Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de reactie op onderzoek herintroductie verzorgingshuizen (Kamerstuk 29389-158)
2025D48644 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties
behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Pouw-Verweij) over haar reactie op het onderzoek
naar de herintroductie van verzorgingshuizen1.
De voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Heller
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
II.
Reactie van de Staatssecretaris
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief van de
Staatssecretaris over de mogelijke herintroductie van verzorgingshuizen, en delen
de zorg dat een kwetsbare groep ouderen tussen wal en schip dreigt te vallen.
De leden van de D66-fractie zijn echter kritisch over het teruggrijpen naar modellen
uit het verleden die financieel onhoudbaar zijn, geen maatschappelijk draagvlak hebben,
en een enorm beslag leggen op schaarse middelen.
De leden van de D66-fractie benadrukken hierbij dat de focus op een herintroductie
van het verzorgingshuis geen passende oplossing biedt voor de bestaande kloof tussen
thuis en verpleeghuis, doordat dit model financieel onhoudbaar is gezien de dubbele
vergrijzing, de druk op schaarse zorgprofessionals onverantwoord vergroot, en afleidt
van de benodigde ontwikkeling van nieuwe, passende woonvormen. Daarnaast heeft de
herintroductie van de verzorgingshuizen geen draagvlaak bij betrokken organisaties,
zoals ActiZ, VNG, Zorgverzekeraars Nederland en anderen.
De leden van de D66-fractie maken zich zorgen om dit gebrek aan maatschappelijk draagvlak
voor verzorgingstehuizen en vragen of de Staatssecretaris deze zorgen deelt en waarom
zij er alsnog voor kiest om de herintroductie van de verzorgingshuizen verder te onderzoeken.
Ook vragen de leden hoe zij deze herintroductie door zou wensen te voeren zonder steun
van veel van de betrokken organisaties.
De leden van de D66-fractie vernemen dat de Staatssecretaris zowel de herintroductie
van de verzorgingshuizen als de mogelijke rol van zorgzame buurten in dit dossier
onderzoekt. Ze geeft hierbij aan dat ze ook wil onderzoeken op welke wijze zorgzame
gemeenschappen het beste gestimuleerd kunnen worden.
De leden van de D66-fractie delen deze wens om het realiseren van de zorgzame buurten
meer prioriteit te geven. Dit sluit beter aan bij de wensen van senioren, en is ook
realistischer met het oog op de consequenties die het herintroduceren van verzorgingshuizen
zou hebben op de financiën en de arbeidsmarkt.
De leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris dan ook of zij het met deze
leden eens is dat de focus niet moet liggen op het heropbouwen van verzorgingshuizen,
maar dat meer prioriteit moet worden gegeven aan het versnellen van de ontwikkeling
van geclusterde woonvormen en zorgzame gemeenschappen, waar ouderen hun privacy en
autonomie behouden.
De leden van de D66-fractie horen dat in de praktijk corporaties, gemeenten en zorgpartijen
tegen verschillende obstakels aan lopen. Welke processen lopen er nu om die obstakels
weg te nemen en is dat afdoende om de ontwikkeling van geclusterde woonvormen en zorgzame
gemeenschappen te realiseren in lijn met de ambities van het kabinet?
De leden van de D66-fractie constateren op basis van het uitgevoerde PwC-onderzoek
én cijfers van ANBO-PCOB dat ouderen een duidelijke voorkeur hebben voor zelfstandige
woonconcepten. Slechts acht procent van de thuiswonende ouderen wil verhuizen naar
een verzorgingshuis.
De leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris uit te leggen waarom er in
beleidstermen alsnog voortdurend gesproken wordt over de «herintroductie van het verzorgingshuis»,
terwijl de doelgroep zelf vraagt om zelfstandige woningen met zorg in de nabijheid.
Hoe reflecteert zij op deze eenduidige vraag vanuit senioren en wat betekent het gebrek
aan maatschappelijke steun voor de beoogde herintroductie van de verzorgingshuizen?
De leden van de D66-fractie wijzen op het PwC-rapport waaruit blijkt dat de zorgkosten
per oudere in de onderzochte scenario's met 46 tot wel 124 procent stijgen. Ook blijkt
uit het PwC-rapport dat het aannemelijk is dat de zorginzet voor ouderen in verzorgingshuizen
zal stijgen, daar zij een latente zorgbehoefte hebben. Hierbij wordt benoemd dat dit
een kans biedt om delen van de zorgbehoefte op alternatieve wijze in te vullen. Zij
vragen de Staatssecretaris welke andere alternatieve woonvormen worden onderzocht
die wél betaalbaar blijven, door in te zetten op wat ouderen zelf nog kunnen, aansluitend
bij de afspraken over reablement uit het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO).
De leden van de D66-fractie constateren uit het PwC-rapport dat het verwachte personeelstekort
in de sector zorg en welzijn in 2034, bovenop het reeds voorspelde tekort van 265.600
medewerkers, verder zal toenemen met 2.799 extra medewerkers in scenario 1 (onzelfstandige
kamers) en met 6.345 extra medewerkers in scenario 2 (zelfstandige appartementen).
De leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris om een nadere toelichting of
de inzet van verzorgingshuizen daadwerkelijk haalbaar is gezien de huidige tekorten
in de zorg en op welke wijze zij van plan is de toenemende zorgvraag bij de introductie
van verzorgingshuizen te mitigeren en zo beheersbaar te houden voor de toekomst.
De leden van de D66-fractie nemen kennis van de reactie van de Staatssecretaris op
de gepresenteerde cijfers, waarin zij inzet op een invulling met meer welzijnswerkers
en reablement in verzorgingshuizen om de berekende extra vraag naar duizenden zorgmedewerkers te
dempen. Echter, de leden vragen zich af of deze aanpak voldoende zal zijn om het totale
personeelstekort in de sector, dat in 2034 wordt geraamd op 265.600, effectief aan
te pakken. Bovendien stellen deze leden de vraag aan de Staatssecretaris of deze middelen
en maatregelen (voor welzijn en reablement) op zichzelf niet beter ingezet kunnen worden ter directe verlichting van de huidige
personeelstekorten in de zorg.
De leden van de D66-fractie merken daarnaast op dat van de ouderen die openstaan voor
verhuizen, volgens ANBO-PCOB negentig procent de voorkeur geeft aan een zelfstandig
appartement met eigen voordeursleutel en zorg op afroep, boven een kamer in een verzorgingshuis.
Zij vragen of de Staatssecretaris bereid is de beleidsfocus te verleggen van «verzorgingshuizen»
naar woonvormen waarin wel aan de wens van ouderen kan worden voorzien.
De leden van de D66-fractie zijn verheugd dat de Staatssecretaris erkent en inziet
dat de behoeften van de huidige en toekomstige generaties senioren niet overeenkomen
met wat het verzorgingshuis van vroeger kan bieden. Zij vragen de Staatssecretaris
of het, om verwarring en valse verwachtingen te voorkomen, niet beter is om definitief
afscheid te nemen van de term «herintroductie verzorgingshuis» en de aandacht, middelen
en inzet te verleggen naar innovatieve woonconcepten voor senioren.
De leden van de D66-fractie signaleren de grote behoefte aan aantrekkelijke ontmoetingsruimtes
waar senioren elkaar kunnen treffen ter bevordering van de samenredzaamheid. Echter,
zij horen ook dat veel van dit soort waardevolle initiatieven stagneren vanwege uitdagingen
in de financiering en exploitatie.
Daarom vragen genoemde leden de Staatssecretaris om te onderzoeken en toe te lichten
welke verschillende financierings- en exploitatiemogelijkheden zij ziet voor dergelijke
initiatieven. Hierbij vragen zij specifiek aandacht voor een samenwerkingsmodel met
cruciale partners zoals gemeenten, zorgkantoren en verzekeraars, en willen zij weten
welke concrete stappen de regering kan zetten om deze samenwerking te faciliteren
en de initiatieven vlot te trekken.
De leden van de D66-fractie nemen kennis van de in het PwC-rapport becijferde uitkomsten,
waaronder de kostenstijging van 535,7 miljoen euro per jaar in 2040, de cumulatieve
onrendabele top van 846,7 miljoen euro, én de benodigde 6.345 extra voltijds zorgmedewerkers
in 2034. Deze leden vragen de Staatssecretaris om een toelichting op de wijze waarop
zij de kosten en de benodigde capaciteit van dit geschetste scenario doelmatig en
effectief acht, gelet op de huidige en toekomstige uitdagingen, zoals de personeelstekorten
en de dubbele vergrijzing.
Ook vernemen de leden van de D66-fractie graag of de Staatssecretaris breder kijkt
naar alternatieve beleidsscenario's die een mogelijk positiever effect kunnen hebben
op zowel de financiële houdbaarheid als de personele inzetbaarheid.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de reactie
van de Staatssecretaris op het onderzoek naar de herintroductie van verzorgingshuizen.
Zij hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.
In het onderzoek van PwC wordt gewerkt met twee scenario’s. In het eerste met onzelfstandige
kamers en in het tweede met zelfstandige appartementen. Kan de Staatssecretaris toelichten
waarom in haar brief vooral wordt voortgeborduurd op het scenario met zelfstandige
appartementen? Betekent dit dat varianten met meer onzelfstandige, klassieke verzorgingshuisachtige
woonvormen voor haar al zijn afgevallen?
In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de zorginzet in de nieuwe woonvorm hoger
is dan in de huidige thuissituatie, omdat de huidige zorg voor deze groep ouderen
vaak ontoereikend is. De Staatssecretaris geeft tegelijk aan dat volgens haar niet
dezelfde pakketten zorg en ondersteuning nodig zijn als vroeger in het verzorgingshuis.
Genoemde leden zouden dit graag nader toegelicht willen zien. Kan de Staatssecretaris
dit nog duidelijker specificeren? De Staatssecretaris schrijft dat zij de zorg- en
ondersteuning in een modern verzorgingshuis wil laten aansluiten bij de ingezette
lijn, om meer uit te gaan van wat ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen en van reablement. Kan de Staatssecretaris enkele voorbeelden noemen van initiatieven waar dit momenteel
optimaal functioneert? Wat betekent «meer uitgaan van wat ouderen en hun omgeving
nog zelf kunnen» concreet voor de feitelijke zorginzet per dag en per etmaal voor
deze specifieke, kwetsbare groep?
De Staatssecretaris geeft aan te zoeken naar een invulling die relatief minder arbeidskrachten
vraagt en minder inzet van verzorgenden, door meer in te zetten op welzijnswerkers.
Kan de Staatssecretaris concreet toelichten welke taken volgens haar door welke type
professional kunnen worden overgenomen, en waar volgens haar de grens ligt omwille
van kwaliteit en veiligheid van zorg? Hoe worden de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
(IGJ) en andere toezichthouders hierbij betrokken? Hoe wordt voorkomen dat complexe
zorgvragen van ouderen terechtkomen bij medewerkers zonder de vereiste verpleegkundige
of verzorgende kwalificaties? Welke minimumvereisten stelt de Staatssecretaris aan
de aanwezigheid van welzijnswerkers? En aan gediplomeerde verzorgenden en verpleegkundigen?
Hoe verhouden zich de aantallen tussen deze functieprofielen ten opzichte van verschillende
hoeveelheden ouderen? Op welke manier investeert de Staatssecretaris in het behoud
en aantrekken van verzorgenden? Verzorgenden en de verzorgenden I.G zijn essentieel
om de zorg in de eerste lijn overeind te houden. Juist hier is er nog steeds geen
antwoord op de loonkloof, het bekende «buikje». Is de Staatssecretaris nog bereid
of bezig om hier een antwoord op te hebben? Zo nee, waarom niet?
In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de extra zorg en ondersteuning leidt tot
een extra arbeidsvraag van enkele duizenden medewerkers, bovenop de al verwachte grote
tekorten in zorg en welzijn, en in het bijzonder de ouderenzorg. Genoemde leden willen
graag specifieker weten hoe PwC aan de getallen is gekomen voor wat betreft de impact
op het verwachtte arbeidsmarkttekort. Hoe komt men tot deze cijfers? Hoe kijkt de
Staatssecretaris aan tegen deze aanvullende arbeidsvraag, zoals geschetst in het onderzoek
van PwC? Welke concrete maatregelen neemt zij om ervoor te zorgen dat dit in de praktijk
niet neerkomt op «lichtere» zorgpakketten omdat het benodigde personeel simpelweg
niet beschikbaar is? De Staatssecretaris benadrukt het belang van «levende gemeenschappen»,
gemeenschappelijke activiteiten en het betrekken van de buurt, onder meer in het kader
van zorgzame buurten. Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat het concept «zorgzame buurt»
in de praktijk vooral leidt tot het verminderen van professionele zorg, terwijl de
zorgvraag van bewoners onverminderd hoog blijft? Op welke wijze wordt inzichtelijk
gemaakt welk deel van de benodigde ondersteuning daadwerkelijk door professionals
wordt geleverd en welk deel door vrijwilligers en mantelzorgers?
In het onderzoek wordt ook gewezen op mogelijke besparingen, bijvoorbeeld door minder
ziekenhuiszorg en geriatrische revalidatiezorg. Kan de Staatssecretaris uiteenzetten
in hoeverre zij bij de verdere uitwerking rekening houdt met deze potentiële besparingen?
Genoemde leden zien deze besparingen graag systematisch in kaart worden gebracht.
Uitgaande van het scenario met zelfstandige appartementen, blijkt er behoefte aan
circa 20.000 extra zorggeschikte woningen tot en met 2030, die binnen de bestaande
opgave van 290.000 ouderenwoningen worden ingepast. Hoe wordt geborgd dat juist de
meest kwetsbare ouderen daadwerkelijk als eerste profiteren van deze nieuwe zorggeschikte
woningen? Hoe verhoudt de beoogde verschuiving in de bouwopgave zich tot de signalen
dat de bestaande ouderenhuisvestingsopgave al moeilijk haalbaar is? Verwacht de Staatssecretaris
dat het toevoegen van extra eisen (zorggeschikt, geclusterd, ontmoetingsruimte) de
realisatietermijn verder vertraagt? Zo ja, welke extra maatregelen neemt zij om de
realisatie toch vlot te trekken?
De onrendabele top voor de bouw van deze zorggeschikte woonvormen loopt in de scenario’s
op tot honderden miljoenen. Op welke wijze is de Staatssecretaris voornemens deze
onrendabele top (gedeeltelijk) te dekken? Worden zorgaanbieders en woningcorporaties
hiervoor structureel gecompenseerd, of verwacht de Staatssecretaris dat deze partijen
de extra risico’s grotendeels zelf dragen? Hoe wordt voorkomen dat de rekening uiteindelijk
bij de oudere bewoner wordt neergelegd in de vorm van hogere huren of bijkomende kosten?
In het onderzoek worden forse extra zorg- en ondersteuningskosten en een aanzienlijke
onrendabele top voor de bouw geraamd. Deelt de Staatssecretaris de onderliggende aannames
van het onderzoek volledig? Op welke punten wijkt zij af en wat betekent dat – volgens
haar eigen inschatting – voor de budgettaire impact? Kan zij uiteenzetten hoe de kosten
zich verhouden tot de kosten van niets doen, bijvoorbeeld meer crisissituaties, valincidenten,
extra ziekenhuisopnames en zwaardere verpleeghuiszorg op termijn? Hoe wordt voorkomen
dat financiële en arbeidsmarkt-overwegingen zwaarder gaan wegen dan de daadwerkelijke
zorgbehoefte van kwetsbare ouderen?
De Staatssecretaris erkent dat veel initiatieven worstelen met de exploitatie van
de ontmoetingsruimte en dat professionele ondersteuning nodig is om gemeenschapsvorming
op gang te brengen. Is de Staatssecretaris bereid hiervoor een structurele financieringslijn
te ontwikkelen, in plaats van tijdelijke of projectmatige subsidies? Hoe wordt voorkomen
dat ontmoetingsruimten na enkele jaren weer moeten sluiten door wegvallende financiering,
waardoor bewoners hun ontmoetingsplek en onderlinge samenhang verliezen?
De Staatssecretaris verwijst naar middelen oplopend tot enkele honderden miljoenen
euro’s vanaf 2030 vanuit de aanvullende post voor kwaliteit van ouderenzorg. Hoe verhouden
deze middelen zich tot de geraamde extra zorgkosten en onrendabele toppen in de bouw
in 2040? Zijn deze middelen uitsluitend bedoeld voor moderne verzorgingshuizen en
zorgzame gemeenschappen, of worden hier ook andere beleidsprioriteiten uit gefinancierd?
