Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 832 Wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met het opnemen van medisch hulpverlener acute zorg en klinisch fysicus in de lijst van registerberoepen
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
I ALGEMEEN
1.1 Inleiding
De doelstelling van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna:
de Wet BIG) is tweeledig: het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de beroepsuitoefening
en het beschermen van de patiënt tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen door beroepsbeoefenaren
in de individuele gezondheidszorg. Niet alle beroepen in de zorg worden wettelijk
gereguleerd. Wettelijke regulering van beroepen vindt alleen plaats voor beroepsbeoefenaren
die risicovolle handelingen verrichten of als dat anderszins vanuit het perspectief
van patiëntveiligheid nodig is. De Wet BIG kent twee regimes om beroepen te reguleren.
Er is een zogenaamd «zwaar» regime op grond van artikel 3 en een zogenaamd «licht» regime op grond van artikel 34. Beroepen in het lichte regime kennen een beschermde
opleidingstitel. Deze titel mag gevoerd worden als een opleiding is afgerond die voldoet
aan de bij of krachtens de wet gestelde eisen. Beroepen in het zware regime kennen
een beschermde beroepstitel en zijn onderworpen aan het tuchtrecht. Voor deze beroepen
met een beschermde beroepstitel is het BIG-register in het leven geroepen. De titels
van die beroepen mogen gevoerd worden indien de beroepsbeoefenaar op dat moment als
zodanig is ingeschreven in het voor dat beroep ingestelde BIG-register (constitutieve
registratie). In artikel 3 van de Wet BIG zijn momenteel elf beroepen opgenomen, zoals
bijvoorbeeld de arts, tandarts en de verpleegkundige. Dit worden ook wel de «basisberoepen» genoemd.
Dit wetsvoorstel regelt dat de beroepen medisch hulpverlener acute zorg (MHAZ) en
klinisch fysicus beschermde beroepstitels worden en voor die beroepen registers worden
ingesteld. Voor beroepsbeoefenaren die als zodanig in het BIG-register zijn geregistreerd
wordt daarmee het tuchtrecht van toepassing. Daartoe wordt voorgesteld de artikelen
3 en 47 van de Wet BIG aan te passen. Ook wordt de mogelijkheid in de Wet BIG opgenomen
om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen over de opleidingseisen en
het deskundigheidsgebied van de MHAZ en de klinisch fysicus. Daarnaast wordt geregeld
dat aan de klinisch fysicus, met uitzondering van de klinisch fysicus audioloog, de
zelfstandige bevoegdheid wordt toegekend tot het verrichten van handelingen met gebruikmaking
van radioactieve stoffen of toestellen die ioniserende stralen uitzenden. Deze handelingen
vallen onder de zogenaamde «voorbehouden handelingen». Voor wat betreft de MHAZ zal een functionele zelfstandigheid voor het verrichten
van bepaalde voorbehouden handelingen worden toegekend in het Besluit functionele
zelfstandigheid.
Hiernaast brengt dit wetsvoorstel een wijziging aan in de regels die gelden voor periodieke
registratie; daartoe wordt artikel 8, tweede lid, Wet BIG aangepast. Om het moment
van periodieke registratie te bepalen zijn de in het tweede lid van artikel 8 van
de wet vastgelegde peildata van belang. De wijziging ziet op de situatie dat er sprake
is van een buitenlands diploma dat erkend is en waarbij een aanpassingsstage is gevolgd
of een proeve van bekwaamheid is afgelegd. Met deze wijziging wordt een onderscheid
gemaakt tussen beroepsbeoefenaren die direct een erkenning van beroepskwalificaties
ontvangen en beroepsbeoefenaren die daarvoor eerst nog een aanpassingsstage of proeve
van bekwaamheid moeten verrichten. Hiermee wordt de eerdere wijziging uit 2019 van
dit artikel waarmee de datum van het behaalde diploma op grond waarvan een erkenning
van beroepskwalificaties is verkregen, als peildatum voor de periodieke registratie
is gaan gelden gedeeltelijk ongedaan gemaakt. Dit omdat gebleken is, dat deze wijziging
voor sommige beroepsbeoefenaren in praktijk onwenselijk uitpakte.
Tot slot maakt dit wetsvoorstel expliciet dat de tuchtrechtelijke procedure voor wat
betreft de indiening en uitwisseling van stukken digitaal kan plaatsvinden.
1.2 Aanleiding opname beroepen MHAZ en klinisch fysicus in de Wet BIG
1.2.1 Beroep MHAZ
In 2017 is op grond van artikel 36a van de Wet BIG gestart met een experiment voor
de duur van vijf jaar waardoor de beroepsgroep Bachelor Medisch Hulpverlener (hierna:
BMH) tijdelijk zelfstandig bevoegd was tot het verrichten van specifiek aangewezen
voorbehouden handelingen.1 Het beroep van de BMH is geïntroduceerd om een bijdrage te leveren aan de toenemende
behoefte aan medisch ondersteunend personeel als gevolg van een stijgende vraag naar
zorg in acute situaties. Daarnaast heeft de toenemende behoefte aan breder inzetbaar
personeel geleid tot de opleiding tot BMH. Hiermee worden zorgprofessionals opgeleid
die flexibel inzetbaar zijn. Het experiment maakte het mogelijk dat de BMH tijdelijk
op eigen gezag bepaalde voorbehouden handelingen kon indiceren en verrichten binnen
het eigen deskundigheidsgebied. Doel van het experiment was om te bezien of een zelfstandige
bevoegdheid van de BMH in de dagelijkse praktijk vereist is om een bijdrage te leveren
aan doelmatigere en effectievere zorg.
Het experiment, dat tot 1 mei 2022 liep, is geëvalueerd door het evaluatieteam Taakherschikking
van het Maastricht UMC+.2 Dit onderzoek bevestigde dat deze professionals een toegevoegde hebben in de zorg.
Naar aanleiding van de evaluatie heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport (hierna: VWS) de Tweede Kamer geïnformeerd voornemens te zijn om een wetsvoorstel
voor te bereiden waarmee de BMH voor de specifieke context van de acute zorg wordt
opgenomen in artikel 3 van de Wet BIG met een functioneel zelfstandige bevoegdheid
voor bepaalde voorbehouden handelingen. Dit onder de voorwaarden dat het beroep daarbij
een andere naam zou krijgen (zie hierover paragraaf 2.3.2) en er meer praktijkuren
in de opleiding zouden worden opgenomen (paragraaf 2.3.1), zodat de bekwaamheid op
het moment van afronding van de opleiding is gewaarborgd.3 Het Tijdelijk besluit zelfstandige bevoegdheid bachelor medisch hulpverlener is daarop
per 1 mei 2022 komen te vervallen. Vanaf deze datum verricht de BMH de werkzaamheden
binnen de mogelijkheden die de artikelen 35 en 38 van de Wet BIG biedt met de opdrachtverlening.
Het heeft voor de opleidingen enige tijd gekost om de opleiding aan te passen aan
deze gestelde voorwaarden. Inmiddels is aan de hiervoor genoemde voorwaarden voor
opname in de Wet BIG voldaan (een andere naam voor het beroep BMH en meer praktijkonderwijs)
en wordt met dit wetsvoorstel voorgesteld het beroep in artikel 3 van de Wet BIG op
te nemen.
In hoofdstuk 2 van deze memorie van toelichting wordt nader ingegaan op de MHAZ, zoals
de BMH inmiddels wordt aangeduid. In het vervolg van deze memorie van toelichting
(paragrafen 2.1 tot en met 2.3.2) wordt de aanduiding BMH gebruikt als het gaat over
de opleiding, het experiment en de evaluatie daarvan. De nieuwe aanduiding MHAZ wordt
gebruikt voor de periode na het experiment (vanaf paragraaf 2.4).
1.2.2 Beroep klinisch fysicus
Op 10 december 2018 heeft de Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica (hierna:
NVKF) een verzoek ingediend om de klinisch fysicus als beroep beroepstitelbescherming
te geven en daartoe op te nemen in artikel 3 van de Wet BIG. De NVKF acht het noodzakelijk
om de klinisch fysicus als beschermd beroep te reguleren vanwege de kwaliteit, veiligheid
en transparantie van de individuele patiëntenzorg. Op 1 april 2019 is aan het Zorginstituut
Nederland (hierna: het Zorginstituut) gevraagd het verzoek van de NVKF te beoordelen
en advies uit te brengen over opname van de klinisch fysicus in artikel 3 van de Wet
BIG.4 Het Zorginstituut heeft vervolgens twee adviezen uitgebracht (eerste advies op 14 februari
2023 en het tweede advies op 10 juli 2024) die tezamen tot de conclusie leiden dat
er noodzaak is om het beroep klinisch fysicus in artikel 3 van de Wet BIG op te nemen.5 Deze positieve adviezen vormen de directe aanleiding voor dit wetsvoorstel.
In hoofdstuk 3 van deze memorie van toelichting wordt nader ingegaan op de klinisch
fysicus.
2. Beroep MHAZ
2.1 Achtergrond en positie MHAZ
De directe aanleiding om voor het beroep MHAZ een beschermde titel te regelen is gelegen
in het feit dat het experiment heeft aangetoond dat de MHAZ een grote toegevoegde
waarde heeft in de zorg en kan bijdragen aan «handen aan het bed» in de spoedeisende
en acute zorg.
De BMH is een relatief nieuwe zorgprofessional in de Nederlandse gezondheidszorg.
De hbo-opleiding BMH is in 2010 geïntroduceerd door de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen
(HAN) en de Hogeschool Utrecht (HU) en in 2012 gevolgd door de Hogeschool Rotterdam,
om te anticiperen op een sterk toenemende vraag naar medisch ondersteunend personeel
in de zorg en bredere opleidingsperspectieven en daarmee bredere inzetbaarheid van
zorgprofessionals te realiseren. De opleiding is een vierjarige bacheloropleiding
gericht op de behandeling van patiënten in (mogelijk) levensbedreigende situaties.
Gedurende de opleiding verwerft de BMH een brede medisch ondersteunende basiskennis
binnen de deelgebieden acute zorg, interventiezorg of diagnostiek. De opleiding kende
aanvankelijk in de eerste twee jaar een gezamenlijk deel met daarna verschillende
uitstroomrichtingen. Na het tweede jaar volgde een differentiatie op één van de volgende
deelgebieden: ambulancezorg, spoedeisende hulp, anesthesie, operatieve zorg en cardiodiagnostiek/interventie-cardiologie.
De opleiding is gebaseerd op de systematiek van de Canadian Medical Education Directions
for Specialists (CanMeds) met zeven competentiegebieden of rollen: medisch hulpverlener,
communicator, teamspeler, organisator, belangenbehartiger, innovator of educator en
lerende professional. De BMH kan dankzij de brede opleiding in de acute zorg in verschillende
zorgsettings worden ingezet, wat de BMH onderscheidt van meer specifiek opgeleide
beroepsbeoefenaren. Met de positionering in het medisch (ondersteunend) domein, onderscheidt
de BMH zich van de verpleegkundige. In de algemene maatregel van bestuur op grond
van artikel 33h van de Wet BIG zal het deskundigheidsgebied van de BMH nader worden
omschreven. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de tijdelijke zelfstandige bevoegdheid
van de BMH die zij tijdens het experiment hadden6, de evaluatie van het experiment en de vormgeving die plaatsvindt bij andere beroepsgroepen,
zoals de physician assistant.
2.2 Experiment met het beroep BMH
Op grond van artikel 36a van de Wet BIG kunnen bij wijze van experiment bepaalde categorieën
beroepsbeoefenaren bij algemene maatregel van bestuur voor een periode van maximaal
vijf jaar zelfstandig bevoegd worden verklaard tot het verrichten van in de maatregel
aangewezen voorbehouden handelingen. Van 1 mei 2017 tot 1 mei 2022 is van deze mogelijkheid
gebruik gemaakt door aan de BMH een tijdelijke zelfstandige bevoegdheid toe te kennen
om vijf van de in totaal veertien bestaande voorbehouden handelingen te verrichten.
Het betrof de volgende voorbehouden handelingen:
a. het geven van een subcutane, intramusculaire of intraveneuze injectie (artikel 36,
vijfde lid, Wet BIG);
b. het verrichten van een katheterisatie van de blaas bij volwassenen alsmede het inbrengen
van een maagsonde of een infuus (artikel 36, vierde lid, Wet BIG);
c. het verrichten van bloedafname via een venapunctie (artikel 36, zesde lid, Wet BIG);
d. het verrichten van electieve cardioversie (artikel 36, negende lid, Wet BIG);
e. het verrichten van de volgende handelingen in het kader van acute zorg:
i. het toepassen van defibrillatie (artikel 36, tiende lid, Wet BIG);
ii. het in-, of extuberen van de luchtpijp met een orale of nasale tube (Deze handeling
valt onder de categorie «katheterisaties uitvoeren» als bedoeld in artikel 36, vierde
lid, Wet BIG);
iii. het toepassen van een drainagepunctie bij een spanningspneumathorax (artikel 36, zesde
lid, Wet BIG).
De tijdelijke zelfstandige bevoegdheid was in omvang beperkt. De bevoegdheidsgrenzen
van de BMH werden bepaald door de opleiding, door de eigen bekwaamheid (artikel 35a
van de Wet BIG), door de omschrijving van het deskundigheidsgebied en door de in het
experiment gestelde beperkingen, namelijk dat het moest gaan om:
a. handelingen van een beperkte complexiteit;
b. routinematige handelingen;
c. handelingen waarvan de risico’s te overzien zijn;
d. handelingen die worden uitgeoefend volgens landelijke geldende richtlijnen, standaarden
en daarvan afgeleide protocollen.
Het experiment is gestart om te beoordelen in hoeverre en voor welke voorbehouden
handelingen het doelmatig en effectief zou zijn de in het kader van het experiment
toegekende zelfstandige bevoegdheid tot het verrichten van voorbehouden handelingen,
definitief aan de BMH toe te kennen. De evaluatie van het experiment is uitgevoerd
door het evaluatieteam Taakherschikking van het Maastricht UMC+. Gezien de differentiaties
en deelgebieden waarbinnen de BMH werkzaam kan zijn, heeft het Maastricht UMC+ op
verzoek van de Minister van VWS onderzoek gedaan naar de specifieke context waarin
de BMH werkzaam is, de positionering van de BMH in relatie tot andere beroepsbeoefenaren
die in dezelfde werksetting (ambulancezorg, spoedeisende hulp, anesthesie, operatieve
zorg en cardiodiagnostiek) werkzaam zijn en de tewerkstelling van de BMH na het afstuderen.
Daarbij is bekeken of de BMH voldoende opgeleid is voor de specifiek toegekende taken.
Uit het evaluatierapport bleek dat het beroep en daarmee de positionering van de BMH
in diverse organisaties ten tijde van het onderzoek nog volop in ontwikkeling was.7 De BMH werd ten tijde van het onderzoek ingezet in al bestaande functies van bestaande
professionals; bijvoorbeeld in een vergelijkbare functie als die van ambulanceverpleegkundige,
met dezelfde taken als deze heeft. Afhankelijk van de setting kon de BMH naast de
vergelijkbare functie van de al genoemde ambulanceverpleegkundige, ook de functie
van SEH-verpleegkundige, anesthesiemedewerker, operatieassistent, hartfunctielaborant,
medewerker hartcatheterisatiekamer (HCK) of van de EHH/CCU8 verpleegkundige vervullen. Dit zijn functies waarin die andere professionals ofwel
een functionele zelfstandigheid (verpleegkundige functie) hebben ofwel op basis van
een opdracht op grond van de artikelen 35 en 38 van de Wet BIG (niet-verpleegkundige
functie) werken. Conclusie van de onderzoekers was dat de BMH een toegevoegde waarde
heeft in de zorg en kan bijdragen aan het vergroten van het aantal «handen aan het bed», met name in de spoedeisende en de acute zorg. De onderzoekers bevelen daarom aan
het beroep BMH op te nemen in artikel 3 van de Wet BIG en daarbij een wettelijke zelfstandige
bevoegdheid (artikel 36 Wet BIG) toe te kennen aan de BMH werkzaam in de ambulancezorg,
de spoedeisende hulp en de cardiologie setting. Er was volgens de onderzoekers echter
geen aanleiding om een zelfstandige bevoegdheid toe te kennen aan de BMH werkzaam
in een anesthesiesetting en de operatieve zorg. In vergelijking met de andere BMH’ers
worden door de BMH’ers werkzaam in de anesthesiesetting namelijk minder voorbehouden
handelingen op eigen indicatie verricht. Het merendeel van de handelingen wordt in
de anesthesie verricht op basis van een opdracht. Op basis van de data uit het evaluatieonderzoek,
konden geen conclusies met betrekking tot de BMH in de operatieve zorg getrokken worden.
Dit vanwege een te lage en daarmee onbetrouwbare respons op de voorgelegde vragen
van de BMH’ers werkzaam in de setting van de operatieve zorg.
Gedurende de evaluatie van het experiment is verder gebleken dat de bekwaamheid van
de BMH met betrekking tot de voorbehouden handelingen niet altijd voldoende was gewaarborgd.
