenten en marktpartijen
tot stand gekomen. In totaal hebben circa 400 enthousiaste gemeenten, schoolbesturen
en marktpartijen hieraan bijgedragen. Hierdoor kunnen de instrumenten rekenen op draagvlak
vanuit de sector, maar ook vanuit marktpartijen.
Motie Pijpelink
Op 18 april 2024 is een motie van het Lid Pijpelink aangenomen9. In deze motie is gevraagd naar een brede verkenning van monitoringsmogelijkheden
op het gebied van onderwijshuisvesting. Andersson Elfers Felix (AEF) heeft hier onderzoek
naar gedaan in opdracht van het Ministerie van OCW. Het eindrapport is bijgevoegd
bij deze brief. De beleidsreactie volgt op een later moment.
De conclusie van het onderzoek is dat er overeenstemming bestaat tussen schoolbesturen,
gemeenten en het Rijk dat monitoring van onderwijshuisvesting van meerwaarde is: inzicht
uit monitoringsinformatie draagt bij aan betere sturing, een gelijker speelveld en
draagvlak voor (gerichtere) investeringen. Bij een inzet op het professionalisering
van monitoring om knelpunten te adresseren, zijn meerdere inrichtingskeuzes te maken.
Hier lopen op dit moment andere onderzoeken naar. De afwezigheid van structureel toezicht
en handhaving wordt niet als knelpunt ervaren.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
K.M. Becking
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap