Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 860 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet handhaving consumentenbescherming ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2673 van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 tot wijziging van Richtlijn 2011/83/EU wat betreft op afstand gesloten overeenkomsten inzake financiële diensten, en tot intrekking van Richtlijn 2002/65/EG (Implementatiewet richtlijn op afstand gesloten overeenkomsten inzake financiële diensten)
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
ALGEMEEN
1. Inleiding
Dit wetsvoorstel wordt mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
voorgedragen en strekt tot implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2673 van het Europees
Parlement en de Raad van 22 november 2023 tot wijziging van Richtlijn 2011/83/EU wat
betreft op afstand gesloten overeenkomsten inzake financiële diensten, en tot intrekking
van Richtlijn 2002/65/EG (hierna: de richtlijn).1 De richtlijn bevat regels die van toepassing zijn op overeenkomsten inzake financiële
diensten die op afstand gesloten zijn. De bestaande richtlijn betreffende verkoop
op afstand van financiële diensten aan consumenten (hierna: Richtlijn 2002/65/EG)2 is door de richtlijn ingetrokken. Een belangrijk deel van de regels ter bescherming
van consumenten uit Richtlijn 2002/65/EG is overgeheveld naar richtlijn 2011/83/EU3 (hierna: richtlijn consumentenrechten). Daartoe is het toepassingsbereik van de richtlijn
consumentenrechten uitgebreid met op afstand gesloten overeenkomsten inzake financiële
diensten (bijvoorbeeld overeenkomsten gesloten via de telefoon of het internet). Het
gaat om regels omtrent de verstrekking van precontractuele informatie, het ontbindingsrecht
en regels ter bescherming van consumenten bij het online sluiten van overeenkomsten
voor financiële diensten. De richtlijn dient op 19 december 2025 in nationale wet-
en regelgeving te zijn geïmplementeerd. De artikelen dienen te worden toegepast met
ingang van 19 juni 2026.
Het wetsvoorstel bevat wijzigingen van de Wet op het financieel toezicht (Wft), Boek
6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc).
Verder leidt de implementatie van de richtlijn tot aanpassing van lagere regelgeving,
waaronder het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo). In hoofdstuk
2 wordt stilgestaan bij de inhoud van de richtlijn. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan
op de inhoud van dit wetsvoorstel. In hoeverre gebruik wordt gemaakt van lidstaatopties
wordt toegelicht in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt toegelicht hoe het toezicht
en de handhaving zijn vormgegeven. De gevolgen voor de regeldruk en andere gevolgen
worden in hoofdstuk 6 behandeld. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de consultatiereacties
en de uitvoeringstoets van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en de Autoriteit
Consument en Markt (ACM). De transponeringstabel is als bijlage opgenomen.
2. Inhoud richtlijn
Richtlijn 2002/65/EG had tot doel om de interne markt te versterken en een hoog niveau
van consumentenbescherming te bewerkstelligen bij de verkoop op afstand inzake financiële
diensten. De invoering van een wettelijk kader moest het vertrouwen van consumenten
in het gebruik van nieuwe technieken voor het kopen op afstand van financiële diensten
versterken. In Richtlijn 2002/65/EG waren onder andere regels met betrekking tot precontractuele
informatie en het ontbindingsrecht opgenomen. Uit de evaluatie van Richtlijn 2002/65/EG
bleek dat de invoering van sectorspecifieke Uniewetgeving op het gebied van financiële
diensten had geleid tot overlap met Richtlijn 2002/65/EG. Bovendien had digitalisering
geleid tot marktontwikkelingen die ten tijde van de vaststelling van Richtlijn 2002/65/EG
niet waren voorzien. De snelle technologische ontwikkelingen hebben op de markt voor
financiële diensten aanzienlijke veranderingen teweeggebracht. Er zijn met name in
de online omgeving nieuwe producten op de markt gekomen en het gebruik ervan blijft
vaak snel en onvoorspelbaar veranderen. Dit heeft ervoor gezorgd dat bepaalde producten
niet zijn gereguleerd.
De richtlijn is het gevolg van de evaluatie van Richtlijn 2002/65/EG en heeft in de
eerste plaats tot doel het wetgevingskader te vereenvoudigen en te moderniseren. De
richtlijn beoogt verder een vangnet te zijn voor financiële diensten die niet onder
sectorspecifieke Uniewetgeving vallen of zijn uitgesloten van het toepassingsgebied
van Uniewetgeving betreffende specifieke financiële diensten (vangnetfunctie). Daarnaast
heeft de richtlijn tot doel te waarborgen dat op de hele interne markt hetzelfde hoge
niveau van consumentenbescherming geldt en dat de grensoverschrijdende verlening van
financiële diensten binnen de Europese Unie wordt bevorderd. De richtlijn consumentenrechten
kent ook verschillende bepalingen die de consumentenbescherming bevorderen. Echter,
deze richtlijn was tot nu toe niet van toepassing op financiële diensten. Daarom is
het toepassingsbereik van de richtlijn consumentenrechten uitgebreid naar overeenkomsten
op afstand inzake financiële diensten. Een aantal bepalingen uit de richtlijn consumentenrechten
is ook van toepassing op deze overeenkomsten. Artikel 3, lid 1 ter, eerste alinea,
van de richtlijn consumentenrechten bepaalt welke artikelen uit de richtlijn consumentenrechten
van toepassing zijn op overeenkomsten op afstand inzake financiële producten en financiële
diensten. Vanwege de specifieke aard van financiële diensten worden niet alle artikelen
uit de richtlijn consumentenrechten van overeenkomstige toepassing verklaard op de
overeenkomsten op afstand of buiten de verkoopruimte inzake financiële diensten (zie
overweging 10 en 12 van de richtlijn). De specifieke regels die gelden voor overeenkomsten
op afstand inzake financiële diensten zijn opgenomen in een apart hoofdstuk (hoofdstuk
III bis van de richtlijn consumentenrechten).
De richtlijn schrijft voor dat een handelaar consumenten de mogelijkheid moet bieden
om gebruik te maken van een ontbindingsfunctie om hun ontbindingsrecht (in Europese
terminologie: het herroepingsrecht) uit te oefenen, wanneer zij een overeenkomst via
een online-interface (zoals een website of applicatie) hebben gesloten.4 Deze mogelijkheid is niet alleen van toepassing op overeenkomsten op afstand inzake
financiële diensten, maar op alle overeenkomsten gesloten tussen een handelaar en
een consument. De handelaar dient een digitale ontbindingsfunctie op zijn website
te plaatsen. Dit moet waarborgen dat consumenten een overeenkomst even gemakkelijk
kunnen ontbinden als sluiten. De specifieke regels die de richtlijn introduceert in
de richtlijn consumentenrechten voor op afstand gesloten overeenkomsten inzake financiële
diensten zien op de precontractuele informatie die de financiële onderneming moet
verschaffen aan de consument, het ontbindingsrecht van de consument en het online
aanbieden van financiële diensten. De regels over het verstrekken van precontractuele
informatie zijn gemoderniseerd door bijvoorbeeld de financiële onderneming te verplichten
haar emailadres te verstrekken aan de consument. Verder bepaalt de richtlijn dat de
consument het recht heeft op menselijke tussenkomst in dezelfde taal waarin de precontractuele
informatie is verstrekt indien gebruik wordt gemaakt van online-instrumenten (bijvoorbeeld
geautomatiseerd advies of een chatbot). Voorts bevat de richtlijn een verbod voor
financiële ondernemingen om hun website zo in te richten dat consumenten worden misleid,
gemanipuleerd of dat het vermogen van de consument om vrije en geïnformeerde beslissingen
te nemen op een andere wijze wezenlijk wordt verstoord of beperkt.
3. Inhoud wetsvoorstel
Zoals aangegeven in de inleiding wordt de richtlijn geïmplementeerd in de Wft, Boek
6 BW, de Whc en in lagere regelgeving (onder meer het BGfo).
§ 3.1. Wet op het financieel toezicht
De richtlijn voorziet in een vangnetfunctie. Deze vangnetfunctie houdt in dat de regels
uit de richtlijn van toepassing zijn op producten of diensten die niet onder sectorspecifieke
Uniewetgeving vallen of zijn uitgesloten van specifieke Uniewetgeving voor financiële
diensten (overweging 7). Bepaalde financiële producten of diensten zijn uitgezonderd
van de Wft omdat deze financiële producten of diensten zijn uitgesloten van specifieke
Uniewetgeving. Op grond van artikel 6 van richtlijn Solvabiliteit II5 vallenondernemingen die geen andere branche uitoefenen dan de branche Hulpverlening
en waarbij wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden niet onder de regels van richtlijn
Solvabiliteit II. Deze ondernemingen zijn in artikel 1:6 uitgezonderd van de Wft.
Aangezien de richtlijn voorziet in een vangnetfunctie dienen deze ondernemingen wel
te voldoen aan de regels voor verkoop op afstand. Dit wordt geregeld door aanpassing
van artikel 1:6 Wft. Hetzelfde geldt voor bepaalde vormen van uitstel van betaling
die zijn uitgezonderd van de richtlijn consumptief krediet. Deze ondernemingen dienen
vanwege de vangnetfunctie van de richtlijn ook te voldoen aan de regels betrekking
hebbend op overeenkomsten op afstand. Hiertoe wordt artikel 1:20 Wft aangepast.
Om ervoor te zorgen dat nieuwe (financiële) producten en diensten die niet onder sectorspecifieke
Uniewetgeving vallen, ook aan de regels van de richtlijn dienen te voldoen, kunnen
bij algemene maatregel van bestuur producten of diensten worden aangewezen waarop
het bepaalde ingevolge de artikelen 4:20, eerste en tweede lid, en 4:25, eerste lid,
Wft van overeenkomstige toepassing is. Het gaat dan om de regels voorzover betrekking
hebbend op overeenkomsten op afstand. Dit zorgt voor een gelijk speelveld en garandeert
eenzelfde niveau van consumentenbescherming voor vergelijkbare producten. Het gaat
om regels omtrent het verstrekken van precontractuele informatie en online-interfaces.
Op grond van artikel 4:20, eerste lid, Wft kunnen bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot precontractuele informatie. De
regels over precontractuele informatie zullen worden opgenomen in paragraaf 8.1.7.
(Informatieverstrekking in het kader van een overeenkomst op afstand) van het BGfo.
Op grond van artikel 4:25, eerste lid, Wft kunnen bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in acht te nemen zorgvuldigheid.
De regels met betrekking tot online-interfaces zullen eveneens in het BGfo worden
opgenomen met als wettelijke grondslag artikel 4:25, eerste lid, Wft.
§ 3.2. Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek
Een groot deel van de richtlijn wordt geïmplementeerd in Boek 6 BW, in het bijzonder
in afdeling 2b van titel 5 van Boek 6 BW. Deze afdeling bevat bepalingen voor overeenkomsten
op afstand en overeenkomsten buiten de verkoopruimte gesloten tussen een handelaar
en een consument. Paragraaf 6 van deze afdeling bevat specifieke bepalingen voor dergelijke
overeenkomsten betreffende financiële producten en financiële diensten gesloten tussen
een financiële onderneming en een consument. Met de bepalingen uit paragraaf 6 werd
een deel van de Richtlijn 2002/65/EG geïmplementeerd. Het wetsvoorstel wijzigt een
aantal artikelen van afdeling 6.5.2b BW en voegt een nieuw artikel (het voorgestelde
artikel 6:230oa BW) in.
Door middel van artikel 1 lid 1, onderdeel a, van de richtlijn, wordt een nieuw artikel
3 lid 1ter, eerste alinea, geïntroduceerd in de richtlijn consumentenrechten. Dit
artikel bepaalt welke artikelen uit de richtlijn consumentenrechten van toepassing
zijn op overeenkomsten op afstand inzake financiële producten en financiële diensten.
Artikel 6:230h (het toepassingsbereik van afdeling 2b) en artikel 6:230w BW worden
hiertoe aangepast (zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel II, onderdelen
B en E). De specifieke bepalingen die uitsluitend gelden voor overeenkomsten op afstand
en buiten de verkoopruimte inzake financiële producten en financiële diensten blijven
in paragraaf 6 van afdeling 6.5.2b BW staan. In de artikelsgewijze toelichting wordt
nader ingegaan op de voorgestelde wijzigingen.
De bepalingen uit afdeling 6.5.2b BW die gelden voor overeenkomsten inzake financiële
producten en diensten gelden uitdrukkelijk ook voor overeenkomsten buiten de verkoopruimte
(zoals gedefinieerd in artikel 230g, eerste lid, onderdeel f, Boek 6 BW6). Denk bijvoorbeeld aan verkoop op straat (colportage). Met de inwerkingtreding van
de richtlijn consumentenrechten verviel de Colportagewet. Daarom was het noodzakelijk
om apart te voorzien in een recht van ontbinding van een overeenkomst inzake financiële
producten en diensten buiten de verkoopruimte. Destijds is gekozen voor één coherente
regeling voor overeenkomsten inzake financiële producten en diensten op afstand en
buiten de verkoopruimte (Kamerstukken II 2012/13, 33 520, nr. 3, p. 7). Het ligt daarom voor de hand om de bepalingen die nu van toepassing worden
op overeenkomsten op afstand inzake financiële producten en diensten ook van toepassing
te verklaren op overeenkomsten buiten de verkoopruimte. De richtlijn staat dat toe
(overweging 11).
Zoals toegelicht in hoofdstuk 2 (Inhoud richtlijn), wordt aan de richtlijn consumentenrechten
een verplichting toegevoegd voor handelaren om consumenten die een overeenkomst hebben
gesloten via een online-interface de mogelijkheid te bieden om de gesloten overeenkomst
op afstand te ontbinden door gebruik te maken van een zogenaamde ontbindingsfunctie
(artikel 11 bis). Het voorgestelde artikel 6:230oa BW geldt, door de plaatsing in
paragraaf 3 van afdeling 6.5.2b BW, voor alle via een online-interface gesloten overeenkomsten
op afstand. De gedachte achter het creëren van deze ontbindingswijze is dat de consument
bewust wordt gemaakt van het ontbindingsrecht en dat de consument een overeenkomst
even gemakkelijk moet kunnen ontbinden als sluiten. Een consument die een overeenkomst
via een online-interface sluit, heeft zowel bij overeenkomsten voor financiële als
niet-financiële producten en diensten geen mogelijkheid om persoonlijk uitleg te krijgen
of persoonlijk kennis te nemen van een product of dienst. De consument moet de overeenkomst
daarom eenvoudig kunnen ontbinden. De ontbindingsfunctie moet tijdens de ontbindingstermijn
gemakkelijk te vinden, te allen tijde beschikbaar en duidelijk zichtbaar zijn. De
consument dient bijvoorbeeld geen procedures te moeten uitvoeren om de functie te
vinden of er toegang toe te krijgen, zoals het downloaden van een applicatie. Er kan
bijvoorbeeld door de handelaar worden voorzien in een hyperlink die de consument naar
de ontbindingsfunctie leidt. De ontbindingsfunctie moet direct leiden naar een bevestigingspagina
op de online interface, waar de consument de betreffende gegevens kan invullen en
de ontbinding kan bevestigen. Deze wijze van ontbinding vormt overigens een aanvulling
op bestaande wijzen van ontbinding, zoals het modelformulier bedoeld in artikel 6:230o,
derde lid, BW. Doordat artikel 6:230oa BW is opgenomen in artikel 6:230w, tweede lid,
BW (dat de artikelen opsomt die van overeenkomstige toepassing zijn) is duidelijk
dat deze wijze van ontbinding door middel van een ontbindingsfunctie ook voor overeenkomsten
op afstand inzake financiële producten en financiële diensten die worden gesloten
via een online-interface beschikbaar moet zijn.
§ 3.3. Wet handhaving consumentenrechten
In aanvulling op de handhavingsbevoegdheden van de AFM op grond van de Wft wordt in
de Whc voorzien in de mogelijkheid dat de AFM handhavend kan optreden indien een financiële
onderneming een norm overtreedt die betrekking heeft op een op afstand gesloten of
buiten de verkoopruimte gesloten overeenkomst met betrekking tot een financiële dienst
of activiteit. De AFM kan handhavend optreden door een openbare waarschuwing uit te
vaardigen, een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete op te leggen. Daarnaast
wordt in de Whc een omissie uit de Implementatiewet toegankelijkheidsvoorschriften
voor producten en diensten hersteld.
4. Gebruik lidstaatopties
In de richtlijn wordt op een aantal plaatsen ruimte gelaten aan lidstaten om de betreffende
bepalingen toe te snijden op de lidstaat-specifieke situatie. Bij de keuze om al dan
niet gebruik te maken van een lidstaatoptie is het uitgangspunt dat de nalevingskosten
voor ondernemingen zoveel mogelijk worden beperkt. Hieronder wordt ingegaan op deze
lidstaatopties:
a) Artikel 8, zesde lid, van de richtlijn consumentenrechten wordt van overeenkomstige
toepassing verklaart op overeenkomsten inzake financiële diensten. Dit artikel biedt
lidstaten de mogelijkheid om te bepalen dat indien een overeenkomst op afstand via
de telefoon wordt gesloten, de consument enkel gebonden is nadat hij het aanbod schriftelijk
heeft aanvaard. De bestaande praktijk wordt niet gewijzigd. Een schriftelijkheidsvereiste
kan de voordelen van het sluiten van een financieel product via de telefoon (namelijk
de mogelijkheid dat een overeenkomst direct in werking treedt) teniet doen. Bijvoorbeeld:
bij een reisverzekering of autoverzekering kan het van belang zijn dat die verzekering
direct in werking treedt. Daarom wordt van deze lidstaatoptie geen gebruik gemaakt;
b) Artikel 16 bis, tweede lid, van de richtlijn consumentenrechten biedt lidstaten de
mogelijkheid om in het nationale recht taalvoorschriften te handhaven of in te voeren
met betrekking tot de precontractuele informatie die een financiële onderneming dient
te verstrekken. Van deze lidstaatoptie wordt gebruik gemaakt om de bestaande situatie
te handhaven. Artikel 49, tweede lid, BGfo schrijft voor dat de informatie die aan
de consument dient te worden verstrekt, in de Nederlandse taal dient te worden verstrekt.
Onder voorwaarden kan de informatie in een andere taal worden verstrekt. Precontractuele
informatie dient duidelijk en begrijpelijk te zijn voor consumenten. Uitgangspunt
is dat de precontractuele informatie wordt verstrekt in de Nederlandse taal aangezien
de meeste consumenten in Nederland de Nederlandse taal het beste beheersen. Daardoor
kunnen consumenten de informatie eerder goed begrijpen. Van dit uitgangspunt kan worden
afgeweken indien de consument hierom verzoekt en de financiële onderneming hiermee
heeft ingestemd. Bovendien zijn de taalvoorschriften voor verzekeringen en beleggingsdiensten
afkomstig uit Europese richtlijnen. Hiervan kan niet worden afgeweken;
c) Artikel 16 bis, negende lid, van de richtlijn consumentenrechten biedt de mogelijkheid
voor lidstaten om aanvullende regels te stellen voor het verstrekken van precontractuele
informatie. Van deze lidstaatoptie wordt geen gebruik gemaakt, aangezien dit extra
nalevingskosten oplevert voor financiële dienstverleners;
d) Artikel 16 ter, zevende lid, van de richtlijn consumentenrechten maakt het mogelijk
om het ontbindingsrecht zoals opgenomen in de richtlijn hypothecair krediet en de
richtlijn consumptief krediet van toepassing te verklaren op kredieten die zijn uitgezonderd
van de artikelen van deze richtlijnen. Van deze lidstaatoptie wordt geen gebruik gemaakt
aangezien er geen reden is voor deze kredieten af te wijken van de regels omtrent
het ontbindingsrecht zoals opgenomen in het BW. Het ontbindingsrecht zoals opgenomen
in artikel 6:230x, eerste en tweede lid, BW is op grond van artikel 6:230x, vierde
lid, onderdelen d en e, BW niet van toepassing op overeenkomsten inzake consumptief
krediet. Voor consumentenkredieten die vallen onder titel 2a van Boek 7 BW gelden
de ontbindingsregels zoals opgenomen in de artikelen 50e, lid 2, onderdeel c, 66 lid
1 en 67 lid 1 van Boek 7 BW. Tevens gelden voor kredieten die vallen onder afdeling
3 van titel 2b van Boek 7 van het BW andere regels. Voor dergelijke kredieten komt
een overeenkomst tot stand nadat onder meer de kredietgever heeft meegedeeld dat het
aanbod gedurende veertien dagen voor de kredietgever bindend blijft (7:122 lid 5 BW).
Kredieten die in de artikelen 7:58, tweede lid, onderdelen c tot en met j, respectievelijk
7:119, tweede lid, BW uitgezonderd worden van de ontbindingsregels in titel 2a respectievelijk
afdeling 3 van titel 2b van Boek 7 BW vallen wel onder het ontbindingsrecht van 6:230x,
eerste en tweede lid, BW;
e) Artikel 16 quater, tweede lid, bepaalt dat lidstaten kunnen bepalen dat van consumenten
in het geheel geen betaling kan worden verlangd in geval van ontbinding van een verzekeringsovereenkomst.
Deze lidstaatoptie is niet nieuw en was reeds opgenomen in artikel 7, tweede lid,
van Richtlijn 2002/65/EG. Destijds is geen gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie.
Ter implementatie van Richtlijn 2002/65/EG is in artikel 6:230y lid 2 BW opgenomen
dat een financiële onderneming, indien een consument gebruik maakt van zijn ontbindingsrecht,
een vergoeding kan vragen voor het financieel product dat of de financiële dienst
die ter uitvoering van de overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte is geleverd.
Er is geen reden om verzekeraars niet langer toe te staan een vergoeding te vragen
in geval van ontbinding van een verzekeringsovereenkomst. Van deze lidstaatoptie wordt
derhalve geen gebruik gemaakt;
f) Op grond van artikel 16 quinquies, tweede lid, kunnen lidstaten de reikwijdte van
de toelichtingen over overeenkomsten inzake financiële diensten aan de hand waarvan
een consument kan beoordelen of een dergelijke overeenkomst aansluit op de behoeften
en financiële situatie van de consument, specificeren en bepalen op welke wijze de
toelichtingen moeten worden gegeven. Hiervan wordt geen gebruik gemaakt, omdat deze
lidstaatoptie tot extra nalevingskosten leidt;
g) Artikel 16sexies, tweede lid, biedt de mogelijkheid voor lidstaten om strengere regels
vast te stellen of te handhaven met betrekking tot online-interfaces. Van deze lidstaatoptie
zal geen gebruik worden gemaakt, omdat deze lidstaatoptie extra nalevingskosten oplevert
voor financiële ondernemingen.
5. Toezicht en handhaving
De ACM is de relevante toezichthouder indien een handelaar als bedoeld in artikel
6:230g lid 1, onderdeel b, BW, die een overeenkomst aangaat (niet zijnde een overeenkomst
inzake financiële diensten) waarop afdeling 2b van Titel 5 van Boek 6 BW van toepassing
is, de bepalingen van die afdeling niet in acht neemt. Hieronder vallen de artikelen
6:230h, 6:230m en 6:230oa BW. Indien de inbreuk betrekking heeft op een overeenkomst
met betrekking tot een financiële dienst of activiteit dan is de AFM de relevante
toezichthouder (zie artikel 3.1, eerste lid, en bijlage, onderdeel a, van de Whc).
De artikelen 6:230w, 6:230x, 6:230y en 6:230oa BW zijn dan relevant. Verder wordt
de AFM de bevoegde autoriteit op grond van artikel 3.1, tweede lid, Whc voor inbreuken
of inbreuken binnen de Unie op het bepaalde ingevolge de artikelen 4:19, tweede lid,
4:20, eerste tot en met vijfde lid, en 4:25, eerste lid, van de Wft. De AFM kan op
grond van artikel 3.4 Whc handhavend optreden door een openbare waarschuwing uit te
vaardigen, een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete op te leggen.
Voorts zal de AFM toezicht houden op de naleving van de regels die worden opgenomen
in het BGfo met betrekking tot op afstand gesloten overeenkomsten inzake financiële
diensten. Het gaat dan om het verstrekken van precontractuele informatie aan de consument
en regels met betrekking tot online-interfaces. Indien de betreffende artikelen worden
overtreden, beschikt de AFM over de handhavingsbevoegdheden in de Wft zoals het geven
van een aanwijzing, het opleggen van een last onder dwangsom of bestuurlijke boete.
Uitvoerbaarheid- en handhaafbaarheidstoets ACM
De ACM is om een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets gevraagd. De ACM is verantwoordelijk
voor het toezicht op de naleving van de verplichting voor handelaren om een ontbindingsfunctie
aan te bieden voor overeenkomsten (niet zijnde een overeenkomst inzake een financiële
dienst) gesloten via een online-interface (artikel 6:230oa BW). De ACM acht het wetsvoorstel
uitvoerbaar en handhaafbaar op basis van risico-gestuurd toezicht. De ACM geeft aan
dat zij geen proactief toezicht kan uitvoeren op de zichtbaarheid en toegankelijkheid
van de ontbindingsfunctie gedurende de ontbindingstermijn. De ACM geeft echter aan
dat dit een zeer beperkte impact heeft op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van
het wetsvoorstel, omdat de ACM reactief en risico-gestuurd toezicht zal houden. Verder
verwacht de ACM dat voor de voorgenomen wijzigingen geen aanvullende capaciteit nodig
is.
De ACM maakt van de gelegenheid gebruik om erop te wijzen dat de online ontbindingsfunctie
niet verplicht wordt bij overeenkomsten op afstand die via telemarketing (telefonisch)
zijn gesloten. De ACM ziet dit als een gemiste kans en verzoekt hier bij een toekomstige
herziening van het consumentenrecht aandacht aan te besteden. De richtlijn verplicht
de ontbindingsfunctie voor overeenkomsten gesloten via een online-interface en niet
voor telefonisch gesloten overeenkomsten. De ontbindingsfunctie is daarom in dit wetsvoorstel
beperkt tot overeenkomsten gesloten via een online-interface.
Uitvoerbaarheid- en handhaafbaarheidstoets AFM
De AFM heeft een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets uitgevoerd. De AFM zal
toezicht houden op de ontbindingsfunctie die financiële ondernemingen dienen aan te
bieden bij overeenkomsten die via een online-interface zijn gesloten, de verplichting
voor financiëledienstverleners om bepaalde precontractuele informatie aan consumenten
te verstrekken, het verbod op misleidende websites en het recht op menselijke tussenkomst
bij geautomatiseerd advies. Hiernaast zal de AFM ook toezicht houden op pechhulpdiensten
die overeenkomsten op afstand aanbieden.
De AFM beoordeelt de nieuwe taken als uitvoerbaar, maar verwacht daarvoor aanvullende
capaciteit nodig te hebben. Het toezicht op de ontbindingsfunctie en het toezicht
op menselijke tussenkomst bij geautomatiseerd advies zijn nieuwe taken die niet direct
aansluiten op een bestaande taak. Daarnaast meent de AFM dat zij aanvullende expertise
nodig heeft om effectief toezicht te kunnen houden op misleidende websites.
6. Gevolgen
§ 6.1. Regeldrukgevolgen
§ 6.1.1. Algemeen
In deze paragraaf worden de regeldrukkosten voor het bedrijfsleven weergegeven als
gevolg van dit wetsvoorstel en de daarbij behorende lagere regelgeving dat strekt
tot implementatie van de richtlijn. Onder regeldrukkosten worden verstaan alle investeringen
en inspanningen (uitgedrukt in euro's) die burgers of bedrijven moeten verrichten
om te voldoen aan wet- en regelgeving van de rijksoverheid. Het gaat hierbij om kosten
die voortvloeien uit informatieverplichtingen en inhoudelijke verplichtingen, waaronder
aan het toezicht gerelateerde verplichtingen op basis van wet- en regelgeving. Deze
kosten worden verdeeld in eenmalige en structurele kosten. Voor het kwantificeren
van de regeldruk is aangesloten bij het door het Ministerie van Economische Zaken
voorgeschreven Handboek meting regeldrukkosten.7 Hierbij is het Standaard Kostenmodel (SKM) gebruikt en is uitgegaan van een intern
uurtarief van € 54.
De implementatie van de richtlijn leidt tot initiële lasten en structurele lasten
voor het bedrijfsleven. Het gaat hierbij om regeldrukkosten die samenhangen met het
verstrekken van precontractuele informatie, het aanbieden van een ontbindingsfunctie,
een verbod op websites die zo zijn vormgegeven dat consumenten worden misleid en het
recht op menselijke tussenkomst bij geautomatiseerd advies. Overigens zullen de bedrijven
deze kosten in de praktijk niet altijd maken. Sommige bedrijven handelen namelijk
al in overeenstemming met de voorgestelde regels.
De richtlijn laat op de meeste punten geen keuzevrijheid aan de lidstaten. De regeldrukkosten
ten aanzien van deze bepalingen staan dus al vast. Ten aanzien van de lidstaatopties,
zoals beschreven in paragraaf 4, bestaat wel keuzevrijheid voor de lidstaten. Bij
de invulling van deze lidstaatopties is terughoudendheid betracht met het oog op de
regeldruk.
§ 6.1.2. Betrokken ondernemingen
Een aantal regels is van toepassing op handelaren in de zin van artikel 6:230g lid
1 onderdeel b BW. Daarnaast worden er nieuwe regels opgenomen voor financiëledienstverleners,
beleggingsondernemingen en beheerders van beleggingsinstellingen/icbe’s. Het gaat
in totaal om 99.990 handelaren en 6.113 financiëledienstverleners, beleggingsondernemingen
en beheerders van beleggingsinstellingen/icbe’s. De gebruikte cijfers zijn gebaseerd
op gegevens uit de openbare Wft-registers van onder toezicht staande ondernemingen
en op statistieken van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
§ 6.1.3. Ontbindingsfunctie
Handelaren dienen een ontbindingsfunctie aan te bieden bij overeenkomsten die via
een online-interface zijn gesloten. Dit betekent dat zij hun website moeten aanpassen
door een ontbindingsknop te plaatsen zodat consumenten een overeenkomst gedurende
de ontbindingstermijn eenvoudig kunnen ontbinden. Handelaren maken hierdoor eenmalige
kosten voor het aanpassen van hun website. Een hoogopgeleide medewerker zal 10 uur
nodig hebben om de website van een handelaar aan te passen. Uitgaande van een uurtarief
van € 54 worden de eenmalige regeldrukkosten per handelaar geschat op € 540 (10 uur
* € 54). De totale eenmalige regeldrukkosten komen naar schatting uit op 99.990 (aantal
handelaren) * € 540 = € 53.994.600. De structurele regeldrukkosten voor het onderhouden
van de ontbindingsfunctie zullen beperkt zijn. Aan de kant van de consumenten zorgt
dit voor een vermindering van de administratieve lasten. Het wordt voor hen namelijk
makkelijker om een overeenkomst te ontbinden, waardoor consumenten hier minder tijd
aan hoeven te besteden.
§ 6.1.4. Precontractuele informatie
Financiëledienstverleners dienen bepaalde precontractuele informatie te verstrekken
aan consumenten. Dit betekent dat financiëledienstverleners moeten nagaan of aanvullende
informatie aan consumenten moet worden verstrekt en dat zij informatiedocumenten zo
nodig dienen aan te passen. Er zijn 6113 financiëledienstverleners die bemiddelen
bij financiële diensten of financiële diensten aanbieden waarvoor geen specifieke
regels gelden over precontractuele informatie. Dat betekent dat deze financiëledienstverleners
onder de richtlijn vallen en hun precontractuele informatie moeten aanpassen Dit kost
een hoogopgeleide medewerker naar schatting 40 uur. Uitgaande van een uurtarief van
€ 54 worden de eenmalige regeldrukkosten per financiëledienstverlener geschat op € 2.160
(40 * € 54). De totale eenmalige regeldrukkosten worden geschat op 6.113 (aantal financiële
dienstverleners) * € 2.160 = € 13.204.080. De structurele regeldrukkosten zullen beperkt
zijn.
§ 6.1.5. Website mag consumenten niet misleiden
Financiëledienstverleners, beleggingsondernemingen en beheerders van beleggingsinstellingen
of icbe’s mogen hun website niet zo inrichten dat zij consumenten misleiden. Dit betekent
dat zij moeten controleren of hun website misleidend is vormgegeven en hier intern
over moeten overleggen. Een deel van deze financiële ondernemingen zal ook zijn website
dienen aan te passen. Het controleren van de vormgeving van de website en eventueel
aanpassen van de website zal naar schatting 40 uur kosten. De eenmalige regeldrukkosten
komen dan uit op € 2.160 (40 * € 54) per onderneming. Uitgaande van 6.113 ondernemingen
zullen de totale eenmalige regeldrukkosten 6.113 * € 2.160 = € 13.204.080 bedragen.
De structurele regeldrukkosten zullen beperkt zijn.
§ 6.1.6 Menselijke tussenkomst bij geautomatiseerd advies
Consumenten krijgen het recht op menselijke tussenkomst als de financiëledienstverlener,
beleggingsonderneming of beheerder van een beleggingsinstelling of icbe gebruik maakt
van geautomatiseerd advies. Dat betekent dat elke financiëledienstverlener, beleggingsonderneming
of beheerder van een beleggingsinstelling of icbe die geautomatiseerd advies aanbiedt,
ook over een klantenservice moet beschikken die de vragen van consumenten kan beantwoorden.
Medewerkers moeten worden opgeleid. Geschat wordt dat elke menselijke tussenkomst
tien minuten kost. Uitgaande van een uurtarief van € 54 kost elke menselijke tussenkomst
€ 9. Per jaar wordt 800.000 keer gebruik gemaakt van geautomatiseerd advies.8 Geschat kan worden dat in 4 procent van de gevallen de consument zal verzoeken om
menselijke tussenkomst.9 Dit leidt tot structurele regeldrukkosten van € 9 * 800.000 * 4/100 = € 288.000.
§ 6.2. Andere gevolgen
De voorgestelde wijzigingen in dit wetsvoorstel hebben geen financiële gevolgen voor
het Rijk. Tevens heeft het wetsvoorstel geen gevolgen voor zzp’ers en MKB.
§ 6.3 Advies Adviescollege toetsing regeldruk
Het wetsvoorstel is voor advies voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk
(ATR). De ATR heeft geen opmerkingen bij nut en noodzaak van de Implementatiewet.
Wel merkt zij op dat de voorgestelde wijzigingen van het BW ook gaan gelden voor overeenkomsten
buiten de verkoopruimte, terwijl de richtlijn daartoe niet verplicht. Hierdoor zou
de regeldruk voor bepaalde ondernemingen mogelijk hoger kunnen zijn dan noodzakelijk.
De ATR geeft aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom deze extra regeldruk noodzakelijk
is. In het BW is gekozen voor één coherente regeling voor overeenkomsten inzake financiële
producten en diensten op afstand en buiten de verkoopruimte. De huidige bepalingen
voor overeenkomsten inzake financiële diensten op afstand vloeien hoofdzakelijk voort
uit Richtlijn 2002/65/EG. De bepalingen ter implementatie van deze richtlijn werden
opgenomen in paragraaf 6 van afdeling 6.5.2b BW. Deze bepalingen zijn ook van toepassing
op overeenkomsten inzake financiële diensten buiten de verkoopruimte. Dit was noodzakelijk
om de consument bescherming te bieden bij overeenkomsten buiten de verkoopruimte en
tegelijkertijd te zorgen voor coherentie. De richtlijn hevelt Richtlijn 2002/65/EG
over naar de richtlijn consumentenrechten om zo het wetgevingskader te vereenvoudigen
en te moderniseren. Het is passend en consistent om de coherente regeling in het BW
voor overeenkomsten inzake financiële diensten buiten de verkoopruimte en op afstand
te handhaven. Dit draagt bij aan de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid en bevordert
bovendien een overzichtelijke regeling in het BW. Doel van de richtlijn is complementariteit
met de bepalingen uit de richtlijn consumentenrechten, die zien op consumentenovereenkomsten
op afstand en buiten de verkoopruimte (overweging 9 en 10). Het is zuiver de gehele
regeling te moderniseren. Bovendien zou opsplitsing een verdergaande wijziging van
de regeling in het BW vergen. Het is niet gerechtvaardigd om nodeloze verfijningen
in dit implementatiewetsvoorstel aan te brengen. Aan het opnemen van uitzonderingen
voor overeenkomsten buiten de verkoopruimte kleeft ook het nadeel dat de aanvullende
complexiteit van de regeling zou kunnen leiden tot extra regeldruk. Daarnaast geldt
dat een deel van de richtlijn wordt geïmplementeerd in de Wft en lagere regelgeving,
zoals het BGfo. Zo worden de aanvullende regels over precontractuele informatie opgenomen
in paragraaf 8.1.7. (Informatieverstrekking in het kader van een overeenkomst op afstand)
van het BGfo. Deze paragraaf is enkel van toepassing op overeenkomsten inzake financiële
diensten op afstand. De opmerking van de ATR gaat dan ook enkel op voor de regeling
in het BW. De wijzigingen in het BW zijn beperkt en de verwachte regeldrukgevolgen
voor het bedrijfsleven zijn dan ook laag. Er is geen noodzaak deze gevolgen te kwantificeren.
Verder verzoekt de ATR om in de toelichting inhoudelijk te motiveren wat de reden
is voor het continueren van taalvoorschriften in de precontractuele fase. In de toelichting
is aangegeven dat precontractuele informatie duidelijk en begrijpelijk dient te zijn
voor consumenten. Uitgangspunt is dat de precontractuele informatie wordt verstrekt
in de Nederlandse taal aangezien de meeste consumenten in Nederland de Nederlandse
taal het beste beheersen. Aangezien het bestaande regelgeving betreft, vloeien hieruit
geen extra regeldrukkosten.
Ten aanzien van de werkbaarheid merkt de ATR op dat het wenselijk zou zijn als zou
worden verduidelijkt wat overweging 25 van de richtlijn betekent voor de Nederlandse
situatie. In overweging 25 is opgenomen dat de regels betreffende overeenkomsten inzake
financiële diensten aan consumenten die op afstand worden gesloten niet van toepassing
zijn op het strikt incidenteel verrichten van diensten buiten een commerciële structuur.
Deze overweging over de reikwijdte van de richtlijn voor financiële diensten sluit
aan bij de definitie van «aanbieden», «adviseren» en «bemiddelen» zoals opgenomen
in artikel 1:1 Wft. Het aanbieden, adviseren en bemiddelen valt uitsluitend onder
de Wft indien die werkzaamheden plaatsvinden in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
Het strikt incidenteel verrichten van werkzaamheden buiten de commerciële structuur
valt derhalve niet onder de Wft. De specifieke omstandigheden zijn van belang om te
bepalen of sprake is van professionele dienstverlening.
7. Consultatiereacties
Het wetsvoorstel is openbaar geconsulteerd van 18 april tot 16 mei 2025.10 Er zijn zes reacties ontvangen. Eén reactie is afkomstig van een particulier. Verder
zijn de reacties afkomstig van ING, de Nederlandse Vereniging van Financieringsadviseurs
en -bemiddelaars (NVF), Thuiswinkel.org, het Verbond van Verzekeraars en VodafoneZiggo.
Naar aanleiding van de internetconsultatie zijn het wetsvoorstel en de memorie van
toelichting op een aantal punten aangepast.
Hieronder wordt op de belangrijkste consultatiereacties die betrekking hebben op het
wetsvoorstel ingegaan.
§ 7.1 Ontbindingsfunctie
Thuiswinkel.org en NVF hebben opmerkingen over de reikwijdte van de verplichting voor
handelaren om een ontbindingsfunctie aan te bieden voor overeenkomsten die via een
online-interface zijn afgesloten. Thuiswinkel.org onderschrijft het belang van transparantie
en gebruiksgemak voor consumenten, maar heeft zorgen over de impact van de verplichting
voor ondernemers. Thuiswinkel.org verzoekt om te verduidelijken dat de verplichting
uitsluitend geldt wanneer het wettelijk ontbindingsrecht daadwerkelijk van toepassing
is. De ontbindingsfunctie creëert inderdaad geen nieuw ontbindingsrecht. De ontbindingsfunctie
biedt een aanvullende mogelijkheid om het reeds bestaande ontbindingsrecht uit te
oefenen. Dit vloeit ook voort uit de tekst van artikel 6:230oa lid 1 BW. Bovendien
moet een handelaar de ontbindingsfunctie enkel verplicht aanbieden voor de overeenkomsten
die via een online-interface worden afgesloten. Dit volgt met zoveel woorden al uit
de toelichting in paragraaf 3.2 en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 6:230oa
BW. De toelichting is op dit punt verduidelijkt. NVF pleit ervoor de ontbindingsfunctie
alleen verplicht te stellen voor overeenkomsten voor bepaalde financiële producten.
NVF stelt zich op het standpunt dat de ontbindingsfunctie niet van toegevoegde waarde
is bij overeenkomsten inzake financiële diensten, wegens de specifieke aard van deze
diensten. De afweging in welke gevallen een ontbindingsfunctie wenselijk is, is op
Europees niveau gemaakt. De richtlijn bepaalt dat een handelaar in beginsel een ontbindingsfunctie
moet aanbieden. Een handelaar hoeft geen ontbindingsfunctie aan te bieden, indien
een overeenkomst inzake een financieel product niet kan worden ontbonden. Dit is bijvoorbeeld
het geval als de waarde van de overeenkomst inzake het financieel product afhankelijk
is van schommelingen op de financiële markten of bij verzekeringen met een looptijd
korter dan een maand (artikel 6:230x lid 4 BW). Het doel van de ontbindingsfunctie
is om te waarborgen dat het voor consumenten even makkelijk is om een overeenkomst
aan te gaan, als om van het wettelijke ontbindingsrecht gebruik te maken. De richtlijn
geeft geen ruimte de reikwijdte van de verplichting om een ontbindingsfunctie aan
te bieden te beperken tot bepaalde soorten diensten of producten.
