Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over Voorhang ontwerpbesluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 in verband met de mogelijkheid van het aanbieden van het praktijkgerichte vak in het havo (Kamerstuk 31289-605)
31 289 Voortgezet Onderwijs
Nr. 606
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 10 december 2025
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en
opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
over de brief van 3 november 2025 over Voorhang ontwerpbesluit tot wijziging van het
Uitvoeringsbesluit WVO 2020 in verband met de mogelijkheid van het aanbieden van het
praktijkgerichte vak in het havo (Kamerstuk 31 289, nr. 605).
De vragen en opmerkingen zijn op 1 december 2025 aan de Staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 10 december 2025 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Bromet
Adjunct-griffier van de commissie, Easton
Inhoud
I
Vragen en opmerkingen uit de fracties
2
•
Inbreng van de leden van de D66-fractie
2
•
Inbreng van de leden van de PVV-fractie
2
•
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
5
•
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
5
•
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
5
•
Inbreng van de leden van de JA21-fractie
6
•
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
8
•
Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractie
8
II
Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
9
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het ontwerpbesluit
in verband met de mogelijkheid van het aanbieden van het praktijkgerichte vak in het
havo. Deze leden hebben op het moment geen vragen hierover.
Inbreng van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging
van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 in verband met de mogelijkheid van het aanbieden
van het praktijkgerichte vak in het havo. Deze leden hebben hierover de volgende vragen
en opmerkingen.
De leden van de PVV-fractie constateren dat het praktijkgerichte vak (in de grote
variant) een profielkeuzevak (gedeeltelijk of geheel) kan vervangen en volledig via
een schoolexamen wordt afgesloten. Deze leden maken zich zorgen dat hiermee een centraal
getoetst theoretisch examenvak verloren gaat en dat diploma-inflatie zal optreden.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat een centraal examenvak daadwerkelijk kan worden
vervangen door dit praktijkgerichte vak zonder centraal examen? Welke gevolgen heeft
dit voor het totale aantal centraal-examenvakken dat havoleerlingen afleggen? Welke
effecten verwacht de Staatssecretaris voor de landelijke vergelijkbaarheid van het
havodiploma wanneer een deel van het profiel niet meer centraal wordt getoetst?
De leden van de PVV-fractie signaleren dat deze wijziging neerkomt op een fundamentele
verschuiving binnen het havo waarbij algemeen vormende onderdelen worden vervangen
door lokaal vormgegeven praktijkgerichte opdrachten. Deze leden vrezen dat dit feitelijk
een sluipende stelselwijziging is. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de gevolgen
van dit voorstel voor het karakter van het havo als algemeen vormende en op hoger
onderwijs voorbereidende richting? Erkent de Staatssecretaris dat dit voorstel een
structurele verandering van het stelsel impliceert?
De leden van de PVV-fractie hebben zorgen dat de invulling van het praktijkgerichte
vak sterk uiteen kan lopen tussen scholen. Deze leden vrezen pseudovakken, intern
verzonnen flutopdrachten en niveauverschillen die niet verenigbaar zijn met een landelijk
diploma. Welke landelijke kwaliteitskaders worden gehanteerd voor dit praktijkgerichte
vak? Hoe wordt de diepgang, complexiteit en betrouwbaarheid van de beoordeling geborgd?
Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat het vak oneigenlijk wordt gebruikt als relatief
eenvoudig alternatief voor theoretische profielvakken? Hoe wordt voorkomen dat scholen
willekeurige of laagdrempelige opdrachten inzetten die de waarde van het profiel aantasten?
De leden van de PVV-fractie merken op dat veel scholen nu al moeite hebben om stage-
en opdrachtplekken te vinden voor vmbo- en mbo-leerlingen. Deze leden betwijfelen of er voldoende partners zijn voor havo-opdrachten.
Is onderzocht of scholen regionaal voldoende externe opdrachtgevers kunnen vinden?
Wat gebeurt er wanneer scholen geen passende opdrachten kunnen organiseren? Hoe voorkomt
de Staatssecretaris dat dit leidt tot grote kwaliteitsverschillen tussen scholen,
afhankelijk van regionale mogelijkheden?
De leden van de PVV-fractie constateren dat LOB1 al verplicht is op het havo. Deze leden willen begrijpen hoe dit nieuwe vak zich
verhoudt tot de bestaande loopbaanoriëntatie. Is er sprake van overlap tussen het
praktijkgerichte vak en LOB-doelen? Verandert de rol van decanen of mentoren door
dit voorstel? Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat leerlingen te maken krijgen met
versnipperde LOB-structuren? Ligt het niet meer voor de hand een praktijkopdracht
bij LOB onder te brengen, bijvoorbeeld als onderdeel van een loopbaandossier?
De leden van de PVV-fractie constateren dat er in de stukken weinig staat over de
daadwerkelijke aansluiting op het hbo. Deze leden vinden het onduidelijk of hbo-opleidingen
hierbij gebaat zijn. Is grondig onderzocht of hbo-instellingen dit praktijkgerichte
vak geschikt achten als vervanging van een theoretisch profielvak? Zo ja, hoe, en
wat zijn de uitkomsten?
Wat betekent het vervallen van een centraal examenvak voor de voorbereiding op hbo-studies
die sterke theoretische basiskennis vereisen? Hoe wordt geborgd dat de aansluiting
op het hbo niet wordt verslechterd?
De leden van de PVV-fractie wijzen erop dat basisvaardigheden onder druk staan. Deze
leden vragen hoe dit praktijkgerichte vak zich verhoudt tot de noodzaak om taal, rekenen
en andere kernvaardigheden te versterken. Hoe wordt geborgd dat dit vak niet ten koste
gaat van aandacht voor basisvaardigheden? Op welke wijze monitort de Staatssecretaris
de invloed van dit vak op taal- en rekenontwikkeling van havoleerlingen en op het
algemene niveau van kennis, kunde en leerprestaties?
De leden van de PVV-fractie hebben zorgen over toezicht, juist omdat de inhoud en
kwaliteit van dit vak tussen scholen sterk kan verschillen. Hoe beoordeelt de Inspectie
van het Onderwijs de kwaliteit van dit praktijkvak binnen het bestaande inspectiekader?
Worden opdrachten, beoordelingen en eindproducten steekproefsgewijs gecontroleerd?
Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat dit vak wordt ingezet om slagingspercentages
te verhogen zonder daadwerkelijke kwaliteitsverbetering?
De leden van de PVV-fractie constateren dat het ontwerpbesluit weinig duidelijkheid
biedt over wie deze praktijkgerichte vakken gaat geven en begeleiden. Deze leden maken
zich zorgen dat dit vak kan worden ingezet als schijnoplossing voor het lerarentekort,
bijvoorbeeld door minder bevoegde docenten in te zetten of door onderwijsinhoud te
vervangen door opdrachtbegeleiding. Deze leden vragen zich af of dit vak daardoor
de facto een sluiproute kan vormen om onderwijs te blijven aanbieden met minder leraren
en minder vakinhoud. Kan de Staatssecretaris toelichten welke bevoegdheden of kwalificaties
nodig zijn om dit praktijkgerichte vak te geven en te begeleiden? Op welke wijze wordt
geborgd dat alleen voldoende gekwalificeerde docenten dit vak verzorgen? Hoe wordt
voorkomen dat scholen dit vak gebruiken om het lerarentekort op te vangen door minder
vakinhoudelijke lessen te geven en meer begeleidingsuren in te zetten? Kan de Staatssecretaris
uitsluiten dat dit vak uitmondt in een vorm van onderwijs die qua instructie en begeleiding
onder de norm ligt die in het havo wordt verwacht? Hoe wordt de werkbelasting van
docenten meegenomen, gezien de intensieve begeleiding die praktijkopdrachten kunnen
vereisen?
De leden van de PVV-fractie constateren dat scholen sterk verschillen in populatie,
docentencapaciteit en onderwijskwaliteit. Deze leden vrezen dat het praktijkgerichte
vak een perverse prikkel kan bieden voor scholen die moeite hebben om leerlingen op
niveau te houden en daardoor kan bijdragen aan het verder nivelleren van het havodiploma.
Met name scholen waar leerlingen al problemen hebben met leerprestaties zouden dit
vak kunnen inzetten om leerlingen eenvoudiger door het eindexamen te loodsen. Hoe
beoordeelt de Staatssecretaris het risico dat dit praktijkgerichte vak leidt tot verschillen
in diplomawaarde tussen scholen en regio’s? Is onderzocht of scholen met een kwetsbaardere
leerlingenpopulatie dit vak vaker zullen inzetten als vervanging van theoretische
vakken? Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat dit vak wordt gebruikt om havodiploma’s
gemakkelijker te behalen, zonder dat leerlingen daadwerkelijk het vereiste niveau
behalen? Op welke wijze wordt gemonitord of dit vak bijdraagt aan of juist afbreuk
doet aan kansengelijkheid binnen het funderend onderwijs? Wat zijn de uitkomsten en
vooruitzichten?
De leden van de PVV-fractie constateren dat het in de huidige praktijk al mogelijk
is een havodiploma te behalen zonder wiskunde en/of zonder een tweede vreemde taal.
De leden merken op dat door de introductie van praktijkgerichte vakken daar nu aan
wordt toegevoegd dat een verdiepend theoretisch vak in het profiel eveneens kan worden
vervangen door een praktijkgericht vak. De leden zien het risico dat hierdoor een
verder uitgekleed havodiploma ontstaat waarin zowel wiskunde als een tweede vreemde
taal ontbreken én waarin een praktijkvak in de plaats komt van een theoretisch profielvak.
De leden wijzen erop dat dit grote gevolgen kan hebben voor de doorstroom naar het
vwo2 en voor opleidingen in het hoger onderwijs die een stevige theoretische basis vragen.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het op dit moment al mogelijk is om een havodiploma
te behalen zonder wiskunde en zonder een tweede vreemde taal, en dat het voorliggende
voorstel het havodiploma verder kan uitkleden door vervanging van een theoretisch
profielvak door een praktijkgericht vak? Kan de Staatssecretaris toelichten welke
gevolgen een dergelijke verdere profieluitkleding heeft voor de doorstroom naar het
vwo? Hoe is de aansluiting van havoleerlingen met een praktijkgericht vak op het vwo
onderzocht en wat zijn de uitkomsten daarvan? Kan de Staatssecretaris bevestigen dat
de mogelijkheid tot stapelen van havo naar vwo een bijdrage levert aan kansengelijkheid?
Kan de Staatssecretaris uiteenzetten hoe het creëren van een verder uitgekleed havoprofiel,
met minder theoretische diepgang, de kansengelijkheid kan beïnvloeden?
De leden van de PVV-fractie constateren dat de praktijkgerichte havo zich inmiddels
al in een vergevorderd stadium bevindt doordat SLO3 grootschalige pilots heeft uitgezet op tientallen scholen, terwijl het parlement
pas in een laat stadium volledig betrokken raakt via een voorhangprocedure. Deze leden
hebben zorgen dat hierdoor feitelijke stelselwijzigingen plaatsvinden zonder dat de
Kamer in ieder stadium kan bijsturen. Zij merken op dat dit leidt tot een situatie
waarin scholen al massaal met een nieuwe vorm van onderwijs zijn begonnen, waardoor
terugdraaien of bijsturen praktisch onmogelijk lijkt. Kan de Staatssecretaris toelichten
hoe het mogelijk is dat zo’n omvangrijke wijziging in het havoprogramma in de praktijk
al is ingevoerd via pilots terwijl de Kamer pas in een voorhangprocedure inhoudelijk
wordt betrokken? Hoe beoordeelt de Staatssecretaris het risico dat de Kamer hiermee
de facto wordt geconfronteerd met een voldongen feit omdat scholen al grootschalig
met deze vorm van onderwijs werken? Op welke wijze wordt de democratische controle
gewaarborgd wanneer stelselwijzigingen in de praktijk al plaatsvinden voordat de Kamer
zich hierover in ieder stadium heeft kunnen uitspreken? Kan de Staatssecretaris aangeven
welke maatregelen hij bereid is te nemen om te voorkomen dat in de toekomst vergelijkbare
grote onderwijsveranderingen via langdurige pilotconstructies tot stand komen zonder
parlementaire betrokkenheid in ieder stadium? Hoe wordt in toekomstige trajecten geborgd
dat «checks and balances» behouden blijven en dat de Kamer reeds in een vroeg stadium
inzicht heeft in de volledige scope, impact, risico’s en richting van dergelijke beleidsveranderingen?
