Brief regering : Voortgangsbrief lerarenstrategie juli 2025
27 923 Werken in het onderwijs
Nr. 514
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS EN MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 juli 2025
Elke leerling in ons land verdient goed onderwijs. Daarvoor zijn voldoende en goed
opgeleide leraren, schoolleiders en onderwijsondersteuners nodig.
De afgelopen jaren hebben we een goed beeld gekregen van de personeelstekorten in
het onderwijs. We weten hoe groot de tekorten zijn, dat ze ongelijk verdeeld zijn
over het land maar ook dat de schaarste de komende decennia helaas aanblijft.1 Dat geldt niet alleen voor de onderwijssector. Door de bredere krapte op de Nederlandse
arbeidsmarkt heeft het onderwijs te maken met sterke concurrentie om arbeid.
Zoals ook werd geconcludeerd op de kabinetstop over arbeidsmarktkrapte2, speelt het onderwijs een sleutelrol. Het onderwijs is namelijk én werkgever én opleider
van toekomstig professionals. We moeten landelijk meer zicht krijgen op de maatschappelijke
opgaven en strategische tekortsectoren, zoals onderwijs, zorg en (beta)techniek, zodat
het vervolgonderwijs en de wetenschap zich daar nadrukkelijker op kunnen richten.3 Het doel is een aantrekkelijke, vitale onderwijssector die toekomstbestendig is.
Het onderwijs is immers de sleutel tot een toekomstbestendige samenleving waarin iedereen
zijn plek vindt.
Dat betekent simpelweg twee dingen: enerzijds moeten we er alles aan blijven doen
om het aantrekkelijk te maken om te komen werken en te blijven werken in het onderwijs.
Daarvoor hebben we al goede stappen gezet en zullen we de komende jaren een volgende
slag slaan. Anderzijds geven de brede arbeidsmarktkrapte en prognoses ons de opdracht
erover na te denken hoe we in de toekomst onderwijs van blijvende hoge kwaliteit kunnen
bieden met minder onderwijsprofessionals.
Onze inzet heeft het afgelopen halfjaar bemoedigende opbrengsten opgeleverd. Zo is
het samenwerkingstraject curricula lerarenopleidingen basisonderwijs gestart; heeft
het eerste deel van de campagne voor werken in het onderwijs gezorgd voor een sterke
stijging in het aantal geïnteresseerden voor werken in het onderwijs; hebben de onderwijsregio’s
meer zekerheid om de komende vier jaar aan de slag te gaan met de regionale aanpak
van het aantrekken en behouden van onderwijspersoneel; is inzichtelijk gemaakt hoe
we het onderwijsondersteunend personeel effectiever kunnen positioneren en is het
wetsvoorstel strategisch personeelsbeleid en arbeidsmarktmaatregelen voor advisering
naar de Raad van State gestuurd.
In deze brief informeren we uw Kamer over mijlpalen en cruciale ontwikkelingen van
de lerarenstrategie. Over reguliere voortgang, de uitvoering van een aantal moties,
toezeggingen en onderzoeken is een overzicht opgenomen in de bijlage. De lerarenstrategie
omvat de mix aan maatregelen die is gericht op het zorgen voor voldoende en goed opgeleid
onderwijspersoneel. De maatregelen dragen in samenhang bij aan meer instroom en minder
uitstroom van onderwijspersoneel, omgaan met schaarste op de onderwijsarbeidsmarkt
en een hogere onderwijskwaliteit.
1. Opleiden
Lerarenopleidingen zijn een essentieel onderdeel van het lerarenbeleid en cruciaal
voor de kwaliteit van het onderwijs. We gaan aan de slag met het onderwijsraadadvies
over een betere borging van de bekwaamheid van iedere afgestudeerde leraar. Om te
investeren in de kwaliteit van lerarenopleidingen zetten we komende tijd in op meer
focus in de curricula van deze opleidingen. Verder is, mede ter bevordering van de
aantrekkelijkheid van de opleiding, binnen de cao voortgezet onderwijs (hierna: vo)
een stagevergoeding voor leraren in opleiding verplicht gesteld.
Een aantal actuele ontwikkelingen op deze ambitie schetsen wij hieronder.
Beleidsreactie Bekwaamheid beter borgen
Met de ontwikkeling van nieuwe concretere bekwaamheidseisen, kennisbases en de inrichting
van het Opleidingsberaad Leraren werken we aan meer focus en minder overladenheid
in de curricula van de lerarenopleidingen.
We zien het advies «Bekwaamheid beter borgen» als een ondersteuning van deze richting,
maar tegelijkertijd ook als een aansporing om ons ingezette beleid nog verder te versterken.
De Onderwijsraad onderschrijft de noodzaak om de wettelijke vereisten aan te scherpen
en meer eenheid aan te brengen in de wijze waarop de bekwaamheid van afgestudeerden
wordt getoetst. Het is onze ambitie om toe te werken naar één leidend kader voor alle
lerarenopleidingen. Dat biedt de zekerheid dat leraren, ongeacht de opleidingsroute
die ze hebben gevolgd, na afronding van een lerarenopleiding bekwaam zijn om goed
onderwijs te geven.
