Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de Geannoteerde Agenda Telecomraad 5 december 2025 (Kamerstuk 21501-33-1165)
2025D48267 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Digitale Zaken hebben enkele fracties de behoefte om
enkele vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Economische Zaken
en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brieven
d.d. 18 november 2025 «Geannoteerde Agenda Telecomraad 5 december 2025» (Kamerstuk
21 501-33-1165), d.d. 12 november 2025 «Verslag van de informele Telecomraad van 9 en 10 oktober
2025» (Kamerstuk 21 501-33-1164), d.d. 5 september 2025 «Fiche: Mededeling EU-kwantumstrategie» (Kamerstuk 22 112-4134).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Kathmann
Adjunct-griffier van de commissie,
Muller
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GL-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
II
Antwoord/reactie van de bewindspersoon
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda van de Telecomraad op 5 december. Deze leden delen de doelstelling van het
kabinet met betrekking tot de omnibusvoorstellen: waar mogelijk regeldruk verlagen
maar de doelen van de bestaande regelgeving in stand houden. Zij zien de positieve
kanten, zoals minder cookiebanners, vrijstellingen voor kleinere bedrijven en efficiëntere
governance. Maar de leden van de D66-fractie zien ook de felheid in reacties van maatschappelijke
organisaties en toezichthouders, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens, het College
voor de Rechten van de Mens en Bits of Freedom. Deze leden vragen daarom voornamelijk
hoe het kabinet die reacties weegt.
De leden van de D66-fractie merken op dat het College voor de Rechten van de Mens
aangegeven heeft dat de Digitale Omnibus «zorgelijk» is voor grondrechten. In het
bijzonder noemen deze leden het voorstel om bedrijven niet langer te verplichten toestemming
te vragen voor het gebruik van persoonsgegevens om AI-systemen te trainen en de inzet
van gezichtsherkenning door de politie. Deelt de Minister de zorgen van het College
van de Rechten van de Mens, zo vragen deze leden? Deelt de Minister ook dat het essentieel
is om te onderzoeken hoe versimpeling kan plaatsvinden zonder grondrechten aan te
tasten?
Zij merken tevens op dat de Autoriteit Persoonsgegevens stelt dat de gevolgen van
de digitale omnibus voor burgers, bedrijven en toezichthouders niet zijn onderzocht
door de Europese Commissie. Ook het College voor de Rechten van de Mens stelt dat
er geen impact assessments zijn uitgevoerd. Klopt dat, zo vragen de leden van de D66-fractie?
En gaat dit nog wel gebeuren, zo vragen deze leden? Deelt de Minister de opvatting
van de Autoriteit Persoonsgegevens dat innovatie en rechtsbescherming goed samen kunnen
gaan en vindt de Minister dat er voldoende duidelijke waarborgen zitten in het voorstel
voor de Digitale Omnibus bij het verruimen van de mogelijkheden voor het trainen van
AI-systemen, zo vragen zij?
Ook lezen de leden van de D66-fractie een zeer kritische reactie van Bits of Freedom.
Zij beschrijven daarin dat er weinig overblijft van de huidige juridische waarborgen.
In het bijzonder noemen zij het schrappen van het toestemmingsvereiste bij de ePrivacy-richtlijn,
de versmalling van de definitie van persoonsgegevens, het toestaan dat bijzondere
persoonsgegevens zoals religie, etniciteit, gezondheid en geaardheid gebruikt worden
voor het trainen van AI en het beboeten van gevaarlijke AI-toepassingen. Hoe weegt
de Minister deze maatregelen en vindt de Minister dat hier sprake is van versimpeling?
Hoe ziet de Minister dit ten opzichte van de grondrechten die de burgers beschermen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie benadrukken dat leeftijdsverificatie alleen proportioneel
en per situatie mag worden ingezet. Deze leden vragenhoe de Minister garandeert dat
dit nooit zal uitmonden in een algemene online identificatieplicht die anonimiteit
en privacy aantast. Zij dringen er bij het kabinet op aan dat zij het eerdere verzet
tegen leeftijdsverificatie voortzet. Dit omdat dit volgens hen altijd een vorm van
identificatie vereist en daarmede de deur opent naar een controlestaat, terwijl veiligheidsdiensten
al in staat zijn om bij ernstige strafbare feiten de afzender te achterhalen. Daarnaast
pleiten de leden van de PVV-fractie voor drastische vermindering van EU-regelgeving
om de concurrentiekracht van Nederland te behouden, met behoud van privacy en zonder
maatregelen zoals chatcontrole of willekeurige classificatie van informatie als nepnieuws.
Tot slot waarschuwen deze leden dat het digitale acquis niet dezelfde verstikkende
regelbrij mag worden als de rest van het EU-acquis, en dat digitale regelgeving eenvoudig
moet blijven omdat overheid en ICT vaak problematisch samengaan.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie danken het kabinet voor de onderhavige stukken en hebben
op dit moment geen verdere vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GL-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda.
Deze leden hebben vragen en opmerkingen over deze agenda en andere lopende zaken in
Europees verband. Deze zetten zij punt voor punt uiteen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie steunen logischerwijs de richting van een
toekomstbestendig digitaal beleid. Vooral vraagstukken rondom digitale inclusie en
digitale autonomie verdienen de volle aandacht. Is de Minister van mening dat deze
twee onderwerpen voldoende focus hebben op de Europese agenda? Deze leden geven mee
dat ook duurzame digitalisering een prioriteit hoort te zijn. De toenemende vraag
om rekenkracht en het gebruik van technologie leidt tot meer uitstoot van broeikasgassen
en legt een claim op de ruimtelijke ordening. Kan de Minister toelichten welke rol
duurzame digitalisering heeft binnen de Europese agenda? Is hij bereid om het nationale
Actieplan Duurzame Digitalisering onder de aandacht te brengen in Europees verband,
en te bezien op welke punten met andere EU-lidstaten kan worden opgetrokken?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie uiten hun grote zorgen over het voornemen
om digitale wetgeving te «versimpelen» met de Digitale Omnibus en de Digitale Omnibus
AI. Deze leden zien dit als een regelrechte aanval op grondrechten, die in de digitale
leefomgeving al zwaar onder druk staan. De grootste vraag van de leden is: wie profiteert
er het meeste van de dereguleringsagenda? Zijn dat burgers of zijn dat bedrijven?
Zijn dat mkb’ers, of zijn dat vooral de techgiganten die al steeds meer macht naar
zich toe grijpen? Zij vragen de Minister naar zijn oordeel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat reële problemen rondom
het voldoen aan regelgevingen moeten worden opgelost door regels te verduidelijken,
niet door verplichtingen af te schalen. De wetgeving zelf aanvallen en afzwakken is
niet de juiste route. De Europese Unie is juist sterk doordat zij met scherpe regulering
internationaal de gouden standaard zet voor verantwoord ondernemerschap. Die positie
dreigt nu opgegeven te worden ten goede van grote techbedrijven. Deelt de Minister
deze analyse? De zorgen van deze leden zijn ook verwoord in de schriftelijke vragen
van het lid Kathmann van 17 november jl1. Zij vragen de Minister om deze vragen spoedig te beantwoorden en de appreciatie
op de brandbrieven van het maatschappelijk middenveld te betrekken in de BNC-fiches.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Minister om enkele punten mee te
nemen in het beleidsdebat over regeldrukvermindering. Deze leden wijzen er op dat
het ontbreken van de BNC-fiches omdat de Digitale Omnibussen pas laat openbaar zijn
gemaakt, terwijl er in de Telecomraad al wel over gesproken wordt, het leveren van
een zienswijze bemoeilijkt. Kunt u er in Europees verband op wijzen dat deze aanpassingen
voor Nederland zeer zwaar wegen, en dat het parlement verwacht om tijdig en compleet
geïnformeerd te worden over de vervolgstappen? Kunt u een tijdlijn schetsen van hoe
de Digitale Omnibussen behandeld zullen worden?
Zij achten het onverstandig om de Digitale Omnibussen verder te bespreken, zolang
niet duidelijk is wat de gevolgen zijn voor grondrechten. De leden van de GL-PvdA-fractie
dringen er op aan dat deze worden uitgevoerd en vragen de Minister dit in de Telecomraad
in te brengen. Met name de toegang tot bijzondere persoonsgegevens (art. 9 van de
AVG) voor het trainen van AI baart deze leden zorgen. Onder het mom van het mkb helpen
wordt hiermee een precedent geschept waarmee alle AI-modellen zonder toestemming getraind
kunnen worden op gevoelige persoonsgegevens. Dit staat haaks op de visie van deze
leden én van Nederland dat data toebehoort aan de eigenaar, en dat het streven altijd
moet zijn om burgers zeggenschap te geven over hun gegevens. Onder het privacyrecht
verstaan deze leden ook het recht om zelf te bepalen welke data je wel en niet over
jezelf deelt. Kan de Minister zich inzetten om dit recht te waarborgen? Deze leden
wijzen op enkele gevallen, zoals bij Meta en LinkedIn, waarin gebruikersdata voor
AI-training werd buitgemaakt en de optie om hier niet aan mee te doen bijzonder gebruikersonvriendelijk
was. Zij vrezen dat dit standaard praktijk wordt als de Digitale Omnibus AI toe zal
staan dat zonder toestemming data wordt verzameld voor AI-trainingen. Daarmee worden
gebruikersonvriendelijke methoden gelegitimeerd. Hoe zou dat zich verhouden tot de
verplichting uit de Digitalemarktenverordening (DMA) om altijd toestemming te vragen
voordat data verwerkt mag worden, beschreven in artikel 13, lid 5 van de DMA? Deelt
het kabinet de mening dat het legitimeren van dataverzameling om AI te trainen zonder
toestemming alleen de machtspositie van grote spelers zal consolideren die al op gigantisch
veel data zitten?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben grote zorgen over de verzwakking en
vertraging van de AI-verordening. Zo worden de verplichtingen voor hoog risico AI-systemen
verzwakt. Waarom is dit het geval? Deelt de Minister de mening dat juist deze AI-systemen
met een hoog risico voor de maatschappij snel en streng gereguleerd moeten worden?
