Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
36 800 X Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2026
Nr. 25
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 19 januari 2026
De vaste commissie voor Defensie, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel
van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met
de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 2 oktober 2025 voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van
Defensie. Bij brief van 12 november 2025 zijn ze door de Minister en de Staatssecretaris
van Defensie beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De fungerend voorzitter van de commissie, Paternotte
Adjunct-griffier van de commissie, Manten
1.
Met hoeveel vuureenheden zou het Defensie Grondgebonden Luchtverdedigingscommando
(DGLC) moeten groeien om aan de NAVO-capaciteitsdoelstellingen te voldoen?
Grondgebonden lucht- en raketverdediging, waaronder de verschillende soorten vuureenheden
van het DGLC vallen, is een van de groeigebieden van NAVO. Voor verdere informatie
over de NAVO-capaciteitsdoelstellingen 2025, de NATO Priority Targets, en de totstandkoming en uitkomst van de
doorrekening hiervan verwijs ik u graag naar de eerder verzonden brieven en bijbehorende
vertrouwelijke bijlages over deze onderwerpen.
2.
Wat zijn de structurele meerkosten die gemoeid zijn bij het eventueel permanent stationeren
van een brigade in de Baltische staten?
De structurele meerkosten bestaan uit diverse componenten zoals personele toelagen
en vergoedingen, maar ook meerkosten voor vervoer en additionele instandhoudingskosten
op het gebied van infrastructuur, communicatie en materieel. Ook het aanhouden van
additionele voorraden en het beveiligen van onze eenheden zal extra kosten met zich
meebrengen. De totale omvang hiervan is afhankelijk van de operationele context waarin
de brigade gestationeerd wordt, alsmede de exacte personele en materiële samenstelling
van de eenheid. Daarnaast is het ook afhankelijk van de mate waarin wij gebruik kunnen
maken van de faciliteiten van het gastland en de afspraken die over dit gebruik worden
gemaakt.
3.
Het defensiebudget wordt verhoogd met 3,4 miljard euro, zijn dit nieuwe middelen,
of is het de uitwerking van reeds aangekondigde verhogingen?
In de Miljoenennota en Ontwerpbegroting staan geen aanvullende intensiveringen voor
Defensie. De groei van 3,4 miljard euro aan middelen betreft het saldo van verschillende
wijzigingen uit vorige begrotingswetten. Zo zijn bijvoorbeeld in het voorjaar 2023
en in het voorjaar 2024 kasschuiven in de begrotingsstanden verwerkt. Destijds is
budget van de jaren 2023–2025 (met diverse mutaties) naar 2026 en latere jaren geschoven.
Daarnaast is bijvoorbeeld in het voorjaar 2025 besluitvorming geweest om de Defensie-middelen
in 2026 e.v. op 2% van het bbp te brengen, waardoor extra middelen vanaf 2026 aan
de begrotingstand zijn toegevoegd. Dit zijn enkele voorbeelden van wijzigingen die
invloed hebben op fluctuaties van de begrotingsstand over de jaren heen.
Dergelijke wijzigingen in eerdere begrotingsstanden verklaren de hogere begrotingsstand
met 3,4 miljard euro voor defensie-middelen in de Ontwerpbegroting 2026 in vergelijking
met de stand in de September suppletoire begroting voor 2025.
4.
Over de gehele linie daalt het budget voor externe inhuur significant, is dit in het
licht van de significante stijging in de voorjaarsnota 2025 ten opzichte van de begroting
2025 realistisch begroot?
Het doel van het Ministerie van Defensie is om zoveel mogelijk functies met eigen
personeel te vullen. Hier wordt ook op begroot waardoor er voldoende budget is om
eigen personeel aan te nemen. Wanneer een functie gedurende het jaar niet met eigen
personeel gevuld kan worden, kan onder andere worden overgegaan op externe inhuur
als vervangende capaciteit. Het budget voor de post externe inhuur wordt daarom voor
het grootste deel in het betreffende uitvoeringsjaar zelf vastgesteld. Daarom is dit
budget in 2026 op dit moment lager dan in 2025. Wanneer tijdens het uitvoeringsjaar
2026 blijkt dat een deel van de reguliere functies niet gevuld kan worden met eigen
personeel en er daarvoor als vervangende capaciteit onder andere externe inhuur nodig
is, wordt gedurende het uitvoeringsjaar met de suppletoire begrotingen budget overgeheveld
van onder andere de post eigen personeel naar de post externe inhuur.
5.
Gezien het feit dat uit eerdere beleidsdocumenten blijkt dat de geneeskundige keten
momenteel Defensie niet in alle hoofdtaken voldoende kan ondersteunen ondanks eerder
herstel, hoeveel budget en investeringen zijn er dan nodig om de keten voldoende te
versterken?
Bij het op peil brengen van de capaciteiten ten behoeve van de geneeskundige keten
zijn de benodigde investeringskosten en structurele uitgaven afhankelijk van verschillende
factoren. Onder andere het benodigde infrastructuur, mogelijke samenwerkingen en schaalbaarheidsopties
zijn hier van invloed op. De kosten worden in kaart gebracht. We zullen als land ook
bij een aanvullend budget wel keuzes moeten blijven maken bij het verder invullen
van de targets. Het besluit hierover is aan een volgend kabinet dat financiële keuzes
zal moeten maken en prioriteiten moet stellen.
6.
Hoeveel zou het oprichten van een heavy infantry brigade kosten, uitgesplitst naar
investeringskosten en structurele uitgaven?
Bij het oprichten van een heavy infantry brigade zijn benodigde middelen op te delen
in 2/3e aan investeringsuitgaven en 1/3e structurele uitgaven. Onder andere de exacte samenstelling en omvang van de eenheid
en de wapensystemen zijn van invloed op de benodigde middelen. Maar ook de beschikbare
of benodigde infrastructuur, het logistieke concept en voorraadvorming alsmede benodigde
investeringen in ondersteunende eenheden zijn hier van invloed op. Het totale bedrag
is het directe resultaat van de omstandigheden waarbinnen de oprichting plaatsvindt
en de keuzes die daarin worden gemaakt.
7.
Hoeveel zou het oprichten van een medium infantry brigade kosten, uitgesplitst naar
investeringskosten en structurele uitgaven?
Bij het oprichten van een medium infantry brigade zijn de benodigde investeringskosten
en structurele uitgaven afhankelijk van verschillende factoren. Onder andere het type
wapensystemen, benodigde infrastructuur, mogelijke samenwerkingen en schaalbaarheidsopties
zijn hier van invloed op. Om deze reden zijn de kosten niet exact te specificeren.
8.
Welke rekenmethode wordt gebruikt om de NAVO-norm vast te stellen? De rekenmethode
van de NAVO of de rekenmethode van Financiën? Kunt u toelichten welke financiële consequenties
het hanteren van de ene methode ten opzichte van de andere methode heeft?
Met BZ2516851 Geannoteerde Agenda voor de NAVO-top op 24 en 25 juni 2025 (kamerstuknummer
2025D27847) heeft Defensie reeds invulling gegeven aan een eerdere toezegging van de Minister-President
aan uw Kamer om nadere uitleg te geven rondom de verschillende berekeningswijzen tussen
Nederland en de NAVO waarmee de invulling van de Defence Investment Pledge wordt berekend.
Verwijzend naar eerdere Kamerstukken1 verschillen de twee berekeningswijzen van elkaar:
(1) De defensie-uitgaven en het bbp worden door de NAVO teruggerekend naar een specifiek
prijspeil. Hierdoor worden de uitgaven gecorrigeerd voor verschillen in prijseffecten
tussen bondgenoten (inflatie), waardoor de volume-effecten inzichtelijk en consistent
worden gemaakt. In de Nederlandse berekeningswijze gebeurt dit niet en worden de defensie-uitgaven
en het bbp in prijzen van het betreffende begrotingsjaar gepresenteerd. Omdat de NAVO
voor Nederland verschillende deflatoren hanteert voor zowel de defensie-uitgaven als
het bbp, leidt dit tot een verschil in de Nederlandse en de NAVO-berekeningswijze.
(2) Daarnaast hanteert de NAVO voor de bbp-raming cijfers van de OESO, waarbij Nederland
hiervoor – conform de initiatiefwet en de Wet houdbare overheidsfinanciën2 – gebruik maakt van de CPB-raming.
De NAVO-berekeningswijze geldt voor alle NAVO-bondgenoten en maakt het daarmee mogelijk
om de NAVO-prestaties van bondgenoten onderling te vergelijken. Dat is belangrijk,
want bondgenoten spreken elkaar hierop aan. Als elk land een individuele systematiek
zou hanteren, zou het niet mogelijk zijn om consistente vergelijkingen te trekken.
Bij het opstellen van de begroting maakt Nederland gebruik van de Nederlandse berekeningswijze
om de omvang van de defensie-uitgaven te bepalen. Dit wordt ook gedaan om de consistentie
en vergelijkbaarheid met andere begrotingen te borgen. Bovendien is het niet mogelijk
om de NAVO-berekeningswijze te hanteren voor het opstellen van de ontwerpbegrotingen
omdat de NAVO geen meerjarencijfers publiceert, en deze dus dit niet gebruikt kunnen
worden voor meerjarige prognoses. Het is niet uitvoerbaar, noch wenselijk, om voor
de Ontwerpbegroting, Jaarverslag en de Wet Financiële Defensieverplichtingen gebruik
te maken van de NAVO-berekeningswijze.
Internationaal blijven de cijfers van de NAVO leidend. Defensie zal uw Kamer blijven
informeren over de uitkomsten van de berekeningen van de NAVO en zal met de NAVO in
gesprek gaan om mogelijkheden te verkennen de verschillen in de berekeningswijzen
te laten convergeren.
9.
Zouden er kosten bespaard worden door extern personeel intern in te huren? Zo ja,
hoeveel?
Over het algemeen is extern personeel inhuren duurder dan het met eigen personeel
vullen van functies. Echter, het is vaak juist goedkoper als het gaat om personeel
dat slechts tijdelijk nodig is. Daarnaast is het voor sommige capaciteiten noodzakelijk
en onvermijdelijk om personeel extern in te huren, omdat dit specialistische expertise
betreft die alleen externe partijen kunnen bieden, bijvoorbeeld op het gebied van
IT.
10.
Hanteert Defensie een anti-ronselbeding voor (ex-)werknemers?
Nee, Defensie hanteert geen anti-ronselbeding.
11.
In de beleidsagenda wordt de ambitie uitgesproken om te groeien naar een organisatie
van minimaal 100.000 mensen, welke concrete en meetbare doelstellingen voor de personele
vulling zijn er voor 2026 vastgesteld en hoe realistisch zijn deze, gegeven de aanhoudende
krapte op de arbeidsmarkt?
Voor 2026 zijn de volgende doelstellingen vastgesteld: 47.176 beroepsmilitairen, 26.065
burgers en 10.212 reservisten. Deze aantallen sluiten aan bij de ambitie om te groeien
naar een schaalbare krijgsmacht van 100.000 mensen in 2030. De noodzaak om in 2030
een gevulde organisatie te zijn is noodzakelijk en realistisch. In de Kamerbrief «Onze mensen onze toekomst; meer beter en sneller» van 24 maart jl. (Kamerstuk 33 763, nr. 161) staan de aanvullende maatregelen die Defensie neemt om versneld te veranderen naar
een voortdurend inzetgerede en schaalbare krijgsmacht. Defensie kiest voor een aanpak
die grootschaliger en ingrijpender is dan tot dusverre en die in een hoger tempo wordt
gerealiseerd. We zijn ons er daarbij uiteraard van bewust dat we op zoek moeten naar
slimme manieren om met elkaar samen te werken en de schaarse capaciteit op de arbeidsmarkt
zo efficiënt mogelijk benutten. Defensie hanteert daarom het uitgangspunt dat in de
schaalbare krijgsmacht op elk moment niet meer personeel werkzaam is dan noodzakelijk.
Een groot deel van de extra benodigde personele capaciteit bestaat dan ook uit reservisten
die niet voltijds bij Defensie werkzaam zijn.
12.
Kunt u toelichten hoe de begrote € 2,7 miljard voor militaire steun aan Oekraïne in
2026 zich verhoudt tot het door Oekraïne zelf aangegeven additionele budgettaire tekort
van $ 19 miljard en welke risico’s het kabinet ziet voor de continuïteit van de Nederlandse
steun indien de internationale financiering tekortschiet?
Hoewel het door Oekraïne gemelde tekort van $ 19 miljard een aanzienlijk gat vormt,
is de Nederlandse bijdrage van € 2,7 miljard voor militaire steun een substantieel
en consistent onderdeel van de bredere internationale inspanning.
De Amerikaanse positie noodzaakt Europese partners om hun verantwoordelijkheid te
nemen in de steun aan Oekraïne. Nederland heeft dit gedaan door steun gealloceerd
voor 2026–2027 naar 2025 te verplaatsen en te versnellen. Recentelijk heeft Nederland
bijvoorbeeld € 200 miljoen gealloceerd in counterdronesystemen en € 90 miljoen in
de Oekraïense drone-industrie.
NLD dringt daarnaast actief aan op burden sharing in Europees-, Internationaal en NAVO-verband. Zo heeft NLD, na het financieren van het eerste PURL pakket,
andere landen over de streep getrokken om ook pakketten te financieren.
13.
Kunt u een indicatie geven aan welke specifieke capaciteiten of domeinen de extra
middelen besteed zullen worden ter versterking van de gevechtskracht voor hoofdtaak
1?
Eerder bent u met een Kamerbrief, inclusief een vertrouwelijke bijlage, geïnformeerd
over wat de NAVO van Nederland vraagt. Tevens bent u via een vertrouwelijke technische
briefing nader geïnformeerd over de (kosten van de) NAVO-capaciteitsdoelstellingen
in samenhang met de bredere opgave van de Nederlandse krijgsmacht. De daarin vermelde
capaciteiten en de NATO Priority Targets vormen een belangrijke factor voor de toekomstige
investeringen. In de voornoemde Kamerbrief is ook beschreven dat NAVO geen rekening
houdt met benodigde capaciteiten voor andere taken zoals Host Nation Support en Homeland Defence. Dit betreft nationale doelstellingen en hebben eveneens invloed op toekomstige investeringen.
Om alle noodzakelijke doelstellingen in te vullen en een duidelijk antwoord te kunnen
formuleren op de gestelde vraag, is een consistente groei naar 3,5% nodig.
14.
In de begroting op pagina 9 staat dat de totale defensie-uitgaven 27,7 miljard euro
bedragen in 2026, maar in andere berichten, zoals in het persbericht «Prinsjesdag:
defensiebudget stijgt door slechtere veiligheidssituatie» van 16 september 2025 wordt
gesproken over 26,8 miljard euro, hoe kan dit verschil verklaard worden en welke is
correct?
In de Ontwerpbegroting wordt toegelicht dat de uitgaven op de Defensiebegrotingen
26,8 miljard euro bedragen. De 27,6 miljard euro is het saldo van de 26,8 miljard
euro als uitgaven op de Defensiebegrotingen en circa 800 miljoen aan uitgaven (op
andere departementale begrotingen en reserveringen voor de prijsbijstelling) die mogen
worden toegerekend aan de NAVO-norm. Per abuis is op pagina 9 van de Ontwerpbegroting
2026 het bedrag van 27,6 miljard euro genoemd als alleen uitgaven op de Defensiebegrotingen.
15.
Welke concrete maatregelen worden in 2026 genomen om de aanbevelingen uit de geactualiseerde
Defensie Cyber Strategie te implementeren en hoe wordt de effectiviteit van de investeringen
in het cyberdomein gemonitord?
In de herziene Defensie Cyberstrategie zijn voor alle taken en randvoorwaarden diverse
doelen geformuleerd. Een belangrijk deel van die doelen bouwt voort op de maatregelen
die via de Defensienota’s 2022 en 2024 al in gang zijn gezet binnen Defensie. Concrete
voorbeelden zijn de oprichting van multidisciplinaire cyberteams bij het Defensie
Cyber Commando, de recente oprichting van het 101 CEMA-bataljon bij de Koninklijke
Landmacht voor cyber- en elektromagnetische activiteiten (CEMA), de versterking van
de Koninklijke Marechaussee in het cyberdomein, en de interne en (inter)nationale
uitwisseling van cyberinlichtingen en kwetsbaarheden. Andere doelen geven richting
aan nieuw beleid en het realiseren van essentiële randvoorwaarden, zoals de Wet op
de Defensiegereedheid.
De doelen worden toegewezen aan defensieonderdelen die verantwoordelijk zijn voor
de verdere uitwerking en uitvoering ervan. Zo zijn alle doelen die betrekking hebben
op de cybersecurity samengebracht in een uitvoeringsplan. De doelen voor de gereedstelling
en inzet van militaire cybercapaciteiten komen in de militaire lijn te liggen. De
voortgang van de doelen wordt bewaakt door het reguliere plannings- en begrotingsproces.
De effectiviteit van de cyberstrategie wordt om de twee jaar getoetst door de strategie
en het onderliggende beleid en plannen te evalueren. Indien nodig worden deze bijgesteld.
16.
Hoe verhoudt de in de beleidsagenda genoemde Digitale Transformatie Strategie (DTS)
zich tot eerder geconstateerde bedrijfsvoeringsproblemen en welke concrete verbeteringen
in de aansturing van grote IT-projecten moeten in 2026 zichtbaar worden?
De geconstateerde bedrijfsvoeringsproblemen worden binnen de lopende grote IT-programma’s
en het IT-portfoliomanagement aangepakt. De DTS richt zich op het verbeteren van de
gevechtskracht van Defensie in het digitale domein ten behoeve van de uitvoering van
hoofdtaak 1. Ten aanzien van de aansturing heeft Defensie op centraal niveau instrumenten
ingericht waarbij de samenhang over de grote IT-projecten wordt beheerst. Stuurinstrumenten
als portfoliomanagement en architectuur zijn eind 2026 in de gehele keten georganiseerd,
zowel in proces als capaciteit. Het voorziene effect is het vergroten van de samenhang,
versnellen van projectrealisatie en het mogelijk maken om een hoger kwaliteitsniveau
te bereiken, zoals beschreven in de IT-portfoliostrategie die recent met uw Kamer
gedeeld is3.
17.
Kunt u kwantificeren welke bijdrage de opschaling van het dienjaar naar 1.500 deelnemers
in 2026 levert aan het vullen van de flexibele schil van de krijgsmacht en wat de
totale kosten per deelnemer zijn?
De opschaling van het Dienjaar naar 1.500 deelnemers in 2026 betekent dat gedurende
dat jaar 1.500 dienjaarmilitairen beschikbaar zijn voor de krijgsmacht. Daarnaast
blijkt uit de eerste lichtingen dat ca. 60% van de deelnemers na afronding van het
jaar kiest voor een vervolg als beroepsmilitair (ca. 70%) of reservist (ca. 30%).
Daarmee draagt het Dienjaar bij aan zowel de vulling van de beroepsorganisatie, als
de mobilisabele capaciteit.
De kosten per deelnemer zijn voor reguliere dienjaarmilitairen ongeveer 100.000 euro
per deelnemer per jaar en voor het specialistisch dienjaar ongeveer 180.000 euro per
deelnemer per jaar. Voorgaande betreft de totale integrale kosten. Dit houdt in dat
ook salaris, sociale lasten, materieel, IT, opleidingskosten, persoonsgebonden uitrusting,
vastgoedkosten en dienstverleningskosten zijn inbegrepen.
18.
Kan worden gespecificeerd hoeveel euro de investeringen bedragen in de passage «in
2026 wordt hieraan uitvoering gegeven door te investeren in de materiële en immateriële
zorg voor veteranen met inzet gerelateerde gezondheidsklachten en hun relaties»?
Bij de Defensienota 2024 en augustusbesluitvorming 2024 is hiervoor afgerond 7 miljoen
euro structureel uitgetrokken.
19.
Wat zijn de grootste kostenposten in het extra budget vrijgesteld voor grensbewaking
en waarom wordt er rekening gehouden met een verdriedubbeling van het budget in 2030
ten aanzien van 2026?
Zoals genoemd in het Hoofdlijnenakkoord en het Regeerprogramma is het versterken van
de grensbewaking één van de prioriteiten van het kabinet. Voor het intensiveren van
de grensbewaking door de Koninklijke Marechaussee wordt een oplopende reeks beschikbaar
gesteld van in totaal € 45 miljoen in 2025 oplopend naar structureel € 151 miljoen
vanaf 2029. Deze middelen zijn met de eerste suppletoire begroting 2025 aan de Defensiebegroting
en het Defensiematerieelbegrotingsfonds (DMF) toegevoegd. De personele uitgaven op
de Defensiebegroting vormen het grootste gedeelte van het budget. De uitgavenreeks
kent een ingroeipad vanwege de werving en opleiding van het benodigde personeel. De
toegevoegde middelen op het DMF worden vrijwel geheel aangewend voor investeringen
in IT-capaciteit.
20.
Met hoeveel kosten voor het verwerken van WOO-verzoeken worden in respectievelijk
2025, 2026, 2027 en 2028 rekening gehouden en hoe worden deze kosten verder uitgesplitst?
Defensie vindt een open en transpartante overheid van groot belang. Daarom werkt Defensie
met het programma «Defensie Open op Orde» (DOO) aan de verbetering van de interne
en externe informatievoorziening. Een belangrijk onderdeel hiervan is het beleid en
proces voor de beantwoording van Woo-verzoeken. Het maakt dan ook een deel uit van
onze continue verbetercycles en heeft daarmee onze voortdurende aandacht. Door beperkingen
in de gevoerde administratie is het helaas niet mogelijk om de kosten betrouwbaar
te herleiden en uit te splitsen.
Wel kan worden aangereikt dat de sectie Woo van de Directie Communicatie, belast met
de uitvoering van Woo-verzoeken, in Q1 2026 bestaat uit twee Woo-medewerkers/ondersteuners,
drie junior Woo-functionarissen (waaronder een LTZA OC 2), twee medior Woo-functionarissen,
twee senior Woo-functionarissen en één Woo-coördinator/sectiehoofd. Er is dan ook
fors geïnvesteerd in capaciteitsuitbreiding, wat onder meer het gevolg is van een
evenzo forse stijging in het aantal Woo-verzoeken van 120 in 2023 tot – naar verwachting
– 175 in 2025.
21.
Kunt u uitleggen waarom het budget voor «overige inzet» vanaf 2025 ten aanzien van
2024 meer dan vertienvoudigt?
In de Ontwerpbegroting voor 2024 was voor artikel 1.3 – overige Inzet 16,8 miljoen
begroot. Opeenvolgende begrotingen, waaronder de ontwerpbegroting 2026 met een geraamd
budget van 15,7 miljoen euro per jaar, zijn hiermee in lijn. Zoals in het jaarverslag
2024 over de Defensiebegroting is toegelicht4 was de realisatie voor dat jaar met 1,3 miljoen euro echter veel lager dan begroot,
met name omdat er in 2024 geen VPD-inzetten zijn uitgevoerd als gevolg van de situatie
in de Rode Zee en de Golf van Aden.
22.
Wordt er in de budgettering voor EUFOR Althea in 2026 rekening gehouden met een grotere
inzet van Nederlandse troepen aan de missie, bijvoorbeeld door toenemende spanningen
in de regio?
Vanaf oktober 2025 draagt Nederland voor één jaar bij aan de missie met een infanteriecompagnie.
Voor die inzet zijn voldoende middelen geraamd. Bij een verslechterende veiligheidssituatie
kan EUFOR Althea snel beschikken over reserve-eenheden. Deze reserve-eenheden worden
gevuld door verschillende Europese landen. In het geval van escalatie zal dus niet
direct naar Nederland worden gekeken voor de versterking van EUFOR Althea. De veiligheidssituatie
geeft er vooralsnog geen aanleiding toe te verwachten dat een grotere Nederlandse
inzet benodigd zal zijn. De operatie wordt, met de mogelijkheid om snel reserve-eenheden
te kunnen activeren, voldoende robuust geacht om aan de operatiedoelstellingen te
kunnen voldoen.
23.
Kunt u uitleggen waarom de apparaatsuitgaven «eigen personeel» bij de Koninklijke
Marine vanaf 2025 nauwelijks stijgen, gegeven de grote investerings- en wervingscampagnes
in alle onderdelen van de krijgsmacht?
De post «eigen personeel» bij de Koninklijke Marine stijgt met uiteindelijk 156 miljoen
euro in 2030 ten opzichte van 2024 toen de Defensienota 2024 met bijbehorende investeringen
vastgesteld is. Het budget op deze post zal de komende jaren verder stijgen wanneer
plannen, waarvoor budget gereserveerd is op artikel 12 Nog onverdeeld en het Defensiematerieelbegrotingsfonds,
uitgewerkt zijn en tot uitvoering komen. Het budget dat bestemd is voor de Koninklijke
Marine wordt dan namelijk vanuit deze posten naar artikel 2 Koninklijke Marine overgeheveld.
24.
Kunt u toelichten waarom de kosten voor externe inhuur bij de Koninklijke Landmacht
in 2026 maar 66% bedragen ten opzichte van de kosten in 2025?
Zie het antwoord op vraag 4.
25.
Kunt u toelichten waarom de kosten voor externe inhuur bij de Koninklijke Luchtmacht
in 2026 maar 55% bedragen ten opzichte van de kosten in 2025?
Zie het antwoord op vraag 4.
26.
Kunt u inzicht geven in de gemaakte en begrote kosten voor het bewaken en beveiligen
van objecten, diensten en personen per respectievelijk jaar in 2024–2030?
Afgelopen jaren heeft het kabinet geïnvesteerd in het stelsel Bewaken en Beveiligen
van personen waarbij extra middelen zijn toegekend aan de Koninklijke Marechaussee
(KMar) om meer bedreigde personen te kunnen bewaken en beveiligen. Voor de inzet van
persoonsgerichte maatregelen van politie en KMar wordt capaciteit proportioneel aan
de dreiging ingezet. Dit kan fluctueren en wordt bepaald vanuit het inlichtingenbeeld
dat periodiek en realtime wordt vastgesteld. Afgezien van de sinds 2019 toegekende
claims wordt in de administratie geen apart overzicht bijgehouden van de gerealiseerde
kosten naar de verschillende taakvelden van de KMar. Dit is opgenomen in de algemene
begroting van de KMar.
27.
Hoe wordt de effectiviteit gemeten van de additionele middelen die zijn toegekend
voor de intensivering van de grensbewaking door de Koninklijke Marechaussee en welke
concrete resultaten worden in 2026 verwacht?
Met het toekennen van de gelden voor de intensivering van de grensbewaking door de
Koninklijke Marechaussee beoogt het kabinet het tegengaan van illegale migratie, mensensmokkel,
grensoverschrijdende criminaliteit aan zowel de Nederlandse binnengrenzen, de buitengrens
van het Schengengebied als in Caribisch Nederland. Aan de Nederlandse grenzen wordt
de controle geïntensiveerd binnen de kaders van de Schengengrenscode. Het investeren
in grenstoezicht is noodzakelijk om Nederland en het Schengengebied veilig, open en
welvarend te houden. Deze toename aan capaciteit en innovatie stelt de KMar beter
in staat om haar werkzaamheden op een professionele wijze uit te voeren, waarbij zij
beter bestand is tegen de toegenomen reizigersaantallen en andere ontwikkelingen in
het grensdomein. In 2026 zullen de eerste operationele medewerkers instromen, maar
zal de focus met name liggen op de realisatie van innovatieve projecten die de KMar
in staat stellen om meer datagedreven en informatie gestuurd te opereren.
Over de resultaten van de binnengrenscontroles die onlangs in het kader van artikel
25 van de Schengengrenscode zijn ingevoerd, wordt uw Kamer periodiek geïnformeerd.
Deze grenscontroles worden niet gefinancierd met de toegekende additionele middelen.
28.
Kunt u toelichten waarom de kosten voor externe inhuur bij de Koninklijke Marechaussee
204% bedragen ten opzichte van de kosten in 2025?
Zie het antwoord op vraag 4 voor de uitleg over de begrotingssystematiek met betrekking
tot de post externe inhuur. Het budget voor externe inhuur in 2025 bij de Koninklijke
Marechaussee wordt bij de tweede suppletoire begroting 2025 nog opgehoogd. Het budget
hiervoor zal hierna in 2026 lager zijn dan in 2025. Dit komt dan overeen met het beeld
bij de overige Defensieonderdelen.
29.
In het jaar 2026 blijft voor COMMIT de nadruk liggen op de structurele personele groei
van de organisatie, omdat deze groei nodig is om de opdrachten uit de Defensienota
2024 te kunnen uitvoeren. Toch neemt het bedrag voor personele uitgaven af, hoe valt
dit te rijmen met de structurele personele groei van de organisatie?
Het lagere budget voor personele uitgaven in 2026 ten opzichte van 2025 wordt voornamelijk
veroorzaakt door een lager budget voor externe inhuur. Het budget voor de post externe
inhuur wordt voor het grootste deel in het betreffende uitvoeringsjaar zelf vastgesteld.
Vandaar dat deze post vanaf 2026 lager is (zie ook het antwoord op vraag 4). Wanneer
tijdens het uitvoeringsjaar 2026 blijkt dat een deel van de functies niet kan worden
gevuld met eigen personeel dan wordt de post externe inhuur met de suppletoire begrotingen
opgehoogd om op alternatieve wijze in de benodigde personele capaciteit te kunnen
voorzien.
Daarnaast is met de invoering van het Individueel Keuze Budget (IKB) budget beschikbaar
gesteld voor de uitkering van reeds in 2024 opgebouwd vakantiegeld en de eindejaarsuitkering
die in 2025 is uitbetaald. Dit betrof een incidentele ophoging in 2025 van het budget
eigen personeel (€ 20,5 miljoen). Vanaf 2026 is een oplopende reeks zichtbaar in de
begroting die in verband staat met de benodigde personele groei van de organisatie.
30.
Kunt u toelichten waarom de kosten voor externe inhuur bij COMMIT in 2026 maar één derde
deel bedragen ten aanzien van de kosten in 2025?
Zie het antwoord op vraag 4.
31.
Waarom neemt het budget voor het Defensie Ondersteuningscommando (DOSCO) af gezien
de beleidsdoelen om DOSCO te ontwikkelen tot een «naar een operationele, wendbare
en schaalbare organisatie die altijd en overal ondersteuning levert» en de noodzaak
om te blijven «investeren in het opleiden en de persoonlijke ontwikkeling van het
defensiepersoneel»? Hoe zijn deze beleidsdoelen concreet vertaald naar budget?