Thuiswinkel.org wijst op het belang dat handelaren voldoende ruimte moeten hebben
om te kunnen bepalen op welke wijze en op welke plaats binnen hun digitale omgeving
de ontbindingsfunctie wordt vormgegeven. Die ruimte biedt artikel 6:230oa BW. In artikel
6:230oa BW is een aantal voorwaarden opgenomen waaraan de ontbindingsfunctie moet
voldoen. Zo moet de functie gedurende de ontbindingstermijn duidelijk zichtbaar worden
weergegeven op de online-interface en makkelijk toegankelijk zijn voor de consument.
De functie moet de consument in staat stellen een verklaring tot ontbinding in te
vullen en in te dienen. Artikel 6:230oa leden 2 en 3 BW bevatten een aantal vereisten
voor het invullen en indienen van deze verklaring. Artikel 6:230oa BW laat zich verder
niet uit over de vormgeving of de wijze waarop de functie wordt aangeboden. Handelaren
kunnen dus zelf bepalen hoe zij hier invulling aangeven zolang zij zorgen dat de ontbindingsfunctie
voldoet aan de eisen van artikel 6:230oa BW.
Verder uit Thuiswinkel.org zorgen dat de invoering van de ontbindingsfunctie zou kunnen
leiden tot onbedoelde gedragsprikkels bij consumenten, bijvoorbeeld dat zij vaker
een impulsaankoop zullen doen of vaker producten weer retourneren. Thuiswinkel.org
pleit daarom voor ruimte voor aanvullende remmende prikkels bij gebruik van de ontbindingsfunctie.
NVF spreekt een vergelijkbare zorg uit. NVF vreest dat ontbinding van overeenkomsten
inzake financiële diensten of financiële producten laagdrempeliger wordt dan het aangaan
van een dergelijke overeenkomst, wat volgens NVF kan leiden tot een toename aan ontbindingen.
In reactie hierop wijst de regering erop dat de ontbindingsfunctie slechts een aanvullende
wijze is waarop de consument zijn ontbindingsrecht kan uitoefenen. Het BW kent, onder
invloed van Europees recht, reeds bepalingen die erop gericht zijn de uitoefening
van het ontbindingsrecht te vergemakkelijken, zoals het modelformulier (artikel 6:230m
lid 1 onderdeel h BW). Het doel van de richtlijn is om de uitoefening van het ontbindingsrecht
voor een consument niet belastender te maken dan het aangaan van een overeenkomst.
De mogelijkheid om van een online ontbindingsfunctie gebruik te maken voor overeenkomsten
die via een online-interface zijn afgesloten sluit daar ook bij aan.
Thuiswinkel.org bepleit dat in de wettekst wordt aangesloten bij de term «herroepen»
uit de richtlijn. Het recht van de consument om de overeenkomst te herroepen is overeenkomstig
de bestaande Nederlandse systematiek in het BW geïmplementeerd als een recht om de
overeenkomst te ontbinden.11 Voor de ontbindingsfunctie wordt bij de Nederlandse terminologie aangesloten. De
verplichting om een ontbindingsfunctie aan te bieden bestaat immers alleen als de
consument ook een recht tot ontbinding heeft. Artikel 6:230oa lid 1 BW maakt duidelijk
dat de functie moet worden aangeduid met een ondubbelzinnige formulering waaruit blijkt
dat daarmee de overeenkomst kan worden ontbonden. De richtlijn geeft expliciet aan
dat de aanduiding «hier de overeenkomst herroepen» als ondubbelzinnig wordt beschouwd.12 Er is voor gekozen geen expliciete aanduiding op te nemen in de tekst van artikel
6:230oa BW. Het is aan de handelaar zelf om een tekst te kiezen waaruit de consument
direct kan aflezen dat hij daarmee zijn ontbindingsrecht kan uitoefenen. Hoe dit verder
wordt beoordeeld zal uit de (toezichts)praktijk moeten blijken, en is uiteindelijk
ter beoordeling van het Europese Hof van Justitie. Daarom wordt de suggestie van Thuiswinkel.org
om in de wettekst de tekst uit de richtlijn over te nemen niet overgenomen. In de
toelichting bij artikel 6:230oa BW is wel als voorbeeld aangegeven dat «hier de overeenkomst
ontbinden» als ondubbelzinnige formulering wordt aangemerkt. «Hier de overeenkomst
herroepen» is eveneens een voorbeeld van een ondubbelzinnige aanduiding voor de ontbindingsfunctie.
§ 7.2 Uitzonderingen op het ontbindingsrecht
ING verzoekt om aan te geven of een overeenkomst tot het aangaan van beleggingsdienstverlening
onder de uitzondering van artikel 6:230x lid 4, onderdeel a, BW valt. Artikel 6:230x
lid 4, onderdeel a, BW is aangevuld, zodat duidelijk wordt dat ook financiële diensten
(hieronder valt ook beleggingsdienstverlening) waarvan de prijs afhankelijk is van
schommelingen op de financiële markten zijn uitgezonderd van het ontbindingsrecht.
De gedachte achter deze uitzondering is dat het niet wenselijk is dat een overeenkomst
kan worden ontbonden indien de waarde van het product of de dienst kan fluctueren
gedurende de ontbindingstermijn. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn bij het doorgeven
en uitvoeren van orders.
ING stelt verder dat artikel 6:230x lid 4, onderdeel d, BW moet worden herzien gelet
op het ontwerp-Implementatiewetsvoorstel herziene richtlijn consumentenkrediet.13 In artikel 6:230x lid 4, onderdeel d, is opgenomen dat overeenkomsten inzake krediet
die zijn ontbonden overeenkomstig artikel 6:230q lid 2 BW of de artikelen 7:50e lid
2, onderdeel c, 7:66 lid 1 of 7:67 lid 1 BW niet onder het ontbindingsrecht van artikel
6:230x BW vallen. ING geeft aan dat aan deze opsomming ook artikel 7:66 leden 2 en
9 BW moeten worden toegevoegd. Artikel 7:66 leden 2 en 9 BW zijn opgenomen in het
Implementatiewetsvoorstel herziene richtlijn consumentenkrediet. Deze leden bevatten
geen zelfstandig ontbindingsrecht maar nadere regels over de termijn waarin het ontbindingsrecht
zoals opgenomen in artikel 7:66 lid 1 BW kan worden uitgeoefend. Artikel 7:66 leden
2 en 9 BW hoeven daarom niet te worden opgenomen in de opsomming van artikelen in
artikel 6:230x lid 4, onderdeel d, BW.
Voorts merkt ING op dat de uitzondering op het ontbindingsrecht zoals opgenomen in
artikel 6:230x lid 4, onderdeel e, BW te nauw geformuleerd is. Zowel kredietovereenkomsten
die gewaarborgd worden door een hypotheek als kredietovereenkomsten voor het verkrijgen
of het behouden van eigendomsrechten betreffende grond dienen onder de uitzondering
te vallen. Artikel 6:230x lid 4, onderdeel e, BW is naar aanleiding hiervan aangepast.
§ 7.3 Implementatietermijn
VodafoneZiggo vraagt of het mogelijk is om de implementatiewet zes maanden na bekendmaking
in werking te laten treden. De richtlijn moet op 19 december 2025 in nationale wetgeving
zijn geïmplementeerd en met ingang van 19 juni 2026 worden toegepast. Het streven
is om de implementatiewet nog voor het verstrijken van de implementatietermijn bekend
te maken en in werking te laten treden op 19 juni 2026. Als deze datum niet wordt
gehaald, zal de wet zo snel mogelijk na deze datum in werking treden. Het is niet
mogelijk om te bepalen dat de wet zes maanden na bekendmaking in werking treedt.
§ 7.4 Regeldruk
Thuiswinkel.org wijst erop dat de regeldruk te beperkt wordt gemeten doordat in de
berekening enkel de directe gevolgen van regelgeving worden meegenomen. Zij pleit
ervoor om de regeldruk realistischer in beeld te brengen door ook indirecte effecten
op de bedrijfsvoering, consumentengedrag en duurzaamheid mee te wegen.
De regeldrukkosten zijn berekend met behulp van het Handboek meting regeldrukkosten.14 Dit Handboek heeft tot doel regeldruk van verschillende regelingen op een dusdanige
vergelijkbare manier vast te stellen dat deze berekeningen ook vergelijkbaar zijn.
Bij de berekening van de regeldrukkosten is uitgegaan van alle investeringen en inspanningen
(uitgedrukt in euro's) die ondernemingen moeten verrichten om te voldoen aan de voorgestelde
wet- en regelgeving. Indirecte effecten op duurzaamheid en het gedrag van consumenten
worden hierbij niet meegenomen.
§ 7.5 Citeertitel
Verder meent VodafoneZiggo dat de citeertitel van onderhavig wetsvoorstel onduidelijk
is. De citeertitel ziet namelijk op overeenkomsten inzake financiële diensten, terwijl
het wetsvoorstel ook voorschriften bevat die relevant zijn voor andere producten en
diensten. Het wetsvoorstel zou daarom breder onder de aandacht moeten worden gebracht
onder een duidelijkere titel.
De citeertitel sluit aan bij de titel van de richtlijn. Hiervoor is gekozen om duidelijk
aan te geven dat dit wetsvoorstel strekt ter implementatie van de richtlijn wat betreft
op afstand gesloten overeenkomsten inzake financiële diensten. Een citeertitel zonder
verwijzing naar de richtlijn die wordt geïmplementeerd zou nog meer verwarring oproepen
over de inhoud en het doel van het wetsvoorstel.
§ 7.6 Overig
Naar aanleiding van een opmerking van de ING wordt het eerste lid (nieuw) van artikel
6:230y BW aangevuld met «financiële dienst» zodat duidelijk wordt dat voor zowel reeds
voor een ontbinding geleverde financiële producten als financiële diensten een vergoeding
kan worden gevraagd van de consument. Per abuis ontbreekt die toevoeging in de huidige
wettekst.
Een particulier geeft in overweging dat de toegankelijkheidsrichtlijn15 verwerkt moet worden in deze wet. De toegankelijkheidsrichtlijn is geïmplementeerd
door de Implementatiewet toegankelijkheidsvoorschriften producten en diensten en daarbij
behorende lagere regelgeving. Derhalve zijn de artikelen uit de toegankelijkheidsrichtlijn
al opgenomen in nationale wetgeving waaronder de Wft. Wel wordt in dit wetsvoorstel
een tweetal omissies bij de implementatie van de toegankelijkheidsrichtlijn hersteld.
Verder wordt, naar aanleiding van opmerkingen van ING, opgemerkt dat bij de verdere
behandeling van onderhavig wetsvoorstel en het ontwerp-Implementatiewetsvoorstel herziene
richtlijn consumentenkrediet rekening wordt gehouden met samenloop van de wetsvoorstellen.
ARTIKELSGEWIJS
ARTIKEL I (Wet op het financieel toezicht)
A (artikel 1:6)
In artikel 1:6, eerste lid, onderdeel e, Wft zijn de zogenaamde pechhulpdiensten uitgezonderd
van de Wft indien zij zich beperken tot de branche Hulpverlening. Deze uitzondering
van de Wft is gebaseerd op artikel 6 van richtlijn Solvency II.16 Op grond van artikel 6 van richtlijn Solvabiliteit II vallenondernemingen die geen
andere branche uitoefenen dan de branche Hulpverlening en waarbij wordt voldaan aan
bepaalde voorwaarden niet onder de regels van richtlijn Solvabiliteit II. Aangezien
de richtlijn een vangnetfunctie heeft voor financiële diensten die zijn uitgesloten
van het toepassingsgebied van Europese regelgeving betreffende specifieke financiële
diensten (overweging 7 bij de richtlijn) dienen deze ondernemingen wel te voldoen
aan de regels voor verkoop op afstand inzake financiële diensten. De artikelen 4:20,
eerste en tweede lid, en 4:25, eerste lid, van de wet bieden de grondslag voor de
relevante regels uit de richtlijn. In paragraaf 8.1.7 BGfo worden de regels met betrekking
tot het verstrekken van precontractuele informatie in het kader van een overeenkomst
op afstand opgenomen. In paragraaf 8.2.2 BGfo (nadere regels met betrekking tot de
in acht te nemen zorgvuldigheid) zullen regels met betrekking tot online-interfaces
worden opgenomen. Daarom wordt in artikel 1:6, derde lid, bepaald dat de artikelen
4:20, eerste en tweede lid en 4:25, eerste lid, van de wet voor zover deze betrekking
hebben op overeenkomsten op afstand, van toepassing zijn op ondernemingen die geen
andere branche uitoefenen dan de branche Hulpverlening indien wordt voldaan aan artikel
1:6, derde lid, onder 1 en 2.
B (artikel 1:20)
Bepaalde vormen van uitstel van betaling zijn uitgezonderd van de richtlijn consumptief
krediet. Het gaat om financiële diensten met betrekking tot een geoorloofde debetstand
waarbij de consument is gehouden binnen een maand af te lossen en financiële diensten
met betrekking tot krediet, niet zijnde hypothecair krediet, dat binnen drie maanden
dient te worden afgelost en terzake waarvan slechts onbetekende kosten aan de consument
in rekening worden gebracht. Ondernemingen die deze kredieten aanbieden, dienen wel
te voldoen aan de regels voor verkoop op afstand inzake financiële diensten vanwege
de vangnetfunctie van de richtlijn (zie overweging 7 van de richtlijn). In paragraaf
8.1.7 BGfo worden de regels met betrekking tot het verstrekken van precontractuele
informatie in het kader van een overeenkomst op afstand opgenomen. In paragraaf 8.2.2
BGfo (nadere regels met betrekking tot de in acht te nemen zorgvuldigheid) zullen
regels met betrekking tot online-interfaces worden opgenomen. De relevante artikelen
in paragraaf 8.1.7. en 8.2.2. voor deze ondernemingen zijn gebaseerd op de artikelen
4:20, eerste en tweede lid, en 4:25, eerste lid, Wft. Daarom wordt in artikel 1:20
bepaald dat op ondernemingen die een bepaalde vorm van uitstel van betaling aanbieden
de Wft niet van toepassing is, met uitzondering van het bepaalde ingevolge de artikelen
4:20, eerste en tweede lid, en 4:25, eerste lid, voorzover betrekking hebbend op overeenkomsten
op afstand.
