Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Nader verslag
36 744 Wijziging van de Werkloosheidswet en enige andere wetten vanwege aanpassing van de Regeling dienstverlening aan huis (Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis)
Nr. 8 NADER VERSLAG
Vastgesteld 25 november 2025
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend
onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft naar aanleiding van de op 8 september
2025 ontvangen nota naar aanleiding van verslag (Kamerstuk 36 744, nr. 6) besloten tot het uitbrengen van een nader verslag over het wetsvoorstel.
Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende
door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het
wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
blz.
I
Algemeen
1
1.
Inleiding
2
2.
Hoofdlijnen van het voorstel
4
3.
Verhouding tot ander recht
6
4.
Gevolgen voor de werknemer, werkgever, arbeidsmarkt, regeldruk, en Caribisch Nederland
6
5.
Financiële gevolgen voor het Rijk
13
6.
Consultatie, adviezen en uitvoering
13
I Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met zorg kennisgenomen van de voorgenomen inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
per 1 januari 2026.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en de nota naar aanleiding van het verslag.
Deze leden hebben nog een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de
Werkloosheidswet en enige andere wetten in verband met de aanpassing van de Regeling
dienstverlening aan huis en hebben voorts een aantal vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden maken zich zorgen over de gevolgen
hiervan voor het instrument persoonsgebonden budget (pgb) als volwaardig alternatief
voor de zorg in natura en hebben daarover een aantal vragen.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel en hebben naar aanleiding
daarvan een aantal vragen.
De leden van de BBB-fractie zijn geschrokken van de grote onrust die de voorgenomen afschaffing van de Regeling
dienstverlening aan huis (Rdah) heeft veroorzaakt onder pgb-houders en hun zorgverleners.
Deze leden ontvangen signalen van mensen die zich ernstig zorgen maken over hun zorg,
hun financiële situatie en de continuïteit van bestaande arbeidsrelaties. Juist deze
groep verdient stabiliteit en duidelijkheid.
De leden van de SGP-fractie hebben zich de afgelopen tijd nader verdiept in dit wetsvoorstel en met name de consequenties
daarvan voor budgethouders en zorgverleners. Deze leden maken zich hierover grote
zorgen en stellen daarom graag een aantal aanvullende vragen in dat kader.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggend wetsvoorstel en de zorgen die er leven onder
budgethouders en zorgverleners. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruik
om inbreng te leveren op het nader verslag.
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis en hebben
hierover nog enkele vragen en opmerkingen. Deze leden benadrukken dat deze wet absoluut
noodzakelijk is om de positie van pgb-zorgverleners te verbeteren. Deze zorgverleners
doen belangrijk werk en verdienen dan ook toegang te hebben tot sociale zekerheid,
net zoals andere werknemers.
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie constateren dat verschillende uitvoeringsorganisaties hun ICT-systemen inmiddels
al volledig hebben ingericht op inwerkingtreding van het wetsvoorstel per 1 januari
2026, waardoor de parlementaire behandeling feitelijk onder grote druk komt te staan.
Deze leden vragen de regering hoe dit zich verhoudt tot de rol van het parlement.
Welke afwegingsruimte bestaat er in de praktijk nog als systemen al zijn dichtgetimmerd
voordat de Kamer haar werk kan afronden? Deze leden vinden het onwenselijk indien
uitvoeringsproblemen bij de overheid op het gebied van ICT zwaarder zouden wegen dan
uitvoeringsproblemen bij de mensen zelf die te maken hebben met deze wet in hun dagelijks
leven. Graag horen deze leden hoe de regering deze zorgen wegneemt.
De leden van de VVD-fractie hebben vragen naar de aanleiding van dit wetsvoorstel. Er wordt verwezen naar één
specifieke uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Kan de regering aangeven
in hoeverre dit een structureel probleem betreft? Welk percentage van de werknemers
ervaart de huidige rechtspositie als problematisch? Is hierover (representatief) onderzoek
verricht?
De leden van de CDA-fractie constateren dat de uitspraak van de CRvB, die de aanleiding is voor dit wetsvoorstel,
gaat over gelijke behandeling van vrouwen. Deze leden maken zich echter zorgen over
gevolgen voor mensen met een chronische ziekte of handicap, voor wie het instrument
pgb essentieel is om deel te kunnen nemen aan de samenleving. Deze leden vragen om
een reflectie van de regering op hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot het Verenigde
Naties (VN-)verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. In hoeverre kan
Nederland daaraan voldoen aan het verdrag als dit wetsvoorstel doorgang vindt? Ziet
de regering net zoals deze leden dat de verhoogde werkgeverslasten, die als gevolg
van dit wetsvoorstel zullen optreden, op gespannen voet staan met het waarborgen van
het voortbestaan van het instrument pgb als volwaardig alternatief voor zorg in natura?
De leden van de CDA-fractie merken op dat bij de opzet van dit wetsvoorstel gekozen
is om alle uitzonderingen uit de Rdah voor pgb-zorgverleners die minder dan vier dagen
per week werken te laten vervallen, terwijl de uitspraak van de CRvB een beperktere
strekking heeft, die ziet slechts op de uitzondering voor de werknemersverzekeringsplicht.
Deze leden vragen een uitgebreidere onderbouwing waarom de regering heeft geopteerd
om alle uitzonderingen te schrappen.
De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre budgethouders met financiering uit
de Zorgverzekeringswet (Zvw) gebruik maken van de mogelijkheid om salarisadministratie
uit te laten voeren door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Wat is hierbij de verhouding
tussen wel- en niet-gebruik van deze mogelijkheid? En om hoeveel budgethouders gaat
dit?
De leden van de SGP-fractie vragen naar de voorgenomen inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2026. Deze leden
zijn van mening dat het uitvoeringstechnisch niet realistisch is deze wijzigingen
per 1 januari 2026 in te laten gaan. Gelet op de zorgen bij de doelgroep is het raadzaam
nu duidelijkheid te verschaffen over de inwerkingtreding. Daarom vragen deze leden
de inwerkingtreding voorlopig uit te stellen tot 1 juli 2026, zodat er een gedegen
wetsbehandeling en voorbereiding van de inwerkingtreding kan plaatsvinden waarin deze
zorgen worden geadresseerd. Is de regering hiertoe bereid? Zo nee, waarom niet?