Kan de Staatssecretaris per jaar en per regeling inzichtelijk maken welke middelen
beschikbaar zijn, zodat te volgen is of dit voldoende is om de ambities waar te maken?
Omdat de herintroductie van moderne verzorgingshuizen voorlopig nog niet gerealiseerd
is, willen genoemde leden ingaan op de situatie van vandaag de dag. Deze week was
wederom in het nieuws dat ouderen die kleiner willen wonen op verschillende problemen
stuiten2. Het gebrek aan geschikte seniorenwoningen bijvoorbeeld, maar ook de financiële en
fiscale nadelen waar ouderen mee te maken kunnen krijgen. Welk antwoord heeft de Staatssecretaris
op deze financiële en fiscale nadelen? Wordt hier actief aan gewerkt? Genoemde leden
ontvangen graag een overzicht van de inspanningen van de Staatssecretaris hieromtrent,
per financieel en fiscaal nadeel. Hoe wordt met het oog op deze problemen samengewerkt
met andere bewindspersonen en ministeries? Wat is er nog nodig om de financiële en
fiscale nadelen voor ouderen die kleiner willen wonen weg te nemen?
Verder werd ruim een jaar geleden de motie-Thiadens/Eerdmans3 aangenomen, welke verzocht de regering uit te laten spreken dat intramuraal verblijf
niet hetzelfde is als thuis. Is de Staatssecretaris het met genoemde leden eens dat
in de huidige situatie intramuraal verblijf niet verward mag worden met «thuis»? Genoemde
leden constateren namelijk dat private investeerders nog steeds miljarden verdienen
in de commerciële ouderenzorg, vanwege het feit dat woon-zorgcomplexen niet worden
gezien als zorg met verblijf (intramuraal), maar als «thuis» wonen waardoor deze investeerders
het winstverbod omzeilen. Is de Staatssecretaris bereid om hier iets tegen te doen?
Of heeft zij dit al gedaan? Zo ja, wat precies? Zo nee, waarom niet? Hoe zal de situatie
er bij een herintroductie van verzorgingshuizen gaan uitzien, als we het hebben over
het scheiden van wonen en zorg? Hoe wordt voorkomen dat de herintroductie van verzorgingshuizen
in welke vorm dan ook duurder uitpakt dan nodig, omdat private investeerders er hoge
winsten uit willen behalen?
Daarnaast willen genoemde leden van de Staatssecretaris weten hoe zij ervoor gaat
zorgen dat de enveloppe ouderenzorg (600 miljoen euro/jaar 2027–2029) daadwerkelijk
ingezet gaat worden voor betere ouderenzorg. Hoe waarborgt zij dat deze behouden blijft
voor onze ouderen en niet wordt leeggeroofd ten behoeve van bijvoorbeeld defensie?
De Staatssecretaris geeft aan begin 2026 terug te komen op de resultaten van de verkenning
met het veld. Is de Staatssecretaris bereid de Kamer uiterlijk een week voorafgaand
aan de plenaire behandeling van de begroting van VWS de beantwoording op dit schriftelijk
overleg te doen toekomen, inclusief een tussenstand van de resultaten van de verkenning
mochten deze nog niet volledig zijn? Kan de Staatssecretaris daarbij ook aangeven
welke keuzes nodig zijn om ervoor te zorgen dat deze voorzieningen tijdig en voldoende
worden gerealiseerd, zodat ouderen die nu tussen wal en schip dreigen te raken daadwerkelijk
uitzicht krijgen op een veilige en fijne woonplek?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie
op het onderzoek over de herintroductie van verzorgingshuizen. Zij hebben nog de volgende
vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat PwC uitgaat van een groep van 56.385 ouderen
die potentieel naar een geclusterde woning zouden verhuizen. Kan de Staatssecretaris
aangeven of zij de huidige woningvoorraad in staat acht om minstens een deel van deze
groep onderdak te geven. Mocht dit het geval zijn, blijft dan de noodzaak over om
extra geclusterde woonvormen bij te bouwen?
De leden van de VVD-fractie lezen ook dat de Raad van Ouderen heeft geschat dat 200.000
woningen nodig zijn binnen geclusterde woonvormen, terwijl PwC zoals benoemd berekend
heeft dat een groep van 56.385 ouderen potentieel naar een geclusterde woning zou
verhuizen. Kan de Staatssecretaris aangeven waar dit verschil in zit? Welk cijfer
acht zij het meest nauwkeurig en waarom?
De leden van de VVD-fractie noteren dat er 2.799 tot 6.345 extra zorgverleners nodig
zullen zijn om de woonvormen zoals genoemd in het PwC-rapport te bemensen. Kan de
Staatssecretaris aangeven of zij mitigerende maatregelen voor zich ziet, die ervoor
kunnen zorgen dat het personeelstekort minder snel stijgt? Vindt zij een maatregel
gerechtvaardigd, als deze een dergelijk aantal extra zorgverleners vereist, terwijl
het tekort in 2034 al geraamd wordt op 265.600? Waarom wel, of waarom niet?
De leden van de VVD-fractie lezen in het rapport van PwC dat onder ouderen het gevoel
heerst dat er geen privacy is in verzorgingshuizen. Aan de andere kant worden het
sociale contact en de sociale omgeving genoemd als positieve aspecten van verzorgingshuizen.
De leden van de VVD-fractie vragen aan de Staatssecretaris hoe zij ervoor gaat zorgen
dat privacy gewaarborgd wordt, terwijl tegelijkertijd het sociale contact in verzorgingshuizen
kan blijven doorgaan.