C (artikel 4:18)
Op grond van artikel 4:18, vierde lid, Wft kunnen bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur producten of diensten worden aangewezen waarop het bepaalde ingevolge
de artikelen 4:20, eerste en tweede lid, en 4:25, eerste lid, Wft voorzover betrekking
hebbend op overeenkomsten op afstand van overeenkomstige toepassing is. Bij het op
de markt verschijnen van nieuwe producten of diensten die wel onder definitie «financiële
dienst» als opgenomen in de richtlijn consumentenrechten vallen, maar niet onder de
definitie van financieel product op grond van de Wft, biedt artikel 4:18, vierde lid,
de mogelijkheid om de relevante artikelen die strekken ter implementatie van de richtlijn
snel van overeenkomstige toepassing te verklaren. Het gaat dan om het verstrekken
van precontractuele informatie (gebaseerd op artikel 4:20, eerste lid) en bijvoorbeeld
regels over de vormgeving van de website (gebaseerd op artikel 4:25,eerste lid) waardoor
consumenten niet worden misleid. Daarmee wordt invulling gegeven aan de vangnetfunctie
van de richtlijn. Deze vangnetfunctie houdt in dat de regels uit de richtlijn van
toepassing zijn op producten of diensten die niet onder sectorspecifieke Uniewetgeving
vallen of zijn uitgesloten van specifieke Uniewetgeving voor financiële diensten.
D
Artikel 4:22.0a betreft de implementatie van artikel 2, vierde lid, van richtlijn
(EU) 2019/882 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten
(hierna: de toegankelijkheidsrichtlijn).17 De toegankelijkheidsrichtlijn is geïmplementeerd in nationale wetgeving door de Implementatiewet
toegankelijkheidsvoorschriften producten en diensten en daarbij behorende lagere regelgeving.
Artikel 2, vierde lid, van de toegankelijkheidsrichtlijn zondert bepaalde inhoud van
websites en mobiele toepassingen uit van de toepassing van de richtlijn. Dit lid is
per abuis niet geïmplementeerd. Door aanpassing van artikel 4:22.0a Wft wordt deze
omissie hersteld. Artikel 4:22.0a Wft is bijvoorbeeld niet van toepassing op kantoorbestandformats
die gepubliceerd zijn voor 28 juni 2025 of vooraf opgenomen op tijd gebaseerde media
die gepubliceerd zijn voor 28 juni 2025. Tevens is artikel 4:22.0a niet van toepassing
op websites en toepassingen op mobiele apparaten die kunnen worden beschouwd als archieven.
Daarvan is sprake als de inhoud niet meer wordt bijgewerkt of aangepast na 28 juni
2025.
ARTIKEL II (Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek)
A (artikel 6:230g BW)
Met de wijziging van onderdeel m in artikel 6:230g lid 1 BW wordt de definitie van
«recht van ontbinding» uitgebreid met het recht van ontbinding voor overeenkomsten
op afstand en overeenkomsten buiten de verkoopruimte inzake financiële diensten, zoals
bedoeld in artikel 6:230x BW. Datzelfde geldt voor de wijziging van onderdeel n. Onder
de term «ontbindingstermijn» wordt ook verstaan de termijn van ontbinding bedoeld
in artikel 6:230x BW.
Welke regeling van het ontbindingsrecht van toepassing is (artikel 6:230o BW respectievelijk
artikel 6:230x BW), is afhankelijk van de soort overeenkomst. De regeling van het
ontbindingsrecht uit artikel 6:230x BW is slechts van toepassing voor zover het een
overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte inzake een financiële dienst betreft.
Op overige consumentenovereenkomsten op afstand of buiten de verkoopruimte is de regeling
van het ontbindingsrecht uit artikel 6:230o BW van toepassing.
De gewijzigde definities zorgen ervoor dat het nieuwe artikel 6:230oa BW ook toegepast
kan worden op overeenkomsten inzake financiële diensten. De verplichting voor een
handelaar om via een online-interface gesloten overeenkomsten een ontbindingsfunctie
aan te bieden gaat namelijk ook gelden voor financiële ondernemingen die een overeenkomst
inzake een financiële dienst via een online-interface met de consument sluiten. De
wijzigingen maken duidelijk dat waar in artikel 6:230oa BW wordt verwezen naar het
«recht van ontbinding», voor zover het gaat om een overeenkomst inzake financiële
diensten moet worden gekeken naar artikel 6:230x BW. Datzelfde geldt voor de ontbindingstermijn.
Verder worden drie begrippen toegevoegd aan onderdeel o van artikel 6:230g lid 1.
In dit onderdeel wordt bepaald dat voor de uitleg en betekenis van de daarin opgenomen
begrippen moet worden aangesloten bij hetgeen daaronder in de Wet op het financieel
toezicht (Wft) wordt verstaan. In de voorgestelde wijziging van artikel 6:230x lid
2 BW wordt naar de begrippen «natura-uitvaartverzekering», «fiscaal gefaciliteerd
financieel product» en «pensioeninkomen» verwezen. Het is van belang dat in de verschillende
regels over financiële producten telkens met dezelfde begrippen en begripsomschrijvingen
wordt gewerkt.
B (artikel 6:230h BW)
Artikel 6:230h regelt het toepassingsbereik van afdeling 6.5.2b BW. In lid 2 wordt
aangegeven op welke overeenkomsten de afdeling niet van toepassing is, of, waar slechts een deel van de bepalingen van de afdeling op van toepassing is. Dat
geldt ook voor de overeenkomsten inzake financiële producten en diensten. Deze overeenkomsten
zijn in principe uitgezonderd van de reikwijdte van de afdeling. Een aantal bepalingen
is echter wel van toepassing op deze overeenkomsten, voor zover het gaat om overeenkomsten
op afstand en overeenkomsten buiten de verkoopruimte, zoals al toegelicht in paragraaf
3 van deze toelichting. Voorgesteld wordt om in het tweede lid van artikel 6:230h
BW paragraaf 6 van afdeling 6.5.2b BW van toepassing te verklaren op overeenkomsten
inzake financiële producten, financiële diensten en fondsvorming als bedoeld in artikel
6:230w lid 1, onderdeel c BW. In paragraaf 6 van deze afdeling staan de specifieke
bepalingen voor overeenkomsten op afstand en buiten de verkoopruimte betreffende financiële
producten en financiële diensten gesloten tussen een financiële onderneming en een
consument.
Thans wordt in artikel 6:230h lid 2, onder b BW paragraaf 1 van toepassing verklaard
op overeenkomsten inzake financiële diensten, waarna in artikel 6:230w lid 2 BW artikelen
van paragraaf 1 weer buiten toepassing worden verklaard. Met de voorgestelde wijziging
van artikel 6:230h lid 2 en het tweede lid van artikel 6:230w wordt meteen duidelijk
welke artikelen uit de afdeling wel van toepassing zijn op overeenkomsten op afstand
en overeenkomsten buiten de verkoopruimte inzake financiële producten, financiële
diensten en fondsvorming (zie ook de toelichting bij artikel II, onderdeel E).
C (artikel 6:230m BW)
Onderdeel h van artikel 6:230m lid 1 BW noemt de informatie die een handelaar bij
het aangaan van een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte aan de consument
moet verstrekken over het recht van ontbinding, waaronder de wijzen waarop het ontbindingsrecht
kan worden uitgeoefend. De beschikbaarheid en plaats van de ontbindingsfunctie bij
overeenkomsten op afstand gesloten via een online-interface die een handelaar op grond
van het nieuwe artikel 6:230oa BW beschikbaar dient te stellen voor de consument worden
toegevoegd aan de te verstrekken informatie.
Uit artikel 6:230o lid 2 BW volgt dat als de handelaar de informatie over het ontbindingsrecht
niet verstrekt, de termijn waarbinnen dit recht kan worden uitgeoefend wordt verlengd
tot het moment dat de informatie alsnog is verstrekt (maar tot ten hoogste twaalf
maanden). Door de wijziging van artikel 6:230m lid 1, onderdeel h, wordt de ontbindingstermijn
van een overeenkomst gesloten via een online-interface ook verlengd als de handelaar
verzuimt informatie te verstrekken over de ontbindingsfunctie.
D (artikel 6:230oa BW)
Het nieuwe artikel 6:230oa BW implementeert artikel 11bis van de richtlijn consumentenrechten.
Zoals aangegeven in het algemeen deel, worden handelaren verplicht om consumenten
de mogelijkheid te bieden een via een online-interface gesloten overeenkomst op afstand
binnen de ontbindingstermijn te kunnen ontbinden door gebruik te maken van een daartoe
bestemde functie (in Europese terminologie: een herroepingsfunctie). Een online-interface
is bijvoorbeeld een website of applicatie. Deze mogelijkheid moet beschikbaar zijn
voor alle overeenkomsten op afstand gesloten via een online-interface die ingevolge
artikel 6:230h onder afdeling 6.5.2b BW valt en waarvoor een ontbindingsrecht geldt.
Daarom wordt deze verplichting opgenomen in paragraaf 3 van afdeling 6.5.2b BW, waarin
de bepalingen zijn opgenomen die gelden voor alle overeenkomsten op afstand en overeenkomsten
buiten de verkoopruimte. Voorgesteld wordt het artikel in te voegen na artikel 6:230o
BW, waarin het recht van ontbinding is opgenomen.
Lid 1
Door lid 1 wordt duidelijk gemaakt dat de handelaar ervoor dient te zorgen dat de
consument het recht van ontbinding ook kan uitoefenen door gebruik te maken van een
ontbindingsfunctie indien de overeenkomst met de consument via een online-interface
is gesloten. Artikel 6:230g lid 1, onderdeel m, geeft een definitie van het recht
van ontbinding. Met de voorgestelde wijziging wordt gedoeld op zowel het recht om
te ontbinden overeenkomstig artikel 6:230o als het recht om te ontbinden overeenkomstig
artikel 6:230x. Deze functie is een knop of functie die kan worden aangeklikt en die
voor de consument duidelijk zichtbaar en gemakkelijk toegankelijk moet zijn weergegeven
op de online-interface. Deze wordt op een gemakkelijk leesbare manier aangeduid met
woorden waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de overeenkomst daarmee kan worden ontbonden.
De enkele zinsnede «hier de overeenkomst ontbinden» wordt aangemerkt als een dergelijke
ondubbelzinnige formulering. Als de consument gebruik maakt van de ontbindingsfunctie,
moet hij de mogelijkheid krijgen een verklaring tot ontbinding in te vullen. Deze
ontbindingswijze is een aanvulling op reeds bestaande wijzen van ontbinding en geen
vervanging. De consument kan gebruikmaken van de ontbindingsfunctie, maar moet ook
gebruik kunnen blijven maken van bestaande ontbindingswijzen. Lid 1 implementeert
artikel 11bis lid 1, eerste, tweede en vierde zin, en lid 2, eerste zin, richtlijn
consumentenrechten.
Lid 2
Lid 2 implementeert artikel 11bis, lid 2, tweede zin, richtlijn consumentenrechten
en bepaalt welke informatie de consument ter identificatie van de overeenkomst in
de verklaring tot ontbinding moet kunnen verstrekken of bevestigen. De handelaar mag
aan de consument vragen om in te loggen om zich op die manier te identificeren, maar
mag de consument niet vragen om een account aan te maken om de overeenkomst te ontbinden.
De handelaar mag de consument alleen de gegevens vragen die noodzakelijk zijn om de
overeenkomst die de consument wil ontbinden te identificeren en om de ontbinding te
bevestigen. Een consument die zich reeds heeft geïdentificeerd, bijvoorbeeld door
in te loggen, moet de overeenkomst kunnen ontbinden zonder dat hij zich opnieuw moet
identificeren of opnieuw de gegevens ter identificatie van de overeenkomst die hij
wenst te ontbinden te verstrekken. In dat geval moet hij de reeds verstrekte informatie
kunnen bevestigen.
Als een consument in het kader van één en dezelfde overeenkomst op afstand meerdere
zaken of diensten heeft besteld, kan de handelaar de consument de mogelijkheid bieden
slechts een deel van de overeenkomst te ontbinden en niet de hele overeenkomst (overweging
37). Dat kan worden opgenomen in de verklaring tot ontbinding.
Lid 3
Om te voorkomen dat een consument zijn ontbindingsrecht onbedoeld uitoefent door de
ontbindingsfunctie per ongeluk aan te klikken, moet de handelaar ervoor zorgen dat
de consument de verklaring tot ontbinding nog moet bevestigen (overweging 37). Het
voorgestelde lid 3 implementeert artikel 11bis lid 3 richtlijn consumentenrechten.
Dit lid bevat de verplichting voor de handelaar om een functie aan te bieden, die
beschikbaar is zodra de consument de verklaring tot ontbinding heeft ingevuld. Deze
functie dient op goed leesbare manier aangeduid te worden met woorden waaruit ondubbelzinnig
blijkt dat daarmee de ontbinding wordt bevestigd. De enkele zinsnede «ontbinding bevestigen»
wordt aangemerkt als een dergelijke ondubbelzinnige formulering.
Lid 4
Lid 4 maakt, overeenkomstig artikel 11bis lid 4 richtlijn consumentenrechten, duidelijk
dat de handelaar aan de consument onverwijld dient te bevestigen dat hij de verklaring
tot ontbinding heeft ontvangen, zodra de consument de bevestigingsfunctie bedoeld
in lid 3 activeert. De handelaar stuurt de ontvangstbevestiging op een duurzame gegevensdrager,
in overeenstemming met de gegevens die de consument daarover in de verklaring tot
ontbinding heeft ingevuld (lid 2, onderdeel c).
Lid 5
Met het vijfde lid wordt artikel 11bis lid 5 richtlijn consumentenrechten geïmplementeerd.