Het lagere budget voor de apparaatsuitgaven in 2026 voor DOSCO ten opzichte van 2025
wordt voornamelijk veroorzaakt door een eenmalige kostenpost in 2025 van € 31,8 miljoen.
In de latere jaren valt deze eenmalige piek in 2025 en de daling in 2026 ten opzichte
van deze piek weg tegen de oplopende reeks die in verband staat met de personele groei.
Defensie heeft in 2024 namelijk conform het arbeidsvoorwaardenakkoord eenmalig een
vergoeding in het kader van duurzaamheid aan het personeel betaald. Deze vergoeding
valt onder de Werkkostenregeling (WKR). Belasting op grond van de WKR wordt na afloop
van het kalenderjaar afgedragen aan de Belastingdienst. Defensie was daarom in 2025
belasting verschuldigd over de duurzaamheidsvergoeding. Het budget voor de WKR-afdracht
is centraal belegd bij DOSCO. DOSCO heeft daarom hiervoor in 2025 aanvullend budget
ontvangen van € 31,8 miljoen.
Vervolgens is vanaf 2026 weer een oplopende budgetreeks aan apparaatsuitgaven zichtbaar
in de begroting, die in verband staat met de benodigde personele groei van de organisatie.
Met de Defensienota’s uit 2022 en 2024 is er voor deze beleidsdoelen budget uitgetrokken
en uitgedeeld aan de Defensieonderdelen, waardoor ten opzichte van 2024 een stijgende
budgettaire reeks zichtbaar is. Deze reeks zal de komende jaren verder stijgen wanneer
plannen, waarvoor budget gestald is op artikel 12 Nog onverdeeld en het Defensiematerieelbegrotingsfonds,
uitgewerkt zijn en tot uitvoering komen. Het budget dat bestemd is voor DOSCO wordt
dan namelijk vanuit deze posten naar artikel 8 Defensie Ondersteuningscommando overgeheveld.
32.
Kunt u toelichten waarom de kosten voor externe inhuur bij DOSCO in 2026 maar 10%
bedragen ten opzichte van de kosten in 2025?
Zie het antwoord op vraag 4.
33.
Kunt u toelichten waarom de kosten voor externe inhuur bij het Apparaat Kerndepartement
in 2026 maar 60% bedragen ten opzichte van de kosten in 2025?
Zie het antwoord op vraag 4.
34.
Hoe wordt de budgettaire reservering van € 8,15 miljard voor de affinanciering van
militaire pensioenen in 2026 beïnvloed door de actuele dekkingsgraad van het ABP en
de rentetermijnstructuur en welke risico’s ziet u voor een mogelijke over- of onderschrijding
van dit bedrag?
De budgettaire reservering van € 8,15 miljard voor de affinanciering van militaire
pensioenen is gebaseerd op de contante waarde van de pensioenverplichtingen inclusief
een opslag voor de ABP-dekkingsgraad. Als de contante waarde van de pensioenverplichtingen
of de ABP-dekkingsgraad veranderen, dan kan dat invloed hebben op de affinancieringssom
(inkoopsom) die Defensie aan ABP moet betalen. Wanneer de rente stijgt, daalt de contante
waarde van de pensioenverplichtingen, en omgekeerd. Daarnaast geldt dat wanneer de
ABP-dekkingsgraad stijgt, de opslag die onderdeel is van de affinancieringssom eveneens
toeneemt; ook hier geldt het omgekeerde.
De budgettaire reservering van € 8,15 miljard bij de Voorjaarsnota 2025 is vastgesteld
op basis van de actuele ABP-dekkingsgraad en rentetermijnstructuur op dat moment.
Uiteindelijk zijn de rentetermijnstructuur en de ABP-dekkingsgraad die gelden op 31 december
2026 bepalend voor het definitieve bedrag dat nodig is voor de affinanciering van
de begrotingsgefinancierde militaire pensioenen. Of de rentetermijnstructuur respectievelijk
de dekkingsgraadopslag daalt of stijgt ten opzichte van de stand die gehanteerd is
ten tijde van de Voorjaarsnota 2025 is niet te voorspellen. Het risico dat er sprake
zal zijn van een over- of onderschrijding is reëel en daarom zal de budgettaire reservering,
indien nodig, worden aangepast in de begroting.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.M. Paternotte, voorzitter van de vaste commissie voor Defensie -
Mede ondertekenaar
N.E. Manten, adjunct-griffier
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.