Op dit moment worden de bekwaamheidseisen herijkt door een vertegenwoordiging van
de beroepsgroep. In deze herijking worden de eisen concreter geformuleerd en toegespitst
op de verschillende doelgroepen leerlingen waaraan afgestudeerden les gaan geven.
De Onderwijsraad adviseert om aanvullend daarop ook vakspecifieke eisen op te nemen
in de bekwaamheidseisen. We zullen zowel de uitbreiding van de wettelijke bekwaamheidseisen,
als een nadere specificering waarin ook vakspecifieke eisen zijn opgenomen, gaan uitwerken.
Focus in de curricula van de lerarenopleidingen
Het curriculum van de lerarenopleidingen, in het bijzonder de lerarenopleidingen basisonderwijs,
wordt als overladen ervaren. Daarom worden, in lijn met het hierboven genoemde advies
van de Onderwijsraad, de volgende maatregelen, genomen:
1. Het Opleidingsberaad4 heeft een loketfunctie voor signalen over de inhoud van de opleidingen ingericht.
De eerste binnengekomen signalen worden nu verwerkt en worden gebruikt voor doorontwikkeling
van de loketfunctie.
2. In opdracht van de Vereniging Hogescholen worden de kennisbases herijkt.5 Hierin hebben de opleidingen, met onderlinge afspraken, de te verwerven kennis in
de opleiding van studenten vastgelegd. De kennisbases zijn aanvullend op de bekwaamheidseisen.
Deze herijking vindt onder andere plaats op basis van de nieuwe kerndoelen en de examenvereisten
voor het funderend onderwijs en de kwalificatiedossiers mbo. Alle nieuwe kennisbases
worden naar verwachting per september 2026 geïmplementeerd in de curricula van de
opleidingen.
3. Het samenwerkingstraject curricula lerarenopleidingen basisonderwijs is in december
gestart. Onder andere de landelijke kaders en de afspraken die opleidingen onderling
hebben gemaakt vormen hiervoor de basis. Uit de eerste gesprekken blijkt dat opleidingen
op verschillende manieren inspelen op de hierboven genoemde doelen. In de praktijk
resulteert dat in verschillen tussen opleidingen in de wijze waarop zij onderwijs
en toetsing vormgeven. We vinden het belangrijk dat opleidingen werken vanuit een
gezamenlijk beeld over wat in ieder geval onderdeel zou moeten zijn van het curriculum.
Daarom gaan we hierover in het vervolg van het traject verder in gesprek en zal de
opbrengst worden meegenomen in andere trajecten zoals de herijking van de kennisbasis.
2. Onderwijsregio’s
De kern van de onderwijsregio’s is samenwerken. Schoolbesturen, lerarenopleidingen
en de beroepsgroep gaan samen aan de slag met de uitdagingen op de onderwijsarbeidsmarkt.
Het vraagt solidariteit om de kwaliteit, continuïteit en kansengelijkheid in tijden
van schaarste te borgen. We kunnen namelijk niet accepteren dat kinderen naar huis
worden gestuurd of dat bepaalde vakken in het vo niet meer gegeven kunnen worden.
In heel Nederland zijn nu 50 onderwijsregio’s aan de slag met 99% van de leerlingen
in het po en vo en 98% van de studenten in het mbo.6 Hiervan hebben 44 regio’s aangegeven op korte termijn extra activiteiten in te zetten.7 Zij zetten bijvoorbeeld in op tekortvakken als informatica, het begeleiden van zij-instromers
en het uitbreiden van goedlopende initiatieven zoals het opleiden van onderwijsassistenten
tot leraar.
Vervangingspools & externe inhuur
Een aantal onderwijsregio’s heeft in de afgelopen jaren afspraken gemaakt om de inhuur
van personeel via uitzendbureaus zoveel mogelijk te beperken. In lijn met de motie
van de leden Westerveld (GroenLinks-PvdA), Pijpelink (GroenLinks-PvdA) en Rooderkerk
(D66)8 haalt de Realisatie-Eenheid voorbeelden op, deelt deze met het veld binnen de infrastructuur
van de onderwijsregio’s en zorgt voor verdere zichtbaarheid ervan via sociale media
en de website www.onderwijsregio.nl.
Vervangingspool (tegengaan externe inhuur)
In onderwijsregio Midden-Nederland werken schoolbesturen (po) samen via onderwijsstichting
Transvita. Deze stichting organiseert vervangen voor de aangesloten schoolbesturen
via het aantrekken, begeleiden en duurzaam inzetten van leerkrachten en onderwijsondersteuners.
Vanaf het nieuwe schooljaar is het beleid van veel besturen helemaal geen zzp’ers
en commerciële inhuur voor de klas in te zetten. Leerkrachten die flexibel willen
werken, kunnen in de vervangingspool een vaste of flexibele aanstelling krijgen. De
volgende stap is om nog meer schoolbesturen uit de regio laten aansluiten of de pool
nog verder uitbreiden.
Toekomstbestendige onderwijsarbeidsmarkt met minder externe inhuur
In Onderwijsregio Noord-Limburg werken negen schoolbesturen (po) intensief samen aan
een sterke en toekomstbestendige onderwijsarbeidsmarkt, met als doel structureel minder
afhankelijk te zijn van externe inhuur. Ze willen strategisch en slim inspelen op
personeelsbehoeften en niet pas als er tekorten ontstaan. Via regionale strategische
personeelsplanning gebruiken de besturen data om realistische toekomstscenario’s te
ontwikkelen. Daarnaast werkt de onderwijsregio samen met het UWV, het vervangingsfonds/participatiefonds
en externe pools. Dit heeft onder meer geleid tot herplaatsingstrajecten van mensen
met een WW-uitkering naar onderwijsbanen, vervangings- en expertpools voor vakdocenten
en ondersteunend personeel en de start van schoolleidersopleidingen.
Verbinding met brede arbeidsmarktinfrastructuur
In zes onderwijsregio’s loopt een pilot gericht om verbinding te maken met de arbeidsmarktregio’s,
vanuit het mbo. Het doel van deze verbinding is dat nieuw personeel van buiten het
onderwijs snel toegeleid kan worden naar de juiste opleiding en een passende werkgever.
Onderzocht wordt welke rol gemeenten hierin kunnen spelen, op welke manier de samenwerking
een plaats kan krijgen in de regionale meerjarige afspraken die in de arbeidsmarktregio
gemaakt worden en hoe de verbinding gemaakt kan worden tussen de loketfunctie in de
arbeidsmarktregio’s met die van de onderwijsregio’s.9
Eerste tussenrapport evaluatie onderwijsregio’s
Mede in navolging van de motie Stoffer/Ceder10 loopt er een meerjarig evaluatieonderzoek naar de onderwijsregio’s door onderzoeksbureau
Berenschot. De rapportage, die te bekijken is via de link11, geeft een eerste inzicht in de concrete doelen en activiteiten waar de onderwijsregio’s
in 2025 mee aan de slag gaan. Daarnaast formuleren de onderzoekers op grond van interviews
met vertegenwoordigers van de opleidingen, raden en bonden een aantal bevindingen.
De uitkomsten zijn voor zover mogelijk verwerkt in de regeling onderwijsregio’s 2026–2029
en worden de komende jaren samen met de Realisatie Eenheid en de partners verder uitgewerkt.
De tweede tussenrapportage ontvangt uw Kamer in december.
Meerjarige inzet met meerjarige ambitiesafspraken
Via de meerjarige regeling Onderwijsregio’s 2026–202912 geven we de onderwijsregio’s duidelijkheid en ruimte om de ingezette lijn verder
te verduurzamen en zo resultaten te boeken. De regeling is aangepast naar aanleiding
van de motie Soepboer/ Ceder13, daarmee is nog meer nadruk komen de liggen op de feitelijke opbrengsten, zoals meer
zij-instroom, betere begeleiding van nieuwe leerkrachten en werving. Zoals eerder
aangekondigd, wordt de geïntensiveerde aanpak G5 in 2026 onderdeel van de onderwijsregio’s14 en ontvangen onderwijsregio’s extra financiering voor leerlingen in het gespecialiseerd
onderwijs en als er sprake is van een dunbevolkte onderwijsregio.
De maatschappelijk opgave in de regio staat centraal. Om te komen tot een effectieve
aanpak is een goede analyse van de regionale onderwijsarbeidsmarkt nodig. Deze helpt
om de concrete opgaven scherp te krijgen en bij het formuleren van een aanpak die
past bij de regionale context. Alle regio’s ontvangen hiervoor een basisanalyse van
de Realisatie Eenheid.
Een belangrijk aspect in de doorontwikkeling van de onderwijsregio’s is het maken
van meerjarige ambitieafspraken. De partijen in de onderwijsregio’s maken met elkaar
merkbare en meetbare ambitieafspraken passend bij de regionale opgave. Deze ambitieafspraken
moeten uiterlijk oktober 2026 gemaakt zijn en geven de onderwijsregio’s meer richting
om te sturen op het maken van impact op de opgave in de regio en kunnen indien nodig
leiden tot het aanpassen van hun aanpak.
Schoolleiders opleiden voor de regio
Onderwijsregio Noord-Limburg heeft net als andere onderwijsregio’s een tekort aan
schoolleiders. Om hier beter op te anticiperen, wordt binnen de onderwijsregio een
opleiding van een jaar tot schoolleider in het primair onderwijs aangeboden. De kracht
van de opleiding zit in het collectief: schoolbesturen kijken in overleg met de onderwijsregio
wie voor de opleiding in aanmerking komt. Aankomende schoolleiders komen in een groep
van maximaal 20 personen bij elkaar, om naast hun werk de opleiding te volgen. Nieuw
is dit opleidingsjaar een talent management analyse vooraf, waardoor nog beter kan
worden getoetst of een kandidaat geschikt is om uiteindelijk schoolleider te worden.
Het afgelopen jaar heeft hoeveel? teamleiders en schoolleiders voor de onderwijsregio
opgeleverd. Dit jaar neemt ook een medewerker in het vo deel aan de opleiding
3. Professionalisering
Het is van belang dat iedere leraar en schoolleider de kans krijgt zich continu te
professionaliseren en te ontwikkelen. Dit versterkt niet alleen het werkplezier, maar
ook de vakkennis en daarmee de kwaliteit van het onderwijs. Er is een groot aantal
acties in gang gezet de afgelopen periode om deze slag te maken. Hieronder schetsen
wij de recente ontwikkeling daarin.15
Nationaal Aanpak Professionalisering Leraren (NAPL)
In het commissiedebat Leraren van 22 januari jl. is toegezegd uw Kamer voor het zomerreces
te informeren over de voortgang van het Nationaal Groeifonds-traject NAPL, de leven
lang ontwikkelagenda voor leraren in het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs.