Artikel 11bis lid 5 richtlijn consumentenrechten bepaalt dat de consument die gebruik
maakt van de ontbindingsfunctie wordt geacht het ontbindingsrecht binnen de geldende
ontbindingstermijn te hebben uitgeoefend indien hij de verklaring tot ontbinding vóór
het verstrijken van de ontbindingstermijn heeft ingediend. Het moment waarop de ontbindingstermijn
begint te lopen hangt af van de aard en inhoud van de overeenkomst. Daardoor kan de
geldende ontbindingstermijn per soort overeenkomst verschillen. Omdat artikel 6:230oa
BW zowel voor consumentenovereenkomsten inzake niet-financiële producten en diensten
als inzake financiële producten en diensten gaat gelden, wordt in lid 5 verwezen naar
de geldende «ontbindingstermijn». Artikel 6:230g lid 1, onderdeel n, definieert de
ontbindingstermijn als de termijn waarbinnen het recht van ontbinding overeenkomstig
artikel 6:230o BW dan wel artikel 6:230x BW kan worden uitgeoefend. Daarmee wordt
helder dat voor de tijdigheid van de ontbinding van een bepaalde overeenkomst via
de ontbindingsfunctie, de voor die overeenkomst geldende termijn in acht moet worden
genomen. Ter illustratie kan het geval worden genoemd waarin een consument via een
website een kledingstuk bestelt. Dan geldt dat de klant de overeenkomst op diezelfde
website kan ontbinden door binnen veertien dagen nadat hij het kledingstuk heeft ontvangen,
een verklaring tot ontbinding in te dienen via de ontbindingsfunctie. Dat is immers
de termijn die geldt voor de «gewone» enkelvoudige bestelling (artikel 6:230o lid
1, onderdeel b, onder 1 BW).
Voorts maakt lid 5 duidelijk dat de handelaar verplicht is ervoor te zorgen dat de
ontbindingsfunctie gedurende de geldende ontbindingstermijn te allen tijde voor de
consument beschikbaar is. Daarmee wordt artikel 11bis, lid 1, derde zin, richtlijn
consumentenrechten geïmplementeerd. Het betekent dat de consument totdat de ontbindingstermijn
is verlopen, altijd de mogelijkheid heeft de ontbindingsfunctie aan te klikken. Belangrijk
om op te merken is dat de ontbindingstermijn verlengd kan worden met ten hoogste twaalf
maanden indien de handelaar de consument niet juist informeert (artikel 6:230o lid
2 BW respectievelijk artikel 6:230x lid 7 BW). De ontbindingsfunctie moet ook gedurende
de verlengde termijn beschikbaar zijn.
De functie moet zelfstandig op de online-interface te vinden zijn. De handelaar kan
de consument via e-mail een link sturen die direct naar de bevestigingspagina leidt,
maar deze link kan de ontbindingsfunctie niet vervangen. De handelaar zorgt er dus
voor dat de consument daarnaast toegang heeft tot een knop of functie op zijn website.
E (artikel 6:230w BW)
Dit onderdeel wijzigt het tweede lid van artikel 6:230w BW. Door de voorgestelde wijziging
worden in het tweede lid alle bepalingen aangewezen die van toepassing zijn op overeenkomsten
op afstand en buiten de verkoopruimte inzake een financieel product, een financiële
dienst en die betreffende fondsvorming. Het betreft de artikelen 6:230g, 6:230h, 6:230i
leden 1 en 3, 6:230j, 6:230k, 6:230m lid 3 BW en, indien sprake is van een via een
online-interface gesloten overeenkomst op afstand, 6:230oa BW. Op overige overeenkomsten
– niet op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten – inzake financiële producten
en financiële diensten zijn die artikelen niet van toepassing. Artikel 6:230w lid
2 BW vult daarmee artikel 6:230h lid 2, onderdeel b BW aan. Tezamen implementeren
zij artikel 3 lid 1ter, eerste alinea, en artikel 3, lid 3, onderdeel d richtlijn
consumentenrechten.
Artikel 6:230w lid 2 BW noemt uitdrukkelijk ook de overeenkomsten buiten de verkoopruimte,
ook al ziet de richtlijn daarop niet. Dit werd al toegelicht in hoofdstuk 3 (Inhoud
wetsvoorstel).
Onder andere artikel 6:230i lid 3 BW wordt van toepassing. Dat lid strekt ter implementatie
van artikel 3 lid 2 richtlijn consumentenrechten. Dit artikel biedt een voorziening
voor het geval de richtlijn consumentenrechten strijdig is met een andere sectorspecifieke
Uniehandeling. Als sprake is van strijdigheid, dan gaan de bepalingen uit de sectorspecifieke
Uniehandelingen voor. Hiermee wordt deels uitvoering gegeven aan de vangnetfunctie
van de richtlijn. Verder gaan bijvoorbeeld de informatieverplichtingen voor onlinemarktplaatsen
(artikel 6:230m lid 3 BW) ook gelden voor overeenkomsten inzake financiële diensten
en financiële producten op een onlinemarktplaats. Het nieuwe artikel 6:230oa gaat
ook gelden voor overeenkomsten inzake financiële diensten die op afstand via een online-interface
worden gesloten. Consumenten kunnen dus ook voor deze overeenkomsten gebruikmaken
van de ontbindingsfunctie.
Het derde lid (oud) wordt geschrapt. Dit lid strekte tot implementatie van artikel
15, tweede alinea, Richtlijn 2002/65/EG, dat is komen te vervallen. Het derde lid
bepaalde dat een beding in een overeenkomst op afstand vernietigbaar is wanneer het
de consument belast met het bewijs dat de financiële onderneming de verplichtingen
heeft nageleefd krachtens Richtlijn 2002/65/EG. Deze bepaling kan vervallen omdat
het voorgestelde nieuwe tweede lid dwingendrechtelijk bepaalt dat de bewijslast voor
de juiste en tijdige verstrekking van de informatie uit hoofde van de richtlijn op
de financiële onderneming rust. Overigens is uit hoofde van artikel 6:236 onder k
BW een beding in de algemene voorwaarden waarbij van de wettelijke bewijslastverdeling
wordt afgeweken onredelijk bezwarend en daarmee voor de consument vernietigbaar (artikel
6:233 onder a BW).
Het vierde lid implementeerde artikel 12, tweede lid, Richtlijn 2002/65/EG. Ook deze
bepaling kent geen equivalent in de richtlijn consumentenrechten. Deze bepaling hield
in dat een consument de bescherming van Richtlijn 2002/65/EG niet mocht verliezen
doordat het recht van een derde land was gekozen als toepasselijk op de overeenkomst,
terwijl een nauwe samenhang bestond tussen de overeenkomst en het grondgebied van
een van de lidstaten. Inmiddels wordt in het internationaal privaatrecht de vraag
naar het toepasselijk recht beheerst door Verordening 593/2008/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 17 juni 2008 (Verordening Rome I). Een bepaling als opgenomen
in het vierde lid van artikel 6:230w BW is daarom niet langer nodig. Het vierde lid
wordt daarom ook geschrapt.
Het nieuwe derde lid zet de artikelen 16bis, achtste lid, en 16quinquies, vierde lid,
van de richtlijn consumentenrechten om. Daarmee komt de bewijslast voor het verstrekken
van de informatie als bedoeld in artikel 16bis en de toelichtingen als bedoeld in
artikel 16quinquies bij de handelaar te liggen. Het nieuwe derde lid verwijst naar
artikel 4:20, eerste lid, Wft. Deze bepaling regelt dat de financiële onderneming
bepaalde informatie voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst aan de consument
dient te verstrekken (precontractuele informatie). Deze verplichting is vervolgens
in lagere regelgeving (BGfo) uitgewerkt naar aard van de overeenkomst. Bij verwijzing
naar de informatie die op grond van artikel 4:20, eerste lid, Wft dient te worden
verstrekt, wordt in dit geval de precontractuele informatie bedoeld die dient te worden
verstrekt voorafgaand aan een overeenkomst op afstand. Een bewijslastbepaling als
opgenomen in het derde lid van artikel 6:230w is gebruikelijk in het Europees consumentenrecht.
Zo legt ook artikel 6:230n lid 4 BW – dat artikel 6, negende lid, richtlijn consumentenrechten
implementeert – de bewijslast voor de tijdige en juiste verstrekking van de precontractuele
informatie bij overeenkomsten op afstand en buiten de verkoopruimte bij de handelaar.
Ook artikel 6:193j BW kent een vergelijkbare regel voor de oneerlijke handelspraktijken.
De precontractuele informatieverplichtingen uit artikel 16bis en 16quinquies van de
richtlijn worden opgenomen in paragraaf 8.1.7. van het BGfo. Het is het wenselijk
om de bewijslastbepaling in het Burgerlijk Wetboek op te nemen. Denkbaar is dat in
een civielrechtelijke procedure de vraag moet worden beantwoord of de handelaar de
consument van de juiste informatie en toelichtingen heeft voorzien. Daarbij kan men
denken aan een consument die een beroep doet op dwaling of aan een handelaar die betaling
verlangt, omdat de ontbindingstermijn is verlopen (14 dagen vanaf de dag waarop de
precontractuele informatie is verstrekt). Welke bewijslastverdeling dan uit de hoofdregel
van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voortvloeit, verschilt
per geval. Met deze bewijslastregel wordt duidelijk dat de bewijslast steeds bij de
handelaar ligt. Dit betekent in de praktijk dat als de consument stelt dat hij geen
adequate toelichtingen heeft ontvangen de handelaar moet aantonen dat hij deze toelichting
wel heeft verstrekt, bijvoorbeeld door een verzonden email te tonen. Indien een consument
stelt dat hij niet is geïnformeerd over de risico’s die met een financieel product
samenhangen of de kosten van het financieel product, dan zal de financiële onderneming
moeten aantonen dat hij deze wel heeft verstrekt. De uiteindelijke bewijswaardering
is voorbehouden aan de rechter.
F (artikel 6:230x BW)
Artikel 6:230x BW bevat de bepalingen over het recht van ontbinding bij overeenkomsten
op afstand en overeenkomsten buiten de verkoopruimte inzake financiële diensten en
financiële producten. Dit artikel implementeert artikel 16ter richtlijn consumentenrechten,
dat artikel 6 uit Richtlijn 2002/65/EG vervangt. Artikel 6:230x BW wordt gewijzigd,
omdat de tekst van artikel 16ter richtlijn consumentenrechten op een paar punten afwijkt
van het oorspronkelijke artikel uit Richtlijn 2002/65/EG.
Een consument heeft op grond van lid 1 een termijn van veertien dagen om een overeenkomst
te ontbinden. Deze termijn begint op de dag waarop de overeenkomst is gesloten, tenzij
de financiële onderneming de consument de precontractuele informatie pas later doet
toekomen. Dan begint de termijn te lopen vanaf de dag waarop de financiële onderneming
de informatie op grond van artikel 4:20, eerste lid, Wft verstrekt. Daaronder vallen
ook de voorwaarden van de overeenkomst en de informatie die op grond van artikel 77
BGfo dient te worden verstrekt. Daarmee sluit artikel 6:230x lid 1 BW aan bij artikel
16ter lid 1 onderdeel b richtlijn consumentenrechten.
Artikel 16ter lid 1, tweede zin, lid 2 en lid 6 richtlijn consumentenrechten geven
samen voor het ontbindingsrecht uitvoering aan de vangnetfunctie die de Europese wetgever
met de richtlijn consumentenrechten voor ogen heeft. Lid 6 maakt duidelijk dat het
ontbindingsrecht uit dat artikel enkel van toepassing is op overeenkomsten waarvoor
op grond van andere Europese regelgeving geen specifieke regels gelden over een ontbindingsrecht
of bedenktijd. Het gaat blijkens overweging 18 om bepalingen die consumenten de tijd
geven om de gevolgen van een ondertekende overeenkomst te overdenken, zoals dus een
ontbindingsrecht of bedenktijd. Verder bevatten lid 1, tweede zin, en lid 2 uitzonderingen
op de ontbindingstermijn van veertien dagen. Artikel 6:230x leden 2 en 4 werken de
vangnetfunctie voor het ontbindingsrecht uit (zie toelichting hieronder).
Lid 2
Indien een overeenkomst op afstand of een overeenkomst buiten de verkoopruimte betrekking
heeft op een overeenkomst genoemd in 6:230x lid 2, onderdelen a tot en met d, heeft
een consument een termijn van dertig dagen om zonder een boete verschuldigd te zijn
en zonder opgave van redenen de overeenkomst te ontbinden. Deze termijn begint op
de dag waarop de consument van het tot stand komen van de overeenkomst in kennis is
gesteld dan wel, indien dit later is, vanaf de dag waarop de consument de voorgeschreven
precontractuele informatie heeft ontvangen. Voor bijvoorbeeld levensverzekeringen
met een looptijd meer dan zes maanden schrijft artikel 186 richtlijn solvabiliteit
II voor dat een overeenkomst gedurende dertig dagen kan worden ontbonden. Daarom geldt
op grond van lid 2 onderdeel a van artikel 6:230x BW een langere ontbindingstermijn
van dertig dagen voor een dergelijke overeenkomst. Daarnaast geldt op grond van artikel
6:230 x lid 2, onderdelen b en c, BW ook voor natura-uitvaartverzekeringen en overeenkomsten
die strekken tot fondsvorming als bedoeld in artikel 6:230w, lid 1, onderdeel c, BW
een ontbindingstermijn van dertig dagen, zodat wordt aangesloten bij artikel 4:63
Wft. Artikel 6:230x lid 2, onderdeel d, BW implementeert vervolgens artikel 16ter,
eerste lid, tweede zin, van de richtlijn consumentenrechten. Voor individuele pensioenen
geldt op grond daarvan namelijk ook een ontbindingstermijn van dertig dagen. Onder
individuele pensioenen vallen fiscaal gefaciliteerde financiële producten zoals een
lijfrenterekening, lijfrenteverzekering of een lijfrentebeleggingsrecht met als doel
om een pensioeninkomen te genereren voor de consument. De begrippen «fiscaal gefaciliteerd
financieel product» en «pensioeninkomen» zijn gangbare begrippen in de Wft. Voorgesteld
wordt om deze begrippen ook op te nemen in artikel 6:230g lid 1, onderdeel o, BW (zie
artikel II, onderdeel A). Met «pensioeninkomen» wordt gedoeld op de uitkering die
wordt uitbetaald wanneer iemand stopt met werken. Met «fiscaal gefaciliteerd» wordt
bedoeld dat de consument die een dergelijk product afneemt, onder fiscaal gunstige
voorwaarden pensioeninkomen genereert. Het zijn financiële producten die niet voortkomen
uit een arbeidsrechtelijke overeenkomst en waarop bovendien de Pensioenwet, de Wet
verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 en de Wet verplichte beroepspensioenregeling
niet van toepassing zijn.
