Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het ontwerpbesluit, houdende Wijziging van het Besluit publieke gezondheid in verband met het stellen van regels omtrent integraal suïcidepreventiebeleid (Kamerstuk 25424-749)
25 424 Geestelijke gezondheidszorg
Nr. 765 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 10 juli 2025
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport over de brief van 15 mei 2025 over het ontwerpbesluit, houdende Wijziging van
het Besluit publieke gezondheid in verband met het stellen van regels omtrent integraal
suïcidepreventiebeleid (Kamerstuk 25 424, nr. 749).
De vragen en opmerkingen zijn op 2 juni 2025 aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 10 juli 2025 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Meijerink
Inhoudsopgave
blz.
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groenlinks-PvdA- en ChristenUnie-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
5
II.
Reactie van het kabinet
5
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit, houdende
de Wijziging van het Besluit publieke gezondheid in verband met het stellen van regels
omtrent integraal suïcidepreventiebeleid en hebben hierover geen aanvullende vragen
en/of opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groenlinks-PvdA- en ChristenUnie-fracties
De leden van de GroenLinks-PvdA- en ChristenUnie-fracties maken graag van de gelegenheid
gebruik om enkele vragen te stellen bij het ontwerpbesluit integrale suïcidepreventie.
Deze leden vinden het belangrijk dat de Wet integrale suïcidepreventie zo snel mogelijk
in werking treedt en er landelijk en lokaal integraal suïcidepreventiebeleid verder
wordt ontwikkeld. Deze leden danken de Staatssecretaris wel dat hij het besluit heeft
voorgehangen in de Kamer. Omdat de initiatiefwet met zo’n brede vertegenwoordiging
uit de Kamer is verdedigd en nog breder is aangenomen, is het goed dat de Kamer het
ontwerpbesluit ziet.
De leden van de GroenLinks-PvdA- en ChristenUnie-fracties vragen globaal te schetsen
hoe de afstemming tussen diverse Ministers eruit komt te zien. Deze leden vinden het
goed dat er samenspraak wordt gezocht met wetenschappers, mensen uit de praktijk en
met ervaringsdeskundigen. Hoe ziet deze samenspraak eruit?
De leden van de GroenLinks-PvdA- en ChristenUnie-fracties vinden dat het ontwerpbesluit
vrij summier is opgesteld. Is de Staatssecretaris bereid om gelijk vanaf de inwerkingtreding
van de wet te starten met het inventariseren van voor effectieve noodzakelijke uitvoeringsbepalingen?
Hoe ziet de Staatssecretaris het betrekken van intermediaire gezondheidsdoelen die
richtinggevend kunnen zijn voor het beleid, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-
en ChristenUnie-fracties.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de het Ontwerpbesluit, houdende
Wijziging van het Besluit publieke gezondheid in verband met het stellen van regels
omtrent integraal suïcidepreventiebeleid. Zij onderstrepen het belang van suïcidepreventie
maar hebben eerder aangegeven kritisch te zijn op het wettelijk vastleggen hiervan.
De leden hebben nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie vragen hoe in een nationale communicatiestrategie wordt
voorkomen dat dit onbedoeld kan leiden tot normalisering of aanzetten tot, zoals dat
ook te zien is bij bijvoorbeeld anorexia.1 In hoeverre worden sociale-media-platforms betrokken bij het integrale beleid?
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van het ontwikkelen en delen
van kennis op het gebied van suïcide en suïcidepreventie. Wat deze leden betreft komt
hierin specifieke aandacht voor jonge vrouwen en meisjes. Ondanks herhaalde verzoeken
acht het kabinet aanvullend onderzoek naar hun mentale gezondheid niet nodig, terwijl
het aantal suïcides onder deze groep hoger ligt dan ooit2. Genoemde leden vragen zich af hoe het integrale beleid effectief kan worden vormgegeven
zonder goed inzicht te hebben in de groep waar sprake is van steeds stijgende suïcidecijfers.
Kan aangegeven worden op welke wijze deze zorgwekkende ontwikkeling plek krijgt in
het integrale beleid? In hoeverre is onderzoek gedaan naar of bestaande interventies
voldoende aansluiten bij de hulpvraag en/of belevingswereld van meisjes en jonge vrouwen?
Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie naar de stand van zaken met betrekking
tot het gratis maken van het nummer 113. Wat is het tijdspad en is dit onderdeel van
het integrale beleid?
Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie
Het Ontwerpbesluit integrale suïcidepreventie borgt drie instrumenten: de Landelijke
Agenda suïcidepreventie, een onderzoeksprogramma en een communicatiestrategie. Daarmee
staat niets de inwerkingtreding van de wet meer in de weg. De leden van de NSC-fractie
juichen dat toe. Wel sluiten de leden zich aan bij de oproep om vanaf de start te
kijken wat er nodig is voor effectieve implementatie middels een besluit of anderszins.