Het bleek dat zorgprofessionals in de praktijk na het behalen van het bachelorsdiploma
van de BMH-opleiding een extra traineetraject of een aanvullende scholing moesten
volgen bij het College Zorgopleidingen (CZO)9 voordat deze zorgprofessionals zelfstandig aan de slag konden. Dat duurde gemiddeld
45 weken na afronding van de opleiding. Het noodzakelijke aanvullende traineetraject
was enerzijds gericht op scholing in competenties en anderzijds in het opdoen van
ruimere praktijkervaring. Daarbij werd opgemerkt dat de BMH-opleiding veel minder
praktijkuren bleek te kennen (1.680 uur/ongeveer 51 weken) dan de opleiding tot verpleegkundige
(tenminste 2.300 uur/ongeveer 70 weken). Ook bleek uit de evaluatie dat het lastig
was om gedurende de opleiding een stageplaats te vinden. Ambulancediensten en ziekenhuizen
waren bij aanvang zeer terughoudend in het beschikbaar stellen van stageplaatsen.
Dat had onder andere te maken met de onbekendheid van het beroep in het bestaande
werkveld.
2.3 Beleidsreactie op evaluatie experiment en voorwaarden voor wettelijke regulering
BMH
In de beleidsreactie op het evaluatierapport10 heeft de Minister van VWS aangekondigd dat de BMH voor de specifieke context van
de spoedeisende acute zorg11 – te weten de ambulancezorg, spoedeisende hulp en cardiodiagnostiek/interventiecardiologie
– een beschermde beroepstitel krijgt (artikel 3 Wet BIG). Daarbij is aangegeven dat
een functionele zelfstandigheid wordt toegekend voor het verrichten van bepaalde voorbehouden
handelingen en dus niet, zoals door de evaluatiecommissie is geadviseerd, een volledig
zelfstandige bevoegdheid toe te kennen. Op het onderscheid wordt nader ingegaan in
paragraaf 2.4.2. De hoofdreden van deze keuze is de gewenste samenhang van het beroep
BMH met vergelijkbare beroepen zoals de ambulanceverpleegkundige. Ook ambulanceverpleegkundigen
werken in opdracht van een zelfstandig bevoegde zorgverlener en verrichten dezelfde
soort werkzaamheden als de BMH. Daarbij heeft meegewogen de gedachte om beroepen die
met elkaar samenhangen ook zoveel mogelijk in samenhang te reguleren. Aan het beschermen
van de beroepstitel van de BMH zijn in voornoemde beleidsreactie twee voorwaarden
verbonden. De eerste dat het opleidingsprogramma voor de BMH, voor de specifieke context
van de spoedeisende acute zorg wordt aangepast, zodat er gedurende de opleiding meer
praktijkervaring wordt opgedaan. De tweede voorwaarde was dat het beroep BMH een andere
naam zou gaan dragen. Hieronder wordt op deze voorwaarden nader ingegaan.
2.3.1 De voorwaarde meer praktijkonderwijs
Zorgprofessionals dienen na afloop van het reguliere bachelorsopleidingsprogramma
van de BMH-opleiding voldoende bekwaam te zijn om zonder begeleiding werkzaam te zijn.
Het is niet de bedoeling dat iemand een BIG-registratie verkrijgt, terwijl diegene
nog een opleidingsdeel moet volgen om het betreffende beroep uit te kunnen oefenen.
Daarom is voor opname van het beroep BMH in de Wet BIG de voorwaarde gesteld dat de
initiële opleiding wordt aangepast en hierin meer praktijkuren worden opgenomen, zodat
de bekwaamheid op het moment van afronding van de opleiding is gewaarborgd. Hoeveel
meer praktijkuren dit zou moeten zijn, is in de hiervoor genoemde beleidsreactie op
de evaluatie van het experiment in het midden gelaten. Wel is in de bedoelde beleidsreactie
opgenomen dat de BMH-opleiding minder praktijkuren kende dan de opleiding tot verpleegkundige12, hoewel dit niet wil zeggen dat de BMH-opleiding exact hetzelfde aantal praktijkuren
zou moeten omvatten als de opleiding tot verpleegkundige. Beide beroepen zijn immers
niet hetzelfde. De verpleegkundige wordt voor een veel breder werkveld opgeleid (van
ouderenzorg, geestelijke gezondheidszorg en thuiszorg tot en met ziekenhuiszorg).
Dat vraagt van de verpleegkundige in opleiding dat ook ervaring opgedaan wordt in
deze verschillende contexten en daarvoor zijn meer stage-uren noodzakelijk dan voor
de BMH. Nog niet duidelijk was echter hoeveel praktijkuren nodig zouden zijn om na
afronding van de opleiding een bekwaam BMH’er te zijn. De Vereniging Hogescholen heeft
begin 2024 aangegeven dat het aantal praktijkuren binnen het huidige curriculum van
de bacheloropleiding Medische Hulpverlening inmiddels is uitgebreid en voldoende is
(gemiddeld 1.900 uren13) om de studenten de vereiste eindkwalificaties te laten behalen. Dit aantal uren
blijkt nu inderdaad voldoende te zijn om BMH’ers op te leiden die na succesvolle afronding
van de opleiding (start)bekwaam zijn om onder andere voorbehouden handelingen die
bij het beroep horen uit te voeren. De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie
(NVAO) heeft de opleiding bij alle drie de Hogescholen dan ook als voldoende geaccrediteerd.
Daarmee bestaan er voldoende waarborgen dat deze hogescholen bevoegde en bekwame studenten
afleveren.
2.3.2 De voorwaarde naam beroep BMH
In de hiervoor genoemde beleidsreactie op het experiment is aangegeven dat de naam
BMH geen geschikte beroepstitel is voor het nieuwe beroep. De term «bachelor» wordt op basis van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek gehanteerd
in de context van een opleiding of graad, waardoor het niet mogelijk is deze term
te gebruiken voor een beroepstitel. Daarnaast is de naam «medisch hulpverlener» onvoldoende duidelijk als afzonderlijke beroepstitel in de Wet BIG. De term «medisch hulpverlener» heeft een onvoldoende onderscheidend karakter. Voor een patiënt zal de beroepstitel
medisch hulpverlener dan ook onvoldoende duidelijkheid bieden over wat het beroep
precies inhoudt. Daarom heeft de Minister van VWS de Nederlandse Vereniging voor Bachelor
Medisch Hulpverleners (NVBMH) gevraagd een andere naam te bedenken voor het beroep.
De NVBMH heeft de naam «medisch hulpverlener acute zorg» voorgedragen. Met deze beroepsnaam
komt duidelijk tot uitdrukking dat het gaat om een beroepsbeoefenaar die werkt in
de context van de acute zorg. De herkenbaarheid van het beroep dat is opgebouwd sinds
de start van de opleiding in 2010 blijft op deze manier behouden. De naam MHAZ is
daarmee voldoende duidelijk en zal als nieuwe aanduiding van het beroep gaan gelden.
2.4 Wettelijke regulering; artikel 3 Wet BIG en functionele zelfstandigheid
2.4.1 Regulering in artikel 3 van de Wet BIG
De MHAZ (met als voorloper de BMH) heeft zich sinds het betreden van het werkveld
in 2014 als zorgprofessional verder ontwikkeld. De positionering van de MHAZ is sindsdien
duidelijker geworden en is verder uitgekristalliseerd. Zoals in paragraaf 1.2 aangegeven
kende de opleiding in eerste instantie een gezamenlijk deel van twee jaar met daarna
de differentiaties ambulancezorg, spoedeisende hulp, anesthesie, operatieve zorg en
cardiodiagnostiek/interventiecardiologie. Inmiddels is de opleiding BMH doorontwikkeld
tot de opleiding MHAZ die voor de hele breedte van de acute zorg opleidt. De opleidingen
kennen sinds 2021 geen differentiaties meer en zijn daarmee ontwikkeld tot één algemene
opleiding die voor alle MHAZ’ers hetzelfde is. De MHAZ’ers zijn hiermee flexibel inzetbaar
en kunnen zich gedurende hun loopbaan bewegen langs verschillende werkvelden, waar
zij het hardst nodig zijn. Vanaf 1 mei 2022 (datum einde experiment) tot het moment
dat dit wetsvoorstel tot wet verheven is en in werking is getreden, verricht de MHAZ
de voorbehouden handelingen op grond van een opdracht op basis van de artikelen 35
en 38 van de Wet BIG.
Nu aan de twee in de beleidsreactie gestelde voorwaarden voor opname in artikel 3
van de Wet BIG is voldaan (meer praktijkervaring in de opleiding en andere naam van
het beroep BMH genoemd in paragraaf 2.3 van deze memorie van toelichting) wordt voorgesteld
het beroep MHAZ op te nemen in artikel 3 van de Wet BIG. Dit betekent dat op deze
beroepsgroep het publiekrechtelijk tuchtrecht van toepassing wordt. Op basis van het
tuchtrecht kan – als daar reden toe is – een tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd
op grond waarvan de bevoegdheid tot het functioneel zelfstandig verrichten van voorbehouden
handelingen kan komen te vervallen. Hiermee wordt de patiëntveiligheid gewaarborgd
wat zeer wenselijk is omdat de voorbehouden handelingen die de MHAZ functioneel zelfstandig
(dus zonder toezicht en tussenkomst) gaat uitvoeren, een aanmerkelijk risico voor
de patiënt opleveren wanneer deze niet op juiste wijze worden uitgevoerd.
2.4.2 Functionele zelfstandigheid
In de hiervoor genoemde beleidsreactie op de evaluatie van het experiment is de Tweede
Kamer geïnformeerd over de keuze om de MHAZ functionele zelfstandigheid (artikel 39
Wet BIG) voor het verrichten van bepaalde voorbehouden handelingen toe te kennen en
niet een zelfstandige bevoegdheid (artikel 36 Wet BIG) die de onderzoekscommissie
had aanbevolen. Met een functionele zelfstandigheid kan de MHAZ, in opdracht van een
beroepsbeoefenaar met een zelfstandige bevoegdheid, de voorbehouden handelingen verrichten.
Toezicht door en tussenkomst van de opdrachtgever is daarbij niet nodig, zodat de
MHAZ in grote zelfstandigheid kan werken. Het is echter niet noodzakelijk dat de MHAZ
zelf ook opdrachten kan geven aan anderen of indicaties kan stellen. Het toekennen
van een zelfstandige bevoegdheid is daarom niet nodig. De bevoegdheid en de verantwoordelijkheid
voor het stellen van een indicatie voor die voorbehouden handeling blijft berusten
bij de in artikel 36 van de Wet BIG genoemde beroepsbeoefenaren.
Deze keuze voor een functionele zelfstandigheid voor de MHAZ in plaats van een volledig
zelfstandige bevoegdheid zorgt ook voor de juiste samenhang van het beroep MHAZ met
de ambulanceverpleegkundige en de andere vergelijkbare genoemde beroepsgroepen14 in de acute zorg. Bij al deze beroepsgroepen is namelijk geen sprake van een zelfstandige
bevoegdheid maar van een functionele zelfstandigheid dan wel wordt er gebruik gemaakt
van de opdracht op grond van de artikelen 35 en 38 Wet BIG. Door ook geen zelfstandige
bevoegdheid aan de MHAZ toe te kennen, ontstaat daarmee een consistent beeld op dit
vlak.
Zoals in de beleidsreactie aangegeven is wettelijke regulering van het beroep MHAZ
gewenst omdat deze kan voorzien in een behoefte aan extra zorgprofessionals in de
medisch acute zorg. Het expliciet vastleggen van een functionele zelfstandigheid voor
de MHAZ heeft zoals gezegd meerwaarde boven de mogelijkheden die de artikelen 35 en
38 van de Wet BIG al bieden om in opdracht van een zelfstandig bevoegde beroepsbeoefenaar
voorbehouden handelingen te verrichten in situaties waarin niet steeds een zelfstandig
bevoegde beroepsbeoefenaar beschikbaar is om toezicht te houden en tussen te komen.
In de acute zorg is dat vaak het geval. Door de MHAZ functionele zelfstandigheid te
geven, is voor eenieder volstrekt helder dat deze beroepsgroep de voorbehouden handelingen
zelfstandig (zonder toezicht en tussenkomst) kan verrichten. Dat is de meerwaarde
van functionele zelfstandigheid boven een opdracht op grond van de artikelen 35 en
38 van de Wet BIG.
Bij vastlegging van functionele zelfstandigheid mag de opdrachtgever veronderstellen
dat toezicht en tussenkomst niet nodig zijn. Voorts biedt functionele zelfstandigheid
de (tucht)rechter houvast bij het beoordelen van situaties waarin het handelen van
de opdrachtgever of de opdrachtnemer moet worden getoetst. De functionele zelfstandigheid
van de MHAZ zal worden vastgelegd in het Besluit functionele zelfstandigheid.
3. Beroep klinisch fysicus
3.1 Achtergrond en positie klinisch fysicus
De klinisch fysicus is een postdoctoraal opgeleide fysicus die werkzaam is in de medisch-specialistische
zorg. De klinisch fysicus is opgeleid en werkzaam op één van de vier volgende werkterreinen:
de klinische fysica algemeen, klinische fysica radiologie en nucleaire geneeskunde,
klinische fysica radiotherapie en de klinische fysica audiologie. De universitaire
opleiding tot fysicus geeft ruime expertise op het gebied van mechanica, akoestiek
en (ultra)geluid, elektriciteit en magnetisme, ioniserende straling, licht en lasers,
MRI, het in de breedte uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek, doen van experimenten
en het systeem-analytisch denken en uitvoeren van fouten- en risicoanalyses. De vierjarige
specialistische vervolgopleiding tot klinisch fysicus breidt deze kennis uit richting
de patiënt, de geneeskunde en de klinische praktijk. De klinisch fysicus is met deze
brede medisch-fysische, biofysische en fysiologische kennis in staat om als medisch-fysisch
deskundige in de medisch-specialistische zorg bij te dragen aan en deels verantwoordelijk
te zijn voor diagnostiek en therapie van individuele patiënten en van patiëntengroepen.
De klinisch fysicus is als inhoudelijk deskundige verantwoordelijk voor de inzet van
medisch-fysische kennis in de gezondheidszorg. Klinisch fysici werken in algemene
ziekenhuizen, universitair medische centra, radiotherapeutische instituten, audiologische
centra en revalidatiecentra.
Europese regelgeving was in 2005 de aanleiding over te gaan tot het wettelijk regelen
van de opleiding tot klinisch fysicus op grond van artikel 34 van de Wet BIG.15 Het gaat hier om de Europese richtlijn Euratom16 over de bescherming van personen tegen de gevaren van ioniserende straling in verband
met medische blootstelling. Deze richtlijn is geïmplementeerd in het Besluit basisveiligheidsnormen
stralingsbescherming. Op grond van dit besluit moet een klinisch fysicus nauw betrokken
worden bij radiotherapeutische verrichtingen.17 Ook moet de klinisch fysicus beschikbaar zijn bij standaard therapeutische nucleaire
geneeskundige verrichtingen en bereikbaar zijn voor advies over stralingsbeschermingsaspecten.
Naar aanleiding hiervan is het Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied klinisch
fysicus tot stand gekomen dat gebaseerd is op artikel 34 van de Wet BIG. Dit besluit
is op 14 oktober 2009 in werking getreden en is in hoofdzaak gericht op het stellen
van globale eisen die betrekking hebben op de toelating tot de opleiding tot klinisch
fysicus en het deskundigheidsgebied van de klinisch fysicus.
De klinisch fysicus, met uitzondering van de klinisch fysicus audioloog, is verantwoordelijk
voor het berekenen van de dosis van de radioactieve stoffen bij medische toepassing
en de manier waarop deze dosis wordt gegeven aan de patiënt. De klinisch fysicus is
deskundig met betrekking tot het verrichten van de voorbehouden handelingen op het
gebied van de individuele gezondheidszorg met gebruikmaking van radioactieve stoffen
of toestellen die ioniserende stralen uitzenden. Deze voorbehouden handeling is vastgelegd
in artikel 36, achtste lid, van de Wet BIG. Alleen een arts, tandarts en klinisch
technoloog (voor zover de handeling wordt gerekend tot hun gebied van deskundigheid)
mag deze handeling op dit moment zelfstandig verrichten. De klinisch fysicus, met
uitzondering van de klinisch fysicus audioloog, voert deze voorbehouden handeling
op dit moment uit in opdracht van een zelfstandig bevoegde arts (artikelen 35 en 38
Wet BIG).
De beroepsgroep klinisch fysicus heeft een diep verankerde plek in het zorgveld. Sinds
1984 bestaat de opleiding tot klinisch fysicus volgens een eigen opleidingsprogramma.
Ook bestaat er sindsdien een verenigingsregister. De NVKF is de wetenschappelijke
beroepsorganisatie van de klinisch fysicus en bestaat meer dan 50 jaar. De NVKF vertegenwoordigt
alle (aankomende) bij hen geregistreerde klinisch fysici in Nederland en heeft ca.
600 leden waarvan ca. 440 geregistreerde klinisch fysici18. Na een universitaire masterstudie natuurkunde,19 volgt een vierjarige opleiding tot klinisch fysicus. De opleiding wordt gefinancierd
via de Beleidsregel Beschikbaarheidsbijdrage (medische) vervolgopleidingen van de
Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de toewijzing van opleidingsplaatsen vindt plaats
via Stichting BOLS. Na het succesvol afronden van de opleiding volgt opname in het
register van de stichting Opleiding Klinisch Fysicus (OKF). De stichting OKF is verantwoordelijk
voor de opleiding tot klinisch fysicus. De stichting OKF voert het register van geregistreerde
klinisch fysici (opleidingsregistratie). De NVKF voert het private register voor periodieke
registratie van de klinisch fysici. De inhoudelijke beoordeling van de criteria voor
periodieke registratie wordt door de NVKF uitbesteed aan de stichting OKF.
De vierjarige specialistische vervolgopleiding tot klinisch fysicus ziet er als volgt
uit. De basisopleiding van twee jaren biedt iedere klinisch fysicus basiskennis. Thema’s
als veiligheid, stralingshygiëne, attitudevorming en medische beeldvormende diagnostiek
komen aan bod. In de laatste twee jaren wordt gekozen uit één van de vier differentiaties:
– Klinische fysica algemeen (inclusief videologie) – de algemeen klinisch fysicus houdt
zich bezig met verschillende deelgebieden van de klinische fysica en is daardoor breed
inzetbaar. Zo beschikt deze klinisch fysicus over kennis en vaardigheden met betrekking
tot medische technologie die toegepast wordt in therapie, functieondersteuning, bewaking
van stralingshygiënische voorschriften en het uitvoeren van berekeningen en metingen
van stralingsbelasting aan patiënt, apparatuur en werkplek. Deze klinisch fysicus
wordt vaak ook als stralingsbeschermingsdeskundige ingezet.
– Klinische fysica radiologie en nucleaire geneeskunde – de klinisch fysicus radiologie
en nucleaire geneeskunde is expert in een veelheid aan beeldvormende technieken, zoals
toegepast in diverse medische disciplines. Deze is verantwoordelijk voor een systeem
inzake de controle en verbetering van de beeldkwaliteit, en voor de optimalisatie
van diagnostiek en behandeling met ioniserende straling met de daarbij horende dosimetrische
berekeningen.
– Klinische fysica radiotherapie – de klinisch fysicus radiotherapie is expert op het
gebied van interactie van straling en weefsel en is verantwoordelijk voor toepassing
en ontwikkeling van de benodigde apparatuur en technieken (hard en software) voor
de behandeling van patiënten met kanker. Hierbij hoort het uitvoeren van dosimetrie
alsmede het berekenen van dosis en dosisverdelingen en het optimaliseren daarvan.
– Klinische fysica audiologie – de klinisch fysicus audioloog heeft kennis van het normale
en pathologische gehoor- en evenwichtsorgaan, en alle klinisch fysische aspecten van
bestaande en in ontwikkeling zijnde technieken op het gebied van de diagnostiek en
de revalidatie van gehoorstoornissen en daaraan gerelateerde ontwikkelingsstoornissen.
De klinisch fysicus audioloog is vaak hoofdbehandelaar in een multidisciplinair team
dat verantwoordelijk is voor diagnostiek, revalidatie en begeleiding van cliënten
van een audiologisch centrum en is specialist in complexe gehoorproblemen.
De klinisch fysicus maakt een keuze voor één van deze differentiaties.20 Deze differentiaties vormen ook tegelijk de deskundigheidsgebieden en de werkterreinen
van de klinisch fysicus. Het is mogelijk om te specialiseren in meer dan één differentiatie.
Jaarlijks behalen zo’n 22 personen hun verenigingsregistratie als klinisch fysicus.
In 2024 waren er ca. 450 klinisch fysici werkzaam.
De NVKF maakt sinds 2015 deel uit van de Federatie Medisch Specialisten (hierna: FMS).
Door toetreding van de NVKF tot de FMS wordt de beroepsgroep door alle partijen qua
positie als vergelijkbaar beschouwd met een medisch specialisme. Sindsdien is de NVKF
nog verder geprofessionaliseerd, heeft het kwaliteitsbeleid van het vak een vlucht
genomen, wordt veelvuldig multidisciplinaire richtlijnontwikkeling geïnitieerd en
is een kennisagenda gepubliceerd. De NVKF monitort de kwaliteit van het vak met kwaliteitsvisitaties
per instituut.
De deskundigheid van de klinisch fysicus wordt door beroepsbeoefenaren met wie wordt
samengewerkt, herkend en erkend. In de positionering in het ziekenhuis wordt de beroepsgroep
gelijkgeschakeld aan collega-specialisten: de klinisch fysicus is volwaardig lid van
de medische staf en van het medisch specialistisch bedrijf of van de vereniging medisch
specialisten in dienstverband. De klinisch fysicus werkt vooral in loondienst. Er
zijn slechts enkele klinisch fysici bekend die een zelfstandige praktijk voeren.21
3.2 Opname klinisch fysicus in artikel 3 van de Wet BIG
Bij brief van 19 december 2019 is aangekondigd dat samen met het zorgveld een langetermijnvisie
op een toekomstbestendige Wet BIG ontwikkeld zal worden.22 Daarbij is aangegeven dat lopende aanvragen voor opname in de Wet BIG worden afgehandeld
volgens de geldende criteria en nieuwe aanvragen worden opgeschort totdat de Kamer
over deze lange termijnvisie is geïnformeerd. De aanvraag voor het opnemen van de
klinisch fysicus in de Wet BIG was één van deze lopende aanvragen. Daarom is het Zorginstituut23 gevraagd om advies uit te brengen op basis van de criteria uit de beleidslijn24 die op dit moment geldt voor beroepenregulering in de Wet BIG.
De beleidslijn is dat beroepen niet worden opgenomen in de Wet BIG, tenzij wettelijke
regulering noodzakelijk is om de patiënt adequaat te beschermen. Dit zogenaamde «nee, tenzij» principe sluit ook aan bij het Europese normen van het vrije verkeer van personen.
Voor opname van een beroep in artikel 3 van de Wet BIG gelden de volgende criteria,
opgenomen in de Beleidslijn voor het wettelijk reguleren van beroepen:25
– de criteria voor toepassing van regulering op grond van 34 van de Wet BIG: en,
– toekennen van voorbehouden handelingen aan het beroep (het voorbehouden handelingen
criterium) of,
– noodzaak tot publiekrechtelijk tuchtrecht (het tuchtrechtcriterium).
Het voorbehouden handelingen criterium
Voorbehouden handelingen zijn handelingen die zo risicovol zijn voor patiënten, dat
ze alleen veilig zelfstandig verricht kunnen worden door beroepsbeoefenaren met een
bepaalde opleiding. De noodzaak tot opname in artikel 3 Wet BIG is aanwezig wanneer
de beroepsgroep voorbehouden handelingen zelfstandig moet kunnen verrichten. Met het
zelfstandig moeten kunnen verrichten wordt bedoeld dat de beroepsbeoefenaar voorbehouden
handelingen op eigen indicatie moet kunnen uitvoeren.
Om te voldoen aan het voorbehouden handelingen criterium moet de beroepsbeoefenaar
beschikken over de deskundigheid om een voorbehouden handeling zelfstandig te indiceren,
uit te voeren en eventueel te delegeren. Ook is er bij beroepsgroepen die zelfstandig
voorbehouden handelingen mogen verrichten een evidente noodzaak tot toepassing van
het tuchtrecht: via het tuchtrecht kan getoetst worden of de beroepsbeoefenaar heeft
gehandeld zoals van een bekwaam zorgprofessional mag worden verwacht.
Het tuchtrechtcriterium
Ook als een beroepsgroep geen voorbehouden handelingen verricht, kan een beroepsgroep
een beschermde beroepstitel in zin van artikel 3 Wet BIG krijgen. Het kan immers ook
noodzakelijk zijn dat het tuchtrecht op een beroepsgroep van toepassing is, zonder
dat voorbehouden handelingen worden verricht. Bij de beoordeling of wettelijk geregeld
tuchtrecht noodzakelijk is voor een beroep, toetst het Zorginstituut aan de volgende
criteria26:
1) Is de patiënt gezien de aard van de behandeling in hoge mate afhankelijk van de beroepsbeoefenaar?
2) Zijn er voldoende andere correctiemiddelen in de sfeer van de arbeidsverhoudingen
of werkt de beroepsbeoefenaar zelfstandig?
3) Zijn er goed hanteerbare gedragsnormen tot ontwikkeling gekomen?
4) Is er door de organisatie van beroepsbeoefenaren al voor de eigen leden een vorm van
tuchtrechtspraak ingevoerd?
3.3 Adviezen van het Zorginstituut
Op 10 december 2018 heeft de NVKF een verzoek ingediend bij de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport om de klinisch fysicus op te nemen in artikel 3 van de Wet BIG. Het
bestuur van de FMS ondersteunde het verzoek van de NVKF met zijn brief van 10 december
2018. De Minister van VWS heeft op 1 april 2019 het Zorginstituut gevraagd het verzoek
van de NVKF te beoordelen en advies uit te brengen over opname van de klinisch fysicus
in artikel 3 van de Wet BIG. Hierover heeft het Zorginstituut in februari 2023 en
juli 2024 twee adviezen uitgebracht.
Het beroep van de klinisch fysicus is al geregeld op grond van artikel 34 van de Wet
BIG. Daarom is het Zorginstituut gevraagd om te toetsen op de noodzaak voor opname
van het beroep van klinisch fysicus in artikel 3 Wet BIG, de noodzaak tot het zelfstandig
verrichten van voorbehouden handelingen (tweede criterium voor opname in artikel 3
Wet BIG, zie paragraaf 3.2) of de noodzaak van toepassing van het tuchtrecht (het
derde criterium). Bij de advisering heeft het Zorginstituut getoetst aan de in paragraaf
3.2 opgenomen criteria. Het Zorginstituut heeft voor het opstellen van beide adviezen
gesproken met de NVKF en met aanpalende organisaties. Een reactie op de uitkomsten
van de consultaties zijn in de adviezen van het Zorginstituut opgenomen.
3.3.1. Eerste advies: beschermde beroepstitel noodzakelijk voor verrichten voorbehouden
handelingen
In het eerste advies heeft het Zorginstituut allereerst getoetst aan de hand van de
vraag of de beroepsgroep een zelfstandige bevoegdheid nodig heeft voor het verrichten
van voorbehouden handelingen.
Bij de beoordeling of sprake is van een dergelijke noodzaak heeft het Zorginstituut
gekeken of de beroepsgroep beschikt over de deskundigheid om een voorbehouden handeling
(1) zelfstandig te indiceren, (2) uit te voeren (3) en te delegeren. In het geval
van de klinisch fysicus gaat het om het verrichten van handelingen op het gebied van
de individuele gezondheidszorg met gebruikmaking van ioniserende straling. Het Zorginstituut
heeft aan de hand van twee voorbeelden de voorbehouden handelingen met ioniserende
straling uitgewerkt en daarna getoetst of de beroepsbeoefenaren over de deskundigheid
beschikken om de voorbehouden handelingen zelfstandig te indiceren, uit te voeren
en te delegeren. De klinisch fysicus, met uitzondering van de klinisch fysicus audiologie,
verricht onder andere de volgende handelingen met ioniserende straling:
– Dosimetrie
Dosimetrie is het nauwkeurig meten, berekenen of simuleren van de dosis ioniserende
straling ter bepaling van de stralingsbelasting van individuele patiënten. De behandeling
van kanker vergt een zorgvuldige balans tussen het vernietigen van tumorcellen en
het gezond houden van omliggende weefsels. De klinisch fysicus verifieert (meet) voor
de patiënt de juiste dosisafgifte voorafgaand aan en tijdens de behandeling.
– Dosisoptimalisatie
Dosisoptimalisatie in de medische beeldvorming, interventieradiologie en voor planning,
sturen en verificatiedoeleinden, is het zo laag als redelijkerwijs mogelijk houden
van de dosis ioniserende straling aan de individuele patiënt. Hierbij wordt rekening
gehouden met het verkrijgen van de vereiste medische gegevens en met economische en
sociale factoren. In de radiotherapie omvat dosisoptimalisatie het individueel plannen
van de te bestralen doelvolumes en het op passende wijze controleren van de toediening.
Hierbij wordt rekening gehouden dat de doses voor niet-doelvolumes en weefsels zo
laag zijn als redelijkerwijs mogelijk is, zonder aan het beoogde radiotherapeutische
effect afbreuk te doen. Deze optimalisatie wordt uitgevoerd met behulp van zeer complexe
software, die moet worden afgeregeld, gevalideerd en formeel vrijgegeven voor klinisch
gebruik door een klinisch fysicus.
(1) Indiceren
Voor het indiceren van deze voorbehouden handeling is het nodig dat een beroepsbeoefenaar
aan de hand van de gezondheidstoestand van de patiënt een eigen besluit kan nemen
over de noodzaak van de (te verrichten) voorbehouden handeling. Als leidraad voor
wat nodig is om verantwoord een indicatie te stellen, is genomen dat de beroepsbeoefenaar
in elk geval globaal op de hoogte moet zijn van: de aard, inhoud en doel van de voorbehouden
handeling; de (absolute en relatieve) contra-indicaties voor de handeling; de wijze
waarop de handeling is ingepast binnen de (eventueel nog zeer voorlopige of werk-)
diagnose; de risico’s die aan de handeling zijn verbonden en wat te doen als deze
risico’s zich verwezenlijken en de bezwaren die aan de handeling zijn verbonden en
hoe deze moeten worden afgewogen tegen de wenselijkheid c.q. noodzaak van de handeling.27 Het Zorginstituut heeft aan de hand van de voorbehouden handelingen dosimetrie en
dosisoptimalisatie beoordeeld of de klinisch fysicus deskundig is deze zelfstandig
te indiceren.
Dosimetri en dosisoptimalisatie zijn voorbehouden handelingen die veelvuldig voorkomen
in de radiotherapie, radiologie en nucleaire geneeskunde. Op het werkterrein van de
klinisch fysicus audiologie worden vanwege de aard van de werkzaamheden (de audioloog
werkt niet met ioniserende straling) geen voorbehouden handelingen uitgevoerd.
Binnen de radiotherapie, radiologie en nucleaire geneeskunde wordt in ruime mate gebruik
gemaakt van fysische modellen en meettechnieken waarvan de resultaten de basis vormen
voor de interpretatie van klinische meetresultaten en het in te stellen medische beleid.
Waar de arts eindverantwoordelijk is voor het medisch beleid voor de individuele patiënt,
heeft de klinisch fysicus een eigen verantwoordelijkheid voor het verrichten, interpreteren
en beoordelen van fysische metingen en berekeningen voor de individuele patiënt. De
klinisch fysicus is, gezien de genoten opleiding, bij uitstek op de hoogte van de
aard, de inhoud en het doel van de handeling met ioniserende straling. De klinisch
fysicus is verantwoordelijk voor het weergeven van de risico’s die verbonden zijn
aan de handeling met ioniserende straling. In de praktijk heeft dit zijn weerslag
in het geven van advies en overleg met de arts over hoe risico’s moeten worden afgewogen
tegen de wenselijkheid van bijvoorbeeld een bepaalde dosis ioniserende straling. De
klinisch fysicus en de arts werken nauw samen, ieder vanuit zijn eigen deskundigheidsgebied
en bijbehorende verantwoordelijkheid. Bij de indicatie en uitvoering van bepaalde
voorbehouden handelingen met ioniserende straling volgt de arts het advies van de
klinisch fysicus of treedt daarover met de klinisch fysicus in overleg.
Het Zorginstituut concludeert in het eerste advies dat de klinisch fysicus, met uitzondering
van de differentiatie audiologie, de voorbehouden handelingen met ioniserende straling
zelfstandig kan indiceren.
(2) Uitvoeren
Bij het zelfstandig uitvoeren van een voorbehouden handeling is het van belang dat
de beroepsbeoefenaar is opgeleid en de positie heeft om binnen het deskundigheidsgebied
een voorbehouden handeling zonder aanwijzing, toezicht en tussenkomst uit te voeren.
De klinisch fysicus voert op dit moment in opdracht van een arts de voorbehouden handelingen
met ioniserende straling uit. Echter, in de praktijk doet deze dat zonder aanwijzing,
toezicht en tussenkomst door een arts. De klinisch fysicus heeft juist de positie
(en rol) om leidend te zijn in het gebruik van handelingen met ioniserende straling.
De opleiding is daarop ook toegespitst. Het Zorginstituut concludeert dan ook dat
de klinisch fysicus, met uitzondering van de klinisch fysicus met differentiatie audiologie,
deze handelingen met ioniserende straling zelfstandig kan uitvoeren.
(3) Delegeren
Bij het zelfstandig delegeren van een voorbehouden handeling gaat het om het geven
van een opdracht aan een ander tot het uitvoeren van een voorbehouden handeling. Het
Zorginstituut heeft gekeken naar het deskundigheidsgebied en de positionering van
de beroepsgroep in de praktijk. Hierbij spelen verschillende overwegingen een rol.
De klinisch fysicus, met uitzondering van de klinisch fysicus met de differentiatie
audiologie, is in staat de bekwaamheid van anderen voor zover het gaat om de voorhouden
handelingen met ioniserende straling in te schatten. Het Zorginstituut geeft aan dat
de klinisch fysicus ook op dit moment altijd al de functionele leiding en verantwoordelijkheid
heeft binnen de discipline klinische fysica.
De klinisch fysicus, met uitzondering van klinisch fysicus met de differentiatie audiologie,
is in staat in gevallen waarin dit redelijkerwijs noodzakelijk is, aanwijzingen aan
een klinisch fysisch medewerker te geven en ook toezicht en tussenkomst te bieden.
Het Zorginstituut concludeert dat de klinisch fysicus, met uitzondering van de differentiatie
audiologie, ervoor zorgt dat de handelingen, waaronder die met ioniserende straling,
plaatsvinden binnen de kaders van wet- en regelgeving, daarop toezicht houdt, zo nodig
intervenieert en aanwijzingen geeft.
Gezien het voorgaande concludeerde het Zorginstituut dat een zwaardere regulering
van het beroep klinisch fysicus noodzakelijk is vanwege het verrichten van de risicovolle
voorbehouden handelingen met ioniserende straling. Daarbij maakte het Zorginstituut
wel een uitzondering van de klinisch fysicus met differentiatie audiologie, die vanwege
de aard van zijn werkzaamheden deze voorbehouden handeling in de praktijk niet uitvoert.