Lid 3
Het derde lid bepaalt wanneer de consument het ontbindingsrecht tijdig heeft uitgeoefend.
Het derde lid implementeerde artikel 6 lid 6 Richtlijn 2002/65/EG, dat wordt vervangen
door artikel 16ter lid 3 richtlijn consumentenrechten. Door de voorgestelde wijziging
sluit lid 3 aan bij de tekst van artikel 16ter lid 3 richtlijn consumentenrechten,
dat minder vereisten bevat voor de uitoefening van het ontbindingsrecht. De uitoefening
van het ontbindingsrecht mag namelijk niet meer belastend zijn dan de procedure voor
sluiting van de overeenkomst (overweging 36). Artikel 6:230x lid 3 BW vereist niet
langer dat de kennisgeving aan de financiële onderneming wordt verzonden op een duurzame
gegevensdrager. Bovendien verwijst het derde lid niet meer naar de instructies die
de financiële onderneming omtrent uitoefening van het ontbindingsrecht aan de consument
heeft verstrekt. De consument ontbindt de overeenkomst tijdig indien hij de kennisgeving
over de uitoefening van zijn ontbindingsrecht voor het verstrijken van de toepasselijke
termijn aan de financiële onderneming heeft verzonden.
Lid 4
Het vierde lid van artikel 6:230x BW implementeert artikel 16ter lid 2, dat een aantal
overeenkomsten noemt die uitgezonderd zijn van het ontbindingsrecht. Met artikel 6:230x
lid 4, onderdelen a tot en met c, wordt artikel 16 ter, tweede lid, sub a tot en met
c, van de richtlijn consumentenrechten geïmplementeerd. Het gaat om overeenkomsten
inzake financiële producten of financiële diensten waarvan de waarde afhankelijk is
van ontwikkelingen op de financiële markten (onderdeel a). Ter verduidelijking van
onderdeel a is toegevoegd dat ook overeenkomsten inzake financiële diensten waarvan
de waarde kan schommelen gedurende de ontbindingstermijn door ontwikkelingen op de
markt zijn uitgezonderd van het ontbindingsrecht. Te denken valt aan het doorgeven
en uitvoeren van orders. Verder vallen verzekeringen met een looptijd korter dan een
maand (onderdeel b) of overeenkomsten die op uitdrukkelijk verzoek van de consument
volledig zijn uitgevoerd voordat de consument gebruik maakt van het ontbindingsrecht
(onderdeel c) onder de uitzondering van het ontbindingsrecht. Verder zijn kredietovereenkomsten
die onder de richtlijn consumentenkrediet18 vallen, uitgezonderd van het ontbindingsrecht. Voor deze kredietovereenkomsten is
het ontbindingsrecht geregeld in artikel 7:66 lid 1 BW of 7:67 lid 1 BW. Op kredietovereenkomsten
waarop ingevolge artikel 7:58 lid 2 BW titel 2a van Boek 7 BW niet van toepassing
is, geldt het ontbindingsrecht zoals opgenomen in artikel 6:230x leden 1 en 2 BW.
Het gewijzigde onderdeel e heeft betrekking op kredietovereenkomsten die vallen onder
afdeling 3 van titel 2b van Boek 7 BW. Op deze kredietovereenkomsten is artikel 7:122
lid 5 BW van toepassing waarin een bedenktijd van veertien dagen is vastgelegd. Op
grond van artikel 7:119 lid 2 BW is artikel 7:122 lid 5 BW niet van toepassing op
bepaalde kredietovereenkomsten die vallen onder afdeling 3 van titel 2b van Boek 7
van het BW. Op deze kredietovereenkomsten is het ontbindingsrecht zoals opgenomen
in artikel 6:230x leden 1 en 2 BW van toepassing. Op grond van artikel 13 van de Verordening
(EU) 2023/1114 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende cryptoactivamarkten
en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 1095/2010 en Richtlijnen
2013/36/EU en (EU) 2019/1937 (MiCA) heeft een individuele houder een ontbindingsrecht
indien die andere crypto-activa dan activa gerelateerde tokens en e-moneytokens rechtstreeks
bij een aanbieder dan wel bij een aanbieder van cryptoactivadiensten koopt die namens
die aanbieder cryptoactiva plaatsen. Het ontbindingsrecht zoals opgenomen in artikel
6:230x leden 1 en 2 BW is niet van toepassing op deze individuele houders omdat er
geen sprake is van een financieel product of financiële dienst. Hetzelfde geldt voor
aspirantbeleggers die gebruik maken van crowdfundingdiensten. Op grond van artikel
22 van Verordening (EU) 2020/1503 van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober
2020 betreffende Europese crowdfundingdienstverleners voor bedrijven en tot wijziging
van Verordening (EU) 2017/1129 en Richtlijn (EU) 2019/1937 kan de aspirant-belegger
zijn beleggingsaanbod ontbinden.
Lid 7
Nieuw in artikel 6:230x BW is dat het recht om de overeenkomst op afstand of de overeenkomst
buiten de verkoopruimte te ontbinden in ieder geval vervalt na twaalf maanden en veertien
dagen nadat de overeenkomst is gesloten. Lid 1 bepaalt dat als een financiële onderneming
de consument niet voorziet van de op grond van artikel 4:20, eerste lid, Wft vereiste
precontractuele informatie, de ontbindingstermijn in feite wordt verlengd. Deze begint
dan pas te lopen vanaf de dag dat alle informatie door de consument alsnog is ontvangen.
Om de financiële onderneming en de consument meer rechtszekerheid te bieden, wordt
de ontbindingstermijn echter beperkt tot twaalf maanden en veertien dagen na het sluiten
van de overeenkomst (overweging 35). Een vergelijkbare regeling ziet men ook in artikel
6:230o, tweede lid, BW voor overige consumentenovereenkomsten. De in lid 1 van dat
artikel genoemde termijn van veertien dagen wordt verlengd met ten hoogste twaalf
maanden in het geval dat de handelaar de consument niet of op onjuiste wijze informeert
over het recht op ontbinding (overeenkomstig artikel 6:230m lid 1, onder h BW). Die
bepaling verschilt echter wel van artikel 6:230x lid 7 BW. Artikel 6:230x lid 7 BW
bepaalt dat de financiële onderneming de consument moet voorzien van álle voorgeschreven
precontractuele informatie voordat de ontbindingstermijn begint te lopen. Bovendien
verstrijkt de termijn geheel niet als de consument niet over het ontbindingsrecht
is geïnformeerd. Die informatie moet op een duurzame gegevensdrager zijn verstrekt
(overweging 35). In dat geval zijn de nationale regels rondom verjaring van toepassing.
G (artikel 6:230y BW)
Artikel 6:230y BW vloeit voort uit artikel 7 Richtlijn 2002/65/EG. Dat artikel wordt
vervangen door artikel 16quater richtlijn consumentenrechten. De inhoud van dit artikel
over de gevolgen van ontbinding voor reeds geleverde diensten blijft nagenoeg hetzelfde,
afgezien van een drietal modificaties. Het eerste lid vervalt, omdat artikel 16quater
niet langer bepaalt dat pas een begin mag worden gemaakt met de uitvoering van de
overeenkomst na toestemming van de consument (zoals voortvloeide uit artikel 7, lid
1, tweede zin, Richtlijn 2002/65/EG). De consument wordt evenwel nog steeds beschermd
in het geval dat de financiële onderneming voor het verstrijken van de ontbindingstermijn
uit artikel 6:230x BW een begin maakt met de uitvoering van een overeenkomst zonder
dat de consument daarom heeft verzocht. De financiële onderneming mag dan op grond
van artikel 6:230y lid 2, onder b, BW geen betaling van de consument verlangen.
Onder Richtlijn 2002/65/EG gold reeds dat de financiële onderneming een vergoeding
in rekening mag brengen voor het reeds voor de ontbinding geleverde financiële product
of dienst. Door het vervallen van het eerste lid (oud), staat dat nu in het eerste
lid (nieuw) van artikel 6:230y BW. De tekst van het eerste lid (nieuw) wordt aangevuld
met «financiële dienst», zodat duidelijk wordt dat voor zowel reeds geleverde financiële
producten als financiële diensten een vergoeding kan worden gevraagd. Per abuis ontbreekt
die toevoeging in de huidige wettekst. Verder wordt toegevoegd dat de consument die
vergoeding onverwijld dient te betalen, overeenkomstig artikel 16quater lid 1, tweede
zin, richtlijn consumentenrechten.
De wijziging van het vierde lid (nieuw) houdt verband met het vervallen van de zinsnede
«en/of zaken» uit artikel 7 lid 5 Richtlijn 2002/65/EG. Het nieuwe artikel 16quater
lid 5 richtlijn consumentenrechten kent die zinsnede niet.
ARTIKEL III (Wet handhaving consumentenbescherming)
A (artikel 1.1)
Aan de begripsbepaling financiële dienst of activiteit wordt toegevoegd dat onder
een financiële dienst of activiteit ook een product of dienst valt dat op grond van
artikel 4:18, vierde lid, van de Wft is aangewezen. Hierdoor kan de AFM handhavend
optreden op grond van artikel 3.4 Whc indien artikelen worden overtreden zoals opgenomen
in de onderdelen a en b van de bijlage bij de Whc.
B en C (artikel 8a.0 en onderdelen a en b van de bijlage)
Met het voorgestelde artikel 8a.0 en de wijziging van onderdeel a van de bijlage bij
de Whc wordt een omissie uit de Implementatiewet toegankelijkheidsvoorschriften voor
producten en diensten hersteld. Deze wet strekte tot implementatie van Richtlijn (EU)
2019/882 (toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten). Naar nu blijkt
is artikel 13, vierde lid, van die richtlijn ten aanzien van e-handelsdiensten niet
volledig geïmplementeerd. Op grond van dat artikellid is de verlener van e-handelsdiensten
verplicht bepaalde acties te ondernemen als sprake is van non-conformiteit van de
e-handelsdienst. De dienstverlener moet dan niet alleen onverwijld corrigerende maatregelen
treffen, maar dit ook melden aan de betrokken autoriteit. Ten aanzien van die laatste
verplichting is abusievelijk niet voorzien in een wettelijke grondslag. Met het voorgestelde
artikel 8a.0 wordt alsnog daarin voorzien. Omdat de meldplicht geen betrekking heeft
op de relatie tussen een dienstverlener en een consument is artikel 8a.0 niet opgenomen
in hoofdstuk 8, maar in hoofdstuk 8a van de Whc. In onderdeel a van de bijlage bij
de Whc wordt het toezicht door de ACM onderscheidenlijk de AFM geregeld. Dit is overeenkomstig
het regime dat geldt voor de overige bepalingen over e-handelsdiensten.
De wijziging van onderdeel b van de bijlage bij de Whc strekt tot implementatie van
artikel 3, eerste lid, eerste alinea, van de richtlijn op grond waarvan de artikelen
23 en 24, eerste lid, van de richtlijn consumentenrechten van toepassing zijn. Richtlijn
2002/65/EG wordt verwijderd uit onderdeel b van de bijlage bij de Whc omdat deze komt
te vervallen. In onderdeel b van de bijlage bij de Whc worden in de tweede kolom de
artikelen die strekken tot implementatie van de richtlijn toegevoegd, zodat de AFM
de bevoegde autoriteit wordt indien sprake is van inbreuken of inbreuken binnen de
Unie op de bepalingen die strekken tot implementatie van de richtlijn (zie artikel
3.1, tweede lid, Whc).
De AFM is op grond van artikel 3.1, tweede lid, Whc aangewezen als bevoegde autoriteit
voor inbreuken binnen de Unie op de wettelijke bepalingen bedoeld in onderdeel b van
de bijlage en heeft diverse handhavingsbevoegdheden op grond van artikel 3.4 Whc.
ARTIKEL IV (inwerkingtreding)
Dit artikel regelt de inwerkingtreding. Artikel 2 lid 1 van de richtlijn schrijft
voor dat de wettelijke maatregelen uiterlijk op 19 december 2025 moeten zijn vastgesteld
en bekendgemaakt. Uit artikel 2 lid 1 volgt ook dat de bepalingen moeten worden toegepast
vanaf 19 juni 2026. Het streven is om deze wet op 19 juni 2026 in werking te laten
treden. Hiermee wordt afgeweken van de vaste verandermomenten voor wetgeving in verband
met de uitvoering van EU-wetgeving.
De Minister van Financiën,
E. Heinen
BIJLAGE. TRANSPONERINGSTABEL
BW
Burgerlijk Wetboek
BGfo:
Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft
Wft:
Wet op het financieel toezicht
Whc:
Wet handhaving consumentenbescherming
Bepaling Richtlijn (EU) 2023/2673
Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte
1, eerste lid, onderdeel a (3, 1ter, richtlijn consumentenrechten)
6:230h lid 2, onderdeel b, en 6:230w, lid 1 en 2, BW
1, eerste lid, onderdeel b (3, lid 3, onderdeel d, richtlijn consumentenrechten)
6:230h lid 2, onderdeel b, BW
1, tweede lid (6, eerste lid, onderdeel h, richtlijn consumentenrechten)
6:230m lid 1, onderdeel h, BW
1, derde lid (11bis richtlijn consumentenrechten)
6:230oa BW
1, vierde lid (artikel 16bis, lid 1, richtlijn consumentenrechten)
77, eerste lid, BGfo
1, vierde lid (artikel 16bis, lid 2, richtlijn consumentenrechten)
49, tweede lid, BGfo
Lidstaatoptie: taalvoorschriften
De precontractuele informatie dient te worden verstrekt in de Nederlandse taal op
grond van artikel 49, tweede lid, BGfo
1, vierde lid (artikel 16bis, lid 3, richtlijn consumentenrechten)
79, eerste en achtste lid, BGfo
1, vierde lid (artikel 16bis, lid 4, richtlijn consumentenrechten)
79, zesde lid, BGfo
1, vierde lid (artikel 16bis, vijfde lid, richtlijn consumentenrechten)
77c BGfo
1, vierde lid (artikel 16bis, zesde lid, richtlijn consumentenrechten)
77b lid 1 BGfo
1, vierde lid (artikel 16bis, zevende lid, richtlijn consumentenrechten)
77b lid 2 en 3 BGfo
1, vierde lid (artikel 16bis, achtste lid)
6:230w lid 3 BW
1, vierde lid (artikel 16bis, negende lid)
Behoeft geen implementatie. Betreft een lidstaatoptie
Vaststellen strengere regels m.b.t. precontractuele informatie
Van deze lidstaatoptie wordt geen gebruik gemaakt
1, vierde lid (artikel 16bis, tiende lid)
77, tweede tot en met zesde lid, BGfo
1, vierde lid (artikel 16ter, eerste lid, eerste en tweede alinea)
6:230x lid 1 en 2 BW
1, vierde lid (artikel 16ter, eerste lid, derde alinea)
6:230x lid 7 BW
1, vierde lid (artikel 16ter, tweede lid)
6:230x lid 4 BW
1, vierde lid (artikel 16ter, derde lid)
6:230x lid 3 BW
1, vierde lid (artikel 16ter, vierde lid)
6:230x lid 5 BW
1, vierde lid (artikel 16ter, vijfde lid)
Behoeft geen implementatie.
