Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
36 850 J Wijziging van de begrotingsstaat van het Deltafonds voor het jaar 2025 (wijziging samenhangende met de Najaarsnota)
Nr. 3
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 16 december 2025
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm
van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 8 december voorgelegd aan de Minister en de Staatssecretaris van
Infrastructuur en Waterstaat. Bij brief van 15 december 2025 zijn ze door de Minister
en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De fungerend voorzitter van de commissie, P. de Groot
De griffier van de commissie, Schukkink
Vragen en antwoorden
1
Vraag:
Hoe beoordeelt u de structurele uitvoeringscapaciteit van Rijkswaterstaat en wat is
het minimale niveau dat nodig is om de wettelijk vastgelegde waterveiligheids- en
Kaderrichtlijn Water (KRW)-opgaven tijdig te halen?
Antwoord:
Rijkswaterstaat zet zich in om te blijven voldoen aan de wettelijke voorwaarden en
het tijdig realiseren van de opgave voor waterveiligheid en voor de Kaderrichtlijn
Water.
Daarbij wordt maximale inspanning geleverd om de KRW-doelen ultimo 2027 tijdig te
halen. De capaciteit van RWS staat onder druk gezien de forse instandhoudingsopgave
en mede door ontwikkelingen op het gebied van de wet DBA. Dit betekent dat het werk
slimmer georganiseerd moet worden, vanaf de inkoop tot de realisatie (inkoopstrategieën)
en dat er prioriteiten gesteld worden.
2
Vraag:
Kunt u inzicht geven in de totale projectmatige vertragingen (in maanden/kwartalen)
binnen het Deltafonds en aangeven welke risico’s dit oplevert voor woningbouwlocaties
en grote economische corridors?
Antwoord:
Het is niet mogelijk om inzicht te geven in de totale projectmatige vertragingen binnen
het Deltafonds. Aangezien projecten in het hoofdwatersysteem vooral in de buitengebieden
plaats vinden, zijn de risico’s voor woningbouwlocatie en grote economische corridors
beperkt.
3
Vraag:
Hoeveel van de huidige kostenoverschrijdingen en kasschuiven zijn toe te schrijven
aan externe factoren (zoals stikstof, vergunningverlening, marktcapaciteit) en hoeveel
aan interne factoren (zoals planning, governance, risicomanagement)?
Antwoord:
De oorzaken van kostenoverschrijdingen en kasschuiven kennen diverse oorzaken. Kostenoverschrijdingen
kunnen endogene of exogene oorzaken hebben. Endogene oorzaken worden opvangen binnen
de risicoreservering van projecten, tenzij deze een dusdanig grote omvang hebben dat
deze niet binnen dat budget gedekt kunnen worden. In dat geval dient dekking binnen
het totaal van het fonds gevonden te worden.
Kosten als gevolg van exogene oorzaken (bijvoorbeeld kosten die door wijziging in
wet- en regelgeving gemaakt moeten worden), worden binnen het totaal van het fonds
gecompenseerd. Het is niet mogelijk om per tegenvaller één specifieke oorzaak aan te
wijzen, in de meeste gevallen is dit een combinatie van endogene en exogene factoren.
De kasschuiven worden altijd afzonderlijk toegelicht in de begrotingsstukken en hangen
samen met vertragingen of versnellingen in projecten. De belangrijkste redenen van
de kostenoverschrijdingen en kasschuiven zijn toegelicht onder de tabellen 4 tot en
met 7 van de tweede suppletoire begroting Deltafonds 2025.
4
Vraag:
Hoe wordt binnen het Deltafonds gestuurd op prioritering als meerdere wettelijke opgaven
tegelijk in tijdsdruk komen, en welke expliciete keuzes zou u maken als budgetten
of uitvoering verder onder druk komen te staan?
Antwoord:
Het Deltafonds kent meerdere doelen met een wettelijke grondslag. Elk jaar wordt een
afweging gemaakt hoe hier maximaal invulling aan kan worden gegeven en zo wordt de
programmering vastgesteld. Deze begroting wordt met Prinsjesdag gepresenteerd. Als
voorbeeld van een integrale afweging wordt verwezen naar de zgn. Verzamelbrief Water
van 24 juli 2025, onderdeel Beleidskeuzes Deltafonds (Kamerstukken 27 625, nr. 717).
5
Vraag:
Hoeveel drinkwaterwinpunten zijn er sinds 1 juli 2024 in Nederland bij gekomen?
Antwoord:
Zoals toegezegd aan het lid Heutink tijdens het Commissiedebat Water van 26 maart
2025 (TZ202504-052) wordt de Kamer in de eerste helft van 2026 geïnformeerd over de
voortgang van de verschillende projecten uit het Actieprogramma Beschikbaarheid Drinkwaterbronnen
2023–2030 waar de drinkwaterbedrijven en de provincies aan werken. De Minister van
IenW bespreekt de voortgang in het eerste Bestuurlijk Overleg Water in april 2026.
6
Vraag:
Hoeveel aanvragen voor vergunningen voor nieuwe drinkwaterwinpunten zijn sinds 1 juli
2024 gedaan bij lokale overheden, hoeveel zijn nog in behandeling en hoeveel zijn
er afgewezen en waarom?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 5.
7
Vraag:
Hoeveel aanvragen, dan wel uitgiften, van vergunningen voor nieuwe drinkwaterwinpunten
zijn in de afgelopen vijf jaar vertraagd, dan wel tegengehouden, door inmenging van
procedures door «belanghebbenden»?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 5.
8
Vraag:
Hoeveel huishoudens hebben in 2025 minstens één dagdeel (ochtend, middag en/of avond)
zonder drinkwater gezeten? Graag ook specificeren hoe lang dit is geweest, waar dit
is geweest en wat de oorzaak van deze non-levering is geweest.
Antwoord:
Op grond van de «Meldprocedure normoverschrijdingen in drinkwater of oppervlaktewater
voor drinkwaterbedrijven» (gebaseerd op artikel 35, tweede lid, van de Drinkwaterwet)
moeten drinkwaterbedrijven onderbrekingen van de levering van drinkwater langer dan
24 uur melden aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Gegevens over onderbrekingen
korter dan 24 uur zijn dus bij de ILT niet bekend. De ILT heeft in 2025 geen meldingen
ontvangen over onderbrekingen die langer dan 24 uur duurden.
9
Vraag:
Hoeveel van de waterlichamen in Nederland voldoen op dit moment aan de normen uit
de KRW?
Antwoord:
Van de ruim 100.000 KRW-doelen (ongeveer 750 waterlichamen maal ongeveer 140 doelen)
voldoet op dit moment ongeveer 83%. Geen enkel waterlichaam voldoet nu aan alle doelen.
10
Vraag:
Hoeveel van de waterlichamen in Nederland voldoen, volgens uw prognose, aan de normen
uit de KRW op 22 december 2027?
Antwoord:
De verwachting is dat we eind 2027 richting 90% doelbereik kunnen komen met alle maatregelen
die nu genomen zijn en nog genomen worden.
11
Vraag:
Hoe vaak zal Nederland, volgens uw prognose, zich moeten beroepen op een uitzonderingsmogelijkheid
om de consequenties van het niet-behalen van de KRW-normen te vermijden?
Antwoord:
Voor de resterende situaties die niet tijdig aan de doelen voldoen (ongeveer 10% van
het totaal) gaan we naar verwachting uitzonderingsmogelijkheden inzetten.
12
Vraag:
Wat wordt er precies gedaan om ervoor te zorgen dat Nederland als delta niet onevenredig
hard wordt aangepakt, nu we ook belast worden met het vuile water van al onze buurlanden?
Antwoord:
Er is de afgelopen 2 jaar ingezet op zogeheten «joint fact finding» met de buurlanden:
gezamenlijk de feiten in beeld brengen en bespreken hoe dit waar nodig verbeterd kan
worden. Indien uit deze joint fact finding blijkt dat de buitenlandse belasting de
oorzaak is dat de doelen in de Nederlandse waterlichamen niet gehaald kunnen worden
is dit een reden om beroep te doen op een uitzonderingsgrond.
13
Vraag:
Welke projecten binnen het Deltafonds kennen de grootste kostenstijging en hoe verhoudt
zich dit tot de oorspronkelijke ramingen?
Antwoord:
De overbesteding van het Deltafonds wordt veroorzaakt door de Rijksbrede overprogrammering
op het Deltafonds. In de Najaarsnota worden budgetmutaties verwerkt in het lopende
begrotingsjaar 2025. Aan de Najaarsnota liggen geen tussentijdse rapportages van alle
projecten binnen het Deltafonds ten grondslag, en daardoor kan er op dit moment geen
overzicht per project worden opgesteld van kostenstijgingen in verhouding tot de oorspronkelijke
ramingen.
14
Vraag:
Welke concrete resultaten zijn er het afgelopen jaar geboekt als het gaat om dijkversterking?
Antwoord:
Binnen het HWBP zijn op dit moment 25 waterschapsprojecten in uitvoering, waarbij
het in totaal gaat om 195 kilometer dijkversterking. De verwachting is dat in 2025
44 kilometer dijk wordt versterkt. In de eerste negen maanden van 2025 is 2,7 kilometer
dijkversterking ook administratief afgehandeld.
Binnen het Programma Rijkskeringen zijn in het afgelopen jaar belangrijke stappen
gezet in de voortgang van verschillende dijkversterkingsprojecten. Zo is de dijkversterking
op Vlieland officieel afgerond. Daarnaast zijn nieuwe projecten gestart: de planfase
voor de duinversterking op Ameland is in gang gezet en eveneens de planfase voor de
versterking van de Oesterdam.
De dijk bij Marken is volledig op de vereiste hoogte gebracht. Tot en met maart 2027
wordt gewerkt aan de afwerking, waaronder het afgraven van de oude dijk en het bekleden
van de nieuwe dijk.
15
Vraag:
Is al bedacht in welk jaar knopen doorgehakt moeten gaan worden, indachtig het feit
dat nu in het Programma zeespiegelstijging staat dat er nog geen besluiten genomen
hoeven te worden over welke richting we op gaan, maar dat die besluiten wel op tijd
moeten worden genomen?
Antwoord:
Uit het Kennisprogramma Zeespiegelstijging volgt inderdaad dat op dit moment nog geen
grote besluiten hoeven te worden genomen over systeemaanpassingen, maar dat deze wel
tijdig moeten worden voorbereid. Daarom wordt in het Nationaal Water Programma 2028–2033
een Beslisagenda Deltawerken opgenomen, waarin wordt vastgelegd welke keuzes wanneer
aan de orde zijn en welke factoren daarvoor relevant zijn. Deze agenda brengt de adaptatiepaden,
kritieke momenten en onderlinge afhankelijkheden van de Deltawerken in beeld en ondersteunt
daarmee een zorgvuldig besluitvormingsproces richting 2040–2050. Hiermee wordt geborgd
dat beslissingen niet onnodig vroeg worden genomen, maar ook dat zij niet te laat
komen om tijdig en effectief te kunnen handelen.
16
Vraag:
Welke maatregelen worden genomen om het risico op onderuitputting in de komende jaren
te verminderen, mede gezien de omvangrijke waterveiligheidsopgave op de lange termijn?
Antwoord:
Voor het Hoogwaterbeschermingsprogramma geldt dat dit jaar alle geprogrammeerde
gecompenseerd via door waterschappen voorgefinancierde werkzaamheden van andere dijkversterkingsprojecten
die versneld kunnen worden uitgevoerd.
Daarnaast worden de prestaties in het HWBP verder versterkt in de nu lopende herijking
van het HWBP tot 2050. Hierin wordt bijvoorbeeld ingezet op sturing aan de voorkant
om vertraging tijdens de projecten te voorkomen.
17
Vraag:
In hoeverre is de forse verlaging van verplichtingen (€ 512 miljoen) op artikel 1
(waterveiligheid) een voorbode van onderuitputting in 2026 en latere jaren?
Antwoord:
De verwachting is dat het Hoogwaterbeschermingsprogramma de komende jaren tot volledige
uitputting zal komen. Dit komt onder andere door de in antwoord 16 toegelichte systematiek.
Daarnaast is er na de afronding van de eerste beoordelingsronde en de middelen worden
benut. Op programmaniveau worden vertragingen in projecten aanscherping door de OOG
(opgave- en ontwikkelgesprekken) een realistischer beeld van de opgave.
Op de programmering van het HWBP staat op dit moment 415 kilometer projecten in voorbereiding
en 195 kilometer in realisatie. Hiermee is het HWBP op stoom en wordt er komende jaren
geen onderuitputting verwacht.