De leden van de NSC-fractie missen de visie van de Staatssecretaris hoe, mede in het
licht van het door het kabinet omarmde beginsel van Gezondheid in alle beleidsdomeinen,
de in de Wet integrale suïcidepreventie opgenomen regierol gaat uitvoeren. Integrale
suïcidepreventie vraagt ook om bepalingen in andere besluiten, op andere beleidsterreinen,
die vallen onder andere ministeries. Kan de Staatssecretaris meer vertellen over hoe
dit in beweging gaat worden gebracht? Wie neemt initiatief om te bezien welke wijzigingen
in regelgeving van andere departementen kunnen bijdragen aan effectieve suïcidepreventie?
Denk aan het aanhaken bij lopende wetsvoorstellen zoals het OCW-Wetsvoorstel vrij
en veilig onderwijs waarin suïcidepreventie nu nog geen rol heeft. Of hoe om te gaan
met het trainen van (overheids)personeel in het omgaan met mensen die kampen met suïcidaliteit,
waarbij zij het onderscheid weten te maken met zogeheten «instrumentele dreiging»
(dat mensen dreigen met suïcide om hun zin te krijgen, maar er geen echte suïcidale
dreiging achter zit).
De leden van de NSC-fractie denken daarnaast dat ook de onder de ministeries vallende
diensten hierbij een rol van betekenis kunnen spelen. Denk bijvoorbeeld aan NVWA en
IVM voor beperking van de toegang tot dodelijke middelen. Maar denk ook aan (bijvoorbeeld)
de inspecties bij het doen van onderzoek naar een onnatuurlijke dood. Is het logisch
dat bedrijfsongevallen grondiger worden onderzocht, dan een suïcide op de werkplek?
In de wet staat dat suïcidepreventie een plek krijgt in de Landelijke Nota Gezondheidsbeleid.
De leden van de NSC-fractie missen in dit besluit nadere duiding en borging. Zo blijkt
uit het consultatieverslag dat monitoring voor zowel landelijke als lokale overheden
een plek krijgt in de komende Landelijke Nota Gezondheidsbeleid. Gezien de voornemens
van het kabinet inzake een investeringsmodel voor preventie (meten is weten): zou
monitoring niet structureel onderdeel moeten zijn van integrale suïcidepreventie?
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Met interesse hebben de leden van de D66-fractie kennisgenomen van de brief van de
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over geestelijke gezondheidszorg.
Daartoe hebben deze leden verdere vragen.
De leden van de D66-fractie hechten veel waarde aan een goede en effectieve aanpak
van suïcidepreventie. Elke suïcide is er één te veel. Met de Wet integrale suïcidepreventie
is een belangrijke stap gezet door het Rijk en gemeenten gezamenlijk verantwoordelijk
te maken voor integraal beleid op dit gebied.
Met dit ontwerpbesluit wordt hier invulling aan gegeven. De leden van de D66-fractie
zien dat er met onder andere de Landelijke Agenda, de communicatiestrategie en het
onderzoeksprogramma belangrijke onderdelen benoemd worden. Tegelijkertijd constateren
deze leden dat veel bepalingen nog algemeen blijven. Uit de behandeling van de wet
bleek al dat gemeenten en regio’s vaak al gestart zijn met suïcidepreventie, maar
dat structurele borging en samenwerking in de praktijk nog versterking verdienen.
De vraag is of gemeenten, professionals en maatschappelijke organisaties met het ontwerpbesluit
voldoende houvast hebben om het beleid in de praktijk goed uit te voeren. De leden
vragen de Staatssecretaris daarom hoe hij dit na inwerkingtreding zal volgen en monitoren.
Omdat suïcidepreventiebeleid zich voortdurend ontwikkelt en nieuwe inzichten kunnen
ontstaan over effectieve preventiemaatregelen, vinden deze leden het belangrijk dat
het ontwerpbesluit zo nodig kan worden aangepast. Zij vragen de Staatssecretaris daarom
of hij bereid is om binnen drie jaar na inwerkingtreding het besluit te evalueren
en op basis daarvan, indien nodig, met voorstellen tot wijziging te komen. Daarbij
vragen de leden hoe gemeenten, professionals, ervaringsdeskundigen en maatschappelijke
organisaties worden betrokken bij deze monitoring en mogelijke aanpassing.
Daarnaast vragen deze leden aandacht voor de uitvoeringscapaciteit bij gemeenten.
Gemeenten willen graag verantwoordelijkheid nemen, maar geven ook aan behoefte te
hebben aan ondersteuning, kennisdeling en praktijkvoorbeelden. De leden van de D66-fractie
vragen de Staatssecretaris hoe deze ondersteuning vorm krijgt, mede gezien het risico
dat sommige gemeenten zonder nadere concretisering moeite kunnen hebben om hun lokale
beleid goed vorm te geven.
De leden benadrukken dat snelheid bij invoering van de wet voorop moet staan. Tegelijkertijd
blijft het kabinet verantwoordelijk voor een goede uitvoering in de praktijk.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit, houdende
Wijziging van het Besluit publieke gezondheid in verband met het stellen van regels
omtrent integraal suïcidepreventiebeleid. Deze leden hebben de volgende vragen aan
de Staatssecretaris.
Om te beginnen willen de leden benadrukken dat het belangrijk is dat de wet zo snel
mogelijk in werking treedt. Daarnaast is het van belang om meteen vanaf de inwerkingtreding
de maatschappelijke behoeften bij het uitvoeren van de wet te inventariseren, zodat
op zo kort mogelijke termijn wijzigingen in het besluit worden doorgevoerd die handen
en voeten geven aan de uitvoering.
De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat er vooral moet worden gekeken naar
wat er al is en daar zo goed mogelijk op moet worden aangesloten. Wat betreft de leden
hoeft er namelijk niet opnieuw een heel systeem opgetuigd te worden. Zo hebben de
leden gehoord dat er in het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord mogelijk voorzieningen
zitten voor laagdrempelige psychische ondersteuning in gemeenten. De leden vragen
of die voorzieningen ook op suïcidepreventie wordt aangesloten, bijvoorbeeld door
samenwerking met het Suïcide Preventie Centrum.
Tot slot vinden deze leden dat er naast initiatieven onder het Ministerie van Volksgezondheid
Welzijn en Sport ook gekeken moet worden naar wat er nodig is om initiatieven bij
andere ministeries verder te brengen. Denk aan het verder ontwikkelen van TABOER of
maatregelen tegen de negatieve invloed van social media op jongeren. En welke rol
hebben de onder de ministeries vallende diensten daarbij, zoals de inspecties? Hoe
concreter, hoe beter.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het Ontwerpbesluit, houdende Wijziging
van het Besluit publieke gezondheid in verband met het stellen van regels omtrent
integraal suïcidepreventiebeleid. Zij zijn positief over het feit dat de Staatssecretaris
aan de slag is gegaan met de implementatie van de wet, maar hebben nog wel enkele
vragen en opmerkingen over de precieze invulling ervan.
De leden van de SP-fractie merken op dat het ontwerpbesluit een vrij beknopte uitwerking
is van het wetsvoorstel en er weinig nieuwe elementen in zijn verwerkt. Hoe kijkt
de Staatssecretaris hiernaar? Is hij van plan het besluit in de toekomst wel verder
uit te werken? Zo ja, welke stappen gaat hij zetten om in kaart te brengen hoe dit
het meest effectief kan worden gedaan?
II. Reactie van het kabinet
Allereerst wil ik de leden van de Kamer danken voor hun inbreng op het onderhavige
ontwerpbesluit dat strekt tot wijziging van het Besluit publieke gezondheid in verband
met het stellen van regels omtrent integraal suïcidepreventiebeleid. Dit is ter uitwerking
van de Wet integrale suïcidepreventie (hierna: de wet), die onderdeel zal worden van
de Wet publieke gezondheid (hierna: Wpg). Uit het decentrale stelsel van de Wpg volgt
dat gemeenten beleids- en budgetvrijheid hebben bij de uitvoering van hun taken. Vanuit
dit perspectief is het ontwerpbesluit uitgewerkt; in het oog houdend waar de wet toe
opdraagt. Het wettelijk voorschrijven van te voeren lokaal beleid past niet bij het
karakter van de Wpg en om die reden is het ontwerpbesluit ook niet als zodanig geformuleerd.
Het is aan de gemeenten zelf om te bepalen op welke wijze zij invulling geven aan
lokaal gezondheidsbeleid en de prioritering daarbinnen. Daarmee wordt ook recht gedaan
aan de proportionaliteit van de medebewindsvoeringstaken tussen Rijk en gemeenten.
De Landelijke Nota Gezondheidsbeleid is daarin het instrument dat richtinggevend en
kaderstellend naar gemeenten is. De vierde Landelijke Agenda suïcidepreventie is het
programma waarbinnen de komende jaren activiteiten uitgevoerd worden. Dit programma
biedt lokale partijen handvatten om in te zetten op het verminderen van het aantal
suïcides. De agenda is daarmee een mooi instrument om ervaringen op te doen en te
vertalen naar de (lokale) praktijk.
Bij dit alles moet ook worden meegenomen dat suïcidepreventie vroeg in de keten van
mentale gezondheid en ggz begint. Aan suïcidale gedachten en suïcides gaat een proces
van toenemende mentale problemen vooraf. Het is dan ook van belang om voor suïcidepreventie
in den brede in te blijven zetten op het verbeteren van de mentale gezondheid en specifiek
op het verbeteren van de mentale veerkracht.
Onderstaand ga ik verder in op de door de fracties gestelde vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groenlinks-PvdA- en ChristenUnie-fracties
De leden van de GroenLinks-PvdA- en ChristenUnie-fracties vragen globaal te schetsen
hoe de afstemming tussen diverse Ministers eruit komt te zien.
De governance voor interdepartementale afstemming voor wat betreft suïcidepreventie is als volgt
vormgegeven: er is een stuurgroep Integrale Suïcidepreventie. Hierin vindt tussen
verschillende departementen afstemming plaats op het gebied van suïcidepreventiebeleid.
In de stuurgroep worden het strategisch beleid en de besluitvorming vormgegeven. De
Landelijke Nota Gezondheidsbeleid en de Landelijke Agenda worden hier afgestemd en
vastgesteld. In de werkgroep Suïcidepreventie wordt onder andere de uitvoering van
beleidsmaatregelen per departement gevolgd.
