Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 836 Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen
Nr. 6
VERSLAG
Vastgesteld 17 december 2025
Inhoudsopgave
1. Inleiding
2
2. Inhoud
3
2.1. Generatielange aanpak en Staat van Groningen en Noord-Drenthe
3
2.1.1. Aanleiding, doel en probleemschets
4
2.1.2. Probleemaanpak en motivering instrumentkeuze
4
2.1.3. Uitbreiding taken Minister ten aanzien van de generatielange aanpak
5
2.1.4. Uitvoeringsprogramma Rijk
6
2.1.5. De Staat van Groningen en Noord-Drenthe
6
2.1.6. Overleg en reactie
7
2.2. Koste-wat-kost
8
2.3. Nieuwe schadeafhandeling
9
2.3.1. Aanleiding en doel van versoepeling schadeafhandeling
10
2.3.2. Daadwerkelijk schadeherstel zonder onderzoek naar de schadeoorzaak
11
2.3.3. Keuzevrijheid voor aanvragers
12
2.3.4. Uitzonderingssituaties
12
2.3.5. Omgang met termijnen in verband met nieuwe werkwijze
12
2.3.6. Voorwaarden in de schadeafhandeling
12
2.4. Collegiaal bestuur SodM
12
2.5. Benoemingsprocedure bestuursleden IMG
13
2.6. Evaluatiebepaling
13
2.7. Geografische verduidelijking publiekrechtelijke schadeafhandeling
13
3. Verhouding tot nationale wetgeving
13
4. Uitvoering
13
4.1. Staat van Groningen en Noord-Drenthe
13
4.1.1. Uitvoeringsaspecten zorgplichten
13
5. Gevolgen en neveneffecten
13
5.1. Staat van Groningen en Noord-Drenthe
13
5.1.1. Effect voor burgers en bedrijven
13
5.1.2. Effect op bestuurlijke lasten medeoverheden
14
6. Financiële gevolgen
14
6.1. Staat van Groningen en Noord-Drenthe
14
7. Advies en consultatie
14
7.1. Regionaal afstemmingsmoment voorafgaand aan internetconsultatie wetsvoorstel
14
7.1.1. Zorgplichten verduurzaming en brede welvaart
14
7.2. Internetconsultatie wetsvoorstel
15
7.2.1. Algemene reacties over de nieuwe schadeafhandeling
15
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie danken de regering voor het wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven
het belang van een generatielange inzet om het vertrouwen van inwoners van Groningen
en Noord-Drenthe te herstellen. Zij benadrukken dat voor hen rechtsstatelijkheid,
menselijke maat, transparantie en gelijke behandeling centraal staan bij de beoordeling
van dit wetsvoorstel.
De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe dit wetsvoorstel bijdraagt aan
een overheid die betrouwbaar en voorspelbaar handelt en hoe wordt geborgd dat bewoners
daadwerkelijk minder administratieve lasten, kortere doorlooptijden en meer duidelijkheid
ervaren. Kan de regering uiteenzetten welke concrete verbeteringen voor bewoners merkbaar
zullen zijn binnen het eerste jaar na inwerkingtreding van de wet?
Daarnaast vragen de leden van de D66-fractie hoe wordt voorkomen dat de verwachtingen
die met dit wetsvoorstel worden gewekt, onder meer rondom zorgplichten en schadeafhandeling,
niet opnieuw leiden tot teleurstelling, zoals de Afdeling advisering van de Raad van
State (hierna: de Afdeling advisering) waarschuwt in haar negatieve dictum bij dit
voorstel.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de Wijziging van de Tijdelijke
wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen
uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning
Groningen. Deze leden hebben hier voor nu geen vragen of opmerkingen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennis genomen van de
Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering
van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire
enquêtecommissie aardgaswinning Groningen. Deze leden vinden de wetswijziging op punten
een stap in de goede richting, maar zien ook nog stevige verbeterpunten. Tevens constateren
zij dat het leed waarin veel gedupeerden nog zitten vraagt om een stevige wettelijke
verankering met concrete maatregelen en afrekenbare doelen om te komen tot een veilig,
schadevrij en duurzaam huis voor iedereen in Groningen en Noord-Drenthe. Het is goed
dat de beloftes uit Nij Begun een wettelijke verankering krijgen, zodat ook toekomstige
kabinetten zich hieraan houden en beloftes uit Nij Begun ook daadwerkelijk vervuld
worden. Echter wordt er naar de mening van deze leden niet aan alle beloftes voldaan.
Al sinds het opstellen van Nij Begun waarschuwen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
samen met de leden van de SP-fractie dat schade, versterking en verduurzaming niet
gescheiden moet worden. Zodoende is Nij Begun op het verkeerde fundament gebouwd.
Deze zijn voor een totaalaanpak en zien dat veel gedupeerden ontevreden zijn over
de afwikkeling van schade, versterking en verduurzaming. Deze leden missen dit in
het huidige wetsvoorstel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom het sluiten van de kleine gasvelden
in Groningen niet wordt opgenomen in de wet. Wat zijn de juridische mogelijkheden
om dit wel te doen?
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Wijziging van de Tijdelijke
wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen
uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning
Groningen en hebben daarover enkele vragen.
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging
van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet. Deze leden onderschrijven het belang
van een generatielange, structurele aanpak van de gevolgen van de gaswinning voor
inwoners van Groningen en Noord-Drenthe. Tegen die achtergrond uiten zij zorgen over
de mate waarin dit wetsvoorstel bijdraagt aan de doelen die door de regering zelf
zijn geformuleerd: een mildere, makkelijkere en menselijkere schadeafhandeling en
een voortvarende versterkingsoperatie, zoals toegezegd in Nij Begun. In de voorliggende
teksten lijkt de nadruk echter te verschuiven naar meer varianten, meer juridische
voorwaarden en daarmee meer complexiteit voor gedupeerde.
De leden van de SP-fractie benadrukken dat de parlementaire enquêtecommissie heeft
vastgesteld dat bewoners centraal moeten staan in het herstelproces. Deze leden vragen
de regering daarom met dit wetsvoorstel helder te maken hoe bewoners daadwerkelijk
worden ontlast, hun rechtspositie wordt beschermd en verdere ongelijkheid tussen gebieden
wordt voorkomen.
De leden van ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van voorliggend
wetsvoorstel om de maatregelen uit de kabinetsreactie Nij Begun wettelijk te verankeren.
Deze leden achten het van het grootste belang dat de huidige herstel- en versterkingsoperatie
sterk wordt verbeterd, waardoor gedupeerden zullen ervaren dat de ereschuld die de
Staat aan Groningen en Noord-Drenthe heeft daadwerkelijk wordt ingelost. Deze leden
maken gebruik van de mogelijkheid tot het stellen van enkele vragen over het wetsvoorstel.
2. Inhoud
2.1. Generatielange aanpak en Staat van Groningen en Noord-Drenthe
De leden van de D66-fractie hebben vragen bij de juridische vormgeving van de zorgplichten
voor brede welvaart en verduurzaming. De Afdeling advisering stelt dat deze plichten
onvoldoende duidelijk zijn en verwachtingen kunnen scheppen die niet waargemaakt kunnen
worden. Kan de regering nader toelichten waarom deze wetgevingstechniek noodzakelijk
is naast het uitvoeringsprogramma, en wat de minimale invulling is die uit de zorgplichten
volgt?
De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe wordt voorkomen dat zorgplichten
verwachtingen wekken die niet kunnen worden waargemaakt, zoals de Afdeling advisering
waarschuwt. Hoe wordt voorkomen dat bewoners hierdoor schijnzekerheid krijgen? Verder
vragen deze leden waarom niet is gekozen voor een onafhankelijk orgaan voor het opstellen
van de jaarlijkse Staat van Groningen en Noord-Drenthe, vergelijkbaar met bestaande
planbureaus. Hoe wordt geborgd dat de rapportage onafhankelijk, consistent en transparant
blijft?
De leden van de CDA-fractie ondersteunen de wettelijke verankering van de generatielange
aanpak uit Nij Begun, waarmee ook komende kabinetten worden gehouden aan de uitvoering
van die aanpak en daarover verantwoording moeten afleggen. De regering stelt in dat
kader dat de zichtbare gevolgen van de gaswinning in de vorm van nieuwe bevingen en
nieuwe schades naar verwachting zullen afnemen. Deze leden delen die hoop en verwachting,
maar begrijpen tegelijkertijd dat er in Groningen nog wel de nodige twijfel leeft
over deze verwachting. De recente beving in Zeerijp, de op twee na zwaarste beving
ooit in Groningen gemeten, lijkt deze verwachting ook tegen te spreken. Zij vragen
de regering uitgebreid in te gaan op de vraag in hoeverre de ontwikkelingen in Groningen
daadwerkelijk in lijn zijn met de verwachtingen. Wat zijn de exacte verwachtingen
met betrekking tot de frequentie en hevigheid van bevingen en het optreden van nieuwe
schades? Welke bandbreedtes worden bij deze prognoses gehanteerd en op welke plek
binnen die bandbreedtes past de recente beving in Zeerijp? Deze leden vragen de regering
uit te leggen op welke wijze en met welke frequentie wordt beoordeeld of de oorspronkelijke
verwachtingen over het afnemen van bevingen en de zichtbare gevolgen daarvan nog realistisch
zijn. Zij vragen de regering tevens te verduidelijken wanneer en op basis van welke
criteria of drempelwaarden een aanpassing van die verwachtingen aan de orde zou kunnen
zijn.
De leden van de SP-fractie vragen waarom in de memorie van toelichting niet helderder
wordt erkend dat de problematiek in het kerngebied voortduurt, ook nadat de winning
is gestopt, als gevolg van cumulerende bodembeweging, wijzigingen in waterhuishouding
en funderingsproblematiek. Kan de regering bevestigen dat herstel ook in de komende
decennia nodig kan blijven?
2.1.1. Aanleiding, doel en probleemschets
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie delen de conclusie van de parlementaire enquêtecommissie
dat er een ereschuld is richting Groningen en Noord-Drenthe wat vraagt om een lange
termijn aanpak met generatielange investeringen.
De leden van de SP-fractie vragen voor welke groep gedupeerden de nieuwe maatregel
van daadwerkelijk herstel nadelig kan uitpakken, bijvoorbeeld voor inwoners van wie
een verzoek in het verleden is afgewezen omdat het Instituut Mijnbouwschade Groningen
(IMG) het niet als mijnbouwschade beoordeelde. Hoe groot is naar schatting deze groep
gedupeerden die niet kan profiteren van de maatregel waarbij geen causaliteitsonderzoek
wordt uitgevoerd? Voorts vragen deze leden hoe de regering met deze mogelijke ongelijkheid
omgaat. Kan de regering daarbij reflecteren hoe dergelijke verschillen zich verhouden
tot de doelen van Nij Begun en van het wetsvoorstel om het vertrouwen van inwoners
te herstellen?
2.1.2. Probleemaanpak en motivering instrumentkeuze
Deze wet legt drie maatregelen uit Nij Begun vast, namelijk maatregel 1, 3 en 38.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich af waarom alleen deze drie maatregelen
wettelijk worden vastgelegd? Kan de regering voor de maatregelen 6, 7, 14, 18, 19,
20 uitleggen waarom die specifieke maatregelen niet worden vastgelegd in deze wet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat «Het inlossen van de ereschuld een
langjarige, structurele samenwerking tussen het Rijk en de decentrale overheden [vergt].»
Deze leden vinden deze structurele samenwerking wettelijk gezien summier. Waarom wordt
er niet voor gekozen om wettelijk te verankeren dat het uitvoeringsprogramma in overeenstemming
met lokale overheden wordt gemaakt?
De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering stelt dat wetgeving het geëigende
instrument om een kabinetsperiode-overstijgende inzet zoals bij de generatielange
aanpak uit Nij Begun vast te leggen. Deze leden kunnen deze redenering volgen, maar
vragen de regering ook te reflecteren op de vraag in hoeverre wetgeving daadwerkelijk
kan borgen dat de noodzakelijke verbeteringen in de aanpak zoals beschreven in Nij
Begun worden gerealiseerd. In hoeverre acht de regering wetgeving op zichzelf voldoende,
vragen deze leden. Zij vragen tevens hoe de regering aankijkt tegen de verhouding
tussen wetgeving en de structurele verandering in houding, cultuur, uitvoeringspraktijk
en verantwoordelijkheid binnen de overheid die daarnaast nodig is om de ereschuld
in te lossen.
2.1.3. Uitbreiding taken Minister ten aanzien van de generatielange aanpak
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat «Dit wetsvoorstel twee taken in
het leven [roept] met betrekking tot de generatielange aanpak om de ereschuld aan
de regio in te lossen. Het gaat om twee zorgplichten waarmee de Minister van BZK,
in overeenstemming met de andere betrokken Ministers, de taak krijgt om de ontwikkeling
van de brede welvaart en de verduurzaming richting het aardgasvrij-gereed maken van
woningen te bevorderen.»
Het baart de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zorgen dat er enkel wordt gekozen
voor een zorgplicht zonder norm en deze leden zijn dan ook van mening dat er concrete
doelen aan verbonden moeten worden. Op deze wijze kunnen derden de regering hieraan
houden wanneer de uitoefening van de taken niet, onvoldoende of niet-tijdig tot het
vereiste resultaat leidt. Kan de regering hierop reflecteren? Waarom is er niet gekozen
voor strakke normen?
Verder lezen deze leden dat «De zorgplicht ten aanzien van het bevorderen van de brede
welvaart erop [is] gericht dat de relatieve achterstand van brede welvaart in de gemeenten
in de provincie Groningen en de gemeenten Aa en Hunze, Noordenveld en Tynaarlo ten
opzichte van het landelijk gemiddelde uiterlijk in 2055 wordt ingelopen.» Kan nader
worden toegelicht waarom er voor het jaar 2055 is gekozen? Hoe kan de Minister hier
tussendoor op worden afgerekend als er geen tussendoelen worden gesteld? Waarom is
er niet voor gekozen om tussendoelen te stellen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er een zorgplicht verduurzaming
door isolatie komt. Ook hier ontbreekt een norm en dus de mogelijkheid tot controle
of men op koers ligt. Kan de regering nader toelichten waarom er geen norm is? Kan
de regering ook nader toelichten waarom de standaard voor woningisolatie uiterlijk
2035 gereed moet zijn? Waarom dient de regering niet te waarborgen dat alle woningen
uit het aardbevingsgebied uiterlijk in 2035 kunnen voldoen aan de standaard voor woningisolatie
en uiterlijk 2035 gereed zijn voor aardgasvrij gebruik, behalve als de gedupeerde
expliciet kiest om hier niet aan mee te werken?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele vragen over ontwikkeling
van de brede welvaart. Hoe garandeert de regering dat gebieden en wijken binnen gemeentes
ook voldoen aan de gemiddelde brede welvaart? Waarom worden er geen ondergrenzen voor
brede welvaart opgenomen in het wetsvoorstel?
De leden van de CDA-fractie merken op dat de generatielange inzet voor Groningen en
Noord-Drenthe uit Nij Begun ook met zich mee brengt dat betrokken Ministers de taak
hebben om binnen hun portefeuille extra stappen te zetten daar waar het Groningen
en Noord-Drenthe betreft. Als extra stappen noemt de regering het verbreden van de
N33 en het opstellen van specifieke regelgeving binnen ministeriële portefeuilles.
Deze leden vragen de regering dieper in te gaan op wat de generatielange inzet in
de praktijk concreet zal betekenen voor de uitvoering van beleid en daarbij passende
«extra stappen» in Groningen en Noord-Drenthe. Zij vragen de regering verder uit te
weiden over welk acties burgers, bedrijven en lokale overheden daadwerkelijk kunnen
verwachten van de betrokken Ministers binnen hun portefeuilles. Tevens vragen zij
hoe wordt geborgd dat deze maatregelen ook daadwerkelijk worden doorgevoerd en zichtbaar
worden op de korte en lange termijn.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de zorgplicht die in het wetsvoorstel
is opgenomen. Ook de Afdeling advisering is kritisch op dit punt. De Afdeling advisering
stelt: «In dit geval is het echter onduidelijk wat de burger op basis van de zorgplichten
van de overheid mag verwachten. De toelichting gaat ervan uit dat de zorgplichten
geen individuele rechten creëren.» Deze leden vragen de regering uit te leggen op
welke wijze deze zorgplicht dan geëffectueerd zal worden. Kan alleen het parlement
de regering aanspreken op het naleven van de zorgplicht? In hoeverre is deze zorgplicht
van toegevoegde waarde ten opzichte van de Staat van Groningen en Noord-Drenthe? Welke
extra garantie biedt deze zorgplicht en voor wie?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering ook in te gaan op de kritiek
van de Afdeling advisering dat niet duidelijk is welk bevoegd gezag zorg draagt voor
welk belang. Op welke wijze is nu duidelijk wat de burger op grond van deze zorgplicht
mag verwachten van de Staat? Deze leden vragen aanvullend nader te expliciteren wat
precies met de zorgplicht wordt beoogd en dit begrip nader (wettelijk) in te vullen.
De leden van de ChristenUnie-fractie geven de regering in overweging om te kiezen
voor een resultaatsverplichting. Deze leden vragen of de regering een dergelijke verplichting
ook heeft overwogen. Kan de regering nader duiden waarom gekozen is voor een zorgplicht
in plaats van een resultaatsverplichting?
2.1.4. Uitvoeringsprogramma Rijk
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering nader kan toelichten
hoe het uitvoeringsprogramma wordt uitgewerkt? Wanneer kan de Kamer deze verwachten?
Waarom is er gekozen voor een termijn van vijf jaar? Wordt wettelijk vastgelegd dat
hier afrekenbare doelen in komen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien het als gevaar dat de doelen van het
uitvoeringsprogramma ook naar beneden vastgesteld kunnen worden. Waarom wordt er niet
gekozen ondergrens aangaande de doelen? Ook missen deze leden welke rol precies voor
bewoners is weggelegd aangaande het opstellen van het uitvoeringsprogramma Rijk. Kan
de regering daarop reflecteren? In hoeverre hebben bewoners een wettelijke basis voor
daadwerkelijke invloed op het Uitvoeringsprogramma Rijk? Hoe zou dat eventueel versterkt
kunnen worden?
2.1.5. De Staat van Groningen en Noord-Drenthe
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het goed dat er jaarlijks wordt gemonitord
hoe het gaat met de voortgang van de schadeafhandeling, versterking, verduurzaming
en andere relevante cijfers. Echter kan dit wat betreft deze leden simpel via een
brief met harde cijfers in combinatie met concrete verhalen van bewoners, zonder irrelevante
onspecifieke informatie. Zodat er geen extra geld wordt verspild. Ook vragen deze
leden waarom de volgende statistieken daarin niet worden meegenomen: totaal van de
aangemelde schade, totaal van voorgenomen vergoedingen en verwachting van wanneer
de problemen zijn opgelost?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de rapportage van de Nationaal Coördinator
Groningen (NCG) (Kamerstuk 33 529, nr. 1342) dat er grote ontevredenheid heerst onder bewoners. Waarom worden hier geen acties
en consequenties aan verbonden? Hoe kijkt de regering tegen een totaalaanpak aan waarbij
herstel, versterking en verduurzaming gelijktijdig worden opgepakt? Deelt de regering
de mening dat dit waarschijnlijk tot grotere tevredenheid onder gedupeerden leidt?
Verder lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat «dit bijvoorbeeld het waar
mogelijk stroomlijnen en vereenvoudigen van processen en het gelijktrekken van de
rechten voor huurders en eigenaren van een gebouw [betekent].» Deze leden vragen zich
af waarom niet wettelijk wordt vastgelegd dat de rechten voor huurders en woningeigenaren
gelijk worden getrokken, dat ze recht hebben op dezelfde uitkomst – een veilig, duurzaam
en versterkt huis – en vergoeding krijgen als er dezelfde soort vertraging wordt opgelopen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich af wat deze wet concreet betekent
voor Batch 1588. Krijgt Batch 1588 recht op dezelfde regelingen als andere bewoners
uit het aardbevingsgebied? Wordt dit wettelijk verankerd? Zo nee, waarom niet? Wat
zijn de mogelijkheden om dit wel te doen?
De leden van de CDA-fractie constateren dat dit wetsvoorstel vastlegt dat de Staat
van Groningen en Noord Drenthe inzicht dient te verschaffen in de mate waarin de schadeafhandeling
op een milde, makkelijke en menselijke wijze is uitgevoerd. Deze leden vragen de regering
inzichtelijk te maken op welke wijze er concreet inzicht kan worden verkregen in de
mate waarin de schadeafhandeling op een milde, makkelijke en menselijke manier plaatsvindt.
Zij vragen de regering in ieder geval aan te geven welke indicatoren zij daarbij hanteert,
hoe zij deze zal meten en hoe zij waarborgt dat zowel de kwantitatieve als kwalitatieve
aspecten van de uitvoering betrouwbaar en toetsbaar worden gerapporteerd.
2.1.6. Overleg en reactie
De leden van de CDA-fractie merken op dat nadat de Staat van Groningen en Noord-Drenthe
openbaar is gemaakt, verschillende partijen hierover met elkaar in gesprek gaan. Dit
overleg vindt plaats tussen de betrokken Ministers en vertegenwoordigers van de decentrale
overheden, waaronder gedeputeerde staten, colleges van burgemeester en wethouders
van de gemeenten en het dagelijks bestuur van waterschappen in de regio. Daarnaast
is voorzien dat een delegatie van het kabinet in gesprek gaat met decentrale overheden,
bewoners, maatschappelijke organisaties en andere samenwerkingspartners over de resultaten
van de Staat van Groningen en Noord-Drenthe. Deze leden vragen de regering in hoeverre
deze gesprekken openbaar zijn en of er bijvoorbeeld verslagen van de gesprekken zullen
worden gemaakt die beschikbaar zijn voor het publiek. Zij vragen de regering tevens
aan te geven in welke mate inwoners, maatschappelijke organisaties en andere betrokken
partijen actief in kunnen spreken of participeren in de gesprekken over de resultaten
van de Staat van Groningen en Noord-Drenthe.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het wetsvoorstel bepaalt dat wanneer doelen
of streefwaarden op het gebied van welvaartsverbetering en verduurzaming niet worden
gehaald, de regering moet aangeven wat nodig is om deze alsnog te realiseren. Mogelijke
maatregelen variëren van het stellen van andere prioriteiten, het stimuleren van derden
bij onvoldoende voortgang en het verspreiden van goede voorbeelden tot het bijstellen
van interventies op basis van nieuwe inzichten. Deze leden vragen de regering hoe
wordt gewaarborgd dat afgesproken maatregelen wel leiden tot het realiseren van de
gestelde doelen en streefwaarden. Zij vragen de regering te verduidelijken wat het
in de praktijk betekent als andere prioriteiten worden gesteld, interventies worden
aangepast of het beleid wordt aangepast en hoe hierbij de balans zal worden gevonden
tussen stabiliteit, voorspelbaarheid en de noodzaak tot bijsturen. Tevens vragen zij
de regering om te verduidelijken welke mechanismen er bestaan om te controleren dat
eventuele aanpassingen wél effectief bijdragen aan het behalen van de doelen.
2.2. Koste-wat-kost
De leden van de D66-fractie constateren dat de Afdeling advisering kritisch is op
artikelen 14 en 14a, omdat deze mogelijk spanning veroorzaken met het budgetrecht
van het parlement. Kan de regering uiteenzetten waarom de gekozen formulering niet
leidt tot beperkingen van het budgetrecht. Op welke wijze wordt voorkomen dat symbolische
bepalingen verwachtingen creëren die juridisch niet kunnen worden waargemaakt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat versterking en schadeafhandeling
koste-wat-kost zijn geborgd. Er zijn echter nog veel meer zaken die volgens deze leden
wettelijk geborgd zouden moeten worden. Zij vragen waarom het voorkomen van onaanvaardbare
verschillen tussen gedupeerden geen onderdeel is van koste-wat-kost. Waarom wordt
het aanpakken van onaanvaardbare verschillen, zoals in het rapport-Van Geel (Kamerstuk
33 529, nr. 1227) beschreven, niet wettelijk verankerd? Waarom worden het bestrijden van de negatieve
effecten op gezondheid, nadelige gevolgen voor ondernemers in hun bedrijfsvoering
of omzetschade die zij derven, nadelige gevolgen voor (het behoud van) erfgoed, combineren
van schadeherstel met verduurzamen zoals de commissie Van Geel adviseert, en maatregel
1 t/m 33 van Nij Begun niet wettelijk geborgd?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het wettelijk kan worden verankerd
dat de inhoud van toekomstig uit te werken maatregelen aangaande Groningen en Noord-Drenthe
leidend zijn en pas daarna het benodigde budget wordt bepaald. Ook indien dit volgens
de regering al praktijk is: hoe en waar zou dit dan in de wet verankerd kunnen worden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen «Hiermee biedt het wetsvoorstel de voor
bewoners gewenste maximale duidelijkheid het kabinet zal blijven doen wat nodig is
om schade op ruimhartige wijze af te handelen en zorg te dragen dat hun woningen voldoen
aan de veiligheidsnorm, ook in de toekomst.»» Deze leden zien echter dat veel woningen
«op norm» worden verklaard zonder dat die woningen verbeterd zijn en ze eerder als
onveilig werden beschouwd. Graag een reflectie van de regering. Kan de regering nader
toelichten hoe zij borgt dat deze woningen ook echt veilig zijn? Hoe kan het zo zijn
dat deze woningen eerst onveilig werden verklaard en later toch op norm zijn? Hoe
verhoudt dit citaat zich tot het feit dat er al in meer dan 200 rapporten van de NCG
fouten zijn gevonden? Hoe garandeert de regering dat de veiligheidsnormen niet verder
naar beneden worden bijgesteld?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden dat er onvoldoende garantie is dat
de regering de toezeggingen uit Nij Begun nakomt. Waarom wordt er in de wettekst niet
voor gekozen om «in ieder geval tot en met 2055, voldoende middelen beschikbaar» te
stellen?
De leden van de CDA-fractie delen de constatering van de regering dat de wettelijke
taken en bevoegdheden van uitvoerende instanties impliceren dat voldoende middelen
moeten worden vrijgemaakt in de begrotingen van de betrokken departementen. In het
wetsvoorstel wordt naar aanleiding van de motie-Vedder c.s. ook benadrukt dat het
schadeherstel, het funderingsschadeherstel en de versterkingsoperatie koste-wat-kost
en voor zolang het duurt worden uitgevoerd. Dit roept de vraag op hoe concreet en
toetsbaar wordt vastgesteld dat de beschikbare middelen daadwerkelijk toereikend zijn
om deze wettelijke verplichtingen adequaat uit te voeren. Deze leden vragen de regering
uiteen te zetten op welke manier wordt beoordeeld of de beschikbare middelen voldoende
zijn om de wettelijk vastgelegde taken adequaat uit te voeren. Zij vragen de regering
aan te geven welke criteria, indicatoren of evaluatiemomenten worden gebruikt om te
bepalen of er daadwerkelijk voldoende middelen beschikbaar zijn of dat aanvullende
middelen nodig zijn. Tevens vragen zij de regering uit te leggen hoe er wordt geborgd
dat eventuele tekorten tijdig worden gesignaleerd en opgelost, zodat uitvoering van
schadeherstel, funderingsschadeherstel en de versterkingsoperatie «koste-wat-kost»
gegarandeerd is.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering stelt dat dit wetsvoorstel vastlegt
dat de schadeafhandeling, funderingsschadeherstel voor zover veroorzaakt door de gaswinning
en de versterkingsoperatie koste-wat-kost en voor zo lang het duurt, zullen worden
uitgevoerd. Tegelijkertijd wordt erkend dat funderingsproblemen of andere constructieve
gebreken die niet direct door gaswinning zijn veroorzaakt wel van invloed kunnen zijn
op de terugkeer of verergering van schade door gaswinning. In zulke gevallen kan het
IMG deze problemen via duurzaam herstel aanpakken om een toekomstbestendige oplossing
te bieden. Dit roept vragen op over hoe de oorzaak van funderingsschade wordt vastgesteld
en hoe het principe «koste-wat-kost» wordt toegepast bij herstel van funderingsschade
die niet direct door gaswinning is veroorzaakt. Deze leden vragen de regering daarom
hoe concreet moet worden aangetoond dat funderingsschade is veroorzaakt door gaswinning.
Tevens vragen zij de regering te verduidelijken hoe wordt omgegaan met funderingsproblemen
of andere constructieve gebreken die niet door gaswinning zijn ontstaan, maar wel
bijdragen aan het terugkeren of verergeren van gaswinningsschade. Zij vragen de regering
in ieder geval duidelijk te maken of het uitvoeren van maatregelen door het IMG in
het kader van duurzaam herstel in deze gevallen wel of niet onder het «koste-wat-kost»-principe
valt.
De leden van de SP-fractie vragen de regering hoe de generatielange aanpak zich verhoudt
tot de noodzaak kosten aan bureaucratie te beperken, aangezien reeds nu veel te hoge
kosten aan de kant van de bureaucratie komen te liggen.
2.3. Nieuwe schadeafhandeling
De leden van de D66-fractie hechten grote waarde aan een snelle, rechtvaardige en
gelijke afhandeling van schade. In dat licht vragen deze leden om een nadere reactie
op de stevige kritiek van de Afdeling advisering op het begrip «veronderstelde schade»,
dat volgens de Afdeling advisering een principiële afwijking van het aansprakelijkheidsrecht
vormt en kan leiden tot ongelijke uitkomsten tussen gedupeerden. Kan de regering specifiek
ingaan op hoe wordt gewaarborgd dat bewoners met schade boven die grens niet slechter
af zijn dan bewoners met schade onder die grens? Hoe wordt ongelijkheid gemonitord
en gecorrigeerd, gezien het risico dat bewoners in vergelijkbare situaties verschillend
worden behandeld? Hoe wordt voorkomen dat uitvoeringskosten en doorlooptijden stijgen,
zoals de Afdeling advisering verwacht? Kan de regering verduidelijken hoe wordt geborgd
dat bewoners met complexe of meervoudige schades niet alsnog terechtkomen in langdurige
causaliteitsdiscussies? Kan de regering tevens bevestigen dat bewoners kosteloos onafhankelijk
advies kunnen verkrijgen bij het maken van keuzes in de schadeafhandelingsroute?
De leden van de D66-fractie merken op dat de regering bevestigt dat het niet mogelijk
is om de kosten voor daadwerkelijk schadeherstel volledig te verhalen op de Nederlandse
Aardolie Maatschappij (NAM), omdat slechts schade die juridisch aan de NAM kan worden
toegerekend mag worden doorbelast. Deze leden vragen de regering uiteen te zetten
welk deel van de kosten voor daadwerkelijk schadeherstel naar verwachting niet zal
kunnen worden verhaald op de NAM en daarmee door de Staat moet worden gedragen? Kan
de regering hierbij verschillende scenario’s schetsen? Deze leden vragen of de regering
bereid is jaarlijks inzichtelijk te maken welk deel van de kosten voor daadwerkelijk
schadeherstel op de NAM wordt verhaald en welk deel niet? Indien dit niet mogelijk
is, kan de regering toelichten waarom niet? Kan de regering bevestigen dat het ontbreken
van volledige verhaalbaarheid op de NAM geen enkele beperking zal opleveren voor de
ruimhartige, snelle en gelijkwaardige afhandeling van schade voor bewoners?
2.3.1. Aanleiding en doel van versoepeling schadeafhandeling
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat «met een ruimere bevoegdheid en
het bijbehorende eigen budget het IMG meer schades vlot en genereuzer [kan] afhandelen.
De bevoegdheid kan bijvoorbeeld verruimd worden door uitbreiding van de wettelijke
opdracht of door het mogelijk te maken om naast de wet aanvullend beleid te maken.»
Kan de regering hierop reflecteren?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen dat het niet vaak voorkomt dat het
schadebedrag hoger is dan 60.000 euro. Waarom wordt er niet voor gekozen om het grensbedrag
te laten vervallen zodat in alle gevallen voor een soepeler beoordeling gekozen kan
worden? De Afdeling advisering stelt dat het gevaar van dit bedrag is dat mensen die
veronderstellen dat ze meer schade hebben kans lopen geen schadevergoeding te krijgen.
Kan de regering hierop reflecteren?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen dat kwijting een voorwaarde is voor
vergoedingen die het IMG verstrekt. Deze leden vinden deze voorwaarde onrechtvaardig.
Kan de regering daarop reflecteren? Waarom wordt er toch voor gekozen om kwijting
als voorwaarde toe te passen. Wat zijn de consequenties van het niet hebben van kwijting
als voorwaarde? Kan de regering verschillende opties in kaart brengen voor een versoepeling
van de finale kwijting, bijvoorbeeld lagere grens in de beoordelingssystematiek van
bijvoorbeeld ook twee millimeter per seconde?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie menen dat de nieuwe maatregelen van daadwerkelijk
herstel ook weer tot nieuwe vormen van ongelijkheid kunnen leiden. Voorziet de regering
zulke ongelijkheden? Hoe gaat de regering zulke nieuwe onaanvaardbare verschillen
tegen? Zijn er ook gedupeerden die nadeel ondervinden aan de nieuwe maatregelen van
daadwerkelijk herstel?
In de memorie van toelichting lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat het
doel is dat vuistdikke deskundigenrapporten tot de verleden tijd gaan horen. Uitgebreide
rapporten zijn echter ook onderdeel van de maatregel daadwerkelijk herstel. Graag
een reflectie van de regering.
De leden van de SP-fractie vragen hoe de regering borgt dat versoepeling daadwerkelijk
leidt tot lastenverlichting voor bewoners en niet tot verdere complexiteit door nieuwe
varianten en regels. Deze leden vragen of de regering alternatieve opties heeft overwogen
om te voldoen aan de aanbeveling van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning
Groningen, namelijk: ruimere bevoegdheden en een eigen budget voor het IMG ten behoeve
van een vlottere en genereuzere afhandeling van de schades? Zo ja, welke mogelijkheden
zijn verkend en waarom zijn deze niet gekozen?
2.3.2. Daadwerkelijk schadeherstel zonder onderzoek naar de schadeoorzaak
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat daadwerkelijk schadeherstel zonder
onderzoek naar de schadeoorzaak wettelijk wordt vastgelegd. Echter verloopt het daadwerkelijk
schadeherstel dramatisch traag. Afgelopen zomer kwam het bericht naar buiten dat slechts
194 mensen waren geholpen. Wat zijn de wettelijke mogelijkheden om dit te versnellen?
Hoe reflecteert de regering op het trage verloop van deze regeling? Heeft de regering
overwogen de regeling aan te passen gezien het trage verloop?
De leden van de CDA-fractie constateren dat het grensbedrag van 60.000 euro voor daadwerkelijk
herstel bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) zal worden vastgelegd. Hiermee wordt
ruimte geboden om rekening te houden met toekomstige (prijs)ontwikkelingen en kan
het grensbedrag indien nodig worden aangepast zonder dat daar een wetswijziging voor
nodig is. Dit roept bij deze leden de vraag op wanneer een dergelijke aanpassing aan
de orde kan zijn en op basis van welke criteria dit wordt beoordeeld. Zij vragen de
regering te verduidelijken welke afwegingen bepalen of en wanneer het grensbedrag
zal worden verhoogd. Zij vragen de regering tevens aan te geven of bij een eventuele
herziening ook wordt gekeken naar het percentage van schades dat onder het grensbedrag
valt.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de Afdeling advisering in haar advies
over het wetsvoorstel stelt dat het niet mogelijk is om de kosten voor daadwerkelijk
herstel volledig in rekening te brengen bij de NAM. Deze constatering wordt door de
regering onderschreven. In de periodieke heffingsbesluiten zal volgens de regering
worden onderbouwd welk gedeelte van de kosten voor daadwerkelijk schadeherstel in
de heffing op de NAM worden betrokken. De leden van de CDA-fractie achten het van
belang dat de Kamer al voorafgaand aan de heffingsbesluiten beter in beeld heeft welk
deel van de kosten voor daadwerkelijk herstel wel en niet in rekening kunnen worden
gebracht bij de NAM. Deze leden vragen de regering hier uitgebreider op in te gaan
en daarbij in ieder geval aan te geven op basis waarvan wordt besloten of kosten al
dan niet in rekening worden gebracht bij de NAM en wat de verwachte totale kosten
zijn voor de Staat van het daadwerkelijk herstel waarvan de kosten niet in rekening
kunnen worden gebracht bij de NAM.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Werkgroep Mijnbouwschade heeft gevraagd om
een uitzonderingsbepaling ten aanzien van het grensbedrag van 60.000 euro. Omdat het
criterium middels een AMvB wordt geregeld, wordt een uitzonderingsbepaling op wetsniveau
niet passend geacht. Deze leden vragen de regering of en op welke een mogelijke uitzonderingsbepaling
ten aanzien van het grensbedrag van 60.000 euro in de AMvB worden opgenomen. Zij vragen
de regering tevens om, indien dat het geval is, te verduidelijken hoe wordt bepaald
onder welke omstandigheden en criteria een uitzondering kan gelden.
De leden van de CDA-fractie lezen dat op basis van de eerste indicatieve gegevens
in ieder geval 1.800 (van de circa 13.000) bewoners zullen kiezen voor daadwerkelijk
herstel. Deze leden vragen de regering wat op dit moment de actuele status is van
(de uitvoering van) daadwerkelijk herstel en hoeveel bewoners daar (definitief) voor
hebben gekozen. Zij vragen de regering tevens aan te geven welke gevolgen dit keuzegedrag
heeft voor de uitvoering van de schadeafhandeling door het IMG, bijvoorbeeld op het
gebied van planning, capaciteit en regeldrukkosten. Tevens vragen zij de regering
wanneer de eerste ervaringscijfers worden verwacht en welke gegevens en indicatoren
daarin worden meegenomen om inzicht te geven in de effectiviteit, uitvoerbaarheid
en tevredenheid van bewoners.
De leden van de SP-fractie vragen of de regering heeft overwogen om de maatregel van
daadwerkelijk herstel met de grens van 60.000 euro met terugwerkende kracht toe te
passen, zodat eerdere gevallen die zijn afgedaan zonder deze mogelijkheid niet worden
benadeeld. Welke overwegingen hebben hierbij een rol gespeeld?
2.3.3. Keuzevrijheid voor aanvragers
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of nader kan worden toegelicht hoe
het bedrag van de forfaitaire vergoeding van 10.000 euro tot stand is gekomen.
2.3.4. Uitzonderingssituaties
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie missen een notie over de beoordeling of de
zwaarst gedupeerden wel profiteren van de maatregelen. Waarom wordt zo’n beoordeling
geen onderdeel van het beleid? Waarom krijgt de IMG geen wettelijke bevoegdheid om
in de kern van het gebied tot versoepeling van schadeafhandeling te komen?
2.3.5. Voorwaarden in de schadeafhandeling
De wetstekst geeft aan dat gedupeerden hun schadeclaim op de veroorzaker geheel overdragen
aan de Staat, voorafgaand aan uitkering, herstel en/of versterking. De leden van de
SP-fractie vragen de regering of dit niet in feite neerkomt op een door de Staat opgelegde
algehele kwijting. Deze leden achten het onaanvaardbaar dat bewoners finale kwijting
moeten geven voor schadevergoeding of schadeherstel. Zij verzoeken de regering toe
te lichten hoe deze verplichting zich verhoudt tot het bedrag van de ereschuld en
het blijvend risico op vervolgschade, ook na beëindiging van de gaswinning.
De leden van de SP-fractie constateren dat het IMG recent finaliteit heeft geïntroduceerd
in de schadeafhandeling, gebaseerd op de veronderstelling dat de seismische activiteit
afneemt en toekomstige schade minder vaak zal optreden. De recente beving in Zeerijp
laat echter zien dat finaliteit vooralsnog niet aan de orde kan zijn. Deze leden vragen
de regering hoe zij deze nieuwe praktijk van finaliteit beoordeelt in het licht van
het kabinetsuitgangspunt «zoveel en zo lang als noodzakelijk», en op welke wijze in
de wet wordt voorkomen dat finaliteit leidt tot onzekerheid bij gedupeerden over de
vergoeding van toekomstige schade?
2.3.6. Gegevensuitwisseling en verwerking
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de memorie van toelichting «zo kan
het IMG ook zogenoemde «stille gedupeerden» actief benaderen om hen te informeren
en te ondersteunen bij fysieke schade aan hun woning, of andere soorten schade zoals
waardedaling of immateriële schade.» Hoe verhoudt dit zich tot de zorgplicht? Kan
dit niet worden beschouwd als een recht?
2.4. Collegiaal bestuur SodM
De leden van de D66-fractie steunen de wens tot versteviging van onafhankelijk toezicht,
maar vragen of de regering nader kan onderbouwen waarom niet wordt gewacht op de Kaderwet
rijksinspecties, waar deze onderwerpen ook worden geregeld. Kan de regering uiteenzetten
hoe wordt voorkomen dat de commissie van advies een dubbelrol krijgt, waarbij zij
zowel moet adviseren over kwaliteitsbeleid als functioneren van bestuurders, wat volgens
de Afdeling advisering de onafhankelijkheid kan ondermijnen?
2.5. Benoemingsprocedure bestuursleden IMG
De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe de benoemingsprocedure bijdraagt
aan onafhankelijkheid en kwaliteit van het IMG en hoe wordt geborgd dat bewonersperspectief
wordt betrokken bij het opstellen van selectieprofielen.
2.6. Evaluatiebepaling
Nu de structurele evaluatieverplichting vervalt, vragen de leden van de D66-fractie
of de regering bereid is periodiek een onafhankelijke externe evaluatie aan de Kamer
aan te bieden, ter versterking van de parlementaire controle.
2.7. Geografische verduidelijking publiekrechtelijke schadeafhandeling
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of er gereflecteerd kan worden op het
uitsluiten van deze regelingen voor mensen rondom Ekehaar.
3. Verhouding tot nationale wetgeving
De leden van de D66-fractie vragen of de regering risico ziet op precedentwerking
voor andere mijnbouwgebieden of andere vormen van fysieke schade veroorzaakt door
overheidshandelen of industriële activiteiten.
4. Uitvoering
De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe de uitvoeringscapaciteit van de
betrokken organisaties voldoende wordt geborgd. Kan de regering aangeven welke aanvullende
investeringen nodig zijn voor uitvoering, digitalisering en personele capaciteit.
Hoe wordt voorkomen dat nieuwe achterstanden ontstaan? Kan de regering tevens toelichten
hoe wordt gezorgd voor duidelijke en eenduidige communicatie aan bewoners, zodat keuzemogelijkheden
niet leiden tot extra stress of onduidelijkheid?
4.1. Staat van Groningen en Noord-Drenthe
4.1.1. Uitvoeringsaspecten zorgplichten
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat «De uitvoering van de zorgplicht
verduurzaming wel beperkte uitvoeringsgevolgen [heeft] voor de NCG. In verband met
die zorgplicht zal de NCG namelijk vaker het reeds bestaande artikel 13j, zesde lid,
van de TwG, moeten gebruiken om de verduurzaming tijdens de versterking van het gebouw,
uit te voeren.» Krijgt de NCG hiervoor extra capaciteit, zodat deze extra taak niet
tot enige vertraging leidt?
5. Gevolgen en neveneffecten
5.1. Staat van Groningen en Noord-Drenthe
5.1.1. Effect voor burgers en bedrijven
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de toelichting op maatregel 16
uit Nij Begun en de motie van de leden Bushoff en Beckerman (Kamerstuk 33 529, nr. 1346), waarin wordt verzocht om gedupeerden vóór 1 november te compenseren. De regering
geeft echter aan dat een deel van de bewoners deze vergoeding pas kan ontvangen nadat
de regelgeving onder de Tijdelijke wet Groningen, het Besluit en de Regeling, is aangepast.
Deze leden verzoeken de regering daarom aan te geven welke groepen gedupeerden onder
deze wet exact pas tot compensatie kunnen overgaan vanaf het moment dat deze regelgeving
is aangepast, en op welke wijze deze vertraging zich verhoudt tot het doel om bewoners
tijdig en rechtvaardig tegemoet te komen.
5.1.2. Effect op bestuurlijke lasten medeoverheden
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat deze wetswijziging invloed heeft
op de bestuurlijke lasten van medeoverheden. In hoeverre worden de medeoverheden hiervoor
gecompenseerd?
6. Financiële gevolgen
De leden van de D66-fractie vragen hoe de regering voornemens is om de ontwikkeling
van uitvoeringskosten, schadevergoedingen en investeringen in brede welvaart en verduurzaming
systematisch te monitoren. Wordt de Kamer jaarlijks geïnformeerd over afwijkingen
in kosten en effecten?
6.1. Staat van Groningen en Noord-Drenthe
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom er niet een andere manier is
gekozen voor andere manieren om meerjarig gelden te reserveren, onder de voorwaarde
dat het de generatielange betrokkenheid niet afdoet. Zijn er vergelijkbare wetten
met dezelfde manier van meerjarig gelden reserveren?
De leden van de SP-fractie vragen waarom niet is gekozen voor alternatieve manieren
om meerjarig middelen te reserveren binnen de reguliere begrotingssystematiek, bijvoorbeeld
door gebruik te maken van meerjarenramingen, zoals ook de Afdeling advisering in haar
advies naar voren brengt. Welke argumenten hebben ervoor gezorgd dat de regering hier
niet voor heeft gekozen?
7. Advies en consultatie
De leden van de D66-fractie vragen de regering, in het licht van de door gemeenten,
maatschappelijke organisaties en het IMG geuite zorgen over de uitvoeringsconsequenties
van de zorgplichten en de mogelijke verschillen die kunnen ontstaan in de verduurzamingsaanpak,
hoe deze risico’s worden ondervangen en welke mitigerende maatregelen de regering
daarvoor treft.
7.1. Regionaal afstemmingsmoment voorafgaand aan internetconsultatie wetsvoorstel
7.1.1. Zorgplichten verduurzaming en brede welvaart
De leden van de SP-fractie constateren dat het begrip Brede Welvaart in het wetsvoorstel
onvoldoende helder is gedefinieerd. De regering wordt verzocht uiteen te zetten waarom
geen duidelijke begripsbepaling in artikel 1 is opgenomen, met aandacht voor verschillen
tussen en binnen gemeenten, zoals in de consultatiereactie wordt betoogd.
7.2. Internetconsultatie wetsvoorstel
7.2.1. Algemene reacties over de nieuwe schadeafhandeling
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het grensbedrag van 60.000 euro
niet wordt vastgelegd. Hoe reflecteert de regering op het feit dat een toekomstig
Minister dit dan per AMvB kan wijzigen, en dus ook naar beneden? Waarom is er geen
indexering mogelijk van bijvoorbeeld de gemiddelde kosten van de IMG?
De fungerend voorzitter van de commissie, Van Eijk
Adjunct-griffier van de commissie, Van der Haas
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
W.P.J. van Eijk, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
J.P. van der Haas, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.