Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de Evaluatie Rijkswet houdende wijziging van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen in verband met het informeren van de Staten-Generaal over een ieder verbindende bepalingen van verdragen (Kamerstuk 34158-(R2048)-13)
34 158 (R2048) Voorstel van Rijkswet van het lid Taverne tot wijziging van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen in verband met het informeren van de Staten-Generaal over een ieder verbindende bepalingen van verdragen
Nr. 15 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 3 juli 2025
De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken over de brief van 14 november 2024
over de Evaluatie Rijkswet houdende wijziging van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking
verdragen in verband met het informeren van de Staten-Generaal over een ieder verbindende
bepalingen van verdragen (Kamerstuk 34 158 (R2048) (Kamerstuk 34 158 (R2048), nr. 13), en over de brief van 14 april 2025 inzake de Reactie op het evaluatierapport van
de Rijkswet van het lid Taverne tot wijziging van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking
verdragen in verband met het informeren van de Staten-Generaal over een ieder verbindende
bepalingen van verdragen (Kamerstuk 34 158 (R2048), nr. 14).
De vragen en opmerkingen zijn op 19 juni 2025 aan de Minister van Buitenlandse Zaken
voorgelegd. Bij brief van 3 juli 2025 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Klaver
Adjunct-griffier van de commissie, Blom
Inhoudsopgave
blz.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en Antwoord / Reactie van bewindspersoon
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie en Antwoord / Reactie van bewindspersoon
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie en Antwoord / Reactie van bewindspersoon
4
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en Antwoord / Reactie van bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie en Antwoord / Reactie van bewindspersoon
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het evaluatierapport van de Rijkswet
van het lid Taverne tot wijziging van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen
in verband met het informeren van de Staten-Generaal over eenieder verbindende bepalingen
van verdragen. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie vragen de Minister wat hij ziet als grootste lessen en
bevindingen uit het evaluatierapport.
1.
Antwoord van het kabinet
In de kabinetsreactie van 11 april 20251 is ingegaan op bevindingen uit het evaluatierapport over de doeltreffendheid van
de Rijkswet van Taverne vanuit het perspectief van de regering, de Staten-Generaal
en de rechter. De belangrijkste bevindingen zijn:
– de regering heeft serieus werk gemaakt van de nieuwe informatieverplichting;
– dit heeft geleid tot een meer gedetailleerde blik op de juridische aard van de ter
goedkeuring voorgelegde verdragsteksten;
– in de Staten-Generaal heeft de nieuwe informatieplicht niet geleid tot meer parlementair
debat over verdragen en evenmin tot een intensiever gebruik van de bestaande bevoegdheden
in de goedkeuringsprocedure van verdragen;
– het nog te vroeg is om effecten in de rechtspraak te zien, omdat de rechter zich nog
niet heeft uitgesproken over een ieder verbindende bepalingen in verdragen die sinds
1 juli 2017 zijn goedgekeurd.
De belangrijkste lessen liggen op het vlak van de beoordeling van de een ieder verbindendheid
van verdragsbepalingen. Het evaluatierapport beschrijft de situatie dat de regering
zich hier voor een moeilijke opgave geplaatst ziet omdat zij verdragsbepalingen uitsluitend
in abstracto, zonder enige context, dient te beoordelen op een ieder verbindendheid
zonder zicht te hebben op alle mogelijke situaties waarbinnen verdragsbepalingen kunnen
worden ingeroepen bij de rechter.
Daarbij speelt ook dat verdragsbepalingen die op het moment van goedkeuring gelden
als onbepaald en moeilijk toepasbaar, zich in de loop der tijd nader kunnen uitkristalliseren,
waardoor zij op het latere moment van toepassing in een concreet geval wél als een
ieder verbindend worden beschouwd. Dit maakt dat het oordeel over het een ieder verbindende
karakter van een verdragsbepaling, naast abstract, ook per definitie altijd een voorlopig
en tijdsgebonden oordeel is. In de brief van 11 april 2025 is tenslotte ook een reactie
gegeven op alle aanbevelingen uit het evaluatierapport.
Deze leden vragen de Minister of hij het idee heeft dat de wet bijdraagt aan het doel
om het risico te verkleinen dat burgers worden gebonden aan verklaringen zonder dat
het parlement zich erover heeft kunnen uitlaten.
2.
Antwoord van het kabinet
Voor zover de vraag ziet op het verkleinen van het risico dat burgers worden gebonden
aan verdragen zonder dat het parlement zich erover heeft kunnen uitlaten, kan ik dat
bevestigen. Vooropgesteld dient te worden dat het parlement zich in de goedkeuringsprocedure
van verdragen steeds kan uitlaten over verdragen en dat dit niet afhankelijk is van
de aanwezigheid van een ieder verbindende bepalingen in die verdragen. Een analyse
van een ieder verbindende verdragsbepalingen opgenomen in de toelichting draagt er
evenwel toe bij dat de mogelijke binding voor burgers duidelijker in beeld komt en
dit voor de Staten-Generaal een aanleiding kan zijn om een actievere rol te spelen
in de goedkeuringsprocedure.
Zoals ook de onderzoekers in het evaluatierapport concluderen is het echter uiteindelijk
de rechter die bij uitsluiting bevoegd is om te oordelen of een verdragsbepaling als
een ieder verbindend kan worden aangemerkt. De rechter kan het oordeel van de regering
tijdens de goedkeuringsprocedure daarbij meewegen in het concrete geval. In geval
van strijdigheid met een verdragsbepaling, kan de rechter wettelijke voorschriften
buiten toepassing verklaren. De rechter blijkt hier echter zelden toe over te gaan.
De onderzoekers constateerden in het evaluatierapport dat de rechter zich nog niet
heeft uitgesproken over een ieder verbindende bepalingen in verdragen die sinds 1 juli
2017 zijn goedgekeurd.
De leden van de VVD-fractie constateren dat het rapport kritisch is op de toegevoegde
waarde van de wetswijziging, daar waar in de realiteit niet veel veranderd is volgens
het rapport. Deze leden vragen hoe de Minister hiernaar kijkt. Wat ziet de Minister
als de toegevoegde waarde van de wetswijziging?
3.
Antwoord van het kabinet
De toegevoegde waarde van de wetswijziging ligt vooral in het feit dat deze leidt
tot een meer gedetailleerde blik op en inzicht in de juridische aard van verdragsteksten.
Ook dit draagt er toe bij dat de mogelijke binding voor burgers duidelijker in beeld
komt.
Ook vragen deze leden of de Minister toegenomen lasten identificeert in het proces
om verdragen goed te keuren door de Tweede Kamer. Hoe kijkt de Minister hiernaar?
Is dit in lijn met de toegevoegde waarde die de Minister de wijziging van het wetsvoorstel
toekent?
4.
Antwoord van het kabinet
De belangrijke toegevoegde waarde, namelijk een meer gedetailleerde blik op en inzicht
in de juridische aard van de verdragsteksten, is goed in lijn met de toegenomen werklast.
Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie en Antwoord / Reactie van bewindspersoon
De leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de brief en hebben daarover geen
vragen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.F. Klaver, voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
L.B. Blom, adjunct-griffier