Ook observeren de leden van de VVD-fractie in het PwC-rapport dat er meerkosten zijn
in het realiseren van de woonvorm (16.426,37 euro in scenario 1, 23.645,07 euro in
scenario 2). Dit rapport heeft in de berekeningen geen rekening gehouden met transformatie
van bestaande bouw en noemt dit een beleidskeuze. Kan de Staatssecretaris aangeven
aan de leden van de VVD-fractie, na samen met het veld te kijken naar de mogelijkheden
in de bestaande bouw, wat de totale meerkosten worden en hoeveel er met bestaande
bouw gewerkt kan worden?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het onderzoek naar
de herintroductie van verzorgingshuizen en de reactie van het kabinet hierop. Zij
hebben hier nog enkele vragen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de verkenning mede is ingegeven
door de forse toename van het aantal ouderen met dementie de komende jaren. Zou nader
toegelicht kunnen worden hoe het aantal ouderen met dementie zich heeft ontwikkeld
in de afgelopen tien jaar? Zou tevens nader toegelicht kunnen worden hoe het aantal
ouderen met dementie zich naar verwachting zal ontwikkelen in de komende tien jaar?
Op welke wijze worden dementievriendelijke buurten gestimuleerd? Genoemde leden lezen
daarnaast dat er wordt geconstateerd dat een deel van de ouderen behoefte heeft aan
zorg en ondersteuning in de buurt en extra gezelschap. Zij herkennen dit ook en ontvangen
deze signalen ook vaak in hun gesprekken met ouderen en organisaties. Welke rol voorziet
de Staatssecretaris voor zorgzame gemeenschappen en voorzorgcirkels bij het voorzien
in deze behoefte aan zorg en ondersteuning in de buurt en extra gezelschap? Welke
rol ziet zij voor zichzelf bij deze zorgzame gemeenschappen en voorzorgcirkels?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het onderzoek naar de herintroductie
van verzorgingshuizen terug dat er geconstateerd wordt dat er wegens hervormingen
in de langdurige zorg mogelijk een gat zou zijn ontstaan in het woon- en zorgaanbod
voor wie een plek in het verpleeghuis nog niet aan de orde is. Om welke specifieke
hervormingen gaat dit? Welke politieke keuzes liggen eventueel ten grondslag aan deze
hervormingen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er gekozen is voor een verkenning
naar de herintroductie van verzorgingshuizen om het gat in het woon- en zorgaanbod
voor ouderen te overbruggen. Kan nader toegelicht geworden, op basis van argumenten,
welke afwegingen zijn gemaakt voor de keuze voor verzorgingshuizen? Welke andere alternatieven
zijn er naast verzorgingshuizen? Op welke wijze zouden verzorgingshuizen eventueel
gecombineerd kunnen worden met initiatieven omtrent intergenerationeel wonen, voorzorgcirkels
en zorgzame gemeenschappen? Welke maandelijkse kosten, waaronder bijvoorbeeld huur,
zouden bewoners van een verzorgingshuis hebben? In hoeverre draagt de herintroductie
van verzorgingshuis eventueel bij aan de kloof tussen verschillende inkomensklassen?
Welke concrete maatregelen zouden er eventueel genomen kunnen worden om erop toe te
zien dat de mate van kwaliteit van wonen en zorg voor ouderen niet gaan afhangen van
hun inkomen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Staatssecretaris voornemens is
om het komende halfjaar te onderzoeken hoe de zorg en ondersteuning voor de groeiende
groep thuiswonende ouderen eruit zou kunnen zien. Zou er een concreet tijdspad aangeleverd
kunnen worden, waarin ook inzichtelijk wordt gemaakt op welke momenten de Kamer geïnformeerd
wordt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stellen het overigens op prijs dat de Staatssecretaris
aan de slag gaat met de motie-Kröger om in de visie op de ouderenzorg ook zorgzame
buurten mee te nemen als alternatief voor verpleegplekken. Zij kijken ernaar uit om
de resultaten te ontvangen van de inventarisatie van de Staatssecretaris naar de stimuleringsmogelijkheden
voor zorgzame gemeenschappen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie maken graag gebruik van de mogelijkheid aanvullende en
verduidelijkende vragen te stellen naar aanleiding van de brief van Staatssecretaris
en het onderzoek door PwC naar de herintroductie van de verzorgingshuizen. Deze leden
hebben de brief van de Staatssecretaris gelezen en delen het uitgangspunt dat woonvormen
tussen zelfstandig thuis en het verpleeghuis voor ouderen nodig zijn.
Het onderzoek van PwC laat zien dat herintroductie van verzorgingshuizen leidt tot
hogere zorguitgaven in de Wet langdurige zorg (Wlz), hogere woonlasten voor ouderen,
een verdere vergroting van het arbeidstekort en een aanzienlijke onrendabele top.
Dit staat haaks op de bevindingen van het rapport IBO Ouderenzorg «Niets doen is geen
optie», waarin juist wordt benadrukt dat betaalbaarheid en beschikbaarheid van personeel
onder druk staan. Hoe beziet de Staatssecretaris deze twee rapporten? Waarom denkt
de Staatssecretaris dat de herintroductie van verzorgingshuizen, zoals omschreven
in het rapport, een toekomstbestendige route is? Denkt de Staatssecretaris dat er
voldoende personeel voor beschikbaar is? Waarom wel of waarom niet?
Wordt in het vervolgonderzoek expliciet de variant uitgewerkt waarin wonen en zorg
gescheiden zijn en waarin sociale binding, omzien naar elkaar en gemeenschappelijkheid
de basis vormen? Hoe denkt de Staatssecretaris dat samenredzaamheid vorm moet krijgen?
De leden van de CDA-fractie zien nieuwe sociale woonvormen, waarin wonen en zorg gescheiden
zijn en ontmoeting en onderlinge hulp centraal staan. Dit is de sleutel voor de toekomst
van de ouderenzorg. Kan de Staatssecretaris hierop reflecteren?