Welke gevolgen heeft deze vertraging voor organisaties en bedrijven die nu juist veel
maatregelen hebben genomen, of investeringen hebben gedaan, om netjes aan de regelgeving
te voldoen? Door deze aanpassing van de AI-verordening neemt het risico op discriminatie
en schade toe. Volgens deze leden is dit onacceptabel. Ook worden de documentatie-
en registratieverplichtingen voor AI-systemen afgezwakt. Daarmee worden de systemen
die een steeds grotere rol spelen in de samenleving, minder controleerbaar en transparant.
Hoe gaat de Minister waarborgen dat de EU niet inlevert op deze punten? Gaat dit voor
de Minister een rode lijn over? Kan hij hierbij ook het standpunt van zijn collega’s
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betrekken en de zienswijze van de Autoriteit
Persoonsgegevens en het College voor de Rechten van de Mens, vanwege hun expertise
en inzet op het gebied van rechtsbescherming?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie voorzien dat, door het ter discussie stellen
van digitale regelgeving, lidstaten de Digitale Omnibussen zullen aangrijpen om onder
andere de AI-verordening verder te amenderen en af te zwakken. Dit is gevoelig voor
lobbypraktijken van grote techbedrijven, wat riskant is voor de verplichtingen rondom
mensenrechten en transparantie. Deelt de Minister deze zorgen en kan hij deze inbrengen
in de Telecomraad? Welke moeten lidstaten en de Europese Commissie doen om te voorkomen
dat de Digitale Omnibussen worden gebruikt om al het digitale beleid van de EU ter
discussie te brengen en mogelijk af te zwakken?
Tot slot hebben deze leden opmerkingen over cookies. Zij zijn positief over het afschaffen
van cookiebanners. Wel wijzen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie erop dat dit
burgers moet beschermen tegen online tracking en dat standaard de meest privacyvriendelijke
optie zou moeten worden ingesteld. Deelt de Minister de mening dat mensen online alleen
maar getracked moeten kunnen worden met toestemming en kunt u toezeggen dat Nederland
nooit akkoord gaat met opnemen van de veel bredere grond «legitiem belang» als basis
voor het plaatsen van cookies, wat zou leiden in dat mensen voortaan standaard zonder
toestemming kunnen worden getracked online, bijvoorbeeld voor marketingdoeleinden?
Deze leden hebben overige vragen en opmerkingen over relevante Europese ontwikkelingen.
Zo zijn zij positief over de aangekondigde onderzoeken naar Microsoft en Amazon, om
te bezien of deze als poortwachters aangewezen moeten worden onder de digitalemarktenverordening.
Het opnemen van deze bedrijven onder de DMA is volgens de leden van de GL-PvdA-fractie
een positieve ontwikkeling. Kan de Minister toelichten wat de gevolgen zijn als Microsoft
en Amazon inderdaad gereguleerd zouden (kunnen) worden onder de DMA? Kan dit leiden
tot een eerlijke concurrentie in de Europese cloudmarkt, en voorkomen dat de dominante
machtspositie van deze Amerikaanse bedrijven misbruikt wordt? Is de Minister bereid
om actief bij te dragen aan deze onderzoeken?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met grote interesse kennis genomen
van de EU Cloud and AI Development Act. Deze leden vragen de Minister om de stand
van zaken van deze verordening te beschrijven. Zij zijn benieuwd hoe dit bij zou dragen
aan het ontwikkelen van Europese veilige cloud- en AI-diensten en het eerlijker maken
van de digitale markt door interoperabiliteit te bevorderen. Hoe is Nederland betrokken
bij de ontwikkelingen van deze verordening en ziet de Minister mogelijkheden om in
de Telecomraad aan te dringen op een snelle behandeling van dit voorstel?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie bedanken de Minister en zijn ambtenaren voor
de beantwoording.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda van de Telecomraad op 5 december 2025. Deze leden maken graag van de gelegenheid
gebruik om nog enkele vragen te stellen aan het kabinet.
Zij lezen dat binnen het Europese beleidsprogramma voor het digitale decennium de
EU-lidstaten en de Europese Commissie zich hebben gecommitteerd aan ambitieuze doelstellingen
en streefcijfers op het gebied van digitalisering voor 2030. Het kabinet verwelkomt
de herziening van het beleidsprogramma. Kan het kabinet toelichten op welke manier
de onafhankelijkheid van Big Tech buiten Europa door deze herziening wordt verbeterd,
inclusief de mogelijkheden tot eigen cloud-toepassingen en autonome datacentra in
Europa? Bijvoorbeeld voor kritieke (overheids-)applicaties zoals DigiD, waarvan het
moederbedrijf Solvinity het risico loopt overgenomen te worden door een niet-Europese
partij? En deelt het kabinet de mening om een Taskforce Oneerlijke Concurrentie op
te richten, om te zorgen voor een gelijk speelveld voor ondernemers zodat ook partijen
van buiten Europa zich aan dezelfde regels houden?
De leden van de CDA-fractie vragen hoe snel naar verwachting de raadsconclusies en
herziening van het beleidsprogramma kunnen worden uitgevoerd wanneer deze goedgekeurd
worden in de Telecomraad van 5 december 2025.
