Brief regering : Beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad 'Armoede en Onderwijs'
36 800 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2026
Nr. 19
BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 december 2025
Conform het verzoek van de Vaste Kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
van 24 april 20251 sturen wij uw Kamer hierbij een reactie op het advies van de Onderwijsraad «Armoede
en onderwijs» van 16 april 2025.
De Onderwijsraad adviseert om de toegankelijkheid van het voortgezet onderwijs (vo)
en het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) te vergroten voor jongeren die opgroeien
in armoede. De Onderwijsraad constateert dat de schoolkosten in het vo, en vooral
het mbo, hoog zijn. De Raad adviseert het Rijk en onderwijsinstellingen om deze financiële
drempels voor leerlingen en studenten weg te nemen. Daarnaast pleit de Onderwijsraad
ervoor de ondersteuning van jongeren in armoede te versterken. Ten slotte roept de
Raad gemeenten op om hun verantwoordelijkheid te pakken in de ondersteuning van jongeren
in armoede, en om vo- en mbo-instellingen meer te betrekken bij lokale overleggen.
We danken de Onderwijsraad voor dit advies. Alle kinderen en jongeren in Nederland
moeten laagdrempelige toegang hebben tot kwalitatief goed onderwijs. Het is essentieel
dat financiële drempels zoveel mogelijk worden weggenomen, zodat kinderen en jongeren
die opgroeien in armoede dezelfde kansen krijgen om zich op school te ontwikkelen
en hun talenten te ontplooien.
In deze brief zullen we ingaan op de volgende thema’s:
1. Een reflectie op het advies van de Onderwijsraad dat betrekking heeft op de financiële
toegankelijkheid van het mbo.
2. Informatie over de financiële situatie van mbo-studenten, uitgesplitst naar minderjarige
en meerderjarige studenten. Conform de toezegging van 11 december 20242.
3. Het deel van het advies van de Onderwijsraad dat betrekking heeft op armoede onder
leerlingen in het vo.
1. Mbo
Advies van de Onderwijsraad
De Onderwijsraad geeft in haar advies aan dat de hoge schoolkosten voor mbo-studenten
aanzienlijke financiële drempels kunnen opwerpen voor de toegankelijkheid van het
onderwijs. Deze kosten kunnen er volgens de Onderwijsraad direct toe leiden dat bepaalde
groepen studenten geen toegang hebben tot onderwijs en kunnen er indirect toe leiden
dat hun studievoortgang wordt belemmerd door financiële stress, schaamte of uitsluiting.
Om die reden adviseert de Onderwijsraad om onderwijs ten minste voor alle kwalificatieplichtige
studenten3 kosteloos toegankelijk te maken, maar nog liever voor alle studenten tot aan de startkwalificatie4. Daarnaast noemt de Onderwijsraad ook alle minderjarige studenten (met of zonder
startkwalificatie) als mogelijke doelgroep voor volledig kosteloos onderwijs.
Wij waarderen dat de Onderwijsraad deze kant van de financiële toegankelijkheid in
het advies Armoede en Onderwijs nadrukkelijk belicht en daarmee een belangrijk inzicht toevoegt aan het bredere debat
over gelijke kansen en het wegnemen van drempels om diploma’s te kunnen behalen.
Wij vinden het essentieel dat het mbo toegankelijk is voor alle studenten, ongeacht
hun financiële positie. Elke jongere moet een opleiding kunnen volgen die past bij
zijn/haar talenten, zonder dat financiële drempels daarin een rol spelen. Financiële
problemen verhogen het risico op financiële stress en op voortijdig schoolverlaten,
terwijl juist het behalen van een startkwalificatie cruciaal is voor een eerlijke
kans op werk en volwaardige deelname aan de samenleving.
