Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over het Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving 2025 (Kamerstuk 28325-299)
2025D49866 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening hebben de
onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister
van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over het Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving
2025 (Kamerstuk 28 325, nr. 299).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Beckerman
Adjunct-griffier van de commissie,
Beekmans
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
II
Antwoord / reactie van de Minister
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het Verzamelbesluit bouwwerken
leefomgeving 2025 en de voorgestelde introductie van de woonfuncties zorggeschikt
en nultreden. Deze leden onderschrijven het belang van toegankelijke woningen voor
ouderen en mensen met een zorgbehoefte, maar constateren dat het voorstel geen aanvullende
brandveiligheidsnormen bevat, terwijl de beoogde bewoners naar verwachting verminderd
of niet zelfredzaam zijn. Zij nemen kennis van het feit dat de nieuwe woonfuncties
uitsluitend op bruikbaarheid zijn ingericht, en er nog onderzoek wordt gedaan naar
de toekomst van de woonfunctie voor zorg. Zij constateren dat hierdoor een groter
risico op slachtoffers bij brand ontstaat en dat rechtsongelijkheid kan optreden ten
opzichte van vergelijkbare groepen in intramurale zorginstellingen.
De leden van de D66-fractie verzoeken u toe te lichten waarom de woonfuncties zorggeschikt
en nultreden reeds worden geïntroduceerd zonder voorafgaande borging van brandveiligheid,
terwijl duidelijk is dat de beoogde doelgroep verminderd zelfredzaam is en afhankelijk
van adequate brandpreventieve voorzieningen.
Deze leden vragen u aan te geven hoe wordt gewaarborgd dat het brandveiligheidsniveau
van deze woningen adequaat en gelijkwaardig is ten opzichte van vergelijkbare groepen
in intramurale zorginstellingen, zodat rechtsongelijkheid wordt voorkomen en de bescherming
van bewoners gegarandeerd is.
De leden van de D66-fractie vragen u wanneer het aangekondigde onderzoek naar de toekomst
van de brandveiligheidsvoorschriften van de woonfunctie voor zorg start, wat het beoogde
tijdpad is, en welke opdrachtformulering daarbij wordt gehanteerd. Deze leden vragen
u ook te verduidelijken of het toevoegen van brandveiligheidsmaatregelen aan de nieuwe
woonfuncties zorggeschikt en nultreden deel uitmaakt van dit onderzoek. Als dit niet
het geval is, vragen zij zich af of u bereid bent de onderzoeksformulering uit te
breiden met dit onderdeel.
De leden van de D66-fractie vragen u daarnaast uiteen te zetten op welke wijze Brandweer
Nederland betrokken is bij de totstandkoming van de wijziging van het Besluit bouwwerken
leefomgeving (Bbl). Daarnaast vragen deze leden op welke wijze Brandweer Nederland
structureel kan worden betrokken bij de verdere uitwerking van brandveiligheidsvoorschriften,
zodat de veiligheid van de beoogde bewoners wordt geborgd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het Verzamelbesluit bouwwerken
leefomgeving 2025. Deze leden hechten aan duidelijke, uitvoerbare regels en vinden
het van groot belang dat nieuwe voorschriften niet leiden tot extra of onnodige regeldruk
voor gemeenten, bedrijven en woningbouwprojecten. Over meerdere onderdelen van het
besluit hebben zij nog vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben over de PUR-regelgeving enkele vragen. Deze leden
vragen welke gevolgen de meldplicht voor PUR-werkzaamheden heeft voor de capaciteit
van vergunningverlening, toezicht en handhaving bij gemeenten en welke extra handelingen
deze meldplicht voor en na de werkzaamheden met zich meebrengt. Zij vernemen graag
welke mitigerende maatregelen beschikbaar zijn en welke signalen er bestaan over zorgen
bij gemeenten over het beoordelen van vooropname- en nacontrolerapportages. Zij vragen
in hoeverre verschillen in kennisniveau tussen gemeenten tot uiteenlopende handhavingspraktijken
kunnen leiden en welke maatregelen beschikbaar zijn om dit te voorkomen. De leden
van de CDA-fractie vragen welke factoren u hanteert bij het bepalen of aanvullende
ondersteuning nodig is en welke mogelijkheden er zijn voor regionale taakverdeling
of specialisatie binnen omgevingsdiensten. Tevens vragen deze leden hoe de handhaving
in de beginfase wordt ingeschat, of onbekendheid met nieuwe regels een rol kan spelen
en hoe wordt geborgd dat gezondheids- of arbeidsklachten niet onnodig bij gemeenten
worden neergelegd. Ook vragen zij welke afwegingen worden gebruikt om te bepalen wanneer
fysiek toezicht noodzakelijk is en hoe verantwoordelijkheden zijn afgebakend wanneer
na PUR-toepassing gezondheidsklachten ontstaan.