De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat de aanleiding voor het wetsvoorstel een uitspraak van de Centrale Raad
van Beroep is over de vraag of zorgverleners met een arbeidsovereenkomst die betaald
worden uit een pgb, verplicht verzekerd moeten zijn voor de Werkloosheidswet (WW).
Volgens de CRvB is dit het geval. Deze leden merken vervolgens in het wetsvoorstel
op dat niet alleen de bepalingen rond de WW worden gewijzigd, maar ook aangaande andere
socialezekerheidswetten zoals de Ziektewet, Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen
(WIA) en verlofregelingen conform de Wet arbeid en zorg (WAZO). Kan de regering nader
toelichten waarom bij deze codificatie van jurisprudentie gekozen is voor een ruimere
invulling? Deze leden stellen deze vraag nadrukkelijk ook gezien het feit dat de CRvB
in het verleden over vergelijkbare casuïstiek anders geoordeeld heeft.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om een helder overzicht te
geven van de huidige werkgeversverplichtingen van pgb-budgethouders en de toekomstige
werkgeversverplichtingen van pgb-budgethouders conform voorliggend wetsvoorstel. Acht
de regering deze werkgeversverplichtingen passend en proportioneel bij de rol, positie
en verantwoordelijkheid van pgb-budgethouders?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om de tegenstrijdige uitspraken
van de CRvB op dit punt nader te duiden. Zijn wetgeving of verdragen waar door de
appelanten een beroep op wordt gedaan in de tussentijd gewijzigd waardoor de CRvB
tot een ander oordeel is gekomen?
2. Hoofdlijnen van het voorstel
De leden van de VVD-fractie constateren dat dit wetsvoorstel voorziet in een verplichte afdracht van premies
uit het pgb-budget. Wat is de verwachte opbrengst aan premie-inkomsten als gevolg
van dit wetsvoorstel? Kan de regering tevens inzicht geven in het budget dat beschikbaar
is om deze extra kosten te compenseren?
De leden van de CDA-fractie constateren dat de regering herhaaldelijk naar de SVB verwijst voor ondersteuning
van budgethouders bij hun nieuwe in dit wetsvoorstel voorziene rol als volledig werkgever.
Deze leden vragen om een nadere toelichting bij wie budgethouders terecht kunnen met
flankerende vragen rondom hun nieuwe rol als volwaardig werkgever. Wordt dit volledig
bij de SVB belegd, of zijn er ook andere opties (bijvoorbeeld gemeenten) voorzien?
En zo ja, hoe worden andere partijen daarin ondersteund?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering inschat dat de betekenis van het
vervallen van de uitzondering rondom scholing beperkt is. Deze leden lezen dat scholing
in sommige gevallen betaald zou kunnen worden uit het pgb. Deze leden vragen of er
gevallen te voorzien zijn waarin de scholing niet uit het pgb betaald zou kunnen worden
en voor rekening zal komen van de pgb-houder. Kunnen daar voorbeelden van gegeven
worden, zo vragen deze leden. Ook vragen deze leden of de pgb-houder verplicht wordt
om de voor de scholing benodigde tijd te vergoeden als ware het een gewerkte dag betreft.
De leden van de CDA-fractie lezen dat ook de regels ten aanzien van ontslag zullen
veranderen. Deze leden lezen daarbij ook dat wanneer dit uitmondt in een procedure
en er daarna nog vergoedingen verschuldigd zijn, er gekeken wordt of deze redelijkerwijs
voor rekening van de budgethouder kunnen komen en dat dit in de praktijk zoveel mogelijk
beperkt wordt. Deze leden vragen hoe dit in de praktijk zo veel mogelijk beperkt zal
worden en wie daar verantwoordelijk voor is.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering stelt dat de betekenis van het vervallen
van de uitzondering op de Wet Flexibel Werken vermoedelijk gering is. Deze leden vragen
of er ondersteuning beschikbaar is voor pgb-houders die met verzoeken onder de Wet
Flexibel Werken te maken krijgen en, indien ja, hoe die ondersteuning georganiseerd
is. Voorts vragen deze leden of de regering nader kan onderbouwen waarom het betreffende
wetsartikel volgens de regering van minimale betekenis in de praktijk is.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de inwerkingtreding van het wetsvoorstel
voorzien is op 1 januari 2026 en dat de regering heeft verzocht om een spoedige behandeling
in de Staten-Generaal. Deze leden merken daarbij op dat naar oordeel van deze leden
dit een bijzonder korte aanlooptermijn biedt voor een wetsvoorstel dat zeer ingrijpende
gevolgen zal hebben voor pgb-houders. Deze leden vragen een uitgebreide toelichting
waarom de regering streeft naar inwerkingtreding per 1 januari 2026. Deze leden vragen
ook waarom er naar oordeel van de regering niet gewacht kan worden tot bijvoorbeeld
1 januari 2027. Tot slot vragen deze leden ook hoe de regering kijkt tegen eventueel
overgangsrecht.
De leden van de JA21-fractie lezen dat de loondoorbetaling bij ziekte als gevolg van dit wetsvoorstel voor alle
pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst naar twee jaar gaat, waar dat voor pgb-zorgverleners
met een arbeidsovereenkomst van minder dan vier dagen nu nog zes weken is. In paragraaf 4.2.1
wordt hierop nader ingegaan, evenals in het overzicht van individuele reacties. Hierbij
wordt aangegeven dat budgethouders worden gecompenseerd voor de loonkosten van uitgevallen
pgb-zorgverleners zodat de zorgverlening door een ander kan worden gecontinueerd.
Deze compensatie wordt echter niet verstrekt bij verwijtbaar handelen van de budgethouder.