Veel van de randvoorwaarden voor passende extramurale woonzorgconcepten liggen niet
in de zorg, maar in het woondomein. Er wordt onvoldoende gebouwd dat geschikt is voor
ouderen. Denk in dit geval aan de onrendabele top bij de bouw, de financiering van
gemeenschappelijke ruimten en de regels rond huurtoeslag die bepalend zijn voor de
betaalbaarheid voor ouderen. Het is van belang dat de Minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening (VRO) hierin nadrukkelijk eigenaarschap neemt. Het nationale
bouw- en woonprogramma biedt hiervoor een goede insteek, aangezien zorgwoningen daarin
al expliciet zijn opgenomen. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe de Minister en zijn
ministerie bij het vervolgonderzoek worden betrokken? Genoemde leden vinden dat de
slagingskans van zo zelfstandig mogelijk wonen en samen redzaam zijn ook afhankelijk
is van de locatie waar de ouderenwoningen staan. Is er een bushalte, zijn er winkels
in de buurt en is de huisarts om de hoek? Neemt de Staatssecretaris dit punt in de
gesprekken met de VNG mee?
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van het onderzoeksrapport
over de herintroductie van verzorgingshuizen. Zij hebben hierover meerdere vragen.
De leden van de JA21-fractie lezen in de Kamerbrief van de Staatssecretaris dat zij
van mening is dat niet dezelfde pakketten zorg en ondersteuning nodig zijn ten opzichte
van vroegere verzorgingshuizen. Daarbij noemt ze een aantal denkrichtingen, zoals
minder arbeidskrachten, minder verzorgenden en meer werk vanuit opbouw- of welzijnswerkers.
Kan de Staatssecretaris concreet maken hoe ze dit voor zich ziet – met name bezien
vanuit de zorgkwaliteit die dan geleverd wordt? En heeft ze een indicatie van wat
dit eventueel zou opleveren ten opzichte van de budgettaire impact uit bijlage 6 van
het PwC-rapport.
De berekeningen van PwC laten duidelijk zien dat meer ouderen naar een verzorgingshuis
zouden willen verhuizen onder scenario 2 (zelfstandig appartement) dan onder scenario
1 (onzelfstandige kamer). Steunt de Staatssecretaris de wens van de ouderen om zich
in te spannen voor het realiseren van scenario 2 ten opzichte van scenario 1?
De leden van de JA21-fractie lezen in het onderzoeksrapport dat de meerkosten een
onrendabele top hebben van respectievelijk 197,1 miljoen euro (scenario 1) en 846,7
miljoen euro (scenario 2). In hoeverre zijn er (zorg)partijen bereid om zich aan deze
onrendabele top te committeren? Wordt hier al onderzoek of een verkenning naar gedaan?
Daarnaast zijn de leden van de JA21-fractie benieuwd of er andere keuzemogelijkheden
bestaan om de om de kosten van de onrendabele top zoveel als mogelijk te mitigeren.
Als deze er zijn, zien zij graag een overzicht hiervan van deze mogelijkheden inclusief
de impact die het zou kunnen maken.
De leden van de JA21-fractie lezen in het onderzoeksrapport dat in beide scenario’s
het totaal personeelstekort in de (ouderen)zorg toeneemt. In hoeverre zijn er mogelijkheden
om een deel hiervan op te vangen door middel van soepelere regelgeving/bureaucratie
in verzorgingshuizen en/of de inzet van Artificiële Intelligentie (AI)? En is er een
indicatie met hoeveel medewerkers het tekort hiermee ingekrompen zou kunnen worden?
De leden van de JA21-fractie lezen in het onderzoeksrapport dat PwC stelt dat zij
niet kunnen kwantificeren wat de verhouding is tussen de mogelijkheden voor nieuwbouw
versus mogelijkheden binnen bestaand vastgoed. Is de Staatssecretaris van plan, of
is ze bezig, met het uitvoeren van een onderzoek wat de verhouding is qua potentie
voor verzorgingshuizen tussen nieuwbouw en bestaand vastgoed? En als ze dit doet,
zijn hier al cijfers van en zijn deze eventueel deelbaar?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op het onderzoek
naar de herintroductie van verzorgingshuizen. Zij hebben de volgende vragen aan de
Staatssecretaris.
Na jaren van afbouw van de ouderenzorg is er eindelijk beweging. De leden van de BBB-fractie
hebben zich vanaf het begin uitgesproken voor het terugbrengen van verzorgingshuizen,
niet als terugkeer naar het verleden, maar als eigentijdse woonvorm voor ouderen die
niet meer zelfstandig kunnen wonen, maar ook nog niet in aanmerking komen voor verpleeghuiszorg.
De herintroductie van verzorgingshuizen is geen vrijblijvende verkenning, maar een
noodzakelijke koerswijziging. De praktijk laat zien dat ouderen vereenzamen, mantelzorgers
overbelast raken en de wijkverpleging tekortschiet. De behoefte aan beschutte woonvormen
is groot, breed gedragen en urgent. Verzorgingshuizen kunnen bovendien bijdragen aan
het ontlasten van de wijkverpleging, doordat zorg geconcentreerd en efficiënter georganiseerd
kan worden binnen een vaste woonomgeving, met minder reistijd en betere samenwerking
tussen zorgverleners.
Worden de nieuwe verzorgingshuizen gerealiseerd als zelfstandige nieuwbouwprojecten,
of wordt ook gekeken naar integratie in bestaande beschutte woonomgevingen zoals geclusterde
ouderenwoningen, Thuisplusflats of herbestemde gebouwen? Hoe wordt hierin regionale
maatwerk en ruimtelijke spreiding geborgd? Kan de Staatssecretaris aangeven wanneer
de eerste verzorgingshuizen nieuwe stijl daadwerkelijk worden gerealiseerd, en hoe
voorkomt de Staatssecretaris dat deze koerswijziging verzandt in verkenningen zonder
concrete oplevering?
In de begroting is een bedrag van 125 miljoen euro beschikbaar voor de ontwikkeling
van deze woonvorm, oplopend naar 470 miljoen euro vanaf 2031. Kan de Staatssecretaris
toelichten hoe deze middelen concreet worden ingezet? Wordt er onderscheid gemaakt
tussen bouw en ondersteuning van gemeenschapsvorming? Hoe wordt geborgd dat deze middelen
ook terechtkomen bij kleinschalige initiatieven in dorpen en regio’s, en niet uitsluitend
bij grote zorgorganisaties in stedelijke gebieden? Is bij de Staatssecretaris bekend
hoeveel deze woonvormen kunnen bijdragen aan verlichting van de werkdruk en verbetering
van de continuïteit van de wijkzorg? En zo niet, is de Staatssecretaris bereid dit
te onderzoeken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de reactie op het
onderzoek van PwC naar de herintroductie van verzorgingstehuizen. Zij willen hierover
graag een aantal vragen stellen.
De leden van de SGP-fractie delen de zorg van de Staatssecretaris over het ervaren
«gat» tussen zorg en ondersteuning thuis en het verpleeghuis en vinden het goed dat
er naar een passende oplossing hiervoor wordt gezocht. Ze kijken uit naar de verdere
verkenning van de Staatssecretaris die begin 2026 met de Kamer wordt gedeeld.
De leden van de SGP-fractie zijn daarbij vooral benieuwd hoe de Staatssecretaris het
voor elkaar wil krijgen om nieuwe woonvormen te creëren zonder dat dit leidt tot een
onevenredige druk op de toch al overbelaste arbeidsmarkt in de zorg. Zij stelt in
haar brief dat zij, ten opzichte van de berekening in het PwC-rapport, van mening
is dat we niet dezelfde pakketten zorg en ondersteuning nodig hebben zoals we die
vroeger in het verzorgingshuis hadden. Tegelijkertijd schept de «terugkeer» van het
verzorgingstehuis wel bepaalde verwachtingen als het gaat om de zorg en ondersteuning
die daar dan geboden zou worden. Er is ook onder opbouw- en welzijnswerkers een groot
personeelstekort. Kan de Staatssecretaris al meer duidelijkheid geven over hoe zij
het risico op het vergroten van het personeelstekort wil tegengaan? Wordt bijvoorbeeld
onderzocht hoe het creëren van nieuwe en geclusterde woonvormen wellicht ook bij kan
dragen aan vermindering van het personeelstekort? Bijvoorbeeld doordat verpleging
en verzorging efficiënter georganiseerd kan worden.
De leden van de SGP-fractie hebben behoefte aan meer feitelijke informatie over vraag
naar en aanbod van appartementen in verzorgingstehuizen en nieuwe (geclusterde) woonvormen.
Wat betekent de bouw van nieuwe woonvormen bijvoorbeeld voor de vraag naar verzorgingstehuizen?
In hoeverre verdwijnt de vraag naar het verzorgingstehuis 2.0 op het moment dat er
steeds meer nieuwe woonvormen komen? Wordt bijvoorbeeld leegstand in verpleeghuizen
en de opkomst van zorgzame gemeenschappen en nieuwe woonzorgvormen gemonitord? Zo
nee, welke stappen zet de Staatssecretaris om deze gegevens meerjarig wel te verzamelen,
zodat beleid en praktijk beter onderbouwd kunnen worden en vraag en aanbod zo goed
mogelijk op elkaar aansluiten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de reactie op het onderzoek naar
de herintroductie van de verzorgingshuizen. Zij zijn groot voorstander van de terugkeer
van de verzorgingshuizen, maar hebben wel een aantal vragen over de precieze invulling
en de tijdslijn hiervan.
De leden van de SP-fractie lezen dat het verzorgingshuis voor veel mensen minder betaalbaar
zou zijn dan thuis blijven wonen. Dat vinden zij opmerkelijk, aangezien de zorg in
een verzorgingshuis door de kortere reistijd van zorgverleners efficiënter gegeven
kan worden en mensen kleiner gaan wonen. Waarom wordt er niet gekeken naar de optie
om mensen hun oude huurbedrag mee te laten nemen naar het verzorgingshuis?
De leden van de SP-fractie lezen ook dat de Staatssecretaris uitgaat van hogere zorgkosten
als mensen naar een verzorgingshuis verhuizen, dan als zij thuis blijven wonen. Anderzijds
stelt PwC in hun rapport dat uit onderzoek blijkt «dat de huidige zorginzet voor deze
ouderen ontoereikend of niet passend is, en de doelgroep zelf geeft aan behoefte te
hebben aan meer zorg en ondersteuning». Is deze toename van zorguitgaven dan niet
sowieso noodzakelijk en dus niet een gevolg van de terugkeer van de verzorgingshuizen?
Sterker nog, zou deze zorg niet efficiënter en dus goedkoper kunnen worden geleverd
wanneer dit geclusterd plaatsvindt?
De leden van de SP-fractie vragen daarnaast of er bij de verdere invulling van de
plannen voor de terugkeer van de verzorgingshuizen ook wordt gekeken naar het model
van het zorgbuurthuis. Worden deze los van dit traject gestimuleerd of wordt dit als
voorbeeld gebruikt voor de nieuwe verzorgingshuizen?
De leden van de SP-fractie vragen hoe het inmiddels staat met de uitvoering van de
aangenomen motie-Dijk4 over een plan om in de komende twee jaar in tenminste honderd buurten in leegstaande
panden in Nederland een zorgbuurthuis op te richten en met het amendement-Dobbe5 over het oprichten van een team dat actief ondersteunt bij het opzetten van zorgbuurthuizen
en vergelijkbare woonzorgvormen voor ouderen.
De leden van de SP-fractie lezen dat de personeelstekorten een probleem kunnen vormen
bij de terugkeer van de verzorgingshuizen. Hoe staat het nu met de wervingscampagne
voor de zorg waar de Kamer via de motie-Dobbe6 toe heeft opgeroepen?
De leden van de SP-fractie vragen ten slotte om een tijdspad voor de bouw van de nieuwe
verzorgingshuizen. Hoeveel hiervan zullen er in welk jaar worden gebouwd? Welke garanties
kan de Staatssecretaris geven dat deze bouwdoelstellingen wel worden gehaald?
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
De leden van de 50PLUS-fractie danken de Staatssecretaris voor de Kamerbrief. Zij
hebben nog wel enkele vragen hierbij.
De leden van de 50PLUS-fractie ondersteunen het doel van de Staatssecretaris om een
oplossing te vinden voor het gat tussen zorg en ondersteuning thuis en het verpleeghuis,
en een nieuwe vorm van verzorgingshuizen. Zij delen de mening van de Staatssecretaris
dat een gezellige woonomgeving eenzaamheid voorkomt. Hoe denkt de Staatssecretaris
dit te realiseren? Het is goed dat de Staatssecretaris denkt over meer inzet van opbouwwerkers
of welzijnswerkers, maar genoemde leden zien bijvoorbeeld bij zorgbuurthuis ’t Hageltje
in Oss dat de gemeente voor kosten gesteld wordt vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning
(Wmo) 2015, omdat zorgverzekeraars dit geen zorg vinden. Hoe ziet de Staatssecretaris
dit? Zou een oplossing zoals in Den Bosch, waar jongeren wonen tussen senioren met
een verplichting om een aantal dagdelen bij te dragen aan sociale activiteiten (dit
wordt het butterfly effect genoemd), ook kunnen bijdragen?
In Eindhoven en omstreken is de samenwerking tussen Wooninc en Vitalis een goed voorbeeld
hoe een en ander kan werken. Senioren huren zelfstandig een appartement en op het
moment dat de zorg zwaarder wordt, wordt de woning «omgeklapt» en wordt de zorgaanbieder
de huurder. Zo kan een senior blijven wonen in zijn eigen appartement, ook als hij
of zij onder de Wlz komt te vallen. Dit geeft veel senioren rust; ze hoeven niet te
verhuizen als hun gezondheid ze in de steek laat. Zou dit een goede bijdrage kunnen
leveren aan de uitdagingen waar wij voor staan en kan de Staatssecretaris kijken of
dit breder ingezet kan worden?
Herkent de Staatssecretaris de wens van senioren om in hun vertrouwde omgeving te
blijven en het sociale netwerk en omgeving waar zij al jaren wonen te behouden? Zeker
in kleinere gemeenschappen, wijken en dorpen zijn flats geen oplossing, een kleinschalige
zorgvoorziening met zelfstandige appartementen zoals buurtwonen of een zorgbuurthuis
is daar naar mening van deze leden meer passend. Hoe ziet de Staatssecretaris dit?
Zou een buurt niet meer gestimuleerd zijn om betrokken te zijn als zij dit als zeer
geschikte toekomstige oplossing voor zichzelf zien? Is een kleinschalige zorgvoorziening
zoals hierboven genoemd niet juist een goede aansluiting bij de pilots van de buurt
als ecosysteem?
De Staatssecretaris stelt op pagina 3 van de Kamerbrief: «Samen met de Minister van
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verken ik met het veld de mogelijkheid om
de bouw van meer zorggeschikte woningen binnen de woningbouwopgave te stimuleren en
te versnellen.» Zou de Staatssecretaris dit nader willen toelichten? Wat is bijvoorbeeld
de insteek van VWS qua tijdsplanning? En wat is de insteek qua hoeveelheid extra zorggeschikte
woningen?
De leden van de 50PLUS-fractie zien goede ervaringen met buurtondersteuners en voorzorgcirkels
als eerste start om de buurt meer te verbinden. Zou de Staatssecretaris dit ook kunnen
betrekken bij haar uitwerking?
Genoemde leden zijn zeer enthousiast over het zorgbuurthuis en het reeds genoemde
Buurtwonen. Kan de Staatssecretaris inzichtelijk maken of en hoe deze financieel haalbaar
te maken zijn voor gemeenten? Als er een duidelijke financiële paragraaf is en duidelijkheid
waar vanuit de financiële bijdragen komen (Wmo, gemeente, welk deel zorgkantoor of
zorgverzekeraar), helpt dit om meer kleinschalige zorgvoorzieningen gerealiseerd te
krijgen. Wat kan de Staatssecretaris hierin betekenen?
Senioren Netwerk Nederland houdt bijeenkomsten onder de naam «Senioren zelf aan zet,
Praat vandaag over morgen». Inmiddels hebben zij een schat aan kennis en ervaring
opgedaan, vanuit de ruim 17.000 senioren die deze bijeenkomsten bijgewoond hebben. Van deze bijeenkomsten ging er één specifiek
over woonwensen en woonopties. Is de Staatssecretaris bereid met het genoemde Netwerk
over de opgedane ervaringen en resultaten van deze bijeenkomsten in gesprek te gaan
en dit te betrekken bij haar onderzoek?
II. Reactie van de Staatssecretaris
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.