De leden van de PVV-fractie zien de beantwoording van de Staatssecretaris met belangstelling
tegemoet.
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorhang
ontwerpbesluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 in verband met de
mogelijkheid van het aanbieden van het praktijkgerichte vak in het havo en hebben
geen verdere vragen hierover.
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het
ontwerpbesluit dat regelt dat er praktijkgerichte vakken kunnen worden gegeven. Deze
leden moedigen deze ontwikkeling aan en hebben hierover verder geen vragen.
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie maken graag gebruik van de mogelijkheid om enkele vragen
te stellen over de voorhang ontwerpbesluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit
WVO 2020 in verband met de mogelijkheid van het aanbieden van het praktijkgerichte
vak in het havo.
De leden van de CDA-fractie lezen dat er met praktijkgerichte vakken vakoverstijgend
gewerkt kan worden. Dat lijkt deze leden een positieve ontwikkeling. Worden de «best-practices»
hiervan tussen scholen gedeeld?
Er zijn bij de internetconsultatie vragen gesteld over de kwaliteit. Is bekend of
er verschillen zijn in kwaliteit tussen middelbare scholen waar nu techniekonderwijs
op het havo wordt gegeven? Zo ja, wat zijn die verschillen? Zijn er nog externe partners
te vinden die mee willen doen of is dit in bepaalde regio’s in Nederland lastiger?
Inbreng van leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van het voornemen
om het havo de mogelijkheid te geven om een praktijkgericht vak aan te bieden en hebben
hierover nog de volgende vragen en enkele punten van zorg.
De leden van de JA21-fractie begrijpen dat scholen de praktijkgerichte vakken kunnen
toevoegen aan het onderwijsprogramma, ze zijn dat niet verplicht. Een leerling kan
ervoor kiezen het vak te volgen binnen een van de vier havoprofielen. Klopt het dat
het praktijkvak in dat geval ten koste gaat van een bestaand theoretisch vak? Sommige
«pilot-scholen» besteden nu vier dagen aan theorie en één dag aan praktijkgericht
onderwijs. Maar we weten dat de leerprestaties in het algemeen vormend onderwijs (lezen,
schrijven en rekenen) dalen. Op welke manier is minder algemeen vormend onderwijs
en meer praktijkonderwijs een antwoord op het probleem van de dalende prestaties?
De leden van de JA21-fractie constateren dat één op de zes scholieren in de tweede
klas van het voortgezet onderwijs geen eenvoudige, begrijpelijke teksten kan schrijven,
en een derde van onze vijftienjarigen niet in staat is om de krant of een brief van
de gemeente te begrijpen. Vandaar dat in de wet wordt vastgelegd dat het funderend
onderwijs meer aandacht moet hebben voor de basisvaardigheden lezen, schrijven en
rekenen. Hoe verhoudt deze wettelijke focus op basisvaardigheden zich tot het voornemen
om de praktijkgerichte programma’s als volwaardige schoolexamenvakken te verankeren
binnen het reguliere havo? Op welke manieren wordt ervoor gezorgd dat deze praktijkopdrachten
bij zouden dragen aan het ontwikkelen van deze vaardigheden?
De leden van de JA21-fractie lezen in de concept-memorie van toelichting dat de «wens
en verwachting» is dat veel scholen hiervoor zullen kiezen; acht de regering het wenselijk
dat alle scholen dit overnemen? Zijn er scholen waarvan bekend is dat ze hier geen
behoefte aan hebben?
Hoe wordt de kwaliteit gewaarborgd van het praktijkgerichte vak, gezien de vele vormen
en invullingen die het kan krijgen? In hoeverre wordt de kwaliteit van de praktijkgerichte
vakken afhankelijk van de inbreng van de externe partners? Hoe wordt de kwaliteit
gemonitord?
Is het voorzien dat leerlingen aan deze praktijkgerichte vakken vooral zelfstandig
zullen moeten werken? In hoeverre worden zij daarin begeleid door de docent? In welke
mate neemt door de introductie van de praktijkgerichte vakken het directe contact
en het aantal contacturen tussen de docenten en de leerlingen af? Moeten de docenten
voor dit soort begeleiding beschikken over een bevoegdheid?
Kan de regering voorbeelden geven van de invulling van praktijkgerichte vakken voor
elk van de diverse werkvelden van zowel het praktijkgerichte vak Technologie (van
culturele omgeving t/m leefomgeving) als het praktijkgerichte vak Maatschappij (van
economie tot onderwijs)?
Hoe verhoudt dit besluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit zich tot de bestaande
mogelijkheden in het havo om vakken aan te bieden en daarbij samenwerking te zoeken
met externe partners, bijvoorbeeld via het vak NLT4, waar dergelijke opdrachten al een rol spelen?
De leden van de JA21-fractie horen veel kritische geluiden van leraren in het voortgezet
onderwijs over de flexroosters. Hierbij bepalen leerlingen zelf een deel van hun rooster.
Vraagt de dalende lijn in prestaties die deze leden waarnemen niet juist om de garantie
dat elke leerling genoeg tijd heeft om te worden onderwezen in de basisvaardigheden
en voldoende te oefenen om die onder de knie te krijgen? Is het havo met andere woorden
niet eerder gebaat bij rust, regelmaat en een uniform lesrooster?
De leden van de JA21-fractie zien dat het praktijkvak wordt afgesloten met een schoolonderzoek
en niet centraal wordt geëxamineerd. In hoeverre zijn de prestaties bij deze schoolonderzoeken
te vergelijken en hoe wordt daar toezicht op gehouden? Bestaat hier een risico dat
praktijkonderwijs minder of niet serieus wordt genomen? En wat is het risico dat het
wordt gebruikt om leerlingen op een makkelijkere manier te laten slagen?
De leden van de JA21-fractie zien in de beslisnota bij de Kamerbrief dat de praktijkgerichte
vakken Maatschappij en Technologie wordt omschreven als vakken waarbij havoleerlingen
«verschillende levensechte en realistische opdrachten bij of voor externe opdrachtgevers
(bedrijven, instellingen of overheden) uitvoeren.» Is bekend in hoeverre bedrijven,
instellingen of overheden hieraan mee willen werken? Welke tijdsbelasting vraagt dit
van deze instellingen?
Op welke manier beïnvloeden deze praktijkgerichte vakken de mogelijkheden om eventueel
door te stromen naar het vwo? Hoe worden leerlingen geïnformeerd over de gevolgen?
De leden van de JA21-fractie zijn benieuwd naar de onderwijskundige onderbouwing van
het plan.
De leden van de JA21-fractie weten dat bij het vinden van stageplaatsen voor zogenoemde
«snuffelstages» de netwerken van de ouders een grote rol spelen. Hoe zwaar wegen de
contacten en de maatschappelijke positie van ouders straks bij dit praktijkonderwijs?
De leden van de JA21-fractie vernamen dat onder begeleiding van SLO nu 240 scholen
met praktijkvakken op het havo werken. De bedoeling is om vanaf schooljaar 2026/2027
de praktijkgerichte vakken Maatschappij en Technologie te verankeren in wet- en regelgeving
zodat havo-scholen de examenvakken dan vanaf 2026/2027 vrijwillig aanbieden aan leerlingen.
Heeft u een idee over de animo om dit te doen bij de scholen die nog geen praktijkonderwijs
aanbieden?
De leden van de JA21-fractie zien dat voor praktijkonderwijs vanaf 2027 € 41 miljoen
is gereserveerd op de OCW-begroting. In de berekening is uitgegaan van aanvullende
bekostiging voor alle leerlingen in de havo bovenbouw, ter hoogte van het bedrag per
leerling (€ 358,61) per leerling van de gemengde leerweg. Waar is dit geld precies
voor bestemd?
De leden van de JA21-fractie vragen zich af in hoeverre een «verankering van het praktijkgerichte
vak» een taakverzwaring betekent voor het personeel van scholen die besluiten hieraan
mee te doen.
De leden van de JA21-fractie zien de beantwoording van de Staatssecretaris met belangstelling
tegemoet.
Inbreng van leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging
van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 in verband met de mogelijkheid van het aanbieden
van het praktijkgerichte vak in het havo. Deze leden hebben hierover de volgende opmerkingen
en vragen aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
De leden van de BBB-fractie zien dit ontwerpbesluit als een belangrijke stap om het
havo aantrekkelijker en toekomstbestendiger te maken. Het toevoegen van praktijkgerichte
vakken sluit aan bij de behoefte van leerlingen aan meer praktisch en levensecht leren
en draagt bij aan een betere aansluiting op het hbo. Dit is in lijn met de inzet van
de leden voor onderwijs dat aansluit bij de arbeidsmarkt en regionale kansen.
Het besluit maakt het aanbieden van praktijkgerichte vakken vrijwillig. Hoe wordt
geborgd dat deze vakken niet alleen op grote stedelijke scholen worden ingevoerd,
maar ook op kleinere scholen in dorpen en regio’s? Wordt er een stimuleringsregeling
voorzien om regionale spreiding te bevorderen?
Daarnaast blijkt uit de internetconsultatie dat er brede steun is voor praktijkgerichte
vakken binnen het havo en dat meerdere respondenten zelfs pleiten voor een verplicht
schoolexamenvak. Is het niet beter om deze praktijkgerichte vakken verplicht te maken,
juist om te voorkomen dat leerlingen in bepaalde regio’s achterblijven, zo vragen
de leden van de BBB-fractie. Hoe weegt de Staatssecretaris deze oproep uit de consultatie,
waarin ook wordt benadrukt dat het vak leerlingen beter voorbereidt op vervolgonderwijs,
studiekeuze en het voorkomen van uitval, en dat het vak vakoverstijgend werken stimuleert?
Ook bevat het ontwerpbesluit een inspanningsverplichting tot samenwerking met regionale
arbeidsmarktpartijen en hbo-instellingen. Hoe wordt deze samenwerking concreet ondersteund?
Komt er een handreiking of structurele ondersteuning voor scholen om deze netwerken
op te bouwen?
Verder is er € 41 miljoen structureel gereserveerd. Hoe wordt voorkomen dat deze middelen
vooral bij grote onderwijsinstellingen terechtkomen? Wordt er een verdeelsleutel toegepast
die kleinschalige initiatieven in de regio’s ondersteunt?
Tot slot benadrukken de leden van de BBB-fractie dat deze koerswijziging niet mag
verzanden in verkenningen zonder concrete resultaten. Het is van groot belang dat
scholen in alle regio’s daadwerkelijk kunnen starten met praktijkgerichte vakken zodat
leerlingen beter voorbereid zijn op hun vervolgopleiding en de arbeidsmarkt.
Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het ontwerpbesluit
van de Staatssecretaris zodat het praktijkgerichte vak in het havo kan worden aangeboden.
Deze leden zien dat er veel behoefte is bij scholen en leerlingen voor dit vak en
juichen deze mogelijkheid dan ook toe. Zij hebben nog enkele vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de Staatssecretaris met dit ontwerpbesluit
volledig voldoet aan de wensen van scholen die een vorm van techniekhavo aanbieden.