Mbo-studenten bevinden zich financieel in een tussenpositie. Zij worden noch behandeld
als leerlingen in het vo, noch als studenten in het hbo of wo. Anders dan leerlingen
in het vo moeten mbo-studenten zelf schoolboeken en digitale licenties betalen. Daarnaast
krijgen mbo-studenten vaak te maken met aanvullende kosten voor onderwijsbenodigdheden
(zoals werkkleding, veiligheidsschoenen of een laptop met bijzondere specificaties)
en voor externe examens en certificaten (zoals veiligheidscertificaten). Deze kosten
verschillen sterk per opleiding en leerjaar. In vergelijking met hbo- en wo-studenten
worden mbo-studenten geconfronteerd met hogere schoolkosten5,
6. De verschillende groepen studenten zijn niet één op één met elkaar te vergelijken.
Minderjarige mbo-studenten betalen bijvoorbeeld geen les- of cursusgeld en hebben
geen recht op studiefinanciering, terwijl minderjarige hbo- en wo-studenten wel collegegeld
betalen en studiefinanciering ontvangen. Meerderjarige mbo-studenten betalen wel les-
of cursusgeld en hebben recht op studiefinanciering (voor niveau 1 en 2 in de vorm
van een gift) net als hbo- en wo-studenten.
Het is daarom van belang dat keuzes aan de kostenkant, zoals het verminderen van schoolkosten
of het afschaffen van les- en cursusgeld, in samenhang worden beschouwd met keuzes
aan de inkomstenkant, zoals het gelijktrekken van verschillen in studiefinanciering.
Uw Kamer heeft op 14 november 2025 een brief ontvangen over de verschillen in normbedragen
studiefinanciering en restitutie les- en cursusgeld7.
Voorbeeld schoolkosten: Sam, 16 jaar
Sam volgt de mbo-opleiding tot machinist. Voorafgaand aan het schooljaar schaft hij
schoolboeken en digitale leermiddelen aan. Tijdens zijn eerste jaar ontvangt hij onverwacht
een aanvullende factuur van de school voor verplichte cursussen en beroepsexamens
die nodig zijn om stage te mogen lopen en bevoegd te worden in het beroep. Deze kosten
bedragen € 654. In het tweede jaar is dit opnieuw het geval, met een factuur van ruim
€ 900.
Voorbeeld schoolkosten: Nora, 18 jaar
Nora volgt de mbo-opleiding bouwkunde en infra. De school schrijft een laptop voor
met een minimale aanschafprijs van € 899. Daarnaast betaalt ze in haar eerste jaar
€ 690 voor schoolboeken en digitale licenties. Voor de veiligheidscursus en het bijbehorende
examen komt daar € 180 bij. Ook moet ze veiligheidsschoenen met stalen neuzen aanschaffen
à € 80.
Uit het Nibud studentenonderzoek 2024, dat wij 1 september 2024 aan uw Kamer stuurden,
blijkt dat een groot deel van mbo-studenten aangeeft (heel) makkelijk rond te kunnen
komen. De groep is echter erg divers. Zo gaf 12% van de ondervraagde bol-studenten
en 10% van de ondervraagde bbl-studenten aan moeilijk rond te kunnen komen. Van de
minderjarige studenten gaf 5% aan moeilijk rond te kunnen komen. Dat een deel van
de studenten niet goed kan rondkomen vinden wij zorgelijk. Daarnaast laat het onderzoek
zien dat mbo-studenten financieel kwetsbaarder zijn dan studenten in het hbo/wo. Zij
hebben meestal nog geen startkwalificatie en bevinden zich in een fase waarin financiële
druk de kans op studiesucces kan verkleinen.
Afschaffen schoolkosten
De Onderwijsraad adviseert studeren volledig kosteloos te maken voor een aantal groepen
mbo-studenten. Hiermee bedoelt de Onderwijsraad dat studenten niet hoeven te betalen
voor het les- en cursusgeld, schoolboeken en digitale licenties, spullen voor persoonlijk
gebruik (zoals veiligheidskleding) en voor examens en certificaten (bijvoorbeeld een
veiligheidscertificaat).
De kosten voor spullen voor persoonlijk gebruik, externe examens en certificaten verschillen
per opleiding en per mbo-instelling. We kunnen momenteel geen goede inschatting maken
van deze kosten. Er kan wel een inschatting worden gemaakt van de kosten voor het
vergoeden van schoolboeken en digitale licenties.
De kosten voor het gratis beschikbaar stellen van schoolboeken en digitale licenties
in het mbo worden geschat op € 450–€ 650 per student per jaar. Ter vergelijking: in
het vo is onder de Wet Gratis Schoolboeken circa € 450 per leerling per jaar beschikbaar.