Het voornaamste deel van de verlaging van de verplichtingen dit jaar komt voort uit
het splitsen van project Zwolle–Olst. Dit betreft een financiële splitsing van de realisatiefase
in drie delen.
18
Vraag:
Welke maatregelen neemt u om het risico op onderuitputting in de komende jaren te
beperken in het licht van de grote opgave voor waterveiligheid op lange termijn?
Antwoord:
Zie het antwoord bij vraag 16.
19
Vraag:
In hoeverre is de verlaging van de verplichtingen (€ 512 miljoen) op artikel 1 (waterveiligheid)
een reactie op de hogere uitgaven in 2025?
Antwoord:
Er is geen verband tussen de verlaging van verplichtingen en de hogere uitgaven in
2025. De hogere uitgaven ten opzichte van de begroting zijn te verklaren door de overprogrammering
die op het Deltafonds is toegepast. De verlaging van verplichtingen wordt veroorzaakt
door het financieel knippen of vertragen van met name realisatiefasen van de projecten.
Deze vertragingen of financiële schuiven worden op programmaniveau binnen het HWBP
gecompenseerd met projecten die meer dan geprogrammeerd kunnen besteden.
20
Vraag:
Wat zijn de gevolgen van het tekort voor de programmering in 2025 met betrekking tot
het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)? Wordt een deel van de uitvoering verplaatst
naar 2026?
Antwoord:
Het HWBP heeft in 2025 de beschikking gekregen over de in de Deltafondsbegroting geprogrammeerde
middelen. Hierdoor zijn er in 2025 voor de programmering van het HWBP geen consequenties.
Het betekent ook dat verplaatsen van een deel van de uitvoering naar 2026 niet aan
de orde is.
Bij Voorjaarsnota 2025 heeft het kabinet besloten om vanuit de pilot «realistisch
ramen» de overprogrammering in de jaren 2026 en 2027 te verhogen en vanaf 2028 weer
af te bouwen via een afbouwpad. De overprogrammering is nu in latere jaren verhoogd
om te onderzoeken of dit tot een realistischere begroting leidt. Het toewerken naar
een realistischer ritme is een belangrijk advies van de expertgroep realistisch ramen
(commissie-De Jong).
Door de verbeterde uitputting van het Deltafonds in combinatie met de verhoogde overprogrammering
ontstaat nu een overschrijding van de begroting. Bij Voorjaarsnota 2026 wordt opnieuw
naar de overprogrammering bekeken, met het oog op het nadelig saldo over 2025.
21
Vraag:
Zijn de hogere uitgaven voor aanlegprojecten voor waterveiligheid in 2025 puur het
resultaat van een voortvarende uitvoering van projecten (waardoor de overprogrammering
te hoog bleek)? In hoeverre spelen prijsstijgingen hierbij een rol?
Antwoord:
De hogere uitgaven voor aanlegprojecten waterveiligheid in 2025 zijn het resultaat
van de Rijksbreed toegepaste systematiek van overprogrammering. Dit betekent dat er
meer werkzaamheden gepland zijn dan dat er budget is. Normaliter is er namelijk altijd
sprake van enige mate van vertraging, waardoor we het beschikbare budget uitgeven
aan dat wat op dat moment gerealiseerd kan worden. Dit jaar is er echter sprake van
een groeiende productie, waardoor er minder vertraging is dan in voorgaande jaren.
22
Vraag:
Wat is de reden dat de subsidieregeling Bevaarbaarheid jachthavens niet wordt verlengd?
Antwoord:
De «Tijdelijke subsidieregeling bevaarbaarheid jachthavens en vaargeulen IJsselmeergebied»
was opengesteld voor de periode 1 oktober 2020–30 september 2025. Deze had als doel
de mogelijke negatieve effecten van het peilbesluit IJsselmeer voor de bereikbaarheid
van de jachthavens weg te nemen.
Uit de evaluatie van de subsidieregeling blijkt dat er nauwelijks gebruik is gemaakt
van deze regeling. Ook zijn er geen aanwijzingen dat een lager peil zorgde voor het
vaker vastlopen van schepen in toegangsgeulen en havens. Gezien het geringe gebruik
van de regeling, de uitvoeringskosten en het niet aantoonbaar slechter bereikbaar
worden van de jachthavens, werd het niet effectief en efficiënt geacht om de looptijd
van de tijdelijke subsidieregeling te verlengen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
M. Schukkink, griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.