De leden van de CDA-fractie hebben ook over het digitale meldproces enkele vragen.
Deze leden vragen of gemeenten behoefte hebben aan een uniform digitaal meldformulier,
in welke mate automatische validatie in het Digitaal Stelsel Omgevingswet de administratieve
lasten kan verlagen en of mogelijkheden bestaan om automatische koppelingen met VTH-systemen
te verkennen. Zij vragen welke overwegingen gelden bij het ontwikkelen van een landelijke
handreiking voor PUR-toezicht en of binnen het interbestuurlijk programma ruimte bestaat
om uitvoeringsaspecten van PUR-regelgeving te adresseren zonder dat extra verplichtingen voor gemeenten
ontstaan. Zij vragen tevens of een overgangsfase is overwogen waarin de nadruk ligt
op begeleiding in plaats van directe handhaving.
De leden van de CDA-fractie hebben ook over de gevolgen voor mkb-bedrijven enkele
vragen. Deze leden verzoeken de regering inzicht te geven in de administratieve lasten
voor kleine bedrijven zonder erkende kwaliteitsverklaring en vragen of de meldtermijn
van vijf werkdagen voor hen uitvoerbaar is. Zij vragen of signalen bekend zijn dat
kleine isolatiebedrijven opdrachten dreigen te verliezen doordat opdrachtgevers vooral
gecertificeerde bedrijven selecteren en in hoeverre verschillen in verplichtingen
voor bedrijven met en zonder kwaliteitsverklaring invloed hebben op een gelijk speelveld.
De leden van de CDA-fractie vragen welke mogelijkheden bestaan om ondersteuning richting
certificering te verkennen, welke randvoorwaarden gelden voor vormen van collectieve
certificering en of digitale standaardformulieren en checklists kunnen bijdragen aan
lagere uitvoeringslasten. Ook vragen deze leden in hoeverre laagdrempelige digitale
hulpmiddelen kunnen bijdragen aan uniforme kwaliteitsborging en of jaarlijks praktijkoverleg
tussen gemeenten, omgevingsdiensten en isolatiebedrijven kan bijdragen aan tijdige
signalering van knelpunten. Zij vragen ten slotte of risicogerichte toezichtmodellen,
waarin goed presterende bedrijven minder frequent worden gecontroleerd, kunnen bijdragen
aan lagere lasten.
De leden van de CDA-fractie hebben ook over de regels voor tijdelijke woningen en
verplaatsing enkele vragen. Deze leden vragen hoe gemeenten en ontwikkelaars rekening
moeten houden met de opwaarderingsplicht wanneer tijdelijke woningen langer dan vijftien
jaar in stand blijven en of is meegenomen dat opwaarderen in sommige gevallen financieel
of technisch nauwelijks haalbaar is. Zij vragen of deze plicht ontmoedigend kan uitwerken
op langer gebruik van tijdelijke woningen. Ook vragen zij welke criteria beschikbaar
zijn om te bepalen wanneer een bouwwerk bij verplaatsing ongewijzigd van samenstelling
blijft en welke interpretatievragen kunnen ontstaan bij gedeelten die mogen worden
verwijderd of toegevoegd. Zij vragen in hoeverre verschillen in interpretatie tot
uiteenlopende uitkomsten bij vergunningverlening kunnen leiden.
De leden van de CDA-fractie vragen om inzicht in de kostenimpact van de hoofdregel
dat bij verplaatsing nieuwbouweisen gelden en of signalen bestaan dat retrofitting
van flexwoningen financieel zwaar kan uitpakken. Deze leden vragen of de regels ertoe
kunnen leiden dat aanbieders standaard op nieuwbouwniveau moeten ontwerpen en wat
dit betekent voor de betaalbaarheid. Zij vragen tevens hoe gemeenten het maatwerkinstrument
voor geluideisen dienen toe te passen bij verplaatsing naar geluidsbelaste locaties
en of toetsing bij elke verplaatsing de procedureduur kan verlengen. Ook vragen de
leden van de CDA-fractie of een landelijke vorm van typegoedkeuring, een afzonderlijke
categorie voor verplaatsbare woningen of een uniform pakket technische eisen kan bijdragen
aan minder dubbele toetsing en lagere lasten. Deze leden vragen verder of regionale
catalogi met vooraf getoetste concepten procedures kunnen versnellen en in hoeverre
standaardisatie van kavelmaten en verkaveling kan bijdragen aan vereenvoudiging.
De leden van de CDA-fractie hebben ook over de natuur- en onderzoekslasten enkele
vragen. Deze leden vragen hoe de nieuwe bouwkundige voorzieningen voor huismus, gierzwaluw
en vleermuis zich verhouden tot bestaande verplichtingen onder natuurregelgeving,
zodat geen extra onderzoekslasten ontstaan. In welke mate zijn deze voorzieningen
bedoeld als no regret maatregelen en hoe wordt geborgd dat zij geen aanvullende vergunningplicht
of onderzoeksplicht oproepen? Zij vragen hoe wordt voorkomen dat gemeenten toch aanvullend
ecologisch onderzoek vragen en welke stappen worden gezet om te voorkomen dat voorzieningen
in het Bbl worden geïnterpreteerd als onderdeel van soortcompensatie. Ook vragen zij
of signalen bekend zijn dat onduidelijkheid over eDNA-onderzoek in bestaande bouw
zich uitbreidt naar nieuwbouwprojecten en of richtlijnen nodig zijn om te verduidelijken
dat eDNA onderzoek bij utiliteitsbouw niet noodzakelijk is. Verder vragen zij of aanleiding
bestaat om scherper te scheiden welke onderzoeksmethoden bij renovatie gelden en welke
bij nieuwbouw.
De leden van de CDA-fractie hebben ook over de nieuwe eisen voor toegankelijkheid
en woningplattegronden enkele vragen. Deze leden vragen welke effecten de eisen hebben
op de mogelijkheden van ouderen om langer zelfstandig te wonen en of koppeling aan
gemeentelijke woonzorgvisies is overwogen. Zij vragen welke kostenstijging wordt verwacht
door ruimere minimale oppervlaktes voor sanitaire en verkeersruimten en welke gevolgen
dit heeft voor woningdichtheid. De leden van de CDA-fractie vragen hoe de gewijzigde
maatvoeringseisen zich verhouden tot het STOER principe om regels te vereenvoudigen
en regeldruk te beperken en of effectberekeningen beschikbaar zijn van extra benodigde
vierkante meters. Tevens vragen zij welke gevolgen de eisen kunnen hebben voor de
betaalbaarheid, in het bijzonder bij binnenstedelijke projecten.
Deze leden hebben ook over de overgangstermijnen enkele vragen. Zij vragen welke overwegingen
hebben geleid tot de gekozen overgangstermijnen en of is onderzocht of voor specifieke
voorschriften een langere overgangstermijn wenselijk kan zijn om herontwerp in lopende
projecten te voorkomen. Zij vragen in welke mate de nieuwe eisen kunnen leiden tot
herontwerp of vertraging van reeds vergunde projecten en of is meegewogen dat aanvullende
toegankelijkheidseisen de bouwsnelheid kunnen beïnvloeden.
De leden van de CDA-fractie hebben ook over de gewijzigde trillingsrichtlijnen enkele
vragen. Deze leden vragen wat de belangrijkste verschillen zijn tussen de eerdere
SBR-richtlijn en de nieuwe meet- en beoordelingsrichtlijnen trillingen deel B en of
de actualisatie leidt tot strengere beoordeling van nieuwbouw nabij spoor. Zij vragen
welke mogelijke kostenstijgingen trillingsisolatie met zich kan meebrengen en of is
overwogen dat strengere eisen het risico vergroten dat problemen worden afgewenteld
op ontwikkelaars in plaats van bij de bron te worden aangepakt. Zij vragen hoe de
wijziging is afgestemd met het programma Minder Hinder voor Spoor en in hoeverre het
uitgangspunt blijft dat bronmaatregelen leidend zijn bij het beperken van trillingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben het ontwerp Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving
2025 met interesse gelezen en hebben de volgende opmerkingen en schriftelijke vragen
aan de Minister.
Het Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving 2025 beoogt het Bbl aan te passen op het
gebied van PUR-schuim, tijdelijke bouwwerken, natuureisen en de introductie van zorggeschikte
en nultreden woonfuncties. Deze leden hechten eraan dat regelgeving bijdraagt aan
de woonopgave en de gezondheid en veiligheid van burgers waarborgt, zonder onnodige
bureaucratie en kosten voor gemeenten, ondernemers en burgers.
Het Verzamelbesluit introduceert een informatieplicht voor het aanbrengen van PUR-schuim,
zowel vooraf (vijf werkdagen, dan wel twee dagen met Erkende Kwaliteitsverklaring
(EKV)) als achteraf. Volgens het Cebeon-rapport leidt dit tot een substantiële toename
van de bestuurlijke lasten voor gemeenten, oplopend tot maximaal € 2,245 miljoen structureel
per jaar. De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Minister waarborgt dat deze nieuwe
informatieplichten niet leiden tot onnodige bureaucratie en vertraging van de verduurzamingsprojecten,
gezien de omvang van de bestuurlijke lasten voor de gemeenten. Deze leden vragen ook
hoe realistisch het is dat gemeenten deze informatieverzoeken tijdig kunnen verwerken,
gezien de huidige capaciteitstekorten in toezicht en handhaving.
De Minister erkent dat de aankondigingstermijn van vijf dagen in de praktijk lastig
kan zijn voor bedrijven. Dit wordt als compromis gehandhaafd, maar verkort tot twee
dagen voor bedrijven die beschikken over een EKV. De leden van de BBB-fractie vragen
welke concrete stappen u onderneemt om ervoor te zorgen dat dit EKV-stelsel snel breed
beschikbaar en betaalbaar wordt voor alle MKB-bedrijven die PUR-schuim aanbrengen,
zodat zij in de praktijk van de verkorte termijn kunnen profiteren en dubbel werk
(naast bestaande certificeringen) wordt voorkomen. Deze leden vragen op welke manier
wordt geborgd dat ook kleinere MKB-bedrijven zonder grote administratieve capaciteit
eenvoudig toegang krijgen tot een EKV. Zij vragen hoe wordt geborgd dat het EKV-stelsel
de kwaliteit van werkelijke PUR-toepassingen verhoogt, en niet slechts een administratieve
check wordt.
De aanvullende eisen zijn gericht op het voorkomen van gezondheidsklachten van bewoners.
