Amendement (gewijzigd/nader/vervangend) : Gewijzigd amendement van het lid Inge van Dijk ter vervanging van nr. 72 over het met een jaar uitstellen van de pseudo-eindheffing
36 812 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026)
Nr. 100 GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN HET LID INGE VAN DIJK TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER
NR. 72
Ontvangen 26 november 2025
De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
I
In artikel IV vervallen de aanhef alsmede de aanduiding «A» voor het eerste onderdeel
en in dat onderdeel wordt «In» vervangen door «In de Wet op de loonbelasting 1964
wordt met ingang van 1 januari 2027 in». Voorts wordt «eerste lid, wordt» vervangen
door «eerste lid,».
II
Artikel IV, onderdeel B, vervalt.
III
Artikel IV, onderdeel C, vervalt.
IV
Artikel V wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de onderdeelsaanduiding «A» geplaatst en in de tekst vervalt
«de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2028 in» en wordt
na «eerste lid,» ingevoegd «wordt».
2. Voor onderdeel A (nieuw) wordt een aanhef ingevoegd, luidende:
De Wet op de loonbelasting wordt met ingang van 1 januari 2028 als volgt gewijzigd:.
3. Er worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:
B
Na artikel 32bb wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 32bc
1. In afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, wordt
de waarde van een door een inhoudingsplichtige aan een of meer werknemers ook voor
privédoeleinden ter beschikking gestelde fossiele personenauto aangemerkt als loon
dat als een eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 12%.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt woon-werkverkeer geacht voor privédoeleinden
plaats te vinden.
3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt verstaan onder:
a. een fossiele personenauto:
een personenauto als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Wet op de belasting
van personenauto’s en motorrijwielen 1992, waarvan niet uit het kentekenregister blijkt
dat de CO2-uitstoot 0 gram per kilometer is;
b. de waarde van een fossiele personenauto:
de catalogusprijs in de zin van artikel 9 van de Wet op de belasting van personenauto’s
en motorrijwielen 1992 vermeerderd met de belasting van personenauto’s en motorrijwielen
ingevolge de artikelen 9 tot en met 9c van die wet, met dien verstande dat de waarde
van een auto die meer dan 25 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, wordt
gesteld op de waarde in het economische verkeer;
c. ter beschikking stellen:
ter beschikking stellen als bedoeld in artikel 13bis, eerste lid.
4. Indien een personenauto slechts een deel van een kalendermaand ook voor privédoeleinden
ter beschikking is gesteld, wordt deze geacht die gehele kalendermaand ook voor privédoeleinden
ter beschikking te zijn gesteld.
5. De verschuldigde belasting, bedoeld in het eerste lid, wordt, in afwijking van artikel 27a,
tweede lid, uiterlijk aangegeven en voldaan tegelijk met de aangifte, onderscheidenlijk
afdracht, over het tweede tijdvak van het volgende kalenderjaar. Ingeval de inhoudingsplicht
is geëindigd in de loop van het kalenderjaar wordt voor het tweede tijdvak van het
volgende kalenderjaar, bedoeld in de eerste volzin, gelezen: het tijdvak waarin de
inhoudingsplicht is geëindigd.
6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de beoordeling of voor
de toepassing van dit artikel sprake is van woon-werkverkeer.
C
Na artikel 39i wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 39j
Artikel 32bc is tot 17 september 2031 niet van toepassing met betrekking tot personenauto’s
die door de inhoudingsplichtige vóór 1 januari 2028 voor het eerst aan een of meer
werknemers ter beschikking zijn gesteld.
VI
In artikel VI wordt «2031» vervangen door «2032».
Toelichting
Weliswaar vallen belastingen niet onder de definitie regeldruk, maar er kan wel degelijk
sprake zijn van verhoogde regeldruk voor ondernemers vanwege hogere administratieve
lasten en nalevingskosten.
Een elektrische auto is duurder dan fossiel en hybride, waardoor zowel werkgevers
als werknemers op kosten worden gejaagd, en het kost de overheid ook geld. Een duurdere
leaseauto betekent hogere nalevingskosten voor de werkgever. De hoge inhoudelijke
nalevingskosten die deze maatregel heeft kunnen vooral een grote impact zal hebben
op MKB-bedrijven. Om deze reden voorzien we dat MKB-ondernemers mogelijk eerder zullen
overstappen naar alternatieven, zoals bijvoorbeeld het verhogen van een kilometervergoeding
of een mobiliteitsbudget. Met een dergelijke overstap geeft de werkgever de controle
over het voertuig van de werknemer uit de hand. Dit kan dus betekenen dat er meer
oudere auto’s in gebruik komen, immers zijn de kosten van een dergelijke auto vaak
relatief laag. Daarmee zou de doelstelling dus een averechts effect hebben op MKB-bedrijven.
Indiener pleit daarom tot een jaar uitstel van de maatregel, zodat alsnog een MKB-toets
en ATR-advies kunnen plaatsvinden. Als met deze toetsen nut en noodzaak niet kan worden
aangetoond en doelen van de regeling niet kunnen worden gehaald, zal sprake zijn van
onnodige regeldruk.
Ook kan een jaar extra uitstel rekening houden met het nog te ontvangen nieuwe, aangescherpte
Europese bronbeleid.
Tot slot vindt indiener het redelijk om ook het overgangsrecht een jaar uit te stellen,
omdat de meeste leasecontracten voor bedrijfsauto’s voor een periode van vijf jaar
worden aangegaan, waardoor leasecontracten die per 1 januari 2026 worden aangegaan
zo veel mogelijk buiten de eindheffing blijven.
Onderdeelsgewijze toelichting
Dit amendement regelt dat het moment van inwerkingtreding van de in artikel IV, onderdeel B,
van het wetsvoorstel opgenomen maatregel om per 1 januari 2027 een pseudo-eindheffing
voor fossiele personenauto’s in te voeren, wordt verschoven naar 1 januari 2028. Het
einde van de in artikel IV, onderdeel C, van het wetsvoorstel opgenomen overgangstermijn
verschuift via dit amendement ook een jaar. De pseudo-eindheffing is daardoor tot
17 september 2031 niet van toepassing als de inhoudingsplichtige de personenauto vóór
1 januari 2028 voor het eerst aan een of meer werknemers ter beschikking heeft gesteld.
In de raming van het per 2027 invoeren van de maatregel wordt in 2026 een anticipatie-effect
verwacht wat voor een budgettaire meeropbrengst zorgt in 2026 en een kleine extra
derving in de jaren 2027 en 2028. Met het uitstellen van de maatregel naar 2028 verschuift
het anticipatie-effect naar 2027 tot en met 2029. Het uitstellen van de maatregel
zorgt voor een derving van € 205 miljoen in 2026 en een meeropbrengst van € 468 miljoen
in 2027 en een derving van € 21 miljoen. Vanaf 2029 kent de maatregel een kleine meeropbrengst
die in 2035 structureel 4 miljoen bedraagt.
Inge van Dijk
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Inge van Dijk, Tweede Kamerlid
Stemmingsuitslagen
Verworpen met handopsteken
| Fracties | Zetels | Voor/Tegen |
|---|---|---|
| D66 | 26 | Tegen |
| PVV | 26 | Voor |
| VVD | 22 | Tegen |
| GroenLinks-PvdA | 20 | Tegen |
| CDA | 18 | Voor |
| JA21 | 9 | Voor |
| FVD | 7 | Voor |
| BBB | 4 | Voor |
| ChristenUnie | 3 | Voor |
| DENK | 3 | Voor |
| PvdD | 3 | Tegen |
| SGP | 3 | Voor |
| SP | 3 | Tegen |
| 50PLUS | 2 | Tegen |
| Volt | 1 | Tegen |