In het mbo liggen de kosten doorgaans hoger dan in het vo omdat opleidingen vaak specialistische
boeken vereisen. Daarnaast liggen de kosten hoger in het eerste en tweede studiejaar
omdat studenten dan boeken aanschaffen die meerdere jaren meegaan.
Tegelijkertijd is de leermiddelenmarkt voor het mbo kwetsbaar, waardoor marktverstoring
kan leiden tot hogere kosten. De kosten hangen dus sterk af van de gekozen vorm en
uitvoering van het gratis beschikbaar stellen van schoolboeken en licenties.
Op termijn zouden ontwikkelingen zoals investeringen in open en digitale leermiddelen
de kosten mogelijk kunnen verlagen. Het Groeifondsprogramma Npuls, dat hier een bijdrage
aan levert, loopt tot 2031.
Twee van de doelgroepen die de Onderwijsraad noemt zijn minderjarige mbo-studenten
en alle mbo-studenten tot aan de startkwalificatie. Uitgaande van de bandbreedte van
€ 450–€ 650 per student per jaar, komen de totale kosten voor gratis schoolboeken
en licenties voor alle minderjarige mbo-studenten op 75 tot 110 miljoen euro per jaar
en voor alle mbo-studenten tot aan de startkwalificatie op 145 tot 210 miljoen euro
per jaar. Het gratis maken van schoolboeken en licenties voor bepaalde groepen mbo-studenten
is naar verwachting uitvoerbaar, bijvoorbeeld via de bekostiging voor scholen. Hiervoor
zijn echter geen middelen beschikbaar.
Toenmalig Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Robbert Dijkgraaf heeft meermaals
een oproep gedaan aan mbo-instellingen om de schoolkosten te beperken8. Daarnaast heeft OCW de afgelopen jaren samen met de MBO Raad en JOBmbo ingezet op
het verminderen van financiële drempels om te studeren op het mbo. Dit heeft onder
andere geleid tot het Servicedocument Schoolkosten waarin is vastgelegd welke kosten
voor rekening komen van de school en welke kosten mogen worden opgelegd aan de student.
Ook hebben mbo-instellingen een terugkoopregeling ingesteld voor boeken die niet voldoende
intensief zijn gebruikt. Sinds studiejaar 2024–2025 ontvangen minderjarige mbo-studenten
een tegemoetkoming van 60 euro voor schoolboeken en licenties. Bij financiële problemen
kunnen zij steun krijgen via het Studentenfonds van hun school.
Met bovenstaande maatregelen wordt geprobeerd om de schoolkosten voor studenten te
beperken.
Afschaffen les- en cursusgeld
Naast het afschaffen van schoolkosten pleit de Onderwijsraad ook voor het afschaffen
van les- en cursusgeld. Ook bij deze maatregel adviseert de Onderwijsraad om dit te
doen voor alle studenten tot aan de startkwalificatie. Minderjarige mbo-studenten
betalen geen les- of cursusgeld en zijn dus per definitie uitgesloten van deze maatregel.
De vraag is of het afschaffen van het lesgeld daadwerkelijk de financiële drempel
verlaagt voor studenten in een financieel kwetsbare positie. Dit komt doordat de aanvullende
beurs voor mbo-studenten een «top-up» bevat die specifiek bedoeld is voor het lesgeld9. Voor vavo-studenten geldt eenzelfde systematiek binnen de tegemoetkoming scholieren10. Als het lesgeld vervalt, verdwijnt ook deze top-up, waardoor het totaalbedrag aan
studiefinanciering dat deze studenten ontvangen daalt. Per saldo gaan studenten in
een financieel kwetsbare situatie met een maximale aanvullende beurs er financieel
dus niet op vooruit. Het directe voordeel van de maatregel komt hierdoor terecht bij
studenten die geen recht hebben op een maximale aanvullende beurs, dus de groep die
financieel minder kwetsbaar is. Daarmee staat de doeltreffendheid en doelmatigheid
van deze maatregel voor de financiële positie van de mbo-student ter discussie.
Deze overwegingen laten zien dat het afschaffen van lesgeld geen maatregel is die
specifiek voor het verbeteren van de financiële positie van mbo-studenten vanzelfsprekend
voordelig of logisch is. Effecten moeten zorgvuldig tegen elkaar worden afgewogen
en in samenhang worden bezien met aanpassingen in studiefinanciering.
