Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 753 Wijziging van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en het Wetboek van Strafvordering in verband met de introductie van conservatoire afname van celmateriaal en enkele andere wijzigingen met betrekking tot DNA-onderzoek
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 12 december 2025
Met veel belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie
voor Justitie en Veiligheid. Het verheugt mij dat de leden van verschillende fracties
hun steun hebben uitgesproken voor het wetsvoorstel. Ik dank de leden van de fracties
die schriftelijke inbreng hebben geleverd voor hun belangstelling en interesse. De
door hen gestelde vragen bieden mij de gelegenheid voor een nadere toelichting van
de achtergrond en de inhoud van het wetsvoorstel, dat ertoe strekt de Wet DNA-onderzoek
bij veroordeelden (hierna: Wet DNA-V) aan te passen door daarin de zogenoemde conservatoire
afname van celmateriaal te introduceren. Met conservatoire celmateriaalafname bedoel
ik: het afnemen van celmateriaal bij verdachten en het apart bewaren (conserveren)
daarvan, met als doel om ná een eventuele veroordeling daarmee een DNA-profiel op
te stellen en op te slaan in de DNA-databank. Als geen veroordeling volgt, wordt het
celmateriaal vernietigd. Met de beantwoording van de vragen hoop ik ook tegemoet te
kunnen komen aan door enkele leden gemaakte kanttekeningen bij het wetsvoorstel. Bij
de beantwoording is de indeling van het verslag zoveel mogelijk gevolgd, met dien
verstande dat soms vragen binnen hetzelfde hoofdstuk van het verslag zijn samengenomen
als die sterk met elkaar verbonden zijn, om zo onnodige herhaling te voorkomen.
I. Algemeen deel
1. Inleiding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie geven aan met belangstelling te hebben kennisgenomen
van het wetsvoorstel. Zij hebben vragen bij het voorstel om al tijdens het opsporingsonderzoek,
dus nog vóór een veroordeling, celmateriaal bij verdachten af te nemen. Zij lezen
dat bij ruim tien procent van de veroordeelden van wie celmateriaal zou moeten worden
afgenomen, dat niet gebeurt, onder andere omdat veroordeelden zonder vaste woon- of
verblijfplaats of met een buitenlands adres vaak niet traceerbaar zijn. Deze leden
vragen hoeveel van die onvindbare veroordeelden, veroordeelden zonder vaste woon-
of verblijfplaats in Nederland zijn. Ook vragen zij waarom er niet voor is gekozen
om alleen specifiek voor die groep conservatoire afname van celmateriaal tijdens de
inverzekeringstelling te verplichten.
In reactie daarop informeer ik deze leden als volgt. Van de – ook na opsporing – niet
traceerbare veroordeelden die celmateriaal moeten afstaan voor het opstellen van een
DNA-profiel, heeft volgens in 2019 uitgevoerd WODC-onderzoek 84 procent geen vaste
woon- of verblijfplaats in Nederland (P. Kruize en P. Gruter, Lepelen met een vork.
Evaluatie van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, WODC 2019, p. 97). Er is niet
voor gekozen alleen voor deze groep verdachten conservatoire celmateriaalafname mogelijk
te maken. Uit een eerder gemaakte analyse van de juridische en praktische houdbaarheid
van verschillende scenario’s voor afname van celmateriaal is namelijk gebleken dat
scenario’s waarin alleen celmateriaal wordt afgenomen van verdachten zonder vaste
woon- of verblijfplaats kwetsbaar zijn. Er zullen zich gevallen voordoen waarin de
verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, maar zich wel meldt voor het afnemen
van celmateriaal. Andersom zullen er situaties zijn waarin de verdachte wel op een
adres staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), maar feitelijk elders
woont, na zijn veroordeling niet komt opdagen voor het afnemen van celmateriaal en
onvindbaar blijkt te zijn. Als conservatoir celmateriaal alleen wordt afgenomen in
gevallen waarin de verdachte geen BRP-adres heeft, zou in een dergelijke zaak geen
conservatoir celmateriaal mogen worden afgenomen, terwijl het risico bestaat dat de
verdachte na een mogelijke veroordeling niet langer traceerbaar is. En in een scenario
waarin afname alleen plaatsvindt als de verdachte geen feitelijke woon- of verblijfplaats
opgeeft, bestaat het risico dat de verdachte een verkeerd adres opgeeft om celmateriaalafname
te voorkomen. Het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats vormt met andere woorden
geen garantie dat na een veroordeling celmateriaal kan worden afgenomen. Bovendien
moet de politie ook ten aanzien van de groep veroordeelden met een bekend adres moeite
doen om hun celmateriaal te verkrijgen. Veertig procent van die veroordeelden verschijnt
niet op een DNA-contactdag (door de politie georganiseerde dagen om celmateriaal van
veroordeelden af te nemen). Van hen kan pas celmateriaal worden afgenomen nadat ze
zijn opgespoord en aangehouden of toevallig tegen de lamp lopen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen in hun vraag op de eerder door de Raad
van State gemaakte opmerking dat mogelijke – minder inbreuk makende – alternatieven
voor conservatoire celmateriaalafname nog onvoldoende zijn onderzocht. Ik vermoed
dat deze leden refereren aan de in 2016 door de Raad van State gegeven voorlichting
over de mogelijke introductie van conservatoire celmateriaalafname bij iedere in verzekering
gestelde verdachte. De Raad van State was toen kritisch over dat voornemen, omdat
onvoldoende was aangetoond dat er een dringende maatschappelijke behoefte aan zo’n
maatregel bestond. De Raad van State wees erop dat de bestaande Wet DNA-V kampte met
uitvoeringsproblemen en dat onduidelijk was of – als die problemen waren opgelost
of tot aanvaardbare proporties zouden zijn teruggebracht – conservatoire celmateriaalafname
nog wel dringend noodzakelijk was. Meer ruimte zag de Raad van State voor een variant
waarin conservatoir celmateriaal alleen zou worden afgenomen van inverzekeringgestelden
zonder bekend adres of met een buitenlands adres. Naar aanleiding van deze voorlichting
is ervoor gekozen om eerst de effecten af te wachten van de destijds al genomen structurele
verbetermaatregelen in het werkproces van het afnemen van celmateriaal van veroordeelden
(verderop in deze nota zijn deze maatregelen beschreven in antwoord op een vraag van
de leden van de CDA-fractie). De maatregelen zijn door het WODC geëvalueerd. Uit die
evaluatie bleek dat de werkprocessen beter functioneerden dan voorheen, maar dat niettemin
nog steeds van ruim tien tot dertien procent van de veroordeelden ten onrechte geen
DNA-profiel in de DNA-databank bleek te zijn opgenomen. Volgens de onderzoekers was
dat niet of nauwelijks meer te wijten aan de wijze waarop de Wet DNA-V wordt uitgevoerd
(Kruize en Gruter 2019, p. 188–189). Pas toen is er (alsnog) voor gekozen de conservatoire
afname van celmateriaal mogelijk te maken door middel van dit wetsvoorstel.
De Raad van State heeft inmiddels – in zijn over dit wetsvoorstel uitgebrachte advies
– geoordeeld dat de noodzaak en proportionaliteit van conservatoire afname bij alle
verdachten die in verzekering worden gesteld vanwege een voorlopige hechtenis-misdrijf,
voldoende aannemelijk zijn gemaakt. Hieraan hebben de uitgebreide en zorgvuldige voorbereiding
van het wetsvoorstel, waarbij oog is geweest voor de grondrechtelijke aspecten en
voor de uitvoerbaarheid, volgens de Raad van State in belangrijke mate bijgedragen.
De leden van de VVD-fractie geven aan met belangstelling te hebben kennisgenomen van
het wetsvoorstel. Zij steunen de doelen van het wetsvoorstel en stellen nog enkele
vragen.
De leden van de D66-fractie geven aan na kennisneming van het wetsvoorstel op dit
moment geen nadere vragen te hebben.
Het verheugt mij dat de leden van de BBB-fractie het wetsvoorstel steunen en na kennisneming
van het wetsvoorstel en de memorie van toelichting geen vragen hebben.
De leden van de CDA-fractie geven aan met belangstelling te hebben kennisgenomen van
het wetsvoorstel en maken graag van de gelegenheid gebruik om nog enkele vragen te
stellen. Zij vragen allereerst of de regering nader kan ingaan op de verschillende
maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen om de werking van de Wet DNA-V in
de praktijk te verbeteren. Ook vragen zij of een aantal van deze maatregelen nog een
wetswijziging vergt, of dat het maatregelen zijn die buiten het bestek van het voorliggende
wetsvoorstel vallen.
Graag neem ik deze leden mee in de verschillende maatregelen die zijn getroffen in
de jaren na het verschijnen van het rapport van de Commissie Hoekstra in 2015. In
dat rapport werden diverse tekortkomingen (in de uitvoering) van de Wet DNA-V gesignaleerd
en werd voorgesteld om bij verdachten van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis
is toegelaten conservatoir celmateriaal af te nemen bij de inverzekeringstelling.
Deze maatregelen zijn uitgebreid beschreven in het Verbeterprogramma Maatschappelijke
Veiligheid van het Openbaar Ministerie (zie hierover nader Kamerstukken II 2015/16,
29 279, nr. 286 met bijlage).
Allereerst is er een herstelactie bij het Openbaar Ministerie uitgevoerd om aan veroordeelden
die ten onrechte geen bevel hadden gekregen tot het doen afnemen van celmateriaal
voor het opstellen van een DNA-profiel (hierna: DNA-bevel), alsnog een bevel uit te
vaardigen. Aan veroordeelden aan wie in de periode vanaf 1 mei 2010 geen DNA-bevel
was gegeven, terwijl dat op grond van de Wet DNA-V wel had moeten gebeuren, is toen
alsnog een bevel gegeven. De politie heeft zich in die periode gericht op het alsnog
afnemen van celmateriaal van zoveel mogelijk veroordeelden, zowel met als zonder bekend
adres in BRP. In samenwerking met de ketenpartners heeft de politie van de in het
opsporingsregister opgenomen veroordeelden zonder BRP-adres geprobeerd te achterhalen
of deze veroordeelden nog in Nederland te vinden zijn. Daarnaast zijn verschillende
maatregelen genomen om de huidige werkwijze wat betreft de uitvoering van de Wet DNA-V
te verbeteren. De zogenoemde «DNA-blokken» – de werkeenheden bij de arrondissementsparketten
die zich bezighouden met het proces van afname van celmateriaal – zijn versterkt met
functionarissen die een coördinerende en sturende rol hebben gekregen in de uitvoering
van de Wet DNA-V. Binnen de eenheden van de politie is meer aandacht gevraagd voor
het belang van de opsporing van veroordeelden aan wie een DNA-bevel is gegeven. De
basisteams zijn gaan beschikken over een contactpersoon executie met een aanjagersrol.
Ook zijn de informatiesystemen van de politie vernieuwd. Er is een nieuwe voorziening
– Executie en Signalering – waarmee de politie rechtstreeks kan zien of iemand gesignaleerd
staat voor afname van celmateriaal voor het opstellen van een DNA-profiel. Het Openbaar
Ministerie en de politie hebben ingezet op een verkorting van de doorlooptijden, zodat
celmateriaal zo snel mogelijk na het bevel daartoe kan worden afgenomen. De zogenoemde
«DNA-spreekuren» of «DNA-contactdagen» – de momenten waarop veroordeelden die niet
vastzitten zich moeten melden op het politiebureau voor het afnemen van celmateriaal
– zijn verruimd, met het oog op een verhoging van het opkomstpercentage. Deze maatregelen
vergden en vergen geen wetswijziging. Het ging er juist om de Wet DNA-V zoals die
nu luidt, in de uitvoering te optimaliseren, zodat er zoveel mogelijk DNA-profielen
van veroordeelden die daarvoor in aanmerking komen, in de DNA-databank worden opgenomen.
De genomen verbetermaatregelen zijn door het WODC in 2019 positief geëvalueerd. De
conclusie luidt dat de aanbevelingen uit eerdere evaluaties en uit de bevindingen
van de Commissie Hoekstra voor een belangrijk deel zijn geïmplementeerd (Kruize en
Gruter 2019, p. 188–189). Niettemin wordt nog steeds niet bij alle veroordeelden tegen
wie een DNA-bevel is gegeven, celmateriaal afgenomen. Dat is inherent aan de wijze
waarop de Wet DNA-V nu is ingericht. Met dit wetsvoorstel wordt daarin een verbetering
aangebracht.
De leden van de CDA-fractie vragen ook waarom het bestaande regime van de Wet DNA-V,
waarin celmateriaal pas wordt afgenomen na een veroordeling, in stand zal blijven
naast de nieuw voorgestelde procedure. Zij vragen of regering voorbeelden kan geven
van gevallen waarin op de bestaande regeling kan worden teruggevallen.
Deze leden wil ik allereerst verduidelijken dat de norm met dit wetsvoorstel wordt
dat bij alle meerderjarige verdachten die in verzekering worden gesteld wegens een
verdenking van een voorlopige hechtenis-misdrijf conservatoir celmateriaal wordt afgenomen.
Daar gaat – zoals ook verderop in deze nota naar aanleiding van het verslag zal blijken
– geen individuele beoordeling aan vooraf. Toch is het van belang dat ook het huidige
werkproces, waarin afname van celmateriaal plaatsvindt ná een veroordeling, in stand
blijft. Dat zal ik toelichten. Allereerst blijft het bestaande werkproces relevant
voor minderjarige verdachten, omdat de conservatoire afname van celmateriaal in dit
wetsvoorstel alleen voor meerderjarige verdachten mogelijk wordt gemaakt. Maar ook
voor sommige meerderjarige verdachten blijft afname van celmateriaal ná een veroordeling
nodig, omdat niet alle meerderjarige verdachten in verzekering worden gesteld. Als
de verdachte wordt aangehouden en blijft vastzitten, volgen verschillende fasen van
vrijheidsbeneming elkaar op. De eerste fase is het ophouden voor onderzoek (een periode
van in beginsel maximaal negen uur), dan volgt inverzekeringstelling (in beginsel
maximaal drie dagen). Daarna volgt voorlopige hechtenis. In dit wetsvoorstel wordt
conservatoir celmateriaal afgenomen van de verdachte nadat hij in verzekering is gesteld.
Niet alle verdachten die worden aangehouden en worden opgehouden voor onderzoek, worden
daarna ook in verzekering gesteld. Inverzekeringstelling vindt alleen plaats als dat
in het belang van het onderzoek is. Het komt ook regelmatig voor dat de verdachte
na een periode waarin hij op het politiebureau is opgehouden voor onderzoek – vaak
om te worden verhoord – in vrijheid wordt gesteld en het vervolg van de procedure
in vrijheid mag afwachten. Van hem wordt dus geen conservatoir celmateriaal afgenomen.
Het gebeurt ook dat helemaal geen vrijheidsbeneming plaatsvindt – ook niet gedurende
een periode van ophouden voor onderzoek – voordat een vervolging wordt gestart. Als
de verdachte in deze gevallen uiteindelijk wordt veroordeeld voor een misdrijf dat
aanleiding geeft tot het geven van een DNA-bevel, moet van hem dus alsnog celmateriaal
worden afgenomen. Ook voor deze categorie veroordeelden – veroordeelden die als verdachte
nooit in verzekering zijn gesteld – blijft daarom het huidige werkproces bestaan.
De leden van de CDA-fractie vragen verder of de regering heeft overwogen om een equivalent van dit wetsvoorstel te implementeren in Caribisch Nederland
en zo ja, welke overwegingen ertoe hebben geleid om dit niet te doen. De Wet DNA-V
geldt alleen voor het Europese deel van Nederland. Er is geen equivalent van deze
wettelijke regeling voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Dit betekent dat voor Caribisch
Nederland een geheel nieuwe regeling zou moeten worden geïntroduceerd voor het in
DNA-databanken opnemen van DNA-profielen van bepaalde categorieën veroordeelden, conform
de Nederlandse Wet DNA-V. Dat is niet wat wordt beoogd met dit wetsvoorstel. Beoogd
wordt immers de bestaande Wet DNA-V, zoals die in (Europees) Nederland geldt, effectiever
te maken door conservatoire celmateriaalafname te introduceren.