Deze leden vragen, nu de Digital Package is gepresenteerd op 19 november, een eerste
reactie van het kabinet. Biedt dit pakket voldoende bescherming richting burgers en
doet het tegelijkertijd een beroep op (grote) bedrijven om op zinvolle wijze hun verantwoordelijkheid
te nemen? Ook vragen zij wat het standpunt van Nederland gaat zijn in dit beleidsdebat
naar aanleiding van het digitale pakket. Is het kabinet van mening dat met dit pakket
inderdaad goede stappen gezet worden om innovaties te versnellen en regeldruk van
digitale wetgeving te verlagen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet van mening is dat kleinere marktdeelnemers,
zoals het mkb, de naleving van de AVG vaak als complex zien en er ruimte is voor betere
uitleg over de toepassing van de AVG. Deze opvatting delen deze leden. Kan het kabinet
aangeven welke lidstaten bij dit Nederlandse standpunt aansluiten, ook op het gebied
van de onafhankelijke opererende toezichthouders en gelet op het eenvoudig kunnen
optreden bij cyberincidenten en datalekken?
Deze leden lezen dat ten aanzien van de centralisatie van rapportageverplichtingen
op Europees niveau het kabinet juridische en praktische uitdagingen ziet. In hoeverre
is de handhaving op orde? Kan het kabinet hier een nadere toelichting op geven?
Zij lezen dat het kabinet zich inzet vanuit de weerbaarheidsopgave bij de verschillende
Europese gremia en samenwerkingsverbanden die tot doel hebben de weerbaarheid in de
EU te vergroten. De leden van de CDA-fractie vragen welke gremia en samenwerkingsverbanden
dit betreft. Gaat dit bijvoorbeeld ook om het onderzoeksprogramma Digital Europe Program?
Ook vragen deze leden aan het kabinet op welke punten Nederland van andere lidstaten
kan leren, bijvoorbeeld op het gebied van cyberveiligheid in het onderwijs, bewustwordingsacties
rondom verstoringen in ons digitale en energienetwerk (blackouts) en verantwoord inzetten
van toepassingen in het mkb.
Deze leden zijn benieuwd naar de consultatie die gehouden zal worden met betrekking
tot de Call for evidence EU Delivery Act. De Nederlandse positie ten aanzien van specifieke
regels voor de postsector over arbeidsomstandigheden en duurzaamheid willen zij daarna
beoordelen, gezien de mogelijkheid dat daar werkbare verbetersuggesties uit naar voren
komen.
Zij danken het kabinet voor het Fiche inzake de Mededeling EU-Kwantumstrategie en hebben hierbij een enkele vraag. De leden van de CDA-fractie zien
de meerwaarde van een uniforme Europese strategie om samenhang aan te brengen binnen
het Europese kwantumlandschap. Gaat het kabinet hier ook specifiek op inzetten wat
betreft de onderhavige kwantumstrategie, en zo ja, op welke manier? Zijn er Europese
lidstaten die een soortgelijk beleid hebben, zoals in Nederland via de Nationale Technologie
Strategie 2024 en zo ja, kunnen lidstaten op dit punt van elkaar leren?
Deze leden lezen dat het kabinet van mening is dat de benodigde EU-middelen gevonden
dienen te worden binnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting
2021–2027 en deze moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting.
Tegelijkertijd zijn de financiële gevolgen van de strategie op dit moment nog onduidelijk.
Wanneer verwacht het kabinet dat deze financiële kaders bekend zijn en zijn andere
lidstaten naar verwachting eens met het standpunt dat een beroep wordt gedaan op de
EU-begroting 2021–2027? Wat is de reden dat het kabinet niet kijkt naar de integrale
afweging van middelen na 2027?
Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractie
De leden van de FVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda van de formele Telecomraad van 5 december 2025, alsmede de onderliggende stukken.
Deze leden constateren dat tijdens deze Raad onder meer een beleidsdebat zal plaatsvinden
over «vereenvoudiging en digitalisering: verlagen van lasten voor bedrijven in het
digitale domein», naar aanleiding van het Digital Package dat de Europese Commissie
op 19 november jl. heeft gepresenteerd. Zij nemen tevens kennis van het feit dat het
kabinet inzet op het principe van omnibusvoorstellen om regeldruk te verlagen.
De leden van de FVD-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat het pakket vooral
gericht is op het «versimpelen van digitale wetgeving» en het «verlagen van de regeldruk».
Deze leden vragen de Minister of hij erkent dat het voorliggende omnibusvoorstel op
dit punt tekortschiet. Het voorstel lijkt namelijk grotendeels te bestaan uit amenderende
wijzigingen en technische herstructureringen, terwijl daadwerkelijke schrapping van
substantieel belastende regels beperkt blijft. Zij vragen de Minister te bevestigen
dat het herschikken of samenvoegen van verplichtingen niet leidt tot daadwerkelijke
verlichting van de administratieve lasten van Europese ondernemers en mkb’ers.
De leden van de FVD-fractie willen benadrukken dat de Europese Unie zich in een mondiale
concurrentiestrijd bevindt, met name op het gebied van digitale technologie en artificiële
intelligentie. Waar de Verenigde Staten een ecosysteem kennen dat wordt gekenmerkt
door ruime innovatieruimte, snelle opschaling en een kapitaalrijk start-upklimaat,
en waar China in hoog tempo strategische investeringen doet in sleuteltechnologieën
zonder de rem van overmatige regelgeving, lijkt de EU zich met het gepresenteerde
Digital Package vooral te richten op het verder dichtregelen van digitale processen.