Er zijn inmiddels belangrijke stappen gezet op de vier pijlers van NAPL:
1. Ontwikkelpaden voor leraren: ontwikkelpaden bieden professionaliseringsmogelijkheden
voor docenten. Het gaat hier om de verdieping van kennis en het verder specialiseren,
terwijl de leraar voor de klas blijft staan. De werving van de leden van de ontwikkelgroep
wordt in de zomer afgerond. Deze groep gaat in het najaar aan de slag met de beschrijving
van de ontwikkelpaden en zal bestaan uit leraren, schoolleiders en opleiders uit het
po, vo en mbo, ondersteund door werkateliers voor de genoemde sectoren met o.a. expertise
uit wetenschap en bedrijfsleven. Het penvoerderschap van deze pijler ligt bij de werkgevers
en werknemers, verenigd in de arbeidsmarktfondsen.
2. Digitaal platform voor professionaliseringsaanbod: er wordt gewerkt aan een toegankelijk
platform voor leraren met daarin een overzicht van kwalitatief goede professionaliseringstrajecten,
passend bij de ontwikkelpaden. De inzet is om dit platform medio 2027 gereed te hebben.
3. Co-creatielabs binnen de onderwijsregio’s: voor het ontwikkelen van professionaliseringsaanbod
in onderwijsregio’s wordt een subsidieregeling ontwikkeld. Deze regeling wordt zo
snel mogelijk gepubliceerd, zodat de activiteiten in september 2026 van start kunnen.
Daarnaast worden er voorbereidingen getroffen om leraren vanaf 2027 financieel te
ondersteunen bij deelname aan het professionaliseringsaanbod.
4. Systeem van kwaliteitsborging: voor het opstellen van kwaliteitscriteria voor professionaliseringaanbod
en het ontwikkelen van een kwaliteitszorgsysteem is vanuit het veld een ontwikkelgroep
aangesteld, bestaande uit leraren, opleiders en werkgevers. Met ingang van schooljaar
2025/2026 werken zij aan verschillende onderdelen die nodig zijn voor het ontwikkelen
van het kwaliteitszorgsysteem.
Subsidieregeling Instructeursbeurs
De subsidieregeling Instructeursbeurs is eenmalig eenjarig verlengd voor het studiejaar
2025–2026. Instructeurs in het mbo die een bachelor- of associate degree-opleiding
volgen, kunnen subsidie krijgen voor studiekosten en studieverlof. Uit de evaluatie
van Berenschot16 blijkt dat gebruikers de beurs waardevol vinden. 170 instructeurs hebben tussen 2019
en 2024 gebruik gemaakt van de beurs. Dit wordt geschat op 6% van de totale doelgroep.
De beurs werd vooral gebruikt voor het volgen van een docentenopleiding. Daarom is
besloten om de instructeursbeurs op te nemen in de Subsidieregeling Onderwijspersoneel
opleiding tot leraar (SOOL). Hiermee wordt de subsidie ingezet voor het omscholen
van instructeurs tot docent, waar de instructeursbeurs al voornamelijk voor gebruikt
werd. Door de regelingen op deze manier te bundelen wordt er daarnaast bespaard op
de uitvoeringskosten. Om het bereik te vergroten, zoeken we de samenwerking op met
de MBO Raad, BVMBO en de onderwijsregio’s. Tot slot wordt de suggestie gedaan door
de onderzoekers om modulaire opleidingen te vergoeden, en/of cao-partijen te stimuleren
om afspraken te maken over professionalisering of gerichte bijscholingstrajecten.
Het is aan mbo-instellingen en cao partijen zelf of zij deze suggesties willen oppakken.
Begeleiding startende leraar
De motie Paternotte en Rooderkerk (beiden D66)17 vroeg het kabinet om te verkennen hoe wettelijk geborgd kan worden dat lerarenopleidingen
beginnende leraren de eerste drie jaar na de opleiding blijven begeleiden. In de voortgangsbrief
lerarenstrategie van december 202418 hebben wij uw Kamer geïnformeerd dat een wettelijke taak voor lerarenopleiders onwenselijk
is en op juridische bezwaren stuit, omdat dit andere aanbieders van begeleiding uitsluit
en daarmee de markt verstoort. Wij vinden het essentieel dat startende leraren goed
begeleid worden en zien voor onszelf een rol om de begeleiding van startende leraren
te stimuleren en te monitoren. De verantwoordelijkheid voor begeleiding ligt primair
bij werkgevers. Over de begeleiding zijn afspraken gemaakt in de cao’s van het po,
vo en mbo. Uit onderzoek blijkt dat in 2024 88% van de net afgestudeerde leraren in
het po en vo begeleiding kregen, in het mbo was dat 78%. De meeste starters die begeleiding
hebben ontvangen zijn hierover tevreden of zeer tevreden: ruim 70 procent geeft dit
aan, met name in het po en mbo is de tevredenheid gestegen. In het vo daarentegen
is de tevredenheid de afgelopen jaren gedaald, al bleef die dit jaar stabiel (71 procent).19 Hoewel een groot deel van de startende leraren begeleiding heeft gekregen en daar
tevreden over is, vinden wij het van belang om zowel het aandeel leraren dat begeleiding
krijgt als hun tevredenheid over de begeleiding verder te verhogen. Daartoe zetten
wij in op de volgende punten:
Er wordt kennisdeling over de begeleiding van starters binnen en tussen Onderwijsregio’s
gestimuleerd. Daarnaast is opdracht gegeven om landelijke ontwikkelpaden te ontwikkelen
binnen NAPL en zijn er sectorspecifieke afspraken gemaakt, zoals de Werkagenda mbo.