Deze leden vinden het ook goed dat er samenspraak wordt gezocht met wetenschappers,
mensen uit de praktijk en met ervaringsdeskundigen. Hoe ziet deze samenspraak eruit?
In de uitvoering van het Besluit integrale suïcidepreventie vindt de samenspraak met
wetenschappers, mensen uit de praktijk en ervaringsdeskundigen op verschillende onderdelen
plaats.
Allereerst zal in de Landelijke Nota Gezondheidsbeleid worden stilgestaan bij het
vormgeven van een samenhangende aanpak, waarin ervaringsdeskundigen, naasten en nabestaanden
betrokken worden en van hun kennis en ervaring gebruik wordt gemaakt. Dit alles vanuit
de gedachte: van, voor en door de doelgroep. Daarbij is in de Landelijke Nota gebruikte
kennis gebaseerd op wetenschappelijke inzichten.
Ook gebeurt dit in de Landelijke Agenda die door Stichting 113 Zelfmoordpreventie
met partijen uit het veld wordt opgesteld en uitgevoerd. Kennis vanuit wetenschap,
praktijk en ervaring zijn in de Landelijke Agenda aanvullend op elkaar. Onderdeel
van de nieuwe Landelijke Agenda Suïcidepreventie is het borgen van de inbreng vanuit
deze perspectieven in elke fase van ontwikkeling en uitvoering. Voor de nieuwe Landelijke
Agenda wordt kennis van wetenschap, praktijk en ervaring ook een vereiste voor de
uit te voeren activiteiten en projecten.
Ook in het nog vorm te geven ZonMw-onderzoeksprogramma suïcidepreventie worden wetenschappelijke
kennis, inzichten en ervaringsdeskundigheid belangrijke elementen.
De leden van de GroenLinks-PvdA- en ChristenUnie-fracties vinden tevens dat het ontwerpbesluit
vrij summier is opgesteld. Is de Staatssecretaris bereid om gelijk vanaf de inwerkingtreding
van de wet te starten met het inventariseren van voor effectieve noodzakelijke uitvoeringsbepalingen?
Ik ben ervan overtuigd dat het wenselijk is de wet eerst bij gemeenten te laten landen
en hen de tijd te geven hier in de lokale nota’s invulling aan te geven. Dat betekent
ook dat ik het pas wenselijk acht iets te veranderen aan de uitvoeringsbepalingen
binnen de wettelijke kaders als de uitkomsten van de Landelijke Nota Gezondheidsbeleid
en een landelijke monitor – waarover nu met de VNG en Stichting 113 Zelfmoordpreventie
qua vorm en inhoud wordt nagedacht – hiertoe aanleiding geven. Daarbij voel ik mij
ook gesteund door het feit dat de VNG zich kan vinden in de wijze waarop het ontwerpbesluit
momenteel geformuleerd is. Over vier jaar kan, indien nodig, met de volgende Landelijke
Nota Gezondheidsbeleid, een volgende stap gemaakt worden.
Hoe ziet de Staatssecretaris het betrekken van intermediaire gezondheidsdoelen die
richtinggevend kunnen zijn voor het beleid, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-
en ChristenUnie-fracties.
Het doel van de wet is om een brede en samenhangende aanpak en beleid op suïcidepreventie
te ontwikkelen. De oorzaken van zelfdoding zijn complex en de aanpak daarmee ook.
Ik kan mij daarom vinden in de suggestie van de fracties van GroenLinks-PvdA en ChristenUnie,
om intermediaire gezondheidsdoelen mee te nemen in het beleid. In de nog te ontwikkelen
landelijke monitor – waarover nu met de VNG en Stichting 113 Zelfmoordpreventie qua
vorm en inhoud wordt nagedacht – zal ook worden gekeken in hoeverre procesindicatoren
kunnen worden ontwikkeld. Het zal daarbij dan gaan om procesindicatoren van gemeenten
voor het ontwikkelen van lokaal suïcidepreventiebeleid. Daarnaast kan ook aan andere
procesindicatoren worden gedacht, zoals de naamsbekendheid van Stichting 113 Zelfmoordpreventie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie vragen hoe in een nationale communicatiestrategie wordt
voorkomen dat dit onbedoeld kan leiden tot normalisering of aanzetten tot, zoals dat
ook te zien is bij bijvoorbeeld anorexia.3 In hoeverre worden sociale-media-platforms betrokken bij het integrale beleid?
Doel van de nationale voorlichtingsstrategie is het doorbreken van het taboe op praten
over zelfdoding en het gesprek over zelfdoding normaliseren. In de aankomende nationale
communicatiestrategie – ook wel nationale voorlichtingsstrategie – die onderdeel is
van de activiteiten van Stichting 113 Zelfmoordpreventie wordt altijd rekening gehouden
met het mogelijk negatieve effect van communiceren over dit onderwerp. Dit gebeurt
op basis van de mediarichtlijnen die Stichting 113 Zelfmoordpreventie zelf naleeft.
Hierbij gaat het bijvoorbeeld om hoopgevend communiceren over zelfdoding, maar ook
om het achterwege laten van details over de wijze van suïcide. Daarnaast wordt altijd
benoemd dat hulp helpt en wordt verwezen naar de hulplijn van Stichting 113 in/op
(sociale) media. Dit om te voorkomen dat communicatie over zelfdoding leidt tot normalisering
van of aanzetten tot zelfdoding. Met praten kunnen we levens redden.
Ook sociale media worden door Stichting 113 hierin in deze strategie meegenomen. Allereerst
door aanwezig te zijn op sociale-mediaplatforms, zodat kan worden gemonitord en wanneer
nodig gereageerd op content die aan zelfdoding raakt. Daarnaast worden sociale media
betrokken om bereik te creëren voor de boodschap om het taboe op praten over zelfdoding
op een veilige wijze te doorbreken. Op die manier maakt het betrekken van sociale
media en het zorgen voor verantwoorde berichtgeving in/op (sociale) media deel uit
van het integrale beleid.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van het ontwikkelen en delen
van kennis op het gebied van suïcide en suïcidepreventie. Wat deze leden betreft komt
hierin specifieke aandacht voor jonge vrouwen en meisjes. Ondanks herhaalde verzoeken
acht het kabinet aanvullend onderzoek naar hun mentale gezondheid niet nodig, terwijl
het aantal suïcides onder deze groep hoger ligt dan ooit4.
Genoemde leden vragen zich af hoe het integrale beleid effectief kan worden vormgegeven
zonder goed inzicht te hebben in de groep waar sprake is van steeds stijgende suïcidecijfers.
Kan aangegeven worden op welke wijze deze zorgwekkende ontwikkeling plek krijgt in
het integrale beleid?
In hoeverre is onderzoek gedaan naar of bestaande interventies voldoende aansluiten
bij de hulpvraag en/of belevingswereld van meisjes en jonge vrouwen?
Er is sprake van een zorgelijke ontwikkeling bij jonge vrouwen en meisjes die relatief
nieuw is. Hier zetten we concreet op in. Zo worden in de aankomende Landelijke Agenda
van 113 Zelfmoordpreventie interventies voor risicogroepen, zoals jonge vrouwen en
meisjes, (door)ontwikkeld. Hiervoor maakt 113 Zelfmoordpreventie onder meer gebruik
van inzichten uit haar eigen psychosociale autopsie onderzoek. Daarin wordt met vragenlijsten
en verdiepende interviews geleerd van ervaringen van nabestaanden om suïcidepreventie
beter uit te kunnen voeren, ook voor jonge vrouwen en meisjes. Verder moet een landelijke
monitor suïcidepreventie – waarover nu met de VNG en Stichting 113 Zelfmoordpreventie
qua vorm en inhoud wordt nagedacht – meer inzicht geven in risicogroepen, zoals jonge
vrouwen en meisjes. Daarnaast stelt 113 Zelfmoordpreventie dit jaar een factsheet
op over suïcides bij jonge vrouwen op basis van beschikbare bronnen.
Ook is het goed om de vraag over de mentale gezondheid van meisjes en jonge vrouwen
in een bredere context de plaatsen. Zoals ik ook in de inleiding van deze beantwoording
uiteengezet heb, kunnen aan suïcidale gedachten en suïcides een proces van toenemende
mentale problemen voorafgaan. Het verbeteren van mentale veerkracht kan bijdragen
aan goede suïcidepreventie. Onlangs heb ik met de Voortgangsbrief Jeugd5 het rapport «Genderverschillen in mentale gezondheidstrends» met uw Kamer gedeeld.6 Dit rapport is opgesteld naar aanleiding van de motie7 van het voormalig lid Tielen (VVD) en het lid Dobbe (SP) over een onderzoek naar
factoren die gezond opgroeien van meisjes bepalen en kunnen verbeteren. De komende
periode onderzoek ik, in afstemming met het actieprogramma mentale gezondheid en ggz,
wat er nodig is en mogelijk is om opvolging te geven aan de aanbevelingen uit dit
rapport. Hierop kom ik bij uw Kamer terug.
Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie naar de stand van zaken met betrekking
tot het gratis maken van het nummer 113. Wat is het tijdspad en is dit onderdeel van
het integrale beleid?
Het gratis maken voor de bellers gebeurt door middel van een besluit tot wijziging
van het nummerplan. Dit besluit is inmiddels genomen door de Minister van Economische
Zaken. Voor de inwerkingtreding van het besluit geldt een implementatietermijn van
drie maanden. Daarna zal het nummer 113 ook daadwerkelijk gratis te bellen zijn. Het
gratis maken van nummer 113 maakt deel uit van het integrale beleid van het kabinet,
het zorgt ervoor dat hulp en ondersteuning voor iedereen in Nederland laagdrempelig
toegankelijk is.
Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie
De leden van de NSC-fractie missen de visie van de Staatssecretaris hoe, mede in het
licht van het door het kabinet omarmde beginsel van Gezondheid in alle beleidsdomeinen,
de in de Wet integrale suïcidepreventie opgenomen regierol gaat uitvoeren.
Op grond van de wet heb ik als Staatssecretaris de taak, in overleg met andere bewindspersonen,
integraal beleid vast te stellen en te zorgen voor de coördinatie en uitvoering daarvan.
De interdepartementale afstemming over suïcidepreventie vindt plaats in de stuurgroep
Integrale Suïcidepreventie. De Landelijke Nota Gezondheidsbeleid en de Landelijke
Agenda worden hier afgestemd en vastgesteld. In de werkgroep Suïcidepreventie worden
de acties verder uitgewerkt en de uitvoering van beleidsmaatregelen per departement
gevolgd. Zo wordt met het platform TABOER, dat primair onder het Ministerie van LVVN
valt, ingezet op het doorbreken van het taboe op praten over mentale gezondheid in
de agrarische sector. Ook zet OCW met ondersteuningsprogramma STIJN in op het ondersteunen
van onderwijsinstellingen bij het integraal werken aan studentenwelzijn, onderdeel
daarvan is suïcidepreventie. De keuzes wat betreft het beleid en de verantwoordelijkheid
hiervoor, blijven bij departementen zelf.
Integrale suïcidepreventie vraagt ook om bepalingen in andere besluiten, op andere
beleidsterreinen, die vallen onder andere ministeries. Kan de Staatssecretaris meer
vertellen over hoe dit in beweging gaat worden gebracht?
Naast de in een eerder antwoord geschetste governance waarin de interdepartementale afstemming wordt weergegeven, is het mijn taak als
Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport om aanjagend te zijn richting andere departementen
voor het ontwikkelen van beleid op suïcidepreventie. Daarnaast breng ik als Staatssecretaris
Jeugd, Preventie en Sport kennis naar departementen die zij kunnen meenemen binnen
hun afwegingen om suïcidepreventie in hun beleidsplannen op te nemen. De keuzes voor
het beleid en de verantwoordelijkheid hiervoor, blijven echter voor departementen
zelf.
Wie neemt initiatief om te bezien welke wijzigingen in regelgeving van andere departementen
kunnen bijdragen aan effectieve suïcidepreventie? Denk aan het aanhaken bij lopende
wetsvoorstellen zoals het OCW-Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs waarin suïcidepreventie
nu nog geen rol heeft. Of hoe om te gaan met het trainen van (overheids)personeel
in het omgaan met mensen die kampen met suïcidaliteit, waarbij zij het onderscheid
weten te maken met zogeheten «instrumentele dreiging» (dat mensen dreigen met suïcide
om hun zin te krijgen, maar er geen echte suïcidale dreiging achter zit).
Op grond van de wet heb ik als Staatssecretaris de taak, in overleg met andere bewindspersonen,
integraal beleid vast te stellen en te zorgen voor de coördinatie en uitvoering daarvan.
Gelet op de taak om suïcidepreventie integraal te benaderen, werk ik toe naar een
door departementen gedragen uitwerking van de Landelijke Nota Gezondheidsbeleid.
De leden van de NSC-fractie denken daarnaast dat ook de onder de ministeries vallende
diensten hierbij een rol van betekenis kunnen spelen. Denk bijvoorbeeld aan NVWA en
IVM voor beperking van de toegang tot dodelijke middelen. Maar denk ook aan (bijvoorbeeld)
de inspecties bij het doen van onderzoek naar een onnatuurlijke dood. Is het logisch
dat bedrijfsongevallen grondiger worden onderzocht, dan een suïcide op de werkplek?
Het onderzoeken van arbeidsongevallen valt onder de verantwoordelijkheid van de Arbeidsinspectie.
De Arbeidsinspectie doet onderzoek naar alle meldingsplichtige arbeidsongevallen.
Daarbij gaat het om arbeidsongevallen bij een ziekenhuisopname, blijvend letsel of
ongevallen met een dodelijke afloop. Op basis van de bevindingen van de arbeidsinspecteurs
wordt tot een vervolgactie besloten. Als een werknemer komt te overlijden tijdens
zijn werk, dan wordt dit gezien als een meldingsplichtig ongeval en doet de Arbeidsinspectie
altijd onderzoek. De definitie van een arbeidsongeval is «een op het werk of in werktijd
overkomen ongewilde, plotselinge gebeurtenis, die schade aan de gezondheid tot vrijwel
onmiddellijk gevolg heeft gehad en heeft geleid tot ziekteverzuim, of dat het de dood
tot vrijwel onmiddellijk gevolg heeft gehad. Blijkt dat het geen arbeidsongeval is,
maar suïcide dan onderzoekt de Arbeidsinspectie dit niet verder. Bij een suïcide is
het gebeurde de persoon in kwestie niet «overkomen», maar heeft hij/zij zichzelf wat
aangedaan. Daarbij is niet relevant dat het op de werkplek is gebeurd. Kortgezegd,
heeft de Arbeidsinspectie wel een rol bij arbeidsongevallen, maar niet bij suïcide
op de werkplek.
In de wet staat dat suïcidepreventie een plek krijgt in de Landelijke Nota Gezondheidsbeleid.
De leden van de NSC-fractie missen in dit besluit nadere duiding en borging. Zo blijkt
uit het consultatieverslag dat monitoring voor zowel landelijke als lokale overheden
een plek krijgt in de komende Landelijke Nota Gezondheidsbeleid. Gezien de voornemens
van het kabinet inzake een investeringsmodel voor preventie (meten is weten): zou
monitoring niet structureel onderdeel moeten zijn van integrale suïcidepreventie?
Het belang van monitoring wordt erkend – mede ook op basis van de uitvoeringstoets
van de wet die door de VNG is gedaan – en kan zowel voor landelijke als ook lokale
overheden bijdragen aan inzichten en ontwikkelingen op het gebied van suïcides. Monitoring
krijgt een plek in de komende Landelijke Nota Gezondheidsbeleid. Met de VNG en Stichting
113 Zelfmoordpreventie wordt nagedacht over de vorm en inhoud van een landelijke monitor
suïcidepreventie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hechten veel waarde aan een goede en effectieve aanpak
van suïcidepreventie. Elke suïcide is er één te veel. Met de Wet integrale suïcidepreventie
is een belangrijke stap gezet door het Rijk en gemeenten gezamenlijk verantwoordelijk
te maken voor integraal beleid op dit gebied.
Met dit ontwerpbesluit wordt hier invulling aan gegeven. De leden van de D66-fractie
zien dat er met onder andere de Landelijke Agenda, de communicatiestrategie en het
onderzoeksprogramma belangrijke onderdelen benoemd worden. Tegelijkertijd constateren
deze leden dat veel bepalingen nog algemeen blijven. Uit de behandeling van de wet
bleek al dat gemeenten en regio’s vaak al gestart zijn met suïcidepreventie, maar
dat structurele borging en samenwerking in de praktijk nog versterking verdienen.
De vraag is of gemeenten, professionals en maatschappelijke organisaties met het ontwerpbesluit
voldoende houvast hebben om het beleid in de praktijk goed uit te voeren. De leden
vragen de Staatssecretaris daarom hoe hij dit ina inwerkingtreding zal volgen en monitoren.
De Landelijke Nota Gezondheidsbeleid is leidend voor gemeenten voor het vormgeven
van hun lokale suïcidepreventiebeleid. Dat biedt houvast voor gemeenten om aan dit
beleid te werken. De beleidscyclus van de lokale nota gezondheidsbeleid beslaat vier
jaar. Daarbij heeft de VNG aangegeven zich te kunnen vinden in de wijze waarop het
ontwerpbesluit is vormgegeven. De Landelijke Nota Gezondheidsbeleid wordt afgestemd
met de VNG. Daarnaast krijgt monitoring een plek in de komende Landelijke Nota Gezondheidsbeleid.
Met de VNG en Stichting 113 Zelfmoordpreventie wordt nagedacht over de vorm en inhoud
van een landelijke monitor suïcidepreventie.
Omdat suïcidepreventiebeleid zich voortdurend ontwikkelt en nieuwe inzichten kunnen
ontstaan over effectieve preventiemaatregelen, vinden deze leden het belangrijk dat
het ontwerpbesluit zo nodig kan worden aangepast. Zij vragen de Staatssecretaris daarom
of hij bereid is om binnen drie jaar na inwerkingtreding het besluit te evalueren
en op basis daarvan, indien nodig, met voorstellen tot wijziging te komen. Daarbij
vragen de leden hoe gemeenten, professionals, ervaringsdeskundigen en maatschappelijke
organisaties worden betrokken bij deze monitoring en mogelijke aanpassing.
Ik kan mij vinden in de opmerking van de D66-fractie dat het van belang is nieuwe
inzichten in effectieve preventiemaatregelen mee te nemen in suïcidepreventiebeleid.
Met de nog te ontwikkelen landelijke monitor suïcidepreventie – waarover nu met de
VNG en Stichting 113 Zelfmoordpreventie qua vorm en inhoud wordt nagedacht – en de
Landelijke Nota Gezondheidsbeleid wordt richting en sturing gegeven aan het beleid
van departementen en gemeenten. Daarbij is het van belang om de nieuwe regelgeving
eerst goed te laten landen, zowel bij gemeenten als bij de verschillende departementen.
Pas wanneer gemeenten en departementen hierop stappen hebben kunnen zetten, kunnen
we de regelgeving evalueren. Op basis daarvan kan, indien nodig, besloten worden om
het ontwerpbesluit aan te passen.
Daarnaast vragen deze leden aandacht voor de uitvoeringscapaciteit bij gemeenten.
Gemeenten willen graag verantwoordelijkheid nemen, maar geven ook aan behoefte te
hebben aan ondersteuning, kennisdeling en praktijkvoorbeelden. De leden van de D66-fractie
vragen de Staatssecretaris hoe deze ondersteuning vorm krijgt, mede gezien het risico
dat sommige gemeenten zonder nadere concretisering moeite kunnen hebben om hun lokale
beleid goed vorm te geven.
Ook ik zie het belang van ondersteuning van gemeenten in de voor hen nieuwe taakopdracht
die uit de wet volgt. Daarom start dit jaar nog een ondersteuningsprogramma dat door
de VNG in samenwerking met Stichting 113 Zelfmoordpreventie en GGD GHOR Nederland
wordt vormgegeven. Hierin spelen ondersteuning, kennisdeling en praktijkvoorbeelden
een belangrijke rol. Met dit ondersteuningsprogramma geef ik gehoor aan de oproep
in de uitvoeringstoets van de wet, die door de VNG is gedaan, om een programma te
starten voor gemeenten om hen te ondersteunen in deze nieuwe taakopdracht.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Om te beginnen willen de leden benadrukken dat het belangrijk is dat de wet zo snel
mogelijk in werking treedt. Daarnaast is het van belang om meteen vanaf de inwerkingtreding
de maatschappelijke behoeften bij het uitvoeren van de wet te inventariseren, zodat
op zo kort mogelijke termijn wijzigingen in het besluit worden doorgevoerd die handen
en voeten geven aan de uitvoering.
Juist door de vrijheid die gemeenten in de regelgeving wordt geboden, is er ruimte
om rekening te houden met de maatschappelijke behoeften die lokaal en regionaal leven.
Zo kan netwerksamenwerking op suïcidepreventie per regio verschillen en is het aan
gemeenten zelf, met behulp van de kaders uit de Landelijke Nota Gezondheidsbeleid,
om hier invulling aan te geven. Al naar gelang de lokale situatie kan er dus door
verschillende lokale partners worden samengewerkt op basis van de lokale maatschappelijke
opgaven die er zijn.
De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat er vooral moet worden gekeken naar
wat er al is en daar zo goed mogelijk op moet worden aangesloten. Wat betreft de leden
hoeft er namelijk niet opnieuw een heel systeem opgetuigd te worden. Zo hebben de
leden gehoord dat er in het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord mogelijk voorzieningen
zitten voor laagdrempelige psychische ondersteuning in gemeenten. De leden vragen
of die voorzieningen ook op suïcidepreventie wordt aangesloten, bijvoorbeeld door
samenwerking met het Suïcide Preventie Centrum.
In het Integraal Zorgakkoord uit 2022 is de afspraak gemaakt om in de komende vijf
jaar te komen tot een landelijk dekkend netwerk van laagdrempelige steunpunten, zoals
herstel- en zelfregiecentra waar iedere inwoner, met name mensen met Ernstige Psychiatrische
Aandoening (EPA), toegang toe heeft: gerund door vrijwilligers en ervaringsdeskundigen,
ondersteund door sociaalwerkers en in verbinding met ggz-professionals, met een link/
aanspreekpunt naar huisartsen. Deze laagdrempelige steunpunten zijn voor alle inwoners
toegankelijk, dus ook voor mensen met suïcidale gedachten. Deze steunpunten zijn lokale
initiatieven, waarbij er op basis van behoeften van inwoners en bezoekers (in een
steunpunt zelf) gekeken wordt voor welke thema’s aandacht moet zijn.
Tot slot vinden deze leden dat er naast initiatieven onder het Ministerie van Volksgezondheid
Welzijn en Sport ook gekeken moet worden naar wat er nodig is om initiatieven bij
andere ministeries verder te brengen. Denk aan het verder ontwikkelen van TABOER of
maatregelen tegen de negatieve invloed van social media op jongeren. En welke rol
hebben de onder de ministeries vallende diensten daarbij, zoals de inspecties? Hoe
concreter, hoe beter.
Zoals eerder in mijn beantwoording is aangegeven, zijn de initiatieven bij andere
ministeries aan die Ministers zelf. Als Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport
jaag ik aan en breng ik het onderwerp ook bij andere departementen onder de aandacht.
Ik bepaal niet wat andere departementen hierin moeten doen. Met betrekking tot TABOER
of de negatieve effecten van sociale media op jongeren en rol van de inspecties, is
de verantwoordelijkheid breder dan het Ministerie van VWS alleen en worden besluiten
afgestemd met andere departementen. Voor wat betreft suïcidepreventie, breng ik als
Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport kennis naar departementen, die zij kunnen
betrekken binnen hun afwegingen om suïcidepreventie in hun beleidsplannen op te nemen.
Ik bepaal niet wat andere departementen hierin moeten doen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie merken op dat het ontwerpbesluit een vrij beknopte uitwerking
is van het wetsvoorstel en er weinig nieuwe elementen in zijn verwerkt. Hoe kijkt
de Staatssecretaris hiernaar? Is hij van plan het besluit in de toekomst wel verder
uit te werken? Zo ja, welke stappen gaat hij zetten om in kaart te brengen hoe dit
het meest effectief kan worden gedaan?
Ik ben ervan overtuigd dat het wenselijk is de wet eerst bij gemeenten te laten landen
en hen de tijd te geven hier in de lokale nota’s invulling aan te geven. Dat betekent
ook dat ik het pas wenselijk acht iets te veranderen aan de uitvoeringsbepalingen
binnen de wettelijke kaders als de uitkomsten van de Landelijke Nota Gezondheidsbeleid
en een landelijke monitor- waarover nu met de VNG en Stichting 113 Zelfmoordpreventie
qua vorm en inhoud wordt nagedacht- hiertoe aanleiding geven. Ook het nog verder vorm
te geven ZonMw-onderzoeksprogramma kan gaan bijdragen aan nieuwe inzichten. Over vier
jaar kan, indien nodig, met de volgende Landelijke Nota Gezondheidsbeleid, een volgende
stap gemaakt worden.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
J.J. Meijerink, adjunct-griffier