Artikel bepaalt dat geen afbreuk wordt gedaan aan nationale regels t.a.v. de termijn
waarbinnen uitvoering overeenkomst geen aanvang kan nemen
N.v.t.
1, vierde lid (artikel 16ter, zesde lid)
6:230x lid 4 BW
1, vierde lid (artikel 16ter, zevende lid, onderdeel a)
6:230x lid 1 en 4, onderdeel e, BW, 7:119 lid 2 BW
Lidstaten kunnen het ontbindingsrecht zoals opgenomen in de richtlijn hypothecair
krediet van toepassing verklaren op kredieten die zijn uitgezonderd van de artikelen
van deze richtlijn
Van deze lidstaatoptie wordt geen gebruik gemaakt. Voor kredieten die zijn uitgezonderd
van Richtlijn 2014/17/EU (richtlijn hypothecair krediet) geldt het herroepingsrecht
op grond van artikel 6:230x BW
1, vierde lid (artikel 16ter, zevende lid, onderdeel b)
6:230x lid 1 en 4, onderdeel d, BW, 7:58 lid 2 BW
Lidstaten kunnen het ontbindingsrecht zoals opgenomen in de richtlijn consumptief
krediet van toepassing verklaren op kredieten die zijn uitgezonderd van de artikelen
van deze richtlijn
Van deze lidstaatoptie wordt geen gebruik gemaakt. Voor kredieten die zijn uitgezonderd
van Richtlijn (EU) 2023/2225 (richtlijn consumptief krediet) geldt het herroepingsrecht
op grond van artikel 6:230x BW
1, vierde lid (artikel 16 quater, eerste lid)
6:230y lid 1 BW
1, vierde lid (artikel 16quater, tweede lid)
Behoeft geen implementatie. Betreft een lidstaatoptie
Lidstaten kunnen bepalen dat van consumenten in het geheel geen betaling kan worden
verlangd in geval van ontbinding van een verzekerings- overeenkomst
Van deze lidstaatoptie wordt geen gebruik gemaakt
1, vierde lid (artikel 16quater, derde lid)
6:230y lid 2 BW
1, vierde lid (artikel 16quater, vierde lid)
6:230y lid 3 BW
1, vierde lid (artikel 16quater, vijfde lid)
6:230y lid 4 BW
1, vierde lid (artikel 16quinquies, eerste lid)
77a BGfo
1, vierde lid (artikel 16quinquies, tweede lid)
Behoeft geen implementatie. Betreft een lidstaatoptie
Lidstaten kunnen de reikwijdte van de toelichtingen specificeren en bepalen op welke
wijze die moet worden gegeven
Van deze lidstaatoptie wordt geen gebruik gemaakt
1, vierde lid (artikel 16quinquies, derde lid)
77d BGfo
1, vierde lid (artikel 16quinquies, vierde lid)
6:230w lid 3 BW
1, vierde lid (artikel 16quinquies, vijfde lid)
77, tweede tot en met zesde lid, BGfo
1, vierde lid (artikel 16sexies, eerste lid)
4:25, lid 1 Wft en 81.0a BGfo
1, vierde lid (artikel 16sexies, tweede lid)
Behoeft geen implementatie. Betreft een lidstaatoptie
Strengere regels m.b.t. online-interfaces
Van deze lidstaatoptie wordt geen gebruik gemaakt
1, vijfde lid (artikel 24, zesde lid)
Whc, bijlage, onderdeel a, en artikel 8.2a Whc.+ bijlage, onderdeel b.
1, zesde lid (artikel 29, eerste lid)
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot lidstaten.
1, zevende lid (Bijlage I)
Implementatie via verwijzing naar de bijlage in artikel 6:230n, lid 1, BW
Artikel 2 lid 1
Artikel IV
Artikel 2 lid 2
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel betreft melding door lidstaten
aan Europese Commissie dat artikelen zijn geïmplementeerd.
Artikel 2 lid 3
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot Europese Commissie.
Artikel 3
De betreffende artikelen ter implementatie van richtlijn 2002/65/EG zijn geschrapt.
Betreft intrekking van richtlijn 2002/65/EG
Artikel 4
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Betreft de inwerkingtreding van de richtlijn.
Artikel 5
Behoeft naar zijn aard geen implementatie
Vervallen bepalingen Richtlijn 2002/65/EG
Bepaling Richtlijn 2002/65/EG
Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling
Toelichting
Bijzonderheden
Artikel 1, eerste lid
(doel)
Behoeft geen implementatie
Is niet geïmplementeerd in Nederlandse wet- en regelgeving
Artikel 2, punt g
(definitie exploitant van techniek voor communicatie op afstand)
Behoeft geen implementatie
Is niet geïmplementeerd in Nederlandse wet- en regelgeving
Artikel 3, eerste lid, punt 3, onder e
(informatieplicht ten aanzien van wetgeving aanbieder die als grondslag geldt voor
de totstandbrenging van betrekkingen met de consument voorafgaand aan de overeenkomst)
Artikel 77, eerste lid, onder r, BGfo
Geïmplementeerd in artikel 77, eerste lid onder r, BGfo, nu opgenomen in artikel 16bis
lid 1 onder t, van richtlijn 2023/2673 en kan derhalve worden gehandhaafd
Artikel 3, tweede lid
(wijze van informatieverstrekking)
Behoeft geen implementatie
Destijds geïmplementeerd in artikel 4:19 Wft; bepaling heeft een breder bereik en
dient te worden gehandhaafd
Artikel 3, vierde lid
(overeenstemming tussen precontractuele en informatie en de contractuele verplichtingen
op grond van het toepasselijke recht)
Behoeft geen implementatie
Destijds geïmplementeerd in artikel 4:19 Wft; bepaling heeft een breder bereik en
dient te worden gehandhaafd
Artikel 4, derde lid
(mededeling aan Europese Commissie)
Behoeft geen implementatie
Niet geïmplementeerd in Nederlandse wet- en regelgeving
Artikel 4, vierde lid
(informatieverstrekking door Commissie)
Behoeft geen implementatie
Behoefde destijds geen implementatie / niet geïmplementeerd in Nederlandse wet- en
regelgeving
Artikel 5, tweede lid
(informatieverstrekking wanneer de overeenkomst op verzoek van de consument is gesloten
met gebruikmaking van een techniek voor communicatie waarmee de voorwaarden niet overeenkomstig
lid 1 kunnen worden verstrekt)
Artikel 78, eerste lid, BGfo komt te vervallen
Destijds geïmplementeerd in artikel 78, eerste lid BGfo. Dit artikel komt te vervallen
Artikel 5, derde lid
(recht van consument om contractvoorwaarden tijdens de duur van de overeenkomst op
papier te verlangen én het recht om een ander middel voor communicatie op afstand
te verlangen)
Artikel 80 BGfo komt te vervallen
Destijds geïmplementeerd in artikel 80 BGfo. Dit artikel komt te vervallen
Artikel 6, eerste lid, eerste alinea, tweede zin
(langere herroepingstermijn voor levensverzekeringen)
Artikel 6:230x lid 2 onderdeel a en b BW (nieuw)
Artikel 6:230x lid 2 BW wordt aangepast aan artikel 4:63 Wft (ter implementatie van
artikel 186 richtlijn solvabiliteit II)
Artikel 6, eerste lid, derde alinea
(lidstaatoptie voor beleggingsdiensten)
N.v.t.
Destijds geen gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie
Artikel 6, derde lid
(lidstaatoptie om herroepingsrecht uit te zonderen voor bepaalde overeenkomsten)
Artikel 6:230x lid 4 onderdeel d, e en f BW
Artikel 6:230x lid 4 onderdeel d en f worden gehandhaafd en onderdeel e is aangepast,
o.a. gelet op artikel 16ter, zesde lid, Richtlijn consumentenrechten
Artikel 6, vierde lid
(mededeling aan Commissie)
Behoeft geen implementatie
Behoefde destijds geen implementatie / niet geïmplementeerd in Nederlandse wet- en
regelgeving
Artikel 6, vijfde lid
(handelingen door Commissie ten aanzien van de informatie als bedoeld in lid 4)
Behoeft geen implementatie
Behoefde destijds geen implementatie / niet geïmplementeerd in Nederlandse wet- en
regelgeving
Artikel 6, zesde lid
(tijdige kennisgeving van gebruik herroepingsrecht)
Artikel 6:230x lid 3 BW
Artikel 16ter, derde lid, in Richtlijn consumentenrechten over de tijdelijke kennisgeving
is inhoudelijk gewijzigd t.o.v. artikel 6, zesde lid, Richtlijn 2002/65/EG. Daarop
is artikel 6:230x lid 3 BW aangepast
Artikel 6, zevende lid
(niet van toepassing op de ontbinding van bepaalde kredietovereenkomsten)
Behoeft geen implementatie
Destijds niet geïmplementeerd
Artikel 6, achtste lid
(geen afbreuk aan bepaalde nationale rechten)
Behoeft geen implementatie
Behoefde destijds geen implementatie / niet geïmplementeerd in Nederlandse wet- en
regelgeving
Artikel 7, lid 1, tweede zin (vereiste toestemming van consument voor start overeenkomst)
Artikel 6:230y lid 1 BW (oud)
Thans opgenomen in artikel 6:230y lid 1 BW (oud); dit lid wordt geschrapt
Artikel 9
(niet-gevraagde levering)
Behoeft geen implementatie
Komt overeen met artikel 27 Richtlijn 2011/83/EU, zoals geïmplementeerd in artikel
7:7, tweede lid BW. Artikel 27 wordt van overeenkomstige toepassing verklaard
Artikel 10
(niet-gevraagde mededelingen)
Behoeft geen implementatie
Werd geïmplementeerd door artikel 11.7 Telecommunicatiewet. Dit artikel strekt ook
ter implementatie van artikel 13 Richtlijn burgerrechten (Richtlijn 2009/136). Wordt
dus niet ingetrokken
Artikel 11, tweede alinea
(lidstaatoptie: mogelijkheid voor consumenten om overeenkomsten te alle tijde op te
zeggen zonder kosten als sanctie)
Behoeft geen implementatie
Destijds niet geïmplementeerd, maar gekozen voor stelsel van algemeen verbintenissenrecht
zoals neergelegd in artikel 6:74 en 6:162 BW. Vergt geen wijziging
Artikel 12, tweede lid
(recht van een ander land mag geen afbreuk doen aan bescherming)
Artikel 6:230w lid 4 BW
Thans opgenomen in artikel 6:230w lid 4 BW; dit lid wordt geschrapt
Artikel 13, derde lid
(verplichting om te stoppen met handelen indien strijdig bevonden met de bepalingen
van de richtlijn)
Behoeft geen implementatie.
Werd destijds geregeld door artikelen 3:296, 3:302 en 3:305a – 3:305c BW, artikel
15.1, leden 3 en 4, Telecommunicatiewet en artikelen 51, lid 1, en 60 – 61 Wet bescherming
persoonsgegevens. Intrekking van richtlijn 2002/65/EG brengt geen wijziging in deze
artikelen
Artikel 14
(buitengerechtelijk beroep)
Behoeft geen implementatie
Behoefde destijds geen implementatie / niet geïmplementeerd in Nederlandse wet- en
regelgeving
Artikel 15, eerste alinea
(bewijslast)
Behoeft geen implementatie
Behoefde destijds geen implementatie; bepaling volgt ook deels uit artikel 16 bis,
achtste lid en artikel 16 quinquies, vierde lid, van de Richtlijn consumentenrechten
Artikel 15, tweede alinea
(contractvoorwaarde die bewijslast op consument legt kwalificeert als een oneerlijk
beding)
Artikel 6:230w lid 3 BW (oud)
Thans opgenomen in artikel 6:230w lid 3 BW; dit lid wordt geschrapt.
Artikel 16
(overgangsmaatregelen)
Behoeft geen implementatie
Behoefde destijds geen implementatie
Artikel 17
(wijziging Richtlijn 90/619/EEG)
Behoeft geen implementatie
Thans opgenomen in artikel 4:63 Wft. Betreft implementatie van artikel 186 Solvency
II. Artikel zal worden gehandhaafd.
Artikel 18
(wijziging Richtlijn 97/7/EG)
Behoeft geen implementatie
Behoefde destijds geen implementatie
Artikel 19
(wijziging Richtlijn 98/27/EG)
Behoeft geen implementatie
Behoefde destijds geen implementatie
Artikel 20
(evaluatie)
Behoeft geen implementatie
Behoefde destijds geen implementatie
Artikel 21
(omzetting)
Behoeft geen implementatie
Behoefde destijds geen implementatie
Artikel 22
(inwerkingtreding)
Behoeft geen implementatie
Behoefde destijds geen implementatie
Artikel 23
(Adressaten)
Behoeft geen implementatie
Behoefde destijds geen implementatie
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Heinen, minister van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.