Ook wordt er gewerkt aan het wetsvoorstel strategisch personeelsbeleid en arbeidsmarktmaatregelen
om onder meer goed personeelsbeleid verder te verankeren in het funderend onderwijs.
Met deze aanpak verwachten wij dat werkgevers de handschoen verder zullen oppakken,
zodat zij hun startend personeel kunnen behouden. De voortgang wordt nauwgezet gemonitord
en wanneer er aanleiding voor is, kunnen we op basis van de resultaten gerichte maatregelen
nemen om de begeleiding van startende leraren te verbeteren.
Noodmaatregel teambevoegdheid
In december 202320 hebben we uw Kamer geïnformeerd over de verzamelde casussen die als mogelijke noodmaatregel
kunnen dienen ter aanpak van de knelpunten in het bevoegdhedenstelsel. Op deze wijze
wordt het onderwijs in stand gehouden, wordt geborgd dat alle leerlingen gebruik kunnen
blijven maken van een volwaardig onderwijsaanbod en wordt een aantrekkelijker werkomgeving
voor leraren gerealiseerd, aangezien zij op deze manier een grotere aanstelling kunnen
krijgen. Ook zit de aantrekkelijkheid in de verbreding en verdieping doordat leraren
dan meerdere vakken mogen geven. In de voortgangsbrief lerarenstrategie van december
2025 wordt uw Kamer nader geïnformeerd over de voortgang van de uitwerking van deze
noodmaatregel.
4. Onderwijstijd
De wettelijke eisen rondom onderwijs zijn regelmatig onderwerp van het politieke en
maatschappelijke debat. De ramingen van de tekorten laten zien dat de schaarste op
de onderwijsarbeidsmarkt de komende decennia zal aanblijven. De vraag komt op of de
huidige wettelijke eisen voor invulling van onderwijstijd in het po, die in de kern
gelijk zijn gebleven sinds de jaren ’80, nog aansluiten bij de huidige maatschappelijke
behoefte en toekomstbestendig zijn. Binnen de lerarenstrategie is onderwijstijd mede
daarom ook een van de thema’s waarvan is afgesproken daar samen met alle partners
aan te werken.
Onderzoek laat geen eenduidig beeld zien als het gaat om de relatie tussen de wettelijke
eisen aan onderwijstijd in het po en de kwaliteit, continuïteit en kansengelijkheid
van onderwijs. Daar willen we goed zicht op krijgen. Dat doen we door de kernelementen
van de wettelijke regels rond onderwijstijd, te weten a) het aantal uren onderwijs,
b) gegeven door een bevoegd docent, c) met een beperkt aantal vierdaagse schoolweken
en d) met vooraf vastgestelde schoolvakanties, te onderzoeken in verschillende experimenten.
Op onderdelen lopen al onderzoeken in het po, daarom worden de experimenten Andere
dag- en weekindeling (kernelement b) en Ruimte in Onderwijstijd (ERiO) (kernelement c
en d) voortgezet. Er wordt ook een nieuw experiment voorbereid in het po: Onderwijstijd
in Balans (kernelement a). De verwachting is dat deze experimenten tot 2030 zullen
lopen. Door de planning van deze experimenten op elkaar af te stemmen kan na afloop
over het geheel van onderwijstijd in het po besluitvorming plaatsvinden. Hieronder
volgt een nadere toelichting op deze drie experimenten.
In de G5 (G4 en Almere) is in 2020 is de regeling «Andere dag- en weekindeling» van
start gegaan. De kern hiervan is dat maximaal 22 uur per maand andere professionals
worden ingezet, bijvoorbeeld vak- of gastdocenten. De regeling is geëvalueerd.21 Daar kwamen deels positieve effecten uit, maar om beter inzicht te krijgen in wat
het effect ervan is op de onderwijskwaliteit, verbreden we de regeling voor enkele
basisscholen buiten de G5 vanaf schooljaar 2026/2027 en voeren we daar gelijktijdig
onderzoek naar uit. Om het leereffect vanuit deze situatie zo groot mogelijk te maken
en scholen op tijd zekerheid te geven voor hun strategische personeelsbeleid, verlengen
we de regeling daarnaast binnen de G5 (die nu tot augustus 2026 loopt).