Deze leden ontvangen dan ook berichten uit het bedrijfsleven waarin wordt aangegeven
dat de voorliggende juridische herschikkingen onvoldoende zullen zijn om de concurrentiekloof
met de VS en China dicht te lopen. Zij vragen de Minister te erkennen dat de EU het
risico loopt om in toenemende mate technologisch afhankelijk te worden van deze grootmachten
wanneer het klimaat binnen de Unie onvoldoende gelegenheid biedt voor innovatie. De
leden van de FVD-fractie vragen de Minister tevens uiteen te zetten hoe hij in de
Raad zal aangeven dat de Europese regelgeving zodanig moet worden vormgegeven dat
innovatie vóór regulering wordt geplaatst, en hoe Nederland gaat waarborgen dat de
Digital Package daadwerkelijk bijdraagt aan het versterken van de Europese concurrentiepositie
in plaats van het vergroten van de kloof met de Verenigde Staten en China.
Deze leden hebben verder kennisgenomen van het voornemen van de Europese Commissie
om als onderdeel van het Digital Package een voorstel te presenteren voor een zogenoemde
«Data Union Strategy». Het is deze leden onduidelijk welk concreet probleem deze Data
Union Strategy zou moeten oplossen dat niet reeds onder de Data Act, de Data Governance
Act of de sectorale dataruimtes valt. Het risico bestaat volgens deze leden dat de
Data Union Strategy opnieuw leidt tot aanvullende verplichtingen voor bedrijven dat
bestaande, zwaarbeladen kaders daadwerkelijk worden opgeschoond. Zij vragen daarom
uiteen te zetten welke meerwaarde deze Data Union Strategy heeft bovenop de reeds
bestaande datawetgeving, of het kabinet bereid is kritisch te bezien of dit voorstel
niet juist nieuwe administratieve lasten introduceert, en hoe wordt voorkomen dat
dit initiatief wederom uitmondt in een verder dichtgeregeld datalandschap dat de innovatiekracht
van Europese ondernemers belemmert in plaats van stimuleert.
Daarbij lezen de leden van de FVD-fractie dat er tijdens de Telecomraad informatie
wordt gedeeld over de European Business Wallet. Deze leden hebben ernstige bedenkingen
bij het voorstel voor een European Business Wallet. Hoewel in het voorstel van de
Commissie te lezen is dat deze wallet de administratieve lasten zou verlagen, vreest
het lid dat het instrument in de praktijk uitmondt in een de facto verplicht Europees bedrijfsidentiteitsmiddel, waarbij «vrijwilligheid» slechts een
papieren begrip is. Zij maken zich ook zorgen dat de Business Wallet een nieuwe digitale
laag toevoegt bovenop bestaande verplichtingen, waardoor de lasten niet verminderen
maar juist toenemen. Daarnaast is onduidelijk welke gegevens in deze wallet terechtkomen,
wie daar toegang toe heeft en hoe wordt voorkomen dat dit instrument op termijn wordt
gebruikt voor verdere centralisatie van bedrijfsinformatie in Brussel. De leden van
de FVD-fractie vragen de Minister daarom uiteen te zetten hoe hij gaat voorkomen dat
de Business Wallet leidt tot een nieuwe administratieve verplichting, hoe wordt geborgd
dat bedrijven die ervoor kiezen het instrument niet te gebruiken niet indirect worden
uitgesloten van aanbestedingen of Europese subsidies, en welke concrete juridische
garanties er zijn dat dit systeem niet via de achterdeur verandert in een verplicht,
gecentraliseerd Europees bedrijfsregister. Tevens vragen deze leden waarom het kabinet
niet inzet op een eenvoudiger alternatief: het daadwerkelijk schrappen van bestaande
verplichtingen, in plaats van het stapelen van digitale oplossingen die het onderliggende
probleem van overregulering niet oplossen.
Voorts nemen de leden van de FVD-fractie kennis van de aankondiging van de Commissie
om een Digital Fitness Check uit te voeren, waarin het volledige digitale acquis wordt
doorgelicht met als doel om de Europese digitale regelgeving te vereenvoudigen. Het
digitale regelgevingslandschap bestaat inmiddels uit een omvangrijke, overlappende
en voor ondernemers vaak onoverzichtelijke verzameling verplichtingen uit onder meer
de AVG, de Data Act, de Cyber Resilience Act, NIS2, ePrivacy en sectorale datakaders.
Deze cumulatie vormt een structurele belemmering voor mkb’ers en innovatieve bedrijven,
die onevenredig worden belast door juridisering en compliance-kosten. Deze leden vragen
de Minister hoe hij ervoor gaat zorgen dat de Fitness Check niet verwordt tot een
papieren exercitie, maar daadwerkelijk wordt gevolgd door het schrappen van overbodige
regels en het beëindigen van dubbeling en inconsistentie binnen het digitale acquis.
Zij vragen de Minister daarnaast of hij er in Brussel voor wil pleiten in de eindrapportage
van de Digital Fitness Check een lijst op te nemen met de meest belastende en innovatiedrukkende
Europese digitale wetgeving voor kleine, middelgrote en grote bedrijven, zodat er
op die manier inzicht komt in de vereenvoudiging van het stelsel. De leden van de
FVD-fractie vragen de Minister bovendien om in de Raad expliciet voor te stellen dat
geen nieuwe digitale wetgeving wordt aangenomen of voorbereid zolang de Fitness Check
niet grondig is uitgevoerd én de uitkomsten daarvan aantoonbaar hebben geleid tot
een substantiële reductie van regeldruk en administratieve lasten. Alleen onder die
voorwaarde kan volgens deze leden worden gewaarborgd dat het Digital Package daadwerkelijk
bijdraagt aan een onder minder administratieve lasten gebukt gaand en dus innovatievriendelijker
digitaal klimaat.
Deze leden merken op dat eventuele risico’s bij het gebruik van AI-systemen vooral
ontstaan in concrete toepassingssituaties, en veel minder bij de ontwikkeling van
de onderliggende technologie. Het reguleren van de ontwikkelfase – zoals verplichtingen
rond databeschrijving, documentatie, logging en risicobeheer nog vóórdat een toepassing
überhaupt is ontworpen – brengt volgens deze leden aanzienlijke risico met zich mee
dat innovatieve bedrijven worden afgeremd nog vóórdat zij hun technologie hebben kunnen
demonstreren of aanscherpen. Dit geldt te meer voor kleinere Europese ontwikkelaars
die niet beschikken over de middelen van Amerikaanse of Chinese marktleiders. Zij
vragen de Minister dan ook of hij bereid is om zich in te zetten voor een gebruik-gebaseerde
AI-regulering, waarin verplichtingen worden gekoppeld aan daadwerkelijke risico’s
in de toepassingspraktijk, in plaats van aan het experimentele ontwikkelproces. De
leden van de FVD-fractie vragen daarnaast hoe de Minister deze verschuiving in EU-verband
gaat bepleiten, en of hij bereid is om in te brengen dat het huidige stelsel van upstream-regulering
– waaronder de high-risk verplichtingen in de AI Act – een fundamentele heroverweging
behoeft om innovatie niet nodeloos te belemmeren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie constateren dat het kabinet het Digital Package verwelkomt
en de nadruk op het reduceren van onnodige en disproportionele regeldruk. Kan de Minister
specificeren hoe hij tijdens het beleidsdebat de nadruk zal leggen op de noodzaak
om praktische instrumenten, formats en hulpmiddelen te bieden die de nalevingslast
specifiek voor overheden en MKB effectief verminderen? Kunt u per dossier (AI Act,
DSA/DMA, GDPR/ePD, platform-regelgeving, datawetgeving) aangeven welke onderdelen
Nederland actief wil vereenvoudigen, pauzeren of herzien tijdens de onderhandelingen
over het Omnibus-pakket?
Deze leden zien dat de Nederlandse positie erkent dat met name kleinere marktdeelnemers
(mkb) de naleving van de AVG vaak als complex ervaren. Welke acties zal de Minister
in Europees verband ondernemen om ervoor te zorgen dat onafhankelijke toezichthouders,
zoals de EDPB, voortvarend werken aan het ontwikkelen van praktische richtsnoeren,
bijvoorbeeld door duidelijkheid te geven over wanneer een DPIA (data protection impact
assessment) niet vereist is, om op die manier de zorgen over de naleving weg te nemen?
Het kabinet ziet juridische en praktische uitdagingen bij de centralisatie van rapportageverplichtingen
op Europees niveau en benadrukt het belang van het behoud van rapportagestructuren
op nationaal niveau en het waarborgen van de uitsluitende verantwoordelijkheid van
lidstaten voor nationale veiligheid. Deze leden vragen hoe de Minister er tijdens
het debat voor zal zorgen dat stroomlijning van cyberwetgeving (zoals NIS2 en CER)
daadwerkelijk leidt tot lagere administratieve lasten, zonder dat dit ten koste gaat
van de nationale regie en effectiviteit van de incidentenrapportage.
Het kabinet heeft in zijn reactie op de call for evidence voor de EU Delivery Act
gepleit voor maximale deregulering en meer flexibiliteit voor lidstaten, met het argument
dat marktwerking toereikend is voor de pakketmarkt en dat het publieke belang afneemt.
Zij vragen hoe de Minister waarborgt dat dit streven naar maximale deregulering niet
leidt tot fragmentatie van de postinterne markt of dat kwetsbare groepen en afgelegen
bestemmingen risico lopen op verminderde toegang tot postdiensten, gelet op de zorgen
die de Commissie hierover uitsprak.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de Nederlandse inzet is om geen meerwaarde
te zien in specifieke EU-regels over arbeidsomstandigheden of duurzaamheid voor de
postsector, omdat dit nationale bevoegdheden betreft of horizontale regels voldoende
zouden zijn. Hoe rijmt de Minister deze visie met de mogelijke sociale gevolgen van
de modernisering van het postacquis, zoals de mogelijke afname van werkgelegenheid
bij universele dienstverleners? Kan de Minister toelichten of hij vreest dat Europese
regels over arbeidsomstandigheden de concurrentiepositie van Nederlandse postbedrijven
onnodig zullen verzwaren?