Deze leden kennen bijvoorbeeld ook scholen die al in de onderbouw uitgebreid techniekonderwijs
aanbieden. Kan de Staatssecretaris uiteenzetten welke verdere wensen in relatie tot
de praktijkhavo en techniekhavo er bij scholen leven? Kan hij vervolgens toelichten
of, en zo ja, op welke manier hij bereid is om deze wensen juridisch en financieel
mogelijk te maken? Mocht de Staatssecretaris niet op de hoogte zijn van andere wensen,
is hij dan bereid dit te inventariseren bij deze voorlopers van de techniekhavo?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de uitwerking van de € 3 miljoen
structureel die beschikbaar is voor de techniekhavo dankzij amendement-Bontenbal c.s.5 Is de verwachting dat dit bedrag volledig kan worden ingezet, zowel dit jaar als
volgend jaar? Is tevens al uitgewerkt hoe deze middelen vanaf 2027 kunnen worden ingezet?
Kan de Staatssecretaris delen welke opties hiertoe worden uitgedacht?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Staatssecretaris uiteen te zetten wat
hij verwacht van het animo van leerlingen voor keuzevakken als NLT, O&O6 en BSM7. Denkt hij dat die vakken minder leerlingen zullen trekken en dat er daarmee ook
minder leerlingen een studie of lerarenopleiding in die richting zullen gaan doen?
Verwacht hij daarnaast dat er een financiële prikkel voor scholen kan zijn om de genoemde
vakken te schrappen ten gunste van een praktijkgericht vak havo, omdat scholen voor
de laatste extra subsidie krijgen maar voor de eerste niet? Zo ja, op welke manier
wil de Staatssecretaris dit voorkomen? Zo nee, waarom verwacht hij dit niet?
II Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
De regering dankt de leden van de fracties van D66, PVV, VVD, GroenLinks-PvdA, CDA,
JA21, BBB en CU voor de getoonde belangstelling in het voorliggend ontwerpbesluit.
Hierna zal de regering fractiegewijs ingaan op de gestelde vragen. De vragen van de
leden zijn hieronder geparafraseerd, cursief, weergeven.
PVV
De leden van de PVV-fractie constateren dat het praktijkgerichte vak (in de grote
variant) een profielkeuzevak (gedeeltelijk of geheel) kan vervangen en volledig via
een schoolexamen wordt afgesloten. Deze leden maken zich zorgen dat hiermee een centraal
getoetst theoretisch examenvak verloren gaat en dat diploma-inflatie zal optreden.
Het praktijkgerichte vak kan inderdaad een vak binnen het keuzedeel van het profiel
vervangen. Dat kan zowel een vak zijn dat met een school- en een centraal examen wordt
afgesloten, als een vak dat alleen met een schoolexamen wordt afgesloten. Dit sluit
aan bij de bestaande systematiek, waarbij sommige vakken alleen met een schoolexamen
worden afgesloten. Er kunnen geen verplichte profielvakken worden vervangen door het
praktijkgerichte vak. Het verschilt per havo-leerling hoeveel vakken met een centraal
examen worden getoetst. De meeste vakken worden geëxamineerd met zowel een school-
als een centraal examen, maar er zijn ook vakken die vanwege de inhoud of de bedoeling
van het vak met enkel een schoolexamen worden afgesloten. Het totaal aantal vakken
dat een havo-leerling afsluit met een centraal examen hangt daarom af van het profiel
en de keuzes die een leerling daarbinnen maakt.
De leden van de PVV-fractie vragen voorts welke effecten verwacht worden voor de landelijke
vergelijkbaarheid van het havodiploma wanneer een deel van het profiel niet meer centraal
wordt getoetst?
Er worden geen merkbare effecten op de vergelijkbaarheid van het havo-diploma verwacht.
De wijze van afsluiting van de praktijkgerichte vakken sluit aan bij de bestaande
systematiek dat sommige vakken binnen het eindexamenprogramma met alleen een schoolexamen
worden afgesloten, zoals de examenvakken informatica, wiskunde D en natuur, leven
en technologie (NLT).
De leden van de PVV-fractie signaleren dat deze wijziging neerkomt op een fundamentele
verschuiving binnen het havo waarbij algemeen vormende onderdelen worden vervangen
door lokaal vormgegeven praktijkgerichte opdrachten. Deze leden vrezen dat dit feitelijk
een sluipende stelselwijziging is. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de gevolgen
van dit voorstel voor het karakter van het havo als algemeen vormende en op hoger
onderwijs voorbereidende richting?
Dit voorstel past goed bij het algemeen vormende karakter van het havo en de voorbereiding
op het hbo. De voorbereiding op het hbo vraagt van havoleerlingen dat zij beschikken
over een kennisbasis die ontleend is aan zowel toegepaste als theoretische contexten
en dat zij in staat zijn die kennisbasis en vaardigheden toe te passen in verschillende
praktijken. Er valt in die voorbereiding juist winst te behalen. Met deze nieuwe vakken
worden leerlingen kennis, vaardigheden en competenties aangeleerd die de aansluiting
op het hbo bevorderd. Dat is ook de reden dat de Vereniging van Hogescholen (hierna:
VH) vanaf de start betrokken is bij de ontwikkeling van het praktijkgerichte vak en
hbo-instellingen graag willen samenwerken met scholen bij het inrichten en het uitvoeren
van het praktijkgerichte havo. De hbo-sector is een stevige aanjager van deze ontwikkeling.
De leden van de PVV-fractie vragen voorts of de Staatssecretaris erkent dat dit voorstel
een structurele verandering van het stelsel impliceert?
Het voorstel impliceert geen structurele verandering van het onderwijsstelsel. Er
verandert niets aan de profielen en bijbehorende vakkenpakketten van het havo. Er
worden enkel twee schoolexamenvakken, het praktijkgerichte vak Maatschappij (pgp-M)
en praktijkgerichte vak Technologie (pgp-T), in twee varianten (een grote variant
van 360 studielasturen (hierna: SLU) en een kleine variant van 120 SLU) geïntroduceerd.
De leden van de PVV-fractie hebben zorgen dat de invulling van het praktijkgerichte
vak sterk uiteen kan lopen tussen scholen. Deze leden vrezen pseudovakken, intern
verzonnen flutopdrachten en niveauverschillen die niet verenigbaar zijn met een landelijk
diploma. welke landelijke kwaliteitskaders worden gehanteerd voor dit praktijkgerichte
vak? Hoe wordt de diepgang, complexiteit en betrouwbaarheid van de beoordeling geborgd? Stichting Leerplanontwikkeling (hierna: SLO) heeft samen met een groeiende groep
van inmiddels 240 havo-scholen examenprogramma’s met eindtermen opgesteld en in de
praktijk beproefd.8 Deze examenprogramma’s worden dit voorjaar vastgelegd in de Regeling examenprogramma’s
voortgezet onderwijs, net zoals nu ook het geval is voor de overige examenvakken.
Daarmee is het vak hetzelfde geborgd als ieder ander vak in het onderwijsaanbod. De
examenprogramma’s zijn het uitgangspunt voor iedere school, Een school zet het examenprogramma,
een landelijk vastgesteld document met daarin de eindtermen van het vak, om in een
programma van toetsing en afsluiting (PTA). In het PTA geeft de school aan hoe alle
eindtermen worden gedekt door de toetsing. Het bijbehorende onderwijs- en toetsprogramma
dient daar vervolgens op aan te sluiten. Scholen moeten immers alle eindtermen van
het examenprogramma van het praktijkgerichte vak aan de orde laten komen en deze ook
toetsen. Hier zijn zij ook bij ondersteund via uitwisseling met andere scholen tijdens
bijeenkomsten en scholingsmodules. Het is de intentie deze scholing en uitwisseling
voort te zetten na de pilot. Tot slot maakt het onderdeel uit van het inspectietoezicht
of de toetsing op orde is.
De diepgang, complexiteit van het vak is geborgd door het landelijk vast te stellen
examenprogramma en de betrouwbaarheid van de beoordeling is geborgd, doordat scholen
inzichtelijk moeten maken hoe alle eindtermen behandeld en getoetst worden.
Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie hoe voorkomen wordt dat het vak oneigenlijk
wordt gebruikt als relatief eenvoudig alternatief voor theoretische profielvakken?
hoe wordt voorkomen dat scholen willekeurige of laagdrempelige opdrachten inzetten
die de waarde van het profiel aantasten?
Er kunnen geen verplichte profielvakken worden vervangen door het praktijkgerichte
vak. De kleine variant is geschreven voor 120 SLU en zal onderdeel uitmaken van het
combinatiecijfer. Het vervangt geen ander vak en komt bovenop de verplichte en al
gekozen vakken in het profiel. De vakken in de grote variant zijn geschreven voor
360 SLU en kunnen als profielkeuzevak worden aangeboden (pgp-T bij de profielen Natuur
& Techniek en Natuur & Gezondheid, pgp-M bij Cultuur & Maatschappij en Economie &
Maatschappij) of desgewenst in het vrije deel van alle profielen in het havo. Deze
vakken vervangen geen verplichte profielvakken. Bovendien is er in praktijk sprake
van veel cross-overs tussen de meer theoretische profielvakken en praktijkgerichte
vakken. Dit zorgt voor verdieping en verbreding van de theorie, waardoor leerlingen
de in ander vakken opgedane kennis verrijken en beter onthouden. Het wordt daardoor
in de praktijk in de meeste gevallen juist ervaren als een versteviging van het havo.
Er is geen reden om aan te nemen dat er willekeurige of laagdrempelige opdrachten
ingezet worden die de waarde van het profiel aantasten. Net als bij alle vakken met
een schoolexamen wordt de inhoud en kwaliteit geborgd door de landelijk vastgestelde
eindtermen. Scholen zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van het schoolexamen.
Scholen hebben bewezen dat ze met die verantwoordelijkheid heel goed kunnen omgaan
in de andere vakken waar alleen een schoolexamen aan verbonden is. Er is geen enkele
aanleiding om aan te nemen dat dit voor het praktijkgerichte vak anders zal zijn.
Daarnaast worden ze voor dit specifieke vak ondersteund via de toegang tot een scholingstraject,
dat onder andere gericht is op het vormgeven van een goede praktijkopdracht. Bovendien
houdt de Inspectie van het Onderwijs (hierna: Inspectie) toezicht op de kwaliteit
van het onderwijs op scholen.
De leden van de PVV-fractie merken op dat veel scholen nu al moeite hebben om stage-
en opdrachtplekken te vinden voor vmbo- en mbo-leerlingen. Deze leden betwijfelen
of er voldoende partners zijn voor havo-opdrachten. is onderzocht of scholen regionaal
voldoende externe opdrachtgevers kunnen vinden? Wat gebeurt er wanneer scholen geen
passende opdrachten kunnen organiseren?
Tijdens de pilot is door SLO gemonitord op de bruikbaarheid, consistentie en relevantie
van de examenprogramma’s. SLO heeft vragen over externe opdrachtgevers meegenomen
in de halfjaarlijkse vragenlijsten aan scholen in het kader van de monitoring. Scholen
geven aan veel samen te werken met externe opdrachtgevers en lijken dus voldoende
opdrachtgevers te kunnen vinden, zeker wanneer scholen in de regio onderling samenwerken.
Ook kan worden samengewerkt met het vervolgonderwijs in de regio. Ik zie dat hbo-instellingen
steeds vaker met havo-scholen samenwerken en hun netwerk ter beschikking stellen.
Scholen die praktijkgerichte vakken aanbieden wordt geadviseerd vroeg te starten met
het opbouwen van een netwerk en/of aansluiting te zoeken bij bestaande netwerken in
de regio. Het kan echter voorkomen dat, als een school in de opstartfase van het vak
geen opdrachtgever kan vinden, de school(leiding) of betrokken hbo-instelling als
opdrachtgever fungeert. In die gevallen kan een school toch een passende opdracht
organiseren.
De leden vragen daarnaast mij hoe voorkomen wordt dat dit leidt tot kwaliteitsverschillen
tussen scholen, afhankelijk van regionale mogelijkheden.
Een school heeft veel vrijheid om de opdrachten met lokale en regionale samenwerkingspartners
vorm te geven. Opdrachten van het praktijkgerichte vak kunnen door scholen op verschillende
manieren worden ingevuld, passend bij de regio en zijn gericht op het niveau en de
mogelijkheden van havoleerlingen. De regionale mogelijkheden zijn juist de kracht
van dergelijke schoolexamenvakken. Evenwel leidt dit in de basis niet tot kwaliteitsverschillen
ten aanzien van het gegeven vak. Voor het vak gelden landelijk vastgestelde eindtermen.
Dat houdt in dat scholen moeten zorgen dat in het onderwijs en de toetsing alle eindtermen
aan de orde komen. Daarmee wordt de kwaliteit geborgd. De inhoud van de opdrachten
kan natuurlijk verschillen, maar de inhoud van de kennis, inzichten en vaardigheden
die een leerling op moet doen is hetzelfde.
De leden van de PVV-fractie constateren dat LOB al verplicht is op het havo. Deze
leden willen begrijpen hoe dit nieuwe vak zich verhoudt tot de bestaande loopbaanoriëntatie.
Is er sprake van overlap tussen het praktijkgerichte vak en LOB-doelen?
Het praktijkgerichte vak en loopbaanoriëntatie- en begeleiding (hierna: LOB) versterken
elkaar. LOB is een onderdeel van het praktijkgerichte vak. De schoolbrede bestaande
LOB-doelen worden daarmee gekoppeld aan betekenisvolle, contextrijke situaties, zoals
die van het praktijkgerichte vak. Zo worden er minder losse LOB-onderdelen naast het
onderwijsprogramma aangeboden en leren leerlingen veel meer over zichzelf en de praktijk
via levensechte opdrachten in een schoolexamenvak.
De leden van de PVV-fractie vragen verder of de rol van decanen of mentoren door dit
voorstel verandert.
De rol van decanen en mentoren verandert niet door de introductie van dit vak. Het
vak levert concrete ervaringen op die decanen en mentoren kunnen gebruiken in hun
loopbaangesprekken met de leerlingen. Door de praktijkgerichte vakken kunnen meer
momenten ontstaan om met leerlingen in gesprek te gaan over wie ze zijn, wat ze kunnen
en welk vervolg op gebied van studie en werk bij ze past. Op veel scholen zijn decanen
daarnaast ook betrokken bij de ontwikkeling van praktijkgerichte vakken, om het LOB
onderdeel goed neer te zetten.
De fractieleden van de PVV vragen hoe voorkomen wordt dat leerlingen te maken krijgen
met versnipperde LOB-structuren? Ligt het niet meer voor de hand een praktijkopdracht
bij LOB onder te brengen, bijvoorbeeld als onderdeel van een loopbaandossier?
Versnippering wordt voorkomen doordat leerlingen praktijkervaringen opdoen binnen
de al bestaande LOB-structuren. Het praktijkgerichte vak biedt een concrete ervaringsplek
en de LOB-schoolstructuren zorgen als basis voor reflectie (wie ben ik), verdieping
(wat kan ik), en verbinding (vervolgonderwijs/arbeidsmarkt) over de opgedane ervaringen.
Dat kan dus bij uitstek in een praktijkgericht vak. Bovendien richt iedere school
LOB op een verschillende manier in, omdat daar geen landelijke kaders voor zijn ontwikkeld.
Het praktijkgerichte vak en het schoolbrede LOB kunnen elkaar op deze manier versterken.
De ervaringen uit het praktijkgerichte havo-vak zijn een verrijking voor de loopbaanervaring
van de leerling, die dit vervolgens kan opnemen in zijn loopbaandossier. Het biedt
leerlingen en begeleiders een moment van reflectie en afronding, doordat ervaringen
en keuzes van leerlingen overzichtelijk samenkomen in een dossier.
De leden van de PVV-fractie constateren dat er in de stukken weinig staat over de
daadwerkelijke aansluiting op het hbo. Deze leden vinden het onduidelijk of hbo-opleidingen
hierbij gebaat zijn. Is grondig onderzocht of hbo-instellingen dit praktijkgerichte
vak geschikt achten als vervanging van een theoretisch profielvak? zo ja, hoe, en
wat zijn de uitkomsten?
De VH is vanaf de start betrokken bij de ontwikkeling van het vak en dat geldt inmiddels
ook voor alle hbo-instellingen. Hbo-instellingen willen graag samenwerken met scholen
bij het inrichten en het uitvoeren van het praktijkgerichte vak.
Voorbereiding op het hbo vraagt om een kennisbasis die ontleend is aan zowel toegepaste
als wetenschappelijke contexten en om het kunnen toepassen van die kennisbasis en
vaardigheden in verschillende praktijken. Er valt in die voorbereiding juist winst
te behalen. Met deze nieuwe vakken worden leerlingen kennis, vaardigheden en competenties
aangeleerd die de aansluiting op het hbo bevorderd. De VH en de hbo-instellingen staan
positief ten opzichte van deze ontwikkeling.
De fractieleden van de PVV vragen verder wat het vervallen van een centraal examenvak
betekent voor de voorbereiding op hbo-studies die sterke theoretische basiskennis
vereisen? hoe wordt geborgd dat de aansluiting op het hbo niet wordt verslechterd?
De vorm van de examinering zegt iets over op welke wijze de kennis en vaardigheden
van een leerling in beeld worden gebracht, niet over de kennis die een leerling heeft
opgedaan en hoe goed een leerling is voorbereid op het vervolgonderwijs.
Hbo-opleidingen kunnen, wanneer relevant, nadere vooropleidingseisen stellen aan aspirant-studenten
om toegelaten te worden tot de opleiding. Zo kunnen bijvoorbeeld opleidingen waarvoor
bepaalde wiskundige kennis nodig is het vak wiskunde B verplicht stellen. Dit besluit
verandert hier niets aan. Het staat hbo-opleidingen vrij om na te gaan of er nadere
vooropleidingseisen aan de toelating gesteld moeten worden. De verwachting is dat
het praktijkgerichte vak de aansluiting op hbo-opleidingen zal verbeteren. Leerlingen doen bij de praktijkgerichte vakken namelijk
al meer ervaring op met de manier van werken in het hbo en maken kennis met diverse
hbo-opleidingen, waardoor de verwachting is dat ze beter voorbereid zullen starten
aan een vervolgopleiding.
De leden van de PVV-fractie wijzen erop dat basisvaardigheden onder druk staan. Deze
leden vragen hoe dit praktijkgerichte vak zich verhoudt tot de noodzaak om taal, rekenen
en andere kernvaardigheden te versterken. Hoe wordt geborgd dat dit vak niet ten koste
gaat van aandacht voor basisvaardigheden?
Ook in het praktijkgerichte vak wordt gewerkt aan de basisvaardigheden. Zo zullen
er eindtermen in de examenprogramma’s gewijd worden aan basisvaardigheden. Voor het
succesvol afronden van een opdracht voor een externe opdrachtgever is glasheldere
communicatie nodig (taal) en vaak ook bepaalde rekenkundige bewerkingen als verhoudingen
voor een product of het maken van een begroting (rekenen). Ook wordt er praktijk regelmatig
de koppeling gelegd met het profielwerkstuk en het praktijkgerichte vak, waarbij dus
ook echt een beroep wordt gedaan op de ontwikkeling van de basisvaardigheden.
Ik blijf daarnaast op landelijk niveau onverminderd de volle aandacht houden voor
het verbeteren van de basisvaardigheden. Dat doe ik onder andere via het Masterplan
basisvaardigheden, het Groeifondsprogramma Ontwikkelkracht, het doorontwikkelen van
NRO tot een Nationaal Kennisinstituut Onderwijs en het beschikbaar stellen van Expertisepunten
voor de basisvaardigheden.
De leden van de PVV-fractie vragen vervolgens op welke wijze de invloed van dit vak
op taal- en rekenontwikkeling van havoleerlingen en op het algemene niveau van kennis,
kunde en leerprestaties wordt gemonitord.
Net zoals nu blijven de taal- en rekenontwikkeling van havoleerlingen grondig gemonitord,
zowel in nationale als internationale peilingsonderzoeken. Daarnaast worden de cijfers
van het praktijkgerichte vak geregistreerd en gemonitord.
De leden van de PVV-fractie hebben zorgen over toezicht, juist omdat de inhoud en
kwaliteit van dit vak tussen scholen sterk kan verschillen. Hoe beoordeelt de Inspectie
van het Onderwijs de kwaliteit van dit praktijkvak binnen het bestaande inspectiekader?
Worden opdrachten, beoordelingen en eindproducten steekproefsgewijs gecontroleerd?
De Inspectie ziet toe op de kwaliteit van het onderwijs, inclusief het onderwijsaanbod,
de kwaliteit van de lessen en de wijze van examinering. Het toezicht op het praktijkgerichte
vak wordt in die zin niet anders bekeken dan het toezicht op de andere examenvakken.
Als er aanleiding toe is, kan de school bevraagd worden op de kwaliteit van het onderwijsaanbod
of de wijze van examinering. Ook in themaonderzoeken kan een school bevraagd worden
op deze kwaliteit. Dit geldt dus ook voor praktijkgerichte vakken.
De fractieleden van de PVV vragen verder hoe voorkomen wordt dat dit vak door scholen
wordt ingezet om slagingspercentages te verhogen zonder daadwerkelijke kwaliteitsverbetering.
De kwaliteit van het praktijkgerichte vak is kwalitatief en kwantitatief geborgd.
Er ligt een grondig en uitdagend examenprogramma aan ten grondslag dat inmiddels is
beproefd op meer dan tweehonderd scholen. Dat biedt de kwalitatieve verplichte basis
voor scholen die met dit vak willen werken. Dit examenprogramma is in de grote variant
daarbij ontworpen op basis van 360 SLU, wat vergelijkbaar is met andere vakken. Hierdoor
is het examenprogramma zowel kwalitatief als kwantitatief op niveau en zijn er geen
signalen dat dit vak wordt ingezet om slagingspercentages te verbeteren.
De leden van de PVV-fractie vragen om toe te lichten welke bevoegdheden of kwalificaties
nodig zijn om dit praktijkgerichte vak te geven en te begeleiden? Op welke wijze wordt
geborgd dat alleen voldoende gekwalificeerde docenten dit vak verzorgen?
Door middel van een aanpassing van de Regeling conversietabel getuigschriften en vakken
VO wordt mogelijk gemaakt dat het praktijkgerichte vak gegeven kan worden door een
docent die bevoegd is voor de bovenbouw van het havo (oftewel eerstegraads docenten).
De verwachting is dat de schoolleiding docenten zal stimuleren extra scholing te volgen.
Het bestuur van een school is eindverantwoordelijk voor het inzetten van bekwaam en
bevoegd personeel en kan hierop door de Inspectie aangesproken worden.
Tevens vragen de leden hoe wordt voorkomen dat scholen dit vak gebruiken om het lerarentekort
op te vangen door minder vakinhoudelijke lessen te geven en meer begeleidingsuren
in te zetten.
Er zijn geen signalen dat scholen dit vak gebruiken om het lerarentekort op te vangen.
Tijdens het doorontwikkeltraject bleek dat scholen juist heel bewuste keuzes hebben
gemaakt over welke docenten zij op dit vak zetten. Het zijn over het algemeen stevige
en bevlogen docenten, die bereid zijn om veel tijd in de ontwikkeling en het aanbieden
van het vak te steken en bovendien bereid zijn om zichzelf te scholen om zich nader
te bekwamen. Lesgeven in een praktijkgericht vak vraagt andere vaardigheden, zoals
coachvaardigheden, het vormgeven en begeleiden van opdrachten en het opbouwen en onderhouden
van een netwerk. De ontwikkelde scholing sluit daarop aan en blijft ook na de pilot
beschikbaar (en wordt nader uitgebouwd).
De leden van de PVV-fractie vragen voorts of uitgesloten kan worden dat dit vak uitmondt
in een vorm van onderwijs die qua instructie en begeleiding onder de norm ligt die
in het havo wordt verwacht.
De regering ziet geen enkele aanleiding om aan te nemen dat ten aanzien van dit vak
een dergelijke ontwikkeling zich zal voordoen. Bovendien is de regering van mening
dat er voldoende borgen in het systeem zitten om dit te voorkomen.
Tevens vragen de leden van de PVV-fractie zich af hoe de werkbelasting van docenten
wordt meegenomen, gezien de intensieve begeleiding die praktijkopdrachten kunnen vereisen.
Het is de intentie dat scholen met een praktijkgerichte havo structureel een hogere
bekostiging krijgen vanaf kalenderjaar 2027. Daarmee wordt onder andere rekening gehouden
met de intensievere manier van lesgeven. De bekostiging zal worden uitgewerkt per
ministeriële regeling. Met deze extra middelen kan ook de mogelijke extra werkbelasting
worden ondervangen.
De leden van de PVV-fractie constateren dat scholen sterk verschillen in populatie,
docentencapaciteit en onderwijskwaliteit. Deze leden vrezen dat het praktijkgerichte
vak een perverse prikkel kan bieden voor scholen die moeite hebben om leerlingen op
niveau te houden en daardoor kan bijdragen aan het verder nivelleren van het havodiploma.
Met name scholen waar leerlingen al problemen hebben met leerprestaties zouden dit
vak kunnen inzetten om leerlingen eenvoudiger door het eindexamen te loodsen. Hoe
beoordeelt de Staatssecretaris het risico dat dit praktijkgerichte vak leidt tot verschillen
in diplomawaarde tussen scholen en regio’s?
Zoals eerder gezegd is het praktijkgerichte vak van een vergelijkbare omvang (kwantitatief)
en zwaarte (kwalitatief) als andere vakken op het havo. Dat zijn zowel vakken die
door een centraal examen worden afgesloten als vakken die met een schoolexamen worden
afgesloten zoals bijvoorbeeld natuur, leven en technologie (NLT), onderzoek & ontwerpen
(O&O), informatica en bewegen, sport en maatschappij (BSM). Er ontstaat dus geen verschil
in diplomawaarde tussen scholen en regio’s.
De leden van de PVV-fractie vragen zich af of is onderzocht of scholen met een kwetsbaardere
leerlingenpopulatie dit vak vaker zullen inzetten als vervanging van theoretische
vakken.
In de 240 scholen die meedoen aan de pilot praktijkgerichte havo is sprake van een
behoorlijk representatieve groep scholen met betrekking tot regionale spreiding en
scholen met een kwetsbare of minder kwetsbare populatie. Er is dus veel interesse,
en zeker niet alleen van scholen met een kwetsbaardere leerlingenpopulatie.
De leden vragen verder hoe voorkomen wordt dat dit vak wordt gebruikt om havodiploma’s
gemakkelijker te behalen, zonder dat leerlingen daadwerkelijk het vereiste niveau
behalen?
Zoals aangegeven in antwoord op een eerdere vraag van de leden van de PVV-fractie
is het praktijkgerichte vak van een vergelijkbare omvang (kwantitatief) en zwaarte
(kwalitatief) als andere vakken op het havo. Daardoor wordt bij het halen van dit
vak ook het juiste (havo)niveau behaald.
De leden van de PVV-fractie vragen op welke wijze wordt gemonitord of dit vak bijdraagt
aan of juist afbreuk doet aan kansengelijkheid binnen het funderend onderwijs. Wat
zijn de uitkomsten en vooruitzichten?
Kansengelijkheid hangt van veel zaken af. Of alle leerlingen voldoende de basisvaardigheden
meekrijgen, of er voldoende ondersteuning is voor leerlingen die dat niet van huis
uit meekrijgen, of alle leerlingen voldoende studiesucces hebben (lage uitval en switchgedrag)
en nog veel meer zaken. Al deze zaken worden gemonitord, onder andere via het Masterplan
basisvaardigheden. Ook de invoering van het vak wordt de komende jaren gemonitord.
De monitoring zal zich vooral richten op de manier waarop scholen het vak implementeren
en de doorstroom van de leerlingen naar het vervolgonderwijs.
De verwachting is dat de praktijkgerichte vakken een positief effect hebben op de
voorbereiding voor en de overstap naar het hbo en op de motivatie van havisten. Daarnaast
bieden de praktijkgerichte vakken voor veel leerlingen een kans om juist meer te doen
met praktijkgerichte vaardigheden, die bij andere reguliere vakken niet altijd aan
bod komen. De verwachting is dat het creëren van een breder aanbod uiteindelijk meer
recht doet aan de capaciteiten en talenten van alle leerlingen.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Staatssecretaris kan bevestigen dat het op
dit moment al mogelijk is om een havodiploma te behalen zonder wiskunde en zonder
een tweede vreemde taal en dat het voorliggende voorstel het havodiploma verder kan
uitkleden door vervanging van een theoretisch profielvak door een praktijkgericht
vak?
Leerlingen met de profielen N&G, N&T en E&M zijn verplicht om wiskunde te volgen,
en zijn niet verplicht om een tweede vreemde taal te volgen. Leerlingen met het profiel
C&M zijn verplicht om een tweede vreemde taal te volgen. Momenteel zijn zij niet verplicht
om het vak wiskunde te kiezen.
Het is dus niet mogelijk om op het havo een profiel te volgen zonder wiskunde of een
tweede moderne vreemde taal. Het introduceren van het praktijkgerichte vak zie ik
dan ook niet als een uitkleding, maar als een verrijking van het havo.
De leden van de PVV-fractie vragen om toe te lichten welke gevolgen een dergelijke
verdere profieluitkleding – door het vervangen van een theoretisch profielvak door
een praktijkgericht vak – heeft voor de doorstroom naar het vwo? Hoe is de aansluiting
van havoleerlingen met een praktijkgericht vak op het vwo onderzocht en wat zijn de
uitkomsten daarvan?
In de pilot is niet specifiek onderzocht of er verschillen zijn in de aansluiting
van havo naar vwo tussen scholen met een praktijkgericht vak en zonder praktijkgericht
vak. Algemeen geldt dat van de leerlingen die slagen voor het havo ongeveer 80% naar
het hbo gaat en ongeveer 5% naar het vwo gaat. Het praktijkgerichte vak is een profielkeuzevak
dat leerlingen beter voorbereid op het hbo en diens aanliggende arbeidsmarkt. Echter,
de vaardigheden die daar worden geleerd – zoals samenwerken, organiseren, plannen,
presenteren, productontwerp, communicatie – worden ook gevraagd bij veel vakken op
het vwo. Daarbij is het zo dat het praktijkgerichte vak een profielkeuzevak is. Leerlingen worden niet verplicht om het praktijkgerichte vak te volgen, maar
kunnen ook een ander profielkeuzevak kiezen.
Vervolgens vragen de fractieleden van de PVV om te bevestigen dat de mogelijkheid
tot stapelen van havo naar vwo een bijdrage levert aan kansengelijkheid. Zij vragen
daarbij om uiteen te zetten hoe het creëren van een verder uitgekleed havoprofiel,
met minder theoretische diepgang, de kansengelijkheid kan beïnvloeden.
Het klopt dat een soepele aansluiting tussen schoolsoorten de kansengelijkheid bevordert.
Dat zien we met name in de mogelijkheid tot stapelen tussen vmbo en havo. Grofweg
15% van de vmbo’ers stroomt door naar het havo, in vergelijking met 5% van de havisten
naar het vwo. Het introduceren van een praktijkgericht vak op het havo vergroot de
stapelmogelijkheden van vmbo-leerlingen significant doordat er een vergelijkbaar vak
op het havo is. De theoretische leerweg in het vmbo kent immers al praktijkgerichte
vakken die veelvuldig door leerlingen worden gevolgd, ook door stapelaars. Doordat
het praktijkgerichte vak een profielkeuzevak is, worden ook de stapelmogelijkheden niet noodzakelijk geschaad voor de havisten
die willen overstappen van havo naar vwo. Zoals in het antwoord hiervoor aangegeven
zullen de vaardigheden die geleerd worden in het praktijkgerichte vak ook van waarde
zijn voor doorstromers naar het vwo. Evenwel kunnen zij, wanneer zij dat wensen, ook
een ander keuzevak kiezen. Het havoprofiel wordt dus niet uitgekleed, maar verrijkt
met de introductie van dit praktijkgerichte vak.
De leden van de PVV-fractie vragen om toe te lichten hoe het mogelijk is dat een dergelijke
omvangrijke wijziging in het havo programma al is ingevoerd via grootschalige pilots,
terwijl de Kamer pas in een voorhangprocedure inhoudelijk wordt betrokken.
Uw kamer is vanaf de start van de ontwikkeling van de praktijkgerichte vakken in het
havo regelmatig geïnformeerd. Dat begon al in de brief aan uw Kamer over de afronding
experiment Regelluwe scholen uit december 20209, waarin toenmalige Staatssecretaris Slob aan heeft gekondigd dat in 2021 gesprekken
zouden worden gevoerd met SLO, het Havoplatform, de VO-raad en andere relevante partijen
om toe te gaan werken naar deze examenprogramma’s. Onder meer in verschillende debatten
en diverse Kamerstukken is de Kamer in de tussentijd op de hoogte gehouden van deze
ontwikkeling.10 Ook dit voorjaar heeft uw Kamer nog een brief ontvangen met de stand van zaken in
het doorontwikkeltraject praktijkgerichte havo.11
Dat deze vakken nu structureel worden gemaakt is de wens van de afgelopen kabinetten,
inclusief het huidige demissionair kabinet. In het regeerprogramma staat «We versterken
en herwaarderen het praktijkgericht onderwijs, bijvoorbeeld met de structurele verankering
van de praktijkgerichte havo, die zich onder andere op techniek en technologie richt.»
Overigens wordt hiermee ook de breed aangenomen motie van de leden Ceder (CU), De
Kort (VVD) en Van Zanten (BBB) uitgevoerd, conform de toelichting bij de vaststelling
van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII)
voor het jaar 2024.12
Voorts vragen de leden om een beoordeling van het risico dat de Kamer hiermee de facto
wordt geconfronteerd met een voldongen feit, omdat scholen al grootschalig met deze
vorm van onderwijs werken.
Dat is, zoals blijkt uit het vorige antwoord, niet aan de orde. Zoals ook al meermaals
met uw Kamer is gedeeld, groeit de groep scholen die met één of meerdere praktijkgerichte
vakken aan de slag gaat. Zo waren er in de subsidieronde in 2024 81 plekken beschikbaar
en ontving OCW 139 aanvragen. Ook in 2025 zijn er weer 80 scholen begonnen, waardoor
er nu zo’n 240 scholen aan het praktijkgerichte havo werken. Ook is de verwachting
dat in de aanvraagronde van januari 2026 weer zo’n 80 scholen zullen starten. Op die
manier hebben al de helft van de havo-vestigingen met praktijkgerichte vakken aan
de slag kunnen gaan, voordat ze structureel zijn verankerd.
Daarbij vragen de leden van de PVV-fractie op welke wijze de democratische controle
gewaarborgd wordt wanneer stelselwijzigingen in de praktijk al plaatsvinden voordat
de Kamer zich hierover zich in ieder stadium heeft kunnen uitspreken.
Zoals aangegeven in antwoord op een eerdere vraag van de leden van de PVV-fractie,
heeft uw Kamer zich meerdere keren, sinds eind 2020, voor deze ontwikkeling uitgesproken.
Daarmee beoordeel ik de democratische controle van dit beleid als zeer positief. Ik
ben tevreden met het stevige mandaat en het politiek en maatschappelijk draagvlak
dat deze praktijkgerichte havo vanaf de start van de ontwikkeling geniet.
Deze leden vragen ook welke maatregelen ik bereid ben te nemen om te voorkomen dat
in de toekomst vergelijkbare grote onderwijsveranderingen via langdurige pilotconstructies
tot stand komen zonder parlementaire betrokkenheid in ieder stadium.
Zoals aangegeven in antwoord op een eerdere vraag van de leden van de PVV-fractie,
is uw Kamer vanaf de start van de ontwikkeling van de praktijkgerichte vakken in het
havo regelmatig geïnformeerd. Op basis van artikel 9.3, eerste lid van de Wet voortgezet
onderwijs 2020 ben ik bovendien bevoegd ontheffingen te verlenen voor de bijzondere
inrichting van het onderwijs, waarbij onder andere kan worden afgeweken van de bepalingen
betreffende de inrichting van de havo-profielen. Ik zie geen reden om dit een volgende
keer anders te doen. Dit is voor mij een schoolvoorbeeld van het ontwikkelen van beleid
met betrokkenheid van alle relevante actoren, zeker op het gebied van curriculum.
Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie hoe in toekomstige trajecten kan worden
geborgd dat «checks and balances» behouden blijven en dat de Kamer reeds in een vroeg
stadium inzicht heeft in de volledige scope, impact, risico’s en de richting van een
dergelijke beleidsverandering.
Mocht een dergelijk vraagstuk zich in de toekomst nog eens aandienen, dan is een vergelijkbare
zorgvuldige aanpak, met een regelmatige voortgangsrapportage aan de Kamer, zeer wenselijk.
CDA
De leden van de CDA-fractie lezen dat er met praktijkgerichte vakken vakoverstijgend
gewerkt kan worden. Dat lijkt deze leden een positieve ontwikkeling. Worden de «best-practices»
hiervan tussen scholen gedeeld?
Zowel voor het havo als voor het vmbo bestaat een community waarin scholen die het
praktijkgerichte vak ontwikkelen en aanbieden «best practices», praktijkgerichte opdrachten
en kennis kunnen uitwisselen. Hier wordt actief gebruik van gemaakt. Ook ontmoeten
scholen elkaar op fysieke landelijke en regionale bijeenkomsten waar kennis en ervaringen
worden uitgewisseld. Deze uitwisseling zal ook na de pilot worden voortgezet. De «best
practices» worden daarnaast ook gedeeld via communicatiekanalen van alle landelijke
betrokken partijen.
De leden van de CDA-fractie merken op dat tijdens de internetconsultatie vragen zijn
gesteld over de kwaliteit. Deze leden vragen of bekend is of er verschillen zijn in
kwaliteit tussen middelbare scholen waar nu techniekonderwijs op het havo wordt gegeven?
Zo ja, wat zijn die verschillen?
De kwaliteit van het vak is geborgd door de onderliggende examenprogramma’s, die voor
alle scholen hetzelfde zijn en waarvan het PTA, dat door iedere school wordt opgesteld,
alle eindtermen uit de examenprogramma’s moet dekken. Het bijbehorende onderwijs-
en toetsprogramma dient daar vervolgens op aan te sluiten. Dat onderwijs kan door
scholen op verschillende manieren worden ingevuld, passend bij de regio en is gericht
op het niveau en de mogelijkheden van havoleerlingen. De regionale mogelijkheden zijn
juist de kracht van dergelijke schoolexamenvakken,. Dit geldt dus zowel voor scholen
die het praktijkgerichte vak Maatschappij bieden als voor scholen die het praktijkgerichte
vak Technologie aanbieden, en die er soms voor kiezen om techniekonderwijs op het
havo te verzorgen. Die regionale verschillen in invulling leiden echter niet tot een
andere onderwijsinhoud. De leerlingen moeten, conform de examenprogramma’s voldoen
aan dezelfde eindtermen. Dat is wat scholen borgen en waar de Inspectie toezicht op
houdt.
Tevens vragen de leden van de CDA-fractie of er nog externe partners te vinden zijn
die mee willen doen of is dit in bepaalde regio’s in Nederland lastiger?
Er zijn zeker externe partners te vinden voor alle scholen. Regionale samenwerking
en gebruik maken van het netwerk van de regionale hbo-instelling kan daarin helpend
zijn.
JA21
De leden van de JA21-fractie vragen of het klopt dat het praktijkvak ten koste gaat
van een bestaand theoretisch vak indien een leerling ervoor kiest het praktijkvak
te volgen.
Kiezen voor een praktijkgericht vak hoeft niet noodzakelijk te betekenen dat een leerling
níet voor een meer theoretisch vak kiest. Een leerling kan nu ook al kiezen voor vakken
als onderzoek & ontwerpen (O&O), natuur, leven en techniek (NLT), informatica of bewegen,
sport en maatschappij (BSM). Deze vakken zijn niet puur «theoretisch» te noemen. Overigens
is juist de koppeling tussen theorie en praktijk ook een belangrijk uitgangspunt bij
het praktijkgerichte vak.
De leden van de JA21-fractie merken op dat sommige «pilot-scholen» momenteel vier
dagen per week besteden aan theoretisch onderwijs en één dag aan praktijkgericht onderwijs.
Deze leden constateren dat de leerprestaties in het algemeen vormend onderwijs, zoals
lezen, schrijven en rekenen, dalen en vragen op welke manier minder algemeen vormend
onderwijs en meer praktijkonderwijs een antwoord vormt op op het probleem van de dalende
prestaties.
Ook in het praktijkgerichte vak wordt gewerkt aan het verbeteren van de basisvaardigheden.
Zo zullen er eindtermen in de examenprogramma’s gewijd worden aan basisvaardigheden.
Voor het succesvol afronden van een opdracht moet er sprake zijn van glasheldere communicatie
(taal) en kloppende berekeningen. Ook hier worden dus basisvaardigheden steviger geïntegreerd
in andere vakken. Daarmee ontstaan er stevige cross-overs, tussen bijvoorbeeld een
vak als biologie en pgp-T of bedrijfseconomie en pgp-M. Ook wordt er praktijk regelmatig
de koppeling gelegd met het profielwerkstuk en het praktijkgerichte vak, waarbij dus
ook echt een beroep wordt gedaan op de ontwikkeling van de basisvaardigheden.
De leden van de JA21-fractie constateren dat één op de zes scholieren in de tweede
klas van het voortgezet onderwijs geen eenvoudige, begrijpelijke teksten kan schrijven,
en een derde van onze vijftienjarigen niet in staat is om de krant of een brief van
de gemeente te begrijpen. Vandaar dat in de wet wordt vastgelegd dat het funderend
onderwijs meer aandacht moet hebben voor de basisvaardigheden lezen, schrijven en
rekenen. Hoe verhoudt deze wettelijke focus op basisvaardigheden zich tot het voornemen
om de praktijkgerichte programma’s als volwaardige schoolexamenvakken te verankeren
binnen het reguliere havo? op welke manieren wordt ervoor gezorgd dat deze praktijkopdrachten
bij zouden dragen aan het ontwikkelen van deze vaardigheden?
Ik ga onverminderd door met mijn aanpak op de basisvaardigheden. Dat doe ik onder
andere via het Masterplan basisvaardigheden, het Groeifondsprogramma Ontwikkelkracht,
het doorontwikkelen van NRO tot een Nationaal Kennisinstituut Onderwijs en het beschikbaar
stellen van Expertisepunten voor de basisvaardigheden. Tegelijkertijd is er ook een
significant probleem in de aansluiting tussen het havo en het hbo. Dat heeft te maken
met te hoge cijfers in switch en uitval, maar ook in de kennis en vaardigheden die
in het hbo worden gevraagd, en onvoldoende worden geleerd op het havo. Op het hbo
wordt veel meer gewerkt met stages, levensechte opdrachten, externe opdrachtgevers
en praktijkgerichte vraagstukken. Leerlingen moeten ook op die manier van werken beter
worden voorbereid, om uitval in het hbo te verminderen. Daar is dit praktijkgerichte
vak op het havo een antwoord op. Dit gaat dus niet ten koste van de inzet op de basisvaardigheden.
De leden van de JA21-fractie lezen in de concept-memorie van toelichting dat het de
«wens en verwachting» is dat veel scholen zullen kiezen voor het aanbieden van praktijkgerichte
vakken. Deze leden vragen of de regering het wenselijk acht dat alle scholen dit overnemen.
Zijn er scholen waarvan bekend is dat ze hier geen behoefte aan hebben?
Het praktijkgerichte vak zou zeker voor veel leerlingen van toegevoegde waarde kunnen
zijn. Ik laat de keuze aan de scholen om een besluit te nemen of dit vak ook goed
past binnen de onderwijsvisie van de school en de behoeften van hun leerlingen. Er
zijn geen scholen bekend die geen behoefte hebben aan de invoering van het praktijkgerichte
vak.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de kwaliteit van het praktijkgerichte vak
wordt gewaarborgd, gezien de vele vormen en invullingen die het kan krijgen.
De kwaliteit van het vak is geborgd door de door SLO ontwikkelde onderliggende examenprogramma’s,
die voor alle scholen hetzelfde zijn. Het PTA dat door iedere school wordt opgesteld,
moet alle eindtermen uit het examenprogramma dekken. Het bijbehorende onderwijs- en
toetsprogramma dient daar vervolgens op aan te sluiten. Scholen moeten immers alle
eindtermen van het examenprogramma van het praktijkgerichte vak aan de orde laten
komen en deze ook toetsen. Bovendien ziet de Inspectie ziet toe op de kwaliteit van
het onderwijs.
Deze leden vragen in hoeverre de kwaliteit afhankelijk is van de inbreng van externe
partners. Hoe wordt de kwaliteit gemonitord?
Het uitgangspunt blijft, dus net als bij andere examenvakken op het havo, dat bij
het praktijkgerichte vak centraal vastgestelde eindtermen horen, die worden getoetst
middels een schoolexamen. Dit schoolexamen bestaat onder andere uit een aantal door
de school vastgestelde praktijkgerichte opdrachten. Deze opdrachten bieden de school
ruimte voor een schooleigen en regionale invulling, onder andere door inbreng van
externe partners, maar worden ingekaderd door de centraal vastgestelde eindtermen
voor dat vak (en het bijbehorende uitgewerkte PTA). Door het PTA wordt op iedere school
de kwaliteit van die schoolexamens geborgd. De mate waarin scholen de inbreng van
externe partners in de opdrachten van het praktijkgerichte vak laten terugkomen, is
aan de scholen zelf en zal wellicht tussen opdrachten verschillen. Scholen hebben
de kennis en de kunde om passende opdrachten te maken die voldoen aan de eindtermen
en die te toetsen zijn. Tijdens de pilot zijn er scholingsmodules ontwikkeld die docenten
hierbij ondersteunen. Deze scholing wordt ook na de pilot voortgezet en nader uitgebouwd.
De leden van de JA21-fractie vragen of is voorzien dat leerlingen bij de praktijkgerichte
vakken vooral zelfstandig zullen moeten werken? in hoeverre worden zij daarin begeleid door de docent?
De praktijkgerichte vakken zijn zeker niet ontworpen om zelfstandig aan te werken.
De meeste scholen laten leerlingen in groepen van twee tot vier personen samenwerken
aan opdrachten. Leerlingen zijn daarnaast nog steeds afhankelijk van instructie van
de docent en de toelichting van het bedrijf of de instelling. Een leerling ontvangt
een opdracht of vraagstuk van een bedrijf of instelling in de regio. Voor een uitwerking
van dit vraagstuk heeft de leerling kennis nodig. De docent verstrekt deze kennis
of ondersteund de leerling bij het verkrijgen ervan. Daarbij begeleidt de docent de
leerling bij het proces om te komen tot een oplossing van het vraagstuk of de uitwerking
van de opdracht.
Tevens vragen deze leden in welke mate door de introductie van de praktijkgerichte
vakken het directe contact en het aantal contacturen tussen docenten en leerlingen
afneemt.
Hiervan is geen sprake. Het directe contact en het aantal contactmomenten neemt door
de introductie van het praktijkgerichte vak juist toe, door de intensieve begeleiding
die hoort bij het praktijkgerichte vak.
De leden van de JA21-fractie vragen voorts of docenten voor de begeleiding van een
praktijkgericht vak over een bevoegdheid moeten beschikken.
Het praktijkgerichte vak wordt gegeven door een docent die bevoegd is voor de bovenbouw
van het havo (oftewel eerstegraads docenten).
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering voorbeelden kan geven van de invulling
van praktijkgerichte vakken voor de diverse werkvelden van zowel het praktijkgerichte
vak Technologie (van culturele omgeving tot leefomgeving) als het praktijkgerichte
vak Maatschappij (van economie tot onderwijs).
De invulling van de praktijkgerichte vakken verschilt van school tot school. Over
het algemeen zoeken scholen contact met lokale en regionale bedrijven en organisaties
om gezamenlijk opdrachten voor de leerlingen ontwerpen. Het onderwijs daaromheen is
een combinatie van theorie en praktijk. Daarbij worden in de meeste gevallen ook relevante
kennis en vaardigheden toegepast uit andere zaakvakken en de koppeling gelegd met
lezen, schrijven en rekenen. Sommige scholen laten leerlingen ook een periode stages
lopen bij een organisatie of een bedrijf als onderdeel van het vak. Scholen ontwikkelen
vaak goede contacten met hbo’s en organiseren daar gastlessen of een bezoek aan een
opleiding. In de Tweede Kamerbrief van 17 februari 2025 hebben drie scholen hun ervaringen
toegelicht.13 Het Lyceum Oudehoven uit Gorinchem lichtte bijvoorbeeld toe in schooljaar 2023–2024
te zijn gestart met een «zorghavo» als uitwerking van het praktijkgerichte vak Maatschappij.
Het onderwijs wordt samen met diverse zorginstellingen in de regio, de gemeente en
twee hbo-instellingen vormgegeven. Het Zwijsen College uit Veghel biedt zowel Maatschappij
als Technologie aan. Op het gebied van technologie worden daar bedrijfsopdrachten
binnen de werkvelden voeding, techniek & technologie, industrie, woon & leefomgeving
en ICT aan leerlingen aangeboden. Tijdens de pilot delen scholen voorbeeldopdrachten
met elkaar in de community. Hiervan zijn door SLO een aantal voorbeelden uitgewerkt
in inspiratieartikelen. Deze voorbeelden zijn te vinden op de website van SLO14.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe dit besluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit
zich verhoudt tot de bestaande mogelijkheden binnen het havo om vakken aan te bieden
en samen te werken met externe partners, bijvoorbeeld via het vak NLT, waar dergelijke
opdrachten al een rol spelen.
Deze vakken blijven bestaan, daar verandert dit besluit niets aan. Sommige scholen
zoeken nadrukkelijk de samenwerking met vakken als NLT en combineren de vakken op
een manier die goed past bij het onderwijs op school.
De leden van de JA21-fractie geven aan veel kritische geluiden te horen van leraren
in het voortgezet onderwijs over flexroosters, waarbij leerlingen zelf een deel van
hun rooster bepalen. Deze leden vragen of de dalende lijn in prestaties die zij waarnemen
niet juist vraagt om de garantie dat iedere leerling voldoende tijd krijgt voor onderwijs
in de basisvaardigheden en voldoende oefening om deze onder de knie te krijgen. Deze
leden vragen met andere woorden of het havo niet eerder gebaat is bij rust, regelmaat
en een uniform lesrooster.
Voor iedereen geldt dat leerlingen voldoende tijd moeten krijgen om de basisvaardigheden
onder de knie te krijgen. Scholen gaan zelf over het onderwijsaanbod en het type rooster.
Ook scholen die een flexrooster hanteren moeten zicht houden op de ontwikkeling van
de leerlingen en bijsturen als dat in het gevaar komt. Er is daarbij geen relatie
tussen «flexroosters» en de introductie van een praktijkgericht vak door scholen.
De leden van de JA21-fractie constateren dat het praktijkvak wordt afgesloten met
een schoolonderzoek en niet met een centraal examen. Deze leden vragen in hoeverre
de prestaties bij deze schoolonderzoeken vergelijkbaar zijn en hoe daarop toezicht
wordt gehouden. Tevens vragen deze leden of er een risico bestaat dat het praktijkonderwijs
minder of niet serieus wordt genomen. Deze leden vragen voorts wat het risico is dat
het vak wordt gebruikt om leerlingen op een makkelijkere manier te laten slagen.
De Inspectie kan toezien op de kwaliteit van het onderwijs op scholen en dus ook op
de kwaliteit en de examinering van vakken als het praktijkgerichte vak als daar aanleiding
toe is. Met de aanwezigheid van een landelijk vastgesteld examenprogramma wordt de
kwaliteit geborgd. Daardoor zie ik geen risico dat het praktijkgerichte vak (door
leerlingen) minder serieus wordt genomen dan een theoretisch vak. Sterker nog, leerlingen
zien door dergelijke vakken in waar zij bepaalde kennis en vaardigheden voor in kunnen
zetten. Zij nemen dergelijke levensechte opdrachten daardoor zeer serieus. Het vak
heeft eenzelfde kwantitatieve omvang en een kwalitatief niveau als andere profielkeuzevakken,
daarmee is het niet eenvoudiger om dit vak af te ronden dan een ander profielkeuzevak,
waardoor de regering geen risico ziet dat het vak zal worden gebruikt om «gemakkelijker»
te slagen.
De leden van de JA21-fractie vragen of bekend is in hoeverre bedrijven, instellingen
en overheden bereid zijn hieraan mee te werken en welke tijdsbelasting dit van deze
instellingen vraagt.
Ja. De bereidheid vanuit het netwerk en hbo-instelling om hieraan mee te werken is
groot. Ook gemeenten zijn vaak betrokken bij het vak. Dit blijkt uit de pilot. Ik
ga er vanuit dat bedrijven of instellingen ongeveer 40 uur per opdracht nodig hebben.
De leden van de JA21-fractie vragen op welke manier de praktijkgerichte vakken de
mogelijkheden beïnvloeden om door te stromen naar het vwo en hoe leerlingen worden
geïnformeerd over de gevolgen hiervan.
Doordat het praktijkgerichte vak een profielkeuzevak is, worden de stapelmogelijkheden niet noodzakelijk geschaad voor de havisten
die willen overstappen van havo naar vwo. De vaardigheden die geleerd worden in het
praktijkgerichte vak kunnen ook van waarde zijn voor doorstromers naar het vwo. Leerlingen
die door willen stromen naar vwo mogen het vak kiezen, maar hoeven het vak niet te
kiezen. Leerlingen worden tijdens de profielkeuze (medio/eind derde leerjaar op het
havo) op elke school grondig geïnformeerd over de verschillende profielen en uitstroomgevolgen.
De leden van de JA21-fractie geven aan benieuwd te zijn naar de onderwijskundige onderbouwing
van het plan.
De onderwijskundige toelichting op de praktijkgerichte vakken Maatschappij en Technologie
is te vinden in de startnotitie en de examenprogramma’s die zijn opgesteld door SLO.15 Op basis van de startnotitie uit 2021 zijn samen met een groep ontwikkelscholen conceptexamenprogramma’s
voor de verschillende varianten opgesteld. Deze examenprogramma’s zijn vervolgens
getoetst aan de praktijk en bijgesteld waar nodig. De examenprogramma’s worden in
2026 vastgelegd in de Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs.
De introductie van de praktijkgerichte vakken in het havo sluit ook aan op de bredere
ontwikkeling rondom waardering voor praktijkgericht onderwijs, zoals onder andere
benoemd in de Kamerbrief van 7 juni 2024.16 Praktijkgericht onderwijs, dat plaatsvindt in een leeromgeving waarin interactie
tussen de leerling en de buitenschoolse context centraal staat, in combinatie met
leren in een schoolse context, zorgt ervoor dat leerlingen goed voorbereid worden
op het vervolg van hun leerloopbaan.
De leden van de JA21-fractie merken op dat bij het vinden van stageplaatsen voor zogenaamde
snuffelstages de netwerken van ouders een grote rol spelen. Deze leden vragen hoe
zwaar straks de contacten en maatschappelijke positie van ouders wegen binnen het
praktijkonderwijs.
Die spelen geen rol. De scholen zijn verantwoordelijk voor de opdrachten die worden
gebruikt in het praktijkgerichte vak. Daarmee is het voor alle leerlingen mogelijk
om hieraan deel te nemen.
De leden van de JA21-fractie geven aan te hebben vernomen dat onder begeleiding van
SLO momenteel 240 scholen werken met praktijkvakken op het havo en dat het de bedoeling
is deze vakken vanaf schooljaar 2026/2027 te verankeren in wet- en regelgeving. Deze
leden vragen of er een beeld is van de animo onder scholen die nu nog geen praktijkonderwijs
aanbieden.
Het grote animo voor de subsidieregeling laat zien dat er veel enthousiasme is bij
scholen om met de praktijkgerichte vakken aan de slag te gaan. Er komen sinds 2023
ieder jaar meer aanvragen binnen dan kunnen worden toegekend. Zo waren er in de subsidieronde
in 2024 81 plekken beschikbaar en ontving OCW 139 aanvragen. Ook in 2025 zijn er weer
80 scholen begonnen, waardoor er nu zo’n 240 scholen aan het praktijkgerichte havo
werken. Ook is de verwachting dat in de aanvraagronde van januari 2026 weer zo’n 80
scholen zullen starten. Hieruit maak ik op dat er ook bij scholen die nog geen praktijkgericht
onderwijs bieden veel animo is.
De leden van de JA21-fractie merken op dat vanaf 2027 € 41 miljoen is gereserveerd
op de OCW-begroting voor praktijkonderwijs en dat in de berekening is uitgegaan van
aanvullende bekostiging voor alle leerlingen in de havo bovenbouw ter hoogte van het
bedrag per leerling in de gemengde leerweg. Deze leden vragen waar dit geld precies
voor is bestemd.
De extra middelen voor scholen komen tegemoet aan het verschil in kosten tussen praktijkgerichte
vakken en theoretisch onderwijs (vergelijkbaar met de aanvullende bekostiging die
ten behoeve van een gl-leerling in het vmbo wordt verstrekt). Praktijkgericht onderwijs
vindt namelijk plaats in een leeromgeving waarin interactie tussen leerling en de
buitenschoolse context plaatsvindt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het ontwikkelen
van levensechte opdrachten, aanschaf van lesmateriaal en de begeleiding van leerlingen.
Ook moeten scholen regionale netwerken met vervolgonderwijs opbouwen of onderhouden
om samen onderwijs vorm te geven (zoals betrokkenheid van partijen bij het onderwijsprogramma
en de afsluiting).
De leden van de JA21-fractie vragen in hoeverre de verankering van het praktijkgerichte
vak een taakverzwaring betekent voor het personeel van scholen die besluiten hieraan
mee te doen.
Ja, het gaat om een (deels tijdelijke) taakverzwaring voor het betrokken personeel.
Elke school dient zelf de vertaalslag te maken van een examenprogramma naar een onderwijsprogramma.
De onderwijsprogramma’s en leermiddelen moeten op schoolniveau worden uitgewerkt,
een vaksectie wordt samengesteld, de onderwijsorganisatie wordt aangepast, PTA’s worden
uitgewerkt, schoolexamens worden ontwikkeld en docenten worden bijgeschoold etc. Op
diverse scholen vraagt de invoering van de praktijkgerichte havo om aanpassingen in
de inrichting en inventaris van de school. Deze vertaling kent niet alleen schoolinterne
aspecten, maar vraagt ook om afstemming met andere scholen in de regio, vervolgonderwijs
en arbeidsmarkt. Ook als het praktijkgerichte vak eenmaal staat, blijft het duurder
dan een theoretisch ingestoken vak. Als tegemoetkoming in de extra kosten voor scholen
met een praktijkgerichte havo, is om die reden structureel een hogere bekostiging
beoogd vanaf kalenderjaar 2027. Deze aanvullende bekostiging wordt bij ministeriële
regeling uitgewerkt.
BBB
De leden van de BBB-fractie vragen hoe wordt geborgd dat deze praktijkgerichte vakken
niet alleen op grote stedelijke scholen worden ingevoerd, maar ook op kleinere scholen
in dorpen en regio’s.
In de huidige pilot ontwikkelen op dit moment 240 scholen het praktijkgerichte vak,
verspreid over het hele land en niet gecentreerd in stedelijke gebieden maar ook op
kleinere scholen in dorpen en regio’s, zo is te zien op de scholenkaart.17 Middels bijeenkomsten wordt actief kennis en informatie gedeeld in regio’s overal
in Nederland, om zoveel mogelijk verschillende scholen te kunnen bereiken.
Ook vragen deze leden of een stimuleringsregeling wordt voorzien om regionale spreiding
te bevorderen.
Nee, op dit moment is de regionale spreiding voldoende. Er is geen reden om aan te
nemen dat dit na de pilot anders zal zijn.
De leden van de BBB-fractie merken op dat uit de internetconsultatie brede steun is
gebleken voor de praktijkgerichte vakken en vragen of het niet beter is om de praktijkgerichte
vakken verplicht te maken, juist om te voorkomen dat leerlingen in bepaalde regio’s
achterblijven, Vervolgens vragen de leden hoe de Staatssecretaris de oproep uit de
consultatie weegt om het praktijkgerichte vak verplicht te maken, waarin ook wordt
benadrukt dat het vak leerlingen beter voorbereidt op vervolgonderwijs, studiekeuze
en het voorkomen van uitval, en dat het vak vakoverstijgend werken stimuleert.
Het aanbieden van een praktijkgericht vak is geen verplichting, omdat een school zelf
het best de afweging kan maken of het aanbieden van één of beide praktijkgerichte
vakken past bij de onderwijsvisie van de school en de behoeften van de leerlingen.
Ik deel de constatering dat het praktijkgerichte vak leerlingen beter voorbereidt
op vervolgonderwijs, studiekeuze en het voorkomen van uitval, en dat het vak vakoverstijgend
werken stimuleert en zie dat het vak van meerwaarde kan zijn voor iedere havist. Dit
besluit gaat echter niet over tot verplichting van het vak, vanwege de hierboven genoemde
redenen.
De leden van de BBB-fractie vragen zich ook af hoe een inspanningsverplichting tot
samenwerking met regionale arbeidsmarktpartijen en hbo-instellingen concreet wordt
ondersteund?
In de pilotperiode wisselen scholen ervaringen uit met andere scholen in hun regio
onder begeleiding van SLO. Samenwerking met arbeidsmarktpartijen en hbo-instellingen
komt daarbij vaak aan bod. Daarnaast kunnen docenten en schoolleiders scholing volgen
op diverse thema’s, waaronder het opbouwen van een netwerk. Deze scholing wordt ook
na de pilot voortgezet en uitgebouwd.
Voorts vragen deze leden of er een handreiking of structurele ondersteuning komt voor
scholen om deze netwerken op te bouwen.
Ja. SLO maakt bij ieder examenprogramma dat wordt afgesloten met een schoolexamen
een digitale handreiking, waarbij in dit geval onder andere aandacht wordt besteed
aan het opbouwen van een netwerk. Het is daarnaast de intentie de ondersteuning op
het gebied van scholing en uitwisseling voort te zetten na de pilotperiode.
Deze leden vragen ook hoe wordt voorkomen dat de gereserveerde middelen (€ 41 miljoen
structureel) vooral bij grote onderwijsinstellingen terechtkomen. Tot slot vragen
de leden van de BBB-fractie of er een verdeelsleutel wordt toegepast die kleinschalige
initiatieven in de regio’s ondersteunt.
De beoogde aanvullende bekostiging zal worden uitgewerkt per ministeriële regeling.
Uitgangspunt is om bekostiging te verstrekken middels een bedrag per leerling (gelijk
aan het bedrag in de GL) in de havo-bovenbouw die daadwerkelijk een praktijkgericht vak volgt. Zo wordt bekostigd voor
de leerlingen voor wie scholen daadwerkelijk extra kosten maken en wordt voorkomen
dat middelen alleen bij grote onderwijsinstellingen terechtkomen.
ChristenUnie
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de Staatssecretaris met dit ontwerpbesluit
volledig voldoet aan de wensen van scholen die een vorm van techniekhavo aanbieden.
Er is met diverse scholen die een vorm van techniekhavo aanbieden regelmatig contact
geweest. Deze scholen hebben aangegeven dat de uitwerking van praktijkgerichte havo
voor hen passend is. Er wordt voldaan aan de wensen van de betreffende scholen met
dit besluit. Zeker nu er ook sprake is van de meerjarige subsidieregeling Techkwadraat,
die bedoeld is om in regioverband het technologieonderwijs in het primair en voortgezet
onderwijs (behalve het beroepsgerichte vmbo) te versterken, en waar veel «techniekhavo’s»
aan meedoen.
Deze leden vragen of uiteengezet kan worden welke verdere wensen in relatie tot de
praktijkhavo en techniekhavo er bij scholen leven? En op welke manier de Staatssecretaris
bereid is om deze wensen juridisch en financieel mogelijk te maken.
Bij de totstandkoming van dit besluit zijn de randvoorwaarden voor de examenprogramma’s
van de praktijkgerichte vakken en ervaringen van betrokken partijen met de vakken
meegenomen.
In 2025 bieden ongeveer 170 scholen het praktijkgerichte vak Technologie aan in het
havo en er nemen nu in totaal ongeveer 240 scholen deel aan de pilot praktijkgerichte
havo. Scholen kiezen voor verschillende invullingen van het onderwijsprogramma in
het praktijkgerichte havo. Zo kiezen ze er in sommige gevallen voor het vak meer uren
aan te bieden dan waar het examenprogramma op ontwikkeld is. Zo zijn er havo-scholen die ervoor kiezen om het praktijkgerichte vak neer te zetten volgens het concept
2080learning. Dat wil zeggen dat ze leerlingen een dag in de week praktijkgericht
onderwijs en in de andere vier dagen de theoretische vakken laten volgen. Er zijn
ook andere uitwerkingen waarbij scholen meer uren praktijkgericht onderwijs volgen,
waarbij leerlingen in de onderbouw beginnen met (de voorbereiding van leerlingen op)
het praktijkgerichte vak. Ook bij die invulling zijn tussen scholen veel verschillen
te zien.
Voor het verankeren van de praktijkgerichte vakken in wet- en regelgeving wordt aangesloten
bij de vereisten uit de examenprogramma’s. De impact van het aanbieden van één of
meerdere praktijkgerichte vakken is vergelijkbaar met die van het beroepsgerichte
programma in de gl van het vmbo. Daar zal in de beoogde aanvullende bekostiging dan
ook bij worden aangesloten. Zolang andere wensen van scholen binnen het onderwijsprogramma
van het havo passen, kunnen scholen een bredere invulling aan de praktijkgerichte
vakken geven. Dit is echter geen vereiste.
De leden van de ChristenUnie fractie vragen of, indien de Staatssecretaris niet op
de hoogte is van andere wensen, hij bereid is dit te inventariseren bij deze voorlopers
van de techniekhavo?
Ik ben hiervan goed op de hoogte. Zoals ook aangegeven in antwoord op de vragen van
de PVV-fractie in dit kader verandert er met dit besluit niets aan de profielen en
bijbehorende vakkenpakketten van het havo. Er wordt wel een brede verkenning uitgevoerd,
die veel knelpunten en wensen meeneemt. Daar zal een integrale afweging worden gemaakt
of en welke aanpassingen nodig zijn in de bovenbouw van het havo/vwo. De regering
introduceert met de onderhavige aanpassing van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 enkel
twee schoolexamenvakken van circa 360 SLU (en twee vakken van 120 SLU in de kleine
variant). Scholen hebben genoeg ruimte om hier een eigen invulling aan te geven, ook
als zij daarbij graag in willen zetten op een stevig techniekcomponent.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen voorts naar de uitwerking van de € 3 miljoen
die structureel beschikbaar is voor de techniekhavo dankzij amendement-Bontenbal c.s.18 Is de verwachting dat dit bedrag volledig kan worden ingezet, zowel dit jaar als
volgend jaar?
De leden vragen verder of al is uitgewerkt hoe deze middelen vanaf 2027 kunnen worden
ingezet? Kan de Staatssecretaris delen welke opties hiertoe worden uitgedacht?
Ja. De subsidieregeling praktijkgerichte havo is hiertoe gewijzigd. Alle scholen die
subsidie hebben ontvangen in de eerste en tweede subsidieronde en de grote variant
van één of meerdere praktijkgerichte vakken aanbieden krijgen in 2025, 2026 en 2027
een aanvullende subsidie. Over de structurele inzet van deze middelen moet nog nadere
besluitvorming plaatsvinden
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Staatssecretaris uiteen te zetten wat
hij verwacht van het animo van leerlingen voor keuzevakken als NLT19, O&O20 en BSM21.
Omdat er een extra keuzevak aan het curriculum wordt toegevoegd, zullen leerlingen
tussen meer vakken een keuze kunnen maken, maar dat is afhankelijk van het aanbod
van de school. Dit zou kunnen betekenen dat scholen en/of leerlingen niet voor keuzevakken
als NLT, O&O en BSM, maar ook Frans of Aardrijskunde, kiezen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen verder of de Staatssecretaris denkt dat
keuzevakken als NLT, O&O en BSM minder leerlingen zullen trekken en dat er daarmee
ook minder leerlingen een studie of lerarenopleiding in die richting zullen gaan doen?
Het zou kunnen dat er minder leerlingen kiezen voor één van de andere profielkeuzevakken.
Ik verwacht niet dat er ook een effect zal zijn op de keuze voor vervolgstudies. Er
bestaan namelijk geen specifieke hbo-opleidingen of lerarenopleidingen die opleiden
tot O&O, NLT of BSM docent. Praktijkgerichte vakken bedienen alle profielen en stellen
leerlingen in staat beter kennis te maken met de praktijk en vervolgopleidingen. De
verwachting is dan ook niet dat minder leerlingen voor specifieke studies kiezen.
Tot slot vragen deze leden de Staatssecretaris of hij daarnaast verwacht dat er een
financiële prikkel voor scholen kan zijn om de genoemde vakken te schrappen ten gunste
van een praktijkgericht vak havo, omdat scholen voor de laatste extra subsidie krijgen
maar voor de eerste niet? zo ja, op welke manier wilt de Staatssecretaris dit voorkomen?
Zo nee, waarom verwacht hij dit niet?
Het is niet de verwachting dat er een financiële prikkel uitgaat van deze aanvullende
bekostiging, want de scholen maken ook extra kosten voor praktijkgerichte vakken.
De aanvullende bekostiging is een tegemoetkoming hiervoor.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
A.E.W. Easton, adjunct-griffier