Ook is in 2020 het experiment Ruimte in Onderwijstijd (ERiO) gestart. Aan het experiment
nemen op dit moment 17 basisscholen deel, die van verschillende onderdelen van onderwijstijd
mogen afwijken. Hierbij wordt gekeken naar het effect op de onderwijskwaliteit en
maatschappelijke effecten. Eind van dit jaar wordt het eindrapport verwacht. Vanwege
het kleine aantal deelnemende scholen en de verscheidenheid in uitvoering, is een
vervolg op dit experiment wenselijk. De schaal van het experiment wordt vergroot om
beter te kunnen inschatten wat de effecten zullen betekenen voor andere basisscholen.
In de verlenging wordt gekeken naar de verdeling van schoolweken door het jaar heen
en het maximum aantal vierdaagse schoolweken.
Naast bovenstaande experimenten bereiden wij het experiment Onderwijstijd in Balans
voor. Dit nieuwe experiment heeft als doel inzicht te verkrijgen in de vraag of het
mogelijk is om in het po met minder onderwijstijd voor leerlingen, en meer professionaliserings-
en voorbereidingstijd voor leraren, de kwaliteit van onderwijs te verbeteren en meer
maatwerk te bieden aan leerlingen. Dit experiment wordt komende periode verder uitgewerkt.
5. Behoud van onderwijspersoneel & aantrekkelijkheid beroep
Het versterken van de aantrekkelijkheid van het beroep leraar is nodig voor het behoud
van huidige leraren en het aantrekken van nieuwe leraren. Dit blijft een grote uitdaging.
We investeren op verschillende manieren in een toekomstbestendig en aantrekkelijk
lerarenberoep.
Werkdruk
Een gezonde balans tussen werkdruk- en energiebronnen is essentieel om het welzijn
van onderwijspersoneel te bevorderen en hen in staat te stellen hun werk met bevlogenheid
te doen.22 Een gezonde balans draagt bij aan de duurzame inzetbaarheid, het behoud en de instroom
van leraren. Dat is belangrijk in de aanpak van het lerarentekort. De afgelopen jaren
is uitgebreid onderzoek gedaan naar werkdruk in het primair onderwijs (po), voortgezet
onderwijs (vo) en gespecialiseerd onderwijs (go).23 Zo zijn recent de rapporten van de Algemene Rekenkamer en van ResearchNed over administratieve
lasten in respectievelijk het po, het vo en het go opgeleverd.
Uit de verschillende onderzoeken komt vooral naar voren dat er veel verschillende
factoren zijn die de balans van werkdruk- en energiebronnen beïnvloeden. Dat maakt
dat er geen uniforme oplossing bestaat die voor iedereen werkt. Specifiek komen uit
de onderzoeken de volgende knelpunten naar voren:
– De inzet van werkdrukmiddelen in het po heeft de werkdruk enigszins verlaagd. Gesprekken
over werkdruk en de evaluatie van werkdrukmaatregelen binnen scholen zijn van groot
belang, maar worden steeds minder gevoerd.
– De (ervaren) werkdruk verschilt sterk per persoon, per school en per context. Op individueel
niveau spelen factoren als werkervaring, persoonlijkheid en de specifieke kwaliteiten
van leraren, schoolleiders of schoolbestuurders een rol.
– Leraren besteden relatief veel tijd aan administratieve taken, vooral in het gespecialiseerd
onderwijs. Hoewel de wettelijke administratieve verplichtingen beperkt zijn, administreren
scholen vaak méér dan nodig is om te voldoen aan open normen en om verantwoording
richting de inspectie af te kunnen leggen. Dit leidt tot onnodige belasting. Een duidelijker
kader over welke administratie noodzakelijk is voor het voldoen aan de wettelijke
normen kan deze druk verlichten.
– Op organisatieniveau zijn onder meer de structuur van de organisatie, gemaakte afspraken,
de leerlingenpopulatie, het aantal vergaderingen of externe activiteiten en gezamenlijk
bepaalde administratieve taken van invloed.
Voor het Ministerie van OCW ligt er een taak om bij nieuw beleid kritisch te kijken
wat de impact van dit beleid zal zijn op de werkvloer. Bij nieuw beleid moet een realistische
inschatting worden gemaakt van de administratieve lasten en een goede afweging plaatsvinden
van de kosten en baten.24 Op basis daarvan moet het beleidsvoorstel waar nodig aangepast worden, om onnodige
werkdruk te voorkomen. Daarnaast heeft het Ministerie van OCW de taak om duidelijker
te maken wat er van scholen verwacht wordt, zodat administreren «voor het geval dat»
afneemt. Een deel van deze «voor het geval dat»-administratie komt voort uit de open
normen in onze wetgeving.25
Open normen hebben het voordeel dat ze scholen de ruimte geven om vanuit de eigen
onderwijskundige visie invulling te geven aan de wettelijke kwaliteitseisen. Om goed
toezicht te kunnen houden, operationaliseert de Inspectie van het Onderwijs wet- en
regelgeving in het onderzoekskader, zodat duidelijk is wat de werkwijze is bij het
nalevingstoezicht. Om scholen te informeren over wat van hen verwacht wordt aan administratie
voor het toezicht, heeft de inspectie in april van dit jaar de geactualiseerde versie
van de brochure Ruimte in Regels gepubliceerd.26 In deze brochure worden veelgestelde vragen over administratie en verantwoording
beantwoord.
Ondanks deze operationalisering en brochure blijven de open normen over de ononderbroken
ontwikkeling en het stelsel van kwaliteitszorg veel vragen opleveren. Daarom wordt
met het wetsvoorstel concretisering van enkele deugdelijkheidseisen gepoogd duidelijkheid
te verschaffen over de meeste van deze normen. Zo weten schoolbesturen en scholen
beter wat van hen verwacht wordt. De verwachting is dat het wetsvoorstel medio 2026
aan uw Kamer wordt verzonden.
In november 2023 is aan uw Kamer toegezegd om op basis van het onderzoek van de Algemene
Rekenkamer en het onderzoek van ResearchNed de mogelijkheid van het schrappen van deugdelijkheidseisen te onderzoeken.27 Hoewel beide onderzoeksrapporten erop wijzen dat er administratieve taken voortvloeien
uit de wet, blijkt ook dat deze taken niet als zodanig wettelijk zijn voorgeschreven.28 Daar komt de waarschuwing van de Algemene Rekenkamer bij dat het schrappen van wettelijke
eisen naar verwachting van de Rekenkamer weinig zoden aan de dijk zal zetten in het
verminderen van de werkdruk van leraren. Deze waarschuwing nemen we ter harte, daarom
is het schrappen van deugdelijkheidseisen niet langer een onderdeel van het wetstraject
rond de concretisering van enkele deugdelijkheidseisen.
Een taak voor schoolbesturen is om te zorgen dat cyclisch op bestuurs-, school- en
teamniveau het gesprek wordt gevoerd over de balans tussen werkdruk- en energiebronnen.
In dit gesprek kunnen werkdrukbronnen en energiebronnen in kaart worden gebracht –
zowel organisatorisch als persoonlijk – en kan worden bekeken hoe deze bronnen in
balans gebracht kunnen worden, met voldoende ruimte voor rust en herstel. Dit cyclische
gesprek kan aansluiten bij het cyclische bewaken van de onderwijskwaliteit, dat met
het wetsvoorstel concretisering deugdelijkheidseisen expliciet in de wet wordt opgenomen.
Een signaal vanuit schoolleiders is dat de complexiteit van hun werk en daarmee hun
werkbelasting toeneemt. Het Ministerie van OCW doet naar aanleiding hiervan onderzoek
naar de werkbelasting van schoolleiders. Over de resultaten van dit onderzoek wordt
uw Kamer in het najaar geïnformeerd.
Afgelopen maanden zijn intensief gesprekken gevoerd met leraren, schoolleiders en
schoolbesturen om tot duidelijke kaders en effectieve aanpakken te komen. Daar gaan
we de komende periode mee door.
Experiment om meer uren werken te stimuleren in het po
Voor leraren die meer uren willen en kunnen werken zou het aantrekkelijk moeten zijn
om dat te doen. De verwachtingen van leraren over wat meer werken financieel oplevert,
blijken niet altijd gebaseerd op de juiste informatie. Daarom is voor de drie meest
voorkomende situaties in beeld gebracht wat een leraar aan een dag meer werken financieel
overhoudt en gedeeld op «Aanpak Lerarentekort».29
Uw kamer is in september 2024 geïnformeerd over de aanpak in de komende jaren om meer
uren werken aantrekkelijker te maken.30 De volgende stap is gericht om te experimenteren in meerurenmaatwerk met transparante
keuzeopties die schoolbesturen aan hun personeel kunnen aanbieden. Dit doen we door
de komende drie jaar met een (kleinschalige) pilot te onderzoeken of en hoe meerurenmaatwerk
effectief kan zijn. Van 1 juli tot 6 september 2025 kunnen schoolbesturen in het po
zich aanmelden voor de opgestelde subsidieregeling.
Wetsvoorstel strategisch personeelsbeleid en arbeidsmarktmaatregelen
Het is belangrijk dat de schoolbesturen in het po en vo het strategisch personeelsbeleid
en goed werkgeverschap structureel blijven versterken. Zo wordt een stevige basis
gelegd voor onderwijskwaliteit en voor (nog) aantrekkelijk(er) werk voor onderwijs
ondersteunend personeel (hierna: OOP), leraren en schoolleiders. Het wetsvoorstel
strategisch personeelsbeleid en arbeidsmarktmaatregelen stelt daartoe de wettelijke
eis aan schoolbesturen om strategisch personeelsbeleid te voeren en introduceert maatregelen
voor meer vaste contracten en grotere contracten voor leraren, en het beperken van
externe inhuur. Het wetsvoorstel is voor advisering naar de Raad van State gezonden
en zal naar verwachting in de loop van 2026 naar de Kamer gaan. Om schoolbesturen
te ondersteunen bij het voeren van strategisch personeelsbeleid en het geven van invulling
aan de vereisten uit het wetsvoorstel worden de middelen voor PBSS (Professionalisering
en Begeleiding Starters en Schoolleiders) in het po en sHRM in het vo vanaf 2026 toegevoegd
aan de basisbekostiging voor het po en vo. Gedurende 2026 wordt in dat kader een bedrag
van circa 140 miljoen euro beschikbaar gesteld voor het hele funderend onderwijs.