Het kabinet heeft zich gecommitteerd aan verdere Europese actie tegen verslavende
algoritmen en ontwerptechnieken in digitale diensten via de voorgestelde Digital Fairness
Act (DFA), en bepleit onder andere een verbod op betaalde loot boxes en regulering
van pay-to-win mechanismen. Hoe zal de Minister garanderen dat deze nieuwe reguleringsvoorstellen
(DFA), die specifieke juridische leemtes willen opvullen, niet leiden tot nieuwe bureaucratische
lasten of inconsistenties die het doel van de vereenvoudiging van het digitale acquis
(de Omnibus) ondermijnen, zo vragen deze leden?
De leden van de BBB-fractie zien dat in de Nederlandse positie wordt gewezen op het
belang van dynamische instrumenten om risico’s te mitigeren, zoals de nationale bevoegdheid
om in uiterste gevallen een digitaal product of dienst bij een NIS2-organisatie te
verbieden als er risico’s voor de nationale veiligheid zijn. Ziet de Minister mogelijkheden
om dit soort nationale instrumenten voor het vergroten van de cyberweerbaarheid te
delen als «best practice» in de Raad, en zal hij zich inzetten om de integratie van
cybersecurity-by-design en de weerbaarheid van toeleveringsketens als topprioriteit
binnen het digitale beleid te verankeren?
Het kabinet benadrukt dat digitale weerbaarheid een belangrijk onderdeel is van de
bredere maatschappij-brede aanpak tegen militaire en hybride dreigingen. Kan de Minister
aangeven hoe de uitwisseling van geleerde lessen over grootschalige cyberaanvallen,
die in de besloten Raad plaatsvindt, zal bijdragen aan het beter beschermen van vitale
processen en de veerkracht van de bredere nationale infrastructuur?
Deze leden constateren dat de Europese Commissie een Omnibus-voorstel voor vereenvoudiging
van digitale wetgeving heeft gepresenteerd. Hoe beoordeelt u de constatering van diverse
lidstaten, CEO’s en brancheorganisaties dat dit voorstel op dit moment «niet meer
dan een eerste stap» is en onvoldoende bijdraagt aan het dichten van de Europese concurrentiekloof?
Waarom wijkt de Nederlandse inzet in de recente non-paper af van de richting die de
Kamer heeft gevraagd in de moties Martens en Vermeer (Kamerstuk 21 501-30), en Vermeer (Kamerstuk 26 643-1416)? Kunt u toelichten waarom het kabinet tegelijkertijd wél grotendeels aansluit bij
de richting van de motie Kathmann (Kamerstuk 32 761-324), die door de Kamer is verworpen? Hoe duidt u de reactie van de CCIA, waarin wordt
gesteld dat de EU «veel gedurfder» moet optreden om de digitale regels te herzien,
met name rond AI en privacy? Bent u bereid deze kritiek in te brengen in de Telecomraad?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Telecomraad van 5 december 2025. Deze leden hebben nog enkele vragen.
Zij lezen dat er tijdens de Telecomraad een beleidsdebat zal plaatsvinden over het
verlagen van lasten voor bedrijven in het digitale domein. De leden van de SGP-fractie
vragen het kabinet hoe zij de constatering beoordeelt dat de AVG-doelstellingen uit
artikel 1 van de AVG uitsluitend bescherming van natuurlijke personen omvatten, en
niet expliciet de bevordering van innovatie, proportionaliteit of economische uitvoerbaarheid,
waardoor deze belangen slechts impliciet, en daardoor onvoldoende, worden meegewogen
door toezichthouders.
Voorts vragen deze leden het kabinet of zij bereid is zich in te zetten voor een herformulering
of aanvulling van art. 1 AVG of de considerans, zodat innovatiebevordering en proportionaliteit
uitdrukkelijk tot de doelstellingen van de verordening worden gerekend. Kan het kabinet
uiteenzetten welke ruimte de AVG momenteel laat voor toezichthouders om expliciet
rekening te houden met proportionaliteit en innovatie (o.a. art. 57–58 AVG), en of
het wenselijk is deze ruimte middels de Digital Omnibus explicieter te codificeren?
Is het kabinet bereid om in EU-verband te pleiten voor een wettelijke innovatieopdracht
voor toezichthouders, mede om te voorkomen dat handhaving de facto tot een restrictieve
interpretatie van rechtmatigheid en risico leidt?
De leden van de SGP-fractie lezen dat een systematische herziening van hoofdstuk V
van de AI act ontbreekt. Deze leden vragen het kabinet hoe zij deze leemte beoordeelt,
mede gezien de signalen dat het hoofdstuk redundant is geworden door latere artikelen
en aanpalende regelgeving (zoals het GPAIM-regime). Zo vragen zij of het kabinet het
juridisch houdbaar en wenselijk acht om een risicobenadering te introduceren die uitgaat
van «risk-by-use» in plaats van «risk-by-development», zoals aanbevolen door diverse
Europese adviesorganen.
