Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag schriftelijk overleg over het Fiche: Aanbeveling over het faciliteren van beleggingsrekeningen (Kamerstuk 22112-4201)
2025D50418 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Financiën heeft op 4 december 2025 een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van Financiën over het door de Minister
van Buitenlandse Zaken op 7 november 2025 toegezonden fiches op het beleidsterrein
Financiën:
Fiche: Aanbeveling over het faciliteren van beleggingsrekeningen; (Kamerstuk 22 112, nr. 4201)
De fungerend voorzitter van de commissie,
Van der Lee
Adjunct-griffier van de commissie,
Van der Steur
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
De leden van de PVV-, VVD-, CDA-, JA21- en BBB-fracties hebben met belangstelling
kennisgenomen van het fiche en hebben hierover enkele vragen of opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Allereerst merken de leden van de PVV-fractie op dat de kern van de aanbeveling is
dat lidstaten kaders voor beleggingsrekeningen opzetten die voldoen aan een zestal
kenmerken. Eén van de kenmerken is dat de kosten voor het openen van aanhouden van
beleggingsrekeningen eerlijk, proportioneel en begrijpelijk dienen te zien. Deze leden
willen weten wat hier concreet onder wordt verstaan. Wordt de hoogte van deze kosten
volledig overgelaten aan de lidstaten of worden er toch bepaalde begrenzingen voorgesteld?
In het geval van begrenzingen: welke begrenzingen zijn er?
Daarnaast lezen de leden van de PVV-fractie dat de Europese Commissie ook aanbeveelt
om aanbieders aan te moedigen om beleggingsproducten aan te bieden met een sterke
focus op de Europese Unie, wat één van de doelen is van dit raamwerk. Aanbieders kunnen
echter alsnog beleggingsproducten aanbieden die niet de focus hebben op de Europese
Unie. Deze leden willen weten hoe effectief dit raamwerk is aangezien het een aanbeveling
betreft en lidstaten het raamwerk ook naast zich neer kunnen leggen, wat dit kabinet
grotendeels ook doet.
In het verlengde hiervan willen deze leden weten in hoeverre er een sturende werking
uitgaat van de Europese Commissie met deze aanbeveling om bijvoorbeeld groen te beleggen
en – indien het geval – in hoeverre het kabinet dit wenselijk acht.
Tevens lezen de leden van de PVV-fractie dat beleggingsrekeningen zouden moeten profiteren
van de meest gunstige fiscale behandeling beschikbaar in een lidstaat. Deze leden
willen weten welke genoemde mogelijkheid wellicht in de toekomst interessant kan zijn
voor Nederland. Hoe verhoudt zich dit tot het gegeven dat beleggen in Nederland (forfaitair)
veel zwaarder belast wordt dan sparen (in Box 3). Kan een overzicht worden gepresenteerd
hoe beleggingen (en vermogen) in andere lidstaten worden belast.
Nederlandse positie ten aanzien van de aanbeveling
Voorts lezen de leden van de PVV-fractie dat het kabinet aangeeft dat uit onderzoek
blijkt dat bijna de helft van de Nederlandse huishoudens voldoende vermogen heeft
om te kunnen beleggen. Echter het onderzoek waarnaar verwezen wordt stamt uit 2022.
De leden van de PVV-fractie willen weten of het kabinet deze constatering kan onderbouwen
met recentere cijfers. Hoe valt dit te rijmen met bijvoorbeeld cijfers van Deloitte,
waaruit blijkt dat 47 procent van de Nederlanders financieel kwetsbaar is (2025)?1
Vervolgens lezen deze leden dat Nederland heeft getekend voor de lancering van Finance
Europe, oftewel een Europees beleggingslabel voor beleggingsrekeningen en -producten
die aan bepaalde voorwaarden voldoen. Deze leden vragen naar de betekenis en de voortgang
hiervan.
Verder lezen de leden van de PVV-fractie dat het kabinet het in het beginsel van belang
acht dat lidstaten geen additionele, nationale belemmeringen opwerpen tegen het vrije
verkeer van diensten die niet volgen uit Europese wetgeving. Deze leden vragen om
de situatie in Nederland: is er sprake van bepaalde nationale belemmeringen en/of
nationale koppen tegen het vrije verkeer van diensten? Zo ja, kan het kabinet dit
specificeren en nader toelichten?
Ook lezen deze leden dat het kabinet aangeeft dat uit herhaald onderzoek blijkt dat
de totale kosten bij Nederlandse beleggingsfondsen over het algemeen de laagste zijn
ten opzichte van de rest van Europese Unie. De leden van de PVV-fractie vragen naar
een kostenoverzicht van alle lidstaten verwerkt in een tabel, zonder dat er verwezen
wordt naar de desbetreffende onderzoeken.
Voorts lezen de leden van de PVV-fractie dat voor Nederlandse beleggers de aangifte
grotendeels al vooraf wordt ingevuld. Buitenlandse instellingen kunnen zich al registreren,
maar in de praktijk gebeurt dit echter zelden. De leden van de PVV-fractie vragen
naar de eventuele belemmeringen die buitenlandse instellingen ondervinden en hoe deze
kunnen worden weggenomen.
Grondhouding
Ten slotte lezen de leden van de PVV-fractie dat er geen financiële gevolgen voor
de Staat zijn die voortkomen uit deze aanbeveling. Wel kunnen er financiële gevolgen
zijn bij de invoering van een fiscaal voordeel, wat door dit kabinet vooruit wordt
geschoven. Deze leden vragen vooralsnog naar de mogelijke opties wat het fiscaal voordeel
betreft. Kan het kabinet tevens het budgettair belang per maatregel vermelden?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie zien net als de Europese Commissie heil in het gebruiken
van het «slapende» geld op Europese en Nederlandse spaarrekeningen voor het aanjagen
van de Europese en Nederlandse economie. Dit gaat namelijk om een grote som passief
geld: zo’n 11,5 biljoen euro in Europa. Tegelijkertijd kampt het Nederlandse bedrijfsleven
met gebrekkige financiering, zo blijkt uit onderzoek, waardoor zij vaak uitwijken
naar het buitenland als het bedrijfsleven wil opschalen, zoals naar de Verenigde Staten.
Deze leden zijn het eens met de Europese Commissie en het kabinet dat deze trend een
halt moet worden toegeroepen.
Deze leden lezen dat het kabinet denkt dat fiscale stimulering in box 3 het gebruik
van een beleggingsrekening kan vergroten. Deze leden lezen dat het kabinet het daarbij
van belang acht dat de stimulering niet alleen vermogensopbouw ondersteunt, maar ook
een beleidsdoel dient door investeringen in Nederlandse en Europese bedrijven in strategische
sectoren te stimuleren. Het kabinet acht het onwenselijk om tegelijkertijd met de
behandeling van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 een fiscale regeling
voor de beleggingsrekening in box 3 te behandelen, waardoor het kabinet eerst de inwerkingtreding
van de Wet werkelijk rendement box 3 wil afwachten, zo merken deze leden op. Deze
leden vragen of het kabinet niet echter nu al kan starten met de voorbereidingen voor
een fiscale stimulering in box 3, zodat het bij de inwerkingtreding van de Wet werkelijk
rendement box 3 voortvarend met deze wijziging aan de slag kan. Graag ontvangen deze
leden daarop een toelichting.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet het voordelig acht voor huishoudens
om meer van hun spaargeld te gaan beleggen, mits dit verantwoord gebeurt en huishoudens
hiervoor voldoende liquide buffers aanhouden. Deze leden vragen wat volgens dit kabinet
een voldoende liquide buffer is. Ook merken deze leden op dat het kabinet stelt dat
de helft van de Nederlandse huishoudens voldoende buffers heeft. Deze leden vragen
hoe het kabinet wil stimuleren dat ook de andere helft van Nederland financieel weerbaarder
wordt en ook in staat wordt gesteld buffers op te bouwen en welke acties het kabinet
hiertoe onderneemt.
De leden van de CDA-fractie lezen dat Nederland Finance Europe heeft ondertekend,
een label voor beleggingsrekeningen en -producten die voor minstens 70 procent in
de EER beleggen en ontworpen zijn om langdurig aan te houden. Deze leden vinden dit
een heel goed initiatief en vragen het kabinet of een dergelijk label ook voor overwegend
Nederlandse beleggingen kan worden gemaakt. Deze leden zijn benieuwd in hoeverre het
kabinet verwacht dat er een verschil in rendementen zit tussen zo’n Europees label
en een Nederlands label. Ook vragen deze leden hoe het Zweedse model is ingericht,
omdat deze leden begrijpen dat daarmee vooral beleggingen in de Zweedse economie worden
bereikt. Kan het kabinet een inschatting maken hoeveel potentieel kapitaal hiermee
in de Nederlandse markt vrijgemaakt zou kunnen worden, uitgaande van een conservatief
scenario?
De leden van de CDA-fractie lezen dat te zijner tijd wordt onderzocht hoe een en ander
kan worden ingepast voor fiscale stimulering in box 3. Deze leden zijn blij met de
toezegging in het commissiedebat Eurogroep/Ecofin van 3 december 2025 om dit eerder
te onderzoeken. Deze leden vragen per wanneer het kabinet hierover denkt te kunnen
rapporteren. Het lijkt deze leden immers van het grootste belang het stimuleren van
beleggen met positieve effecten op de economie zo snel mogelijk in gang te zetten,
zodat dit direct van start kan tegelijk met inwerkingtreding van het nieuwe stelsel,
waar we ook nog twee jaar op moeten wachten. Deze leden vinden het goed dat beleggingen
in risicovolle producten die geen investeringen in de reële economie vertegenwoordigen
worden uitgesloten en zij vragen dit onderscheid in de fiscale behandeling ook mee
te nemen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie zien in het beter faciliteren van beleggingsrekeningen
zowel een kans voor versterkte vermogensopbouw als een mogelijke impuls voor de Europese
economie. Tegelijkertijd constateren ze dat de Europese Commissie haar voorstel presenteert
als een aanbeveling en verzoeken deze leden het kabinet om te bevestigen dat deze
status betekent dat Nederland geen enkele verplichting heeft om onderdelen over te
nemen. Ook vragen deze leden of het kabinet verwacht dat deze aanbeveling in de toekomst
alsnog zou kunnen worden omgezet in een verordening of richtlijn, zoals in het verleden
vaker is gebeurd bij initiatieven van de Europese Commissie.
Daarnaast vernemen de leden van de JA21-fractie dat Nederland een intentieverklaring
heeft ondertekend voor de lancering van Finance Europe. Daarbij valt het deze leden
op dat Nederland pas voornemens is om de fiscale aspecten in nationale wetgeving om
te zetten nadat box 3 is herzien. Deze leden vragen of het niet juist wenselijker
is om dit traject parallel te laten lopen aan de herziening van box 3, zodat fiscale
keuzes rondom beleggen in een stelsel kunnen worden vormgegeven. Graag vernemen deze
leden welke mogelijkheden het kabinet ziet om het label op nationaal niveau te faciliteren.
Zouden producten met het label van Finance Europe bijvoorbeeld kunnen worden ondergebracht
binnen de vermogenswinstheffing van de nieuwe box 3? Daarnaast verzoeken deze leden
om een overzicht per lidstaat van de fiscale behandeling die andere ondertekenaars
(Frankrijk, Duitsland, Spanje, Luxemburg, Estland, Portugal en Polen) op dit moment
toepassen op, dan wel voornemens zijn toe te passen op, producten met dit label.
Voorts merken deze leden op dat in het verslag wordt aangegeven dat de sector al aan
de slag kan met de ontwikkeling van beleggingsrekeningen en -producten die voldoen
aan de voorwaarden van Finance Europe. Deze leden vragen welke instantie toezicht
zal houden op de naleving van deze voorwaarden en op welke wijze wordt geborgd dat
de producten daadwerkelijk aan de criteria van het label voldoen.
Tot slot vragen deze leden in hoeverre de huidige Nederlandse regelgeving aansluit
bij de niet-fiscale kenmerken die in het fiche worden genoemd en of het kabinet van
plan is de overige aanbevelingen van de Europese Commissie, voor zover die nu nog
niet zijn verwerkt, op te nemen in de Nederlandse wet- en regelgeving.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie zijn kritisch op het voornemen van de Europese Commissie
om lidstaten op nationaal niveau kaders te laten creëren voor spaar- en beleggingsrekeningen.
Deze leden lezen dat de Europese Commissie schrijft dat een dergelijk raamwerk ruimte
zou moeten geven aan specifieke beleggingsproducten waarbij andere, meer risicovolle
beleggingsproducten die naar het inzicht van de Europese Commissie geen toegevoegde
waarde hebben in de economie worden uitgesloten. Ook complexe beleggingsproducten
ziet de Europese Commissie het liefst uitgesloten.
De leden van de BBB-fractie ervaren een bepaalde spanning bij het actief sturen van
het beleggingsgedrag van particulieren door een nationale overheid. Bepaalde beleggingsproducten/investeringskansen
worden zodoende voorgetrokken op andere wat niet past bij een vrije beweging van kapitaal.
Heeft het kabinet begrip voor dit standpunt?
Deze leden vragen ook in hoeverre naast het wegnemen van barrières voor bepaalde beleggingsproducten
ook barrières worden opgeworpen voor andere producten/bedrijven/investeringsvehikels
binnen de Europese Unie? Hoe verhoudt het voorstel zich tot de eigen EU-staatssteunwetgeving?
Het kabinet schrijft dat het goed zou zijn voor de Europese economie als consumenten
meer van hun spaargeld zouden beleggen, zo lezen de leden van de BBB-fractie. Dat
zou komen doordat retailbeleggers vaak de voorkeur hebben om «dichtbij huis» te beleggen
(een zogeheten home bias) in bedrijven die zij beter kennen en kapitaalmarkten waar
zij de taal en cultuur beter begrijpen. Kan het kabinet aangeven welke onderzoeken
concreet wijzen op zo’n home bias? Hoeveel geld wordt door Nederlandse particulieren
in Nederlandse bedrijven belegd en hoeveel in buitenlandse bedrijven?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
R.A. van der Steur, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.