Hoewel het meten van isocyanaat (een gevaarlijke stof) niet praktisch mogelijk blijkt,
zullen in de Omgevingsregeling proceseisen worden gesteld met betrekking tot onder
andere het dichten van naden en het juist mengen van de componenten. De leden van
de BBB-fractie vragen of u deze in de Omgevingsregeling vast te leggen proceseisen
voldoende acht om het doel van het Bbl, namelijk het beschermen van de bewonersgezondheid,
afdoende te waarborgen, zeker gezien het feit dat 90% van de branche reeds vrijwillig
gecertificeerd is. Deze leden vragen in hoeverre er ruimte blijft voor innovaties
in verwerkingsmethoden of materialen zonder dat deze direct strijdig worden met voorgeschreven
proceseisen. Zij vragen of is onderzocht of het afdichten van naden en het correct
mengen van componenten voldoende effectief is in situaties waar blootstelling aan
isocyanaten vooral ontstaat tijdens verwerking. Zij vragen welke gevolgen voor de
kosten en doorlooptijden van bouwprojecten worden verwacht door het invoeren van deze
proceseisen.
Het Verzamelbesluit introduceert de verplichting om bij nieuwe utiliteitsbouw (niet-woningen)
verblijfsvoorzieningen te realiseren voor onder andere huismussen, gierzwaluwen en
vleermuizen. De Nota van Toelichting meldt expliciet dat het Bbl voor deze voorzieningen
in de integrale schil van het bouwwerk limitatief is bedoeld. De leden van de BBB-fractie
vragen of de Minister kan bevestigen dat, nu de eis uit het Bbl met het oog op duurzaamheid
is gesteld, gemeenten op grond van het Besluit of het Omgevingsplan geen verdere «lokale
koppen» aan verblijfsvoorzieningen kunnen opleggen aan utiliteitsbouw of aan woningen.
Deze leden vragen of er uitzonderingen worden voorzien voor situaties waarin het integreren
van verblijfsvoorzieningen technisch niet haalbaar of disproportioneel kostbaar is.
Zij vragen welke onderbouwing eraan ten grondslag ligt dat juist utiliteitsbouw een
significante bijdrage levert aan de biodiversiteit en is deze verplichting effectief
in verhouding tot de verwachte ecologische winst. Zij vragen hoe wordt gemonitord
of deze voorzieningen daadwerkelijk gebruikt worden door de betreffende diersoorten.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de standaardisering van eisen voor de woonfuncties
zorggeschikt en nultreden bedoeld is om de bouw van deze noodzakelijke woningtypen
te versnellen en te verduidelijken. De nieuwe, strenge eisen voor zorggeschikte woningen
omvatten onder meer een brancardlift (1,10 m x 2,10 m), een vrije keerruimte in de
badkamer (1,5 m x 1,5 m) en een doorgangsbreedte bij deuren van ten minste 0,88 m.
Deze leden vragen welke garantie de Minister kan geven dat deze specifieke technische
eisen, hoewel afgestemd op de sector, niet zullen leiden tot vertraging of onnodige
kostenstijgingen in de uitvoering van bouwplannen, zodat we, juist in deze tijd, snel
kunnen voorzien in geschikte en toegankelijke woningen voor ouderen. Zij vragen of
de Minister kan aangeven hoeveel zorggeschikte woningen, die al in de planning stonden,
mogelijk vertraging oplopen als gevolg van de aangescherpte eisen.
Voor zowel de woonfunctie nultreden als zorggeschikt geldt de eis dat de hoofdverblijfsruimte,
toiletruimte, badruimte en keuken op één woonlaag liggen die zonder of met minimaal
hoogteverschil betreden kan worden. Dit is bedoeld om de woning bereikbaar te maken
voor een persoon die afhankelijk is van een rollator of rolstoel. De leden van de
BBB-fractie vragen of in de artikelen van het Bbl (hoofdstuk 4) de opstelplaats voor
de wasmachine wordt voorgeschreven. Zo nee, kan het ontbreken van deze eis er onbedoeld
toe leiden dat bewoners alsnog een trap moeten gebruiken als de wasmachine op een
toegestane, hoger gelegen tweede woonlaag staat, waarmee het «nultreden»-principe
feitelijk wordt omzeild voor een essentiële huishoudelijke functie?
II Antwoord / reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.M. Beckerman, voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -
Mede ondertekenaar
J. Beekmans, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.