Hoe duidt het kabinet de reikwijdte van het tijdelijke uitstel van de hoogrisicoverplichtingen
tot 2027 in relatie tot openstaande vragen omtrent geharmoniseerde normen, GPAIM-specificaties
en toezichtcapaciteit?
De leden van de SGP-fractie vragen het kabinet of zij bereid is zich in te zetten
voor een expliciete aanpassing van de AI Act waarin een innovatie-en-proportionaliteitsopdracht
voor markttoezichthouders wordt verankerd.
Deze leden constateren dat een aantal moties aangaande de AI-omnibusact niet is meegenomen
in het kabinetsstandpunt dienaangaande. Zij vragen het kabinet aan te geven waarom
er nu voor wordt gekozen om elementen uit de verworpen motie-Kathmann (Kamerstuk 32 761-324) te betrekken in de Nederlandse inzet bij de Telecomraad, terwijl onderdelen uit
de aangenomen moties Martens en Vermeer (Kamerstuk 21 501-30), en Vermeer (Kamerstuk 26 643-1416) niet of slechts gedeeltelijk worden uitgevoerd. De leden van de SGP-fractie vragen
het kabinet of zij bereid is te bevestigen dat de uitvoering van aangenomen moties
leidend behoort te zijn bij het formuleren van de Nederlandse inzet, en indien dit
niet gebeurt, welke juridische en procedurele toets daaraan ten grondslag ligt. Zij
vragen derhalve het kabinetsstandpunt te conformeren aan de aangenomen Kamermoties.
De leden van de SGP-fractie lezen dat het kabinet het principe van omnibusvoorstellen
als middel om regeldruk te verlagen, wetgeving te stroomlijnen en uitvoerbaarheid
te verbeteren ondersteunt. Tegelijkertijd wil het kabinet de Commissie op het belang
wijzen van het uitvoeren van gedegen impact assessments en het belang van het overeind
houden van de doelen van wet- en regelgeving. Deze leden vragen het kabinet hoe zij
de Digital Omnibus-voorstellen beoordeelt in termen van systematische vereenvoudiging
van Unierecht, in het bijzonder het bundelen van meerdere data-instrumenten tot één
Datawet en het integreren van cookieregels in de AVG?
De leden van de SGP-fractie zijn verbaasd over het feit dat het Nederlandse non-paper
kiest voor een beperktere en minder ambitieuze lijn dan de voorstellen van de Commissie,
terwijl de Digital Omnibus beoogt om rechtszekerheid en harmonisatie te vergroten.
Deze leden vragen het kabinet hierop te reflecteren. Voorts vragen zij het kabinet
of zij de introductie van een single-entry-point voor incidentmeldingen juridisch
uitvoerbaar acht in relatie tot sectorspecifieke verplichtingen (NIS2, DORA, GDPR).
Is zij bereid dit instrument actief te steunen?
De leden van de SGP-fractie vragen het kabinet of zij de analyse deelt dat de rechtsgrondslagen
in de UCPD, CRD, AVG, DSA/DMA en AI Act reeds voldoende basis bieden voor het optreden
tegen «dark patterns», en dat nieuwe wetgeving risico’s creëert op normatieve overlap,
inconsistentie en verdere fragmentatie.
Deze leden lezen dat het Nederlandse non-paper pleit voor nieuw regulerend optreden
op dit terrein, terwijl de Commissie zelf ruimte ziet voor harmonisatie via richtsnoeren,
CPC-coördinatie en handhavingsverbeteringen. Zij vragen het kabinet hierop te reflecteren
en dit punt in het non-paper te herzien en hierbij in te gaan op: uniforme EU-richtsnoeren
voor interpretatie van bestaande bepalingen; versterkte grensoverschrijdende CPC-handhaving;
beperking van nieuwe wetgeving tot daadwerkelijk geconstateerde lacunes in de UCPD
(Unfair Commercial Practices Directive).
De leden van de SGP-fractie constateren dat de oproep van Draghi dat de EU zonder
deregulering en harmonisatie onvoldoende productiviteitsgroei realiseert om het Europese
economische en sociale model te behouden onvoldoende naar voren komt in het Nederlandse
non-paper. Deze leden vragen te reflecteren op deze oproep en het non-paper zo te
herzien zodat het wél voldoet aan deze oproep. Zij vragen het kabinet voorts of zij
de Nederlandse positie verenigbaar acht met de beginselen van evenredigheid, subsidiariteit
en goede regelgeving (art. 5 VEU) en het feit dat Nederland via de non-paper een minder
ambitieuze lijn hanteert dan de Commissie, terwijl het mkb en startups hierdoor disproportioneel
worden belast.
Tot slot vragen de leden van de SGP-fractie of het kabinet bereid is zich in de Telecomraad
uit te spreken voor een versterking en geen verzwakking van de Digital Omnibus, in
lijn met de aanbevelingen van het Draghi-rapport. Voorts verzoeken deze leden het
kabinet om bij voorstellen rondom de digitale omnibus rechtszekerheid, proportionaliteit
en innovatie expliciet te borgen in het Nederlandse kabinetsstandpunt.
II Antwoord/reactie van de bewindspersoon
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.C. Kathmann, voorzitter van de vaste commissie voor Digitale Zaken -
Mede ondertekenaar
S.R. Muller, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.