Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 822 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en de Bankwet 1998 in verband met aanpassingen van het crisisraamwerk voor banken en beleggingsondernemingen ter aanvulling op de implementatie van Richtlijn 2014/59/EU en Richtlijn (EU) 2019/879 betreffende het kader voor herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen (Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie)
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 17 december 2025
De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand
wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen tijdig en genoegzaam zal
hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel
voldoende voorbereid.
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, Van der Lee
Adjunct-griffier van de commissie, Van der Steur
INLEIDING
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden steunen de verbetering omtrent eventuele faillissementen van banken gezien
het belang hiervan voor de financiële stabiliteit. Op dit moment hebben deze leden
geen verdere vragen over het wetsvoorstel.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie.
Deze leden hebben hierover nog een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel.
ALGEMEEN
§ 1. Inleiding
De leden van de PVV-fractie lezen in de memorie van toelichting dat «op Europees niveau
wordt onderhandeld door de Raad en het Europees Parlement over de in april 2023 gepubliceerde
voorstellen tot aanpassing van de BRRD, SRMR en de richtlijn depositogarantiestelsels».
Deze leden vragen de regering wanneer duidelijkheid wordt verwacht over de uitkomsten
van deze onderhandelingen en waarom wordt gekozen voor wetswijziging, terwijl Europese
kaders mogelijk op korte termijn zullen veranderen.
De leden van de PVV-fractie willen van de regering verduidelijking over hoe de Stichting
Administratiekantoor Afwikkeling (SAA) eruit zal zien met betrekking tot personeel
en bezetting, in hoeverre de stichting op afstand staat van DNB, wat de kosten zullen
zijn en wie die gaan betalen.
§ 4.1 Praktische uitvoering afwikkeling
De leden van de PVV-fractie lezen in de memorie van toelichting «De SAA gaat de aandelen
of certificaten tijdelijk houden ten behoeve van de houders van de claimrechten. Op
het moment dat de definitieve waardering en de conversiekoers bepaald is, zullen de
claimrechten worden omgewisseld in de aandelen of certificaten». Deze leden vragen
de regering of er een wettelijke termijn wordt vastgelegd waarbinnen de afwikkelingsmaatregelen
moeten worden uitgevoerd.
De leden van de VVD-fractie constateren dat het wetsvoorstel een oplossing biedt voor
het geval bestaande (of nieuw uitgegeven) aandelen of certificaten op het moment van
afwikkeling van een instelling nog niet kunnen worden toegekend aan de houders van
de claimrechten. Het voorliggende wetsvoorstel wil dat doen door te regelen dat DNB
in dat geval een instructie afgeeft aan de instelling in afwikkeling om de aandelen
of certificaten uit te (doen) geven aan een door DNB opgerichte SAA of door DNB deze
bestaande aandelen te doen laten overgaan aan de SAA. De SAA gaat de aandelen of certificaten
dan tijdelijk houden ten behoeve van de houders van de claimrechten. Op het moment
dat de definitieve waardering en de conversiekoers bepaald is, zullen de claimrechten
dan worden omgewisseld in de aandelen of certificaten. Graag ontvangen deze leden
een uitgebreide toelichting op de volgens de regering te verwachten gevolgen van deze
wetswijziging voor de claimhouders.
De leden van de VVD-fractie begrijpen uit de memorie van toelichting hoe de omzetting
van een schuld in eigen vermogen vormgegeven kan worden. Daarbij wordt uitdrukkelijk
opgemerkt dat de regeling niet de werkwijze zoals deze in de toelichting staat beschreven,
voorschrijft. En dat het DNB derhalve vrijstaat de omzetting ook op andere wijze vorm
te geven (in het licht van de afwikkelingsdoelstellingen of de omstandigheden van
het geval). Kan de regering verduidelijken aan de hand van (praktische) voorbeelden
hoe die omzetting dan op andere wijze vorm kan worden gegeven?
§ 5. Financiële gevolgen en regeldruk
De leden van de PVV-fractie lezen in de memorie van toelichting dat er een nieuwe
verplichting met het voorliggende wetvoorstel wordt ingevoerd, namelijk de verplichting
dat het bestuur of de raad van commissarissen van een dergelijke entiteit (waarbij
ervan wordt uitgegaan dat hiermee een onder de BRRD vallende instelling wordt bedoeld)
melding maakt als zij van oordeel is dat de entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen.
Deze leden verzoeken de regering om toe te lichten wat de gevolgen zijn wanneer deze
melding niet wordt gedaan, welke handhavings- of toezichtsinstrumenten in dat geval
beschikbaar zijn en hoe precies wordt bepaald wanneer sprake is van de situatie waarin
een entiteit «faalt of waarschijnlijk zal falen».
§ 7. Consultatie
Naar aanleiding van het advies van de Raad van State over de afbakening van bevoegdheden
van de bijzonder bestuurder vragen de leden van de ChristenUnie-fractie de regering
om precies aan te geven wat de regering heeft gedaan om tegemoet te komen aan het
advies van de Raad van State en hierbij ook aan te geven of, en indien van toepassing
ook hoe, de gewijzigde tekst nog afwijkt van het Raad van State-advies.
1. 1:75/1:75a Wft
De leden van de VVD-fractie lezen het volgende: «Op dit moment wordt onderhandeld
door het Europees Parlement en de Raad over aanpassing van de BRRD, SRMR en DGSD.
Niettemin is er nog geen definitief triloogakkoord bereikt». In hoeverre is het de
verwachting van de regering dat de uitkomst van dit triloogakkoord, de wetswijzigingen
van het voorliggende wetsvoorstel overhoopgooien?
2. 3A:20aa Wft
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) heeft
verzocht om overtreding van artikel 3A:20aa Wft, wat ziet op de melding door het bestuur
of de raad van commissarissen bij DNB of de ECB dat de onderneming FOLTF (failing
or likely to fail) is, niet handhaafbaar te stellen. De regering stelt daar tegenover
dat de verplichting om het doen van een FOLTF-melding expliciet voortkomt uit de BRRD,
zodat ook Nederland daaraan moet voldoen. Graag vernemen deze leden expliciet en onomwonden
van de regering dat er op dit punt dus geen sprake is van strengere implementatie
ten opzichte van andere EU-lidstaten (dat wil zeggen, een nationale kop).
3. 3A:21-3A:23/3A:44 Wft met betrekking tot directe conversie
De leden van de VVD-fractie lezen: «Met deze wijze van omzetting bevindt Nederland
zich, anders dan de NVB stelt, niet in een uitzonderingspositie. Ook Portugal, België,
Frankrijk, Ierland en Zweden maken bij hun omzetting naar aandelen gebruik van een
vorm van een «interim-»recht op een aandeel.» Hoe is dit geregeld in de Verenigde
Staten?
Deze leden lezen ook: «... dat het onder de huidige regelgeving al mogelijk is om
de claimrechten op aandelen direct na totstandkoming om te zetten in aandelen, zodat
de geconverteerde crediteuren de facto direct aandelen verkrijgen». Kan de regering
nader onderbouwen hoe realistisch deze directe omzetting is? Mede in het licht van
het gegeven dat enige tijd gemoeid zal zijn met het definitief worden van de waardering
van de activa en passiva van de entiteit in afwikkeling, respectievelijk de omzettingskoers
van het claimrecht in een aandeel. Is de regering het met deze leden eens dat in de
praktijk vrijwel altijd sprake zal zijn van een «indirecte» omzetting?
4. 3A:23 Wft met betrekking tot nominale waarde van aandelen en statuten
De leden van de VVD-fractie lezen dat DNB ervoor zal zorgen dat de toekenning van
aandelen aan de houders van de claimrechten «zo spoedig mogelijk» zal plaatsvinden.
Wat zal, naar inschatting van de regering, de gemiddelde wachttijd zijn voor de houders
van claimrechten? Denkt de regering dat het soms ook veel korter of langer kan duren
dan deze gemiddelde wachttijd?
5. 3A:49 Wft
De leden van de VVD-fractie lezen het volgende: «Het algemene afwikkelingsbeginsel
dat het leidinggevend orgaan en het hoger management worden vervangen als de entiteit
in afwikkeling gaat (in artikel 34, eerste lid, onderdeel c, van de BRRD26) bevat
echter ook een uitzondering: namelijk indien het aanblijven van het volledige leidinggevende
orgaan en het hoger management of een deel ervan, naar gelang van de omstandigheden,
voor het verwezenlijken van de afwikkelingsdoelstellingen noodzakelijk wordt geacht.»
Oordeelt DNB hier over de «noodzakelijkheid»? Zo nee, wie dan? Zo ja, hoeveel mensen
binnen DNB nemen dan dit besluit? Wat gebeurt er als het besluit over de noodzakelijkheid
binnen DNB verdeeld ligt? Voorts vernemen deze leden graag waar dit «noodzakelijkheidscriterium»
is opgenomen in de wet.
De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast: «Art. 3A:49, zesde lid, onderdeel b,
Wft bepaalt dat de (aangebleven) bestuurders en commissarissen hoofdelijk aansprakelijk
zijn tegenover de entiteit in afwikkeling als zij in strijd handelen met het besluit
tot het aanstellen van de bijzonder bestuurder of de besluiten van de bijzonder bestuurder
die daarmee verband houden en uit dat handelen schade voortkomt, tenzij het verrichten
van de betreffende handeling niet aan de (achterblijvende) bestuurder of commissaris
is te wijten en deze bestuurder of commissaris niet nalatig is geweest in het treffen
van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.» Graag vernemen deze leden wat
de consequentie is van deze hoofdelijke aansprakelijkheid. Is dat een boete?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
R.A. van der Steur, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.