De leden van de SGP-fractie geven aan met belangstelling te hebben kennisgenomen van
het wetsvoorstel. Het verheugt hen dat het kabinet werk heeft gemaakt van een voorstel
in lijn met de motie Oskam/Van der Staaij om celmateriaalafname bij inverzekeringstelling
te bewerkstelligen. Deze leden hebben nog enkele vragen, die ik in het navolgende
graag beantwoord.
De leden van de ChristenUnie-fractie geven aan kennis te hebben genomen van het wetsvoorstel
en nog enkele vragen te hebben, ook in het licht van enkele fundamentele rechtsbeginselen.
Het verheugt mij dat deze leden mij in de gelegenheid stellen hierover nog nadere
toelichting te verschaffen, hetgeen ik verderop in deze nota naar aanleiding van het
verslag zal doen.
2. Aanleiding voor het voorstel om conservatoire celmateriaalafname mogelijk te maken
De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan aangeven hoe vaak – in absolute
getallen – het jaarlijks voorkomt dat een DNA-bevel niet leidt tot daadwerkelijke
afname van het celmateriaal, omdat de veroordeelde onvindbaar is. Ik kan daarop antwoorden
dat gemiddeld over 2022 tot en met 2024 per jaar afgerond 18.000 DNA-bevelen werden
gegeven door het Openbaar Ministerie. Dit leidt tot circa 16.000 afnames van celmateriaal.
Bij ruim 2.000 van de afgegeven bevelen komt het dus niet tot een afname van celmateriaal.
Deze leden benadrukken ook het belang van beveiliging van gevoelige gegevens, zoals
celmateriaal en DNA-profielen, en vragen of er – gelet op de hack bij het Openbaar
Ministerie – op dit moment aanwijzingen zijn dat gegevens over celmateriaal zijn gestolen
of ingezien door onbevoegden. Zij vragen ook naar de inspanningen die de regering
verricht om te voorkomen dat gegevens die worden verwerkt op grond van het wetsvoorstel,
op straat komen te liggen. Ik onderken dat het van uitermate groot belang is dat de
gevoelige gegevens waarover het hier gaat, niet in de verkeerde handen vallen. Het
waarborgen van nauwkeurigheid en veiligheid van informatie is een grote prioriteit,
zoals ook verderop in deze nota naar aanleiding van het verslag zal blijken. Deze
leden kan ik geruststellen dat het niet mogelijk is dat gegevens over celmateriaal
zijn gestolen of ingezien, alleen al niet omdat deze niet bij het Openbaar Ministerie
aanwezig zijn.
Wat betreft de toekomstige inspanningen waarnaar deze leden vragen, antwoord ik het
volgende. Justid heeft systemen beveiligd conform de Baseline Informatiebeveiliging
Overheid (BIO). Na het bepalen van het benodigde beveiligingsniveau (naar verwachting
BBN-2 of BBN-3) zal Justid de bijbehorende beveiligingsmaatregelen implementeren en
laten controleren. Naast deze te implementeren beveiligingsmaatregelen, voeren ketenpartners
een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (ook bekend als data protection impact assessment,
DPIA) uit op de nieuwe en gewijzigde verwerkingen van persoonsgegevens die het wetsvoorstel
met zich brengt. Dit is een verplichting op grond van artikel 35 van de Algemene verordening
gegevensbescherming (AVG). Deze DPIA ziet op de interne verwerkingen van persoonsgegevens
– verwerkingen binnen de eigen organisatie. Een DPIA omvat – samengevat – een beschrijving
van de verwerkingen van persoonsgegevens die plaatsvinden, een rechtmatigheidstoets,
een beschrijving van de risico’s die de verwerkingen voor betrokkenen (verdachte personen)
met zich brengen en de mitigerende maatregelen die gelet daarop moeten worden getroffen.
Daarnaast wordt een «keten-DPIA» uitgevoerd. Deze werkt aanvullend op de verplichte
DPIA die de ketenpartners op de interne verwerkingen moeten uitvoeren. De keten-DPIA
is niet wettelijk verplicht, maar wordt uitgevoerd om een goed overkoepelend beeld
te krijgen van de gegevensstromen die plaatsvinden tussen de ketenpartners, de rechtmatigheid
daarvan, de risico’s voor betrokkenen die daarmee gepaard gaan en de maatregelen die
daarom door de ketenpartners moeten worden genomen. Hiermee wordt voorkomen dat de
risico’s en benodigde maatregelen bij dergelijke uitwisselingen buiten beeld vallen.
Op deze manier worden de benodigde inspanningen geleverd om de persoonsgegevens van
verdachten en veroordeelden adequaat te beschermen.
De leden van de CDA-fractie vragen of inzichtelijk kan worden gemaakt hoe groot de
werklastbesparing als gevolg van dit wetsvoorstel is. Hierop antwoord ik dat meerdere
factoren van invloed zijn op de werklast van de politie (het Openbaar Ministerie heeft
geen significante bemoeienis met de afname van het celmateriaal). Aanvankelijk zal
sprake zijn van een werklastverzwaring omdat lopende zaken eerst nog via huidige wet-
en regelgeving moeten worden afgehandeld. Als dit wetsvoorstel wordt aangenomen en
in werking treedt, zal eerst 14 fte worden ingezet voor de conservatoire afname van
celmateriaal. De inzet loopt daarna geleidelijk iets terug tot ongeveer 13 fte in
2031. Na enige tijd treedt een besparing op doordat het aantal veroordeelden dat zich
niet heeft gemeld bij een DNA-contactdag, zal afnemen. Van hen is in veel gevallen
immers al conservatoir celmateriaal afgenomen. De voorziene besparing heeft dus betrekking
op het feit dat er minder afnames van celmateriaal plaatsvinden in het kader van het
nu bestaande werkproces van de Wet DNA-V. Dat zal oplopen van een besparing van 3
fte in 2027 tot 4 fte in 2031. Ook zal er worden bespaard op het opsporen, aanhouden
en vervoeren van onvindbare veroordeelden. Die besparing loopt op van 17 fte in 2027
tot 23 fte in 2031. Daarnaast zal de politie een geringe besparing realiseren op het
organiseren van minder DNA-contactdagen, deze besparing is nog niet in deze berekening
meegenomen.
De leden van de fractie van de SP hebben het wetsvoorstel gelezen en hebben hier nog
een aantal vragen over. Die vragen zal ik daar waar zij aan de orde komen van een
antwoord voorzien.
De leden van de SGP-fractie vragen om aan de hand van concrete cijfers uiteen te zetten
van welk percentage veroordeelden nu ten onrechte geen DNA-profiel wordt opgesteld
omdat zij niet te vinden zijn, en hoe de conservatoire afname van celmateriaal ervoor
zorgt dat dit percentage daalt. Van de jaarlijks gemiddeld 18.000 DNA-bevelen van
het Openbaar Ministerie leidt op dit moment ruim 87% tot een profiel in de DNA-databank. Het gaat hierbij om circa 16.000 DNA-profielen. Er zijn jaarlijks circa
2.000 personen onvindbaar. De verwachting is dat door de conservatoire afname van
celmateriaal van in verzekering gestelde verdachten in de structurele situatie – dat
wil zeggen: drie jaar na de inwerkingtreding van de wet – ruim 93% van de DNA-bevelen
tot een profiel in de DNA-databank leidt. Dit betreft dan jaarlijks circa 17.000 DNA-profielen.
3. Verhouding tot hoger recht
3.1 Een inbreuk met een legitiem doel
De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat het toenmalige kabinet ten tijde van het
indienen van de motie van de leden Oskam en Van der Staaij over DNA-afname bij inverzekeringstelling
(Kamerstukken II 2014/15, 29 279, nr. 253) geen voorstander was van de conservatoire afname van celmateriaal. Zij willen graag
weten of het nu toch ingediende wetsvoorstel nieuwe argumenten of maatschappelijke
verandering oplevert die voorheen niet bestonden, waardoor draagvlak voor dit wetsvoorstel
nu wel mogelijk is.
Ik antwoord deze leden dat de aanleiding om nu met een wetsvoorstel te komen, eerst
en vooral is gelegen in de omstandigheid dat inmiddels de noodzaak van een wetswijziging
duidelijker is gebleken. Ik licht dat deze leden graag nader toe.
De in de vraag genoemde motie is destijds – in 2015 – ontraden, omdat het debat daarover
in de Kamer nog in den brede zou worden gevoerd. Een vergelijkbare motie in 2018 (Kamerstukken
II 2017/18, 29 279, nr. 450) kreeg de appreciatie «oordeel Kamer». In de periode waarin deze tweede motie werd
ingediend, was men nog in afwachting van onderzoek dat werd verricht door het WODC
en waarin een evaluatie plaatsvond van de door het Openbaar Ministerie en de politie
in 2015 ingezette maatregelen ter verbetering van de uitvoering van de bestaande Wet
DNA-V (zie daarover nader mijn antwoorden in paragraaf 1 van deze nota naar aanleiding
van het verslag). Mijn ambtsvoorganger heeft er in reactie op de motie op gewezen
dat het – gelet op onder meer de kritische voorlichting van de Raad van State uit
2016 over de mogelijkheid van conservatoire celmateriaalafname bij in verzekering
gestelde verdachten (zie ook daarover paragraaf 1) – nodig was om, alvorens een wetstraject
te starten, eerst de resultaten van die evaluatie af te wachten. Dan pas zou namelijk
de noodzaak van een wetswijziging goed kunnen worden onderbouwd.
Ik heb in paragraaf 1 uiteengezet welke verbetermaatregelen na het rapport van de
Commissie-Hoekstra zijn getroffen bij de uitvoering van de Wet DNA-V. Ook is daar
aan de orde gekomen dat het WODC deze maatregelen in 2019 positief heeft geëvalueerd.
Niettemin – zo constateerde ook het WODC – blijft een deel van de veroordeelden onvindbaar
en wordt van hen ten onrechte geen celmateriaal afgenomen voor een DNA-profiel. Dat
is inherent aan de wijze waarop de Wet DNA-V is ingericht. In hetzelfde jaar heeft
prof. mr. M. Hirsch Ballin onderzoek verricht naar de juridische houdbaarheid van
een wetswijziging die strekt tot introductie van conservatoire celmateriaalafname.
Zij concludeerde dat conservatoire celmateriaalafname van iedere in verzekering gestelde
verdachte een gerechtvaardigde inbreuk kan vormen op het recht op de persoonlijke
levenssfeer, mits wordt voorzien in strikte waarborgen ter bescherming en beveiliging
van de bewaarde gegevens (M. Hirsch Ballin, «Advies over de toets «juridische houdbaarheid
alternatieve scenario’s uitvoering Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden»», 2019. Bijlage
bij Kamerstukken II 2018/19, 32 168, M).
Tegen de achtergrond van het voorgaande is geconcludeerd dat een wetswijziging zal
moeten plaatsvinden om ervoor te zorgen dat ook de DNA-profielen van onvindbare veroordeelden
in de DNA-databank terechtkomen. Ik kan dus zeggen – gelet op alle verbetermaatregelen
die zijn genomen en de evaluaties daarvan en van de Wet DNA-V zoals die nu luidt –
dat de noodzaak van een wetswijziging is aangetoond. Bovendien is duidelijk geworden
met welke voorwaarden en waarborgen de procedure van conservatoire celmateriaalafname
moet worden omgeven. Zoals hierna ook zal blijken, is het wetsvoorstel daadwerkelijk
voorzien van de nodige voorwaarden en waarborgen om de inbreuk op grondrechten zo
beperkt mogelijk te laten zijn.
Daarmee kom ik toe aan de vraag van de leden van de SGP-fractie om te reflecteren
op eerdere kritiek over gebrek aan rechtsbescherming en proportionaliteit. Zij vragen
in dat verband om beleidsanalyses of juridische adviezen die aantonen dat potentiële
risico’s adequaat zijn ondervangen. Ook vragen zij welke aanvullende waarborgen het
wetsvoorstel bevat ter bescherming van fundamentele rechten en op welke wijze wordt
gegarandeerd dat verdachten op de hoogte worden gebracht van het DNA-bevel en effectieve
rechtsbescherming ontvangen. Op deze vragen antwoord ik als volgt.
Er is in een eerdere fase van dit wetsvoorstel kritiek geweest op de reikwijdte ervan.
Die kritiek had in het bijzonder betrekking op het precieze moment waarop het celmateriaal
conservatoir zou moeten worden afgenomen. Ook is de vraag gesteld welke strafbare
feiten met de extra DNA-profielen in de DNA-databank vermoedelijk zouden kunnen worden
opgespoord. Het zou voor de proportionaliteit van de maatregel verschil maken of het
daarbij gaat om ernstige gewelds- of zedenmisdrijven, of om relatief lichtere misdrijven
zoals winkeldiefstallen.
Allereerst wat betreft het moment van het afnemen van het celmateriaal: in de consultatieversie
van het wetsvoorstel lag het moment van het afnemen van het celmateriaal eerder in
de tijd dan het nu ligt. Het aanvankelijke voorstel was namelijk om het celmateriaal
al af te nemen als de verdachte was opgehouden voor onderzoek; dat is de fase van
vrijheidsbeneming die voorafgaat aan inverzekeringstelling. Dit scenario zou volgens
berekeningen maximaal effectief zijn, in die zin dat in 99 procent van de gevallen
waarin de Wet DNA-V verplicht om een DNA-profiel in de DNA-databank op te nemen, dat
ook daadwerkelijk zou gebeuren. Op dit scenario werd echter veel kritiek geuit omdat
het disproportioneel zou zijn: het zou er namelijk toe leiden dat van 17.400 van de
40.300 verdachten (43 procent van de gevallen dus) het celmateriaal zou moeten worden
vernietigd zonder dat er een DNA-profiel wordt opgesteld, omdat de verdachte uiteindelijk
niet wordt veroordeeld. Het aantal – naar later blijkt – onterechte afnames is in
dit scenario met andere woorden heel groot. Mede om die reden is een ander afnamescenario
gekozen, namelijk het nu centraal staande scenario: van elke in verzekering gestelde
verdachte van een voorlopige hechtenis-misdrijf wordt conservatoir celmateriaal afgenomen.
Met dit scenario zullen veel minder onnodige afnames van celmateriaal plaatsvinden.
Het is bovendien een beter uitvoerbaar scenario, zo heeft ook het OM in een nadere
reactie op het aangepaste wetsvoorstel aangegeven.
Als gezegd waren er ook vragen over de categorieën verdachten van wie conservatoir
celmateriaal zou moeten worden afgenomen. Het OM gaf in zijn consultatieadvies aan
dat de maatschappelijke noodzaak voor dit wetsvoorstel het beste zou kunnen worden
aangetoond wanneer uit cijfers blijkt dat de personen van wie de DNA-profielen ten
onrechte niet in de DNA-databank zijn opgenomen, ernstige misdrijven plegen of hebben
gepleegd. Dat onderken ik, maar die noodzaak bestaat ook als het juist de onvindbare
veroordeelden zijn van wie het DNA-profiel relatief vaak zou overeenkomen met DNA-profielen
van sporen in de DNA-databank. Dat laatste is het geval. Uit in 2019 uitgevoerd WODC-onderzoek blijkt dat de onvindbare veroordeelden vooral zijn veroordeeld voor vermogensmisdrijven
en dat juist bij deze soort misdrijven het vaakst een overeenkomst in de DNA-databank
wordt aangetroffen tussen een DNA-profiel van een persoon en een DNA-profiel van een
spoor. Dat onderstreept het belang om de DNA-profielen van deze onvindbare veroordeelden
– die zeer overlast gevende delicten plegen – in de DNA-databank op te nemen. Dat
geldt temeer aangezien vermogensdelicten de delictscategorie vormen waarin het meest
wordt gerecidiveerd, en DNA-onderzoek dus een duidelijke meerwaarde kan hebben, mits
het DNA-profiel van de dader zich in de DNA-databank bevindt (in de memorie van toelichting
is hier uitgebreid op ingegaan). Veroordeelden van ernstige gewelds- en zedendelicten
zitten vaak gedurende hun proces vast, zodat zij ook niet onvindbaar zullen zijn na
een veroordeling. Uiteraard is het ook bij deze categorie veroordeelden van groot
belang dat hun DNA-profiel in de DNA-databank wordt opgenomen, maar het probleem van
onvindbaarheid na de veroordeling speelt bij deze categorie veroordeelden dus in veel
mindere mate. Gelet op hetgeen ik hiervoor heb uiteengezet, neemt dit echter de noodzaak
van dit wetsvoorstel niet weg.
Dan wat betreft de aanvullende maatregelen en waarborgen waarnaar de leden van de
SGP-fractie vragen. De voorgestelde regeling van conservatoire celmateriaalafname
is ingericht aan de hand van een aantal voorwaarden en waarborgen om de inbreuk die
op grondrechten van burgers wordt gemaakt zoveel mogelijk te beperken. Ook Hirsch
Ballin benoemt deze voorwaarden en waarborgen in haar eerder genoemde onderzoek. Allereerst
wordt het conservatoir afgenomen celmateriaal in een aparte, beveiligde omgeving gecodeerd
opgeslagen, dus zonder dat persoonsgegevens van de verdachte aan het celmateriaalmonster
zijn gekoppeld. Het celmateriaal kan alleen uit deze opslag worden gehaald als er
een grond bestaat voor het bepalen en verwerken van het DNA-profiel. Het celmateriaal
dient te worden vernietigd zodra duidelijk is dat geen veroordeling zal volgen. Er
wordt een bewaartermijn gekoppeld aan het conservatoir afgenomen celmateriaal, zodat
het niet oneindig lang kan worden bewaard. De procedure voor de afname, het vervoer
en het bewaren van het celmateriaal wordt voorzien van verschillende veiligheidsvoorschriften
die verzekeren dat het conservatoir afgenomen celmateriaal niet kan worden gebruikt
totdat sprake is van een grondslag daarvoor. En de verdachte zal bij de afname van
het celmateriaal goed worden geïnformeerd over het vervolg van de procedure en de
mogelijkheid om na een eventuele veroordeling bezwaar in te dienen tegen een – op
dat moment door de officier van justitie afgegeven – DNA-bevel. In het Besluit DNA-onderzoek
in strafzaken zullen verschillende wijzigingen worden doorgevoerd, zodat de procedure
rond de afname en de verdere verwerking van het conservatoir afgenomen celmateriaal
optimaal is gewaarborgd.
Vermeldenswaard in dit verband is ook dat in november 2023 een data protection impact
assessment (DPIA) is uitgevoerd. Dit was een assessment op hoofdlijnen. Uit het assessment
is gebleken dat het wetsvoorstel – voor zover dat in 2023 inzichtelijk was – leidt
tot vijf nieuwe verwerkingen van bijzondere en strafrechtelijke gegevens. Geconcludeerd
is dat de wettelijke grondslag voor deze verwerkingen goed is gewaarborgd. De verwerkingen
worden voldoende proportioneel geacht en geconcludeerd is dat er geen alternatieve,
minder vergaande maatregelen zijn om dezelfde doelen te verwezenlijken. Inmiddels
zijn er grote stappen maakt met de inrichting van het ketenproces en de bijbehorende
architectuur. Zodra die instrumenten zijn vastgesteld, zal er beter zicht zijn op
de nieuwe en gewijzigde gegevensstromen en zal er – naast de DPIA’s die de ketenpartners
intern uitvoeren op de nieuwe en gewijzigde interne verwerkingen van persoonsgegevens
– ook een keten-DPIA worden uitgevoerd. Ik benoemde dit al in paragraaf 2, in antwoord
op een vraag hierover van de leden van de VVD-fractie.
Ten slotte wijs ik erop dat naar aanleiding van het advies van de Raad van State en
eerdere adviezen van de Raad voor de rechtspraak (Rvdr) en de Nederlandse Vereniging
voor Rechtspraak (NVvR) nog een extra waarborg aan het wetsvoorstel is toegevoegd
ter versterking van de rechtsbescherming van de veroordeelde van wie – toen hij nog
verdachte was – conservatoir celmateriaal is afgenomen. Er wordt namelijk een specifieke
regeling getroffen voor het indienen van een bezwaarschrift als conservatoir celmateriaal
is afgenomen en het na een veroordeling gegeven DNA-bevel niet in persoon is betekend.
Dit vergt enige toelichting. Nu is het zo dat als de officier van justitie een DNA-bevel
geeft, de veroordeelde twee weken de tijd heeft om een bezwaarschrift in te dienen
tegen het opstellen en opslaan van zijn DNA-profiel. Met dit wetsvoorstel zal de officier
van justitie nog steeds een DNA-bevel moeten geven na een veroordeling, ook al is
het daarvoor benodigde celmateriaal al eerder conservatoir afgenomen. De mogelijkheid
om een bezwaarschrift in te dienen tegen het DNA-bevel blijft ook bestaan: na het
betekenen van het DNA-bevel heeft de veroordeelde twee weken de tijd om bezwaar in
te dienen tegen het – met het conservatoir al afgenomen celmateriaal – opstellen en
opslaan van een DNA-profiel. Het proces verandert echter wel voor de betrokkene: hij
staat als verdachte al celmateriaal af, dat pas na een veroordeling kan worden gebruikt
voor het opstellen van een DNA-profiel. Er kunnen jaren verstrijken tussen het moment
van de conservatoire afname van het celmateriaal en het geven van een DNA-bevel door
de officier van justitie. Als het DNA-bevel niet aan de veroordeelde in persoon wordt
betekend (dat wil zeggen: niet aan hem persoonlijk is overhandigd), is het denkbaar
dat de veroordeelde er pas na het verstrijken van de bezwaartermijn achter komt dat
er een DNA-profiel van hem is opgesteld. Het kan soms immers lange tijd geleden zijn
sinds de veroordeelde zijn celmateriaal heeft afgestaan, zodat hij ook niet alert
is geweest op een mogelijk DNA-bevel. Voor deze specifieke situatie – het celmateriaal
is conservatoir afgenomen en het na een veroordeling gegeven DNA-bevel is niet in
persoon betekend – wordt geregeld dat de veroordeelde veertien dagen de tijd heeft
om een bezwaarschrift in te dienen na moment waarop hij met het DNA-bevel bekend is
geraakt. Als dat bezwaarschrift gegrond wordt bevonden, moeten het DNA-profiel, het
daaraan ten grondslag liggende celmateriaal en overige gegevens over de veroordeelde
worden verwijderd. Als het DNA-bevel wel in persoon wordt betekend, geldt een bezwaartermijn
van twee weken die ingaat op de dag na de dag van betekening. Deze regeling voorkomt
dus niet dat er een DNA-profiel van de veroordeelde wordt opgesteld – anders zou het
nuttig effect van het wetsvoorstel verloren gaan – maar zorgt er wel voor dat de veroordeelde
een rechtsmiddel kan aanwenden als hij niet op de hoogte was van het feit dat een
DNA-bevel was gegeven.
3.2 Proportionaliteit en subsidiariteit
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of er EU-lidstaten zijn waar celmateriaal
op gelijke wijze (namelijk conservatoir) en op een vergelijkbaar moment in de opsporingsfase
wordt afgenomen als in dit wetsvoorstel. Als dat het geval is, vragen deze leden hoe
deze wetgeving in die landen wordt gewaardeerd in het licht van artikel 8 EVRM.
Ik ben niet bekend met andere landen waarin een systeem van conservatoire celmateriaalafname
bestaat, oftewel: een systeem waarin celmateriaal tijdens het opsporingsonderzoek
wordt afgenomen en daarmee pas na een veroordeling een DNA-profiel wordt opgesteld.
De ons omringende landen kennen zo’n systeem in ieder geval niet. Wel kennen deze
landen soms ruime mogelijkheden om van verdachten en veroordeelden celmateriaal af
te nemen om daarmee direct een DNA-profiel op te stellen. Ik geef hierna een korte
schets.
In het Verenigd Koninkrijk kan celmateriaal in de vorm van onder meer wangslijm en
haren («non intimate samples») in nader bepaalde gevallen van verdachten en veroordeelden
worden afgenomen op grond van artikel 63 van de Police and Criminal Evidence Act.
Daarvan kan direct een DNA-profiel worden bepaald dat wordt opgeslagen in de DNA-databank.
Van conservatoire celmateriaalafname is dus geen sprake. Ook Frankrijk kent geen systeem
van conservatoire celmateriaalafname. Als celmateriaal wordt afgenomen, is dat om
daarmee direct een DNA-profiel op te stellen voor de DNA-databank. Op grond van artikel
706–54 van de Code de Procédure Pénale is het doel van de DNA-databank dat zij DNA-profielen bevat van personen die zijn veroordeeld wegens een aantal in artikel 706–55
genoemde (ernstige) misdrijven. Ook DNA-profielen van personen die worden verdacht
van deze feiten mogen onder bepaalde voorwaarden in de DNA-databank worden opgeslagen.
Op grond van artikel 706–56 kan een politieambtenaar daartoe celmateriaal (laten)
afnemen. In Duitsland mag van verdachten en veroordeelden in bepaalde gevallen celmateriaal
worden afgenomen om daarmee direct een DNA-profiel op te stellen dat kan worden gebruikt
om hen als verdachte van andere strafbare feiten te kunnen identificeren (zie artikel
81g, eerste en vierde lid, van de Strafprozessordnung). Ook hier wordt dus direct
een DNA-profiel opgesteld. Aan de afname van het celmateriaal en het daaropvolgende
opstellen van het DNA-profiel gaat wel een individuele beoordeling vooraf. Dit mag
alleen als de betrokkene een bepaald ernstig strafbaar feit heeft begaan of daarvan
wordt verdacht, en als de aard van het strafbare feit of de wijze waarop het is gepleegd,
de persoonlijkheid van de verdachte of veroordeelde of andere gegevens aanleiding
geven om aan te nemen dat tegen hem of haar in de toekomst een strafprocedure zal
worden gevoerd ter zake van een ernstig strafbaar feit. In België regelt de Wet betreffende
de identificatieprocedure via DNA-analyse in strafzaken de mogelijkheid tot het afnemen van celmateriaal bij verdachten
en veroordeelden, waarbij dit celmateriaal steeds direct wordt gebruikt voor het opstellen
van een DNA-profiel. Op grond van artikel 5 van deze wet mag een bevel tot het afnemen
van celmateriaal van een veroordeelde worden gegeven als de betrokkene onherroepelijk
is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende sanctie wegens nader bepaalde ernstige strafbare
feiten. Het met het celmateriaal opgestelde DNA-profiel wordt opgenomen in de DNA-gegevensbank
«Veroordeelden». Voor verdachten geldt dat celmateriaal alleen mag worden afgenomen
bij een verdenking van een ernstig strafbaar feit en indien in het desbetreffende
onderzoek ten minste een spoor van menselijk celmateriaal werd aangetroffen en verzameld
(artikel 90undecies van het Belgische Wetboek van Strafvordering). Het DNA-profiel
mag alleen worden gebruikt voor een vergelijking met DNA-profielen van in andere strafzaken
aangetroffen sporen (de DNA-gegevensbank «Criminalistiek»). Na een veroordeling wegens
een strafbaar feit en tot een sanctie als hiervoor genoemd, mag het opgestelde DNA-profiel
worden opgeslagen in de DNA-databank «Veroordeelden».
De leden van de VVD-fractie vragen of het Europees Hof voor de rechten van de mens
(EHRM) in specifieke zaken heeft geoordeeld over een systeem van conservatoire celmateriaalafname.
In de memorie van toelichting worden namelijk alleen zaken genoemd waarin direct na
de afname van het celmateriaal een DNA-profiel werd bepaald. Ook vragen deze leden
of kan worden toegelicht welke stappen er in het Verenigd Koninkrijk zijn gezet na
het arrest van het EHRM in de zaken S. en Marper tegen het Verenigd Koninkrijk in
2008. In zijn uitspraak in deze zaken stelde het EHRM een schending vast van artikel
8 EVRM (het recht op privacy) vanwege – kort gezegd – de in het Verenigd Koninkrijk
onbepaalde bewaartermijnen van DNA-profielen, ongeacht of de verdachte was veroordeeld
of vrijgesproken, en gebrekkige mogelijkheden om de DNA-profielen te laten verwijderen
als het bewaren daarvan niet langer noodzakelijk werd geacht.
Zoals hiervoor al aan de orde kwam, kennen de ons omringende landen geen systeem van
conservatoire celmateriaalafname. Deze landen kennen soms ruime mogelijkheden om celmateriaal
af te nemen bij de verdachten en veroordeelden, aan de hand waarvan direct een DNA-profiel
wordt opgesteld. Die regelingen zijn dus ingrijpender dan de in dit wetsvoorstel voorgestelde
regeling van conservatoire afname van celmateriaal, omdat conservatoir afgenomen celmateriaal
pas mag worden gebruikt voor het opstellen van een DNA-profiel nádat iemand is veroordeeld.
Ik ben evenmin bekend met zaken die voor het EHRM hebben gediend en waarin een regeling
centraal stond zoals in dit wetsvoorstel wordt voorgesteld. Er zijn wel zaken waarin
het EHRM heeft geoordeeld over de verenigbaarheid met artikel 8 EVRM van (de concrete
toepassing van) een nationale regeling over DNA-onderzoek en de opslag van DNA-profielen,
maar dat zijn zaken waarin met het afgenomen celmateriaal direct een DNA-profiel werd
bepaald en bewaard. In deze zaken staat vooral de duur van de bewaartermijnen van
de opgestelde DNA-profielen ter discussie: de vraag die aan het EHRM in verschillende
zaken is voorgelegd, is of die bewaartermijn – die soms onbepaald is en/of niet differentieert
naar de ernst van het onderliggende strafbare feit – verenigbaar is met het recht
op privacy zoals neergelegd in artikel 8 EVRM (zie bijvoorbeeld EHRM 13 februari 2020,
nr. 45245/15 (Gaughran tegen het Verenigd Koninkrijk), rechtsoverweging 94, EHRM 13 februari
2020, nrs. 53205/13 en 63320/13 (Trajkovski en Chipovski tegen Noord Macedonië, rechtsoverweging
54) en EHRM 22 juni 2017, nr. 8806/12 (Aycaguer tegen Frankrijk), rechtsoverweging
42 tot en met 46).
Naar aanleiding van de uitspraak van het EHRM in de zaken S. en Marper tegen het Verenigd
Koninkrijk zijn in Engeland en Wales de regels over het bewaren en vernietigen van
DNA-profielen en onderliggende monsters celmateriaal aangescherpt. Dat is gebeurd
met de zogenoemde Protection of Freedoms Act 2012, die op 31 oktober 2013 in werking
is getreden. Daarin is allereerst bepaald dat monsters celmateriaal uiterlijk zes maanden
na de afname moeten worden vernietigd, tenzij het monster nodig is als bewijs in de
strafzaak. Voor de uit het celmateriaal opgestelde DNA-profielen gelden nieuwe, aangepaste
bewaartermijnen. In dat verband wordt onderscheid gemaakt tussen minderjarigen en
meerderjarigen. Voor beiden categorieën geldt dat als zij zijn veroordeeld voor ernstige
misdrijven («qualifying offences») – zoals geweldsmisdrijven en seksuele misdrijven
– hun DNA-profiel gedurende onbepaalde tijd kan worden bewaard. Als het gaat om minder
ernstige delicten wordt een onderscheid gemaakt tussen meerderjarige en minderjarige
veroordeelden. Bij meerderjarige veroordeelden geldt een onbeperkte bewaartermijn;
bij minderjarige veroordeelden geldt bij de eerste veroordeling een bewaartermijn
van vijf jaar plus de lengte van een opgelegde gevangenisstraf. Als de gevangenisstraf
vijf jaar of meer is of sprake is van een tweede veroordeling, geldt een onbeperkte
bewaartermijn. Voor gevallen waarin (nog) geen veroordeling heeft plaatsgevonden,
gelden veel kortere bewaartermijnen, van maximaal vijf jaar (vgl. EHRM 13 februari
2020, nr. 45245/15 (Gaughran tegen het Verenigd Koninkrijk), rechtsoverwegingen 24–27,
waarin het EHRM de nieuwe wetgeving beschrijft).
Op de vraag van de SP-fractie of er – nadat in reactie op de consultatieadviezen is
gekozen voor een ander moment van celmateriaalafname – nog overleg is geweest met
de geconsulteerde organen die zich hierover kritisch uitten, antwoord ik het volgende.
Het is niet gebruikelijk om na de fase van consultatie de (als gevolg van de consultatieadviezen)
doorgevoerde aanpassingen voor te leggen aan de reeds geconsulteerde organen. Dat
ligt anders als die aanpassingen (substantiële) uitvoeringsconsequenties hebben voor
bepaalde organisaties. In dit geval had het in de consultatieversie gekozen scenario
voor de afname van celmateriaal mogelijk verstrekkende uitvoeringsconsequenties voor
de politie, de Koninklijke Marechaussee (KMar) en het Openbaar Ministerie. Daar is,
met name door het Openbaar Ministerie, kritiek op geuit. Naar aanleiding van de consultatieadviezen
is het scenario voor celmateriaalafname gewijzigd. Het Openbaar Ministerie, de politie
en de KMar – die laatste twee als bij de celmateriaalafname direct betrokken organisaties
– zijn daarop in de gelegenheid gesteld uiteen te zetten of het nieuw gekozen moment
voor de afname van celmateriaal – afname bij inverzekeringstelling – voor hun organisatie
uitvoerbaar is. Het OM heeft in reactie daarop aangegeven de nieuwe voorgestelde regeling
proportioneler, doelmatiger en beter uitvoerbaar te achten. Ook de politie en de KMar
achten het nieuwe scenario uitvoerbaar, maar zijn van oordeel dat het minder effectief
zal zijn dan het aanvankelijk gekozen scenario. De door de politie gedane suggestie
om bij verdachten zonder vaste woon- of verblijfplaats die alleen worden opgehouden
voor onderzoek (en niet in verzekering worden gesteld), ook conservatoir celmateriaal
af te nemen, is niet opgevolgd. Het wetsvoorstel zou daarmee aan proportionaliteit
inboeten en juist op de proportionaliteit van het afnamemoment is in de consultatieadviezen
veel kritiek geuit. Daarbij is opgemerkt dat verdachten van een voorlopige hechtenis-misdrijf
zonder vaste woon- of verblijfplaats relatief vaak in verzekering worden gesteld en
daarmee dus onder de doelgroep van het wetsvoorstel vallen.
Op de vraag van de leden van de SP-fractie hoeveel verdachten jaarlijks in verzekering
worden gesteld en hoeveel mensen er jaarlijks meer dan onder de huidige wet celmateriaal
zullen moeten afstaan, antwoord ik als volgt. Jaarlijks worden circa 38.000 meerderjarige
verdachten door de politie en de Koninklijke Marechaussee in verzekering gesteld.
Op grond van de huidige Wet DNA-V wordt circa 16.000 keer per jaar celmateriaal afgenomen.
Dit betreft celmateriaal van meerderjarige en minderjarige veroordeelden wegens een
voorlopige hechtenis-misdrijf tot bepaalde straffen, van wie er nog geen DNA-profiel
in de DNA-databank is opgenomen. Naar verwachting zal dit onder de nieuwe wet in de
structurele situatie circa 22.000 keer per jaar plaatsvinden. Er zullen jaarlijks
dus zo’n 6.000 celmateriaalafnames bij komen. Een groot deel van die celmateriaalafnames
– ongeveer 14.000 – zullen conservatoire celmateriaalafnames zijn, de resterende 8.000
zijn de gevallen waarin het bestaande werkproces – afname van celmateriaal ná een
veroordeling – wordt gevolgd. Het gaat in die laatste gevallen om minderjarige veroordeelden
en om meerderjarige veroordeelden die niet in verzekering gesteld zijn geweest. Uiteindelijk
leiden de 22.000 afnames celmateriaal (conservatoir en na veroordeling) in de nieuwe
situatie tot jaarlijks circa 17.000 DNA-profielen in de databank.
De leden van de fractie van de SGP vragen hoe de regering is tegemoetgekomen aan de
eerdere kritiek van de Raad van State dat de proportionaliteit van het wetsvoorstel
onvoldoende was onderbouwd, en hoe wordt gewaarborgd dat de conservatoire afname van
celmateriaal proportioneel is in verhouding tot de inbreuk die wordt gemaakt op het
in artikel 8 EVRM neergelegde recht op privacy. Ik verwijs deze leden graag naar mijn
eerdere antwoorden in paragraaf 1 en paragraaf 3.1 van deze nota naar aanleiding van
het verslag. Daar heb ik uiteengezet waarom de Raad van State in zijn voorlichting
in 2016 kritisch was over het voornemen tot introductie van een systeem van conservatoire
celmateriaalafname, en wat er sinds die tijd is gebeurd om de uitvoering van de huidige
Wet DNA-V te optimaliseren. Ook heb ik daar uiteengezet dat de Raad van State in zijn
over dit wetsvoorstel uitgebrachte advies heeft geoordeeld dat de noodzaak en proportionaliteit
van conservatoire afname bij alle verdachten die in verzekering worden gesteld vanwege
een voorlopige hechtenis-misdrijf, voldoende aannemelijk zijn gemaakt. Ten slotte
ben ik in die paragrafen ingegaan op de voorwaarden en waarborgen die in het wetsvoorstel
zijn ingebouwd om de inbreuk die met conservatoire celmateriaalafname wordt gemaakt
op het recht op privacy, zo beperkt mogelijk te laten zijn.
4. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom een scenario waarin celmateriaal
pas wordt afgenomen nadat een rechter de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling
heeft getoetst en/of de voorlopige hechtenis (bewaring) heeft bevolen, relatief weinig
effectief is. Ook vragen zij een reflectie van de regering op hun inschatting dat
een rechterlijke beoordeling zal bijdragen aan de proportionaliteit van het voorstel
en onnodige afnames kan voorkomen. Ten slotte vragen zij waarom er geen rechtsmiddel
wordt gecreëerd tegen de beslissing tot conservatoire afname van het celmateriaal.
Ik licht deze leden graag nader toe waarom er niet is gekozen voor een scenario waarin
conservatoir celmateriaal pas wordt afgenomen nadat de rechter-commissaris de zaak
heeft beoordeeld. Het zou dan inderdaad moeten gaan om de situatie waarin het celmateriaal
wordt afgenomen na de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling,
of nadat de bewaring is bevolen (deze twee momenten vallen in de praktijk vaak samen).
In de in 2019 opgestelde scenarioanalyse, waarin van verschillende afnamescenario’s
de effectiviteit is berekend, komt het scenario waarin afname plaatsvindt van iedere
verdachte die in bewaring wordt gesteld, als relatief weinig effectief naar voren.
Van de personen van wie het DNA-profiel in de DNA-databank terecht zou moeten komen,
zou dat in negentig procent ook daadwerkelijk gebeuren. Op dit moment is dat, zoals
hierboven in deze nota is aangegeven, 87 procent. De beperkte effectiviteit van dit
scenario laat zich waarschijnlijk verklaren door de omstandigheid dat een groot aantal
verdachten die in verzekering worden gesteld, vervolgens niet in bewaring worden gesteld.
Voor deze verdachten zou in dit scenario het bestaande regime blijven gelden: het
celmateriaal wordt afgenomen na een veroordeling. Als deze veroordeelden onvindbaar
blijken te zijn, kan van hen geen celmateriaal worden afgenomen. Het wetsvoorstel
zou dan eigenlijk nauwelijks een oplossing bieden voor het geconstateerde probleem.
Simpel gezegd geldt: hoe eerder in de procedure het celmateriaal van de verdachte
wordt afgenomen, hoe effectiever het wetsvoorstel zal zijn. Zoals echter hiervoor
ook al aan de orde kwam geldt ook: hoe eerder het celmateriaal wordt afgenomen, hoe
vaker het zal voorkomen dat die afname – naar later blijkt – onterecht blijkt te zijn,
omdat de verdachte niet wordt veroordeeld. Dat doet afbreuk aan de proportionaliteit
van de maatregel van conservatoire celmateriaalafname. In de memorie van toelichting
is uiteengezet dat om die reden is gekozen voor het scenario waarin het celmateriaal
wordt afgenomen bij de inverzekeringstelling. Het wetsvoorstel is daarmee nog steeds
voldoende effectief, terwijl het proportioneler is dan het oorspronkelijke voorstel
om het celmateriaal in een fase voorafgaand aan inverzekeringstelling af te nemen.
Deze leden vragen ook om een reflectie van de regering op hun mening dat een rechterlijke
beoordeling wel zal bijdragen aan de proportionaliteit van het voorstel en onnodige
afnames kan voorkomen. Een rechterlijke beoordeling kan in veel gevallen de door deze
leden genoemde bijdrage leveren, maar in dit geval naar mijn oordeel niet. Een toets
door de rechter-commissaris in dit wetsvoorstel heeft geen meerwaarde waar het gaat
om het bieden van rechtsbescherming aan de verdachte. De criteria voor conservatoire
afname in dit voorstel laten namelijk nagenoeg geen ruimte voor afweging; celmateriaal
zal altijd moeten worden afgenomen bij een verdachte die in verzekering wordt gesteld
wegens verdenking van een voorlopige hechtenismisdrijf. Een individuele beoordeling
van de voorliggende zaak vindt niet plaats. Als de rechter-commissaris zou worden
belast met de beantwoording van de eenvoudige vraag of aan deze criteria voor conservatoire
celmateriaalafname is voldaan, zou hij een soort stempelmachine worden. Bovendien
mag het celmateriaal pas worden gebruikt voor het opstellen van een DNA-profiel na
een veroordeling én een bevel van de officier van justitie. Tot die tijd ligt het
– apart en gecodeerd (dus zonder vermelding van persoonsgegevens) – opgeslagen bij
de beheerorganisatie: het NFI. De inbreuk die wordt gemaakt op de privacy van de betrokkene
is daarmee relatief beperkt. Met het voorgaande is ook de vraag beantwoord waarom
er geen rechtsmiddel wordt gecreëerd tegen de beslissing tot conservatoire afname
van het celmateriaal: dat rechtsmiddel zou weinig betekenis hebben, omdat alleen kan
worden getoetst of de betrokkene wordt verdacht van een voorlopige hechtenismisdrijf
en tegen hem de inverzekeringstelling is bevolen.
Ik hecht eraan nogmaals te benadrukken dat na een eventuele veroordeling de officier
van justitie de bevoegde autoriteit is om een DNA-bevel te geven. Hij moet de vraag
beantwoorden of van het conservatoir afgenomen celmateriaal van de veroordeelde een
DNA-profiel moet worden opgesteld, dat wordt opgeslagen in de DNA-databank. Als de
officier van justitie daartoe een bevel geeft, kan tegen die beslissing een rechtsmiddel
worden aangewend: de veroordeelde kan bij de rechtbank bezwaar maken tegen het bepalen
en in de DNA-databank opslaan van zijn DNA-profiel. Deze vorm van rechtsbescherming
is versterkt naar aanleiding van het advies van de Raad van State en eerdere adviezen
van de Rvdr en de NVvR (zie uitgebreid paragraaf 3.1 van deze nota naar aanleiding
van het verslag).
De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat het afnamepercentage in het gekozen scenario
stijgt van 87 naar 96 procent. Zij vragen waarop die 96 procent is gebaseerd en of
dit percentage uiteindelijk hoger kan uitvallen. Deze leden antwoord ik dat het genoemde
percentage afkomstig is uit een scenarioanalyse over de conservatoire afname van celmateriaal
bij verdachten. In deze analyse, in 2019 verricht door onderzoeksbureau Significant,
is voor verschillende scenario’s van de afname van celmateriaal doorgerekend bij hoeveel
procent van de DNA-bevelen daadwerkelijk een DNA-profiel in de DNA-databank zal worden
opgenomen. Dat percentage lag ten tijde van dat onderzoek op 87,5 procent, en zou
in het gekozen scenario – celmateriaal wordt afgenomen bij alle verdachten van een
voorlopige hechtenis-misdrijf bij inverzekeringstelling – stijgen naar 96 procent.
In juli 2025 heeft mijn ministerie de doeltreffendheid van het gekozen scenario nogmaals
doorgerekend. Toen is geconcludeerd dat als het voorliggende wetsvoorstel wordt aangenomen
en in werking treedt, ruim 93 procent van de DNA-bevelen zal leiden tot opname van
een DNA-profiel in de DNA-databank. Het iets lagere percentage wordt met name verklaard
door het feit dat in de berekeningen in 2019 minderjarigen waren meegenomen en in
de berekeningen in 2025 niet. In dit wetsvoorstel wordt geen conservatoire afname
van celmateriaal mogelijk gemaakt bij minderjarige verdachten. In paragraaf 6 van
deze nota naar aanleiding van het verslag wordt uiteengezet waarom die keuze is gemaakt.
Deze leden vragen ook in welke situaties, als dit wetsvoorstel wordt aangenomen en
in werking treedt, alsnog geen conservatoir celmateriaal zal worden afgenomen bij
verdachten die wel voldoen aan de voorwaarden voor conservatoire celmateriaalafname.
In reactie hierop merk ik op dat van elke in verzekering gestelde meerderjarige verdachte
van een voorlopige hechtenis-misdrijf conservatoir celmateriaal zal worden afgenomen.
Het proces van conservatoire celmateriaalafname wordt dan ook ingericht op afname
van het celmateriaal op het politiebureau of bij de KMar, in de fase voorafgaand aan
de aanvang van de voorlopige hechtenis. Slechts in uitzonderlijke gevallen zal het
niet lukken om celmateriaal af te nemen in de fase van inverzekeringstelling. Denk
bijvoorbeeld aan de situatie dat er ICT-problemen bestaan, waardoor de afname niet
in de systemen kan worden verwerkt. In die gevallen kan – als de verdachte in voorarrest
zit – ook naderhand nog conservatoir celmateriaal worden afgenomen. Het wetsvoorstel
biedt hiervoor expliciet de mogelijkheid (zie artikel I, onder A (het voorgestelde
artikel 2, tweede lid)). Wellicht ten overvloede wijs ik er nog op dat dit wetsvoorstel
niet ertoe kan leiden dat het percentage DNA-profielen dat in de DNA-databank hoort
te zijn opgeslagen, naar honderd procent gaat. In paragraaf 1 legde ik al uit dat
het wetsvoorstel niet van toepassing is op minderjarige verdachten, en dat niet elke
meerderjarige verdachte in verzekering wordt gesteld. Bij deze verdachten wordt dus
niet conservatoir celmateriaal afgenomen. Voor hen blijft het huidige werkproces,
waarin het celmateriaal wordt afgenomen na een veroordeling, in stand. Als zij dan
onvindbaar blijken te zijn, zal van hen geen DNA-profiel in de DNA-databank kunnen worden opgeslagen. Het betreft echter een zeer beperkte categorie
personen.
De leden van de SGP-fractie vragen wanneer het celmateriaal direct wordt vernietigd
en waarom de criteria hiervoor niet expliciet zijn opgenomen in de wet, zoals geadviseerd
door de Raad van State.
Conservatoir afgenomen celmateriaal moet worden vernietigd zodra zich een omstandigheid
voordoet die meebrengt dat de verdachte niet langer kan worden aangemerkt als verdachte
van een voorlopige hechtenis-misdrijf. Hiervan is in ieder geval sprake bij een beslissing
tot niet-vervolging, een kennisgeving van niet verdere vervolging, een onherroepelijke buitenvervolgingstelling,
een rechterlijke verklaring dat de zaak geëindigd is, een onherroepelijke vrijspraak
of een onherroepelijk ontslag van alle rechtsvervolging waarbij niet een tbs-maatregel
of ISD-maatregel is opgelegd of een zorgmachtiging is afgegeven. Artikel 16 van het
Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, dat dit regelt voor de bestaande situaties waarin
celmateriaal van de verdachte is afgenomen en een DNA-profiel van hem is opgesteld,
zal met het oog hierop worden aangepast.
De Raad van State heeft geadviseerd om nader af te wegen of de bewaartermijn van conservatoir
afgenomen celmateriaal en de gevallen waarin het celmateriaal direct moet worden vernietigd,
niet in het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, maar in de Wet DNA-V neer te leggen.
Er is niet voor gekozen genoemde onderwerpen in de Wet DNA-V op te nemen, omdat dat
een wijziging van de wetssystematiek zou vergen die het bestek van dit wetsvoorstel
te buiten gaat en bovendien niet noodzakelijk is in het licht van hoger recht. Bewaartermijnen
mogen ook worden neergelegd in een algemene regel van bestuur, zolang de inhoud daarvan
voldoende kenbaar en voorzienbaar is. Op dit moment is het zo dat de concrete regels
over de vernietiging van celmateriaal en DNA-profielen zijn neergelegd in het Besluit
DNA-onderzoek in strafzaken. Daarvoor is gekozen omdat de belangrijkste regels die
gelden voor het bewaren en vernietigen van DNA-profielen en celmateriaal al zijn vastgelegd
in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Uitvoeringswet AVG (voorheen
de Wet bescherming persoonsgegevens). Daarin is in het algemeen neergelegd dat persoonsgegevens
niet langer mogen worden bewaard dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de
doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. In het huidige artikel 2, zesde lid, van
de Wet DNA-V is neergelegd dat DNA-profielen slechts worden verwerkt voor – voor zover
hier van belang – de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare
feiten. Als die doeleinden met de bewaring niet meer kunnen worden nagestreefd, volgt
uit artikel 2, zesde lid, van de Wet DNA-V in combinatie met de gegevensbeschermingswetgeving
dat de DNA-profielen en het celmateriaal moeten worden vernietigd. In het Besluit
DNA-onderzoek in strafzaken worden vervolgens de gevallen geconcretiseerd waarin bewaring
met het oog op dat doel niet langer noodzakelijk is. Aan deze systematiek wordt met
dit wetsvoorstel vastgehouden. Daarbij speelt een rol dat het Besluit DNA-onderzoek
in strafzaken ook uitvoering geeft aan de bevoegdheden tot het afnemen van celmateriaal
ten behoeve van DNA-onderzoek in het Wetboek van Strafvordering. Zowel binnen het
kader van het wetgevingsprogramma nieuw Wetboek van Strafvordering als daarbuiten
wordt op dit moment de wettelijke normering van de strafvorderlijke gegevensverwerking
onderzocht (vgl. Kamerstukken II 2024/25, 29 279, nr. 923 en 36 327, nr. 53). Ook tegen die achtergrond bezien is er nu geen aanleiding om de bestaande systematiek
in het verband van dit wetsvoorstel te veranderen.
De leden van de ChristenUnie-fractie wijzen op de inbreuk die met het wetsvoorstel
wordt gemaakt op fundamentele rechtsbeginselen, zoals de onschuldpresumptie, het recht
op privacy en het recht op bescherming van persoonsgegevens. Voor een antwoord op
hun vraag waarom de regering de inmenging in deze rechten gerechtvaardigd acht, verwijs
ik graag naar mijn eerder gegeven antwoorden in paragrafen 1 en 3.1 van deze nota
naar aanleiding van het verslag. Daar is uiteengezet welke verbetermaatregelen na
het rapport van de Commissie-Hoekstra zijn getroffen bij de uitvoering van de huidige
Wet DNA-V en is naar voren gebracht dat – niettegenstaande die verbetermaatregelen
– een deel van de veroordeelden onvindbaar blijft. Van hen wordt ten onrechte geen
celmateriaal afgenomen voor een DNA-profiel. Dat is inherent aan de wijze waarop de
Wet DNA-V nu is ingericht. Een wetswijziging is in dat licht bezien noodzakelijk.
In paragraaf 3.1 ben ik ook ingegaan op de wijze waarop aan eerdere kritiek op de
reikwijdte van het wetsvoorstel is tegemoetgekomen, de voorwaarden waaronder conservatoir
celmateriaal mag worden afgenomen, en de waarborgen waarmee de afname en opslag van
het celmateriaal worden omgeven. Gelet daarop, en in aanmerking genomen het grote
belang van een goed gevulde DNA-databank bij de opsporing, vervolging en berechting
van strafbare feiten, voldoet de inbreuk op de rechten van de verdachte aan de vereisten
van proportionaliteit en subsidiariteit. Met betrekking tot de door deze leden genoemde
onschuldpresumptie, hecht ik er aan te benadrukken dat conservatoir afgenomen celmateriaal
moet worden vernietigd zodra duidelijk is dat er geen veroordeling zal volgen. Eerder
in deze paragraaf benoemde ik dat al naar aanleiding van een vraag van de leden van
de fractie van de SGP. De onschuldpresumptie is hier dus niet in het geding. Dat was
anders in de zaak S. en Marper tegen het Verenigd Koninkrijk die voor het EHRM diende,
omdat de klagers in die zaak niet waren veroordeeld, maar hun DNA-profielen niettemin
gedurende onbepaalde tijd werden bewaard, net zoals het geval was met DNA-profielen van veroordeelden (vgl. EHRM 4 december 2008, 30562/04 en 30566/04 (S. en
Marper tegen het Verenigd Koninkrijk), rechtsoverweging 122).
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen ook of de regering meer informatie
kan verschaffen over de gevallen waarin binnen het huidige wettelijke kader niet kon
worden overgegaan tot de afname van celmateriaal, en bij welk type delicten met het
wetsvoorstel kan worden overgegaan tot een conservatoire afname van celmateriaal.
Zij vragen ook of is overwogen om hierin te differentiëren.
Op grond van de Wet DNA-V kan de officier van justitie een DNA-bevel geven als de
betrokkene wegens een voorlopige hechtenis-misdrijf tot bepaalde straffen is veroordeeld.
Voorlopige hechtenis-misdrijven zijn misdrijven waarop vier jaar gevangenisstraf of
meer is gesteld en enkele andere misdrijven waarop een lager gevangenisstrafmaximum
is gesteld (artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering). Het gaat
om een breed palet aan ernstige misdrijven: van vermogensmisdrijven tot seksuele en
geweldsmisdrijven. Ook kan het gaan om misdrijven tegen de openbare orde, zoals openlijke
geweldpleging of deelneming aan een criminele organisatie. Ten aanzien van dezelfde
categorie verdachten wordt nu de conservatoire afname van celmateriaal geïntroduceerd.
In paragraaf 3.1 zette ik al uiteen dat uit in 2019 uitgevoerd WODC-onderzoek blijkt
dat onvindbare veroordeelden – de categorie veroordeelden bij wie niet kon worden
overgegaan tot de afname van celmateriaal – vooral zijn veroordeeld voor vermogensmisdrijven
(waaronder in dat onderzoek worden geschaard: diefstal, valsheid in geschrift, verduistering,
bedrog, heling en witwassen). Veroordeelden van ernstige gewelds- en zedendelicten
zitten vaak gedurende hun proces vast, zodat zij ook niet onvindbaar zullen zijn na
een veroordeling. Er is niet voor gekozen om te differentiëren tussen verschillende
categorieën voorlopige hechtenis-misdrijven, waarbij bijvoorbeeld voor de ene categorie
(de zwaarste gewelds- en zedenmisdrijven) wel conservatoire celmateriaalafname zou
worden geïntroduceerd, en voor de andere categorie (lichtere voorlopige hechtenis-misdrijven)
niet. Allereerst omdat, zoals in paragraaf 3.1 al aan de orde kwam, juist bij relatief
lichte voorlopige hechtenis-misdrijven het percentage onvindbare veroordeelden het
grootste is. Maar vooral ook omdat uit voornoemd WODC-onderzoek blijkt dat juist bij
deze misdrijven het vaakst een overeenkomst in de DNA-databank wordt aangetroffen
tussen een DNA-profiel van een persoon en een DNA-profiel van een spoor. Dat onderstreept
het belang om de DNA-profielen van deze onvindbare veroordeelden – die zeer overlast
gevende delicten plegen – in de DNA-databank op te nemen. Ik wees er in dat verband
al op dat vermogensdelicten de delictscategorie vormen waarin het meest wordt gerecidiveerd,
en DNA-onderzoek dus een duidelijke meerwaarde kan hebben, mits het DNA-profiel van
de dader zich in de DNA-databank bevindt.
Deze leden wijzen ook op de omstandigheid dat de bewaartermijnen van het celmateriaal
worden neergelegd in het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, in plaats van in de
Wet DNA-V. Zij wijzen, net als de leden van de SGP-fractie eerder in deze paragraaf,
op het advies van de Raad van State om de bewaartermijnen in de wet te verankeren
en vragen of met verankering in een algemene maatregel van bestuur wel goed wordt
gewaarborgd dat celmateriaal tijdig wordt vernietigd.
In reactie hierop benadruk ik graag dat de omstandigheid dat bewaartermijnen niet
in de wet, maar in een algemene maatregel van bestuur zijn neergelegd, niet tot gevolg
heeft dat mogelijk niet goed zou worden gewaarborgd dat celmateriaal tijdig wordt
vernietigd. Ook dan is immers sprake van een wettelijke verplichting. Of celmateriaal
wordt vernietigd conform de in (hogere of lagere) regelgeving opgenomen bewaartermijnen,
is vooral afhankelijk van de vraag of het daartoe benodigde werkproces in de uitvoeringspraktijk
goed is ingeregeld. In paragraaf 8 van deze nota naar aanleiding van het verslag licht
ik toe hoe dat werkproces eruit komt te zien. Waar het de Raad van State vooral om
gaat, is dat de belangrijkste bestanddelen van een regeling – conform het primaat
van de wetgever – bij wet in formele zin worden geregeld. Tegen die achtergrond adviseert
de Raad van State om de bewaartermijn voor conservatoir afgenomen celmateriaal en
de gevallen waarin het celmateriaal direct moet worden vernietigd, in de Wet DNA-V
neer te leggen. Zoals ik hiervoor in mijn reactie op de vraag van de leden van de
SGP-fractie heb opgemerkt, zie ik daarvoor nu geen aanleiding. Daarbij is relevant
dat de belangrijkste regels die gelden voor het bewaren en vernietigen van DNA-profielen
en celmateriaal al zijn vastgelegd in hogere regelgeving (de AVG en de Uitvoeringswet
AVG (voorheen de Wet bescherming persoonsgegevens) en artikel 2, zesde lid, van de
Wet DNA-V). De bewaartermijnen in het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken vormen daar
een concrete nadere uitwerking van. Ik verwijs graag naar voornoemd antwoord, waarin
dit punt uitgebreider wordt geadresseerd.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen ten slotte in welke mate de verdachte
bezwaar kan maken tegen de afname van celmateriaal. Op dit moment kan de veroordeelde
bezwaar maken tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, niet tegen de afname
van het celmateriaal die daaraan voorafgaat (artikel 7, eerste lid, Wet DNA-V). Hangende
de bezwaarprocedure mag op basis van het afgenomen celmateriaal geen DNA-profiel worden
opgesteld en opgeslagen in de DNA-databank (artikel 7, vierde lid, Wet DNA-V). In
dit wetsvoorstel wordt geen strafrechtelijk rechtsmiddel gecreëerd tegen de conservatoire
afname van celmateriaal. Zo’n rechtsmiddel zou weinig betekenis hebben, omdat alleen
kan worden getoetst of de betrokkene wordt verdacht van een voorlopige hechtenismisdrijf
en van hem nu de inverzekeringstelling is bevolen. Een individuele beoordeling van
de zaak vindt op dat moment niet plaats. Ook is van belang dat met het conservatoir
afgenomen celmateriaal nog niets gebeurt. Het wordt in een afgesloten omgeving opgeslagen,
en kan pas worden gebruikt voor het opstellen van een DNA-profiel als de officier
van justitie daartoe een bevel geeft. De inbreuk die wordt gemaakt op de privacy met
de enkele conservatoire afname van celmateriaal is veel beperkter dan wanneer wel
een DNA-profiel zou worden opgesteld en opgeslagen in de DNA-databank. De hiervoor
genoemde mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen tegen het bepalen en verwerken
van het DNA-profiel, naar aanleiding van een DNA-bevel van de officier van justitie
dat wordt gegeven na een veroordeling, blijft uiteraard gewoon bestaan. Een rechtsmiddel
tegen deze beslissing is wel van toegevoegde waarde, omdat de beslissing van de officier
van justitie om een DNA-bevel te geven, berust op een individuele beoordeling van
de zaak. Als redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel
van de veroordeelde gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden
waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming,
opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten (artikel 2, eerste lid, onderdeel
b, van de huidige Wet DNA-V), mag er geen DNA-profiel van de veroordeelde worden opgesteld
en opgeslagen in de DNA-databank. Het oordeel van de officier van justitie dat zich
niet zo’n situatie voordoet, kan door de veroordeelde in de bezwaarschriftprocedure worden
aangevochten.
Wellicht ten overvloede wijs ik erop dat er op grond van het gegevensbeschermingsrecht
wel rechtsmiddelen bestaan tegen de verwerking – in het bijzonder: de opslag – van
het conservatoir afgenomen celmateriaal. Op grond van de Wet politiegegevens en de
AVG kan de betrokkene bij de verwerkingsverantwoordelijke (de korpschef of – zodra
het materiaal bij de beheerorganisatie is opgeslagen – de Minister van Justitie en
Veiligheid) bezwaar maken tegen de verwerking van zijn gegevens als hij van oordeel
is dat zijn gegevens in strijd met het gegevensbeschermingsrecht worden verwerkt.
Ook kan hij om vernietiging verzoeken. Tegen een afwijzende beslissing staat beroep
bij de bestuursrechter open (zie hierover uitgebreid de memorie van toelichting bij
dit wetsvoorstel, Kamerstukken II 2024/25, 36 753, nr. 3, p. 33–34). Overigens is in de memorie van toelichting aangekondigd dat de bezwaarmogelijkheid
waar de leden van de fractie van de ChristenUnie spreken en die in artikel 3, derde
lid, van het Besluit DNA-onderzoek is strafzaken is opgenomen, zal worden geschrapt.
De verdachte kan dan geen bezwaar meer maken tegen afname van het celmateriaal door
een opsporingsambtenaar. Die bezwaarmogelijkheid wordt afgeschaft, omdat de afname
van wangslijm of haar een eenvoudige handeling is die door een ter zake opgeleide
opsporingsambtenaar kan worden verricht. Het is niet wenselijk dat daarvoor een arts
of verpleegkundige moet worden ingeschakeld (Kamerstukken II 2024/25, 36 753, nr. 3, p. 26–27).
5. Alternatieven voor een regeling van conservatoire celmateriaal-afname: schrappen
van het onderzoeksbelang voor DNA-onderzoek op grond van het Wetboek van Strafvordering
en standaardafname celmateriaal bij specifieke verdachten
5.1 Schrappen van het onderzoeksbelang voor DNA-onderzoek op grond van het Wetboek
van Strafvordering
De leden van de SP-fractie vragen of het niet verstandig is in de wet een rechtsmiddel
neer te leggen tegen de conservatoire afname van celmateriaal. In reactie op vergelijkbare
vragen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en ChristenUnie heb ik hierboven
in paragraaf 4 uiteengezet dat een dergelijk rechtsmiddel weinig betekenis zou hebben,
omdat alleen kan worden getoetst of het gaat om een verdachte die wordt verdacht van
een voorlopige hechtenismisdrijf en van wie nu de inverzekeringstelling is bevolen.
Van al deze verdachten moet immers op grond van het wetsvoorstel conservatoir celmateriaal
worden afgenomen. Belangrijker is dat er een rechtsmiddel bestaat tegen het – na een
veroordeling – door de officier van justitie te geven DNA-bevel. Dat bevel berust
op een individuele afweging in de concrete zaak, zodat ook een daartegen gericht bezwaarschrift
door de rechter kan worden getoetst aan de afweging die de officier van justitie heeft
gemaakt. Kortheidshalve verwijs ik naar mijn eerdere antwoorden.
6. De toepassing van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden bij minderjarigen
6.1 Geen conservatoire celmateriaalafname bij minderjarige verdachten
De leden van de fractie van de VVD vragen hoe in de ons omringende landen zoals België,
Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk conservatoire afname van celmateriaal
bij minderjarigen is mogelijk gemaakt.
In paragraaf 3.1 benoemde ik al dat de ons omringende landen geen systeem kennen waarin
celmateriaal conservatoir wordt afgenomen en apart wordt opgeslagen, en waarbij het
pas na een eventuele veroordeling wordt gebruikt voor het opstellen en opslaan van
een DNA-profiel. Dergelijke regels zijn er in die landen, voor zover ik kon overzien,
ook niet voor minderjarigen. Ik verwijs naar het desbetreffende antwoord, waar ik
kort heb uiteengezet hoe de regelgeving over het opstellen en opslaan van DNA-profielen
van verdachten en veroordeelden in België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk
eruit ziet. Wel worden in sommige landen verschillende bewaartermijnen van DNA-profielen
gehanteerd, in welk verband wordt gedifferentieerd in leeftijd. Dat is bijvoorbeeld
in Engeland en Wales en in Duitsland het geval (zie uitgebreid F. Santos, H. Machado
& S. Silva, Forensic DNA databases in European countries: is size linked to performance?,
Life Sciences, Society and Policy 2013, 9:12). Met het voorliggende wetsvoorstel wordt voorgesteld ook in Nederland
te gaan differentiëren in bewaartermijnen, afhankelijk van de leeftijd van de veroordeelde.
Daartoe zal het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken worden aangepast.
Ook vragen deze leden om een recente inschatting van het aantal onvindbare minderjarige
veroordeelden. Deze leden antwoord ik dat over de periode 2012 tot en met 2017 van
de minderjarige veroordeelden aan wie een DNA-bevel was gegeven, twee procent onvindbaar
was. Het ging concreet om 210 veroordeelden, dus ongeveer 35 veroordeelden per jaar.
Recentere cijfers van het Openbaar Ministerie houden in dat in de periode 2018–2024
271 minderjarige veroordeelden aan wie een DNA-bevel is gegeven, onvindbaar waren,
dus ongeveer 39 veroordeelden per jaar. De werkwijze ten aanzien van minderjarige
veroordeelden verandert met dit wetsvoorstel niet, zodat de verwachting niet is dat
een verandering zal optreden in het genoemde beperkte aantal onvindbare minderjarige
veroordeelden.
Ten slotte vragen de leden van de VVD-fractie of de regering de keuze om geen conservatoir
celmateriaal af te nemen bij minderjarigen wil heroverwegen. Zij wijzen erop dat de
inbreuk op grond- en mensenrechten die wordt gemaakt met de enkele afname van celmateriaal
beperkt is en benoemen de belangen van het beschermen van slachtoffers van strafbare
feiten en het voorkomen en zo vroeg mogelijk in beeld krijgen van recidivisten.
Ik onderken de door deze leden genoemde belangen. Die vormen immers een belangrijke
reden om met dit wetsvoorstel de conservatoire afname van celmateriaal te introduceren.
Toch vereist de bescherming van deze belangen niet dat de conservatoire afname van
celmateriaal ook bij minderjarigen wordt geïntroduceerd. Ik zal dit nader toelichten.
Zoals hiervoor al aan de orde kwam, is slechts twee procent van de minderjarige veroordeelden
na hun veroordeling onvindbaar als de officier van justitie een DNA-bevel geeft. Dat
is een heel klein percentage. Als de conservatoire afname van celmateriaal ook zou
worden geïntroduceerd voor minderjarige verdachten, zou dit betekenen dat van een
grote groep minderjarige verdachten celmateriaal zou worden afgenomen als zij in verzekering
worden gesteld, terwijl dat in verreweg de meeste gevallen niet nodig zou zijn geweest
met het oog op het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten,
omdat zij na een eventuele veroordeling ook hun celmateriaal zouden hebben afgestaan.
En hoewel ik in algemene zin begrip heb voor het standpunt van de leden van de VVD-fractie
dat de met de celmateriaalafname gemaakte inbreuk op de lichamelijke integriteit relatief
gering is, meen ik dat dit ten aanzien van minderjarige verdachten anders ligt. In
ons rechtssysteem nemen minderjarige verdachten gelet op hun jeugdige ontwikkeling
niet voor niets een andere plaats in dan meerderjarige verdachten. Het jeugdstrafrecht
heeft een pedagogisch karakter, waarin de toepassing van – van het volwassenenstrafrecht
afwijkende – sancties erop is gericht de ontwikkeling van deze jeugdige te stimuleren
en de jeugdige te heropvoeden, te resocialiseren en te weerhouden van een verdere
criminele carrière. Ook voorafgaand aan eventuele sanctionering toegepaste opsporingsbevoegdheden
en andere strafrechtelijke maatregelen zullen op jeugdigen een grotere indruk achterlaten
dan op volwassenen; zij kunnen hun verdere ontwikkeling in negatieve zin beïnvloeden.
Daarmee dient dan ook terughoudendheid te worden betracht.
Het VN-mensenrechtencomité en in navolging daarvan de Hoge Raad hebben – het voorgaande
in aanmerking genomen – geoordeeld dat de leeftijd van de minderjarige veroordeelde
moet worden betrokken bij de beoordeling of een DNA-bevel moet worden gegeven op grond
van de huidige Wet DNA-V (zie hierover uitgebreid Kamerstukken II 2017/18, 31 415, nr. 20). Die beoordelingsfactor wordt in dit wetsvoorstel verankerd: in het voorgestelde
gewijzigde artikel 2a, eerste lid, onderdeel b, wordt geëxpliciteerd dat de leeftijd
van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf moet worden betrokken bij de beoordeling
of een DNA-bevel moet worden gegeven. In de praktijk gebeurt dit al aan de hand van
een intern beoordelingskader van het Openbaar Ministerie. Dit betekent dat bij minderjarige
veroordeelden verhoudingsgewijs vaker zal worden besloten géén DNA-bevel te geven,
gelet op de nog jeugdige leeftijd van de veroordeelde. Dat betekent ook dat als wel
conservatoir celmateriaal bij minderjarige verdachten zou worden afgenomen, dat celmateriaal
bij minderjarige veroordeelden verhoudingsgewijs vaker zou moeten worden vernietigd
dan bij volwassenen, omdat een DNA-bevel bij minderjarige veroordeelden vaker zal
uitblijven.
Gelet op deze omstandigheden – het beperkt bestaande probleem van onvindbare minderjarige
veroordeelden, de speciale positie van minderjarigen in het strafrechtbestel, waaronder
ook de Wet DNA-V, en de omstandigheid dat celmateriaal van minderjarigen relatief
vaker zou moeten worden vernietigd dan van volwassenen – zou het disproportioneel
zijn, en daarmee juridisch niet houdbaar, om conservatoire celmateriaalafname ook
bij minderjarigen mogelijk te maken.
Ten overvloede wijs ik erop dat als het in belang van het strafrechtelijk onderzoek
is dat celmateriaal van een minderjarige verdachte wordt afgenomen om daar direct
een DNA-profiel mee op te stellen, dat uiteraard mogelijk is. Dat is bijvoorbeeld
aan de orde als er in sporen op een plaats delict een DNA-profiel is aangetroffen
dat de politie wil vergelijken met het DNA-profiel van de verdachte. Celmateriaalafname
vindt dan plaats op grond van het Wetboek van Strafvordering (artikelen 151a e.v.
Sv), en het opgestelde DNA-profiel kan worden opgeslagen in de DNA-databank.
7. Wijzigingen regeling DNA-onderzoek in het Wetboek van Strafvordering
De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
celmateriaal dat op dit moment nog wordt bewaard, zal moeten worden verwijderd. Daarop
kan ik antwoorden dat er geen vernietiging van celmateriaal zal plaatsvinden als dit
wetsvoorstel wordt aangenomen en in werking treedt. De bewaartermijnen van celmateriaal
en DNA-profielen van volwassenen wijzigen niet. De bewaartermijnen worden wel gehalveerd
voor zover het gaat om celmateriaal en DNA-profielen van volgens het jeugdstrafrecht berechte en veroordeelde personen. Het Besluit
DNA-onderzoek in strafzaken zal met het oog daarop worden aangepast. Dat is in de
memorie van toelichting al aangekondigd (Kamerstukken II 2024/25, 36 753, nr. 3, p. 43). Maar in de memorie van toelichting is ook uiteengezet dat deze halvering
van de bewaartermijnen zal gelden voor elke veroordeelde ten aanzien van wie de officier
van justitie vanaf de datum van inwerkingtreding een DNA-bevel geeft. Concreet betekent
dit dat de nieuwe bewaartermijnen pas zullen gelden voor personen die volgens het
jeugdstrafrecht worden berecht en veroordeeld na inwerkingtreding van het wetsvoorstel.
Deze leden wijzen er verder op dat in dit wetsvoorstel conservatoir afgenomen celmateriaal
wordt bewaard als het Openbaar Ministerie hoger beroep instelt tegen een door de rechtbank
gegeven vrijspraak. Zij vragen hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot de gevallen
die op grond van de Innovatiewet Strafvordering eindigen in een «eindezaakverklaring».
Ik dank deze leden voor hun vraag, die mij gelegenheid biedt nadere duidelijkheid
te verschaffen over de rechtsgevolgen van een zogenoemde eindezaakverklaring. Deze
nieuwe wettelijke beslissing is met de Innovatiewet Strafvordering opgenomen in artikel
573, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en is een einduitspraak die de
rechter kan doen wanneer de zaak voor berechting is aangebracht en sprake is van een
mediationtraject met een positieve uitkomst.
In de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel is uiteengezet dat zodra zich een
omstandigheid voordoet die meebrengt dat de betrokkene niet langer kan worden aangemerkt
als verdachte ter zake van een voorlopige hechtenis-misdrijf, het conservatoir afgenomen
celmateriaal zal moeten worden vernietigd. Met betrekking tot de omstandigheden waarin
geen sprake meer is van een verdenking, zal worden aangesloten bij het bepaalde in
artikel 16, tweede lid, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken: het conservatoir
afgenomen celmateriaal zal in ieder geval moeten worden vernietigd bij een beslissing
tot niet-vervolging, een kennisgeving van niet verdere vervolging, een onherroepelijke
buitenvervolgingstelling, een rechterlijke verklaring dat de zaak is geëindigd, een
onherroepelijke vrijspraak of een onherroepelijk ontslag van alle rechtsvervolging
waarbij – kort gezegd – geen tbs- of ISD-maatregel is opgelegd (zie nader de memorie
van toelichting bij dit wetsvoorstel, Kamerstukken II 2024/25, 36 753, nr. 3, p. 35). Deze opsomming is – gelet op de woorden «in ieder geval» – niet limitatief.
In de hier bedoelde specifieke situatie waarin een eindezaakverklaring is uitgesproken,
zonder dat daaraan voorwaarden zijn verbonden, zal de betrokkene niet langer als verdachte
(kunnen) worden aangemerkt. Hij mag immers niet meer worden vervolgd voor hetzelfde
feit. Het conservatoir afgenomen celmateriaal zal dan moeten worden vernietigd. Als
aan de eindezaakverklaring bepaalde voorwaarden zijn verbonden, geldt dat de verdachte
niet langer als verdachte kan worden aangemerkt als – binnen de daarvoor gestelde
termijn – aan de voorwaarden is voldaan. Op dat moment geldt immers het vervolgingsbeletsel
van artikel 573, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De leden van de VVD-fractie vragen ook naar de begripsomschrijving van de term «veroordeelde»
in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet DNA-V. Zij vragen waarom hieronder
niet degene valt aan wie een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel
als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd. Ik kan deze
leden geruststellen: als aan de veroordeelde deze maatregel wordt opgelegd, zal hij
ook onder de reikwijdte van het begrip «veroordeelde» als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel c, van de Wet DNA-V vallen. De gedragsbeïnvloedende maatregel kan namelijk
worden opgelegd aan een verdachte die bij rechterlijke uitspraak ter beschikking wordt
gesteld of wordt veroordeeld tot gevangenisstraf voor bepaalde misdrijven, die steeds
ook als voorlopige hechtenis-misdrijf zijn aangemerkt. Deze categorieën veroordeelden
vallen daarmee onder de definitie van «veroordeelde» in artikel 1, eerste lid, onderdeel
c, van de Wet DNA-V.
De leden van de fractie van het CDA vragen naar de met het wetsvoorstel gecreëerde
mogelijkheid om in bepaalde gevallen onder dwang een specifieke soort celmateriaal
af te nemen. Zij noemen in het bijzonder de situatie waarin de verdachte deel uitmaakt
van een eeneiige twee- of meerling en moet worden achterhaald of het op de plaats
delict aangetroffen sporenmateriaal van de verdachte of van zijn tweelingbroer of
-zus afkomstig is. Zij vragen tijdens welk deel van het onderzoek aan het licht komt
of de verdachte onderdeel is van een eeneiige twee- of meerling, en wat de consequenties
zijn als de verdachte daarover zelf niet eerlijk is.
Het DNA-profiel van een eeneiige twee- of meerling is (vrijwel) identiek. Een aangetroffen
spoor met het DNA-profiel van een persoon die deel uitmaakt van een eeneiige tweeling,
kan dus van beide personen afkomstig zijn. De minieme verschillen die er zijn in hun
DNA kunnen sinds kort met een bepaalde onderzoeksmethode aan de hand van bloedmonsters
in kaart worden gebracht. Daarvoor moet dus wel bloed van de verdachte worden afgenomen
in plaats van – als uitgangspunt – alleen wangslijm. Als tijdens het opsporingsonderzoek
niet aan het licht komt dat de verdachte onderdeel uitmaakt van een eeneiige twee-
of meerling, zal er ook geen indicatie zijn om verder te onderzoeken of het aangetroffen
sporenmateriaal afkomstig is van de verdachte of van zijn/haar tweelingbroer of -zus.
In deze specifieke situatie ligt het echter voor de hand dat de verdachte juist zelf
met die informatie komt, omdat nader onderzoek aan de hand van zijn DNA-profiel en
een vergelijking met het DNA-profiel in het aangetroffen sporenmateriaal hem zou kunnen
vrijpleiten. Gedwongen afname van een specifieke soort celmateriaal – in dit geval
bloed – zal dan niet nodig zijn, omdat de verdachte aan het onderzoek zal willen meewerken.
Dat kan anders liggen in het uitzonderlijke geval waarin het opsporingsonderzoek uitwijst
dat een van een tweeling deel uitmakende persoon de donor van het spoor moet zijn,
maar beide personen niet willen meewerken aan het DNA-onderzoek. De bevoegdheid om
een specifieke soort celmateriaal af te nemen wordt bovendien niet alleen geïntroduceerd
voor het hiervoor genoemde tweelingonderzoek. De mogelijkheid tot het afnemen van
verschillende soorten celmateriaal kan ook in andere gevallen van belang zijn, met
name in gevallen waarin de betrokkene (vermoedelijk) twee DNA-profielen draagt. Dat is bijvoorbeeld aan de orde als de verdachte een stamceltransplantatie
heeft gehad (vgl. Kamerstukken II 2024/25, 36 753, nr. 3, p. 44). In die gevallen is de mogelijkheid tot gedwongen afname van een specifieke
soort celmateriaal of meerdere soorten celmateriaal van meerwaarde, omdat het voorstelbaar
is dat de verdachte niet vrijwillig zal meewerken aan het afnemen van meerdere soorten
celmateriaal.
8. Gevolgen voor de uitvoering
De leden van de fractie van de VVD vragen aandacht voor het consultatieadvies van
het NFI. Zij vragen of de regering nader kan toelichten welke aanbevelingen van het
NFI uit het consultatieadvies niet zijn gevolgd en of het wetsvoorstel en de algemene
maatregel van bestuur nu alle grondslagen bevatten die het NFI noodzakelijk en wenselijk
acht bij het uitvoeren van de diverse projecten met betrekking tot het DNA-verwantschapsonderzoek. Ook zijn zij benieuwd of het wetsvoorstel voldoende toekomstbestendig
is, zodat de praktijk ermee uit de voeten blijft kan.
Aan alle adviespunten van het NFI is opvolging gegeven. Ik zal toelichten hoe dat
is gebeurd.
Het consultatieadvies van het NFI bestaat hoofdzakelijk uit drie categorieën opmerkingen.
De eerste categorie heeft betrekking op de wijze waarop in de memorie van toelichting
de technische processen waarmee de conservatoire celmateriaalafname gepaard gaat,
zijn uitgeschreven. Het NFI was van oordeel dat die beschrijving in de consultatieversie
teveel vooruitliep op de praktische invulling die hieraan nog moest worden gegeven
in het kader van de uitvoeringstoets en het ketenontwerp. In reactie op deze opmerking
is de memorie van toelichting aangepast, daarmee ruimte biedend aan de betrokken ketenpartners
om – in samenspraak met het Ministerie van Justitie en Veiligheid – invulling te geven
aan de nieuwe werkprocessen, een proces dat op dit moment in volle gang is. De tweede
categorie adviespunten heeft betrekking op de inhoud van het wetsvoorstel. Het NFI
heeft gewezen op verschillende technologische ontwikkelingen die bij de inrichting
van het wetsvoorstel zouden moeten worden betrokken, zoals het hiervoor in paragraaf
7 al genoemde onderzoek bij twee- en meerlingen en mensen met twee DNA-profielen. Het NFI gaf aan dat dergelijk onderzoek een uitzondering zou moeten kunnen
vormen op het in het wetsvoorstel gekozen uitgangspunt dat in principe slechts één
keer celmateriaal van een verdachte wordt afgenomen. Naar aanleiding van deze input
is de memorie van toelichting aangevuld met genoemde voorbeelden, zodat voor de praktijk
straks inzichtelijk is in welke gevallen bepaalde bevoegdheden kunnen worden toegepast.
Ten slotte heeft het NFI gewezen op enkele (technische) onvolkomenheden in de passages
uit de memorie van toelichting over het gebruik van zogenoemde autosomale en y-chromosomale
DNA-profielen voor verschillende vormen van DNA-onderzoek, die zijn aangepast.
De vraag of het wetsvoorstel nu alle grondslagen bevat die het NFI noodzakelijk en
wenselijk acht bij het uitvoeren van de diverse projecten met betrekking tot het DNA-verwantschapsonderzoek
beantwoord ik bevestigend: met dit wetsvoorstel wordt voorzien in een expliciete wettelijke
grondslag voor het opslaan in de DNA-databank van DNA-profielen die zijn opgesteld
ten behoeve van DNA-verwantschapsonderzoek. Daarmee is het wetsvoorstel voldoende toekomstbestendig. Verder wijs ik
erop dat veel van de voor het NFI en andere ketenpartners relevante regels van uitvoeringstechnische
aard zijn en zullen worden neergelegd in het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken.
Bij de wijziging van dat besluit zullen de ketenpartners intensief worden betrokken.
De gesprekken daarover vinden momenteel al plaats. Toekomstbestendigheid van ook de
nieuwe regels in het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken is daarin een belangrijk
thema.
Op de vraag van deze leden of de uitvoeringsconsequenties van dit wetsvoorstel voor
het Openbaar Ministerie inmiddels in beeld zijn gebracht, antwoord ik dat het Openbaar
Ministerie in september 2025 een herziene uitvoeringstoets heeft uitgevoerd waarbij
alle consequenties in beeld zijn gebracht inclusief de vereiste investeringen in de
ICT-systemen. De conclusie van het Openbaar Ministerie is dat het wetsvoorstel uitvoerbaar
is en dat de investeringen en kosten in lijn zijn met eerdere verwachtingen.
De leden van de VVD-fractie vragen verder waarom in het wetsvoorstel de mogelijkheid
ontbreekt om conservatoir celmateriaal af te nemen van in verzekering gestelde verdachten
van een licht misdrijf zonder vaste woon- of verblijfplaats. Dat licht ik graag nader
toe. In het wetsvoorstel wordt mogelijk gemaakt dat conservatoir celmateriaal wordt
afgenomen van verdachten van een voorlopige hechtenis-misdrijf die in verzekering
worden gesteld. Voorlopige hechtenis-misdrijven zijn misdrijven waarop ten minste
vier jaar gevangenisstraf is gesteld en enkele andere misdrijven waarop een lager
gevangenisstrafmaximum is gesteld (artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering).
Het moet gaan om een verdachte van een voorlopige hechtenis-misdrijf, omdat ook alleen
ten aanzien van veroordeelden wegens een voorlopige hechtenis-misdrijf een DNA-bevel
kan worden gegeven (vgl. artikel 2, eerste lid, aanhef, van de huidige Wet DNA-V).
Verdachten zonder vaste woon- of verblijfplaats kunnen ook in verzekering worden gesteld
als zij worden verdacht van een ander misdrijf dan een voorlopige hechtenis-misdrijf
(artikel 67, tweede lid, Sv). Het gaat dan om relatief lichte misdrijven. Voor verdachten
van die categorie misdrijven laat zich niet rechtvaardigen dat conservatoir celmateriaal
wordt afgenomen bij inverzekeringstelling. Als zij namelijk zouden worden veroordeeld
voor het desbetreffende misdrijf, zou het conservatoir afgenomen celmateriaal niet
mogen worden gebruikt om een DNA-profiel op te stellen. Het celmateriaal zou – kort
gezegd – voor niets zijn afgenomen. De met de afname van het celmateriaal gemaakte
inbreuk op de privacy zou dus ook niet te rechtvaardigen zijn. Ik benadruk dat verdachten
van voorlopige hechtenis-misdrijven (dus misdrijven als bedoeld in artikel 67, eerste
lid, Sv) zonder vaste woon- of verblijfplaats die in verzekering worden gesteld, uiteraard
wel onder de doelgroep van dit wetsvoorstel vallen. Deze categorie verdachten wordt
relatief vaak in verzekering gesteld, zodat ook vaak conservatoir celmateriaal van
hen zal worden afgenomen.
De leden van de fractie van de SP wijzen erop dat de bewaartermijn van conservatoir
celmateriaal een essentieel onderdeel is als het gaat om de afweging tussen de effectiviteit
van de afname van het celmateriaal en de privacy van de verdachte, wat het meest essentiële
dilemma is van dit wetsvoorstel. Zij stellen hierover verschillende vragen, die ik
hierna zal beantwoorden.
Met de leden van de SP-fractie meen ik dat de bewaartermijn die zal gelden voor het
conservatoir afgenomen celmateriaal, van groot belang is bij het maken van een afweging
over de effectiviteit van het wetsvoorstel en de privacy van de verdachte. Deze leden
deel ik dan ook graag mee dat het voornemen bestaat om in het Besluit DNA-onderzoek
in strafzaken neer te leggen dat conservatoir afgenomen celmateriaal gedurende een
termijn van vijf jaar mag worden bewaard. Een bewaartermijn van vijf jaar is zowel
effectief als proportioneel. Uit cijfers van het Openbaar Ministerie blijkt dat het
gros van de voor dit wetsvoorstel relevante strafzaken een doorlooptijd kennen die
korter is dan vijf jaar. Een bewaartermijn van vijf jaar is gelet daarop passend.
Voor de incidentele gevallen waarin de doorlooptijd die vijf jaar dreigt te overschrijden,
is het voornemen om een eenmalige verlengingsmogelijkheid met maximaal vijf jaar op
bevel van de officier van justitie te creëren. Zo wordt ook voorkomen, zo merk ik
in reactie op de vraag van de leden van de SP-fractie op, dat conservatoir celmateriaal
heel lang wordt bewaard terwijl de strafzaak op de plank blijft liggen. Ik wil graag
benadrukken dat de bewaartermijn in het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken wordt
opgenomen, dat nog de gehele procedure moet doorlopen. Dat is ook de reden waarom
er nog geen besluit over was genomen toen dit wetsvoorstel bij Uw Kamer werd ingediend.
Het getal van vijf jaar is nog niet in beton gegoten, maar de ketenpartners werken
op dit moment met dit uitgangspunt bij het in kaart brengen van het ketenproces. De
kans dat dit nog verandert, acht ik gelet daarop klein.
Deze leden vragen ook naar de bewaartermijn van celmateriaal – en, neem ik aan, DNA-profielen
– van veroordeelden. De bewaartermijnen van celmateriaal en DNA-profielen van veroordeelden
zijn opgenomen in het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken (zie de artikelen 18 tot
en met 18c). In de praktijk zal het zo gaan, dat conservatoir afgenomen celmateriaal
maximaal vijf jaar wordt bewaard. Ergens in die vijf jaar zal een veroordeling moeten
volgen om het celmateriaal langer te kunnen bewaren en er een DNA-profiel mee op te
stellen. Als dat niet gebeurt, wordt het celmateriaal vernietigd, tenzij de officier
van justitie heeft bevolen dat de bewaartermijn van het conservatoir afgenomen celmateriaal
eenmalig met maximaal vijf jaar wordt verlengd. Zodra na de veroordeling op grond
van het door de officier van justitie gegeven bevel een DNA-profiel is opgemaakt,
gaan de al bestaande bewaartermijnen lopen voor het DNA-profiel en het onderliggende
celmateriaal. Als de veroordeelde gedurende die bewaartermijn opnieuw wordt veroordeeld
voor een strafbaar feit op grond waarvan zijn DNA-profiel moet worden opgeslagen in
de DNA-databank, gaat een nieuwe bewaartermijn lopen. Dat is op grond van het huidige
recht al zo en dat verandert niet. Als het celmateriaal en het DNA-profiel al zijn
vernietigd, omdat het nieuwe feit pas werd gepleegd na het verstrijken van de bewaartermijn,
zal opnieuw celmateriaal moeten worden afgenomen.
Op de vraag op welke manier kan worden verzekerd dat het celmateriaal daadwerkelijk
feilloos en in alle gevallen zal worden vernietigd als iemand wel verdachte was, maar
niet wordt veroordeeld, antwoord ik als volgt. Het Openbaar Ministerie zal, indien
er geen veroordeling volgt als bedoeld in de Wet DNA-V, in de centrale claimadministratie
bij Justid de claim op het bewaren van het celmateriaal verwijderen. Wanneer er geen
claims meer zijn, zal Justid het NFI opdracht geven het celmateriaal te vernietigen.
Deze opdracht wordt door het NFI uitgevoerd, waarna terugkoppeling wordt gedaan aan
Justid. Dat celmateriaal daadwerkelijk is vernietigd, zal te zien zijn in de centrale
celmateriaaladministratie bij Justid. Definitieve besluitvorming hierover zal nog
plaatsvinden. Monitoringsmechanismen en verantwoordelijkheden worden momenteel in
het ketenproces en de ketenarchitectuur nader uitgewerkt.
De leden van de SP-fractie geven aan te twijfelen aan de conclusie dat de werklast
voor bijvoorbeeld de politie en de Koninklijke Marechaussee zal afnemen. Zij vragen
waarop de regering de aanname baseert dat de werklast zal afnemen en vragen of er
rekening gehouden met het scenario waarop de werklast toch zou stijgen. Ook vragen
zij van welke factor op de werklast nu financieel wordt uitgegaan. Deze leden antwoord
ik als volgt.
Zoals hierboven in deze nota in antwoord op vragen van de leden van de CDA-fractie
aan de orde is gekomen zijn voor de politie meerdere factoren van invloed op de werklast.
Als het wetsvoorstel wordt aangenomen en in werking treedt, zal eerst sprake zijn
van een werklastverzwaring, omdat lopende zaken eerst nog via huidige wet- en regelgeving
moeten worden afgehandeld. Bij de inwerkingtreding van het wetsvoorstel zal in 2027
14 fte worden ingezet voor de conservatoire afname van celmateriaal. De inzet loopt
daarna geleidelijk iets terug tot ongeveer 13 fte in 2031.
Als gevolg van de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zullen er minder afnames van
celmateriaal plaatsvinden na een veroordeling. Dat levert een besparing op van 3 fte
in 2027 tot 4 fte in 2031. Ook wordt bespaard op het opsporen, aanhouden en vervoeren
van veroordeelden die zich niet melden voor de afname van het celmateriaal. Die besparing
loopt van 17 fte in 2027 tot 23 fte in 2031. Daarnaast zal de politie een geringe
besparing realiseren op het organiseren van minder DNA-contactdagen. Deze besparing
is nog niet in deze berekening meegenomen.
Voor de Koninklijke Marechaussee (KMar) ligt dit anders, omdat de KMar geen uitvoering
geeft aan de huidige Wet DNA-V, anders dan dat de KMar veroordeelden aanhoudt die
gesignaleerd staan omdat hun een DNA-bevel is gegeven. De KMar krijgt als gevolg van
het aannemen en in werking treden van dit wetsvoorstel dus een extra werklast in de
vorm van het conservatoir afnemen van celmateriaal van door de KMar in verzekering
gestelde verdachten, maar profiteert in verhouding tot de politie minder van de verlaging
van de werklast die voortvloeit uit de met dit wetsvoorstel gewijzigde werkprocessen.
De extra werklast voor de KMar als gevolg van het aannemen en in werking treden van
dit wetsvoorstel loopt van 0,5 fte in 2027 terug tot 0,4 fte in 2031 (en blijft daarna
geleidelijk afnemen naarmate er meer DNA-profielen in de DNA-databank zijn opgeslagen).
Het aantal gesignaleerde veroordeelden conform de huidige Wet DNA-V van wie de KMar
celmateriaal afneemt is relatief klein, te weten 200 in de beginjaren en aflopend
naar 100 per jaar.
Wanneer de aantallen voor de politie en de KMar samen worden bezien, is voor de keten
als totaal sprake van een verlaging van de werklast. Er is geen rekening gehouden
met het scenario dat deze werklast zal stijgen. Deze werklastbesparing is een positieve
bijkomstigheid naast het oorspronkelijke doel van het wetsvoorstel, te weten het maximaliseren
van het aantal veroordeelden van wie celmateriaal is afgenomen en opgeslagen in de
DNA-databank.