Ten slotte is het van belang om goed te kijken naar de uitvoerbaarheid van de maatregel.
In dit geval geldt dat een variant waarin het les- en cursusgeld afgeschaft zou moeten
worden voor alle studenten zonder startkwalificatie het moeilijkst uitvoerbaar is.
DUO zal in die gevallen immers moeten controleren of een student al een startkwalificatie
heeft. Het afschaffen van het lesgeld voor de andere doelgroepen die de Onderwijsraad
adviseert is relatief eenvoudiger om in te voeren. Het is daarnaast lastig om deze
maatregel in te voeren omdat deze samenhangt met andere regelingen van DUO, zoals
het toekennen van de aanvullende beurs. Bij invoering van deze maatregel moet rekening
worden gehouden met gevolgen voor het gehele studiefinancieringsstelsel. Dit maakt
de implementatie complex. Definitieve uitspraken over de haalbaarheid kunnen pas gedaan
worden nadat een uitvoeringstoets is uitgevoerd.
Excursies en studentenfonds
Daarnaast adviseert de Onderwijsraad om studenten toegang te geven tot excursies zonder
betaalverplichting. In de huidige situatie betalen mbo-studenten vaak een vrijwillige
bijdrage voor excursies. Deze zijn niet verplicht en zijn niet nodig om het diploma
te behalen. Als een student niet mee wil of kan is de school verplicht om een gratis
alternatief te regelen.
Wij begrijpen de intentie van de Onderwijsraad. Wij voorzien echter dat dit ofwel
leidt tot een verschraling van het excursie-aanbod van mbo-instellingen, ofwel zal
leiden tot hoge extra kosten. Momenteel kunnen we geen goede schatting maken van deze
kosten.
De Onderwijsraad noemt in haar advies ook het mbo-studentenfonds. Zij constateert
dat dit een waardevol fonds is, maar ziet ook beperkingen in de opzet hiervan. De
Onderwijsraad pleit daarom voor een onderwijskansenbudget in het mbo, net als in het
vo. Het mbo-studentenfonds wordt verdeeld over de mbo-instellingen volgens de lumpsum-verdeling11, terwijl het onderwijskansenbudget in het vo afhankelijk is van een aantal indicatoren,
waaronder het opleidingsniveau en herkomst van de ouders. De werking van het mbo-studentenfonds
is onderzocht in het kader van de wetsevaluatie van de Wet rechtspositie en rechtsbescherming
van mbo-studenten. We verwachten deze evaluatie eind dit jaar naar uw Kamer te sturen.
2. Cijfers financiële situatie minderjarige mbo-studenten (toezegging 2024)
Conform een toezegging in het commissiedebat over het MBO van 11 december 2024 informeren
wij uw Kamer hierbij ook over de financiële situatie van mbo-studenten, uitgesplitst
naar minder- en meerderjarige studenten.
Het Nibud Studentenonderzoek uit 202412 biedt inzicht in de financiële positie van mbo-studenten, uitgesplitst naar verschillende
leeftijdscategorieën en leerwegen. In de tabel hieronder zijn de uitkomsten, indien
beschikbaar13, weergegeven voor verschillende leeftijdscategorieën. Daaruit blijkt dat minderjarige
mbo-studenten veel minder vaak aangeven (heel) moeilijk rond te komen dan meerderjarige
mbo-studenten. Ook zien we dat de inkomsten en uitgaven van minderjarige mbo-studenten
een stuk lager zijn dan van meerderjarige mbo-studenten. Dit is ook logisch, omdat
minderjarige mbo-studenten geen recht hebben op de basisbeurs, aanvullende beurs en
studielening en ook geen lesgeld hoeven te betalen.
16–17 jaar
18–20 jaar
21–29 jaar
bol
bbl
bol
bbl
bol
bbl
Inkomsten
Totaal besteedbaar inkomen
€ 425
€ 580
€ 872
€ 1.235
€ 1.301
€ 1.812
Waarvan:
Bijdrage ouders1
€ 61
–
€ 91
–
€ 101
–
Bijbaan2
€ 220
€ 494
€ 366
€ 1.127
€ 613
€ 1.658
Basisbeurs
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
– thuiswonend
€ 100
€ 100
– uitwonend
€ 326
€ 326
Aanvullende beurs
n.v.t.
n.v.t
€ 304
n.v.t.