Vo-schoolbesturen kunnen uit het beschikbaar gestelde geld onder meer bijdragen aan
de sectorontwikkeling vanuit de VO-raad op het terrein van strategisch personeelsbeleid.
Campagne «Werken met de Toekomst» van start gegaan
De meerjarige campagne «Werken met de Toekomst» is dit jaar gestart om een positief
en realistisch beeld te creëren van werken in het onderwijs, met nadruk op ontwikkelmogelijkheden,
salaris en betekenisgeving. De campagne is te vinden op www.werkeninhetonderwijs.nl. In het voorjaar lag de focus op potentiële zij-instromers. Campagne-effectonderzoek31 toont aan dat één op de zes mensen uit de doelgroep deze campagne heeft herkend,
waarbij vooral de boodschap over salaris en betekenisgeving goed overkwam. Hoewel
het algemene beeld van het onderwijs na één campagneperiode nog niet significant is
veranderd, heeft de campagne al wel geleid tot 710 adviesaanvragen bij het Onderwijsloket
tijdens de eerste vier weken. Dat is meer dan twee keer zoveel ten opzichte van dezelfde
periode in 2024.
Naast de groei in het aantal geïnteresseerden bleek de (voorbereiding op de) campagne
ook een katalysator voor het versterken van de samenwerking tussen alle partners in
het onderwijsveld. Zo zijn alle onderwijsregio’s (inclusief alle nieuwe regio's) met
een regionaal loket aangesloten op het landelijk loket. Hierdoor komen alle belangstellenden
die zich melden bij de regionale loketten terecht op de juiste plek binnen de sector.
In het najaar van 2025 zal de campagne zich richten op studiekiezers die een opleiding
in het hoger onderwijs willen gaan kiezen.
6. Beroepsgroepvorming en zeggenschap
Leraren en schoolleiders moeten op landelijk-, regionaal- en schoolniveau voldoende
professionele zeggenschap hebben op belangrijke onderwerpen die invloed hebben op
hun vakmanschap.
Meer inspraak leraren en schoolleiders
Schoolleiders en leraren hebben een cruciale rol in het onderwijs: Om deze rol goed
uit te kunnen voeren, moeten schoolleiders en leraren een stevige stem binnen én buiten
de schoolorganisatie hebben, zich blijven professionaliseren en voldoende tijd en
ruimte krijgen voor hun taken.
Dit vereist onder andere een beschrijving van duidelijke taken, rollen en verantwoordelijkheden
en heldere afspraken over inspraak en (mede)zeggenschap. Zoals aangekondigd in het
debat over sturing op 12 februari jl. werken wij daarom het wetvoorstel Versterken Inspraak Leraren en Schoolleiders uit. Om zo te borgen dat leraren en schoolleiders beter betrokken zijn bij de totstandkoming
van het onderwijskundig beleid op school. Dit met inachtneming van een goede balans
ten aanzien van de inspraak en betrokkenheid van ouders en leerlingen zoals die is
vastgelegd in de Wet medezeggenschap op scholen.
Beroepsgroepvorming van leraren en schoolleiders
We vragen lerarenorganisaties om te werken aan een beroepsgroep leraren. Deze beroepsgroep
vertegenwoordigt de stem van de leraar op nationaal niveau en zet zich in voor de
kwaliteit van het vak. De beroepsgroep krijgt een formele en wettelijk geborgde rol
binnen het onderwijssysteem. Het kabinet ondersteunt de opstartfase financieel en
bekijkt hoe structurele financiering zal worden vormgegeven. Het is de bedoeling dat
op deze manier het vak wordt versterkt en de beroepsgroep ook op regionaal niveau
inspraak krijgt.
Ook voor schoolleiders werken we aan beroepsgroepvorming, samen met de huidige beroepsorganisaties
voor schoolleiders in het po en vo en in samenwerking met de sectorraden. Doel is
om te komen tot een georganiseerde beroepsgroep van en voor schoolleiders, met een
stevige rol en positie, die zich inzet voor borging van de beroepskwaliteit. Net zoals
bij de beroepsgroep leraren ondersteunen we de initiële fase van de ontwikkeling van
de beroepsgroep.
In de gesprekken over de beroepsgroep worden de moties over de lerarentoets, financiering
vanuit de bekostiging en de professionele richtlijn om meer mensen voor de klas te
krijgen meegenomen.32 In de bijlage wordt hier uitgebreider op ingegaan.
Afsluitend
Goed onderwijs is cruciaal voor een toekomstbestendige samenleving waarin iedereen
zijn plek kan vinden. Het personeelstekort zet het onderwijs stevig onder druk en
stelt ons voor een grote opgave. Het vraagt ons na te denken hoe we het onderwijs
nu en in de toekomst kunnen vormgeven met voldoende, goed opgeleide onderwijsprofessionals.
De inzet, motivatie en het vertrouwen is groot, mede omdat we zien dat onze inzet
tot resultaat leidt. Samen zetten we de komende jaren de volgende stappen voorwaarts.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M.L.J. Paul
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
E.E.W. Bruins
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M.L.J. Paul, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
E.E.W. Bruins, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap