Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over Uitgangspunten subsidieregeling voor grote restauraties (Kamerstuk 32820-556)
2025D51173 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben enkele fracties
de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 oktober 2025 inzake de uitgangspunten subsidieregeling
voor grote restauraties (Kamerstuk 32 820, nr. 556).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Bromet
Adjunct-griffier van de commissie,
Van Thiel
Inhoud
I
Vragen en opmerkingen uit de fracties
•
Inbreng van de leden van de D66-fractie
•
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
•
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
•
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
•
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
II
Reactie van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de uitgangspunten van de subsidieregeling
voor grote restauraties. Deze leden hebben op het moment geen vragen.
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de uitgangspunten van de subsidieregeling
voor grote restauraties en de uitvoering van de motie van de leden Mohandis en Beckerman1 en hebben daarover nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hechten eraan dat publiek geld doelmatig wordt besteed
en delen met de Minister dat de genoemde middelen eerlijk en transparant worden besteed.
Deze leden lezen dat er in het geval van overvraag een selectie zal moeten plaatsvinden.
Zij zijn benieuwd naar de kaders voor selectie. Kan de Minister daarover al een richting
schetsen? Kan de Minister nader toelichten hoe cofinanciering vanuit decentrale overheden
hierin een plaats heeft? De leden van de VVD-fractie vragen zich ook af hoe de eigen
financiële draagkracht van een aanvrager wordt meegewogen in het toekennen van een
subsidie.
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van de
onderhavige brief. De Minister trekt een eenmalig bedrag van € 45 miljoen uit voor
de restauratie van rijksmonumenten die niet als woonhuis worden aangemerkt. Nu verscheen
in 2024 in opdracht van de Minister het tussenrapport Onderzoek restauratieopgave
niet-woonhuis-rijksmonumenten2, waarin werd gesteld dat de komende tien jaar € 770 miljoen extra nodig is voor restauraties
van rijksmonumenten die geen woonhuis zijn. Hoe verklaart de Minister de kloof tussen
het benodigde bedrag en het bedrag dat hij ervoor uittrekt? Betreft het ook maar iets
meer dan een druppel op een gloeiende plaat? Vindt de Minister dat hij hiermee nog
voldoende recht doet aan de geest van de motie van de leden Wuite en Van der Graaf3? Waar blijft de strijd van dit kabinet voor behoud van rijksmonumenten die in de
problemen komen? Erkent de Minister dat dit niet alleen een verantwoordelijkheid is
van lagere overheden, maar ook de Rijksoverheid in positie moet komen bij rijksmonumenten
die moeten worden gerenoveerd? Wat is de ambitie van deze Minister bij het behoud
van cultureel erfgoed?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen ons cultureel erfgoed behouden voor
toekomstige generaties en investeren in restauratie, verduurzaming en behoud van monumenten
en historische gebouwen. Museum Prinsenhof in Delft vormt hiervan bij uitstek een
treffend voorbeeld. Het betreft immers een Top 100-rijksmonument dat dringend aan
restauratie toe is, dat zeven vensters toont vanuit de Canon van Nederland over vijf
tijdvakken, waaronder het verhaal van Willem van Oranje en het ontstaan van Nederland
zoals we het vandaag de dag kennen. De Kamer heeft met het aannemen van de motie van
de leden Mohandis en Beckerman4 de Minister gevraagd om zich tot het uiterste in te spannen om een deel van de nieuwe
subsidieregeling nog dit jaar in te zetten om de restauratie van dit nationale cultureel
erfgoed via een eenmalige bijdrage te steunen, maar de Minister parafraseert nu de
uitleg waarom hij de motie destijds had ontraden: hij verwees al naar andere rijksmonumenten,
naast Museum Prinsenhof, die een grote restauratieopgave hebben en stelde dat een
subsidieregeling met heldere voorwaarden en criteria nodig was om deze opgaven op
een eerlijke en transparante manier te bedienen5. Met deze woorden heeft de Minister de Kamer echter niet weten te overtuigen. Waarom
weigert de Minister een zo breed door de Kamer gesteunde motie nu uit te voeren? Hoe
serieus neemt deze demissionaire Minister van een kabinet met een uiterst smalle basis
de Kamer nog, nu hij blijft volharden in een herhaling van zetten?
De leden van de GroenLinks-PvdA fractie constateren dat er al vanaf begin 2022 intensief
contact is tussen Museum Prinsenhof Delft en het Ministerie van OCW voor een eventuele
bijdrage aan de restauratie en renovatie van het Prinsenhof. Ook hebben tal van andere
partijen – van de gemeente Delft, de Provincie Zuid-Holland, de VriendenLoterij, tot
vele andere fondsen, particulieren en bedrijven – een bijdrage toegezegd. Het ministerie
ontweek echter een definitieve beslissing, terwijl achtereenvolgende Staatssecretarissen
en Ministers niettemin wel het urgente probleem voor restauraties van grote monumenten
erkenden, waarvan het Prinsenhof als hét voorbeeld steeds werd aangehaald. Minister
Bruins stelde uiteindelijk in de zomer 2025 – in reactie op het rapport Hylkema-Fenicks6 – een regeling in het vooruitzicht waarbij hij – in eigen woorden – het Prinsenhof
«in gedachten» had. Het Ministerie van OCW liet op 26 november 2025 de wethouder Cultuur
van de gemeente Delft weten dat het Prinsenhof toch geen geld krijgt. Hoe zou de Minister,
kijkend naar de lange voorgeschiedenis in deze tijdslijn, het optreden van zijn departement
bij nader inzien kenschetsen?
De Minister beroept zich op rechterlijke uitspraken dat bij de verdeling van subsidies
gelijke kansen moeten worden geboden om aanspraak te maken op subsidie. De leden van
de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of deze uitspraken dan ook soms uitsluiten dat men
ongelijke gevallen ongelijk zou mogen behandelen. Klopt het beeld dat de Minister
nu geen precedent wil scheppen? Is hij zich dan ervan bewust dat er in het recente
verleden al meer van dergelijke zogenoemde precedenten zijn geschapen, zoals onlangs
bij de restauratie van het aquarium van Artis? Klopt het dat Delft is aangemerkt als
stad die valt onder de regeling Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en
daarbij extra ondersteuning mag verwachten?
De Minister ontkent dat er een objectieve rechtvaardiging zou bestaan om Museum Prinsenhof
vooruitlopend op de subsidieregeling via een eenmalige bijdrage te steunen. De leden
Mohandis en Beckerman hebben bij het indienen van hun motie deze objectieve rechtvaardiging
juist geformuleerd in de overwegingen bij de motie. De restauratie is al begonnen.
Iedereen doet mee, behalve het Rijk. Hoe verklaart de Minister dat hij niet de creativiteit
heeft opgebracht om, in de overwegingen bij de motie, een rechtvaardiging te vinden
om tegemoet te komen aan de wens van de Kamer? Is de Minister dan niet doordrongen
van de urgentie van de restauratie van het Prinsenhof? Is hij zich niet bewust van
de historische waarde van het Prinsenhof en het feit dat Museum Prinsenhof Delft zeven
vensters over vijf tijdvakken van de Canon laat zien? Weet hij niet dat hier al sinds
2022 op verschillende niveaus overleg is gevoerd met zijn departement hierover? Realiseert
hij zich niet dat medeoverheden zoals de gemeente Delft en Provincie Zuid-Holland
al volop participeren maar de Rijksoverheid als enige achterblijft? Realiseert hij
zich niet dat zijn ambtsvoorganger verwachtingen heeft gewekt toen hij in de Kamer
zei het Prinsenhof in gedachte te hebben? Beseft hij niet dat de genoemde regeling
voor grote restauraties pas in 2026 in werking kan treden, zodat het Prinsenhof zelf
achter het net vist? Welk excuus wil hij aanvoeren om deze relevante feiten nog langer
te negeren?
Museum Prinsenhof Delft is al sinds januari 2025 gesloten en topstukken uit de collectie
zijn nu tijdelijk verspreid over musea door het hele land, waarmee het historische
beeld verder vergruist, maar inmiddels valt de restauratie stil bij gebrek aan middelen.
Miskent de Minister de urgentie? Hoe weegt de Minister de sluiting en verspreiding
van de topstukken in het licht van de waarde van juist dit museum voor ons nationale
culturele geheugen? Moet Nederland er maar genoegen mee nemen om de kogelgaten van
de moord op Willem van Oranje dicht te stuken?
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de uitgangspunten subsidieregeling
voor grote restauraties. Deze leden zien momenteel geen reden om aanvullende of verduidelijkende
vragen te stellen.
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
De leden van BBB-fractie hebben kennisgenomen van de uitgangspunten subsidieregeling
voor grote restauraties. Deze leden hebben de volgende vragen aan de Minister.
De leden van de BBB-fractie hebben gelezen dat groene monumenten een plek hebben gekregen
in de regeling. Deze leden betreuren dat regionale ontmoetingsmonumenten, zoals kerken
en andere gebouwen met een belangrijke sociale functie, niet zijn meegenomen. Juist
deze gebouwen zijn van grote betekenis voor het sociale en culturele leven in dorpen
en kleinere steden en dragen in belangrijke mate bij aan de leefbaarheid van krimpregio’s
en het platteland. Hoe zorgt de Minister ervoor dat deze regionale ontmoetingsmonumenten
niet buiten de boot vallen bij de verdeling van middelen? Ziet de Minister mogelijkheden
om, naast groene monumenten, ook ontmoetingsmonumenten met een regionale functie een
plek te geven binnen de regeling? En zo niet, waarom niet? Kan de Minister alsnog
toezeggen dat bij de verdere uitwerking van de regeling expliciet wordt gekeken naar
de impact op regionale identiteit en gemeenschapsvorming?
II Reactie van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
L.E.T.M. van Thiel, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.