€ 361
n.v.t.
Lening
n.v.t.
n.v.t
–
n.v.t.
–
n.v.t.
Uitgaven
Totale uitgaven
€ 376
€ 557
€ 665
€ 993
€ 1.106
€ 1.597
Rondkomen
6%
–
14%
–
16%
–
– (Heel) moeilijk
– Neutraal
37%
–
40%
–
58%
–
– (Heel) gemakkelijk
57%
–
46%
–
26%
–
Sparen
90%
95%
94%
98%
86%
91%
€ 167
€ 562
€ 221
€ 617
€ 183
€ 490
X Noot
1
Dit betreft alleen de directe bijdrage van ouders. De indirecte ouderbijdrage – als
ouders uitgaven (deels) voor hun rekening nemen – is hier niet in meegenomen.
X Noot
2
Voor bbl-studenten gaat het om inkomsten uit een leerwerkbaan en/of bijbaan.
3. Voortgezet onderwijs
De Onderwijsraad pleit voor een limiet op de vrijwillige ouderbijdrage, en adviseert
om de betaling hiervan anoniem via een bovenschools fonds te organiseren in plaats
van via individuele ouderbijdrages. Zo zou de ouderbijdrage echt vrijwillig worden,
en zou er meer financiële gelijkheid ontstaat tussen scholen. Dit kabinet kiest vanwege
de focus en bijbehorende kosten niet voor het afschaffen of limiteren van de ouderbijdrage.14 De ouderbijdrage is op dit moment al vrijwillig en het is belangrijk dat scholen
dit ook uitstralen. De inspectie houdt daar ook toezicht op, bijvoorbeeld als zij
signalen ontvangt dat een school hier niet duidelijk over communiceert. Om zicht te
houden welke aanvullende kosten het voortgezet onderwijs met zich meebrengt monitoren
we de schoolkosten in het funderend onderwijs om het jaar. Eind 2025 wordt de volgende
Schoolkostenmonitor opgeleverd. Dit ontvangt u begin 2026.
Daarnaast pleit de Raad ervoor dat vo-scholen de kwaliteit van het onderwijs bewaken
voor deze groep jongeren, en dat zij de ondersteuning aan deze groep versterken. De
Onderwijsraad pleit ervoor dat scholen zorgen voor een volledig onderwijsaanbod voor
alle leerlingen (met bijvoorbeeld ook voldoende aandacht voor creatieve vakken) en
dat zij een positief schoolklimaat creëren met hoge verwachtingen. Ook geeft de Onderwijsraad
aan dat het belangrijk is dat leraren en schoolleiders signalen van armoede leren
herkennen en weten hoe ze daarmee om moeten gaan. Ten slotte noemt de Raad dat extra
activiteiten bijdragen aan het welzijn en de algemene ontwikkeling van jongeren in
armoede, en dat materiele ondersteuning hen helpt om volwaardig aan onderwijs deel
te kunnen nemen.
We steunen dit pleidooi van de Onderwijsraad aan de scholen, en bekijken samen met
de VO-raad hoe we scholen hierbij kunnen helpen. Zo zullen we de handreiking «Omgaan
met armoede op scholen» opnieuw onder de aandacht brengen van alle scholen, en organiseert
de VO-raad een webinar over armoede op scholen, waarin onder andere het Nederlands
Jeugd Instituut aan bod komt. Daarnaast zijn er structurele middelen beschikbaar om
extra ondersteuning te bieden aan jongeren in armoede door middel van de programma’s
School en Omgeving, Schoolmaaltijden en Brugfunctionaris.
In 2025 bereiken we met School en Omgeving bijna 1.200, voor Schoolmaaltijden bijna
2.400 scholen en met de Brugfunctionaris 1.100 scholen.
Ook ondersteunt de Gelijke Kansen Alliantie scholen en gemeenten bij het vergroten
van onderwijskansen. Op veel plekken is daarbij aandacht voor het tegengaan van de
effecten van het opgroeien met armoede in het onderwijs. Zo starten er leernetwerken
voor wethouders, schoolleiders en gemeenteambtenaren gericht op het thema «Investeren
in de omgeving van het kind», en zijn er met 105 gemeenten nieuwe afspraken gemaakt
over de gezamenlijke inzet op kansengelijkheid. Dit schooljaar zijn er ook vier nieuwe
«landelijke agenda’s» gestart, een vorm van bovenschoolse samenwerkingen waarin scholen
een interventie implementeren, kennis ontwikkelen en de effectiviteit in beeld brengen.
Eén van deze agenda’s gaat over het lesgeven vanuit hoge verwachtingen, de andere
is gericht op de aanpak van de Familieschool, waarin de aanpak van armoede in het
gezin een grote rol speelt. In dit kader worden er meerdere bijeenkomsten georganiseerd
die bedoeld zijn om onderwijsprofessionals te helpen met kennis en ervaring hierover.
De Onderwijsraad roept schoolbesturen daarnaast op om leraren eerlijk te verdelen
over scholen. Het eerlijk verdelen van leraren is een ingewikkelde opdracht omdat
leraren vanzelfsprekend zelf kunnen kiezen waar zij willen werken. Desondanks kunnen
schoolbesturen regionaal samenwerken in de onderwijsregio’s en zorgen voor goed personeelsbeleid
en voor goede begeleiding en ontwikkelmogelijkheden van (startende) leraren. Landelijk
dragen we hier bijvoorbeeld ook aan bij met de arbeidsmarkttoelage voor scholen met
relatief veel leerlingen in kwetsbare positie.
In het kader van voldoende structurele middelen voor deze doelgroep, pleit de Onderwijsraad
voor verhoging van het onderwijskansenbudget in het vo en voor het omzetten van tijdelijke
en versnipperde subsidieregelingen in structurele financiering. Naar aanleiding van
uw oproep om de bezuiniging op de onderwijskansenregeling te heroverwegen is de onderwijskansenregeling
behouden. De regeling wordt structureel ongewijzigd voortgezet. Het kabinet heeft
geen budgettaire ruimte voor verhoging van het onderwijskansenbudget.
Het kabinet zet wel belangrijke stappen in het omzetten van subsidieregelingen naar
structurele financiering. Vanaf 2029 zullen de programma’s School en Omgeving, Brugfunctionaris
en Schoolmaaltijden via één aanvullende bekostigingsregeling gefinancierd worden,
zodat de scholen met leerlingen die dit het hardste nodig hebben, structureel aanvullend
aanbod en ondersteuning kunnen bieden. Bij de vormgeving hiervan wordt ook gekeken
naar de mogelijkheid om de armoededefinitie van het CBS te gebruiken bij de verdeling
van de middelen.
Ten slotte roept de Onderwijsraad gemeenten op om hun coördinerende en initiërende
verantwoordelijkheid te pakken in het lokale armoedebeleid, en het vo en mbo structureel
te betrekken bij lokale educatieve overleggen. Het kabinet onderschrijft het belang
van een sterke samenwerking tussen scholen en gemeenten. Leraren zien het in de klas
als kinderen opgroeien in armoede, maar scholen zijn niet eerstverantwoordelijk om
armoedeproblemen op te lossen. Door een sterke samenwerking tussen scholen, gemeenten,
welzijnsorganisaties, lokale wijkteams e.d. kunnen deze problemen wel op of verbonden
met school aangepakt worden. We zien de lokale en regionale educatieve agenda’s ook
als een belangrijk instrument om deze samenwerking te coördineren en te borgen. We
bekijken samen met de VNG, de sectorraden en de Inspectie van het Onderwijs hoe we
deze lokale en regionale overleggen kunnen versterken.
Tot slot
Tot slot spreken wij onze waardering uit voor het feit dat de Onderwijsraad in dit
advies nadrukkelijk aandacht vraagt voor leerlingen en studenten in een kwetsbare
financiële positie. Jongeren in zowel het vo als het mbo verdienen gelijke kansen
om zich optimaal te ontwikkelen, ongeacht hun financiële situatie. Dat is in het belang
van henzelf én van de samenleving als geheel.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
G. Moes
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
K.M. Becking
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap