Brief regering : Verzamelbrief digitalisering december 2025
26 643 Informatie- en communicatietechnologie (ICT)
Nr. 1450
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 december 2025
Met deze brief informeer ik uw Kamer ten eerste over de beleidsreacties op het manifest
«Ons Digitaal Fundament» en het rapport «Dwars door de orde» en daarnaast over verschillende
openstaande moties en toezeggingen aan de hand van vijf overkoepelende beleidsthema’s.
Daarnaast stuur ik u (eventuele) rapportages en onderzoeken.
De brief is als volgt ingedeeld:
1. Beleidsreacties
2. Digitale Weerbaarheid en digitale autonomie
3. Dienstbare overheid
4. Digitale Samenleving
5. Digitaal vakmanschap en moderne digitale overheid
6. Data, Artificiële Intelligentie en algoritmen
In bijlage 1 heb ik opgenomen aan welke moties ik uitvoering geef en welke toezeggingen
ik met deze brief als afgedaan beschouw.
1. Beleidsreacties
Reactie op «Ons Digitaal Fundament»
Tijdens het notaoverleg (Kamerstuk 26 643, nr. 1427) over de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) van 29 september jl. is een motie
ingediend door het lid Kathmann c.s. welke de regering verzoekt om de aanbevelingen
uit Ons Digitaal Fundament (ODF) te verwerken in het vervolg op de NDS.1, 2 Deze is door een meerderheid van de fracties gesteund. Ik zie de reactie en aanbevelingen
als een zichtbaar resultaat van de inspanningen die de voormalige commissie Digitale
Zaken heeft gepleegd. Ik geef daarom graag gehoor aan het verzoek van uw Kamer om
de aanbevelingen mee te nemen in de uitvoering van de NDS.
Die uitvoering van de NDS is inmiddels opgestart: het uitvoeringsprogramma staat,
werkt overheidsbreed en zet daarbij onze bestuurders en inhoudelijke experts bij dienstverleners,
medeoverheden en ministeries aan het stuur van de grote veranderingen die we met de
NDS willen bewerkstelligen. Met die nieuwe aanpak starten we met het doorbreken van
een aantal barrières die eerder aan onze gezamenlijke vooruitgang in de weg hebben
gestaan. De NDS bevat geen uitputtende opsomming van acties, maar heeft een aantal
acties geprioriteerd die nodig zijn om de digitale transitie van de Nederlandse overheid
te versnellen. Dat is een bewuste keuze geweest. Ik heb vertrouwen in die aanpak:
we moeten stoppen met stapelen en ons richten op een aantal concrete doorbraken.
Met die reden heb ik dan ook in het notaoverleg NDS van 29 september jl. aangegeven
terughoudend te zijn met een wijziging van de NDS. Niet alleen omdat dit niet aan
mij is – de NDS is immers een akkoord tussen vier bestuurslagen en de publieke dienstverleners
– maar ook omdat ik wil dat er focus blijft in de uitvoering van de NDS. Ook het Adviescollege
ICT-Toetsing heeft in haar reactie «Suggesties voor effectieve realisatie van de NDS»
geadviseerd om te focussen op belangrijke randwaarden van succes en om binnen de prioriteiten
nog scherp te prioriteren.3 Dat neemt niet weg dat ik wel wil bezien hoe deze meegenomen kunnen worden in de
uitvoering. In het licht daarvan zal ik hieronder ingaan op de algemene aanbevelingen
en aanbevelingen per prioriteit.
Algemene aanbevelingen
In het stuk «Ons Digitaal Fundament» zijn vier algemene aanbevelingen opgenomen.4 Allereerst de aanbeveling om de NDS vervolgstappen dit jaar – of op zijn minst «vlot»
– uit te voeren. Zoals hierboven genoemd is het uitvoeringsprogramma reeds gestart.
Als het gaat om de NDS-Raad en het Bestuurlijk Overleg Digitalisering komen deze periodiek
bijeen en krijgt de wisselwerking tussen beiden steeds meer vorm.
Ten tweede de investeringsagenda van de NDS. U heeft op 17 november een tussenstand
van de investeringsagenda ontvangen.5 Dit eerste beeld laat zien dat de digitaliseringsopgaven nu en in komende kabinetten
vragen om een flinke, structurele investering. Daarnaast werken we door aan de volledige
uitwerking van de investeringsagenda welke u, zoals toegezegd, in de eerste helft
van 2026 ontvangt.6
Ten derde de aanbeveling om een digitale dienst op te richten. Zoals aangegeven in
de antwoorden op vragen naar aanleiding van de supplementaire begroting vind ik de
digitale dienst een interessant idee, maar heb ik ook benadrukt dat dit vanwege de
grote complexiteit en potentieel vergaande gevolgen eerst zorgvuldig moet worden verkend.7 Zoals uw Kamer terecht noemt bestaan er veel verschillende ideeën over een digitale
dienst en de taken die zo’n dienst zou moeten hebben. In de NDS is opgenomen dat er
een centrale actor komt voor het aanjagen van een herontwerp van processen in ketens.
Deze acht ik zowel voor het realiseren van de doelen van de NDS, concreet de prioriteit
Burger en Ondernemer Centraal en de prioriteit Data, van belang. Een dergelijke taak
past mogelijk goed bij een digitale dienst. Een digitale dienst is echter wat mij
betreft geen doel op zich, maar een mogelijk middel om onze gezamenlijke, overheidsbrede
doelen te bereiken. Daarom wil ik dat er goed wordt gekeken naar wat we precies op
willen lossen, om op basis daarvan te bepalen wat een digitale dienst daarin zou kunnen
betekenen. Hiertoe heb ik onder meer de NDS-Raad om een advies gevraagd en neem ik
ook, zoals verzocht, de stappen in het kader van motie Buijsse mee.8 De motie Buijsse verzoekt de regering in samenwerking met de betrokken agentschappen,
te inventariseren welke mogelijkheden er zijn voor een meer geïntegreerde of gezamenlijke
aanpak. De Audit Dienst Rijk (ADR) voert hier een tweedelig onderzoek naar uit. Het
onderzoek kent een verkennende fase en een verdiepende fase. In de verkennende fase
wordt onderzocht welke dienstverleners in aanmerking komen voor een meer geïntegreerde
of gezamenlijke aanpak. Op basis van de uitkomsten van deze fase worden in de verdiepende
fase de producten en diensten van deze dienstverleners geanalyseerd en voorzien van
synergie-adviezen voor de betrokken partijen. Ik zal uw Kamer in de Verzamelbrief
van het tweede kwartaal van 2026 over de stand van zaken van het traject informeren.
Ten vierde dat de NDS geldt voor héél Nederland en daarmee ook Saba, Sint-Eustatius
en Bonaire. Er kunnen situaties zijn waar maatwerk nodig is en waar het tempo van
adoptie kan verschillen. Dit moet nog worden uitgewerkt in een Aansluitplan Publieke
Dienstverlening en Digitalisering, dat ik heb aangekondigd in de «Agenda Goed Bestuur
Bonaire, Sint-Eustatius en Saba».9 Dit aansluitplan zal het kabinet naar verwachting in het eerste kwartaal van 2026
vaststellen. De NDS geldt niet voor Aruba, Curaçao en Sint-Maarten, omdat zij autonome
landen binnen ons Koninkrijk zijn.
Aanbevelingen op de prioriteiten
Naast de algemene aanbevelingen op het geheel van de NDS worden in Ons Digitaal Fundament
aanbevelingen gedaan op de zes prioriteiten. Daar waar ik aanknopingspunten zie voor
de NDS neem ik deze mee in de uitvoering. Ik heb het uitvoeringsprogramma NDS de opdracht
gegeven om de aanbevelingen op te volgen met daarbij een aantal gestelde kaders. Allereerst
heb ik aangegeven dat er overheidsbreed steun moet zijn voor de aanbevelingen. Aanbevelingen
en moties die alleen toezien op de rijksoverheid worden daarom niet overgenomen in
de NDS, maar separaat behandeld in deze brief. Als tweede acht ik het van belang dat
de aanbevelingen de scope van de NDS niet verder verbreden. Dit houdt in dat het uitvoeringsprogramma
geen nieuwe activiteiten onder haar hoede neemt, maar wel de verbinding kan leggen
met activiteiten die daarbuiten plaats vinden om de beoogde versnelling te realiseren.
Als derde moet goed gekeken worden naar de uitvoeringsconsequenties van de aanbevelingen.
Zo kunnen harde afrekenbare doelen alleen gesteld worden wanneer er voldoende zicht
is op de gevolgen en ook de hiervoor benodigde personele en financiële middelen beschikbaar
zijn.
Binnen deze kaders is een groot aantal aanbevelingen opgevolgd. Zo wordt er al met
Nederlandse en Europese bedrijven gesproken om te verkennen hoe een soevereine overheidscloud
ontwikkeld kan worden. Ook wordt er actief gewerkt aan de realisatie van het federatief
datastelsel. Met de prioriteit Burger en Ondernemer centraal wordt gewerkt aan één
gezicht naar buiten toe met o.a. de overheidsbrede loketfunctie en de samenhang tussen
portalen en betrekken we bijvoorbeeld belangen- en maatschappelijke organisaties die
burgers en ondernemers vertegenwoordigen ook actief bij het opstellen van een visie
op proactieve dienstverlening. Vanuit de prioriteit AI wordt de samenwerking met de
AI-fabriek en de sector overheid nadrukkelijk gezocht en ook de aansluiting bij het
regulatory sandbox-instrument vanuit de AI-verordening wordt als onderdeel van de ontwikkelingen op AI-innovatie
uitgewerkt. Ik zal u gedurende de uitvoering van de NDS via de verzamelbrieven digitalisering
op de hoogte houden van de verdere voortgang op de prioriteiten.
Slot
De noodzaak van de NDS en de oproep om voortvarend aan de slag te gaan deel ik in
ieder geval met de voormalige Kamercommissie en met mij de gemeenten, provinciën,
waterschappen en publieke dienstverleners waarmee deze NDS zorgvuldig en interbestuurlijk
tot stand is gekomen. In de toekomst zullen we de strategie evalueren en bijstellen
indien nodig. Ik zet het tot op heden bijzonder constructieve gesprek met uw Kamer
over de NDS graag voort met de nieuwe Vaste Kamercommissie Digitale Zaken.
Reactie op het rapport «Dwars door de orde»
Naar aanleiding van het verslag van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag,
«Ongekend onrecht»10, heeft het kabinet Rutte IV per 1 januari 2022 Arre Zuurmond als regeringscommissaris
informatiehuishouding aangesteld. In april 2025 presenteerde Zuurmond zijn eindrapport
«Dwars door de orde».11 In een commissiedebat op 23 april 2025 is uw Kamer een reactie op het eindrapport
toegezegd.12
Allereerst spreek ik mijn waardering uit voor het rapport. Het rapport van de voormalig
regeringscommissaris informatiehuishouding biedt een scherpe en brede analyse van
de institutionele en informatiekundige uitdagingen waarmee de overheid wordt geconfronteerd.
Wij bedanken hem, zijn team en alle betrokkenen voor de grondige aanpak en de waardevolle
aanbevelingen. Het rapport biedt een ambitieuze visie op hoe de overheid haar informatiepositie,
dienstverlening en bestuurscultuur kan moderniseren. Het kabinet onderschrijft de
analyse dat een fundamentele versterking van de informatiehuishouding noodzakelijk
blijft om burgers en bedrijven beter te bedienen, democratische controle te waarborgen
en beleid effectief te kunnen uitvoeren.
De kernboodschappen van «Dwars door de orde» zijn als volgt: versterk de digitale
autonomie van de overheid, maak data zo open en herbruikbaar mogelijk, zet technologie
verantwoord in en investeer in digitaal vakmanschap. Inmiddels is de Nederlandse Digitaliseringsstrategie
(NDS)13 verschenen, waarin de relatie met een groot aantal aanbevelingen uit «Dwars door
de Orde» geadresseerd wordt.
De reflecties in het eindrapport «Dwars door de Orde» onderstrepen dat digitalisering
niet uitsluitend een technische, maar vooral een bestuurlijke en maatschappelijke
opgave is. De lessen die in dit rapport zijn getrokken over autonomie, vakmanschap
en de verhouding tussen overheid en burger, geven richting aan de verdere uitvoering
van de NDS.
2. Digitale weerbaarheid en digitale autonomie
Digitale weerbaarheid van burgers
Ik heb de afgelopen periode op verschillende sporen verder gewerkt aan het verbeteren
van de digitale weerbaarheid van burgers en overheden. In het kader van social engineering en toenemende zorgen over steeds intelligentere cybercriminaliteit zijn JenV en BZK
in 2023 gestart met de publiekscampagne «Laat je niet interneppen». Op 13 oktober
is het derde deel van de campagne gestart, specifiek gericht op het herkennen en voorkomen
van online oplichting bij Nederlanders tussen de 25 en 49 jaar. Daarnaast wordt samengewerkt
met influencers, podcasts en contentcreators om jongeren tussen de 15 en 24 jaar te
bereiken. Ook doet BZK voor het eerst mee aan de door JenV geïnitieerde campagne «Dubbel
beveiligd is dubbel zo veilig». Het doel van deze campagne is Nederlanders te stimuleren
om tweestaps- of tweefactorauthenticatie (2FA) in te stellen voor bijvoorbeeld e-mail.
Het tweede deel van de campagne is op 27 november van start gegaan en richt zich in
het bijzonder op de doelgroep 65-plussers.
Voor versterking van de cyberweerbaarheid van gemeenten, inwoners en ondernemers is
in 2020 de Citydeal lokale weerbaarheid Cybercrime van start gegaan met steun van
BZK, JenV en EZ. Het programma richtte zich op het ondersteunen van lokale pilots
teneinde de meest succesvolle best practices landelijk te kunnen opschalen. De City Deal loopt eind 2025 af. BZK richt in samenwerking
met JenV en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) een landelijke
implementatieondersteuning in om gemeenten en regio’s te helpen met de borging en
verdere uitrol van de opbrengsten van de City Deal via netwerksamenwerking en actieve
kennisdeling. Op de website van het CCV is ook een overzicht te vinden van het programma.14
Voor bevordering van digitale veiligheidsvaardigheden bij het brede publiek is in
2024 met financiële steun van BZK en verschillende private partners de Nationale cursus
digitale weerbaarheid tot stand gekomen.15 Het betreft een gratis interactieve online cursus waarvan iedereen in Nederland gebruik
kan maken. Daarnaast heeft BZK in samenwerking met de Politie een subsidie verstrekt
aan Stichting Digisterker voor de ontwikkeling van het lespakket DigiVeiliger. Met
dit lespakket kunnen (vaak oudere) deelnemers in groepsverband tijdens een cursus
of workshop oefenen en kennis opdoen onder persoonlijke begeleiding. Op dit moment
wordt in pilots verkend hoe het lespakket het beste kan worden ingezet in de programmering
van, onder andere, bibliotheken. Ook heeft BZK aan Stichting HackShield een subsidie
gegeven om hun methode door te ontwikkelen zodat het beter kan worden ingezet voor
kinderen in kwetsbare wijken. Om beter inzicht te krijgen in de effectiviteit van
HackShield als methode voert het lectoraat Maatschappelijke Veiligheid van de Hogeschool
Saxion een onafhankelijke effectevaluatie uit. Deze evaluatie zal eind eerste kwartaal
van 2026 zijn afgerond en wordt na oplevering gepubliceerd.
Om het publiek te helpen meer inzicht te krijgen in de risico’s van apps heeft BZK
subsidie verstrekt aan AppInspector, een gratis online tool waarin de risico’s van
het gebruik van vaak gedownloade apps inzichtelijk wordt gemaakt. De lancering van
AppInspector vindt in 2026 plaats.
Via bovenstaande interventies draag ik bij aan de bewustwording van online risico’s
bij burgers en overheden. Het is belangrijk om de interventies nog beter te kunnen
meten dan al gebeurt. Om die reden heeft BZK aan NHL Stenden Hogeschool een subsidie
toegekend voor de ontwikkeling van een nieuw meetinstrument. Dit instrument kan interventies
beter op effectiviteit toetsen door onder andere meting vooraf (ex ante) en achteraf
(ex post). Dit meetinstrument zal begin 2026 worden opgeleverd en publiekelijk beschikbaar
worden gesteld.
Visie op digitale autonomie en soevereiniteit voor de digitale overheid
In de Nederlandse Digitaliseringsstrategie16 schets ik dat toenemende technologische afhankelijkheden, digitale dreigingen en
geopolitieke ontwikkelingen de urgentie onderstrepen om meer regie te nemen over de
digitale infrastructuur, systemen en data van de overheid. Om deze regie vorm te kunnen
geven is een interbestuurlijke visie op digitale autonomie en soevereiniteit voor
de digitale overheid opgesteld. De visie biedt richting aan de vraag wat digitale
autonomie en soevereiniteit van de overheid betekent, waarom we als overheid onze
digitale autonomie moeten versterken en ongewenste afhankelijkheden moeten verminderen
en welke principes en bouwstenen hier leiding en richting aan geven. Daarmee wordt
voortgebouwd op de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie (DOSA), die op 17 oktober
2023 met de Kamer is gedeeld.17 De visie is 12 december 2025 vastgesteld in de ministerraad en als bijlage 2 bij
deze brief gevoegd.
Opvolging rapport Digitale Kroonjuwelen18
Uw Kamer is eerder toegezegd19 dat zij aan het eind van 2025 over de opvolging op het rapport «Digitale Kroonjuwelen»20 wordt geïnformeerd. Deze toezegging heeft samenloop met de kabinetsreactie op de
initiatiefnota van de leden Omzigt en Six Dijkstra over centraal toezicht op staatsgeheimen.21 Momenteel loopt de evaluatie van het Beveiligingsautoriteit-stelsel en het uitzetten
van een onderzoek naar het toezicht op staatsgeheimen door een extern bureau. Deze
twee trajecten dragen bij aan een onafhankelijke analyse met bevindingen en overwegingen
om tot een tweede kabinetsreactie te komen. De eerste resultaten worden verwacht in
juni 2026. Dit is later dan oorspronkelijk gepland. Dit blijkt nodig na de eerste
kabinetsreactie gezien de complexiteit van de verschillende onderwerpen, het aantal
stakeholders, en uiteenlopende informatie. De tweede kabinetsreactie wordt daarom
in het vierde kwartaal van 2026 verwacht. Op dat moment kan ik ook de gedane toezegging
over de opvolging op het rapport Digitale Kroonjuwelen afdoen.
3. Dienstbare overheid
Motie Kathmann – Middelen voor Informatiepunten Digitale Overheid (IDO)22
Tijdens het Wetgevingsoverleg Digitale Zaken van 30 juni 202523 heb ik toegezegd om uw Kamer in het vierde kwartaal te informeren over de bestuurlijke
afspraken met gemeenten die ik wil maken ter uitvoering van de motie Kathmann. Onderstaand
vindt u mijn inzet voor deze afspraken.
De uitgangspunten voor mijn beleidskeuzes zijn verankerd in de beleidsvisie Persoonlijk
en Dichtbij.24 Deze visie is tot stand gekomen na een uitgebreid beleidsontwikkeltraject, waarbij
mededepartementen, gemeenten, uitvoeringsorganisaties en andere relevante partners
betrokken zijn. Het is mijn inzet dat publieke dienstverlening wordt aangeboden op
plekken die voor mensen logisch en dichtbij voelen; plekken waar zij al op zoek gaan
naar hulp. Gemeenten kennen hun inwoners en hun behoeften, de lokale netwerken en
de sleutelpersonen in die netwerken het beste. Daarom voeren zij regie op het vormgeven
van het lokale ecosysteem voor publieke dienstverlening. Bij de uitvoering van mijn
visie zet ik in op het versterken van de regierol van gemeenten en het versterken
van de lokale netwerken.
Conform de toezegging deel ik de uitkomsten van deze bestuurlijke afspraken met uw
Kamer.25 Dit zal in het eerste kwartaal van 2026 zijn omdat deze gesprekken nog moeten plaatsvinden.
Motie Kathmann-Vermeer – Regiefunctie van bibliotheken26
Op 2 oktober heeft uw Kamer de motie Kathmann-Vermeer aangenomen. Ik interpreteer
uw motie als een uiting van de brede zorg in de Tweede Kamer dat de dienstverlening
zoals geboden aan de burger door de Informatiepunten Digitale Overheid (IDO’s) zal
verminderen, naar aanleiding van het kabinetsbeleid om specifieke uitkeringen (SPUKs)
om te zetten naar fondsuitkeringen. Gemeenten krijgen daardoor meer beleidsvrijheid
en het is mogelijk dat zij de middelen anders inzetten dan waarvoor ik ze beoogd heb.
Om uitvoering te kunnen geven aan uw motie zijn, gelet op de uitgangspunten in de
beleidsvisie Persoonlijk en Dichtbij, voor mij de volgende elementen leidend:
• Het is mijn inzet dat laagdrempelige en empathische ondersteuning in de vorm van de
IDO-dienstverlening in stand blijft. Bibliotheken blijven de primaire (maar niet exclusieve)
uitvoerders hiervan, met ruimte voor gemeenten om, vanuit hun regierol, deze dienstverlening
ook op andere plekken dan de lokale bibliotheek te organiseren.
• Om dit te borgen onderzoek ik samen met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(OCW), of op termijn een wettelijke verankering mogelijk is van het bieden van laagdrempelige
en empathische ondersteuning, waaronder de dienstverlening zoals deze nu wordt geboden
door de IDO’s, de regierol van gemeenten hierbij en de rol van bibliotheken. Hierbij
kan worden gedacht aan een eigen wet, maar er wordt ook onderzocht of de Wet stelsel
openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob) hiervoor een oplossing kan bieden.
• Voor de volledigheid wil ik opmerken dat eventuele wettelijke verankering geen invloed
heeft op het budget dat beschikbaar is voor IDO-dienstverlening; het budget voor de
IDO’s blijft beschikbaar en ik houd mij aan de eerdere toezegging om de 10% korting
te compenseren.
Samen met de Minister van OCW ga ik in gesprek met gemeenten, bibliotheken, uitvoeringsorganisaties
en andere relevante stakeholders om deze uitgangspunten te operationaliseren. Ik kan
uw Kamer en andere betrokken partijen op dit moment dus nog geen volledige duidelijkheid
bieden over de toekomst van de IDO-dienstverlening. Toch wil ik mijn uitgangspunten
en denkrichting al met uw Kamer delen, omdat ik het belangrijk vind om de motie gedegen
op te volgen en hierover transparant te communiceren. Ik informeer uw Kamer over deze
motie na de afronding van deze gesprekken.
Motie Six Dijkstra – Principes mensgerichte digitale overheid27
Naar aanleiding van de motie van het Kamerlid Six Dijkstra over de principes van een
mensgerichte digitale overheid, informeer ik uw Kamer over de voortgang op het gebied
van begrijpelijke overheidscommunicatie en toegankelijkheid van digitale loketten.
Begrijpelijke overheidscommunicatie en dienstverlening vormen de basis van goede publieke
dienstverlening. Ik zet in op overheidscommunicatie en dienstverlening die voor iedereen
duidelijk, begrijpelijk en gebruikersvriendelijk is. Dit is nodig omdat veel communicatie
van de overheid richting burgers niet begrijpelijk is.28 Ik zie mijn inzet op begrijpelijke overheidscommunicatie als een onderdeel van de
bredere transformatie naar mensgerichte dienstverlening. Daarom werk ik samen met
publieke dienstverleners en medeoverheden aan overheidsbrede dienstverlening. Hierbij
staat het perspectief van burgers en ondernemers centraal, zoals omschreven in de
Nederlandse Digitaliseringsstrategie. Ik maak samen met overheidsorganisaties en medeoverheden
stappen om op deze prioriteit te kunnen versnellen. Ik licht hieronder twee ontwikkelingen
toe:
Overheidsbrede samenwerking begrijpelijke overheidscommunicatie
Om gezamenlijk te versnellen, zet ik in op overheidsbrede samenwerking. Ik stel een
overheidsbreed netwerk beschikbaar voor overheidsprofessionals om samen te werken
aan begrijpelijke overheidscommunicatie. In dit netwerk Direct Duidelijk komen 1200
professionals samen om kennis en ervaringen te delen. Dit zorgt voor een optimale
benutting van bestaande kennis door het leggen van overheidsbrede verbindingen. Het
netwerk ontwikkelt en deelt ook hulpmiddelen. Hiermee bereik en help ik een groot
deel van de dienstverleners. Daarnaast werk ik samen met de Vereniging Nederlandse
Gemeenten (VNG) aan het herschrijven van brieven en teksten naar begrijpelijke taal.
Dit wordt gezamenlijk gedaan met gemeenten en met juristen, voor een zorgvuldige juridische
toets. Daarnaast is een handreiking Duidelijke Overheidscommunicatie en een handreiking
Duidelijke Verordeningen opgeleverd en actief verspreid.29
Voor alle overheidsorganisaties zijn inmiddels verschillende hulpmiddelen beschikbaar,
zoals zo’n 50 voorbeeldbrieven (de Toolkit Taal) en een stappenplan voor het schrijven
van begrijpelijke brieven en teksten. Ook worden overheidsorganisaties ondersteund
in het testen van hun teksten met de mensen voor wie deze bedoeld zijn, zodat zij
op basis daarvan hun communicatie verbeteren. Ik blijf overheidsorganisaties stimuleren
om de gedeelde kennis en ervaring te implementeren in hun organisatie. Om de aandacht
voor begrijpelijke taal minder vrijblijvend te maken, is in het conceptwetsvoorstel
Wet versterking waarborgfunctie Algemene wet bestuursrecht opgenomen dat bestuursorganen
ook wettelijk verplicht worden om besluiten op een begrijpelijke manier toe te lichten.
Toegankelijkheid loketten
Daarnaast draag ik zorg voor een overheid die goed bereikbaar en toegankelijk is via
alle kanalen. Daaraan geven we samen met burgers en ondernemers vorm en dat toetsen
we ook continu. Samen met de publieke dienstverleners werk ik daarnaast aan een gezamenlijk
gedragen beeld op overheidsbrede online dienstverlening. In het derde kwartaal van
2026 zal ik uw Kamer daarover nader informeren.
Ook zorgen we dat websites en apps voldoen aan de wettelijke toegankelijkheidseisen
zoals is opgenomen in het Besluit digitale toegankelijkheid overheid. Begin november
werden 8920 websites en mobiele apps door het Dashboard Digitale Toegankelijkheid
vermeld. Daarvan voldeed 60% aan de wettelijke verplichtingen. 8% van de websites
en apps heeft de status A en voldoet daarmee aan alle toegankelijkheidseisen.
Motie Buijsse en De Kort – Ervaringsdeskundigen digitale toegankelijkheid30
De leden Buijsse en De Kort hebben de regering verzocht te verkennen hoe de kennis
van ervaringsdeskundigen kan bijdragen in het digitaal toegankelijk maken van de overheidswebsites
en -apps, en daarnaast kan zorgen voor een inhaalslag om meer mensen met een afstand
tot de arbeidsmarkt een baan aan te bieden. Deze motie valt voornamelijk onder de
inhoudelijke portefeuille van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijsrelaties,
daarom is inhoudelijk ingegaan in een brief aan de vaste Kamercommissie Binnenlandse
Zaken.31 Voor de volledigheid voorzie ik u hieronder van een korte toelichting.
In de bovengenoemde brief wordt voor de overheids- en onderwijssector ingegaan op
hoe er meer banen voor mensen met een arbeidsbeperking worden gerealiseerd. In het
kader van de bovengenoemde motie wordt er samengewerkt met de League Rijk, het rijksbrede
personeelsnetwerk voor mensen met een arbeidsbijzonderheid. Systemen van de overheid
worden voor iedereen digitaal toegankelijk gemaakt door o.a. het gebruik van het NL
Design System (NLDS). Het NLDS wordt ontwikkeld en verbeterd door middel van gebruikerstoetsen
met ervaringsdeskundigen.
Programmeringsplan Generieke Digitale Infrastructuur 2026
De Generieke Digitale Infrastructuur (GDI) vormt een essentiële basis voor de digitale
dienstverlening van publieke dienstverleners aan burgers en ondernemers. Deze infrastructuur
omvat een samenhangend stelsel van voorzieningen, standaarden en afspraken die bijdragen
aan veilige, toegankelijke en effectieve digitale dienstverlening. Een voorbeeld is
DigiD, dat zorgdraagt voor veilige en betrouwbare toegang tot persoonlijke dienstverlening
voor burgers. Het programmeringsplan van de GDI voor 2026 bied ik u hierbij aan en
vindt u in bijlage 3. Dit plan geeft richting aan de ontwikkeling van de GDI en is
tot stand gekomen in nauwe samenwerking opgesteld met departementen, uitvoeringsorganisaties,
medeoverheden, en overige betrokken opdrachtgevers en opdrachtnemers binnen de publieke
dienstverlening. Het programmeringsplan biedt inzicht in de inhoudelijke en financiële
aspecten van de GDI en beschrijft de activiteiten die in 2026 worden uitgevoerd om
de GDI te beheren, door te ontwikkelen en te vernieuwen.
Het GDI-programmeringsplan is ingebed in de bredere beleidskaders van de Meerjarenvisie
Digitale Overheid32, die is afgestemd op de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS). Het programmeringsplan
2026 is voor beheer, vernieuwing en innovatie van de GDI waar mogelijk in lijn gebracht
met de speerpunten van de NDS.
Herbouw Digipoort
Digipoort is een essentiële schakel binnen de digitale overheid. Het verzorgt veilige
en betrouwbare digitale gegevensuitwisseling tussen ondernemers en overheidsorganisaties
(hierna «afnemers») zoals de Belastingdienst, het UWV en de Kamer van Koophandel (KVK)
en voor e-facturatie met de rijksoverheid.
Op 1 mei 2025 heeft u een brief ontvangen met het advies over de Herbouw Digipoort
van het Adviescollege ICT-toetsing (AcICT). Zoals hierin toegezegd informeer ik u
nu over de voortgang.33
Sinds het advies van AcICT verloopt het programma volgens planning. Halverwege 2026
moet de migratie afgerond zijn en wordt gestart met de ontmanteling van de oude Digipoort.
Als de migratie goed verloopt kan de overheid vanaf 2026 beschikken over een toekomstvaste,
veilige en efficiënte berichtenvoorziening onder eigen regie. AcICT adviseerde onder
andere alternatieven en de richting voor het vervolg te onderzoeken. Met een geïntensiveerde
toekomstverkenning voor Digipoort laat ik onderzoeken welke rol Digipoort op de lange
termijn moet gaan krijgen. Samen met de afnemers van Digipoort wordt gekeken naar
de mogelijkheid en wenselijkheid van complexiteitsreductie.
Het AcICT adviseerde verder om de sturing vanuit BZK te versterken. Dat advies heb
ik op verschillende manieren doorgevoerd. Zo is de sturing geïntensiveerd in overleg
met de opdrachtgever, opdrachtnemer, eigenaar en CIO BZK. Er is een sturingsoverleg
tussen opdrachtgever en opdrachtnemer, en een tactisch beraad met de afnemers ingesteld.
Met Logius, de uitvoeringsorganisatie, zijn afspraken gemaakt rondom strakkere financiële
verantwoording, sturing, portfoliomanagement en de herinrichting van de administratie.
Ook op enkele andere punten uit het AcICT-advies zijn en worden maatregelen genomen.
Zo wordt gewerkt aan een kostprijsmodel om de kosten van de dienst inzichtelijk te
maken en de business case wordt periodiek geactualiseerd. Hierdoor moet de efficiëntie en het kostenbewustzijn
verhoogd worden. Ik zal u in de volgende Verzamelbrief informeren over de voortgang
van de herbouw en migratie van Digipoort.
Vervolgstappen implementatie eIDAS-verordening
In het debat over de Nederlandse Digitaliseringsstrategie heb ik een actualisatie
toegezegd van de roadmap implementatie eIDAS-verordening.34 Onderstaand vindt u de stappen die ik de komende tijd zet. Met deze informatie doe
ik de toezegging af.
Om het werken met Europese digitale identiteitswallets (EDI-wallets) betrouwbaar,
veilig en privacy-vriendelijk te laten verlopen werk ik aan een nationale uitvoeringswet
van de eIDAS verordening. Dit doe ik in samenwerking met de Minister van Economische
Zaken, die verantwoordelijk is voor de vertrouwensdiensten in eIDAS. De nationale
uitvoeringswet van de eIDAS verordening is het kader waarbinnen Europese Digitale
Identiteits (EDI)-wallets in de praktijk in Nederland zullen worden gebruikt. Met
de uitvoeringswet wordt toegewerkt naar een beheersbare, gefaseerde implementatie
en wordt bijvoorbeeld het toezicht op, en certificering van, EDI-wallets geregeld.
Het voornemen is bijvoorbeeld om in de uitvoeringswet de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur
aan te wijzen als stelseltoezichthouder en om een grondslag te creëren om meerdere
keuringsinstanties35 aan te wijzen, als onderdeel van het certificeringsproces.
Naast wetgeving wordt gewerkt aan een publieke EDI-wallet. Deze zal in eerste instantie
een beperkte set gegevens bevatten, zoals naam, geboortedatum en geboorteplaats. Hiermee
kunnen mensen die dat willen straks inloggen bij publieke dienstverleners en een aantal
private dienstverleners.36 Parallel aan de voorbereidingen voor EDI-wallets als inlogmiddel, lopen er initiatieven
om het delen van gegevens of bewijzen via EDI-wallets te beproeven, bijvoorbeeld in
Europees verband via de Large Scale Pilots. Binnen de Large Scale Pilots wordt in
samenwerking met publieke -en private organisaties het gebruik van EDI-wallets beproefd
in concrete use cases zoals het gebruik van een digitaal kentekenbewijs in een EDI-wallet.
Het EDI- stelsel wordt zo ingericht, dat na livegang van het stelsel ook private wallets
gecertificeerd en toegelaten kunnen worden. Hiervoor is naast de uitvoeringswet een
aanpassing van de Wet Digitale Overheid nodig. Private wallets moeten aan dezelfde
vereisten en standaarden voldoen als de publieke EDI-wallet. Zoals eerder aan uw Kamer
is gemeld37, is de verwachting dat de implementatie voor EDI-wallets langer gaat duren dan de
verordening voorschrijft. Dit is mede afhankelijk van Europese specificaties en standaarden.
Gebruikers kunnen straks bij overheidsdienstverlening nog steeds gebruik maken van
DigiD en eHerkenning. Gebruikers die niet over een Nederlands inlogmiddel beschikken,
kunnen, zoals dat momenteel al mogelijk is, bij overheidsdienstverlening hun nationale
inlogmiddel, wanneer deze Europees is erkend, blijven gebruiken. In Nederland wordt
door het «IdentityMatching-systeem» na het inloggen met een Europees erkend inlogmiddel
een BSN38 aan de dienstverlener verstrekt. Op dit moment wordt onderzocht in hoeverre het huidige
systeem herbruikbaar is wanneer mensen een EDI-wallet uit een andere lidstaat gebruiken.
Bij de onderhandelingen over de eIDAS-verordening is door Nederland ingezet op een
hoog niveau van betrouwbaarheid van EDI-wallets. De vereisten voor het activeren en
personaliseren van EDI-wallets zijn daardoor vastgelegd op niveau eIDAS-hoog. Dit
betekent dat voorzien moet worden in de hoogste mate van zekerheid over iemands identiteit.
Om die reden zal activering van de publieke NL-wallet plaatsvinden door eenmalig in
te loggen met DigiD op betrouwbaarheidsniveau hoog. Momenteel is het gebruik van DigiD-Hoog
nog beperkt tot een paar honderdduizend burgers. Dit heeft uiteraard effect op de
mogelijke adoptie van de publieke NL-wallet en het kunnen creëren van voldoende volume
waardoor de maatschappelijke baten kunnen worden gerealiseerd. De Europese Commissie
ziet de walletactivatie op hoog betrouwbaarheidsniveau als een bredere uitdaging.
De Europese Commissie heeft aangekondigd, binnen de kaders van de verordening, specificaties
hierover te willen vastleggen in een uitvoeringshandeling. Daarnaast wordt onderzocht
hoe het activeren van DigiD-hoog makkelijker gemaakt kan worden.
Update Digitaal Vertegenwoordigen
Op 16 mei jl. is uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken inzake digitaal vertegenwoordigen.39 Hierin is toegezegd uw Kamer te zullen informeren over een oplossing zonder wijzigingen
aan DigiD voor de Bevoegdheidsverklaringsdienst Ouderlijk Gezag (BVD OG) en het bijbehorende
tijdspad. Ik heb een oplossing gevonden zonder wijzigingen aan DigiD. In het Twee
Minutendebat Digitaliserende Overheid van 2 september jl. heb ik toegezegd dat de
BVD OG tot 12 jaar achter de ToegangVerleningService (TVS) per 1 juli 2026 live zal
gaan met een beperkt aantal dienstverleners en dat deze op 1 januari 2027 volledig
live komt voor dienstverleners die zijn aangesloten op de TVS. Met deze informatie
beschouw ik de toezegging als afgedaan.
Evaluatierapport wetswijziging van de wet BRP inzake briefadressen
Zoals toegezegd in mijn brief van 28 augustus jl. stuur ik uw Kamer hierbij het evaluatierapport
over de wetswijziging van 1 januari 2022 van de wet BRP inzake briefadressen.40 Tevens informeer ik u over de vervolgacties en reageer ik op een drietal Kamermoties
omtrent dit onderwerp.
Uit de evaluatie blijkt dat de wetswijzing een positieve bijdrage levert aan het BRP-registratieprobleem
van dak- en thuislozen. 87% van de gemeenten ziet een stijging in de aanvragen, en
landelijke BRP-cijfers laten een stijging van 18% zien.41 Tegelijkertijd bestaan er verschillen tussen gemeenten in de uitvoering. Dit kan
leiden tot rechtsongelijkheid. Gemeenten, maatschappelijke organisaties, de Rijksdienst
voor Identiteitsgegevens (RvIG) en de ombudsman signaleren knelpunten zoals complexe
regels, gebrekkige informatie en het ontbreken van uniforme criteria.
Ik concludeer dat verdere verbeteringen nodig zijn en onderneem daarom de volgende
acties:
• Ontwikkelen van een eenduidig nationaal beleid en richtlijnen voor gemeenten, met
onder andere aandacht voor het voorkomen van disproportionele informatieverzoeken.
• Borgen van een redelijke termijn voor aanvraagafhandeling en het mogelijk maken van
bezwaar op een afwijzing conform de Algemene wet bestuursrecht.
• Onderzoeken van betere ondersteuning bij het aanvraagproces met ketenpartners.
• Verbeteren van informatievoorziening over briefadressen op overheidswebsites
In het verlengde van het onderwerp zijn een drietal moties aangenomen door uw Kamer.
De moties van het lid Beckerman c.s.42 en van het lid Dobbe c.s.43, verzoeken de regering om te zorgen dat alle dakloze mensen binnen drie dagen na
aanvraag een briefadres krijgen en bij de aanvraag actief worden geholpen. Hoewel
ik het belang van een snelle afhandeling erken, geven gemeenten aan dat uitvoering
binnen drie dagen niet haalbaar is. Dit vanwege de noodzakelijke controles die moeten
worden uitgevoerd om de kwaliteit van een juiste inschrijving in de BRP te waarborgen.
Bij inschrijving dient in principe de feitelijke verblijfplaats van burgers te worden
geregistreerd; alleen in bijzondere omstandigheden kan een briefadres worden toegekend.
Op deze wijze geef ik, binnen de kaders van de uitvoerbaarheid, invulling aan de motie
en beschouw ik deze als afgedaan.
De motie van het lid Six Dijkstra c.s.44 verzoekt om uniforme regels zodat dak- en thuislozen niet worden uitgesloten van
voorzieningen. Hoewel ten behoeve van uniformering bij de wetswijziging een circulaire45 is opgesteld, blijkt uit de evaluatie dat er nog verschillen bestaan in de werkwijze
van gemeenten. Daarom zal ik hier de komende periode een eenduidig nationaal beleid
voor ontwikkelen met uniforme richtlijnen, waarmee ik uitvoering aan de motie geef.
Evaluatie Basisregistratie Personen (BRP) experiment «melding bij nieuwe inschrijving»
2024
In 2024 is er een BRP-experiment gestart om burgers te informeren over nieuwe adresregistraties
op diens woonadres om zo foutieve adresregistraties tegen te gaan. Deze ontstaan ten
gevolge van een onjuiste inschrijving of een onjuiste adreswijziging. Dit experiment
wordt jaarlijks onafhankelijk geëvalueerd door onderzoeksbureau PBLQ. In bijlage 4
kunt u de bevindingen van PBLQ terugvinden van het jaar 2024. In de evaluatie komt
onder andere naar voren dat voor een overgrote meerderheid van de gemeenten dit geen
nieuwe werkwijze is, en dat ze vinden dat bij deze werkwijze de uitvoeringslasten
opwegen tegen de opbrengsten. PBLQ zal ook over het jaar 2025 het experiment evalueren
en zodra deze opgeleverd wordt zal ik deze aan de Kamer toesturen.
Motie Tuinman c.s. – Fries op Nederlandse identiteitskaart46
In maart 2024 heeft uw Kamer in de Motie Tuinman c.s. gevraagd om het Fries op te
nemen op de Nederlandse identiteitskaart. Ik begrijp het belang van zichtbaarheid
van het Fries in het maatschappelijk verkeer en de wens van uw Kamer om het Fries
ook zichtbaar te maken op identiteitsdocumenten. Na uitvoerig onderzoek is echter
gebleken dat het opnemen van het Fries juridisch niet mogelijk is. Nederland is op
grond van EU-verordeningen gebonden aan standaarden van de Internationale Burgerluchtvaart
Organisatie (ICAO). Volgens die standaarden kunnen alleen officiële landstalen op
reisdocumenten worden opgenomen, met een vertaling in Engels, Frans en/of Spaans.
Fries is geen officiële landstaal van Nederland, maar een erkende regionale taal.
Fries opnemen op de identiteitskaart is daarom niet mogelijk. Ik kan de motie daarom
niet uitvoeren.
Voortgang programma Verbeteren Reisdocumentenstelsel (VRS)
Zoals eerder gemeld werkt het programma VRS aan een gefaseerde verbetering van de
onderliggende ICT en architectuur achter de balie van uitgevende instanties. Uitgevende
instanties zijn gemeenten, grensgemeenten, het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ),
de Koninklijke Marechaussee (Kmar), Caribische Burgerzaken en de Kabinetten van de
Gouverneur. Die verbetering is nodig om de kwaliteit, fraudebestendigheid en betrouwbaarheid
van het reisdocumentenstelsel naar een hoger niveau te tillen. Een belangrijk onderdeel
van VRS is het uniform en veiliger opslaan van de paspoortgegevens. De biografische
gegevens van burgers worden momenteel centraal opgeslagen. De opslag voor gezichtsopnames,
handtekeningen en tijdelijk vingerafdrukken vindt nog lokaal plaats. In het kader
van het lifecycle management is inmiddels begonnen aan het bouwen van een gecompartimenteerde dataopslag waarmee
deze gegevens beter kunnen worden beheerd en veiliger kunnen worden uitgewisseld.
Data wordt dan per uitgevende instantie opgeslagen. Zodra dit is afgerond worden de
gegevens uit de oude systemen naar de nieuwe voorziening overgezet. Dit is naar verwachting
in het derde kwartaal van 2027 afgerond.
Onder het programma VRS valt ook de dienst StopID. Met deze webapplicatie kunnen burgers
bij verlies of diefstal van hun reisdocument online een melding doen. Het document
wordt na de melding direct als ongeldig geregistreerd. De pilot heeft vertraging opgelopen
maar zal naar verwachting in het eerste kwartaal van 2026 worden uitgevoerd. Het programma
VRS heeft het afgelopen jaar ook de meldingsregistratie voor gemeenten gerealiseerd.
Dit zorgt ervoor dat een melding van vermissing of een vermoeden van fraude, die aan
de balie wordt gemeld, ook direct aan de balie verwerkt kan worden. Het verwerken
van de status van een reisdocument wordt daardoor, en daarmee de beschikbaarheid van
deze informatie voor de relevante instanties, met 24 tot 72 uur verkort. De mogelijkheid
om te frauderen neemt daarmee af. Daarnaast zijn recentelijk alle informatie vragende
instanties overgezet naar nieuwe informatiediensten van RvIG. Voor landelijke overheidsorganisaties,
zoals de Politie, de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, de Dienst Uitvoering
Onderwijs en de Koninklijke Marechaussee is getoetst of zij bij bepaalde gegevens
mogen inzien, waarna zij bij goedkeuring zijn aangesloten op het nieuwe register.
Hierdoor beschikken zij over volledigere informatie en kunnen tevens een beroep doen
op een grotere populatie van reisdocumenten. Verder zijn verifiërende instanties,
zoals notarissen en financieel dienstverleners, onder autorisatie aangesloten op een
vernieuwde documentverificatiedienst waarmee een grotere populatie van reisdocumenten
kan worden bevraagd. Hierdoor worden verificatievragen van een kwalitatief hoogwaardiger
antwoord voorzien zonder dat daarbij daadwerkelijk méér gegevens worden verstrekt.
Beide transities dragen bij aan het voorkomen van fraude, de kwaliteit van dienstverlening
en het efficiënter en gerichter opvragen van (strikt noodzakelijke) informatie. In
de in voorbereiding zijnde wetgeving (wijzigingen Paspoortwet en onderliggende regelgeving)
worden bovenstaande ontwikkelingen zo nodig meegenomen.
Debat Wijziging Paspoortwet op 11 december 2025 – Identiteitskaarten inwoners Bonaire
Saba en Sint Eustatius
Tijdens het debat over wetsvoorstel Wijziging van de Paspoortwet in verband met de
ontvlechting van de Nederlandse identiteitskaart op 11 december jl. heb ik toegezegd
dat ik schriftelijk zou terugkomen op de vraag of een inwoner van Bonaire, Saba of
Sint Eustatius zowel een NIK als een lokale identiteitskaart kan hebben.47
Mijn antwoord hierop is dat dit inderdaad het geval kan zijn. De Nederlandse identiteitskaart
(NIK) is niet geldig als identiteitsmiddel op de BES eilanden. De Identiteitskaart
BES (sédula) niet in Europees Nederland. Er gelden verschillende regels omtrent deze
kaarten en ze hebben ook verschillende functies. De sédula is bijvoorbeeld ook een
vreemdelingenkaart. Voor elke ingezetene van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 12
jaar of ouder is het hebben van een identiteitskaart BES bovendien verplicht. Dit
is niet het geval bij de NIK. De aanschaf van een NIK is voor Nederlanders op de alle
(ei)landen sinds 2021 mogelijk gemaakt met het oog op het inloggen bij de overheid
op het hoogst mogelijke betrouwbaarheidsniveau.
Periodieke rapportage begrotingsartikel 6.5
In de brief van september 2024 is uw Kamer geïnformeerd over de periodieke rapportage
voor begrotingsartikel 6.5 »Identiteitsstelsel» voor de periode 2019–2024.48 Deze is in een ver gevorderd stadium. Ik zal het rapport begin volgend jaar aan uw
Kamer aanbieden.
Zoals aangekondigd in het plan van aanpak, heb ik door de Nederlandse Vereniging voor
Burgerzaken een onderzoek uit laten voeren naar de efficiënte dienstverlening van
gemeenten met betrekking tot de aanvraag en uitgifte van reisdocumenten. Dat onderzoek
deel ik graag alvast met u, zie hiervoor bijlage 5. Het onderzoek schetst een overwegend
positief beeld. De onderzoekers merken daarbij op dat de definitie van efficiëntie
tussen de respondenten sterk verschilt en dat het werk van de gemeente niet alleen
van het landelijke beleid maar ook van de lokale inrichting en keuzes, zoals de digitalisering
van processen, afhangt. Efficiëntie wordt niet alleen geïnterpreteerd als korte doorlooptijd
van processen, maar juist ook als kwalitatief sterke processen. Alle respondenten
verklaren dat de bewustwording over de kwetsbaarheid van de medewerkers en het proces
de afgelopen jaren sterk is vergroot waardoor men een robuust proces met voldoende
waarborgen tegen misbruik en fraude belangrijk vindt. Dit is een teken dat de voorlichting
en communicatie, die met de paspoortmaatregelen sinds 202249 ingezet zijn, hun vruchten afwerpen.
Digitale dienstverlening Caribisch Nederland: invoering Burgerservicenummer (BSN)
Sinds 11 november 2025 hebben de inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een
BSN. De toekenning van het BSN aan alle inwoners op Bonaire, Sint Eustatius en Saba
is succesvol verlopen dankzij een goede samenwerking tussen BZK, RvIG en de openbare
lichamen. Met een BSN hebben de inwoners één uniek, betrouwbaar persoonsnummer voor
de communicatie met de overheid gekregen. Het invoeren van het BSN is een eerste stap
die het mogelijk maakt dat inwoners in de toekomst steeds meer gebruik kunnen maken
van online overheidsdiensten. Op 11 november is daarvoor benodigde wetgeving in werking
getreden.50 Daarmee is ook geregeld dat inwoners een DigiD kunnen aanvragen en dat overheidsorganen
in Caribisch Nederland gerechtigd zijn het BSN te verwerken.
Rapport Dienst Wegverkeer (RDW) – Globale analyse voertuigregistratie Caribisch Nederland
Aan uw Kamer is in een eerdere verzamelbrief toegezegd de globale analyse kentekenregistratie
CN door de RDW en de Visie digitale overheid CN te delen zodra deze beschikbaar zijn.51 De RDW heeft zijn globale analyse over de mogelijkheden om de voertuigen in Caribisch
Nederland (CN) vast te leggen in een voertuigregistratie opgeleverd. U vindt het rapport
Globale analyse voertuigregistratie Caribisch Nederland in bijlage 6, waarmee ik aan
het eerste deel van mijn toezegging voldoe.
De huidige voertuigregistraties zijn belegd bij de openbare lichamen en bieden op
dit moment onvoldoende mogelijkheden om betrouwbare processen en (digitale) dienstverlening
in te richten. Het gaat bijvoorbeeld om het heffen en innen van motorrijtuigenbelasting,
het raadplegen van een verzekeringsregister door handhavers en het uitvoeren van overige
handhavingstaken op basis van digitale toegang. Burgers en bedrijven moeten van loket
naar loket voor het veranderen van een eigenaar/houder.
De RDW acht het voor Caribisch Nederland mogelijk om met behulp van maatwerk en via
een gefaseerde implementatie aan te gaan sluiten bij (de systematiek van) het Nederlands
kentekenregister. Hiermee zou Caribisch Nederland gebruik kunnen maken van de ontwikkelkracht
en kennis binnen Europees Nederland. De haalbaarheid van dit scenario zou echter eerst
nader onderzocht moeten worden. Uitgangspunt van dit vervolg/onderzoek zou een separate
registratie voor Caribisch Nederland (kunnen) zijn, binnen de kaders van het (juridisch)
Nederlands kentekenregister. De voertuigregistraties zijn geregeld via eilandsverordeningen,
opgesteld door de Eilandsraad van de verschillende eilanden. De Wegenverkeerswet 1994
en onderliggende regelgeving zoals het Kentekenreglement gelden dus niet in het Caribisch
deel van Nederland. Het Ministerie van IenW heeft hierin geen formele juridische verantwoordelijkheid
en ziet daarom voor zichzelf geen actieve rol in de beleidsvorming op het gebied van
voertuigregistratie in CN.
Ik verken met de besturen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba hoe we in gezamenlijkheid
het geadviseerde vervolgonderzoek uit kunnen laten voeren rekening houdend met de
positie van het Ministerie van IenW en de RDW die slechts beperkte tijd en capaciteit
beschikbaar kan stellen, en alleen voor het geven van advies. In de toezegging in
de bovengenoemde verzamelbrief noem ik ook de Visie digitale overheid CN. Op 1 september
2025 heeft u de Kamerbrief «Agenda Goed Bestuur Caribisch Nederland» ontvangen.52 Hierin wordt een Aansluitplan Publieke Dienstverlening en Digitalisering genoemd.
De Visie digitale overheid CN is hier een onderdeel van en deze visie ontvangt uw
Kamer voor de zomer van 2026.53
4. Digitale Samenleving
Motie Van der Werf en Kathmann – Een richtlijn voor schermtijd en deze toevoegen als
bijsluiter bij de verkoop van devices54
De leden Van der Werf en Kathmann hebben de regering middels een motie verzocht te
komen met een vorm van een richtlijn voor schermtijd en die als bijsluiter toe te
voegen bij de verkoop van devices. De richtlijn voor gezond en verantwoord scherm- en sociale mediagebruik is inmiddels
gepubliceerd.55 In het tweede kwartaal van 2026 verkent BZK samen met de sector wat een passende
invulling van de motie over het verstrekken van betrouwbare informatie aan ouders
bij de aankoop van devices kan zijn. Daarbij wordt onder meer onderzocht hoe verkopers kunnen verwijzen naar
de richtlijn gezond en verantwoord scherm- en sociale mediagebruik en/of het landingsplatform
van de publiekscampagne «Blijf in Beeld» op jouwkindonline.nl als digitaal alternatief voor een fysieke bijsluiter. De uitkomsten van deze verkenning
deel ik in het derde kwartaal van 2026 met uw Kamer.
Motie Kathmann c.s. -verbod verslavend en polariserend ontwerp in sociale media56
Het kabinet heeft in aanloop naar de aangekondigde Digital Fairness Act en Europese
Consumentenagenda 2025–2030 een non-paper met de Europese Commissie gedeeld. Dit non-paper
is samen met het verslag van de informele Telecomraad op 12 november met uw Kamer
gedeeld.57 In dit non-paper roept het kabinet conform de motie Kathmann c.s. onder meer op tot
Europese actie tegen verslavende algoritmen en schadelijke ontwerptechnieken in digitale
diensten, zoals sociale media. Zo wordt de Commissie opgeroepen tot een verbod op
ontwerptechnieken die het welzijn van de consument in digitale dienstverlening schaden.
Met dit non-paper beschouw ik de motie Kathmann c.s. als uitgevoerd.
Gesprekken met online platforms over schadelijke content en verslavende algoritmen
Tijdens het commissiedebat (Kamerstuk 26 643, nr. 1431) over Online Kinderrechten heb ik toegezegd de Kamer te informeren over de uitkomsten
van de gesprekken met de onlineplatforms over schadelijke content en verslavende algoritmen.58 Die toezegging doe ik met onderstaande informatie af. Deze toezegging houdt verband
met de motie van de leden Dral en Ceder welke de regering verzoekt met de platforms
afspraken te maken om schadelijke content te verwijderen en verslavende algoritmen
binnen de platforms zoveel mogelijk te beperken en aan de Tweede Kamer te rapporteren
over de inhoud van de afspraken en de voortgang daarvan.59 Indien dit niet voldoende effect zou hebben verzoekt de motie om passende regelgeving
te maken. Eind oktober en begin november zijn gesprekken gevoerd met een aantal online
platforms, onder andere over schadelijke content en verslavend ontwerp. De gesprekken
vonden plaats in het kader van kinderrechten impact assessments (KIA’s) die zijn uitgevoerd
op drie sociale media platforms en tot doel hebben om beter zicht te krijgen op kansen
en risico’s van digitale diensten. De platforms hebben hun beschermende maatregelen
die zij in dat kader treffen, geschetst. Ik verwijs u verder graag naar de brief die
uw Kamer op 4 september heeft ontvangen, waarbij ik een appreciatie en vervolgstappen
beschrijf volgend op de kinderrechten impact assessments.60 Ook heb ik uw Kamer op 4 september een brief gezonden over de aanpak van het «verslavend
ontwerp».61 Daarin wordt onder meer de inzet van Nederland beschreven op lootboxes, pay-to-win-mechanismen en het gebruik van digitale munten. Met de Minister van Economische Zaken
werk ik aan de inzet, verwoord in een non-paper, in aanloop naar de Digital Fairness Act om verslavend en polariserend ontwerp op social media op Europees niveau aan
te pakken.62 Voor de uitvoering van de motie Dral en Ceder beoordeel ik op dit moment een subsidieaanvraag
welke in gaat op schadelijke content en het verwijderen daarvan. Ik informeer uw Kamer
daarover in een volgende verzamelbrief.
Motie Six Dijkstra c.s. – Naming-and-shaming grote techplatforms en het instellen
van een stimulans rondom KIA’s63
Het lid Six Dijkstra heeft een motie ingediend welke mij verzoekt om in overheidscommunicatie
naming-and-shaming te verbinden aan grote techplatforms die niet meewerken aan kinderrechtenimpactassessments
(KIA’s) en te onderzoeken of en hoe een keurmerk, publieke erkenning of andersoortige
stimulans kan worden ingesteld voor bedrijven die actief en constructief meewerken
aan KIA’s en bijdragen aan een kindvriendelijke en veilige digitale omgeving. Het
niet of wel meewerken aan KIA’s is bij de publicatie van de KIA’s gecommuniceerd.64 Hiermee geef ik uitvoering aan het eerste deel van de motie. Daarnaast is een eerste
stap genomen om bedrijven te stimuleren om KIA’s zelf uit te voeren, doordat het instrument
is opgenomen in de richtsnoeren onder artikel 28 van de Digital Services Act. Het
is bekend dat aan digitale diensten ook risico’s kleven. Het is daarom goed gebruikers
daarvan bewust te maken. Ik doe dat op verschillende manieren. Eén daarvan is het
introduceren van een game-check waarmee verleidingstechnieken in games inzichtelijk worden. Op dit moment onderzoek
ik samen met het Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media
(NICAM) of deze game-check met een soortgelijk instrument van NICAM kan worden geïntegreerd. Indien dit instrument
effectief blijkt, wil ik dat verbreden naar een «digitale kijkwijzer» dat de gebruiker
met bijvoorbeeld icoontjes waarschuwt voor de verschillende risico’s die in digitale
diensten worden gevonden. Ik bekijk daarbij ook of Europese inbedding van een dergelijke
kijkwijzer mogelijk is. Met het ondernemen van deze stappen beschouw ik het tweede
deel van de motie, en daarmee de motie in zijn geheel, als uitgevoerd.
Motie Buijsse en Rajkowski – Sociale media aan de Digital Services Act (DSA) houden65
De motie van de leden Buijsse en Rajkowski verzoekt de regering om er bij de Europese
Commissie op aan te dringen dat zij sociale media aan de DSA houdt en overgaat op
boetes als sociale media blijven weigeren om data over hun algoritmen met wetenschappers
te delen. Toezichthouders werken onafhankelijk en gaan zelf over de invulling van
hun toezichtstaak. Uiteraard is er de mogelijkheid om het bij hen te signaleren als
zeer grote online platforms en zoekmachines onderzoekers geen toegang tot data bieden
zoals de DSA vereist.
Op 24 oktober jl. heeft de Europese Commissie voorlopig vastgesteld66 dat zowel TikTok als Meta hun verplichting om onderzoekers voldoende toegang te verlenen
tot openbare gegevens uit hoofde van de wet inzake digitale diensten (DSA)67 niet zijn nagekomen. De platforms hebben de gelegenheid om te reageren op de voorlopige
bevindingen en eventuele inbreuken te herstellen. Blijft een inbreuk bestaan dan kan
de Europese Commissie een boete of dwangsom opleggen die kunnen oplopen tot 6% van
de wereldwijde omzet. Op 5 december jl. heeft de Europese Commissie de eerste boete
voor overtreding van de DSA opgelegd aan X.68 Onder meer omdat ze niet voldoet aan verplichtingen die erkende onderzoekers toegang
tot data geeft.
Ten behoeve van de toegang tot data van zeer grote online platformen en zoekmachines
voor erkende onderzoekers is op 29 oktober 2025 een gedelegeerde handeling vastgesteld.
Die moet digitaledienstencoördinatoren helpen bij het beoordelen van aanvragen van
erkende onderzoekers en de toegang door die onderzoekers faciliteren. Gezien deze
ontwikkelingen beschouw ik de motie als uitgevoerd.
Rapport TNO – Rapport nieuwe technologie
In de Verzamelbrief van 11 juli 2025 informeerde ik uw Kamer dat ik TNO heb gevraagd
om een forecast te doen om tijdig zicht te krijgen op de impact van nieuwe technologieën69. Daarbij heeft TNO op mijn verzoek expliciet oog gehad voor publieke waarden als
privacy, strategische autonomie en democratie. U vindt de forecast in bijlage 7. TNO heeft veertien digitale ontwikkelingen geïdentificeerd70 die de komende tien jaar naar verwachting op ons afkomen. TNO concludeert dat meerdere
technologieën relatief snel geadopteerd zullen worden en een grote impact kunnen hebben
op onze samenleving. Ik ga hieronder op twee technologieën nader in, namelijk Agentic AI en kwantumalgoritmen.
Agentic AI: de volgende stap in Artificiële Intelligentie
Agentic AI is een AI-systeem dat zelfstandig complexe taken kan plannen en uitvoeren, met beperkt
menselijk toezicht, en wordt gezien als de volgende stap in de ontwikkeling van AI.
Agentic AI kan bijvoorbeeld de vorm aannemen van een digitale collega die fungeert als persoonlijke
assistent of softwareontwikkelaar, of zelfs als een vriend. TNO constateert dat er
kansen liggen op het gebied van onder andere toegankelijkheid, omdat agentic AI zich kan aanpassen aan de vaardigheden en leefwereld van een gebruiker. Zo kunnen
mensen die minder digitaal geletterd zijn toch deelnemen. Als agentic AI-systemen echter niet worden ontwikkeld om rekening te houden met verschillende soorten
gebruikers, kan dat de digitale kloof juist vergroten. Ook de mate waarin het nog
mogelijk is om onderscheid te maken tussen communicatie met een mens of een AI-systeem
is een aandachtspunt. Het gebruik van meer autonome AI-systemen, zoals Agentic AI, roept bovendien vragen op over de verdeling van verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden.
Het is belangrijk om hiervoor de juiste kaders te hebben.
Kwantumalgoritmen
TNO verwacht dat de grootschalige adoptie van kwantumalgoritmen nog verder in de toekomst
ligt. Desondanks is dit een belangrijke ontwikkeling om goed te volgen, omdat het
in veel sectoren kan leiden tot aanzienlijke impact. Het Rathenau Instituut concludeerde
eerder al dat de inzet van kwantumalgoritmen ook zorgen over publieke waarden met
zich meebrengt.71 Toegang tot kwantumcomputers is mogelijk oneerlijk verdeeld en het is onduidelijk
wie er straks kan profiteren van de voordelen van kwantumcomputers. Bovendien zijn
er zorgen over de (cyber)veiligheid, omdat kwantumcomputers de huidige versleuteling
van online dataverkeer kunnen kraken. Het rijksbrede programma Quantumveilige Cryptografie
is ingericht om te helpen de risico’s van kwantumtechnologie op cryptografie op tijd
te beheersen. Ook wordt momenteel gewerkt aan een rijksbrede strategie die zowel de
kansen en risico’s van kwantumtechnologie in kaart brengt als de manier waarop de
rijksoverheid zich daartoe wil verhouden en welke acties het wil gaan ondernemen.72
Vervolg
Het ministerie werkt onder andere samen met ECP Platform voor de Informatiesamenleving
aan begeleidingsethieksessies. Hierin wordt volgens een vaste methode de dialoog gevoerd
tussen technologie-ontwikkelaars, maatschappelijk middenveld, burgers en beleidsmakers,
bijvoorbeeld over Agentic AI en kwantum. De dialogen geven inzicht in de kansen en risico’s die deze doelgroepen
belangrijk vinden voor verdere beleidsvorming. Het is aan een nieuw kabinet om eventuele
vervolgstappen te bepalen om nieuwe digitale technologieën op een bewuste manier in
de samenleving te begeleiden en in te zetten. Tot die tijd zal ik deze forecast onder
de aandacht brengen van verschillende overheden, om samen met hen te beoordelen wat
er – naast al bestaand beleid – nodig is zodat mensen en bedrijven deze technologieën
op een verantwoorde manier gebruiken.
Rapport Rathenau Instituut – «De prijs van gratis internet»
Het Rathenau Instituut publiceerde op 18 juni 2025 het rapport «De prijs van gratis
internet».73 Uw Kamer heeft mij gevraagd op de bevindingen uit het rapport te reageren. In het
debat over Online Kinderrechten van 2 oktober 2025 heb ik toegezegd dit voor het Kerstreces
te doen.74 De reactie wordt in samenwerking met en mede namens de Minister van Economische Zaken
en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geformuleerd. U ontvangt deze separaat
van deze verzamelbrief.
Vervolgstappen betaalbaar internet
In het commissiedebat (Kamerstuk 26 643, nr. 1426) over Digitale Inclusie van 24 september sprak ik met uw Kamer over betaalbaar internet.
Tijdens het debat heb ik toegezegd op dit onderwerp terug te komen. Met onderstaande
informatie kom ik die toezegging na.75 Naar aanleiding van de motie van de leden Kathmann en Vermeer over de «kale internetprijzen»
in Nederland, heeft de Minister van Economische Zaken onderzoek laten verrichten of
de Nederlandse internetprijzen hoger liggen dan in andere Europese landen.76 De Minister van Economische Zaken heeft de Tweede Kamer hierover in september geïnformeerd.77
Uit het onderzoek bleek dat de Nederlandse tarieven internationaal bezien juist laag
tot gemiddeld zijn. Zo zijn er voor vast internet diverse abonnementen beschikbaar
onder de € 30 per maand, wat in Europees perspectief eerder aan de lage kant is. Er
is in algemene zin winst voor consumenten te behalen door overstappen te stimuleren
en de informatievoorziening over contracten en alternatieven te verbeteren. In dit
kader is van belang dat de ACM in haar marktbeschouwing 2024 heeft aangegeven strenger
te gaan toezien op de wettelijke verplichting van telecomaanbieders om klanten actief
te informeren over hun contractstatus en de voordeligste tarieven.
Op basis van deze bevindingen ligt het invoeren van een landelijke generieke regeling
voor «sociaal internet» voor het Kabinet niet voor de hand. De regering stelt zich
op het standpunt dat toegang tot de basisbehoefte die internet is, betaalbaar is.
Overigens is internet ook toegankelijk in bijvoorbeeld bibliotheken. Daarnaast kan
gerichte ondersteuning op lokaal niveau hulp bieden, is de conclusie van het overleg
dat heeft plaatsgevonden ter uitvoering van de motie Kathmann.78 Deze motie verzoekt in overleg te gaan met diverse belanghebbende organisaties over
het aanbieden van betaalbaar internet aan de armste huishoudens.
Op 2 oktober jl. vond, ter uitvoering van deze motie een bijeenkomst plaats met de
mobiele telecomaanbieders, NLconnect, de ACM en de ministeries van Economische Zaken
en Sociale Zaken en Werkgelegenheid, onder onafhankelijk voorzitterschap van ECP Platform
voor de Informatie Samenleving. Het doel van het gesprek was te komen tot een gedeelde
analyse van de doelgroep en de knelpunten die zij ervaren rond de betaalbaarheid en
het daadwerkelijke gebruik van vast internet. De deelnemers aan de bijeenkomst erkenden
dat er kwetsbare huishoudens kunnen zijn zonder geschikte apparatuur, met beperkte
digitale vaardigheden en met hogere maandlasten dan nodig in relatie tot het daadwerkelijke
gebruik. Voor deze huishoudens zou gerichte ondersteuning op lokaal niveau kunnen
helpen. Dit vraagt samenwerking tussen gemeenten, telecomaanbieders en maatschappelijke
organisaties. Het is aan gemeenten welke keuzes ze hierin maken. In onder meer Rotterdam
lopen pilots die deze aanpak volgen; de eerste resultaten zijn positief.
Samenvattend ziet het Kabinet, gezien de bevindingen in het genoemde onderzoek naar
de internetprijzen, het strengere toezicht van de ACM op de informatieverplichtingen
van de telecomaanbieders en de conclusies uit het genoemde overleg naar aanleiding
van de motie Kathmann, geen aanleiding voor een landelijke aanpak of generieke regeling
voor «sociaal internet».
5. Digitaal vakmanschap en een moderne digitale overheid
Motie Six Dijkstra – Gestandaardiseerde methodiek voor opdrachtgeverschap pentests79
De motie van het lid Six Dijkstra verzoekt de regering om overheidsbreed toe te werken
naar een gestandaardiseerde methodiek voor het opdrachtgeverschap van pentests, zoals
de Methodiek voor Informatiebeveiligingsonderzoek met Audit Waarde (MIAUW). Tijdens
de behandeling van deze motie tijdens het tweeminutendebat informatiebeveiliging bij
de overheid van 11 december 2024 is ook toegezegd dat een verkenning eerst plaats
moest vinden. In bijlage 8 vindt u de beslisnota waarin deze verkenning is opgenomen,
waarmee ik de toezegging als afgedaan beschouw.
Wat betreft de motie kan ik u melden dat de rijksoverheid voornemens is om in 2026
een raamovereenkomst voor pentesten te sluiten waaraan bijna alle ministeries, diverse
Hoge Colleges van Staat en enkele zelfstandige bestuursorganen zullen deelnemen. Als
een opdrachtgever binnen deze raamovereenkomst een pentest laat uitvoeren door een
van de gecontracteerde bedrijven, zal hierop een vaste set inkoopeisen en contractuele
voorwaarden van toepassing zijn. De eisen en voorwaarden zijn gebaseerd op MIAUW en
doorontwikkeld om beter tegemoet te komen aan de behoeftes van de opdrachtgevers binnen
de raamovereenkomst en vele marktpartijen die hebben deelgenomen aan een openbare
marktconsultatie. Informatie over deze marktconsultatie en de aanbesteding voor pentesten
is en wordt openbaar gedeeld via TenderNed, het aanbestedingsplatform voor de Nederlandse
overheid. Hierdoor kan overheidsbreed geprofiteerd worden van de kennis die met pentesten
wordt opgedaan Deze initiatieven dragen bij aan de invulling van kwalitatief goed
en gestandaardiseerd opdrachtgeverschap voor pentesten. Met het voornemen voor de
Rijksbrede raamovereenkomst werken we toe naar een gestandaardiseerde methodiek, waarmee
ik de motie als uitgevoerd beschouw.
Herziening Chief Information Officer (CIO)-stelsel
Op 5 december heeft de ministerraad ingestemd met de herziening van het besluit CIO-stelsel.80 Daarmee wordt invulling gegeven aan de motie Buijsse en doe ik de toezegging af dat
ik u hierover in verdere brieven over zou informeren.81, 82 Op 1 januari 2026 zal het herziene besluit officieel in werking treden. Deze herziening
is tot stand gekomen op basis van eerdere toezeggingen en de aanbevelingen en adviezen
van de ADR en het AcICT uit 2024. Bij de herziening is een belangenafweging gemaakt
tussen complexiteitsreductie, professionalisering, standaardisatie en de taakstelling.
De belangrijkste aanpassingen aan het stelsel zijn:
– De introductie van de departementale (Chief) Data Officer, (Chief) Privacy Officer
en (Chief) Technology Officer aan te stellen, inclusief de taken en verantwoordelijkheden
van deze functionarissen (artikelen 9 t/m 15);
– De aanstelling van een CIO bij de Rijksdienst Caribisch Nederland (artikel 2.2);
– Uitbreiding van de taken van de departementale CIO (artikelen 4.j, 4.m en 4.n);
– Uitbreiding van de taken van de departementale CISO (artikel 7.l);
– Uitbreiding van de taken van de CIO Rijk (artikelen 18.j, 18.k en 18.l);
– Explicitering van de bevoegdheid van de CIO Rijk om op grond van het Coördinatiebesluit
organisatie, bedrijfsvoering en informatiesystemen rijksdienst namens de Minister
van BZK kaders vast te stellen (artikel 19.2);
– Uitbreiding van de bevoegdheden van de CISO Rijk (artikel 21.4).
Door deze aanpassingen wordt de positie van CIO’s binnen de departementen versterkt,
maar ook de coördinerende rol van BZK en de CIO Rijk is met de huidige herziening
versterkt. Zo is de bevoegdheid om bindende kaders vast te stellen in het nieuwe stelsel
expliciet vastgelegd. Dit betekent dat de CIO Rijk regels, normen en richtlijnen kan
opstellen en controleren voor de informatiesystemen van alle ministeries. Daarnaast
is afgesproken dat wanneer het CIO-beraad niet tot consensus komt, de CIO Rijk een
besluit kan nemen. In 2027 zal het CIO-stelsel weer worden geëvalueerd. Dan zal ook
blijken of deze aanpassingen in het stelsel doelmatig en doeltreffend zijn.
Motie Sneller – Plan van Aanpak om onvolkomenheden inkoopstelsel te verminderen83
Tijdens het Verantwoordingsdebat over het jaar 2024 is op 11 juni 2025 de motie Sneller
ingebracht die vervolgens door uw Kamer is aangenomen. Met deze motie roept de Kamer
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op om de verantwoordelijkheid
voor het inkoopbeleid op zich te nemen en om voor het einde van het jaar 2025 te komen
met een plan van aanpak om de onvolkomenheden binnen de inkoop significant terug te
dringen.
De noodzaak de rijksinkoop en het inkoopbeheer effectiever te laten functioneren kan
niet los worden gezien van de behoefte aan een overheid die in een snel veranderende
wereld weet wat er speelt en daar daadkrachtig mee aan de slag gaat. BZK bouwt daarom
aan een toekomstbestendige, betrouwbare en effectieve Rijksdienst en aan een digitale
overheid en samenleving die kansen benut, risico’s beperkt en mensen beschermt. Centrale
opgaven zoals een veilige en weerbare overheid geven daaraan richting. In de Rijksinkoopstrategie
worden deze missie en opgaven vertaald naar geconcretiseerde opgaven voor de Rijksinkoop.
2026 zal daarom in het teken staan van het verstevigen van het stelsel en de sturing
vanuit BZK, het verder optimaliseren van het rijksbrede categoriemanagement en de
rol van de klanten en opdrachtgevers hiervoor, het verstevigen van de inkoopuitvoering
en het verminderen van de regeldruk en de bureaucratie rond inkooptrajecten.
Verbeteren beheersing van grote ICT-activiteiten
Hieronder vindt u het voorstel84 over het verbeteren van de beheersing van de grote ICT-activiteiten. De afgelopen
jaren zijn namelijk op meerdere momenten adviezen gegeven om grote ICT-activiteiten
succesvoller op te leveren. Op basis van deze adviezen is een stelsel rondom de beheersing
van grote ICT-activiteiten ingericht met rijksbrede afspraken, de vaste instelling
van een onafhankelijk adviescollege (het Adviescollege ICT-toetsing (AcICT)) en het,
in het kader van transparantie, openbare Rijks ICT-dashboard. Het afgelopen jaar heb
ik, vanuit de coördinerende rol van BZK, gekeken hoe dit stelsel, gebaseerd op het
Three Lines Model85, functioneert. Mijn conclusie is dat dit op papier goed en stevig is ingericht, maar
dat de werking te kort schiet. Hierdoor worden de verwachte verbeteringen niet voldoende
gerealiseerd. Door meer in te zetten op het aanscherpen en beter naleven van de bestaande
afspraken, en op het beter ondersteunen van de medewerkers met kennis en kunde, kan
de beheersing en uitvoering van de grote ICT-activiteiten worden verbeterd en de complexiteit
worden gereduceerd.
Het voorstel is rijksbreed voor alle departementen en onderliggende organisaties.
Sommige departementen zijn al gestart met het uitwerken van het voorstel en brengen
dit al in de praktijk. Zij hebben een voorsprong, waar de rest van de rijksoverheid
voordeel van kan hebben.
Bestaande afspraken beter naleven
De afspraken die de beheersing van grote ICT-activiteiten vormgeven zijn te vrijblijvend
geformuleerd. Hierdoor schiet de werking van het stelsel te kort en wordt het beoogde
doel niet bereikt. Ik wil de CIO Rijk vanuit zijn bevoegdheden in het Besluit CIO-stelsel86 vragen om de afspraken aan te scherpen en terug te brengen tot de kern. Hiermee zijn
ze door de departementen duidelijker te interpreteren, beter na te leven en kunnen
ze de uitvoering van de grote ICT-activiteiten beter ondersteunen. Denk hierbij aan
afspraken over wanneer een ICT-activiteit mag starten, het in een vroeg stadium betrekken
van de departementale CIO en het AcICT, en het structureel afgeven van een stevig
advies door de CIO met een go/no-go besluit.
Ik verwacht dat de CIO Rijk de aangescherpte afspraken in april met de departementen
kan delen. Vervolgens dient de departementale CIO deze afspraken binnen het eigen
ministerie uit te werken richting het departementale beleid en de uitvoering. Eind
volgend jaar zal ik de effectiviteit van de afspraken bij de departementale CIO’s
inventariseren. Bij onvoldoende effect zal ik de departementen hierop aanspreken in
het CIO-gesprek en indien nodig de afspraken aanscherpen. Met deze maatregelen ga
ik uit van een verbetering van de uitvoering van de grote ICT-activiteiten.
Daarnaast vind ik het ook belangrijk dat adviezen goed worden opgevolgd. Er wordt
vaak aangegeven dat het advies wordt opgepakt, maar niet op welke manier en binnen
welk tijdsbestek. Het is mij daarom niet duidelijk of en hoe er opvolging wordt gegeven
aan de adviezen. Vanuit de taken en bevoegdheden die de departementale CIO heeft gekregen
in het Besluit CIO-stelsel 202187 heeft de CIO inzicht in de grote ICT-activiteiten. Hiermee kan de CIO in elke fase
van de uitvoering besluiten om een CIO-oordeel uit te voeren. Dit betekent dus dat
als een advies niet of onvoldoende wordt opgevolgd, de departementale CIO alsnog kan
optreden. Om dit goed te doen heeft de departementale CIO inzicht in eerdere adviezen
nodig. Ik wil daarom het inzicht in de opvolging van de adviezen concreet maken. Ik
zal onderzoeken of een informatieplicht aan BZK daarbij van toegevoegde waarde is,
zodat de CIO Rijk ook inzicht heeft in de opvolging en indien nodig departementale
CIO’s hierop kan aanspreken. Met deze maatregelen is bijsturen beter mogelijk en kan
er worden voortgebouwd op eerdere adviezen. Door dit inzicht expliciet van de CIO
te verwachten, verbeter ik de effectiviteit van de beheersing van de grote ICT-activiteiten
en het lerend vermogen van de organisatie. Dit werkt door in de gehele keten, inclusief
inzicht in de opvolging van het AcICT-advies dat naar uw Kamer wordt gestuurd.
Kennis en kunde beter inzetten
Het voorbereiden en uitvoeren van grote ICT-activiteiten is complex. Er zijn veel
spelers betrokken die ieder een deel van de puzzel kennen en proberen op te lossen.
ICT-personeel speelt hierin een belangrijke rol, maar ook beleid, de staande organisatie,
en politiek-bestuurlijke ambities zijn betrokken. Door deze complexiteit komt het
voor dat de prioriteiten, de doelen en de scope tussentijds wijzigen, zonder dat de
impact op de grote ICT-activiteit goed wordt overzien. Dit wordt voor een deel veroorzaakt
door de onterechte aanname dat ambtenaren (beleidsmedewerkers, opdrachtgevers, bestuurders
en CIO-adviseurs) vanzelfsprekend voldoende ICT-kennis hebben om complexe grote ICT-activiteiten
succesvol voor te bereiden, uit te voeren en erover te adviseren.
Ik grijp dit moment dan ook aan om aandacht te vragen voor de overheidsbrede uitdaging
om de ICT-kennis en kunde te verbeteren. Voor de lange termijn zet ik daarom in op
het beter opleiden van ambtenaren in goed opdrachtgeverschap als onderdeel van digitaal
vakmanschap. Ik ga ook in gesprek met de Algemene Bestuursdienst om te pleiten voor
meer ICT-kennis en kunde bij topambtenaren, onder andere in het aannamebeleid.
Voor de korte termijn kies ik ervoor om de reeds aanwezige ICT-kennis en kunde beter
en laagdrempeliger beschikbaar te maken voor ambtenaren. Dit ga ik op een aantal manieren
vormgeven:
a. ICT-kennis actief delen en efficiënter inzetten. Ik denk hierbij aan de ICT-communities,
waarin digitaliseringsprofessionals hun kennis delen. Het bereik van deze communities
is beperkt. Ik wil de kennis van deze communities rijksbreed breder inzetten. Hierdoor
wordt kennis beter gedeeld en blijft het beter geborgd. Ik neem dit mee in de uitwerking
van prioriteit 6 van de NDS.88
b. ICT-kennis dichtbij organiseren. Bij verschillende departementen worden in de Directoraten-Generaal
(DG’s) informatiemanagers inzet. Ik vind dit een goede manier om een brug te slaan
tussen ICT en beleid en moedig dit daarom aan.
c. Het beleidskompas is een hulpmiddel bij het maken van beleid. In het beleidskompas
wordt al gewezen op de gevolgen voor ICT bij het maken van beleid. Dit ga ik versterken
door de ICT nadrukkelijker op te nemen in het beleidskompas-formulier en bij vragen
door te verwijzen naar de CIO-offices van de departementen.
Motie Thijssen en Bruyning – Strategisch Leveranciersmanagement (SLM)89
In het debat over de initiatiefnota «Wolken aan de horizon» is uitgebreid gesproken
over de verschillende clouddiensten en de leveranciers daarvan. Met de motie Thijssen
en Bruyning wordt verzocht om een strategisch leveranciersmanagement voor autonome
cloud op te zetten.
Het huidige stelsel van rijksinkoop kent de rollen als categoriemanagement, software
asset management en strategisch leveranciersmanagement gericht op specifieke domeinen
van dienstverlening en leveranciers. Het stelsel is dit jaar geëvalueerd en ook de
Algemene Rekenkamer biedt in haar jaarlijkse rapportage90 aanbevelingen op het gebied van inkoop en cloud technologie.
De uitvoering van deze motie voor een strategisch leveranciersmanagement autonome
cloud wil ik daarom vervlechten met de uitvoering van de motie Sneller91 en daarmee meerdere aspecten van het rijksinkoopstelsel aanpassen. Een eerste opvolging
van de motie Thijssen en Bruyning zal per direct vorm krijgen door de focus van de
bestaande strategische leveranciersmanagers om te buigen van acht specifieke leveranciers
naar een themagerichte aanpak, waaronder die van het thema autonome cloud. Deze aanpassing
in het functioneren van strategisch leveranciersmanagement wordt nader uitgewerkt
en zal onder meer verwoord worden in de vernieuwde inkoopstrategie. Met deze eerste
ombuiging en de nadere uitwerking in de opvolgende inkoopstrategie geef ik uitvoering
aan de motie.
Motie Six Dijkstra – Rapportage IT-licentiekosten
Via een motie van het lid Six Dijkstra92 is verzocht om via de begrotingscyclus terugkerend te rapporteren over de gestegen
IT-licentiekosten binnen de verschillende departementen. In het debat van 2 juni 2025
over de initiatiefnota93 «Wolken aan de horizon» en in andere vorm herhaald tijdens het debat op 29 september
2025 over de Nederlandse Digitaliseringstrategie94 is toegezegd95, 96 inzicht te verschaffen inzake de financiële waarde van contracten met de grotere
IT-leveranciers waar Rijksbreed Strategisch Leveranciersmanagement (SLM) voor is ingericht.
Dit inzicht is een complexe opgave waar op vele fronten de formulering van de vraag
gevolgen heeft voor een mogelijk antwoord. Ik bied u een eerste antwoord en bijbehorende
duiding. De financiële waarde waar Rijksbreed Strategisch Leveranciersmanagement (SLM)
voor is ingericht bedraagt over de afgelopen jaren:
x mln €
2024
2023
2022
2021
2020
Totaal SLM
230
135
168
136
126
Dit zijn de cijfers op basis van de Europese aanbestede raamovereenkomst Programmatuur
(EAP) vanuit de rijks- inkoopcategorie software. De cijfers zijn een optelsom van
de verschillende SLM partijen, te weten: Amazon Web Services, Google, IBM, KPN, Microsoft,
Oracle, RedHat, SAP. De cijfers geven niet het gehele beeld van de rijksoverheid doordat
niet alle departementen en uitvoerende diensten deelnemen aan de EAP. Strevend naar
het meest zuivere beeld is daarom gefocust op departementen en agentschappen.
De getoonde financiële waarde omvat de diverse vormen van gecontracteerde dienstverlening.
Dit omvat zowel licenties als ook de aanschaf van programmatuur en diverse andersoortige
dienstverlening (zoals cursusmateriaal of projectadvisering). De dienstverlening (en
vooral de facturering) loopt via resellers; via de EAP is er geen direct contract met de uiteindelijke leverancier. De fluctuatie
van de cijfers kan verklaard worden door de wisselende deelname van overheidsorganisaties
aan de EAP, het wisselende gebruik van licenties (qua aantallen per overheidsorganisatie)
en de voor een organisatie eenmalige investeringskosten voor een specifieke applicatie.
Om de bovenstaande kosten in perspectief te plaatsen, bied ik de volgende schets van
het inkoopdomein.
• Het Rijk koopt grofweg voor 18 miljard euro jaarlijks in.
• Een kwart daarvan, grofweg 4,5 miljard euro, verloopt via de raamovereenkomsten van
rijksbreed categoriemanagement die deelnemende overheidsorganisaties voorzien in de
gevraagde dienstverlening;
• De generieke inkoop van IT verloopt via vijf verschillende categorieën97 zijnde connectiviteit, datacenters, IT-professionals, ICT werkomgeving en software.
• Gekoppeld aan deze vijf inkoopcategorieën is het strategisch leveranciersmanagement
(SLM) ingericht voor de kwaliteitsborging van acht specifieke leveranciers.
• De categorie software omvat een financieel volume dat gegroeid is van 360 miljoen
euro over 2020 naar 570 miljoen euro over het jaar 2024, verdeeld over ruim 3.000
toeleveranciers (onderaannemers en derden).
Een ander perspectief op het inkopen vanuit de overheid is verwoord in de Verzamelbrief
aanbesteden.98 Het daar verwoorde onderzoek stelt dat bijna 4% van het aantal gunningen een directe
of indirecte betrokkenheid van bedrijven buiten de EU kent en dit betreft vooral gunningen
in sectoren zoals IT, informatiesystemen en software.
Met het bovenstaande beschouw ik de toezegging99 om een overzicht te verstrekken inzake de financiële waarde van onder SLM ressorterende
partijen als afgedaan. Daarmee is ook een quickscan100 opgeleverd over IT-kosten dat, voorzien van argumentatie, niet verder te specificeren
is naar licentiekosten. Met betrekking tot uw vragen over het verbeteren van het inzicht
in de begrotingscyclus loopt op dit moment het gesprek met het Ministerie van Financiën.
Ik informeer u op een later moment over de uitkomsten hiervan, als onderdeel van de
Kamerbrief inzicht in rijksbrede digitalisering.
Uitstel verzending kamerbrief inzicht in rijksbrede digitalisering
Voor de zomer heb ik uw Kamer in de Verzamelbrief digitalisering101 uitstel gemeld voor die Kamerbrief over het verbeteren van het inzicht in rijksbrede
digitalisering.102 De Kamer heeft vlak daarvoor de ontraadde motie van de leden Buijsse en Kathmann
aangenomen die het kabinet verzocht om te onderzoeken of er tot een stelsel van regels
voor de financiële administratie bij departementen gekomen kan worden waarbij digitalisering
wél is meegenomen. Ik heb u gemeld hierover met het Ministerie van Financiën in gesprek
te gaan.103 Dat gesprek is nog niet afgerond, waardoor de planning van deze brief helaas verschuift
naar het nieuwe jaar. Ik streef ernaar u zo snel mogelijk hierover te informeren.
6. Data, Artificiële Intelligentie en algoritmen
Analyse inzet selectie-instrumenten Netwerk van Publieke Dienstverleners (NPD)
Op 3 december 2024 ontving uw Kamer de Kabinetsreactie op het advies van de Autoriteit
Persoonsgegevens over artikel 22 AVG en geautomatiseerde selectietechnieken.104 Hierin is aangekondigd dat NPD een analyse zal organiseren van casuïstiek met betrekking
tot de inzet van selectie-instrumenten in de praktijk. Uw Kamer is toegezegd hierover
voor het einde van dit jaar geïnformeerd te worden.105 De analyse is uitgevoerd door een extern onderzoeksbureau en het rapport wordt eind
december verwacht. Ik zal het rapport, voorzien van een reactie, aan uw Kamer zenden
in het eerste kwartaal van 2026.
Voortgang wetenschappelijke standaard voor modellen en algoritmen
In mei van dit jaar is uw Kamer per brief106 geïnformeerd over de beoogde aanpak van de motie van de leden Omtzigt en Six Dijkstra107 inzake de ontwikkeling van een wetenschappelijke standaard voor modellen en algoritmen.
Via deze weg informeer ik u – mede in lijn met de toezegging die ik deed tijdens het
Notaoverleg over de Nederlandse Digitaliseringsstrategie op 29 september jl. – over
de voortgang bij het komen tot een wetenschappelijke standaard voor modellen en algoritmen.
De Universiteit Leiden is, op mijn verzoek, dit najaar gestart met haar onderzoek
naar de ontwikkeling van een wetenschappelijke standaard. In de voortgangsbrief van
mei jl. stond vermeld dat in de aanpak van de Universiteit Leiden twee centrale onderzoeksvragen
zijn geformuleerd. De eerste vraag richt zich op welke theoretische kaders en instrumenten
beschikbaar zijn voor validatie, verificatie en transparantie bij de inzet van modellen
en algoritmen, waarbij de criteria van navolgbaarheid en afdwingbaarheid worden meegenomen.
Dit onderzoek wordt momenteel opgestart door de Universiteit Leiden.
De tweede vraag betreft de werkwijzen en afwegingen die ten grondslag liggen aan de
keuze voor een model (bijvoorbeeld op basis van een afwegingskader). Hier is tijdens
de Data for Policy-conferentie, georganiseerd door de Universiteit Leiden op 13 juni jl., bij een speciale
panelsessie over het thema «modelgerichte besluitvorming» met wetenschappelijke experts
uitgebreid bij stilgestaan. Het volledige verslag heb ik opgenomen in bijlage 9. De
belangrijkste conclusies van het panel waren dat modellen onvermijdelijk normatieve
keuzes bevatten, modeltransparantie alleen onvoldoende is, verschillende doelgroepen
verschillende informatiebehoeften hebben, en dat governancearrangementen centraal
staan in het adresseren van risico’s.
De uitkomsten van het expertpanel worden meegenomen in de verdere uitwerking van de
motie en de ontwikkeling van de wetenschappelijke standaard. De volgende stap is het
in kaart brengen van bestaande kaders, concepten en praktijken rond transparantie,
validatie en verificatie van modellen in beleid en uitvoering. De fase daarna richt
zich op het opstellen van een systematisch overzicht van bestaande benaderingen voor
transparantie van modellen, met aandacht voor praktische toepasbaarheid. Het volledig
uitgewerkte onderzoek, inclusief de bijbehorende wetenschappelijke standaard, zal
voor de zomer met uw Kamer worden gedeeld.
Prioritaire AI-toepassingsgebieden
Ik heb uw Kamer tijdens het Notaoverleg Nederlandse Digitaliseringsstrategie op 29 september
2025 toegezegd dat zij schriftelijke informatie over een AI-opschaalfaciliteit binnen
de overheid ontvangt.108 Met onderstaande informatie doe ik deze toezegging af. Met een brede vertegenwoordiging
van overheidsorganisaties, kennisinstellingen en uitvoeringsorganisaties zijn zes
toepassingsgebieden uitgekozen waar AI impact kan maken binnen de overheid. Dit is
geen uitputtende lijst maar bevat gebieden die een logische start hiervoor zijn:
1. AI voor bezwaar- en beroep, gericht op een snellere en consistente afhandeling van
het juridische afhandelproces;
2. AI ter ondersteuning van ambtenaren, om werkdruk te verminderen, zoals AI-assistenten,
lokale AI-oplossingen en AI-agents die repetitieve taken automatiseren;
3. AI voor Open Overheid, ter bevordering van transparantie en publieke verantwoording;
4. AI in de leefomgeving, bijvoorbeeld voor stedelijke planning of milieumonitoring zoals
detectie van de Aziatische hoornaar;
5. AI voor interactie binnen de overheid met burgers en bedrijven, waaronder de inzet
van chat- en virtuele assistenten;
6. AI voor digitale toegankelijkheid van de overheid, bijvoorbeeld door automatische
ondertiteling van debatten, transcriptie of spraaktechnologie.
De volgende stap betreft de voorbereiding van concrete toepassingen binnen deze gebieden,
met als doel deze op te schalen via de zogenoemde AI-opschalingsfaciliteit. Dat is
een faciliteit om het opschalen van bewezen AI-pilots breder uit te rollen binnen
de overheid. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de ambitie om bewezen AI-toepassingen
breder inzetbaar te maken binnen het openbaar bestuur en bij te dragen aan een innovatieve,
betrouwbare en mensgerichte digitale overheid.
Motie Six Dijkstra en Kathmann – Gebruik van AI voor vereenvoudiging complexe wet-
en regelgeving109
Bij het Wetgevingsoverleg (Kamerstuk 36 740 VII, nr. 37) van 30 juni 2025 heb ik toegezegd uw Kamer te informeren over initiatieven op het
gebied van wetgeving die verder worden ontwikkeld binnen de AI-opschalingsfaciliteit
voor bewezen initiatieven.110 Daarnaast vraagt de motie Six Dijkstra en Kathmann de regering samen met uitvoeringsinstanties
te verkennen of en hoe generatieve Al gebruikt kan worden om complexe wet- en regelgeving
substantieel te vereenvoudigen. Onderstaand informeer ik u over voorbeelden die dit
beogen, waarmee ik uitvoering geef aan de motie van de leden Six Dijkstra en Kathmann.
Op tal van plekken en toepassingsgebieden binnen de overheid wordt geëxperimenteerd
met AI, waaronder generatieve AI. Zo worden er ook initiatieven ontplooit die wetgevingsjuristen
kunnen ondersteunen of de uitvoering van wetgeving beter of efficiënter kunnen maken.
Hierbij kan gedacht worden aan toepassingen die het wetgevingsproces efficiënter maken,
input leveren in de vorm van tekstvoorstellen voor begrijpelijkere en eenvoudigere
wet- en regelgeving, bestaande regelgeving doorzoeken en uitleggen of bevraagbaar
maken. Uiteraard vraagt het wetgevingsproces, net als andere juridische processen,
om grote voorzichtigheid met ondersteuning van het werk door generatieve AI. Niet
alleen is de mogelijke impact van foutieve uitkomsten of gebrek aan technische transparantie
groot, ook hebben reguliere taalmodellen geen begrip van de juridische definitie van
de woorden en van de context en structuur van wetgeving. Het gebruik van open Nederlandse
en Europese taalmodellen zoals GPT-NL, waar vanuit de Nederlandse Digitaliseringsstrategie
(NDS) op wordt ingezet, draagt bij aan betere transparantie.
Waar het gaat om toepassingen om wetgeving toegankelijker te maken, wil ik graag wijzen
op de OmgevingsChat die is ontwikkeld in een samenwerking tussen «Stichting Digitale
Overheid» en «De Friese Aanpak». De OmgevingsChat is gebouwd op basis van generatieve
AI en is bedoeld om professionals te ondersteunen bij werken met de Omgevingswet.
Zo is er een applicatie voor medewerkers van een klantcontactcentrum om vragen van
burgers te beantwoorden en een applicatie die juristen en informatiespecialisten ondersteunt
bij het omzetten van juridische regels naar toepasbare regels binnen het Digitaal
Stelsel Omgevingswet.111 Met de «AI-opschalingsfunctionaliteit» zal ik bijdragen aan het breder inzetbaar
maken van de OmgevingsChat.
In het project «Minder burgers in de knel en uitvoerbare wetgeving door machineleesbare
wetgeving», dat onder regie van de Vereniging Nederlandse Gemeenten wordt uitgevoerd
in samenwerking met mijn departement, wordt gewerkt aan een analysetool om wetsvoorstellen
beter te kunnen toetsen op uitvoerbaarheid in samenhang met andere wetten. Een belangrijk
element hierin is het vertalen van wetteksten naar een machine-uitvoerbaar formaat.
AI kan een ondersteunende rol spelen in het vertalen van de wetteksten, de analyse
en de toetsing. Het doel is de uitvoeringsconsequenties van nieuwe wetgeving en wetsvoorstellen
sneller in kaart te brengen en concrete suggesties te doen voor verbetering van (voorgenomen)
wetgeving.
Tevens subsidieer ik het initiatief «Wegwijs in Regels» (ook wel: «WetGPT»), een AI-toepassing
om wetgeving toegankelijker te maken voor burgers, ondernemers en ambtenaren. Bij
dit project, waarin verschillende overheidsorganisaties participeren, wordt kennismodelering
toegepast om hallucinaties te voorkomen.112 Met «Wetwijzer Bedrijven» wordt onder regie van Logius (onderdeel van mijn ministerie)
met betrokkenheid van uitvoeringsorganisaties een prototype ontwikkeld dat bedoeld
is om specifiek voor bedrijven wetgeving toegankelijker en begrijpelijker te maken.113
Motie Six Dijkstra – registratie van hoog-risico-AI en impactvolle algoritmen114
Het lid Six Dijkstra heeft het kabinet door middel van een motie verzocht uw Kamer
middels planningsbrieven te informeren over de registratie van impactvolle algoritmen
(categorie B in de handreiking Algoritmeregister)115 in het Algoritmeregister116, bovenop de bestaande plannen voor het registreren van hoog-risico AI-systemen (categorie
A). Over dit deel van de motie heb ik uw Kamer in de Verzamelbrief oktober 2025 reeds
geïnformeerd.117 Daarnaast verzocht de motie om een voortgangsbrief inzake de registraties in het
Algoritmeregister en expliciet in te gaan op de wettelijke eisen zoals door de Autoriteit
Persoonsgegevens gegeven uitleg op artikel 22 van de AVG. Met onderstaande informatie
voer ik de motie uit.
Stand van zaken registraties
Sinds de opzet van het Algoritmeregister in december 2022 zijn er bijna dagelijks
nieuwe registraties van algoritmen gepubliceerd. Op moment van schrijven bevat het
Algoritmeregister 1.214 gepubliceerde algoritmen, afkomstig van 300 verschillende
overheidsorganisaties. Daar van zijn er 31 als «hoog-risico AI-systeem» geclassificeerd,
572 als «impactvol algoritme» en de overige 611 worden geschaard onder «overige algoritmen»
(categorie C). In totaal zijn er 500 overheidsorganisaties aangesloten op het Algoritmeregister.
Dit betekent dat zij een account hebben en mogelijk bezig zijn met een publicatie,
of (nog) geen relevante algoritmen gebruiken maar wel een account hebben voor mogelijke
toekomstige registraties.
Om de voortgang van registraties overzichtelijk te maken, is er een dashboard ingericht.118 Daar zijn de totaal aantallen die hierboven worden vermeld te vinden, maar is het
ook mogelijk om grafieken te bekijken per overheidslaag: gemeenten, provincies, waterschappen,
omgevingsdiensten, veiligheidsregio’s en per ministerie (landelijke organisaties).
Wettelijke eisen geautomatiseerde risicoselectie en AP-advies
Op 3 december 2024 ontving uw Kamer de kabinetsreactie en toelichting op het AP-advies
inzake artikel 22 van de AVG en geautomatiseerde selectie-instrumenten.119 Het kabinet hecht aan de verantwoorde inzet van algoritmen, waaronder geautomatiseerde
risicoselectie-instrumenten. Het naleven van wetgeving is daarbij het minimum. Volgens
de AP moeten geautomatiseerde risicoselectie-instrumenten aan bepaalde regels voldoen.
Deze regels zijn er om de rechten en vrijheden van mensen te beschermen. De AP zegt
dat organisaties moeten controleren of geautomatiseerde risicoselectie-instrumenten
niet discrimineren. Dit moet gebeuren voordat het systeem wordt gebruikt en regelmatig
tijdens het gebruik. Ook moet er na de geautomatiseerde risicoselectie altijd een
mens betrokken zijn die echt invloed heeft op belangrijke beslissingen. Daarnaast
moet een overheidsorganisatie aan de persoon over wie een besluit wordt genomen laten
weten dat geautomatiseerde risicoselectie is gebruikt.
Een organisatie mag geautomatiseerde risicoselectie gebruiken zonder speciale wet,
als het systeem alleen helpt om te bepalen of een aanvraag op een bepaalde manier
in behandeling moet worden genomen of om te bepalen of verder onderzoek nodig is,
bijvoorbeeld om meer informatie te verzamelen. Pas als een mens daarna beslist over
iets dat gevolgen heeft voor de persoon, is het toegestaan.
Wettelijke eisen in het Algoritmeregister
De motie verzocht verder om specifiek in te gaan op hoe de navolging van deze wettelijke
eisen te vinden is in het Algoritmeregister. In het register beschrijven overheidsorganisaties
de werking van algoritmen én het verantwoord gebruik. Onder verantwoord gebruik wordt
doel en impact, afwegingen, menselijke tussenkomst, risicobeheer, de wettelijke basis
en risicobeheer beschreven. De wettelijke eisen kunnen gevonden worden middels de
volgende velden:
– Organisaties moeten controleren dat instrumenten niet discrimineren: het veld «Risicobeheer»
beschrijft of en hoe eventuele risico’s op discriminatie zijn onderzocht en ondervangen.
Het veld «Impacttoets» beschrijft daarnaast of en welke impacttoets er is uitgevoerd,
eventueel met een toelichting van de resultaten.
– Er moet altijd een mens betrokken zijn bij beslissingen: het veld «Menselijke tussenkomst»
geeft een omschrijving van hoe uitkomsten door een mens gebruikt worden en op welke
wijze deze gecontroleerd en bijgesteld (kunnen) worden.
– Personen over wie een besluit genomen wordt, zijn geïnformeerd over het gebruik van
een algoritme: het veld «Doel» beschrijft waarvoor het algoritme is ontwikkeld en
wat voor impact de selectie heeft op burgers en bedrijven en hoe zij hierover geïnformeerd
worden.
Organisaties zijn zelf verantwoordelijk voor het juist en volledig invullen van het
Algoritmeregister. De centrale hulp bij het invullen van het Algoritmeregister blijf
ik aanbieden. Daarnaast werkt het kabinet aan het Algoritmekader120, waarmee voor organisaties duidelijker en praktischer gemaakt moet worden aan welke
vereisten zij moeten voldoen bij de inzet van algoritmen en AI. Op een aparte pagina
zijn de verplichtingen en richtlijnen voor de inzet van geautomatiseerde risicoselectie
opgenomen, met inbegrip van richtlijnen voor opnemen van risicoselectie-instrumenten
in het Algoritmeregister.121
Vervolg
Het Algoritmeregister bestaat nu drie jaar. Daarom heb ik de Auditdienst Rijk (ADR)
opdracht gegeven voor een evaluatieonderzoek naar de kwaliteit en volledigheid van
de registraties in het Algoritmeregister. Dit onderzoek zal naar verwachting in het
tweede kwartaal van 2026 worden afgerond en de uitkomsten zullen met uw Kamer worden
gedeeld. Daarnaast zullen de departementen net als voorheen middels de Jaarrapportage
Bedrijfsvoering Rijk (JBR) van 2025 gezamenlijk rapporteren over de in dat jaar opgenomen
algoritmen in categorie A (hoog-risico AI-systemen) en categorie B (impactvolle algoritmen).
Ook geven zij een prognose van de nog op te nemen algoritmen. Met de Rijksorganisaties
bestaat de bestuurlijke afspraak dat alle hoog-risico AI systemen eind 2025 zijn opgenomen.
Wanneer er nieuwe hoog-risico AI-systemen in gebruik worden genomen, nemen zij deze
direct op in het register. De JBR van 2025 wordt op Verantwoordingsdag met uw Kamer
gedeeld.
In de kabinetsreactie op het AP-advies heb ik uw Kamer laten weten dat uitvoeringsorganisaties
de door de AP genoemde waarborgen al in meer of mindere mate in hun processen hebben
opgenomen, maar dat er nog ruimte voor verbetering is. In dit kader is ook aangekondigd
dat het Netwerk van Publieke Dienstverlening onder haar leden een analyse organiseert
van casuïstiek met betrekking tot geautomatiseerde risicoselectie-instrumenten. Mijn
ministerie is daar nauw bij betrokken. Die analyse zal een eerste inzicht geven in
de wijze waarop uitvoeringsorganisaties voldoen aan de door de AP genoemde waarborgen
en wat er nodig is om deze instrumenten op een verantwoorde manier in te zetten. Uw
Kamer wordt hierover in een aparte brief geïnformeerd.122
Rapportage over overheidsbrede samenwerking op soevereine AI
Hierbij bied ik uw Kamer de «Overheidsbrede monitor generatieve AI» aan.123 U vindt deze in bijlage 10. Deze monitor is tot stand gekomen in opdracht van het
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en uitgevoerd door
TNO.
In de Overheidsbrede visie generatieve AI van januari 2024 is aan uw Kamer toegezegd124 dat er een overheidsbrede monitor generatieve AI zou komen en dat de resultaten hiervan
met uw Kamer zouden worden gedeeld. Deze monitor draagt bij het nauwgezet volgen van
de ontwikkelingen op (generatieve) AI-gebied, in het bijzonder binnen de overheidscontext.
Het onderzoek is uitgevoerd tijdens en na het verschijnen van het Overheidsbrede standpunt
generatieve AI125 in april van dit jaar. Deze beleidswijziging is daarmee meegenomen in de uitwerking
van de monitor. De aanbevelingen van TNO sluiten zeer goed aan bij de acties uit de
NDS, in het bijzonder binnen de prioriteit AI. Dit geldt bijvoorbeeld voor het stimuleren
van (open) Nederlandse en EU-taalmodellen, het gericht opschalen van veelbelovende
AI-toepassingen en het bieden van duidelijkheid over kaders en inkoop.
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
E. van Marum
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. van Marum, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties