Brief regering : Klimaatbeleid voor de zeevaart 2024
32 813 Kabinetsaanpak Klimaatbeleid
31 409 Zee- en binnenvaart
Nr. 1526 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 juli 2025
Op 29 januari 2024 heeft de Tweede Kamer een voortgangsbrief ontvangen over het klimaatbeleid
voor de zeevaart.1 Zoals toegezegd ontvangt de Kamer hierbij de voortgang in 2024 van het klimaatbeleid
voor de zeevaart. Zoals in de vorige brieven is gemeld zet het Ministerie van IenW
verschillende instrumenten in om de energietransitie van de scheepvaart te stimuleren,
met een logisch onderscheid tussen wat mondiaal, Europees en nationaal het beste kan
worden geregeld. In de bijlage bij deze brief is een overzicht opgenomen van de inzet
en ontwikkelingen van beleid op de verschillende onderdelen.
Vanwege het mondiale karakter van de zeevaart zet Nederland primair in op het normeren
en beprijzen van de zeevaart op mondiaal niveau in de Internationale Maritieme Organisatie
(IMO). De wereldwijde toepassing op schepen garandeert een gelijk speelveld en maximaliseert
de effectiviteit van de maatregelen. Vanwege het lange transitiepad naar een klimaatneutrale
zeevaart en de daarvoor benodigde snelle start van de transitie zijn ook de stappen
op EU-niveau van belang met de maatregelen uit het Fit for 55 pakket, zoals EU-ETS,
FuelEU Maritime en de RED III. Intussen hebben de onderhandelingen in de IMO dit jaar
geleid tot een principeakkoord over mondiale klimaatmaatregelen. De Kamer is per separate
brief nader over het bereikte principeakkoord geïnformeerd2. De volgende stap is de adoptie van die maatregelen in oktober dit jaar in de IMO,
zodat ze in 2028 in werking kunnen treden. Na de adoptie dienen de EU-maatregelen
opnieuw te worden bezien. Conform de gemaakte afspraken zal de Europese Commissie
daartoe een rapport opstellen en voorstellen formuleren. Op nationaal niveau gaat
Nederland door met het stimuleren van kennis, innovatie en versterking van het Nederlandse
maritieme cluster, zoals via het Maritiem Masterplan en de Roadmap Brandstoftransitie
in de zeevaart. Door coherent beleid waarin internationaal, Europees en nationaal
beleid met elkaar worden verbonden kan de maritieme sector de noodzakelijke tijdige
start maken in de energietransitie. De Nederlandse maritieme ondernemers kunnen nu
al stappen zetten door onder andere de steun vanuit subsidies. Vroegtijdige investeringen
zijn nodig om hun economische veerkracht te behouden en versterken voor de toekomst
en het verdienmodel van de maritieme sector ook op de langere termijn zeker te stellen.
Impact van internationale heffing op broeikasgasemissies (toezegging)
In het commissiedebat Maritiem 30 mei 2023 is toegezegd te bekijken welke impact de
invoering van een internationale heffing voor Nederland zal hebben.3 De IMO heeft een Comprehensive Impact Assessment laten uitvoeren die hier inzicht in verschaft. De Comprehensive Impact Assessment gaat voor een groot aantal maatregelencombinaties na welke effecten ze hebben op
zowel de emissies, als op het brandstofgebruik en de efficiëntie van schepen, de maritieme
transportkosten, de internationale handel en op het BBP. De Assessment laat zien dat
alle maatregelen leiden tot een geleidelijke verhoging van de kosten van zeetransport.
Voor 2050 wordt ingeschat dat de kosten ongeveer 80% hoger liggen dan wanneer de strategie
niet uitgevoerd zou worden en schepen op fossiele brandstoffen zouden blijven varen.
De studie laat zien dat de waarde van geïmporteerde goederen met enkele procenten
toenemen. Dit percentage is lager omdat maritieme transportkosten over het algemeen
slechts een klein deel uitmaken van de waarde van import en export. Tot slot schat
de studie in dat het effect op de economie minder dan een procent is, omdat slechts
een deel van de economie moet omgaan met hogere importwaarden of afnemende export.
De assessment laat zien dat een combinatie van normeren en beprijzen economisch beter
uitpakt dan enkel normeren. Beprijzen leidt tot een snellere verbetering van de brandstofefficiëntie
van schepen, waardoor de effecten van de hogere prijzen van klimaatneutrale brandstoffen
minder groot zijn, en een snellere transitie naar klimaatneutrale brandstoffen bereikt
wordt. De prijzen van die brandstoffen dalen daardoor, wat verder versterkt wordt
door leereffecten en schaalvoordelen.
Het effect van de maatregelen op internationale handel en op het mondiale BBP loopt
op van een afname van 0,03%–0,07% in 2030 tot een afname van 0,08%–0,16% in 2050 (de
bandbreedte geeft de effecten van de verschillende maatregelpakketten weer). De percentages
moeten gezien worden tegen de achtergrond van een basisscenario dat een toename van
het wereldwijde BBP voorziet van ruim 20%. De effecten op het Nederlandse BBP worden
geschat op een afname van 0,03% in 2030 ten opzichte van het basispad, oplopend naar
0,1% in 2050. Overigens is het van belang te vermelden dat in de Assessment geen rekening
is gehouden met de veel hogere kosten die het gevolg zullen zijn van het uitblijven
van mitigerende maatregelen om de klimaatverandering tegen te gaan.
Toeschrijving zeevaart emissies aan Nederland (toezegging)
Via de bijlage bij deze brief wordt voldaan aan de toezegging uit september 20244 om de Kamer te informeren over de wijze waarop het kabinet invulling geeft aan de
verduurzaming van de zeevaart, dit naar aanleiding van de aan de Kamer gezonden studie
van CE Delft naar de toerekening van emissies van de internationale zeevaart aan Nederland.
Conform internationale afspraken rapporteert Nederland de bunkerverkopen in Nederlandse
havens aan de UNFCCC als memo-item. De emissies van de internationale zeevaart zijn
niet opgenomen in het nationale klimaatdoel. De studie toont dat toerekening van deze
emissies aan individuele landen specifieke en complexe keuzes vraagt. Onder andere
omdat via de Nederlandse havens ook veel vervoer van en naar het achterland plaatsvindt
en dit bovendien een nieuw, nationaal, datacollectie systeem zou vereisen. Met het
oog op deze complexiteit is in het verleden de regulering van de emissies in internationaal
verband opgedragen aan de IMO. Het kabinet ziet dan ook op het moment geen aanknopingspunten
om eenzijdig een dergelijk systeem op te zetten. Tegelijkertijd zijn nationale maatregelen
wenselijk en noodzakelijk die wél mogelijk zijn om nationaal de transitie in de internationale
scheepsvaart tijdig te starten en te versterken. In de bijlage wordt dit beleid verder
toegelicht.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, R. Tieman
Indieners
-
Indiener
R. Tieman, minister van Infrastructuur en Waterstaat