De leden van de SGP-fractie constateren dat dit wetsvoorstel meer capaciteit zal vergen
in de uitvoering, maar dat het uiteindelijk zal leiden tot minder onopgeloste zaken.
Zij vragen welke concrete cijfers er worden verwacht.
Het percentage DNA-bevelen van het Openbaar Ministerie dat leidt tot opname van een
DNA-profiel in de DNA-databank neemt, zoals hierboven in deze nota in antwoord op
vragen van de leden van de SGP-fractie en de CDA-fractie ook aan de orde is gekomen,
naar verwachting toe van 87% naar 93%. De omvang van de DNA-databank neemt hierdoor
sneller toe. Het is niet bekend hoe dit – concreet in cijfers uitgedrukt – zal leiden
tot minder onopgeloste zaken. Een toename van het aantal DNA-profielen in de DNA-databank
is niet één op één door te vertalen naar een toename van het aantal opgeloste zaken;
niet elke opname van een DNA-profiel in de databank leidt immers tot een opgeloste
zaak. Wel vergroot een hoger aantal DNA-profielen in de DNA-databank in algemene zin
de kans dat met behulp van aangetroffen DNA-profielen in sporen op een plaats delict
een verdachte in beeld komt als zijn DNA-profiel op basis van de Wet DNA-V in de DNA-databank
is opgenomen.
Deze leden vragen ook toe te lichten in welke concrete situaties conservatoir celmateriaal
zal worden afgenomen. Zij verzoeken hierbij in te gaan op mogelijk verzwarende aspecten
en vragen hoe daarbij rekening wordt gehouden met de proportionaliteit en subsidiariteit.
Deze leden antwoord ik dat conservatoir celmateriaal zal worden afgenomen van iedere
verdachte die wegens een verdenking van een voorlopige hechtenis-misdrijf in verzekering
wordt gesteld. Er wordt niet onderscheiden tussen verdachten met en verdachten zonder
een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Ik heb eerder in deze paragraaf uiteengezet
waarom sprake moet zijn van een verdenking van een voorlopige hechtenis-misdrijf.
Dat is omdat deze categorie verdachten de doelgroep van de Wet DNA-V vormen. De officier
van justitie kan een DNA-bevel geven aan veroordeelden van een voorlopige hechtenis-misdrijf
tot nader bepaalde straffen (artikel 2, eerste lid, van de huidige Wet DNA-V). Een
verdere beperking van het aantal verdachten van wie conservatoir celmateriaal wordt
afgenomen, wordt bereikt door afname alleen voor te schrijven als inverzekeringstelling
plaatsvindt. Als het celmateriaal al eerder zou worden afgenomen – bijvoorbeeld direct
na de aanhouding, of tijdens de termijn voor het ophouden voor onderzoek – zou het
van veel meer verdachten moeten worden afgenomen. En dat zou in veel meer gevallen
naar achteraf blijkt onterecht zijn, omdat niet altijd een veroordeling volgt.
De groep verdachten van wie conservatoir celmateriaal wordt afgenomen, wordt niet
verder beperkt tot meer specifieke (categorieën van) misdrijven, omdat op individueel
niveau ten tijde van de afname van het celmateriaal niet objectief bepaalbaar zal
zijn of een verdachte na een veroordeling onvindbaar zal zijn. Dat iemand geen vaste
woon- of verblijfplaats heeft, is niet zonder meer reden om aan te nemen dat hij na
een veroordeling onvindbaar zal zijn. En andersom hoeft het niet zo te zijn dat een
verdachte die een BRP-adres heeft, daar noodzakelijkerwijs ook zijn vaste verblijfsadres
heeft. Daarom is het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats niet als ijkpunt
genomen voor het bepalen van welke categorie verdachten conservatoir celmateriaal
moet worden afgenomen. Er is gekozen voor andere, hardere criteria: het moet gaan
om een verdenking van een voorlopige hechtenis-misdrijf, en de verdachte moet in verzekering
zijn gesteld. Voor een antwoord op de vraag hoe daarbij rekening wordt gehouden met
proportionaliteit en subsidiariteit, verwijs ik naar mijn eerdere antwoorden op vergelijkbare
vragen van de leden van de SGP-fractie in paragraaf 3.
9. Financiële gevolgen
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering een update kan geven van de financiële
gevolgen van het wetsvoorstel. De leden van de SGP-fractie vragen, in het verlengde
daarvan, of de regering concreet inzicht kan geven in de voorziene hogere of lagere
uitgaven als gevolg van dit wetsvoorstel. Hierop reageer ik als volgt.
In het Haalbaarheidsonderzoek conservatoire afname celmateriaal bij verdachten dat
in 2021 is verricht (bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 31 415, nr. 28), is een eerste inschatting gemaakt van de totale kosten voor de implementatie van
dit wetsvoorstel. Vanuit de zogenoemde Hoekstra-gelden is een budget beschikbaar gesteld
om de conservatoire celmateriaalafname, in het bijzonder de daarvoor benodigde ICT-voorzieningen,
mogelijk te gaan maken. Het totaal toegekende budget voor de ketenorganisaties komt
neer op € 4.149.000 (2024), € 2.751.000 (2025 en 2026), € 2.915.000 (2027) en € 6.136.000
(2028 en volgende jaren). Dit budget is in 2024 vastgesteld door de ketenorganisaties
en daarna goedgekeurd. In juli 2025 hebben de ketenorganisaties een herziene uitvoeringstoets
uitgevoerd met bijbehorende herijking van hun uitgaven voor de uitvoering van het
wetsvoorstel. Deze aangepaste ramingen zijn recent ontvangen en worden nu bestudeerd.
Volgens de huidige inzichten zal deze herijking leiden tot beperkte mutaties bij de
verschillende ketenpartners. De eventuele budgettaire gevolgen lopen mee in de komende
voorjaarsbesluitvorming.
10. Advies en consultatie
De leden van de fractie van de VVD wijzen erop- naar aanleiding van het advies van
de Raad van State – dat in het wetsvoorstel een specifieke regeling is getroffen voor
het indienen van een bezwaarschrift tegen een DNA-bevel, als het celmateriaal conservatoir
is afgenomen en het na een veroordeling gegeven DNA-bevel niet in persoon is betekend.
Deze leden vragen allereerst naar de implicaties van deze specifieke regeling voor
de uitvoering.
In het in paragraaf 4 ook genoemde onderzoek dat in 2019 is verricht door onderzoeksbureau
Significant, is ingeschat dat als dit wetsvoorstel wordt aangenomen en ingevoerd,
het aantal bezwaarschriften naar verwachting met 10% zal toenemen en dat dit percentage
in de eerste jaren vermoedelijk hoger zal zijn. In september 2025 heeft het Openbaar
Ministerie een herziene uitvoeringstoets opgesteld. Alle uitvoeringsconsequenties
en alle kosten, inclusief de ICT-kosten, zijn in kaart gebracht en wat betreft het
Openbaar Ministerie niet hoger ingeschat dan aanvankelijk geraamd. Het behandelen
van bezwaren is een bekend bestaand proces, de geringe verhoging van het aantal bezwaren
zal naar verwachting niet leiden tot benodigde extra fte’s. Enkele andere werkzaamheden,
zoals het uitnodigen en/of opsporen van veroordeelden van wie nog geen celmateriaal
is afgenomen voor een DNA-profiel, zullen naar verwachting in volume dalen.
Ook vragen deze leden of er specifieke regels gelden voor het indienen van het bezwaarschrift.
Daarop antwoord ik dat de regels die daarover zijn opgenomen in de Wet DNA-V gelden.
In artikel 7 van de Wet DNA-V is op dit moment al geregeld dat de veroordeelde tegen
het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel een bezwaarschrift kan indienen bij
de rechtbank die in eerste aanleg vonnis heeft gewezen, of de rechtbank in het arrondissement
waar tegen de strafbeschikking verzet had kunnen worden gedaan. Op dit moment mag
de veroordeelde dat doen binnen veertien dagen na de dag waarop zijn celmateriaal
is afgenomen of – als op andere wijze dan door afname van celmateriaal, celmateriaal
van de veroordeelde is verkregen – binnen veertien dagen nadat het DNA-bevel aan de
veroordeelde is betekend. Artikel 7 van de Wet DNA-V wordt met dit wetsvoorstel aangevuld
met de specifieke situatie waarin het celmateriaal conservatoir is afgenomen en het
na een veroordeling gegeven DNA-bevel niet in persoon is betekend. Voor die specifieke
situatie wordt geregeld dat de veroordeelde een bezwaarschrift kan indienen binnen
veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat
het bevel de veroordeelde bekend is (voorgesteld artikel 7, derde lid). Zoals de leden
van de VVD-fractie terecht opmerken, kan er in deze gevallen – waarin conservatoir
celmateriaal is afgenomen en het DNA-bevel na veroordeling niet in persoon is betekend
– wel een DNA-profiel worden opgesteld. Anders zou dit wetsvoorstel zijn nuttig effect
verliezen. Dit is geëxpliciteerd in het voorgestelde artikel 7, zesde lid, laatste
zin. Het DNA-profiel en het celmateriaal zullen dan moeten worden vernietigd als een
later ingediend bezwaarschrift gegrond wordt verklaard.
De leden van de VVD-fractie vragen ten slotte waar de politiemedewerkers die op dit
moment actief werken aan het opsporen van veroordeelden die geen gehoor hebben gegeven
aan het DNA-bevel, na inwerkingtreding van het wetsvoorstel voor worden ingezet. Zij
vragen ook of het klopt dat er op dit moment zo’n 6.000 onvindbare veroordeelden zijn
en dat er meer capaciteit beschikbaar komt om deze veroordeelden op te sporen.
Het wetsvoorstel houdt in dat van in verzekering gestelde meerderjarige verdachten
van een voorlopige hechtenismisdrijf conservatoir celmateriaal wordt afgenomen. Voor
minderjarige verdachten en verdachten die niet in verzekering worden gesteld, blijft
het bestaande traject gelden (dat wil zeggen: het celmateriaal wordt afgenomen na
een veroordeling), met de bijbehorende opsporingsinspanning. Als het wetsvoorstel
wordt aangenomen en in werking treedt, neemt op termijn de werklast voor opsporing
af, maar deze verdwijnt dus niet volledig. Daarbij komt dat het effect van het wetsvoorstel
op het aantal veroordeelden die het bestaande traject in gaan, pas in een later stadium
zichtbaar wordt, omdat lopende zaken eerst moeten worden afgehandeld conform de huidige
wetgeving. In de eerste fase na inwerkingtreding zal sprake zijn van een lastenverzwaring
die na verloop van tijd zal ombuigen naar een lastenverlichting. De vraag naar politiecapaciteit
overstijgt het aanbod. Zodra capaciteit vrijkomt zal deze via prioritering worden
ingezet voor de basispolitiezorg en de opsporing.
Wat betreft de door de leden van de VVD-fractie genoemde 6.000 onvindbare veroordeelden: de groep veroordeelden die nu wordt gedefinieerd als «onvindbare
veroordeelden» bestaat feitelijk uit twee groepen veroordeelden die in de systemen
van de politie nog niet kunnen worden gedifferentieerd naar «niet executeerbare veroordeelden»
en «onvindbare veroordeelden». Een belangrijk deel van de «niet executeerbare veroordeelden»
bestaat uit veroordeelden die in het buitenland verblijven waarvoor geen wettelijke
mogelijkheden beschikbaar zijn om hen in het buitenland te laten aanhouden omdat de
openstaande strafduur te kort is. Deze groep is dus niet onvindbaar, maar de vrijheidsstraf
is niet executeerbaar. Daarnaast is er een groep veroordeelden die feitelijk onvindbaar
is. Beide groepen staan in het politiesysteem gesignaleerd en kunnen ingeval van aantreffen
worden aangehouden. Veroordeelden tot een straf voor de duur van 120 dagen of meer
staan ook internationaal gesignaleerd. Periodiek wordt ten aanzien van de groep feitelijk
onvindbare veroordeelden beoordeeld of er aanknopingspunten zijn voor opsporing en
aanhouding. Het tenuitvoerleggen van vrijheidsstraffen heeft binnen de politie hoge
prioriteit en er wordt internationaal samengewerkt. De als gevolg van de inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel op de langere termijn vrijkomende capaciteit zal op basis van
prioriteiten worden ingezet omdat de vraag naar politiecapaciteit de beschikbare capaciteit
ruim overstijgt.
11. Overig
De leden van de VVD-fractie brengen in herinnering dat in het Hoofdlijnenakkoord en
in het regeerprogramma het belang van commerciële genealogische databanken voor DNA-onderzoek
in strafzaken wordt benadrukt. Zij vragen de regering aan te geven waarom de Tweede
Kamer pas in 2026 nader wordt geïnformeerd over de pilot inzake het gebruik van commerciële
genealogische databanken voor DNA-onderzoek in strafzaken. Ook vragen zij hoe het
kan dat Zweden zo ver voor loopt op Nederland, terwijl Zweden ook is gebonden aan
dezelfde Europese en internationale regels rondom privacy. Verder vragen zij of de
regering het streven deelt om zo snel mogelijk over te gaan tot het vaker gebruik
van commerciële genealogische DNA-databanken en wat er nog nodig is om het lopende
proces hiervoor te versnellen. Deze leden merken in dit verband op dat in de Verenigde
Staten genealogische databanken niet alleen bij cold cases, maar ook bij meervoudige moordzaken steeds vaker tijdens de opsporingsfase onder
strenge voorwaarden worden ingezet om de identiteit van een verdachte te achterhalen.
Zij vragen welke boodschap de regering heeft voor de slachtoffers en nabestaanden
van zeer ernstige misdrijven om dit in Nederland niet toe te staan, ook niet onder
zeer strikte (rechterlijke) waarborgen.
Bij het Openbaar Ministerie en het NFI draait op dit moment een pilot waarbij in strafzaken
gebruik wordt gemaakt van genealogische DNA-databanken. Uw Kamer kan pas in de loop
van 2026 worden geïnformeerd over de uitkomsten van dit onderzoek, omdat het gebruik
van genealogische DNA-databanken in strafzaken onderzoeksintensief en nieuw is. Ook
is het van belang dat het onderzoek zorgvuldig gebeurt met het oog op de juridische,
ethische en privacyaspecten die hierbij meespelen. In de pilot wordt in een aantal
strafzaken het DNA-profiel van een onbekende persoon of een onbekend daderspoor vergeleken
met de DNA-profielen van personen in geselecteerde genealogische DNA-databanken. Vooraf is onbekend of dat iets oplevert. Als dat het geval is, hangt het
succes van daaropvolgend stamboomonderzoek af van de beschikbaarheid en volledigheid
van de persoonsarchieven en bevolkingsregisters. Of daarna een vervolgstap kan worden
gezet, hangt af van de resultaten uit het politieonderzoek die er al zijn en het onderzoek
dat zal plaatsvinden als er een persoon naar voren komt uit het stamboomonderzoek.
Op basis van de praktijkervaringen van de huidige pilot en het aanvullende onderzoek
naar de juridische, ethische en privacyaspecten van het gebruik van genealogische
DNA-databanken, zal de regering een volgende stap zetten in de toepassing van het
gebruik van genealogische databanken.
De leden van de SP-fractie vragen waarom het wetsvoorstel alleen zal gaan gelden voor
het Europese deel van het Koninkrijk. In paragraaf 1 heb ik een vergelijkbare vraag
beantwoord van de leden van de fractie van het CDA. Kort gezegd komt dat antwoord
erop neer dat er geen equivalent van de Wet DNA-V bestaat in Caribisch Nederland (Bonaire,
Sint Eustatius en Saba), en dat dit wetsvoorstel beoogt de in Nederland reeds bestaande
Wet DNA-V effectiever te maken.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.