Toetsing aan het tuchtrechtcriterium was hierdoor niet aan de orde voor de differentiaties
die werken met ioniserende straling. Voor de klinisch fysicus met de differentiatie
audiologie heeft het Zorginstituut hiervoor een apart advies uitgebracht.
3.3.2. Tweede advies: klinisch fysicus audiologie moet onder tuchtrecht vallen
Bij de beoordeling of er voor het beroep klinisch fysicus met de differentiatie audiologie
noodzaak is voor het wettelijk geregelde tuchtrecht heeft het Zorginstituut getoetst
aan de onder 3.2 beschreven criteria. In deze paragraaf volgt een beknopte weergave
van deze toetsing.
Is de patiënt gezien de aard van de behandeling in hoge mate afhankelijk van de beroepsbeoefenaar?
(1)
Bij deze overweging is primair gekeken of de patiënt zich in een zeer afhankelijke
en kwetsbare positie ten opzichte van de beroepsbeoefenaar bevindt, bijvoorbeeld een
één op één situatie. De afhankelijkheid is groter naarmate de behandeling ingrijpender
is en het risico dat de patiënt loopt, groter is. De patiënt is in hoge mate afhankelijk
van de klinisch fysicus audioloog door onder andere de specifieke taken die worden
verricht. De klinisch fysicus audioloog werkt veelal zelfstandig en onder eigen verantwoordelijkheid
en heeft een poortfunctie binnen de audiologische zorg in Nederland. De klinisch fysicus
audioloog is het eerste aanspreekpunt voor de patiënt en verantwoordelijk voor het
eventueel verwijzen van patiënten naar andere beroepsbeoefenaren zoals hieronder genoemd.
De klinisch fysicus audioloog is verantwoordelijk voor het diagnosticeren van patiënten,
het opstellen van een behandelplan (zelfstandig of vanuit een multidisciplinair overleg)
en vervolgens de (gedeeltelijke) uitvoering daarvan. De klinisch fysicus audioloog
heeft een regierol. Deze omvat het fungeren als aanspreekpunt voor de patiënt en diens
naasten, het coördineren en begeleiden van het multidisciplinaire team en de coördinatie
van de inzet van andere beroepsbeoefenaren (bijvoorbeeld: GZ-psychologen, orthopedagogen,
logopedisten, akoepedisten, maatschappelijk werkers en spraak/taalpathologen). Het
is aan de klinisch fysicus audioloog om de zorg tussen verschillende beroepsbeoefenaren
te coördineren en tijdig de voortgang van de behandeling in multidisciplinaire overleggen
te bespreken.
Ook is de klinisch fysicus audioloog betrokken bij behandeltrajecten waarbij de risico’s
voor de patiënt groot zijn. Een voorbeeld hiervan is de behandeling van patiënten
met chemotherapie waarbij gehoorschade kan optreden. Dit soort gehoorschade kan namelijk
leiden tot ernstig gehoorverlies of doofheid met aanzienlijke gevolgen voor (jonge)
kinderen, zoals achterstanden in spraak- en taalontwikkeling.
De verantwoordelijkheid voor het afwegen van de noodzaak van chemotherapie tegen de
lasten van mogelijke gehoorschade ligt zowel bij de oncoloog als de klinisch fysicus
audioloog.
Gelet op de ernst van de aandoeningen die de klinisch fysicus audioloog behandelt,
de specifieke rol die deze binnen de audiologische zorg inneemt en de daarbij horende
verantwoordelijkheden, komt het Zorginstituut tot de conclusie dat patiënten zich
in een zeer afhankelijke en kwetsbare positie bevinden ten opzichte van de klinisch
fysicus audioloog. De één op één relatie met de patiënt in combinatie met de verantwoordelijkheid
om indien nodig door te verwijzen, versterkt de kwetsbaarheid aanzienlijk. Een bijkomende
factor hierbij is de grote hoeveelheid minderjarige patiënten die de klinisch fysicus
audioloog behandelt. Uit data van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is
te halen dat er jaarlijks meer dan 50.000 Diagnose Behandel Combinaties (DBC’s) worden
geopend voor audiologische zorg voor personen onder de 20 jaar.28
Zijn er voldoende andere correctiemiddelen in de sfeer van de arbeidsverhoudingen
of werkt de beroepsbeoefenaar zelfstandig? (2)
De overgrote meerderheid van de klinisch fysicus audiologen werkt in een audiologisch
centrum en in loondienst. Een beperkt aantal klinisch fysicus audiologen voert een
eigen praktijk. De rol die deze zelfstandige klinisch fysicus audiologen hebben is
vergelijkbaar met de rol van de klinisch fysicus audiologen in een audiologisch centrum.
Binnen de loondienstconstructies zijn door het werken in een instellingsverband de
gebruikelijke correctiemiddelen van toepassing met betrekking tot arbeidsverhoudingen
(evaluatiegesprekken, interne klachtenprocedure, evaluaties en soms het ontslagrecht).
Deze correctiemiddelen hebben een kwaliteitsdoel, maar zijn niet altijd of in ieder
geval niet uitsluitend gericht op het beschermen van de patiënt tegen ondeskundig
en onzorgvuldig handelen. Daarnaast beperkt de aard van de verantwoordelijkheden en
de zelfstandige positie van de klinisch fysicus binnen een audiologisch centrum de
mogelijkheden voor werkgevers en collega’s om deze correctiemiddelen effectief toe
te passen. De klinisch fysicus audioloog heeft namelijk een aanzienlijke mate van
zelfstandigheid, zoals ook beschreven onder (1). De audioloog heeft een (inhoudelijke)
eindverantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de zorg en de patiëntveiligheid binnen
het audiologisch centrum. Door de specifieke expertise van de klinisch fysicus audioloog
is de diagnose die deze stelt en de behandeladviezen die worden verstrekt, leidend
voor het handelen van andere betrokken medisch specialisten, zoals een KNO-arts. Aangezien
de medisch inhoudelijke-informatie en het daarbij behorende advies vaak niet gecontroleerd
kunnen worden door andere zorgprofessionals, ligt de eindverantwoordelijkheid voor
de zorg binnen het interdisciplinaire team bij de klinisch fysicus audioloog. De gebruikelijke
correctiemiddelen zijn onvoldoende om de patiënt te beschermen tegen ondeskundig en
onzorgvuldig handelen.
Zijn er goed hanteerbare gedragsnormen tot ontwikkeling gekomen? (3)
Tuchtrechtspraak kan alleen functioneren als er normen zijn waaraan het gedrag van
een beroepsgroep door de tuchtrechter kan worden getoetst. Het Zorginstituut heeft
daarom bezien of voor het beroep van klinisch fysicus audioloog duidelijk is wat een
goede beroepsuitoefening is.
In het kader van de Wet BIG toetst de tuchtrechter aan de hand van de twee tuchtnormen
die zijn opgenomen in artikel 47 van de Wet BIG, te weten het handelen of nalaten
van handelen in strijd met de zorg die een beroepsbeoefenaar in die hoedanigheid behoort
te bieden (eerste tuchtnorm) en ander handelen of nalaten in strijd met hetgeen een
behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt (tweede tuchtnorm). De tuchtrechter zal bij de
toetsing van het handelen van een individuele beroepsbeoefenaar toetsen aan de regels
en normen die voor die beroepsbeoefenaar gelden. Daarbij kan worden gedacht aan wettelijke
regels en regels die de beroepsgroep zelf heeft opgesteld (gedragscodes, richtlijnen,
protocollen). Op het gebied van wet- en regelgeving zijn onder meer de Wet op de geneeskundige
behandelovereenkomst (WGBO) en het Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied
klinisch fysicus relevant. In aanvulling op het wettelijk kader zijn er gedragsnormen
die meer specifiek voor de klinisch fysicus audioloog gelden. In de «Leidraad Audiologische
Zorg» zijn onder meer gedragsnormen opgenomen over het hoofdbehandelaarschap en de
poortfunctie en in de richtlijn «Hoorzorg voor slechthorende kinderen van 4 tot 18
jaar» zijn gedragsnormen opgenomen over het hoofdbehandelaarschap, patiëntenzorg en
audiologie. Hiernaast zijn er andere richtlijnen waarin ook diverse gedragsnormen
zijn verwerkt. Deze gedragslijnen zijn in nauwe samenwerking met verschillende (wetenschappelijke)
verenigingen tot stand gekomen, waaronder de FMS en de KNO-vereniging. Het Zorginstituut
concludeert dan ook dat er in de verschillende richtlijnen die voor de klinisch fysicus
audioloog gelden, goed hanteerbare gedragsnormen tot ontwikkeling zijn gekomen. Een
specifieke gedragscode voor de hele beroepsgroep is in het najaar van 2024 tijdens
een algemene ledenvergadering van de NVKF vastgesteld. Deze gedragscode is inmiddels
gepubliceerd.
Is er door de organisatie van beroepsbeoefenaren al voor de eigen leden een vorm van
tuchtrechtspraak ingevoerd? (4)
Hier gaat het om de vraag of er al een vorm van tuchtrecht bestaat en hoe dit is ingericht.
Het Zorginstituut constateert dat er reglementen voor het NVKF-verenigingstuchtrecht
zijn opgesteld, zij het alleen voor rechtspersonen en niet voor patiënten. Deze vorm
van verenigingstuchtrecht wijkt sterk af van het tuchtrecht zoals dat is geregeld
in de Wet BIG. Het Zorginstituut concludeert dan ook dat de noodzakelijke elementen
voor een tuchtrechtsysteem weliswaar op papier staan, maar dat er geen gebruik van
is gemaakt; patiënten kunnen er dus geen bescherming aan ontlenen.
Het Zorginstituut komt dan ook in zijn tweede rapport tot de conclusie dat het noodzakelijk
is dat de klinisch fysicus met de differentiatie audioloog onder het tuchtrecht van
de Wet BIG komt te vallen en om die reden moet worden toegevoegd aan artikel 3.
3.4 Beleidsreactie op de adviesrapporten van het Zorginstituut voor de klinisch fysicus
In de beleidsreactie op het eerste adviesrapport29 heeft de Minister van VWS op 25 augustus 2023 aan de Tweede Kamer laten weten voornemens
te zijn opvolging te geven aan het advies van het Zorginstituut het beroep klinisch
fysicus in verband met de voorbehouden handeling «werken met ioniserende straling» op te nemen in artikel 3 van de Wet BIG. Echter, met uitzondering van de klinisch
fysicus met de differentiatie audiologie aangezien deze genoemde voorbehouden handeling
niet uitvoert en ook niet nodig heeft voor zijn werk.
Voor een zorgvuldige besluitvorming over het al dan niet opnemen van het gehele beroep
klinisch fysicus in artikel 3 van de Wet BIG en om een compleet beeld van de noodzaak
tot regulering van alle differentiaties van het beroep te krijgen, is het Zorginstituut
daarom om een aanvullend advies gevraagd. Daarbij heeft het Zorginstituut een aanvullend
advies uitgebracht over het tuchtrechtcriterium voor de klinisch fysicus audiologie.
In dat tweede advies komt het Zorginstituut tot de conclusie dat de klinisch fysicus
audioloog/videoloog niet bestaat omdat de klinisch fysicus «videologie» als algemeen
klinisch fysicus een module videologie als onderdeel van de opleiding tot algemeen
klinisch fysicus heeft gevolgd. Daarmee is geen sprake van een aparte differentiatie
klinisch fysicus audioloog/videoloog, maar valt de klinisch fysicus «videologie» onder
de differentiatie klinisch fysicus algemeen en daarmee onder het adviesrapport van
februari 2023. De klinisch fysicus audioloog valt onder het adviesrapport van juli
2024. Na toetsing komt het Zorginstituut tot de conclusie dat er voor wat betreft
de klinisch fysicus audioloog aan het tuchtrechtcriterium is voldaan. In de beleidsreactie
op het tweede adviesrapport30 heeft de Minister van VWS op 12 november 2024 aan de Tweede Kamer laten weten voornemens
te zijn om opvolging te geven aan het advies van het Zorginstituut om het beroep van
klinisch fysicus met differentiatie audiologie zonder toekenning van de voorbehouden
handeling werken met ioniserende straling in artikel 3 van de Wet BIG op te nemen,
en daarmee dus de beroepsgroep klinisch fysicus als geheel op te nemen.
3.5 Regulering in artikel 3 van de Wet BIG
EU-regelgeving op het gebied van ioniserende straling maakte in 2005 een wettelijke
regulering van de opleiding tot klinisch fysicus noodzakelijk. De klinisch fysicus
is om die reden al sinds 2009 gereguleerd op grond van artikel 34 van de Wet BIG.
Het is dus niet de vraag of wettelijke regulering noodzakelijk is; die vraag is al
(positief) beantwoord door opname in artikel 34. De vraag ligt voor of regulering
in het zogenaamde zware regime van artikel 3 van de Wet BIG noodzakelijk is. Gezien
de adviezen van het Zorginstituut is dat het geval en wordt met dit wetsvoorstel voorgesteld
om de beroepsgroep klinisch fysicus als geheel aan artikel 3 van de wet toe te voegen.
Daarbij wordt voorgesteld om in hoofdstuk III, Afdeling 1, van de wet (nieuw artikel
33j, tweede lid), binnen de beroepsgroep vier werkterreinen te onderscheiden, te weten:
a. algemene klinische fysica;
b. klinische fysica radiologie en nucleaire geneeskunde;
c. klinische fysica radiotherapie, en
d. klinische fysica audiologie.
De klinisch fysici opgeleid voor de algemene klinische fysica, radiologie en nucleaire
geneeskunde en radiotherapie werken met radioactieve stoffen of toestellen die ioniserende
stralen uitzenden. Voorgesteld wordt om voor hen in de wet vast te leggen dat deze
klinisch fysici bepaalde voorbehouden handelingen zelfstandig mogen uitvoeren (artikel
36, achtste lid van de Wet BIG). Zoals toegelicht in paragraaf 3.3.1 is dit voor wat
betreft de klinisch fysicus opgeleid tot audioloog niet nodig, omdat deze in de praktijk
geen voorbehouden handelingen verricht en niet met ioniserende straling werkt en niet
over de nodige deskundigheid beschikt om de voorbehouden handelingen met ioniserende
straling zelfstandig te verrichten. Hoewel een bevoegdheid tot het verrichten van
voorbehouden handelingen alleen bestaat indien de beroepsbeoefenaar ook bekwaam is
om die handeling te verrichten, kan ten onterechte de indruk ontstaan dat ook de klinisch
fysicus binnen het werkterrein audiologie kan werken met ioniserende straling. Het
verdient daarom de voorkeur om direct duidelijk in de wet te bepalen wanneer een klinisch
fysicus de voorbehouden handeling «werken met ioniserende straling» mag verrichten. Zie ook de toelichting bij artikel I, onderdeel E. Het bovenstaande
laat onverlet dat ook voor de klinisch fysicus binnen het werkterrein audiologie het
publiekrechtelijk tuchtrecht toepasselijk wordt.
In aanvulling op het advies van het Zorginstituut is een belangrijke overweging om
het beroep van klinisch fysicus in de werkterreinen als hierboven genoemd onder a
tot en met c, in artikel 3 van de Wet BIG te regelen, gelegen in de ontwikkeling die
het beroep sinds 20 jaar geleden heeft doorgemaakt. De rol van de klinisch fysicus
is namelijk ontwikkeld van een ondersteunende naar een cruciale positie in het behandelingsproces.
De veranderingen binnen de klinische fysica brengen nieuwe uitdagingen en verantwoordelijkheden
met zich mee, mede door het snel veranderende landschap van de medische technologie
en behandelingsmethoden. Wat 20 jaar geleden op dit gebied ondenkbaar was, is nu mogelijk
geworden en dit heeft aanzienlijke gevolgen voor de manier waarop klinisch fysici
hun werk uitvoeren. Een goed voorbeeld hiervan is de radiotherapie en dan met name
de behandeling van laag-risico prostaatkanker. Toen de opleiding tot klinisch fysicus
begon, waren vierendertig bestralingen de standaard. Dankzij hoge-precisie radiotherapie
en nieuwe inzichten in de radiologie kan prostaatkanker nu in slechts enkele sessies
behandeld worden. Hoog-risico prostaatkanker en moeilijk behandelbare tumoren, zoals
die in de alvleesklier, nieren en lever, kunnen nu behandeld worden dankzij adaptieve
bestralingstechnieken die omliggende organen beter beschermen. Deze vooruitgang heeft
de complexiteit en de verantwoordelijkheid van de klinisch fysicus en de handelingen
op het gebied met ioniserende straling, aanzienlijk vergroot. Onder meer om deze reden
volstaat de regulering via artikel 34 Wet BIG niet meer.
Daarnaast leidt het feit dat de klinisch fysicus een eigen deskundigheid heeft, maar
nu in opdracht van een arts voorbehouden handelingen uitvoert en niet zelfstandig
mag indiceren, in het werkveld tot vertraging en kost dat de behandelend arts onnodig
veel tijd.
Met het regelen van de zelfstandige bevoegdheid zal de positie van de klinisch fysicus
door een optimale doelmatige en efficiënte inzet naar verwachting leiden tot arbeidsbesparing
bij zowel artsen als de klinisch fysici. Hiernaast kan, om de patiënt te beschermen
tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen, het corrigeren van gedrag nodig zijn in
het kader van de individuele patiëntenzorg. Binnen de beroepsgroep is, zoals is gebleken
uit het tweede adviesrapport van het Zorginstituut, nauwelijks uitvoering gegeven
aan het intern tuchtrecht. Dit geldt niet alleen voor de audiologen, ook voor de andere
differentiaties binnen het beroep. Geredeneerd vanuit veiligheid en transparantie
voor de individuele patiëntenzorg is het wenselijk dat de hele beroepsgroep onder
het wettelijk geregelde tuchtrecht komt te vallen.
4. Peildata periodieke registratie
4.1 Periodieke registratie
Voor alle beroepsbeoefenaren met een beschermde beroepstitel geldt dat zij die titel
alleen mogen gebruiken als ze in het BIG-register staan ingeschreven. Een inschrijving
in het register wordt doorgehaald wanneer een periode van vijf jaar is verstreken
na specifiek omschreven data. Om te voorkomen dat de registratie wordt doorgehaald
dient iedere vijf jaar een aantekening in het register te worden gemaakt van recente
werkervaring of scholing. Dit betreft de periodieke registratie die veelal aangeduid
wordt met de term herregistratie. De gedachte achter deze periodieke registratie is
dat de zorgmedewerker aantoont nog steeds het basisniveau te hebben voor het betreffende
beroep. Voor het vaststellen van de periode na afloop waarvan een geregistreerde kan
worden doorgehaald in het register (tenzij opnieuw aan de eisen van registratie is
voldaan) zijn de in het tweede lid van artikel 8 vastgelegde peildata van belang.
Aan de reeds genoemde situaties wordt de situatie toegevoegd dat een aanvrager eerst
een aanpassingsstage of proeve van vakbekwaamheid heeft verricht voordat deze een
erkenning van beroepskwalificaties heeft verkregen. Voorgesteld wordt bij de peildatum
die relevant is voor de periodieke registratie onderscheid te maken tussen:
– personen die een erkenning van beroepskwalificaties op grond van de Algemene wet erkenning
EU-beroepskwalificaties hebben verkregen, zonder het doorlopen van een aanpassingsstage
of afronden van een proeve van bekwaamheid; en
– personen die een erkenning van beroepskwalificaties op grond van de Algemene wet erkenning
EU-beroepskwalificaties hebben verkregen na het doorlopen van een aanpassingsstage
of afronden van een proeve van bekwaamheid.
Hieronder wordt nader ingegaan op deze situaties die zich voordoen bij de erkenning
van EU-beroepskwalificaties.
Voor beroepsbeoefenaren die op grond van een erkenning van beroepskwalificaties een
aanvraag tot BIG-registratie willen indienen, geldt sinds 1 april 2019 de datum van
het diploma op grond waarvan de ingeschrevene de erkenning heeft verkregen als peildatum. Vóór
1 april 2019 gold de datum van de erkenning van het diploma als peildatum vanaf wanneer de eisen van periodieke registratie begonnen
te lopen. Reden dat dit destijds is gewijzigd, is dat bij de erkenning van de beroepskwalificaties
slechts wordt beoordeeld of de genoten opleiding wezenlijke verschillen met de Nederlandse
opleiding vertoont. Erkenning kon aldus plaatsvinden op basis van «oude» diploma’s
en zei niet of de betreffende persoon over recente werkervaring beschikte.
Mede gelet op de kwaliteit van de zorgverlening is artikel 8 van de Wet BIG daarom
gewijzigd waardoor ook voor deze groep beroepsbeoefenaren de datum van het diploma
als peildatum voor registratie is gaan gelden. In de praktijk is evenwel gebleken
dat deze wijziging voor sommige personen onwenselijk uitpakt. Het betreft degenen
die de erkenning van beroepskwalificaties hebben verkregen na het doorlopen van een
aanpassingsstage of het afronden van een proeve van bekwaamheid en waarvan het diploma
ouder was dan vijf jaar op het moment dat deze een aanvraag tot BIG-registratie indiende.
Als het diploma op het moment van aanvraag ouder is dan vijf jaar, moet namelijk ook
worden voldaan aan de vereisten voor periodieke registratie. Dit betekent dat de betrokkene
moet voldoen aan het vereiste aantal uren werkervaring of het scholingsvereiste om
in aanmerking te komen voor registratie in het BIG-register.
Het kan daarnaast ook voorkomen dat iemand een diploma heeft dat jonger is dan vijf
jaar op het moment van aanvragen van een erkenning van de beroepskwalificaties, maar
dat het diploma na het afronden van een aanpassingsstage of proeve van bekwaamheid
inmiddels ouder is dan vijf jaar. Op dat moment moet de betrokkene ook voldoen aan
de aanvullende vereisten op het gebied van periodieke registratie om in het BIG-register
geregistreerd te worden, wat betekent dat de betrokkene een minimumaantal uren werkervaring
opgedaan moet hebben in de voorafgaande vijf jaar of recent scholing heeft gevolgd
dat voldoet aan de gestelde eisen. De uren die men heeft gewerkt tijdens de aanpassingsstage
of proeve van bekwaamheid, mogen echter niet meetellen voor de werkervaringseis omdat
deze niet zijn verricht tijdens actieve registratie.31 Dit heeft tot gevolg dat de betrokkene mogelijk niet kan voldoen aan de werkervaringseis
en daardoor alsnog aanvullende scholing moet volgen, terwijl deze net door middel
van een aanpassingsstage of proeve van bekwaamheid diens beroepskwalificaties heeft
aangetoond. Dit is onwenselijk.
De situatie dat buitenlands gediplomeerden niet alleen een aanpassingsstage of proeve
van bekwaamheid moeten uitvoeren alvorens zij een erkenning van beroepskwalificaties
kunnen ontvangen, maar vervolgens ook nog een scholingstraject moeten volgen om in
het BIG-register opgenomen te worden, lijkt bovendien in de hierboven genoemde situatie
niet in lijn met het doel en de strekking van de Richtlijn 2005/36/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning
van beroepskwalificaties (PbEU 2005, L 255). De extra eis van scholing in het kader
van periodieke registratie bij opname in het BIG-register naast de al doorlopen aanpassingsstage
of afgelegde proeve van bekwaamheid, vormt hier naar mijn oordeel een belemmering
voor een buitenlandse zorgverlener om toegelaten te worden tot de arbeidsmarkt waarvoor
geen objectieve rechtvaardiging is aan te voeren en levert daarmee naar mijn oordeel
strijd op met het Unierecht. Gelet hierop wordt artikel 8, eerste lid, onderdeel a,
van de Wet BIG op dit moment conform het Verdrag betreffende de werking van de Europese
Unie uitgelegd.
4.2 Verduidelijking peildatum bij de aanpassingsstage of proeve van bekwaamheid
Met dit wetsvoorstel wordt onderscheid gemaakt tussen beroepsbeoefenaren die direct
een erkenning van beroepskwalificaties ontvangen en beroepsbeoefenaren die daarvoor
eerst nog een aanpassingsstage of proeve van bekwaamheid moeten doorlopen of afleggen.
De redenering zoals opgenomen bij de wijziging van 1 april 2019, namelijk dat bij
de erkenning van de beroepskwalificaties slechts wordt beoordeeld of de genoten opleiding
wezenlijk verschilt met de Nederlandse opleiding, klopt nog steeds. Wanneer echter
wordt beoordeeld dat er wezenlijke verschillen bestaan tussen het diploma van de betrokkene
en de Nederlandse opleiding, moeten aanvullende handelingen worden verricht door de
betrokkene waarbij de geconstateerde wezenlijke verschillen overbrugd worden. Dit
hoeft niet in het geval er geen wezenlijke verschillen worden geconstateerd met de
Nederlandse opleiding. Met dit wetsvoorstel is er daarom voor gekozen om onderscheid
te maken tussen deze twee situaties die zich kunnen voordoen bij de procedure voor
een erkenning van beroepskwalificaties.
Zoals hiervoor aangegeven hebben beroepsbeoefenaren die direct een erkenning van beroepskwalificaties
ontvangen bij de beoordeling van hun beroepskwalificatie, niet hoeven aantonen dat
zij beschikken over recente werkervaring. Het is daarom wenselijk om de huidige situatie
voor deze groep in stand te laten, en daarbij de datum van het diploma als peildatum
te behouden. Wanneer een betrokkene direct een erkenning van beroepskwalificaties
ontvangt met een verouderd diploma is het, gelet op het belang van de kwaliteit van
zorgverlening, namelijk wenselijk dat deze aan kan tonen over recente werkervaring
te beschikken alvorens de betrokkene in het BIG-register wordt geregistreerd. Deze
voorwaarde is ook van toepassing op Nederlands gediplomeerden en aanvragers die in
aanmerking komen voor automatische erkenning van het diploma.
Met betrekking tot de groep beroepsbeoefenaren die eerst een aanpassingsstage hebben
moeten doorlopen of proeve van bekwaamheid hebben moeten afleggen alvorens zij een
erkenning van beroepskwalificaties konden ontvangen, zal de datum van de erkenning
van beroepskwalificaties echter weer als peildatum worden gebruikt. Reden hiervoor
is dat een betrokkene door het doorlopen van een aanpassingsstage of het met succes
afleggen van de proeve van bekwaamheid heeft aangetoond dat deze voldoet aan het niveau
van de Nederlandse opleiding en over de vereiste vaardigheden beschikt. De beroepsbeoefenaar
die direct een erkenning van beroepskwalificaties heeft ontvangen, heeft niet aangetoond
over recente werkervaring of kennis te beschikken. De aanpassingsstage en proeve van
bekwaamheid kunnen worden beschouwd als een extra eis waarbij de bij betrokkene geconstateerde
wezenlijke verschillen worden overbrugd tot op het niveau van de Nederlandse opleiding.
Wanneer de betrokkene de aanpassingsstage of proeve van bekwaamheid vervolgens met
goed gevolg heeft afgerond, kan de erkenning van beroepskwalificaties beschouwd worden
als een diploma. Met dit wetsvoorstel wordt voor deze groep beroepsbeoefenaren daarom
de datum van erkenning van beroepskwalificaties aangemerkt als peildatum in de zin
van de periodieke registratie.
5. Digitalisering tuchtproces
Met dit voorstel wordt in de Wet BIG expliciet de mogelijkheid opgenomen om langs
elektronische weg bij de tuchtcolleges te procederen.
De regels over het tuchtrecht zijn te vinden in de Wet BIG en het Tuchtrechtbesluit
BIG. Regels met betrekking tot digitalisering opgenomen in andere wetten (zoals de
Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer of de Wet tot wijziging van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband
met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht) zijn niet van toepassing
op het tuchtrecht in de Wet BIG. Regels over digitalisering van het tuchtproces moeten
daarom in de Wet BIG zelf worden opgenomen. Het doel is burgers laagdrempelig in te
staat te stellen hun klacht langs elektronische weg in te dienen, de daaropvolgende
schriftelijke procedure langs elektronische weg te voeren en de uitspraak elektronisch
te ontvangen. Het gaat hier om de mogelijkheid en geen verplichting tot elektronisch
procederen. De burger heeft de keuze tussen het volgen van de elektronische weg of
de papieren weg. Er is hiervoor gekozen om te verzekeren dat partijen die geen gebruik
kunnen maken van het internet, daarvoor onvoldoende expertise hebben of geen authenticatiemiddelen
kunnen verkrijgen om digitaal toegang te krijgen tot de tuchtrechter, toegang tot
de tuchtrechter behouden.
De aanleiding tot deze wetswijziging is een reeks van datalekken met fysieke postbezorging.
Deze datalekken hebben ertoe geleid dat de tuchtcolleges sinds 2017 post met medische
persoonsgegevens aangetekend naar partijen en per Interdepartementale Post en Koeriersdienst
(IPKD) naar de leden van tuchtcolleges zijn gaan verzenden. Dit heeft echter niet
alleen behoorlijke budgettaire consequenties gehad, maar heeft ook niet alle datalekken
kunnen mitigeren. Er is daarom ingezet op digitalisering van het tuchtrechtelijke
proces. Bovendien past het inzetten van digitalisering (van het indienen en uitwisselen
van stukken in de tuchtprocedure in het kader van de Wet BIG) bij de toenemende digitalisering
in de communicatie tussen burger en overheid, in de rechtspraak en in de gezondheidszorg.
Alhoewel de Wet BIG procederen langs elektronische weg niet uitsluit, is ervoor gekozen
om expliciet in de wet op te nemen dat indiening van stukken en communicatie tussen
partijen en de tuchtcolleges ook langs elektronische weg kan. Dit sluit aan bij de
taak van de overheid te waarborgen dat de tuchtrechtspraak zo goed mogelijk kan worden
uitgevoerd, zo toegankelijk mogelijk is en dat de stukkenstroom zo veilig mogelijk
plaatsvindt. In Nederland is in de gezondheidszorg gekozen voor een wettelijk tuchtrecht
en aanpassingen in de tuchtrechtelijke procedures vragen daarom om overheidsinterventie.
Overheidsinterventie met het oog op digitalisering van het tuchtrecht wordt wenselijk
geacht om aan te sluiten op de toegenomen digitalisering in de samenleving. De overheid
moet de mogelijkheid creëren en de juridische randvoorwaarden scheppen om digitaal
procederen in het tuchtrecht mogelijk te maken. Het digitale verkeer verloopt voor
het hele proces van indiening van de klacht tot versturen van de uitspraak via het
digitale systeem voor gegevensverwerking.
De voorgenomen wetswijziging roept geen nieuwe informatieverplichtingen in het leven:
het biedt enkel de ruimte aan de tuchtcolleges om elektronisch procederen op vrijwillige
basis mogelijk te maken.
In het verlengde van het voorgaande wordt in dit wetsvoorstel ook expliciet vastgelegd
dat met «handtekening» ook wordt bedoeld elektronische handtekening. Daarnaast wordt met deze wetswijziging
een delegatiegrondslag opgenomen om in lagere regelgeving eisen te kunnen stellen
aan het digitale systeem voor het verwerken van de gegevens. Het gaat hier namelijk
veelal om privacygevoelige gegevens (medische gegevens). Concreet gaat het dan om
onder meer eisen aan identificatie, authenticatie, eisen aan de digitale handtekening
en informatiebeveiliging.
Overigens valt het gebruik van DigiD en BSN ten behoeve van authenticatie voor toegang
tot het digitale systeem onder de verantwoordelijkheid van de Eenheid Secretariaten
voor de Tuchtcolleges voor de gezondheidszorg en Toetsingscommissies euthanasie (ESTT).
ESTT is een directie binnen het Ministerie van VWS en faciliteert en draagt zorg voor
juridische en administratieve dienstverlening van de onafhankelijke tuchtcolleges
voor de gezondheidszorg en toetsingscommissies euthanasie. ESTT is proces- en systeemeigenaar
van het digitale systeem. De tuchtcolleges hoeven in verband hiermee niet apart in
de Wet Digitale Overheid (WDO) te worden opgenomen omdat ministeries onder deze wet
vallen.
De verwachting is dat zowel voor de burgers en de BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaren,
als voor de tuchtcolleges procederen langs elektronische weg zal bijdragen aan een
betere, snellere en veiligere communicatie, tot een eenvoudiger en snellere verwerking
van aangeleverde stukken en een efficiëntere en meer duurzame werkwijze bij de administraties
van de tuchtcolleges. Inmiddels is het interne administratieve proces bij de tuchtcolleges
gedigitaliseerd. In de eerstvolgende fase kunnen partijen digitaal procederen. Het
digitaal indienen van stukken zal naar verwachting in de loop van 2026 mogelijk zijn.
6. Financiële lasten en regeldruk
6.1. Beroep MHAZ
Het opnemen van de MHAZ in artikel 3 van de Wet BIG heeft financiële gevolgen. Door
opname van de MHAZ in artikel 3 van de Wet BIG zal deze beroepsgroep zich in het BIG-register
moeten registeren en zal de periodieke registratie (om de vijf jaar) voor deze beroepsgroep
gaan gelden. De initiële registratie in het BIG-register zal voor een MHAZ’er eenmalig
€ 85 kosten. Dat betekent dat er voor de huidige groep MHAZ’ers (550 MHAZ’ers x € 85
=) € 46.750 aan eenmalige kosten zijn voor registratie in het BIG-register. De regeldrukkosten
die daaraan verbonden zijn luiden als volgt. De tijd die het kost om zich in te schrijven
in het register wordt geschat op 30 minuten per inschrijving. Uitgaande van een uurtarief
van € 20 betekent dit aan eenmalige administratieve last van (550 MHAZ’ers x 0.5 x
€ 20) = € 5.500. Dat maakt dat de totale kosten van de eerste registratie (registratiekosten
€ 46.750 + regeldrukkosten € 5.500) € 52.250 bedragen.
Aangezien voor BIG-beroepsbeoefenaren de eisen op het gebied van periodieke registratie
meebrengen dat iedere vijf jaar een aantekening in het register moet worden gemaakt
van recente scholing of werkervaring, betekent dit dat de MHAZ’ers iedere vijf jaar
daarvan een aantekening in het register moeten laten maken. De kosten die daarmee
gemoeid zijn, bedragen € 85. Dat betekent dat voor de huidige groep van MHAZ’ers daaraan
de volgende periodieke kosten per vijf jaar verbonden zijn: (550 x € 85 =) € 46.750.
De regeldrukkosten hiervan zijn als volgt. De tijd die het kost om de aantekening
in het register te laten maken wordt geschat op 30 minuten per aantekening. Uitgaande
van een uurtarief van € 20 betekent dit per vijf jaar aan administratieve lasten (550
MHAZ’ers x 0,5 x € 20) = € 5.500. Dat maakt dat de totale kosten die verbonden zijn
aan de periodieke registratie voor de bestaande groep van MHAZ’ers (kosten voor het
laten maken van de aantekening in het register in het kader van periodieke registratie
€ 46.750 + daarmee verbonden regeldrukkosten € 5.500) € 52.250 bedragen.
Jaarlijks studeren ongeveer 60 MHAZ’ers af. Voor de MHAZ’ers die zich na afstuderen
zullen gaan registreren, zijn de financiële lasten daarvan jaarlijks (60 MHAZ’ers
x € 85 =) € 5.100. De regeldrukkosten die met deze eerste registratie verbonden zijn,
zijn als volgt. De tijd die het kost om zich in te schrijven in het register wordt
geschat op 30 minuten per inschrijving. Uitgaande van een uurtarief van € 20 betekent
dit aan eenmalige administratieve last van (60 MHAZ’ers x 0.5 x € 20) = € 600. Dat
maakt dat de totale kosten van de eerste registratie voor de nieuwe MHAZ’ers (registratiekosten
€ 5.100 + regeldrukkosten € 600) € 5.700 bedragen.
Ook voor deze groep gelden naast de financiële lasten van de eenmalige registratieplicht
de regels van periodieke registratie. Dat kost eens in de vijf jaar € 85 per aantekening.
De kosten die daarmee verbonden zijn, bedragen daarmee 60 x € 85 = € 5.100. De regeldruk
die verbonden is met de periodieke registratie van deze groep komt dan neer op een
bedrag van (60 MHAZ’ers x 0,5 x € 20 =) € 600 per jaar. De totale kosten van de eerste
registratie voor nieuwe MHAZ’ers zullen jaarlijks (registratiekosten € 5.100 en daarmee
verbonden regeldrukkosten van € 600) € 5.700 bedragen.
6.2 Beroep klinisch fysicus
Het opnemen van de klinisch fysicus in artikel 3 van de Wet BIG heeft financiële gevolgen.
Voor deze beroepsgroep gaat de periodieke registratie gelden en aan registratie in
het BIG-register zijn kosten verbonden. De kosten voor registratie in het BIG-register
zijn € 85 voor een periode van 5 jaar.32 Dat betekent dat er voor de huidige groep klinisch fysici (450 x € 85 =) € 38.250
aan eenmalige kosten zijn voor registratie. Naast de financiële lasten zorgt de registratieplicht
ook voor regeldruk. Zo kost het de klinisch fysicus tijd om zich in te schrijven.
Dit wordt geschat op 30 minuten per inschrijving. Uitgaande van een uurtarief van
€ 150, betekent dit aan eenmalige administratieve last een bedrag van (450 x 0.5 x
€ 150 =) € 33.750 voor de huidige groep klinisch fysici. Dat maakt dat de totale kosten
van de eerste registratie (registratiekosten € 38.250 + regeldrukkosten € 33.750)
totaal € 72.000 bedragen.
Aangezien voor BIG-beroepsbeoefenaren de eisen op het gebied van periodieke registratie
meebrengen dat iedere vijf jaar een aantekening in het register moet worden gemaakt
van recente scholing of werkervaring, betekent dit dat klinisch fysicus daarvan elke
vijf jaar een aantekening in het register moet laten maken wat € 85 kost per aantekening.
Dat betekent dat de kosten voor periodieke registratie voor de groep klinisch fysici
(450 x € 85,00 =) € 38.250 bedragen. De regeldrukkosten hiervan zijn als volgt. Voor
de periodieke registratie wordt de regeldruk ook geschat op 30 minuten per inschrijving.
Uitgaande van een uurtarief van € 54, betekent dit aan administratieve last een bedrag
van (450 x 0,5 x € 150 =) € 33.750 per vijf jaar. Dat maakt dat de totale kosten die
verbonden zijn aan de periodieke registratie voor de bestaande groep van klinisch
fysicus (kosten voor het laten maken van een aantekening in het register in het kader
van periodieke registratie € 38.250 + daarmee verbonden regeldrukkosten € 33.750 =)
72.000 bedragen.
Jaarlijks behalen ongeveer 22 klinisch fysici hun registratie. Voor de klinisch fysici
die zich na het behalen van hun opleiding zullen gaan registreren zijn de financiële
lasten daarvan jaarlijks (22 x € 85 =) € 1.870. De regeldruk voor (de inschrijving
van) de klinisch fysicus komt dan neer op een bedrag van (22 x 0,5 x € 150 =) € 1.650
per jaar. De totale kosten van de eerste registratie voor nieuwe klinisch fysici zullen
jaarlijks (registratiekosten € 1.870 en daarmee verbonden regeldrukkosten € 1.650)
3.520 bedragen.
6.3 Wijziging peildatum periodieke registratie
De wijziging van artikel 8 Wet BIG, waarbij voor de vaststelling van de peildatum
voor de periodieke registratie onderscheid gemaakt wordt tussen twee situaties die
zich kunnen voordoen bij de procedure voor een erkenning van beroepskwalificaties,
heeft geen effect op de regeldruk voor de beroepsbeoefenaren. De periodieke registratie
blijft van toepassing, echter hiermee wordt voorkomen dat personen die een erkenning
van beroepskwalificaties hebben verkregen na het doorlopen van een aanpassingsstage
of afronden van een proeve van bekwaamheid ook moeten voldoen aan aanvullende vereisten.
6.4 Digitalisering tuchtproces
De verwachting is dat de digitalisering van het tuchtproces leidt tot een efficiëntere
werkwijze bij de administraties van de tuchtcolleges. De jaarlijkse kosten voor het
aangetekend verzenden van post en per IPKD inclusief reprokosten bedragen ca.
€ 160.000. Die kosten zullen zeer sterk gereduceerd kunnen worden zodra de digitalisering
gerealiseerd is en duidelijk is gemaakt dat tuchtcolleges openstaan voor het ontvangen
van een tuchtklacht via digitale weg. De bestaande kosten zullen naar verwachting
(aanvankelijk) met tenminste 75% dalen. Daar zullen deels meerkosten tegenover staan
als gevolg van de automatisering. Door de uitbreiding van het digitale systeem voor
gegevensverwerking zullen de kosten voor beheer van het systeem namelijk toenemen.
De lasten die gepaard gaan met de digitale informatie-uitwisseling tussen partijen
en de tuchtcolleges hangen samen met de wettelijke waarborgen die vereist zijn voor
een eerlijke en efficiënte procesvoering. De kosten voor de uitbreiding van het digitale
systeem en de beheer en licentiekosten zijn als volgt berekend.
Incidentele kosten
2024
2025
2026
2027
2028
2029
Uitbreiding digitaal systeem
1.100.000
500.000
Structurele kosten
Beheer & licentiekosten
330.000
330.000
330.000
330.000
330.000
Licentiekosten planningstool
35.000
35.000
35.000
35.000
35.000
Partijen die gebruik willen maken van elektronisch procederen, dienen te beschikken
over toegang tot een computer of laptop met internetverbinding en in sommige gevallen
een scanvoorziening. Professionele partijen en de meeste huishoudens beschikken veelal
al over dergelijke voorzieningen zodat hier geen extra kosten uit zullen voortvloeien.
Voorts dienen partijen te beschikken over een authenticatiemiddel dat voldoet aan
de in de lagere regelgeving op te nemen eisen waarbij te denken valt aan DigiD, e-herkenning
en eventueel de UZI-pas. Doordat partijen kunnen kiezen voor elektronisch procederen,
kunnen zij frankeer- en kopieerkosten besparen, alsmede makkelijker toegang krijgen
tot hun dossier in het digitale systeem. Voor degenen die daar geen gebruik van kunnen
of willen maken, blijft de mogelijkheid van procederen langs papieren weg bestaan.
Dit wetsvoorstel is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Het
ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies omdat het enkel geringe
gevolgen voor de regeldruk heeft. Ook heeft er een fraudetoets plaatsgevonden. Het
risico op fraude met echtheid van getuigschriften is klein en er staan voldoende beheersmiddelen
en sancties tegenover.
7. Advies en consultatie
7.1 Uitvoeringstoets- en handhavingstoets
Op basis van de ontvangen reacties van het CIBG, de IGJ en ESTT op de gevraagde uitvoerings-
en handhavingstoetsen (U&H-toetsen) wordt hieronder ingegaan op de belangrijkste punten
en vragen die daarbij zijn gesteld.
U&H-toets CIBG
Het CIBG heeft erop gewezen dat nog onduidelijk is hoe MHAZ’ers (en buitenlands gediplomeerden
die tijdens de experimenteerperiode erkend zijn als BMH’er) met de oude BMH-opleiding
moeten aantonen dat ze de aanvullende training bij het CZO (van 45 weken praktijkuren)
hebben voltooid. Het is voor het CIBG niet duidelijk welke documenten hiervoor nodig
zijn. MHAZ’ers die zowel de oude opleiding als de CZO-training met goed gevolg hebben
afgerond, moeten naast hun diploma ook bewijs leveren dat ze training hebben gevolgd.
In de algemene maatregel van bestuur die op grond van het voorgestelde artikel 33g
zal worden opgesteld, zal worden geregeld aan welke vereisten moet worden voldaan
om in het register van MHAZ te worden ingeschreven. Daarin zal worden meegenomen hoe
beroepsbeoefenaren met een getuigschrift van de oude BMH-opleiding zich in het BIG-register
kunnen registeren. Met deze algemene maatregel van bestuur zal ook duidelijk worden
hoe kan worden aangetoond dat de aanvullende CZO-training is afgerond.
Waar het gaat om het beroep MHAZ wijst het CIBG op het belang van een voldoende invoeringstermijn.
In de eerste plaats waar het gaat de tijd die een MHAZ nodig heeft om een aanvraag
voor opname in het BIG-register in te dienen. Ook in verband met een nieuw registratiesysteem
van het BIG-register bij het CIBG is deze duidelijkheid gewenst. In de tweede plaats
waar het gaat om de scholingsmogelijkheid die moet bestaan in het kader van periodieke
registratie waarbij een periodiek registratie certificaat (PRC) kan worden behaald.
Dat PRC geeft recht op registratie in het geval de MHAZ voldoende relevante werkuren
heeft gemaakt voor hernieuwde registratie. Voor de ontwikkeling en invulling van deze
eisen wordt tijdig overleg gevoerd met de NVBMH, zodat het PRC-scholingsprogramma
tijdig wordt vormgegeven en het Besluit periodieke registratie en de Regeling periodieke
registratie Wet BIG tijdig worden aangepast.
Voor wat betreft de uitvoering van het opnemen van de klinisch fysicus in het BIG-register
ziet het CIBG als knelpunt dat in de huidige situatie de diploma’s niet worden opgenomen
in het diplomaregister van DUO. Op grond van het voorgestelde artikel 33g is voor
registratie van de klinisch fysicus in het BIG-register een getuigschrift vereist
waaruit blijkt dat betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur
gestelde opleidingseisen. Daartoe zullen in de nog op te stellen algemene maatregel
van bestuur dezelfde getuigschriften worden vereist zoals die nu zijn opgenomen in
het Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied klinisch fysicus.
Deze getuigschriften zijn inderdaad nog niet opgenomen in het diplomaregister van
DUO. Bij de totstandkoming van de algemene maatregel van bestuur waarin de opleidingseisen
van de KF worden geregeld, zal aandacht besteed worden aan het punt hoe het CIBG kan
verifiëren dat de ten behoeve van registratie overgelegde getuigschriften juist zijn
en kloppen. In de toekomst kan onderzocht worden of het wel mogelijk is om een getuigschrift
op te nemen in het diplomaregister van DUO om de administratieve lasten voor de aanvrager
te beperken.
Ook vraagt het CIBG aandacht voor de verschillende werkterreinen waarop de klinisch
fysicus werkzaam is en de toekenning van voorbehouden handelingen. De zelfstandige
bevoegdheid tot het verrichten van de voorbehouden handeling op het gebied van radioactieve
stoffen of ioniserende straling wordt toegekend aan de klinisch fysici die werkzaam
zijn op ten minste één van de werkterreinen klinische fysica algemeen, klinische fysica
radiologie en nucleaire geneeskunde en klinische fysica radiotherapie. Dit geldt dus
niet voor de klinisch fysicus werkzaam op het werkterrein audiologie. Het BIG-register
heeft echter nu geen mogelijkheid om deze werkterreinen te registreren. Enkel op basis
van de registratie in het BIG-register kan daarom niet geconcludeerd worden of een
geregistreerde klinisch fysicus zelfstandig bevoegd is om voorbehouden handelingen
uit te voeren. De Stichting OKF registreert deze werkterreinen wel maar het register
van de stichting kan enkel via het secretariaat van de stichting geraadpleegd worden.
Het BIG-register zal worden aangepast zodat daarin zichtbaar wordt op welk terrein
de klinisch fysicus over een certificaat beschikt. Daarmee wordt duidelijk welke voorbehouden
handelingen de geregistreerde klinisch fysici mogen verrichten en dat de klinisch
fysicus werkzaam op het werkterrein audiologie geen voorbehouden handelingen mag verrichten.
U&H-toets IGJ
De IGJ vraagt of de MHAZ ook buiten de somatische acute zorg, bijvoorbeeld in de GGZ,
gaat werken. Dit is niet de bedoeling; dit is in het voorgaande verduidelijkt.
De IGJ benadrukt het belang van leidinggeven, samenwerken en zorgcoördinatie in de
acute prehospitale zorg. De IGJ geeft aan dat het werk van de MHAZ in de ambulance,
vaak met alleen een chauffeur, verschilt van teamwerk in het ziekenhuis. De focus
op voorbehouden handelingen geeft volgens de IGJ geen volledig beeld van deze complexiteit.
Daarom is het volgens de IGJ belangrijk dat werkgevers meer aandacht besteden aan
duurzame inzetbaarheid en het voorkomen van psychosociale overbelasting. De vereiste
vaardigheden die de MHAZ’er tijdens de opleiding moet leren zijn opgenomen in het
curriculum van de MHAZ-opleiding inclusief aandacht voor duurzame inzetbaarheid. Ook
is onderzoek gedaan naar de impact van ingrijpende gebeurtenissen op MHAZ’ers, te
vinden op https://venticare.nl/startende-bachelor-medisch-hulpverleners-op-de-amb…. Elke MHAZ’er die in de ambulancezorg gaat werken, volgt een uitgebreid inwerktraject
via een traineeprogramma. Dit geldt voor zowel nieuwe afgestudeerden als ervaren MHAZ’ers,
omdat het werk op de ambulance wezenlijk anders is dan in het ziekenhuis. Het is aan
de werkgever (Ambulancezorg Nederland) om ervoor te zorgen dat elke MHAZ’er goed voorbereid
is voordat hij of zij alleen met een ambulance op pad gaat. Dit bevordert de duurzame
inzetbaarheid en voorkomt uitval door onvoldoende ondersteuning of gebrek aan mogelijkheden
om vaardigheden toe te passen. De duur van het inwerktraject wordt afgestemd op de
eerdere werkervaring, zodat het op maat is.
De IGJ wijst op het belang van duidelijke veldnormen en beroepscodes om goed toezicht
te kunnen houden op een artikel 3 Wet BIG beroep. Zonder heldere veldnomen en beroepscodes
is immers niet duidelijk welk niveau van handelen van hem of haar wordt verwacht en
kan de zorgprofessional niet worden aangesproken op diens functioneren. In paragraaf
3.3 is benoemd dat een specifieke gedragscode in november 2024 door de NVKF is vastgesteld.33
De IGJ ondersteunt het voorstel op het gebied van digitalisering tuchtrechtelijke
procedure waardoor het bij wet expliciet wordt gemaakt dat de indiening van stukken
en communicatie tussen partijen op digitale wijze kan plaats vinden.
U&H-toets ESTT
ESTT vraagt aandacht voor de voorgestelde plaatsing van § 3a vóór artikel 65 van de
Wet BIG, waarin de term klaagschrift wordt geïntroduceerd. Zij stelt voor om de bepaling
over de wijze van indienen van het klaagschrift in te voegen ná artikel 65. Deze suggestie
is niet overgenomen omdat de bepalingen over het digitaal procederen zowel voor de
regionale tuchtcolleges in eerste aanleg als voor het centrale tuchtcollege gelden.
ESTT merkt op dat het voorstel het procederen via elektronische weg tamelijk gedetailleerd
beschrijft en stelt voor om in de wet enkel op te nemen dat elektronisch procederen
mogelijk is, maar om nadere regels op te nemen in algemene maatregel van bestuur of
in procesreglement. In lijn hiermee is bezien of in het wetsvoorstel alleen de elementen
worden opgenomen die op dat niveau nodig zijn, waarbij voldoende ruimte bestaat om
nadere regels te stellen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Dit is het
geval. Het wetsvoorstel is hierop daarom niet aangepast.
7.2 Internetconsultatie
Van 13 januari tot en met 24 februari 2025 is het conceptwetsvoorstel in internetconsultatie
geweest. Naar aanleiding daarvan zijn 15 reacties ontvangen van belanghebbenden, waaronder
beroepsorganisaties, brancheverenigingen, zorginstellingen en individuele experts.
Deze reacties zijn zorgvuldig beoordeeld en hebben geleid tot nadere afwegingen en,
waar nodig, aanpassingen in het wetsvoorstel. Het merendeel van de binnengekomen reacties
steunen de lijn van het wetsvoorstel. Zo geven partijen als Haaglanden Medisch Centrum,
Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, Nederlandse Vereniging voor de Bachelor Medisch
Hulpverleners, Ambulancezorg Nederland, Nederlandse Vereniging van Medisch Managers
Ambulancezorg, Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra, Vereniging
Hogescholen, en enkele zorgondernemingen aan dat de MHAZ een waardevolle zorgprofessional
in de acute zorg is. Ook de NVKF heeft verheugd gereageerd op opname van de beroepsgroep
in artikel 3 van de Wet BIG. Enkele partijen hebben echter ook kanttekeningen geplaatst
bij het voorstel. Op de belangrijkste punten wordt hieronder ingegaan.
– De FMS en de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering der Geneeskunst
(KNMG) wijzen erop dat arbeidsmarktproblemen niet opgelost worden door het creëren
van nieuwe opleidingen en titels. Zij wijzen op de noodzaak van een bredere herziening
van de beroepenstructuur. Daarnaast plaatsen zij kanttekeningen bij de noodzaak voor
een functionele zelfstandigheid van de MHAZ.
Er wordt op gewezen dat de doelstelling van de Wet BIG niet is om de problemen op
de arbeidsmarkt op te lossen. Uitgangspunt van de Wet BIG is de zogenoemde «nee, tenzij
systematiek»: alleen reguleren als dit vanuit patiëntveiligheid strikt noodzakelijk
is34.
Het experiment met de BMH (nu: MHAZ) laat zien dat de inzet van deze zorgprofessionals
een positieve impact heeft op de doelmatigheid, effectiviteit en samenwerking in de
acute zorg. De keuze voor de functionele zelfstandigheid van de MHAZ is zorgvuldig
gemaakt om snel en effectief te kunnen handelen in spoedeisende, levensbedreigende
situaties. Toezicht of tussenkomst van een andere professional is dan niet altijd
mogelijk. Door deze functionele zelfstandigheid kan de MHAZ direct ingrijpen wanneer
dat nodig is. De Wet BIG beoogt primair om de kwaliteit van de individuele beroepsuitoefening
te borgen en te reguleren voor zover dat noodzakelijk is. De adviezen van het Zorginstituut
bevestigen bijvoorbeeld de noodzaak om het beroep klinisch fysicus zwaarder te reguleren.
– Naar aanleiding van de opmerking van de FMS en de Verpleegkundigen en Verzorgenden
Nederland (V&VN) dat de omschrijving van de werkgebieden van de MHAZ in artikel 33h
van het wetsvoorstel (Wet BIG) te vaag is, is in paragraaf 2.1 verduidelijkt dat het
deskundigheidsgebied van de MHAZ nader zal worden omschreven bij algemene maatregel
van bestuur en de aansluiting bij bestaande regelgeving.
– De FMS, KNMG en V&VN vragen zich af of opname van de MHAZ in artikel 3 Wet BIG nodig
is. De toelichting (paragraaf 2.4) is hierop aangevuld gezien de cruciale rol van
de MHAZ in de acute zorg. Uit het experiment met de BMH (nu: MHAZ) bleek dat dit beroep
bijdraagt aan doelmatigere en effectievere zorg, vooral in spoedeisende situaties.
In de acute zorg, waar in levensbedreigende situaties snel gehandeld moet worden,
is niet steeds een zelfstandig bevoegde beroepsbeoefenaar beschikbaar om toezicht
te houden en tussenkomst te bieden. Bij het vastleggen van de functionele zelfstandigheid
is op wetsniveau geregeld dat toezicht en tussenkomst niet nodig zijn, en daar mag
de opdrachtgever dan ook van uitgaan. Door opname in artikel 3 van de Wet BIG wordt
de patiëntveiligheid gewaarborgd wat nodig is omdat de voorbehouden handelingen die
de MHAZ functioneel zelfstandig (dus zonder toezicht en tussenkomst) gaat uitvoeren,
een aanmerkelijk risico voor de patiënt opleveren wanneer deze door ondeskundigen
worden uitgevoerd.
– De FMS vraagt zich af waarom voor de MHAZ de werkterreinen en de functionele zelfstandigheid
in een apart besluit worden vastgelegd en niet zoals bij de klinisch fysicus in de
Wet BIG. Hierdoor is niet duidelijk welke bevoegdheid voor welk werkterrein geldt
en wordt de verankering in de Wet BIG op verschillende manieren geregeld. Het opnemen
van werkterreinen in de wet bij de klinisch fysicus houdt verband met het feit dat
niet alle klinisch fysici zelfstandig de voorbehouden handeling «werken met ioniserende
straling» indiceren, uitvoeren en delegeren. Dat is bij de klinisch fysicus audiologie
het geval die geen voorbehouden handeling krijgt toegekend.
– De klinisch fysicus audiologie krijgt niet de bevoegdheid de voorbehouden handeling
met ioniserende straling te verrichten. De opleidingen MHAZ kennen sinds 2021 geen
differentiaties meer en zijn daarmee ontwikkeld tot één algemene opleiding die voor
alle MHAZ’ers hetzelfde zijn. Alle MHAZ’ers kunnen na afronding van de opleiding de
aangeleerde voorbehouden handelingen uitvoeren, ongeacht specialisatie.
– Verschillende partijen hebben opmerkingen gemaakt over het regelen van de werkterreinen
van de klinisch fysicus. Het gaat daarbij in de eerste plaats om vier werkterreinen
en het uitzonderen van de klinisch fysicus in de audiologie van de voorbehouden handeling
met gebruikmaking van radioactieve stoffen of toestellen die ioniserende straling
uitzenden.
In paragraaf 3.5 van deze memorie van toelichting is nader toegelicht op welke wijze
het beroep van klinisch fysicus wordt gereguleerd en waarom het gewenst is in de wet
zelf te bepalen wie welke voorbehouden handeling mag uitvoeren. De adviezen van het
Zorginstituut zijn daarbij gevolgd.
Algemeen uitgangspunt bij het opstellen van wet- en regelgeving is dat de wet in elk
geval de hoofdelementen van een regeling moet bevatten. Dat maakt dat de hoofdelementen
van de opname van de klinisch fysicus (waaronder de regeling rondom de voorbehouden
handeling) in de wet moeten worden opgenomen. Daardoor blijkt direct uit de wet wie
welke voorbehouden handeling mag uitvoeren. Daarom is, vanuit het oogpunt van duidelijkheid
van regelgeving en van de patiëntveiligheid, het niet toekennen aan de klinisch fysici
audiologie van de voorbehouden handeling waarbij gebruik wordt gemaakt van radioactieve
stoffen of toestellen die ioniserende stralen uitzenden, in de wet opgenomen. Er is
dus expliciet niet voor gekozen om in de wet te verwijzen naar lagere wetgeving. Dit
is bijvoorbeeld wel gedaan bij enkele uitzonderingen voor andere beroepsgroepen waar
sprake was van de toekenning van één of meerdere (andere) voorbehouden handelingen
in tegenstelling tot de klinisch fysicus audioloog waaraan geen voorbehouden handeling
wordt toegekend. Om de klinisch fysicus audioloog te kunnen uitzonderen van de voorbehouden
handelingen is het noodzakelijk om de werkterreinen in de wet zelf op te nemen. Zoals
de NVKF zelf ook schrijft in haar reactie heeft de klinisch fysicus in haar 50-jarige
bestaan een diep verankerde plek in de medisch specialistische zorg opgebouwd. De
opleiding en werkterreinen van de klinisch fysicus lijken voldoende uitgekristalliseerd
en bestendig om nu zo vorm te geven in wetgeving. Mocht de beroepsgroep nieuwe opleidingen
en werkterreinen ontwikkelen dan kan daar opnieuw een aanvraag voor opname in de Wet
BIG en/of het toekennen van een voorbehouden handeling worden gedaan.
– Ook over de mogelijkheid om een tuchtklacht langs elektronische weg in te dienen zijn
reacties gekomen. De V&VN geeft aan dat deze mogelijkheid kan leiden tot een toename
van klachten, terwijl daar juist met het invoeren van het griffierecht de wenselijk
geachte drempel voor ingevoerd werd. De KNMG geeft aan dat het belangrijk is dat het
mogelijk blijft om een tuchtprocedure ook schriftelijk te laten verlopen. Niet alle
betrokken partijen hebben dezelfde toegang tot digitale middelen of digitale vaardigheden.
De procedure rondom het indienen van een tuchtklacht en de behandeling ervan wijzigt
niet. Dat betekent dat het griffierecht voldaan dient te worden voordat tot behandeling
van de klacht wordt overgegaan.
Of digitale toegang zal leiden tot een toename van klachten is op dit moment niet
te voorspellen. Voor wat betreft de digitalisering van het tuchtproces is expliciet
in de memorie van toelichting van het wetsvoorstel opgenomen dat het gaat om de mogelijkheid
om de klacht langs elektronische weg in te dienen en geen verplichting. De burger
heeft daarmee de keuze om een klacht digitaal of op papier in te dienen. De voorzitter
van een tuchtcollege kan wel, als eenmaal is gekozen voor de elektronische weg, bepalen
dat de procedure wordt voortgezet langs papieren weg.
8. Europees recht en gevolgen voor Caribisch Nederland
De Wet BIG is niet van toepassing in Caribisch Nederland. Het vinden van gekwalificeerd
zorgpersoneel op de BES-eilanden is uitdagend en het hanteren van de volledige Wet
BIG voor deze overige beroepen zou dit proces verder bemoeilijken. Mede vanwege deze
reden is in het verleden bewust gekozen om de Wet BIG niet integraal over te nemen
voor Caribisch Nederland. Op de BES-eilanden gelden echter wel specifieke op de BES-eilanden
toegesneden regels voor de medische beroepen: arts, tandarts, apotheker en verloskundige.
Die zijn neergelegd in het Besluit uitoefenen medisch beroep BES en de regeling medisch
beroep BES. Daarnaast geldt voor deze beroepen nog tuchtrecht dat is vastgelegd in
de Wet medisch tuchtrecht BES. Momenteel wordt het bestaande stelsel van wet- en regelgeving
voor de zorg in Caribisch Nederland onderzocht. Hierbij worden onder andere de knelpunten
geïnventariseerd en beoordeeld in relatie tot de borging van kwaliteit.
Op grond van Richtlijn (EU) 2018/958 betreffende een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand
aan een nieuwe reglementering van beroepen (hierna: richtlijn)35 moeten lidstaten een evenredigheidsbeoordeling verrichten voordat nieuwe regels worden
ingevoerd die de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep beperken
of dergelijke bestaande regels wijzigen («ex-ante evenredigheidsbeoordeling»). Deze
evenredigheidsbeoordeling houdt in dat beoordeeld wordt of de voorgestelde regels
gerechtvaardigd zijn uit hoofde van een doelstelling van algemeen belang en of ze
evenredig zijn. Doel hiervan is de goede werking van de interne markt te waarborgen
en tegelijk te zorgen voor transparantie en een hoog niveau van consumentenbescherming.
Twee onderdelen van dit wetsvoorstel vallen onder de richtlijn: regulering van de
beroepen MHAZ en die van de klinisch fysicus in artikel 3 van de Wet BIG (titelbescherming;
«het zware regime»). Door de invoering van titelbescherming voor deze beroepen wordt
de toegang tot of de uitoefening van beide beroepen beperkt. Voortaan mag immers alleen
degene die in het BIG-register als MHAZ en als klinisch fysicus is ingeschreven de
betreffende titel voeren. Het is dan verboden om deze titels (of een daarop gelijkende
titel) te voeren als betrokkene niet in het BIG-register is ingeschreven. Voor bepaalde
categorieën klinisch fysici geldt voorts dat zij de zelfstandige bevoegdheid toegekend
krijgen om de voorbehouden handeling met ioniserende straling te verrichten. Voor
beide beroepen is een door de richtlijn vereiste evenredigheidsbeoordeling verricht.
De conclusie is dat de voorgestelde bepalingen in dit wetsvoorstel over de MHAZ en
de klinisch fysicus in het licht van de richtlijn gerechtvaardigd en evenredig zijn.
MHAZ
Ten aanzien van regulering van de MHAZ is hiervoor in paragrafen 2.3 en 2.4 uitgebreid
ingegaan op de noodzaak en evenredigheid van de regulering van het beroep. Het beroep
van de MHAZ begeeft zich op het terrein van de individuele gezondheidszorg, omdat
er handelingen worden verricht die ertoe strekken een persoon van een ziekte te genezen.
Verder is er sprake van direct patiëntcontact bij het verlenen van reguliere zorg.
Daarbij komt dat de MHAZ inmiddels een breed basisberoep is dat werkzaam is in de
acute zorg. Zoals uit paragraaf 2.4.1 blijkt, is wettelijke regulering van het beroep
nodig vanuit het belang van patiëntveiligheid, omdat de MHAZ in een setting werkt
waarin acute zorg wordt verleend en voorbehouden risicovolle handelingen functioneel
zelfstandig zullen worden verricht door middel van directe interventies. Het is van
belang dat dit alleen geschiedt door beroepsbeoefenaren die daartoe bevoegd en bekwaam
zijn doordat zij daarvoor een opleiding hebben gevolgd. Dit om de patiënt te beschermen
tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen door de MHAZ. Omdat niet op een andere
wijze adequaat kan worden bereikt dat de bovenbedoelde voorbehouden handelingen slechts
door daartoe opgeleide personen worden verricht, is wettelijke regulering van het
beroep MHAZ noodzakelijk. Vanwege het toekennen van functionele zelfstandigheid van
een aantal risicovolle voorbehouden handelingen aan de MHAZ, is het wenselijk dat
het publiekrechtelijk tuchtrecht van toepassing wordt op deze beroepsgroep om daarmee
beroepsbeoefenaren van het beroep van MHAZ te kunnen uitsluiten wanneer daartoe aanleiding
is.
Klinisch fysicus
In casu is de doelstelling van algemeen belang waaraan moet zijn voldaan en die door
de voorgestelde bepalingen wordt nagestreefd, het belang van volksgezondheid.36 Doelstellingen van de Wet BIG zijn immers het bewaken en bevorderen van de kwaliteit
van de beroepsuitoefening en het beschermen van de patiënt tegen ondeskundig en onzorgvuldig
handelen door beroepsbeoefenaren in de individuele gezondheidszorg. Voorts zijn de
voorgestelde bepalingen over de MHAZ en de klinisch fysicus geschikt om de doelstelling
van algemeen belang te bereiken. De voorgestelde toevoeging voor de registratie in
het BIG-register (en daarmee het vereiste van periodieke registratie), de toekenning
van beroepstitelbescherming, het feit dat beide beroepen voortaan onderworpen zijn
aan het tuchtrecht en het toekennen van zelfstandige bevoegdheid aan bepaalde categorieën
klinisch fysici, zijn geschikte maatregelen om het doel volksgezondheid – bescherming
van patiënten tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen – te verwezenlijken.
Daarnaast eist de richtlijn dat de maatregel evenredig moet zijn: de maatregel moet
noodzakelijk zijn om het doel te bereiken en mag niet verder gaan dan wat nodig is
voor het bereiken van dat doel. Wat de klinisch fysicus betreft is deze evenredigheidstoets
reeds uitgebreid aan de orde gekomen bij de toetsing aan de criteria om het beroep
klinisch fysicus onder het «zware regime» (artikel 3 Wet BIG) te brengen (zie paragrafen
3.2 tot en met 3.5). Daarbij is ingegaan op de noodzaak tot het zelfstandig verrichten
van voorbehouden handelingen dan wel de noodzaak van toepassing van het tuchtrecht.
De conclusie is dat voor drie van de vier categorieën klinisch fysici voldaan is aan
het voorbehouden handelingen criterium (het betreft hier voorbehouden handeling met
ioniserende straling).
Ten aanzien van de klinisch fysicus audioloog is na toetsing aan het tuchtrechtcriterium
(onder andere of de patiënt zich in een zeer afhankelijke en kwetsbare positie ten
opzichte van de beroepsbeoefenaar bevindt) geconcludeerd dat regulering in artikel
3 van de Wet BIG noodzakelijk is. Zoals ook uit de vorengenoemde paragrafen blijkt,
zijn de bestaande, minder beperkende regels (regulering op grond van artikel 34 Wet
BIG; «lichte regime») ontoereikend gebleken.
II ARTIKELSGEWIJS
Artikel I, onderdeel A
In de begripsbepaling in artikel 1 van de Wet BIG worden de begrippen aanpassingsstage
en proeve van bekwaamheid opgenomen. Hierbij wordt aangesloten bij de definities van
deze begrippen in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.
Artikel I, onderdeel B
Met dit artikel wordt voorgesteld zowel de MHAZ als de klinisch fysicus op te nemen
in de lijst van beroepen in artikel 3 Wet BIG. Op grond van dit artikel wordt een
register ingesteld, waarin deze beroepsbeoefenaren op hun aanvraag kunnen worden ingeschreven,
als zij aan bepaalde voorwaarden voldoen. Dit betreft in elk geval de voorwaarden
over de opleidingseisen en het deskundigheidsgebied van de MHAZ c.q. de klinisch fysicus
zoals opgenomen in de voorgestelde paragraaf 12 respectievelijk paragraaf 13 van hoofdstuk
III. Deze voorwaarden worden nader uitgewerkt bij algemene maatregel van bestuur.
Artikel I, onderdeel C
Artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Wet BIG beschrijft de situaties waarin
de datum van het behalen van een diploma of erkenning van beroepskwalificaties als
peildatum geldt voor de periodieke registratie. Met dit onderdeel wordt voorgesteld
om de bestaande situaties die onveranderd blijven in drie subonderdelen op te nemen
en een nieuw subonderdeel 4° toe te voegen dat regelt dat indien een aanvrager eerst
een aanpassingsstage of proeve van vakbekwaamheid heeft verricht voordat deze een
erkenning van beroepskwalificaties heeft verkregen, de datum van de erkenning als
peildatum geldt. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het algemeen
deel van deze toelichting. Vanwege de leesbaarheid en om wetstechnische redenen is
ervoor gekozen om het gehele onderdeel a opnieuw vast te stellen.
Artikel I, onderdeel D
Met deze wijziging wordt paragraaf 12 aan hoofdstuk III van de wet toegevoegd waarin
een wettelijke basis wordt gelegd om bij algemene maatregel van bestuur opleidingseisen
te stellen die gelden om ingeschreven te worden in het register van MHAZ. Daarnaast
regelt dit artikel het deskundigheidsgebied van de MHAZ. Dat is opgenomen in het voorgestelde
artikel 33h waarin is bepaald dat tot het deskundigheidsgebied van de MHAZ wordt gerekend
het in opdracht van een daartoe bevoegde beroepsbeoefenaar verrichten van bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen handelingen op het gebied van acute zorg. Het betreft
spoedeisende dan wel levensreddende handelingen en handelingen die gericht zijn op
het bewaken van de gezondheidstoestand van de patiënt.
Verder volgt uit artikel 33h, tweede lid, dat de diagnostische en de therapeutische
werkzaamheden bij de opdrachtgever blijven berusten. Het gaat dus om het in opdracht
verrichten van deze handelingen voor de opdrachtnemer. Bij algemene maatregel van
bestuur worden beperkingen gesteld aan de handelingen waartoe een MHAZ bevoegd is.
Te denken valt hierbij aan een beschrijving van de handelingen die de MHAZ mag verrichten
en die vergelijkbaar zijn met de handelingen die een (ambulance)verpleegkundige functioneel
zelfstandig mag verrichten.
Daarnaast wordt met deze wijziging paragraaf 13 aan hoofdstuk III van de wet toegevoegd
waarin een wettelijke basis wordt gelegd om bij algemene maatregel van
bestuur opleidingseisen te stellen die gelden om ingeschreven te worden in het register
van klinisch fysicus (nieuw artikel 33i).
Het voorgestelde artikel 33j regelt het deskundigheidsgebied van de klinisch fysicus.
Het eerste lid, onderdeel a, van dat artikel beschrijft het algemene deskundigheidsgebied
van de klinisch fysicus. Klinisch fysici zijn eindverantwoordelijk voor het verrichten,
interpreteren en beoordelen van fysische metingen en berekeningen. Ze zorgen voor
de (verbetering van) kwaliteit en veilige toepassing van medische apparatuur. Daarnaast
hebben zij taken op het gebied van onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe fysische
methoden en apparatuur. In de omschrijving van het algemene deskundigheidsgebied wordt
gesproken over «medisch-fysische methoden, technieken en modellen». Het gaat hier bijvoorbeeld om fysische meettechnieken die klinisch worden toegepast
en waar inzicht in de achterliggende fysische principes nodig is voor een juiste interpretatie
van de resultaten, zoals dosimetrie (zie ook paragraaf 3.3 van het algemeen deel van
de toelichting). Door diens exacte achtergrond in combinatie met een klinisch gerichte
opleiding kan de klinisch fysicus dat inzicht aan de medisch specialist aanbieden.
In vrijwel alle medische disciplines wordt in ruime mate gebruik gemaakt van fysische
modellen en meettechnieken waarvan de resultaten de basis vormen voor de interpretatie
van klinische meetresultaten en het in te stellen medische beleid. Een voorbeeld is
het verkrijgen van functionele informatie over de hersenen met behulp van functional
brain imaging door middel van MRI of positron-emissie-tomografie (PET) of MR spectroscopie
(een techniek waarmee de lokale concentratie van stoffen die een rol spelen in de
stofwisseling in de hersenen, bepaald wordt). Dit is niet mogelijk zonder fysische
modellering.
In de omschrijving van het deskundigheidsgebied wordt verder gesproken van «fysische agentia». Daaronder wordt verstaan geluid, licht, temperatuur, trillingen, (ioniserende)straling
en elektromagnetische velden. De toepassing van elektromagnetische straling in de
gezondheidszorg strekt zich over een groot deel van het spectrum uit, van laagfrequente
radiogolven tot hoogfrequente ioniserende straling, zoals röntgen- en gammastraling.
Een specifieke toepassing vormt het gebruik van laserstraling, bijvoorbeeld in de
oogheelkunde, dermatologie en neurochirurgie.
Het deskundigheidsgebied van de klinisch fysicus bestaat uit vier verschillende werkterreinen
die in het voorgestelde tweede lid zijn genoemd. Er is gekozen voor de term «werkterrein», omdat deze term ook in het huidige Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied
klinisch fysicus wordt gebruikt. De klinisch fysicus is werkzaam op ten minste één
van de genoemde werkterreinen.
Deze werkterreinen komen overeen met de vier differentiaties van de postdoctorale
opleiding tot klinisch fysicus (zie ook paragraaf 3.1 van het algemeen deel van deze
toelichting waarin de vier differentiaties/werkterreinen reeds zijn toegelicht). Overstap
van het ene naar het andere werkterrein is niet mogelijk zonder aanvullende opleiding.
Deze vier werkterreinen kennen hun eigen expertisegebieden.
Artikel I, onderdeel E
In dit onderdeel wordt voorgesteld om de zelfstandige bevoegdheid tot het verrichten
van de voorbehouden handeling op het gebied van radioactieve stoffen of ioniserende
straling (artikel 36, achtste lid, Wet BIG) toe te kennen aan de klinisch fysici die
opgeleid zijn op ten minste één van de werkterreinen klinische fysica algemeen, klinische
fysica radiologie en nucleaire geneeskunde en klinische fysica radiotherapie.
Zoals ook uit het algemeen deel van de toelichting blijkt, geldt dit niet voor de
klinisch fysicus die opgeleid en werkzaam is op het werkterrein audiologie. Op het
werkterrein van de klinisch fysicus audiologie worden geen voorbehouden handelingen
uitgevoerd; daarom is het niet aan de orde om de klinisch fysicus met het werkterrein
audiologie in artikel 36, achtste lid, Wet BIG aan te wijzen.
Artikel I, onderdeel F
Met dit onderdeel wordt geregeld dat de MHAZ en de klinisch fysicus aan tuchtrechtspraak
zullen zijn onderworpen. Het tuchtrecht is immers van toepassing op alle in artikel
3 van de wet geregelde beroepen. De MHAZ en de klinisch fysicus worden dan ook toegevoegd
aan artikel 47, tweede lid. In het algemene deel van deze toelichting is daaraan aandacht
besteed.
Artikel I, onderdeel G
Met dit onderdeel wordt in de Wet BIG expliciet de mogelijkheid opgenomen om digitaal
te procederen bij de tuchtcolleges. Zoals ook in het algemeen deel van de toelichting
is uitgelegd, heeft de burger de keuze tussen digitaal procederen of procederen langs
de papieren weg. Hiervoor is gekozen om te verzekeren dat partijen die geen gebruik
kunnen maken van het internet, daarvoor onvoldoende expertise hebben, of geen authenticatiemiddelen
kunnen verkrijgen om digitaal toegang te krijgen tot de tuchtrechter, toegang tot
de tuchtrechter behouden.
Voorgesteld wordt om een nieuwe paragraaf 3a in hoofdstuk VII (Tuchtrechtspraak) in
te voegen over verkeer langs elektronische weg met de tuchtcolleges. Deze nieuwe paragraaf
is ingevoegd vóór paragrafen 4 (procedure in eerste aanleg) en 5 (procedure in beroep),
zodat elektronisch procederen voor zowel eerste aanleg als voor beroep mogelijk is.
Waar in de voorgestelde paragraaf 3a gesproken wordt van «tuchtcollege» wordt bedoeld
zowel het regionale tuchtcollege als het centrale tuchtcollege.
Het voorgestelde artikel 64a maakt expliciet dat het indienen van een klaagschrift
en een beroepschrift langs elektronische weg mogelijk is. Als voor elektronische indiening
wordt gekozen, dan moeten andere stukken ook langs elektronische weg worden ingediend
(artikel 64a, tweede lid). Het is dus de bedoeling om alles óf digitaal te doen óf
langs papieren weg. Het is niet de bedoeling dat er naar believen een processtuk digitaal
en vervolgens een ander processtuk op papier wordt aangeleverd.
Hierop is één uitzondering mogelijk als de elektronische weg is gekozen; de voorzitter
van een tuchtcollege kan in dat geval namelijk bepalen dat de procedure wordt voortgezet
langs papieren weg (artikel 64a, vijfde lid).
Het vierde lid van artikel 64a bepaalt voor de duidelijkheid dat daar waar gesproken
wordt van handelingen die «schriftelijk» moeten gebeuren, daaraan ook wordt voldaan als dat langs elektronische weg geschiedt.
Voorbeelden hiervan zijn de artikelen 65c Wet BIG (schriftelijk aanvullen of wijzigen
van de klacht) en 73b, eerste lid, Wet BIG (schriftelijk verzet doen door klager of
beklaagde bij het centrale tuchtcollege).
Het voorgestelde artikel 64b bepaalt dat daar waar in hoofdstuk VII van de Wet BIG
of in het Tuchtrechtbesluit ondertekening is voorgeschreven, dat daaraan ook wordt
voldaan door een elektronische handtekening. Deze elektronische handtekening moet
voldoen aan eisen die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden gesteld.
Het gaat hierbij om veiligheidseisen en technische eisen.
In het voorgestelde artikel 64c is voor de duidelijkheid opgenomen dat communicatie
tussen een tuchtcollege en partijen, zoals oproepingen door een tuchtcollege, processen-
verbaal en afschriften van een beslissing, en andere berichten tussen een tuchtcollege
en partijen langs elektronische weg kan worden verricht of ter beschikking kunnen
worden gesteld.
Het voorgestelde artikel 64d bevat een delegatiegrondslag om bij algemene maatregel
van bestuur nadere regels te stellen over een aantal aspecten. Het gaat onder meer
om nadere regels over het verkeer langs digitale weg tussen de tuchtcolleges en partijen
en eventuele anderen, en het stellen van eisen aan het digitale systeem voor gegevensverwerking
van de tuchtcolleges. Voor wat betreft het stukkenverkeer is nadere regelgeving wenselijk
gezien de specifieke stukken die in een tuchtprocedure worden gewisseld. Het gaat
daarbij niet alleen om klaagschriften en beroepschriften, maar ook om bijvoorbeeld
oproepingen, processen-verbaal, de uitnodiging om op een terechtzitting te verschijnen
en (een afschrift van) de beslissing. Het is van belang dat wordt gewaarborgd dat
de verzending van stukken langs elektronische weg betrouwbaar en vertrouwelijk is.
Voorts kan worden gedacht aan regels over de (technische) voorwaarden waaraan het
digitale verkeer moet voldoen (zoals de omvang van bestanden en het formaat waarin
deze aan de rechter moeten worden aangeleverd, de wijze waarop bijlagen moeten worden
aangeleverd (bijv. op een bepaalde wijze gerangschikt of voorzien van een bepaalde
metadatering), de verplichting om geen bestanden te sturen die schade kunnen toebrengen
aan de digitale systemen van de tuchtcolleges of het betrouwbaarheidsniveau voor authenticatie).
Daarnaast worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld over
het tijdstip van ontvangst van een langs elektronische weg verzonden bericht. Daarbij
gaat het om het vaststellen van het tijdstip van ontvangst door het tuchtcollege.
Dit is van belang om te kunnen constateren of het langs elektronische weg gestuurde
bericht tijdig is ontvangen. Het gaat daarbij ook om het vaststellen van het tijdstip
van ontvangst door de geadresseerde van een bericht dat door het tuchtcollege is geplaatst
in het digitale systeem voor gegevensverwerking. Het kan bijvoorbeeld gaan om correspondentie
aan partijen zoals een verzoek van het tuchtcollege om stukken in te dienen voor een
bepaalde datum of een uitnodiging voor de terechtzitting.
Artikel I, onderdeel H
Artikel 92 Wet BIG bevat bijzondere regels voor beroepsbeoefenaren verbonden aan een
buitenlandse krijgsmacht. Het gaat om de situatie dat militair wordt samengewerkt
met buitenlandse krijgsmachten. Het komt dan voor dat buitenlandse militaire beroepsbeoefenaren,
verblijvend in Nederland, op Nederlandse militaire schepen of in Nederlandse luchtvaartuigen,
zorg verlenen aan Nederlandse militairen of militairen van andere krijgsmachten dan
die waaraan de buitenlandse militaire beroepsbeoefenaar is verbonden. Het eerste lid
van artikel 92 Wet BIG regelt dat de buitenlandse militaire beroepsbeoefenaren die
voldoen aan de voorwaarden genoemd in dat lid voorbehouden handelingen mogen verrichten
(het verbod van artikel 35 Wet BIG om voorbehouden handelingen te verrichten geldt
dan dus niet voor deze beroepsbeoefenaren).
Aangezien de klinisch fysicus met de drie werkterreinen algemene klinische fysica,
radiologie en nucleaire geneeskunde, en radiotherapie met dit wetsvoorstel de zelfstandige
bevoegdheid krijgt om de voorbehouden handeling met ioniserende straling te verrichten,
wordt voorgesteld om de klinisch fysicus met de drie genoemde werkterreinen eveneens
toe te voegen aan artikel 92, eerste lid, Wet BIG.
Artikel II
Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wet BIG geldt ervoor degene die niet in
het BIG-register ingeschreven staat een verbod om de betrokken titel te voeren. Op
dit moment hebben klinisch fysici op grond van artikel 34 Wet BIG een beschermde opleidingstitel.
Het vorengenoemd verbod zou voor de thans werkzame klinisch fysici die beschikken
over een opleidingstitel betekenen dat, op het moment dat dit wetsvoorstel tot wet
is verheven en in werking is getreden, er direct een verbod geldt om de titel klinisch
fysicus te voeren. Om te voorkomen dat de bestaande klinisch fysici hun titel na inwerkingtreding
van de met dit wetsvoorstel voorgestelde wijziging van de wet, niet meer zouden mogen
voeren en om hen enige tijd te gunnen om zich in het BIG-register te kunnen inschrijven,
is in het eerste lid van dit artikel voor de groep klinisch fysici die op dit moment
al beschikken over een opleidingstitel een overgangsregeling voorgesteld. Die overgangsregeling
houdt in dat ten aanzien van degenen die vóór de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel
B, van deze wet (waarmee de klinisch fysici in artikel 3 van de wet worden opgenomen)
overeenkomstig de Wet BIG gerechtigd waren de opleidingstitel van klinisch fysicus
te gebruiken, het verbod op het voeren van de titel klinisch fysicus gedurende negen
maanden na inwerkingtreding van dat artikel, buiten toepassing blijft. Daarbij geldt
bovendien dat ten aanzien van voornoemde personen, indien zij binnen zes maanden na
inwerkingtreding van het hiervoor genoemde artikel een aanvraag doen voor inschrijving
in het register van klinisch fysicus, het verbod tot het voeren van de desbetreffende
titel op hen niet van toepassing is totdat op die aanvraag onherroepelijk is beslist.
In de Wet BIG is het tuchtrecht (artikel 47) gekoppeld aan het recht om een beroepstitel
(artikel 3) te voeren. Het tuchtrecht is – vanuit het oogpunt van het bewaken en bevorderen
van de kwaliteit van de zorg en het oogpunt van patiëntveiligheid – van toepassing
op alle beroepsgroepen die onder artikel 3 Wet BIG vallen. Het ligt daarom in de rede
om op degene die in de overgangsperiode de beroepstitel mag voeren ook het tuchtrecht
van toepassing te laten zijn.
Daarom wordt in het voorgestelde tweede lid bepaald dat gedurende de overgangsperiode
het tuchtrecht van toepassing is op de klinisch fysici. Voor de duidelijkheid wordt
hier opgemerkt dat alleen het voeren van de beroepstitel en het tuchtrecht onder dit
overgangsrecht vallen. De zelfstandige bevoegdheid om voorbehouden handelingen uit
te voeren valt daar niet onder. Dit betekent dat klinisch fysici die (nog) niet zijn
ingeschreven in het BIG-register (nog) niet de zelfstandige bevoegdheid hebben om
voorbehouden handelingen uit te voeren. Reden hiervan is – naast het feit dat het
om risicovolle handelingen gaat – dat dit voor het doel van het overgangsrecht niet
noodzakelijk is. Het doel van het overgangsrecht is om te voorkomen dat klinisch fysici
hun titel niet mogen voeren direct na inwerkingtreding van de wet en vóórdat op hun
aanvraag tot inschrijving is beslist. Voor dit doel is het niet noodzakelijk om in
de overgangsperiode de zelfstandige bevoegdheid voor de voorbehouden handelingen toe
te kennen.
Uit het bepaalde in het voorgestelde derde lid volgt dat degenen die vóór de inwerkingtreding
van artikel I, onderdeel B, beschikten over een opleidingstitel gedurende negen maanden
na de inwerkingtreding van dat artikel, voor de toepassing van andere wettelijke bepalingen
gelijk worden gesteld met degenen die in het register van klinisch fysicus ingeschreven
staan. Voorkómen moet worden dat de toepassing van dergelijke bepalingen zou worden
belemmerd of bemoeilijkt gedurende de periode dat de betrokkenen wel een aanvraag
om inschrijving in het register hebben ingediend, maar daarop nog geen onherroepelijk
besluit is genomen.
Artikel III
Omdat het mogelijk is dat niet alle artikelen en onderdelen van dit wetsvoorstel nadat
het tot wet verheven is tegelijk in werking kunnen treden, is in dit artikel de mogelijkheid
opgenomen om de verschillende artikelen of onderdelen daarvan op verschillende tijdstippen
in werking te laten treden.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.A. Bruijn
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.A. Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.