Kan de regering dit nader toelichten, evenals de gevolgen hiervan voor de zorgverlening
voor de betreffende budgethouder?
In paragraaf 2.1 lezen de leden van de JA21-fractie dat wordt aangegeven dat het doel
van het wetsvoorstel tweeledig is: ervoor zorgen dat er niet langer sprake is van
(een risico op) indirecte discriminatie van vrouwen en het in lijn brengen van wet-
en regelgeving met de uitspraak van de CRvB. Hierbij wordt aangegeven dat de uitspraak
van de CRvB weliswaar formeel alleen betrekking heeft op de WW, maar dat de argumentatie
door te trekken is naar alle werknemersverzekeringen en de overige uitzonderingen
in de Rdah. Deze leden vragen of de regering inhoudelijk onderschrijft dat er momenteel
sprake is van (een risico op) indirecte discriminatie van vrouwen. Daarnaast vinden
zij de toelichting op de overwogen alternatieven in paragraaf 2.3 summier wanneer
de aanzienlijke (praktische) gevolgen van dit wetsvoorstel in ogenschouw worden genomen.
Graag vernemen deze leden concreter waarom gekozen is voor deze reikwijdte van het
wetsvoorstel in reactie op de uitspraak van de CRvB (waarvan de regering zelf aangeeft
dat deze verder gaat dan de reikwijdte van de uitspraak), en of de regering ook andere
routes of reacties heeft overwogen in reactie op deze uitspraak. Zo ja, welke alternatieve
stappen en waarom is hier uiteindelijk niet voor gekozen? En zo nee, waarom niet?
De leden van de SGP-fractie vragen de regering of het klopt dat het enkele feit dat er meer vrouwen werkzaam
zijn in de pgb-sfeer betekent dat er sprake zou zijn van indirecte discriminatie.
Hoe beoordeelt de regering deze redenering? En ziet zij dat, geredeneerd vanuit de
oorspronkelijke bedoeling van de wetgever, er sprake is van een legitiem, proportioneel
doel, namelijk het creëren van een verlicht regime voor budgethouders? In hoeverre
is doel en achtergrond van de regeling verdisconteerd in de voorgestelde aanpassing?
Graag een reflectie hierop.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering of ook is verkend hoe een apart lichter
regime voor budgethouders in stand kan worden gehouden. Zo nee, waarom niet? Zo ja,
kunnen de uitkomsten daarvan gedeeld worden met de Kamer inclusief de redenen waarom
hiervoor niet is gekozen?
De leden van de SGP-fractie vragen de regering waarom er niet voor is gekozen te werken
met een geleidelijke overgang, zoals gesuggereerd door de SVB-Cliëntenraad.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om nadere informatie te verschaffen over de doelgroep die dit
wetsvoorstel (en de uitspraak van de CRvB) raakt. Wat voor kenmerken hebben deze pgb-zorgverleners?
Voor hoeveel van deze zorgverleners is het pgb de belangrijkste bron van inkomen?
Hoeveel van deze pgb-zorgverleners zijn naar verwachting familieleden van de pgb-budgethouder?
Hoe verhoudt de omvang van deze groep zich tot het totaal aantal zorgverleners die
informele of formele zorg verlenen via een pgb? Hoe is de verhouding tussen overeenkomsten
van opdracht en arbeidsovereenkomsten?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om een nadere beschouwing
op de ontwikkelingen rond het informeel pgb. De afgelopen jaren zijn er (onder meer
door uitspraken van de CRvB) veranderingen geweest waardoor de werknemersrol van informele
pgb-zorgverleners steeds meer is benadrukt. Herkent de regering deze ontwikkeling?
Hoe ziet zij deze ontwikkeling in het licht van het oorspronkelijke doel van het informele
pgb? Ziet de regering het risico dat het verschil tussen een informeel en formeel
pgb steeds meer vervaagt door deze verdere arbeidsrechtelijke ontwikkeling?
3. Verhouding tot ander recht
4. Gevolgen voor de werknemer, werkgever, arbeidsmarkt, regeldruk, en Caribisch Nederland
De leden van de D66-fractie hebben met name zorgen over budgethouders in de Zvw die nu al maximaal declareren.
De signalen zijn nu luid en duidelijk: een grote groep budgethouders komt door deze
wijziging in de knel. Aan hen wordt door uitvoerders geadviseerd om de beloning aan
zorgverleners te verlagen, mensen te ontslaan of hen te dwingen om als zelfstandige
zonder personeel (zzp’er) te gaan werken. Deze leden vragen de regering wanneer deze
signalen bij de regering bekend werden en welke actie daarop is ondernomen. Is de
regering bereid een onafhankelijk bureau onderzoek te laten doen naar toereikende
tarieven uitgaande van de collectie arbeidsovereenkomst (cao) met relevante ophogingen
en werkgeverslasten? Daarnaast vragen deze leden of zij deze «oplossingen» acceptabel
acht, aangezien deze feitelijk neerkomen op een verslechtering van de zorgrelatie
en de continuïteit van zorg. In hoeverre weegt de regering hier uitvoerbaarheid voor
de systemen en organisaties zwaarder dan uitvoerbaarheid voor budgethouders en cliënten?
De leden van de D66-fractie vragen voorts waarom zo veel budgethouders pas deze maand
zijn geïnformeerd over deze wetswijziging en de grote financiële gevolgen daarvan.
Hoe heeft dit mis kunnen gaan, en hoe wordt voorkomen dat pgb-houders hierdoor voor
een voldongen feit komen te staan?
De leden van de D66-fractie vragen met betrekking tot de Zvw waarom er nog geen oplossing
is ontwikkeld met zorgverzekeraars, terwijl de invoeringsdatum al op zeer korte termijn
ligt. Is de regering bereid een overgangstermijn van één of twee jaar te hanteren,
zodat met verzekeraars kan worden gewerkt aan een structurele oplossing? Kan daarbij
worden bezien of de maximumtarieven van verzekeraars kunnen worden verhoogd richting
het maximumtarief dat het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) zelf
hanteert?
Voor budgethouders in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) wordt 1,8 miljoen euro
toegevoegd aan het gemeentefonds. De leden van de D66-fractie vragen echter welke
afspraken zijn gemaakt om zeker te stellen dat deze middelen ook daadwerkelijk worden
ingezet om de extra kosten voor budgethouders te dekken. Welke waarborgen heeft de
regering dat dit geld niet opgaat in de algemene financiële problematiek van gemeenten?
De leden van de D66-fractie vragen of het realistisch en uitvoerbaar is dat het wetsvoorstel
uitgaat van individuele oplossingen voor budgethouders die te maken krijgen met hogere
kosten, nu het om een vrij omvangrijke groep lijkt te gaan. Over hoeveel mensen gaat
het precies? En is hier voldoende budget voor gereserveerd? Zo niet, welke alternatieven
overweegt de regering?
De leden van de D66-fractie benadrukken dat pgb en zorg in natura altijd gelijkwaardige
routes dienen te zijn, juist omdat een pgb soms beter passende zorg mogelijk maakt.
Er worden echter al langer drempels opgeworpen die het gebruik van pgb’s ontmoedigen.
Als nu ook de ICT-systemen van uitvoerders niet op orde zijn, vrezen deze leden dat
dit wetsvoorstel in de praktijk de genadeslag wordt voor veel pgb-houders. Hoe borgt
de regering dat budgethouders niet worden weggezet als onvoldoende pgb-vaardig doordat
systemen hen in de steek laten?
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast op welke wijze budgethouders tijdig en
volledig worden geïnformeerd. Voor Wet langdurige zorg (Wlz) en Zvw lijkt dit nog
enigszins geborgd, maar deze leden maken zich grote zorgen over de informatievoorziening
via gemeenten. Kan de regering aangeven hoe het proces daar wordt ingericht? En wat
is precies de rol van de SVB in deze communicatie, en binnen welk wettelijk kader
handelt de SVB daarbij?
De leden van de D66-fractie constateren tenslotte dat pgb-zorgverleners wel worden
uitgezonderd van de Rdah, maar gastouders en schoonmakers niet. Is het houdbaar om
de Rdah te blijven toepassen op gastouders, zeker nu de kinderopvang stap voor stap
publiek gefinancierd wordt? En is het argument dat de markt voor dienstverlening aan
huis moet worden gestimuleerd nog wel valide in de huidige arbeidsmarkt, waarin vooral
grote tekorten spelen? En indien de regering de zorgen deelt dat dit ook consequenties
zou kunnen hebben voor gastouders, hoe voorkomt de regering dan een aanpassing in
regelgeving die het aanbod van gastouderschap sterk zou kunnen doen afnemen, terwijl
er al tekorten aan kinderopvang zijn?
De leden van de D66-fractie zien uit naar een uitgebreide reactie van de regering
op bovenstaande zorgen en verzoeken, zodat kan worden verzekerd dat mensen die zorg
nodig hebben niet juist door dit wetsvoorstel in de knel komen. Alleen met reële invoeringstermijnen,
tijdige communicatie en werkbare tarieven kan worden voorkomen dat zorgrelaties onder
druk komen te staan en dat pgb-houders afhankelijk worden van noodverbanden die kwalitatieve
zorg en keuzevrijheid ondergraven.
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering kan garanderen dat iedere budgethouder die in de afgelopen
jaren een zorgverlener betaalde die onder de Rdah viel, een verhoging van het pgb
kan ontvangen van ten minste twintig procent om de nieuwe verplichte werkgeverslasten
te kunnen betalen.
De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel geld er in totaal is gereserveerd voor
de stijging van de pgb’s als gevolg van de nu verplichte premies werknemersverzekeringen
en loondoorbetaling bij ziekte. Deze leden vragen voorts waar dit geld precies vandaan
komt en op welke begrotingspost het staat. Tevens vragen zij of de regering van mening
is dat het gereserveerde bedrag toereikend is.
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering erkent dat, indien het gereserveerde
bedrag ontoereikend blijkt, budgethouders feitelijk minder zorguren zullen kunnen
inkopen dan voorheen, omdat een groter deel van het pgb opgaat aan werkgeverslasten.
De leden van de VVD-fractie vragen naar de financiële en organisatorische gevolgen voor de SVB. Wat zijn de geraamde
kosten voor de uitvoering van de extra taken die de SVB op zich zal nemen?
De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast welke taken expliciet bij de budgethouder
blijven liggen, ook wanneer de SVB de uitvoering grotendeels overneemt. Daarnaast
vragen deze leden hoe de regering het verschil beoordeelt in rechtspositie tussen
Rdah-dienstverleners die worden betaald uit publieke middelen en zij die uit private
middelen worden gefinancierd. De SVB geeft aan dat implementatie «onder voorwaarden»
per 1 januari 2026 mogelijk is en dat andere trajecten verdrongen worden. Kan de regering
expliciet maken welke projecten binnen SVB daardoor vertraagd raken? De regering schrijft
dat een loonsanctie niet wordt gecompenseerd als de budgethouder «verwijtbaar» heeft
gehandeld. Kan de regering exact definiëren wat onder verwijtbaarheid wordt verstaan
in de pgb-context. De regering stelt dat de SVB kan ondersteunen bij ontslagprocedures,
maar niet alle stappen overneemt. Kan worden verduidelijkt welke taken de budgethouder
zelf moet doen (bijvoorbeeld dossiervorming of verbeterplan) en wat de SVB niet doet?
Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie hoe de regering het realiteitsgehalte
beoordeelt dat ernstig zieke of beperkte budgethouders moeten voldoen aan Poortwachter-verplichtingen,
zoals de eerstejaarsevaluatie en het plan van aanpak.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering kan bevestigen dat pgb-budgethouders gedurende de eerste twee
jaar volledig worden gecompenseerd voor de extra kosten die voortkomen uit de afschaffing
van de Rdah. Zo ja, uit welke middelen wordt deze compensatie precies gefinancierd,
en is deze voldoende om alle extra kosten voor budgethouders te dekken? Zo niet, kan
de regering hierop reflecteren?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering kan aangeven wat er
na afloop van deze twee jaar gebeurt. Betekent dit dat budgethouders vanaf dat moment
geen compensatie meer ontvangen? Zo ja, acht de regering het verantwoord dat deze
kosten structureel bij budgethouders komen te liggen en wat verwacht de regering dat
er gaat gebeuren met het inkomen en werk van de zorgverleners?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of de regering kan aangeven waarom ervoor
is gekozen om budgethouders uit de ene zorgwet wel te compenseren en budgethouders
uit andere zorgwetten niet.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de regering gaat voorkomen dat
de groep mensen die geen tijdelijke compensatie ontvangt, financieel in de knel komt.
Welke maatregelen worden overwogen om te voorkomen dat de lasten ongelijk verdeeld
worden tussen verschillende zorgwetten?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de afschaffing van de Rdah
kan leiden tot inkomensverlies of zelfs werkverlies voor zorgverleners, wanneer budgethouders
het uurloon moeten verlagen of minder uren kunnen inkopen. Hoe gaat de regering deze
zorgverleners direct informeren over hun rechten op WW en ondersteunen? Ook vragen
deze leden welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat de continuïteit van
zorg hierdoor in gevaar komt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering inzicht heeft in de
totale kosten die ontstaan wanneer zorgverleners door deze maatregel in de WW terechtkomen.
Wegen deze kosten niet zwaarder dan het compenseren van budgethouders voor de extra
werkgeverslasten, waardoor het financieel juist efficiënter zou zijn om compensatie
te bieden in plaats van een toename van WW-uitkeringen te riskeren?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen op welke wijze de budgethouders en
hun belangenbehartigers, zoals Per Saldo, meegenomen zijn in het besluit voor het
wijzigen van de Rdah.
De leden van de CDA-fractie lezen dat wanneer in de loop van 2026 blijkt dat budgetten ontoereikend (dreigen)
te worden, er op individuele basis wordt gekeken hoe ervoor kan worden gezorgd dat
toch voldoende kwalitatieve zorg kan worden ingekocht. Deze leden vragen wie daarvoor
verantwoordelijk is en of, gezien de verwachting van het SVB dat in de helft van de
gevallen het pgb ontoereikend zal zijn, of de regering ervan overtuigd is dat deze
organisatie over voldoende capaciteit beschikt om op individuele basis daarnaar te
kijken.
De leden van de CDA-fractie maken zich ernstig zorgen dat door ontoereikende budgetten
het instrument pgb onbereikbaar wordt. Is de regering het met deze leden eens dat
het pgb geborgd moet blijven als volwaardig alternatief voor de zorg in natura?
In verschillende paragrafen in de memorie van toelichting lezen de leden van de JA21-fractie dat wordt ingegaan op de ondersteuning vanuit de SVB voor budgethouders. Toch blijft
de toenemende regeldruk voor werkgevers, in de praktijk de pgb-budgethouders, als
gevolg van dit wetsvoorstel een grote bron van zorg. Kan de regering heel concreet
en praktisch aangeven wat de praktische gevolgen van dit wetsvoorstel zijn voor de
verplichtingen waarmee budgethouders geconfronteerd zullen worden, zowel voor pgb’s
op grond van de Wlz, Wmo-2015 en de Jeugdwet (Jw) als op grond van de Zvw, welke stappen
in alle gevallen van de budgethouders zelf worden verwacht, welke stappen vanuit de
SVB ondernomen zullen worden en hoe zij hierin meegenomen zullen worden?
De leden van de BBB-fractie constateren dat onrust onder pgb-houders mede lijkt te zijn ontstaan door gebrekkige
communicatie en onduidelijkheid over de gevolgen van de wetswijziging. Veel mensen
zijn overvallen door de harde toon van de informatievoorziening en de onzekerheid
over hun positie. Kan de regering toelichten hoe de communicatie richting pgb-houders
is verlopen? Hoe is de afstemming tussen het Ministerie van VWS en Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (SZW) geweest over dit onderwerp? Hoe reflecteert de regering op het
feit dat zoveel onrust is ontstaan? Heeft de tijdsdruk, vanwege de beoogde inwerkingtreding
per 1 januari 2026, hierbij een rol gespeeld? Had deze onrust voorkomen kunnen worden
met meer tijd en betere communicatie? Hoe zijn gemeenten en instanties zoals de SVB
betrokken in het wetgevingsproces?
Verder blijkt uit de ontvangen signalen door de leden van de BBB-fractie dat pgb-houders
geconfronteerd worden met hogere werkgeverslasten, terwijl de maximale uurvergoeding
niet is aangepast. Hierdoor ontstaat een onwerkbare situatie: pgb-houders kunnen hun
zorgverleners niet langer het minimumloon betalen zonder het budget te overschrijden.
Waarom is ervoor gekozen om de maximale uurvergoeding voor pgb-houders niet te verhogen,
terwijl de werkgeverslasten fors stijgen? Is de regering bereid om alsnog de tarieven
te indexeren, zodat pgb-houders hun zorgverleners een eerlijk loon kunnen blijven
betalen? Hoe voorkomt de regering dat pgb-houders hierdoor zorgverleners verliezen
of contracten moeten aanpassen ten koste van de kwaliteit en continuïteit van zorg?
Ook constateren de leden van de BBB-fractie dat veel pgb-houders langdurige, op vertrouwen
gebaseerde arbeidsrelaties hebben met hun zorgverleners. Door de wetswijziging dreigen
deze relaties onder druk te komen staan, met alle gevolgen van dien voor kwetsbare
cliënten. Hoe waarborgt de regering dat bestaande arbeidsovereenkomsten gerespecteerd
kunnen blijven worden? Wat betekent deze wetswijziging voor cliënten die afhankelijk
zijn van informele zorgverleners, zoals familieleden of studenten? Hoe voorkomt de
regering dat juist deze kwetsbare groep extra wordt geraakt?
Daarnaast constateren de leden van de BBB-fractie dat er onduidelijkheid is over de
wijze waarop de extra kosten in de verschillende domeinen (Wlz, Wmo, Zvw) worden opgevangen.
Voor de Wlz is een tijdelijke oplossing, voor de Wmo wordt eraan gewerkt, maar voor
de Zvw is nog niets geregeld. Waarom is er voor pgb-houders in de Zvw nog geen oplossing
voor de extra werkgeverslasten? Wanneer komt er duidelijkheid voor deze groep? Is
de regering bereid om te zorgen voor een overgangsregeling of structurele oplossing
voor álle pgb-houders, ongeacht het domein waaruit hun budget wordt verstrekt?
Tot slot constateren de leden van de BBB-fractie dat pgb-houders van hun zorgverzekeraar
te horen krijgen dat er geen compensatie komt voor de extra kosten, terwijl zij wel
geacht worden een goed werkgever te zijn en hun medewerkers een eerlijk loon te betalen.
Waarom verhogen zorgverzekeraars hun tarieven voor pgb-houders niet, ondanks de stijgende
werkgeverslasten? Welke afspraken zijn hierover gemaakt met zorgverzekeraars? Hoe
voorkomt de regering dat pgb-houders en hun zorgverleners de dupe worden van deze
situatie? Is de regering bereid om zorgverzekeraars aan te spreken op hun verantwoordelijkheid?
De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat de regering vooraf helderheid moet verschaffen over structurele
financiering van de extra kosten, oplopend tot 23 procent extra loonkosten, die gepaard
gaan met deze aanpassing van de regeling, terwijl tot nu toe vooral wordt verwezen
naar zorgkantoren, gemeenten en zorgverzekeraars ten aanzien van het verstrekken van
toereikende budgetten. Deze leden vragen daarom naar de meest actuele informatie ten
aanzien van de budgettaire consequenties voor de Wlz, Wmo, Jw en Zvw. In hoeverre
is de compensatie van de extra kosten dekkend? Is de regering bereid hierin de regie
te pakken? Gaat zij daarnaast bij zorgverzekeraars aandringen op compensatie van de
extra kosten? Er zijn intussen signalen dat zorgverzekeraars hiertoe niet bereid zouden
zijn en pgb-houders daarmee in de kou komen te staan.
De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre en in welke gevallen het risico bestaat
dat budgethouders kosten moeten voorschieten of zelfs helemaal zelf moeten opdraaien
voor betaling van de premies en werkgeverslasten. Deze leden achten dit onwenselijk.
De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre in de vaststelling van de maximumuurtarieven
voor pgb van verstrekkers rekening wordt gehouden met deze aanpassing van regeling
dienstverlening aan huis en de bijbehorende kostencomponenten. Wordt dit ook een-op-een
doorvertaald? Is de regering bereid de pgb-tarieven voor overeenkomsten die vallen
onder deze regeling en waar nu het maximale tarief wordt toegepast, op te hogen met
een bedrag ter hoogte van de premies en werkgeverslasten die er nu bij komen als gevolg
van deze aanpassing?
De leden van de SGP-fractie vragen naar de uitvoering van de motie-Diederik van Dijk/Bikker
over redelijke pgb-tarieven (Kamerstuk 25 657, nr. 373). Deze leden hebben vernomen dat er een gesprek heeft plaatsgevonden, maar dat er
geen actie wordt ondernomen op dit punt. Welke aanvullende stappen gaat de regering
zetten om toch tot redelijke tariefstelling te komen? Is zij bereid een onafhankelijk
onderzoek hiernaar in te stellen?
De leden van de SGP-fractie ontvangen graag inzicht in het aantal budgethouders per
zorgwet dat door deze regeling in de problemen komt als zij het vastgelegde uurloon
met hun zorgverlener handhaven en hierdoor het door de verstrekker vastgelegde maximumuurtarief
overschrijden wanneer zij daar bovenop nog werkgeverlasten moeten betalen.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering op hoeveel budgethouders en zorgverleners
deze voorgestelde wijzigingen betrekking hebben, uitgesplitst naar de verschillende
wettelijke regimes en typen zorgovereenkomsten.
De leden van de SGP-fractie vernemen graag de totale kosten voor compensatie van alle
budgethouders die door afdracht van werkgeverslasten niet uitkomen en hun afgesproken
uurloon willen compenseren.
De leden van de SGP-fractie vinden de gang van zaken ten aanzien van dit wetsvoorstel
niet deugdelijk. Vanuit het Ministerie van SZW en SVB wordt richting budgethouders
gecommuniceerd alsof de wetswijziging reeds een voldongen feit is, terwijl het parlement
zich nog niet heeft uitgesproken over het voorstel. De regering zet de Kamer onder
druk middels een brief waarin wordt benadrukt dat er «geen pauzeknop is», de systemen
al zijn ingericht en er voor 1 januari niets meer kan worden teruggedraaid. Hoe reflecteert
de regering op deze gang van zaken? Waarom is niet meer tijd genomen voor de implementatie
van de uitvoering ná aanvaarding van het wetsvoorstel? Het is immers mogelijk dat
de wet nog wijzigt door amendering.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering puntsgewijs in te gaan op de stand
van zaken ten aanzien van de drie genoemde knelpunten binnen de pgb in de Stand van
de Uitvoering 2025 van de SVB: 1) administratieve last door werkgeverschap, 2) conflicterende
(arbeids)wetgeving en 3) de verschillende uitwerking van de vier zorgwetten waarbinnen
pgb mogelijk is. Wat is de ambitie van de regering op deze punten, en welke stappen
worden hiertoe momenteel concreet gezet?
De leden van de SGP-fractie lezen dat ervoor is gekozen in het verlengde van de rechterlijke
uitspraak over de verzekeringsplicht voor werknemersverzekeringen ook andere werkgeversverplichtingen
aan pgb-houders op te leggen, waardoor pgb-houders ook verantwoordelijk worden voor
de Wet flexibel werken, verlof, scholing, loondoorbetaling bij ziekte en ontslag.
Ook worden zij verplicht een salarisadministratie te voeren. De consequenties voor
budgethouders zijn daarmee verstrekkend, terwijl de regeling oorspronkelijk bedoeld
was om de administratieve lasten voor werkgevers te beperken. Waarom is hiervoor gekozen,
en wat verzet zich ertegen enkel de rechterlijke uitspraak ten aanzien van de verzekeringsplicht
op te volgen en de overige werkgeversverplichtingen achterwege te laten?
De leden van de SGP-fractie vragen waarom er niet voor is gekozen de oplossing voor
de rechterlijke uitspraak te zoeken aan de kant van de werknemers, bijvoorbeeld door
te kiezen voor een opt-in-systeem waarbij werknemers zelf kunnen kiezen of zij aanspraak
willen maken op werknemersrechten met bijbehorend aangepast uurtarief of niet.
De leden van de SGP-fractie maken zich zorgen over de toepassing van het reguliere
ontslagrecht op pgb-zorgverleners, aangezien het hier gaat om personen die persoonlijke
zorg verlenen aan de werkgever. Wat betekent dit concreet voor de keuzevrijheid en
eigen regie van de zorgvrager? In hoeverre blijft de mogelijkheid voor de budgethouder
eenzijdig een (arbeids)overeenkomst tussentijds te beëindigen op basis van het feit
dat er geen sprake is van een «klik» of om andere persoonlijke redenen? Als zorgvrager
ben je immers volledig afhankelijk van deze persoon. Daarnaast komen zorgverleners
ook vaak in de privésfeer van een budgethouder.
De leden van de SGP-fractie vernemen dat een heel aantal personen nog niet op de hoogte
is van de aanpassing van de regeling. Hoe worden deze budgethouders op korte termijn
benaderd en geïnformeerd?
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZA) heeft aangegeven zich zorgen te maken over de
continuïteit van zorg voor budgethouders en het in het gedrang komen daarvan als zorgverleners
geen lager loon accepteren en ontslag nemen als gevolg van deze regeling. Wat is de
reactie van de regering op deze zorgen van de zorgautoriteit? Deze leden van de SGP-fractie
verzoeken de regering de NZA om een uitgebreide reactie te vragen op de voorgestelde
wijzigingen en deze reactie met de Kamer te delen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben ook vragen over de impact die voorliggend wetsvoorstel heeft voor pgb-budgethouders.
Er is onduidelijkheid en onzekerheid over de toereikendheid van het budget. Op welke
wijze denkt de regering dat pgb-budgethouders de werkgeverslasten moeten dragen zonder
verhoging van het budget? Waarom is er een verschil bij de implementatie rond financiering
van voorliggend wetsvoorstel? Is het correct dat er voor de Wlz in ieder geval wel
een overgangsregeling is gefaciliteerd, maar voor de andere wettelijke kaders niet?
Waarom is hiervoor gekozen? Hoe verwacht de regering dat budgethouders kunnen voldoen
aan de wet wanneer hun budget niet wordt verhoogd?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of gemeenten financieel gecompenseerd
worden voor inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel. Zo nee, waarom niet? Deze
leden vragen vervolgens hoe de regering verwacht dat gemeenten uitvoering kunnen geven
aan voorliggend wetsvoorstel (om de pgb tarieven noodzakelijkerwijs te verhogen).
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het klopt dat pgb-budgethouders pas
zeer recent zijn geïnformeerd over de wijzigingen die per 1 januari aanstaande in
zouden moeten gaan. Deze leden vragen of de regering tevreden is met deze communicatie.
Zijn pgb-budgethouders naar oordeel van de regering voldoende geïnformeerd én hebben
ze voldoende handelingsperspectief om te kunnen voldoen aan de wet?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of zowel de SVB, zorgverzekeraars, de
zorgkantoren en gemeenten in staat zijn om de wet per 1 januari aanstaande uit te
voeren. Is de informatie correct dat er voor gemeenten nog geen implementatie-instructie
is gefaciliteerd door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)? Deze leden vragen
of implementatie per 1 januari aanstaande realistisch dan wel haalbaar is.
De leden van de SP-fractie stellen vast dat het doorvoeren van deze essentiële verbetering vertraagd wordt door
het feit dat de tarieven niet voor alle zorgwetten worden verhoogd om de hiermee gepaard
gaande werkgeverslasten te kunnen betalen. Dat betekent dat dit de situatie dreigt
te creëren dat de uitbreiding van de sociale zekerheid zou leiden tot de keuze tussen
minder zorg voor de pgb-houder of een lager loon of zelfs baanverlies voor zorgverleners.
Dat is een onacceptabele situatie, die bovendien simpelweg voorkomen kan worden door
de tarieven te verhogen, zodat de werkgeverslasten hieruit betaald kunnen worden.
De leden van de SP-fractie willen daarom antwoord op de volgende belangrijke vragen.
Wat gaat de regering doen om ervoor te zorgen dat zorgverleners toegang krijgen tot
de sociale zekerheid die zij verdienen, zonder dat dit ten koste gaat van de positie
van pgb-houders en/of de baanzekerheid en het inkomen van zorgverleners? Is de regering
bereid om ervoor te zorgen dat de tarieven hiervoor verhoogd worden? Gaat de regering
hiervoor geld vrijmaken op de begroting en wordt er gezorgd dat de zorgverzekeraars
hun verantwoordelijkheid nemen waar nodig?
5. Financiële gevolgen voor het Rijk
De leden van de CDA-fractie constateren dat het Ministerie van VWS belast is met de taak om zorg te dragen dat
de verschillende verstrekkers van pgb-budgetten (zorgkantoren, gemeenten en zorgverzekeraars)
voldoende ruimte hebben om toereikende budgetten te verstrekken. Deze leden vragen
hoe het Ministerie van VWS ervoor gaat zorgen dat er na dit wetsvoorstel voldoende
ruimte is om toereikende budgetten te verstrekken.
6. Consultatie, adviezen en uitvoering
De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel geld de regering schat dat de komende jaren structureel verloren zal
gaan door fraude en misbruik binnen het pgb.
De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel fraudezaken met betrekking tot het pgb
de SVB in de jaren 2020, 2021, 2022, 2023 en 2024 heeft onderzocht, hoeveel zaken
hebben geleid tot terugvordering en/of aangifte, en wat het totale teruggevorderde
of bespaarde bedrag was.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de SVB in de uitvoeringstoets stelt dat de uitvoeringslasten van dit wetsvoorstel
zonder meer ten koste zullen gaan van andere significante projecten op het zorgdomein.
Deze leden vragen welke afspraken er zijn gemaakt met de SVB over prioritering van
de desbetreffende projecten en of het Ministerie van VWS hierin betrokken is geweest.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering het belang van goede klantcommunicatie
rondom het wetsvoorstel onderkent. Deze leden hebben signalen ontvangen dat de communicatie
richting pgb-houders het wetsvoorstel niet op orde is, bijvoorbeeld dat groepen pgb-houders
pas in november 2025 geïnformeerd zijn over zeer ingrijpende wijzigingen die in januari
2026 in werking zouden treden. Herkent de regering dit beeld? Is de regering van mening
dat er voldoende tijd is voor budgethouders om voor te bereiden op de wetswijziging
per 1 januari 2026?
De leden van de CDA-fractie lezen dat gemeenten aangeven hierbij nadere ondersteuning
(vanuit VNG) nodig te hebben voor het bespreken en toetsen van de pgb-vaardigheid
van huidige en potentiële budgethouders. Deze leden constateren dat de voorgestelde
wetswijziging pgb-houders positioneert als volwaardig werkgevers en daarmee aanzienlijk
meer vaardigheden van een budgethouder vraagt. Deze leden vragen of de regering er
rekening mee gehouden heeft wat dit betekent voor de werkdruk van de gemeenten. Kan
de regering hierop reflecteren en welke ondersteuning is daar voor gemeenten voorhanden?
Verder vragen deze leden ook of de regering het eens is met de inschatting van deze
leden dat het instrument pgb minder bereikbaar wordt voor potentiële en bestaande
budgethouders. In hoeverre heeft de regering de gevolgen hiervan in beeld? En, indien
het instrument inderdaad onbereikbaar wordt voor bestaande budgethouders, wie is er
dan verantwoordelijk voor het vinden van een geschikte oplossing?
De leden van de SGP-fractie lezen in de uitvoeringstoets van SVB dat gewaarschuwd wordt voor het risico dat budgethouders
onvoldoende budget overhouden als gevolg van dit wetsvoorstel. De inschatting is zelfs
dat voor ongeveer de helft van de budgethouders het tarief niet toereikend is. Consequentie
zou kunnen zijn dat men dit gaat betalen uit eigen middelen, er minder zorg wordt
inkocht of het tarief van de zorgverlener wordt verlaagd. In hoeverre acht de regering
deze consequenties wenselijk?
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de implementatie van het wetsvoorstel. Deze leden vragen allereerst
waarom gekozen is voor een datum van inwerkingtreding van 1 januari 2026. Waarom heeft
de regering er niet voor gekozen om het wetsvoorstel pas in werking te laten treden
een halfjaar na goedkeuring door het parlement? Erkent de regering dat er op die manier
ruimte was geweest voor zorgvuldige implementatie zonder (oneigenlijke) druk op het
parlement om het wetsvoorstel snel te behandelen? Erkent de regering dat met deze
inwerkingtredingsdatum de druk op het parlement om het wetsvoorstel met spoed goed
te keuren de wetgevende rol van het parlement bagatelliseert? Zo nee, waarom niet?
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn dan ook ontstemd over de volgende passage
in de brief van de Minister van 6 november jongstleden (Kamerstuk 36 744, nr. 7): «Om de beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2026 te halen, hebben de uitvoeringsorganisaties
SVB en UWV reeds belangrijke stappen gezet. ICT-processen zijn hierop ingericht en
alle budgethouders en zorgverleners zijn (noodzakelijkerwijs) reeds geïnformeerd over
de voorgenomen wetswijziging. Als de parlementaire behandeling niet vóór 1 januari
2026 is afgerond en het wetsvoorstel niet uiterlijk 31 december 2025 in het Staatsblad
is geplaatst, kunnen er grote problemen ontstaan bij pgb-zorgverleners, pgb-budgethouders
én de uitvoerders die zich nu aan het voorbereiden zijn om de overstap per 1 januari
2026 te kunnen maken. Wat betreft de uitvoering door de SVB van het pgb betekent dit
dat de IT-systemen zijn omgezet. Daarbij zijn ook de benodigde functionaliteiten om
de wet per 1 januari 2026 uit te kunnen voeren opgeleverd. Er bestaat geen «pauze-knop»,
wat betekent dat indien de Wet aanpassing Rdah later inwerking treedt de overeenkomsten
weer teruggezet moeten worden en functionaliteiten teruggedraaid moeten worden. Dit
is niet meer mogelijk vóór 1 januari, in ieder geval niet voor een groot gedeelte
van de systemen». Naar het oordeel van de leden van de ChristenUnie-fractie gaat deze passage (en
de implementatie acties die reeds zijn ondernomen door de SVB) voorbij aan de parlementaire
verantwoordelijkheid voor wetgeving. De Tweede (en Eerste) Kamer zijn geen stempelmachine.
Erkent de regering dat deze werkwijze uiterst ongelukkig is en geen recht doet aan
de wetgevende verantwoordelijkheid van het parlement? Hoe had dit voorkomen kunnen
worden?
De fungerend voorzitter van de commissie, Van der Burg
Adjunct-griffier van de commissie, Van den Broek
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. van der Burg, voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede ondertekenaar
E.E. van den Broek, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.