Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over Laatste sets kerndoelen m.b.t. de leergebieden mens en maatschappij, mens en natuur, moderne vreemde talen, kunst en cultuur en bewegen en sport, door het landelijk expertisecentrum voor het curriculum (SLO) (Kamerstuk 31293-847)
2025D52821 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben enkele fracties
de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief Laatste sets kerndoelen
m.b.t. de leergebieden mens en maatschappij, mens en natuur, moderne vreemde talen,
kunst en cultuur en bewegen en sport, door het landelijk expertisecentrum voor het
curriculum (SLO) (Kamerstuk 31 293, nr. 847) aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
De fungerend voorzitter van de commissie,
Bromet
Adjunct-griffier van de commissie,
Easton
Inhoud
I
Vragen en opmerkingen uit de fracties
•
Inbreng van de leden van de D66-fractie
•
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
•
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
•
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
•
Inbreng van de leden van de JA21-fractie
•
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
•
Inbreng van de leden van de DENK-fractie
•
Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractie
II
Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de laatste set
kerndoelen. Deze leden steunen deze herziening en vragen het kabinet zoveel mogelijk
snelheid te maken. Zij hebben geen inhoudelijke vragen.
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de laatste
sets kerndoelen m.b.t. de leergebieden mens en maatschappij, mens en natuur, moderne
vreemde talen, kunst en cultuur en bewegen en sport, door het landelijk expertisecentrum
voor het curriculum (SLO) en hebben geen verdere vragen.
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
laatste sets kerndoelen m.b.t. de leergebieden mens en maatschappij, mens en natuur,
moderne vreemde talen, kunst en cultuur en bewegen en sport, door het landelijk expertisecentrum
voor het curriculum (SLO) en de begeleidende brief. Deze leden zijn blij dat er, na
een jarenlang traject dat niet altijd even voorspoedig verliep, nu een geactualiseerd
curriculum ligt. Tevens zijn zij positief over het aannemen van de Wet herziening
wettelijke grondslagen kerndoelen, dat met enkele amendementen in hun ogen positief
is verbeterd. Deze leden hebben nog enkele vragen over de daadwerkelijk implementatie
van de kerndoelen.
In eerdere Kamerbrief is de Staatssecretaris uitgebreid ingegaan op de implementatiefase
van het nieuwe curriculum.1 Hij beschreef dat de implementatieaanpak is opgebouwd rond vijf pijlers, te weten:
curriculumbewustzijn en professionalisering, leermiddelen, toetsen, communicatie en
monitoring. Wat betreft de pijler curriculumbewustzijn en professionalisering baart
het de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog steeds zorgen dat de implementatie
van het nieuwe curriculum door onderwijsprofessionals moet gebeuren in de standaard
16 uur per jaar professionaliseringstijd die zij hebben. Deze leden vragen zich af
of dit wel genoeg tijd is voor de implementatie van het nieuwe curriculum. Heeft de
Staatssecretaris overwogen om onderwijsprofessionals méér tijd te geven om zich het
nieuwe curriculum eigen te maken? Deze leden vrezen dat de schaarse professionaliseringstijd
de komende jaren dan vooral wordt gebruikt voor het doorvoeren van het nieuwe curriculum,
maar dat professionalisering op andere belangrijke terreinen stil komt te liggen.
Kan de Staatssecretaris deze zorgen wegnemen door bijvoorbeeld te overwegen meer tijd
en middelen vrij te maken voor de implementatie van het curriculum?
De Staatssecretaris schrijft verder in zijn brief over het nieuwe systeem van periodiek
onderhoud van het curriculum. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie delen dat het
belangrijk is dat de volgende wijziging van het curriculum meer regulier en voorspelbaar
plaatsvindt en niet weer twintig jaar op zich laat wachten. Dat dit niet expliciet
is opgenomen in de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen baarde deze leden
zorgen, maar dit is gelukkig nog via amendementen toegevoegd.2 Deze leden vragen zich af of de Staatssecretaris inzicht kan geven in hoe hij uitvoering
gaat geven aan deze amendementen en hoe dit een plek krijgt in de onderhoudskalender
die SLO op dit moment aan het ontwikkelen is.
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief met de laatste sets
nieuwe kerndoelen en danken de Staatssecretaris hiervoor. Deze leden steunen een spoedige
implementatie van de nieuwe kerndoelen die tot stand zijn gekomen na intensief overleg
met het onderwijsveld. Deze leden steunen het voorstel om de besluiten over de nieuwe
kerndoelen onderhavig te maken aan een voorhangprocedure, zodat de parlementaire betrokkenheid
goed gewaarborgd is.
De leden van de CDA-fractie hebben nog een enkele vraag over het vervolg. Deze leden
vragen wanneer de Staatssecretaris naar verwachting de concept-besluiten met de Kamer
zal delen. Zij vragen ook wanneer het plan voor de implementatie met de Kamer wordt
gedeeld, omdat het belangrijk is dat leraren, leerlingen en schoolleiders goed worden
ondersteund hierbij. Deze leden vragen tot slot wanneer de functionele kerndoelen
voor de leergebieden mens en maatschappij, mens en natuur, moderne vreemde talen,
kunst en cultuur en bewegen en sport zullen volgen voor de leerlingen in het gespecialiseerd
onderwijs.
Inbreng van leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de laatste sets kerndoelen en
hebben nog een aantal opmerkingen en zorgen.
De Staatssecretaris geeft aan dat hiermee is voldaan aan de motie Soepboer om het
aantal kerndoelen te beperken.3 Vindt hij dat dit nu afdoende is gebeurd, ook om het gevreesde overladenheidsgevoel
te mitigeren? Wat is, nu de laatste sets kerndoelen beschikbaar zijn, het resultaat
als de vorige kerndoelen met de huidige worden vergeleken?
Vraag 7 van de feitelijke vragen over de brief van 6 maart 2024 inzake de conceptkerndoelen
burgerschap en digitale geletterdheid luidt «welke delen van het bestaande lesprogramma
worden verarmd als gevolg van de nieuwe kerndoelen?»4 Het antwoord is dat dit nu niet goed te zeggen is omdat nog niet alle kerndoelen
zijn opgeleverd waardoor oud en nieuw nog niet te vergelijken zijn. Hoe zit dat nu?
Welke delen van het bestaande lesprogramma worden verarmd of beperkt als gevolg van
de nieuwe kerndoelen? Welke delen van het bestaande lesprogramma worden verzwaard
als gevolg van de nieuwe kerndoelen?
Hoeveel tijd zijn scholen en kinderen nu kwijt aan het leren van deze kerndoelen en
hoeveel vrije ruimte is er dan nog over per kerndoel, en in hoeverre verschilt dat
per school? Hoe verhoudt de systematiek van deze kerndoelen, de formulering, de mate
van precisie en de inhoudelijke omvang van deze kerndoelen zich tot de wettelijk verplichte
leerstof voor dezelfde leeftijden in België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk?
Welke analyses bestaan daarvan?
Welke onderwijskundige overtuigingen of filosofieën liggen ten grondslag aan deze
kerndoelen? De leden van de JA21-fractie krijgen de indruk dat SLO, de stichting die
belast is met het opstellen van de kerndoelen, sterk wordt beïnvloed door vormen van
sociaal-constructivisme waarbij bijvoorbeeld minder de lesstof en meer de ervaringen
van de leerling centraal staan, waarbij leren een coöperatief proces is en kennis
voortdurend zou veranderen. Hoe ziet de Staatssecretaris dat?
In de inleiding van het definitief concept Functionele kerndoelen burgerschap staat
bijvoorbeeld dat «leerlingen kennis nodig hebben om de betekenis van de basiswaarden
van de democratische rechtsstaat in hun directe leefomgeving toe te passen. Over het
algemeen geldt dat deze leerlingen het beste leren als kennis wordt verbonden met
alledaagse situaties en ermee geoefend wordt in realistische contexten en praktijkvakken.»5 De leden van de JA21-fractie vrezen dat met deze aanpak reguliere en toetsbare kennis
over besluitvorming, grondrechten en de oorsprong van onze democratie in de knel komen.
Dan een aantal vragen en opmerkingen over de kerndoelen kunst en cultuur.6 Pagina 10 stelt: «met kunst geven mensen vorm en betekenis aan hun eigen ervaring
en aan die van anderen.» Steeds wordt benadrukt dat leerlingen met kunst leren om
betekenis te «geven» aan onderwerpen, «thema’s en de wereld om ons heen.» Er zijn
ook andere manieren om kunst en cultuur te begrijpen: als een diepere vorm van kennis
over de condition humaine, een licht vanuit een hogere wereld die het dagelijkse leven laadt met een bijzondere,
morele betekenis; en dus niet zozeer als iets waarmee een individu een eigen betekenis
«geeft», maar waar het juist gaat om het «herkennen» ervan. In hoeverre bieden deze
kerndoelen ruimte voor een meer klassieke benadering van de betekenis van kunst? Waarom
komt het woord «schoonheid» niet voor in deze kerndoelen?
De kerndoelen leggen veel nadruk op wat kinderen individueel moeten ervaren en waarbij
ze vervolgens moeten reflecteren op ervaringen en het «eigen artistiek vermogen onderzoeken».
Wat als een school kinderen vooral wil leren tekenen of schilderen, of muziek maken?
Niet zozeer om hun unieke eigen ervaringen uit te drukken, maar om te leren over de
objectieve wereld om hen heen?
Op pagina 29 van de toelichting wordt verwezen naar de Code Diversiteit en Inclusie
en de gedragscode die gericht is op diversiteit. Volgens de leden van de JA21-fractie
is deze code sterk ideologisch gekleurd op grond van nog altijd omstreden theorieën,
zoals intersectionalisme. Waarom wordt naar deze code verwezen en op welke manier
is deze weerspiegeld in de kerndoelen? Als scholen daarmee willen werken en die uitgangspunten
hanteren is dat één ding, maar in hoeverre worden scholen die hun visie op kunst berusten
op andere overtuigingen hiermee gedwongen deze visie toe te passen?
Zo staat in de toelichting tevens dat «de huidige onderwijspraktijk in de kunstvakken
gaat over het algemeen uit van een westers perspectief op kunst. De nieuwe kerndoelen
moeten «meerstemmigheid» mogelijk maken en borgen dat het aanbod breder, meer divers
en inclusiever wordt (Ros, 2021, 2023). Het mondiale perspectief maakt het toekomstig
onderwijs relevanter en rijker (Hermanussen, 2022).» Ook hierbij zetten de leden van
de JA21-fractie grote vraagtekens. Wat mist er dan precies in de huidige kerndoelen
dat nu gaat veranderen? Vindt de Staatssecretaris dat de huidige onderwijspraktijk
minder moet uitgaan van een Westers perspectief? Waarom? Is de Staatssecretaris van
mening dat Nederland zich in «het Westen» bevindt, en dat het dus logisch is dat kunstonderwijs
hier uitgaat van een westers perspectief, en niet van zeg, een Zuid-Aziatisch perspectief?
Wat als scholen willen uitgaan bij hun kunstonderwijs van een Westers perspectief?
In hoeverre zou dat dan in strijd zijn met deze kerndoelen zoals hier geformuleerd?
De gedachte lijkt te zijn dat het hanteren van een Westers perspectief geen recht
zou doen aan de «diversiteit» van de samenleving, omdat er veel mensen wonen met een
migratieachtergrond uit niet-Westerse landen. Volgens de leden van de JA21-fractie
wonen deze mensen nu echter in het Westen en maken onderdeel uit van het Westen, en
is het juist zaak dat alle kinderen kennismaken met die Westerse beschavingstraditie.
Hoe ziet de Staatssecretaris dit?
«Het mondiale perspectief maakt het toekomstig onderwijs relevanter en rijker», staat
op pagina 29 van de toelichting. Deelt de Staatssecretaris die opvatting? Dreigt hier
niet opnieuw een «gevoel van overladenheid» bij leraren als zij de taak krijgen kunst
en cultuur uit alle windstreken aan bod te laten komen?
Dan een aantal vragen en opmerkingen over de kerndoelen moderne vreemde talen.7 Wat zijn de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de vorige kerndoelen moderne
vreemde talen? In kerndoel 36 staat: «de leerling ontwikkelt zich als taal- en cultuurbewuste
gebruiker van de Engelse taal». Waarom moet dit onderdeel zijn van de kerndoelen?
Is het niet beter om je bij de kerndoelen te beperken tot het daadwerkelijk leren
van die taal? Bij onderdeel B van kerndoel 36 staat: «de leerling verkent culturele
aspecten en culturele diversiteit in fictie en non-fictie». Waarom wordt dat hier
zo gesteld? Waarom wordt diversiteit ook hier benadrukt, in plaats het kerndoel te
beperken tot taalbeheersing, waarbij dergelijke aspecten als het ware in het kielzog
daarvan meekomen, afhankelijk van wat wordt gelezen? Dit is toch geen kerndoel antropologie?
Vindt de Staatssecretaris het tot de kerndoelen behoren bij vreemde talen, dat leerlingen
stereotyperingen leren herkennen?
Dan een aantal vragen en opmerkingen over de kerndoelen burgerschap.8 In welke mate worden de kerndoelen van het burgerschapsonderwijs eenzijdig gericht
op toetsbaarheid van burgerschapskennis? In welke mate zal het gaan om niet-toetsbare
elementen, de zogenoemde «attitudes» enerzijds en anderzijds de toetsbare kennis?
Welke plaats heeft kennis over de Grondwet – dus niet het algemene belang van de Grondwet –
gekregen in deze kerndoelen? Welke artikelen komen aan bod?
Dan een aantal vragen en opmerkingen over de kerndoelen mens en maatschappij.9 De kerndoelen 24 tot 27 zijn allemaal gericht op wat leerlingen moeten onderzoeken
en verkennen, van «vraagstukken over mens en samenleving, tot geografische verschijnselen,
en historische verschijnselen». Is het niet belangrijk dat kerndoelen gericht zijn
op wat kinderen concreter moeten leren en weten?
Als voorbeeld van de overladenheid die de oude kerndoelen zouden oproepen werd wel
verwezen naar het oude kerndoel waarin stond dat kinderen leren over de tijd van wereldoorlogen
en waarbij wordt toegevoegd «de wereldoorlogen en de holocaust», omdat dit te weinig
richting zou geven en leraren dan niet weten of ze twintig of honderd aspecten moeten
belichten. Maar in de nieuwe kerndoelen staat de Tweede Wereldoorlog niet in de doelzinnen,
maar alleen in de kolom «het gaat hierbij om», als uitwerking van de doelzinnen «de
leerling beschrijft historische ontwikkelingen» en «de leerling legt verbanden tussen
historische ontwikkelingen en gebeurtenissen in het heden en verkent betekenissen
die mensen geven aan het verleden». Betekent dit dat leren over de Tweede Wereldoorlog
strikt genomen niet tot de kerndoelen behoort en scholen er ook voor kunnen kiezen
om hier geen les over te geven?
Dan een aantal vragen en opmerkingen over de kerndoelen digitale geletterdheid.10 De leden van de JA21-fractie steunen de keuze om voor de functionele kerndoelen programmeren
niet op te nemen, maar deze leden lijkt het niet verstandig om programmeren wel op
te nemen in de definitieve kerndoelen voor het primair onderwijs en de onderbouw van
het voortgezet onderwijs, zeker met de opkomst van kunstmatige intelligentie die het
schrijven van code overneemt. Het zou scholen uiteraard vrij moeten staan om dit te
onderwijzen als zij daar behoefte aan hebben, maar, zeker gezien het belang om overladenheid
te voorkomen en te kunnen focussen op de basisvaardigheden, lijkt het niet nodig om
programmeren op deze manier op te nemen. Waarom denkt de Staatssecretaris dat dit
moet worden opgenomen als verplicht kerndoel? Hoeveel scholen beschikken over docenten
met de expertise om leerlingen te leren programmeren?
Inbreng van leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de stukken over de laatste sets
kerndoelen m.b.t. de leergebieden mens en maatschappij, mens en natuur, moderne vreemde
talen, kunst en cultuur en bewegen en sport, door het landelijk expertisecentrum voor
het curriculum (SLO). Deze leden hebben de volgende vraag aan de Staatssecretaris.
De leden van de BBB-fractie zijn blij dat het amendement van het lid Ceder, Boomsma
en Van der Plas over voorhang van de algemene maatregelen van bestuur waarmee kerndoelen
worden vastgesteld is aangenomen.11 Hoe gaat de Staatssecretaris invulling geven aan dit amendement? Welke stukken worden
bij de voorhangprocedure aan de Kamer overgelegd, hoe wordt de vierwekentermijn bewaakt
en geldt deze procedure ook bij toekomstige wijzigingen in het kader van periodiek
onderhoud?
Inbreng van de leden van de DENK-fractie
De leden van de DENK-fractie hebben kennisgenomen van de herziening van de kerndoelen
en hebben daarbij enkele vragen. Deze leden zien in de voorstellen aanknopingspunten
voor een samenhangende benadering van planetaire gezondheid, welzijn en welvaart,
maar herkennen dit nog onvoldoende als expliciet duidend en verbindend kader. Kan
de Staatssecretaris toelichten op welke wijze, binnen de bestaande structuur, de samenhang
in de doelen en uitwerkingen duidelijker gemaakt kan worden?
Daarnaast vragen de leden van de DENK-fractie waarom bij enkele vo-kerndoelen niet
explicieter is gekozen voor hogere-orde leerdoelen die leerlingen helpen om de impact
van menselijk handelen op natuur, klimaat en welvaart te analyseren en om na te denken
over mogelijke oplossingsrichtingen. Kan de Staatssecretaris aangeven waarom hiervoor
niet nadrukkelijker is gekozen en hoe dit binnen de huidige kerndoelenstructuur toch
voldoende kan worden geborgd?
Tot slot vragen de leden van de DENK-fractie hoe de Staatssecretaris deze keuzes beoordeelt
in het licht van de wettelijke burgerschapsopdracht. Acht hij de voorgestelde kerndoelen
toereikend om leerlingen voldoende houvast te geven bij het duiden en wegen van actuele
vraagstukken rond klimaat, natuur, welvaart en mondiale ongelijkheid? Zo ja, op welke
wijze wordt dit in de verdere uitwerking gewaarborgd?
Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de laatste sets kerndoelen.
Deze leden hebben nog een enkele vraag over het proces bij de totstandkoming van de
kerndoelen.
De leden van de ChristenUnie-fractie herinneren zich dat de Staatssecretaris in het
debat over de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen heeft gezegd dat de
keuzes bij de ontwikkeling van kerndoelen zijn afgestemd met een brede advieskring,
inclusief de vakverenigingen. Deze leden merken op dat kritiek uit het veld rondom
het ontbreken van aandacht voor duurzaamheid in de kerndoelen zich er juist op richt
dat de kerndoelen niet recht doen aan de adviezen, waarbij wordt gesteld dat ná afstemming
nog allerlei wijzigingen zijn aangebracht. De Staatssecretaris is deze kritiek ongetwijfeld
ook ter ore gekomen. Kan de Staatssecretaris reflecteren op deze kritiek en uiteenzetten
op welke manier er, specifiek als het gaat over de aandacht voor duurzaamheid, recht
is gedaan aan de adviezen uit het onderwijsveld?
II Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
A.E.W. Easton, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.