Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de Uitvoering van de motie van het lid Ouwehand c.s. over afzien van elke verhoging van de slachtsnelheid (Kamerstuk 33835-242) (Kamerstuk 33835-250)
33 835 Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)
Nr. 253
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 25 juni 2025
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur over de brief van 25 april 2025 over Uitvoering van de motie van het lid
Ouwehand c.s. over afzien van elke verhoging van de slachtsnelheid (Kamerstuk 33 835, nr. 242) (Kamerstuk 33 835, nr. 250).
De vragen en opmerkingen zijn op 4 juni 2025 aan de Staatssecretaris van Landbouw,
Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van 25 juni 2025 zijn de
vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Aardema
Griffier van de commissie, Jansma
Inhoudsopgave
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
3
II Reactie van de bewindspersoon
5
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met diepe teleurstelling kennisgenomen
van het besluit van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en
Natuur (LVVN) om de motie van het lid Ouwehand c.s. (Kamerstuk 33 835, nr. 242) – om af te zien van alle maatregelen, plannen en pilots die leiden tot een hogere
slachtsnelheid – niet uit te voeren. Deze leden hebben hierover enkele vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen erop dat deze motie door een grote
meerderheid van de Kamer is gesteund. Al eerder is deze wens van de Kamer genegeerd.
Het is een kwestie van behoorlijk bestuur om moties serieus te nemen en uit te voeren.
Er is hier absoluut geen sprake van zwaarwegende of gemotiveerde redenen om dat niet
te doen, maar er is slechts sprake van politieke onwil. Daarom pleiten deze leden
ervoor dat de Staatssecretaris de motie naar behoren uitvoert en luistert naar de
wensen van de Kamer. Dat is zijn democratische plicht. Gaat hij zijn beslissing terugdraaien?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen verder onder andere op het onderzoek
door de Wageningen Universiteit (WUR, april 2023, «Risico factoren voor dierenwelzijn
en voedselveiligheid bij verhogen slachtsnelheid» (https://open.overheid.nl/documenten/7eb1657d-49f6-4b6e-b6fd-648ff8bbdb5…)) waaruit blijkt dat de risico’s voor dierenwelzijn en voedselveiligheid groter worden
bij een hogere slachtsnelheid. Zo kan het zorgen voor fouten bij bedwelming, extra
stress voor dieren en onvoldoende tijd voor inspectie en controle. Kan de Staatssecretaris
van LVVN reflecteren op deze wetenschappelijke inzichten en elk van deze risico’s?
Waarom vindt hij een hogere slachtsnelheid überhaupt wenselijk? Kan hij onderbouwen
waarom hij denkt dat het wél verantwoord is om pilots of maatregelen door te voeren
die een verhoging van de slachtsnelheid mogelijk maken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben geen vragen of opmerkingen met betrekking tot het
de uitvoering van de motie van het lid Ouwehand c.s. over afzien van elke verhoging
van de slachtsnelheid.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben de brief van de Staatssecretaris van LVVN over
de Uitvoering van de motie van het lid Ouwehand c.s. over afzien van elke verhoging
van de slachtsnelheid met interesse gelezen en hebben daar geen vragen over.
De leden van de BBB-fractie zien wel de ingewikkelde situatie die ontstaan is doordat
de ontijdige motie over het afzien van elke verhoging van de slachtsnelheid is aangenomen.
De motie van het lid Van der Plas (BBB) (Kamerstuk 28 286, nr. 1254) uit 2022 die de regering verzoekt op korte termijn een toetsingskader voor de slachtsnelheid
in te stellen, in overleg met betrokken belangenpartijen, en de Kamer daar zo snel
mogelijk over te informeren is ten slotte ook aangenomen. De beide moties spreken
elkaar bovendien tegen. Beter was natuurlijk geweest als de ontijdige motie van het
lid Ouwehand was aangehouden, zodat het onderzoek naar de slachtsnelheid eerst had
kunnen worden afgerond.
De leden van de BBB-fractie vinden dat het toch in stemming laten brengen van de motie
van het lid Ouwehand natuurlijk een fout is die de Staatssecretaris niet kan worden
aangerekend, maar slechts diegenen die invloed hadden op de keuze om de motie niet
aan te houden. Helaas levert de situatie nu veel werk op en bovendien moet nu veel
overheidsgeld worden uitgegeven om deze situatie op te lossen. De waarschuwing van
de Staatssecretaris tijdens het debat, dat de motie ontijdig was, zien deze leden
als helder geformuleerd. De onnodige kosten die nu door de staat worden gemaakt door
het indienen van de motie en het schriftelijk overleg dat is aangevraagd naar aanleiding
van de brief van de Staatssecretaris die op de motie volgde, zijn dan ook wat deze
leden betreft een grove verspilling.
De leden van de BBB-fractie wensen de Staatssecretaris veel wijsheid en geduld toe.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben met ongeloof kennisgenomen van de brief van de
Staatssecretaris van LVVN waarin hij aangeeft dat hij de motie van het lid Ouwehand
c.s. over het afzien van elke verhoging van de slachtsnelheid niet gaat uitvoeren
en in plaats daarvan toestaat dat slachthuizen hun slachtsnelheid gaan verhogen. Deze
leden hebben hier verschillende vragen over.
De leden van de PvdD-fractie vinden het onwerkelijk dat de Staatssecretaris het prima
vindt dat slachthuizen hun slachtsnelheid nóg verder verhogen terwijl er nu al, op
moordend tempo, tot wel 675 varkens, 130 runderen, 245 kalveren en zelfs 13.5000 kippen
per slachthuis per uur(!) worden gedood (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2024/5, nr. 28). De Kamer heeft heel duidelijk verzocht dat de slachtsnelheid naar beneden moet.
In februari 2020 werd al door de toenmalig Minister geconcludeerd dat «de druk op
het slachtproces, ingegeven door economische overwegingen (...) te groot [is] geworden
om belang van dierenwelzijn en voedselveiligheid, maar ook van toereikend toezicht,
op een adequate manier te borgen» (Kamerstuk 33 835, nr. 138). Onderschrijft de Staatssecretaris deze vaststelling van de toenmalig landbouwminister?
Zo nee, waarom niet?
De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de Kamer datzelfde jaar een motie aannam
waarmee de regering werd verzocht om slachthuizen per direct op te dragen de slachtsnelheid
te verlagen (Kamerstuk 28 286, nr. 1118). De toenmalig Minister besloot, ter uitvoering van deze motie en in afwachting van
een uitgezet onderzoek, om in ieder geval geen verdere verhogingen van slachtsnelheden
toe te staan (Kamerstuk 28 286, nr. 1201). Uit het hierop volgende onderzoek van Wageningen University & Research bleek dat
risico’s voor dierenwelzijn en voedselveiligheid groter worden bij een hogere slachtsnelheid
(WUR, april 2023, «Risico factoren voor dierenwelzijn en voedselveiligheid bij verhogen
slachtsnelheid» (https://open.overheid.nl/documenten/7eb1657d-49f6-4b6e-b6fd-648ff8bbdb5…)). Naar aanleiding van dat onderzoek nam de Kamer opnieuw een motie aan waarmee de
Minister werd verzocht om de slachtsnelheid te verlagen (Kamerstuk 33 835, nr. 219).
De leden van de PvdD-fractie constateren dat de huidige landbouwminister Wiersma eerder
al liet weten weinig op te hebben met de wens van de Kamer en met het welzijn van
dieren. Toen haar werd gevraagd of zij er kennis van heeft genomen dat de Kamer verschillende
keren heeft verzocht om de slachtsnelheid te verlagen, antwoordde ze kortweg «Ja.»
Op de daaropvolgende vraag of ze de slachtsnelheid in slachthuizen gaat verlagen,
antwoordde ze «Nee.» (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2023/4, nr. 2159). «Nee»: zonder enige context. Een grote schoffering van de Kamer. Dat werd ook gezien
door het lid Graus (PVV). Bij het commissiedebat Dieren in de veehouderij van 25 september
2024 (Kamerstuk 28 286, nr. 1354) stelde hij: «De slachtsnelheid moet omlaag. Het was allemaal al afgetikt. Ik vind
het heel erg dat ik allemaal dingen moet gaan herhalen waar we ons de afgelopen achttien
jaar de tering voor hebben gewerkt. Alles wordt langzamerhand weer teruggedraaid.
Daar heb ik echt geen zin in.» Heeft de Staatssecretaris hiervan kennisgenomen? Wat
bewoog hem ertoe om deze heldere woorden volledig te negeren?
De leden van de PvdD-fractie zien dat de Minister en Staatssecretaris een paar maanden
later namelijk nóg een stap verder gingen. Ze weigeren niet alleen de slachtsnelheid
te verlagen, maar gaan er zelfs mee akkoord dat slachthuizen hun slachtsnelheid verder
verhogen (Kamerstuk 28 286, nr. 1380). Bij het commissiedebat Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van 24 maart 2025
werd de motivatie van de bewindspersonen bekend. De Staatssecretaris liet namelijk
weten dat slachthuizen investeringen hebben gedaan en hij het daarom «unfair» vindt
als ze de slachtsnelheid niet mogen verhogen (onder het mom van een pilot) (Kamerstuk
33 835, nr. 248). Dus terwijl de Kamer heel helder stelt dat de slachtsnelheid omlaag moet, kiezen
de bewindspersonen voor het verdienmodel van de agro-industrie, ten koste van het
welzijn van de dieren en volledig in strijd met de wens van de Kamer. Deze leden vinden
dat ongehoord. Vervolgens nam de Kamer nóg een motie aan, ingediend door de Partij
voor de Dieren, PVV, D66 en GL/PvdA waarmee de regering werd verzocht «af te zien
van alle maatregelen, plannen en pilots die leiden tot een hogere slachtsnelheid».
Een heldere opdracht van de Kamer. Een Staatssecretaris die de wens van de Kamer ook
maar enigszins zou respecteren, zou een dergelijke motie hebben uitgevoerd. Maar wat
doet deze Staatssecretaris? Hij stuurt een kort briefje naar de Kamer waarin hij expliciet
maakt deze aangenomen motie niet te gaan uitvoeren (Kamerstuk 33 835, nr. 250).
De leden van de PvdD-fractie lezen in de beslisnota die door ambtenaren is opgesteld
dat de Staatssecretaris zélf heeft aangegeven dat hij de motie niet wil uitvoeren
(Bijlage 2025D19428 bij Kamerstuk 33 835, nr. 242). Als een van de hoofdargumenten wordt genoemd dat de slachthuizen te maken hebben
met concurrentie vanuit het buitenland. Dit bevestigt het beeld dat de Staatssecretaris
toestaat dat slachthuizen hun slachtsnelheid verhogen om zo het verdienmodel te beschermen.
Kan de Staatssecretaris dat bevestigen?
De leden van de PvdD-fractie vragen de Staatssecretaris aan te geven welke gesprekken
hij en/of zijn ambtenaren, na het aannemen van de motie van het lid Ouwehand c.s.
tot het versturen van de Kamerbrief waarin hij schrijft dat hij deze motie niet gaat
uitvoeren, hebben gevoerd over dit onderwerp en met wie. Is de Staatssecretaris bereid
om alle adviezen en brieven die hij hierover heeft ontvangen, zowel vanuit de sector
als van ambtenaren, naar de Kamer te sturen?
De leden van de PvdD-fractie lezen in de beslisnota tevens dat de pluimveesector heeft
aangegeven dat de slachtsnelheden in sommige andere landen hoger zijn dan in Nederland.
Kan de Staatssecretaris aangeven van welke organisatie en/of welk individu hij, of
zijn ambtenaren, deze informatie hebben ontvangen? Kan de Staatssecretaris aangeven
of hij en/of zijn ambtenaren tussen het aannemen van de motie van het Ouwehand en
het versturen van de brief over dit onderwerp hebben gesproken met de belangenorganisatie
van de pluimveeslachterijen, Nepluvi, en/of Nepluvi-voorzitter en tevens BBB-senator
Gert-Jan Oplaat? Kan hij aangeven wat hierbij is besproken? Kan hij alle input en/of
factsheets die over dit onderwerp door Nepluvi naar het ministerie en/of naar de Staatssecretaris
persoonlijk zijn verstuurd naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PvdD-fractie vragen de Staatssecretaris of hij zich kan voorstellen
dat de eerdergenoemde beslisnota het beeld opwerpt dat hij de wens van de Kamer negeert,
omdat hij niet wil tornen aan het verdienmodel van de slachthuizen, dat onder meer
wordt vertegenwoordigd door een senator van de BBB? Zo nee, waarom niet? Kan de Staatssecretaris
aangeven waarom in zijn Kamerbrief met geen woord wordt gerept over het beschermen
van het verdienmodel van de slachthuizen, terwijl uit de beslisnota heel duidelijk
naar voren komt dat dit een zwaarwegend argument is geweest voor zijn besluit?
De leden van de PvdD-fractie vragen de Staatssecretaris ten slotte wat voor hem zwaarder
weegt: de hele heldere wens van de Kamer die verzoekt om af te zien van alle maatregelen,
plannen en pilots die leiden tot een hogere slachtsnelheid of het verdienmodel van
de slachthuizen? Wat is er voor deze Staatssecretaris nodig om hem af te laten zien
van zijn besluit om toe te staan dat de slachtsnelheid verder wordt verhoogd, aangezien
een hele heldere Kamermeerderheid, vertaald in verschillende aangenomen moties, er
voor hem blijkbaar niet toe doet?
II Reactie van de bewindspersoon
Inleiding
Hierbij stuur ik de Tweede Kamer mijn reactie op het schriftelijk overleg van 4 juni
2025 over mijn brief van 25 april 2025 (Kamerstuk 33 835, nr. 250), betreffende de uitvoering van de motie van het lid Ouwehand c.s. over afzien van
elke verhoging van de slachtsnelheid (Kamerstuk 33 835, nr. 242).
Op basis van artikel 68 Grondwet stuur ik u de door de leden van de PvdD-fractie gevraagde
documenten als bijlage bij deze bief. Enkele juridische adviezen in deze stukken zijn
onleesbaar gemaakt vanwege het belang van de Staat.
Vragen en antwoorden
Vragen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie en Reactie van de bewindspersoon
1. Daarom pleiten deze leden ervoor dat de Staatssecretaris de motie naar behoren
uitvoert en luistert naar de wensen van de Kamer. Dat is zijn democratische plicht.
Gaat hij zijn beslissing terugdraaien?
Nee. Deze motie is in de uitvoering tegenstrijdig met de aangenomen motie van het
lid Van der Plas (BBB)1 uit 2022,die mij vraagt om op korte termijn een toetsingskader voor de slachtsnelheid
in te stellen. Hiervoor wil ik dat het vernieuwde toetsingskader van de NVWA wordt
getest in een pilot. Indien nodig, kan dan een bijstelling van het concept-toetsingskader
plaatsvinden. Daarom wil ik graag afwachten hoe deze pilot verloopt. Door de motie
van Ouwehand c.s. uit te voeren, zou dat niet mogelijk zijn.
Gezien de controversieelverklaring van mijn brief2 van 25 april 2025 over de uitvoering van de motie Ouwehand over afzien van elke verhoging
van de slachtsnelheid, zal ik na de afronding van de reeds gestarte pilot geen vervolgbesluit
nemen over dit onderwerp. Dit laat ik over aan mijn opvolger.
2. Kan de Staatssecretaris van LVVN reflecteren op deze wetenschappelijke inzichten
en elk van deze risico’s?
Het rapport «Risico factoren voor dierenwelzijn en voedselveiligheid bij verhogen
slachtsnelheid» van Wageningen Livestock Research3 concludeert:
• Bij hogere slachtsnelheid nemen de risico’s voor dierenwelzijn, voedselveiligheid
en de kwaliteit van keuren toe maar deze risico’s leiden niet per definitie tot consequenties.
• De risico’s kunnen worden ondervangen door specifieke maatregelen te nemen. Opleiding
en inzet van voldoende personeel en voldoende toezicht speelt een belangrijke rol
in het verlagen van de consequenties van risicofactoren.
De aanbevelingen uit dit rapport zijn:
• Voor het verlenen van toestemming tot het verhogen van de slachtsnelheid zou een bedrijf
op dierenwelzijn aspecten, voedselveiligheid en keurproces moeten worden beoordeeld.
• Waar dit niet het geval is, zou een specifiek toetsingskader moeten worden opgesteld
waarmee de verschillende risicofactoren en consequenties kunnen worden getoetst. Hiervoor
dienen eisen waaraan moet worden voldoen te worden opgesteld.
• Een toetsingskader zou moeten worden opgesteld vanuit beleid en toezicht in samenspraak
met belangenpartijen.
• Indien een bedrijf laat zien dat aan de eisen van een toetsingskader kan worden voldaan
voor dierenwelzijn, voedselveiligheid en keurproces hoeft verhogen van de slachtsnelheid
niet per definitie te worden beperkt.
Daarnaast geeft het rapport risicofactoren voor dierenwelzijn, voedselveiligheid en
het keurproces met daarbij specifieke acties die bedrijven kunnen ondernemen om deze
risicofactoren te ondervangen. Voor dierenwelzijn zijn dat bijvoorbeeld de wachttijd
voor het uitladen, mogelijkheden voor inspectie van de dieren, het uitladen en opdrijven,
verdoven en de mogelijkheden voor controle op bewusteloosheid. Deze risico’s kunnen
ondervangen worden door onder andere een juiste planning, goede lay-out van aanvoerhal,
slachtruimtes en/of slachtbanden en een juiste opleiding en training van het personeel.
Voor voedselveiligheid is de bandsnelheid een van vele andere parameters binnen het
slachthuis die invloed heeft op de voedselveiligheid. Andere zijn bijvoorbeeld de
kwaliteit van de aangevoerde dieren, de kundigheid van het personeel, de kwaliteit
van de apparatuur, gerealiseerde slacht-hygiëne en controle van dieren. Wanneer de
bandsnelheid wordt verhoogd, terwijl de andere parameters op peil blijven of worden
verbeterd door bijvoorbeeld meer mensen aan de lijn te zetten, apparatuur optimaal
af te stellen en dieren beter te standaardiseren, kan de voedselveiligheid op hetzelfde
niveau blijven of mogelijk zelfs verbeteren.
De kwaliteit van de post-mortem keuring kan negatief worden beïnvloed door het opvoeren
van de bandsnelheid. Ook voor deze risico’s kunnen bedrijven maatregelen treffen door
de arbeidsomstandigheden op de keurbordessen te optimaliseren, aldus het rapport.
Ik onderken dat bij het verhogen van de bandsnelheid risico’s kunnen ontstaan. Bedrijven
kunnen deze risico’s ondervangen. Het advies vanuit het rapport van Wageningen Livestock
Research is dat een toetsingskader opgesteld moet worden waarmee de verschillende
risicofactoren en consequenties worden getoetst. Met het uitvoeren van de pilot wordt
dit inzicht ook in de praktijk uitgevoerd.
3. Waarom vindt hij een hogere slachtsnelheid überhaupt wenselijk?
De Europese regelgeving stelt kwalitatieve eisen aan het slachtproces, als daaraan
wordt voldaan is het juridisch gezien mogelijk om de bandsnelheid in slachthuizen
te verhogen. Er zijn ook praktische handvatten voor slachthuizen om risico’s van een
hogere bandsnelheid te beheersen. Indien slachthuizen kunnen aantonen de risico’s
naar behoren te kunnen beheersen, heb ik geen bezwaren tegen de verhoging van de bandsnelheid.
4. Kan hij onderbouwen waarom hij denkt dat het wél verantwoord is om pilots of maatregelen
door te voeren die een verhoging van de slachtsnelheid mogelijk maken?
Het in vraag 2 genoemde wetenschappelijk onderzoek beveelt aan om een toetsingskader
op te stellen vanuit beleid en toezichthouder. De Kamer heeft dit ook aan mij opgedragen
middels de motie van het lid Van der Plas. Zowel het wetenschappelijk onderzoek als
de praktijktoets tonen aan dat het verantwoord is om de bandsnelheid te verhogen indien
het bedrijf voldoet aan de eisen van het toetsingskader.
Deze pilots geven mij de mogelijkheid om het toetsingskader grondig te toetsen en
waar nodig te optimaliseren. Daarbij komt dat ik wettelijk gezien geen basis heb om
een aanvraag van bedrijven tot bandsnelheidverhoging – met inachtneming van het beleids-
en toetsingskader – te weigeren als met die verhoging aan de wettelijke eisen wordt
voldaan.
Vragen van de leden van de PvdD-fractie en Reactie van de bewindspersoon
In februari 2020 werd al door de toenmalig Minister geconcludeerd dat «de druk op
het slachtproces, ingegeven door economische overwegingen (...) te groot [is] geworden
om belang van dierenwelzijn en voedselveiligheid, maar ook van toereikend toezicht,
op een adequate manier te borgen» (Kamerstuk 33 835, nr. 138). Onderschrijft de Staatssecretaris deze vaststelling van de toenmalig landbouwminister?
Zo nee, waarom niet?
Nee, omdat er sinds deze uitspraak nieuwe inzichten zijn over het borgen van risico’s
in het slachtproces. De toenmalige Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
heeft na deze uitspraak opdracht gegeven om onderzoek uit te voeren naar de risico’s
die kunnen ontstaan, en wat hiermee gedaan kan worden. Uit dit onderzoek bleek, zoals
aangegeven in het antwoord op vraag 2 van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie,
dat de risico’s goed geborgd kunnen worden. Vervolgens is de NVWA aan de slag gegaan
met het ontwikkelen van een vernieuwd toetsingskader om bedrijven te toetsen op deze
geïdentificeerde risico’s en de adequate borging hiervan.
6. Bij het commissiedebat Dieren in de veehouderij van 25 september 2024 (Kamerstuk
28 286, nr. 1354) stelde hij: «De slachtsnelheid moet omlaag. Het was allemaal al afgetikt. Ik vind
het heel erg dat ik allemaal dingen moet gaan herhalen waar we ons de afgelopen achttien
jaar de tering voor hebben gewerkt. Alles wordt langzamerhand weer teruggedraaid.
Daar heb ik echt geen zin in.» Heeft de Staatssecretaris hiervan kennisgenomen? Wat
bewoog hem ertoe om deze heldere woorden volledig te negeren?
Ik heb van deze uitspraak kennisgenomen. Er is nooit sprake geweest van een algemene
verlaging van de bandsnelheid, omdat dit wettelijk niet mogelijk is. Ook is er geen
wetenschappelijke onderbouwing voor het verlagen van de bandsnelheid. Er is in 2022
een aanwijzing aan de IG van de NVWA gegeven waarin de NVWA is opgedragen alle aanvragen
voor bandsnelheid te weigeren, totdat het bovengenoemde onderzoek was afgerond en
de resultaten van dit onderzoek in een vernieuwd beleidskader (met als onderdeel daarvan
een vernieuwd toetsingskader van de NVWA) waren vastgesteld. Hierover is de Kamer
in 2022 per brief geïnformeerd.
Aan dit vernieuwde toetsingskader is de afgelopen jaren hard gewerkt, en het concept
wordt getoetst in een pilot om, onder andere, te evalueren of de risico’s adequaat
kunnen worden geborgd. Ik neem de risico’s voor dierenwelzijn, voedselveiligheid en
keuringsmogelijkheid zeer serieus. Ik ben ook trots dat Nederland vergeleken met andere
lidstaten extra stappen zet om deze risico’s te beheersen.
7. Dit bevestigt het beeld dat de Staatssecretaris toestaat dat slachthuizen hun slachtsnelheid
verhogen om zo het verdienmodel te beschermen. Kan de Staatssecretaris dat bevestigen?
Als een van de hoofdargumenten wordt genoemd dat de slachthuizen te maken hebben met
concurrentie vanuit het buitenland. Dit bevestigt het beeld dat de Staatssecretaris
toestaat dat slachthuizen hun slachtsnelheid verhogen om zo het verdienmodel te beschermen.
Kan de Staatssecretaris dat bevestigen?
Nee. Mij gaat het niet om het verdienmodel van slachthuizen, maar om een eerlijk speelveld
in Europa. Het is onze taak om te behoeden dat bedrijven in ons land niet onbedoeld
benadeeld worden door beleid, ten opzichte van andere lidstaten.
8. De leden van de PvdD-fractie vragen de Staatssecretaris aan te geven welke gesprekken
hij en/of zijn ambtenaren, na het aannemen van de motie van het lid Ouwehand c.s.
tot het versturen van de Kamerbrief waarin hij schrijft dat hij deze motie niet gaat
uitvoeren, hebben gevoerd over dit onderwerp en met wie. Is de Staatssecretaris bereid
om alle adviezen en brieven die hij hierover heeft ontvangen, zowel vanuit de sector
als van ambtenaren, naar de Kamer te sturen?
Er zijn geen gesprekken gevoerd met de sector tussen het aannemen van de motie en
het versturen van de Kamerbrief die specifiek over deze motie gingen. De sector is
wel tijdens een ambtelijk overleg op de hoogte gebracht dat er in een ophanden zijnde
Kamerbrief toegelicht zou worden hoe met deze motie zou worden omgegaan. Op de dag
van het versturen van de Kamerbrief, zijn de betrokken brancheverenigingen per e-mail
geïnformeerd over de Kamerbrief. Deze e-mails zijn bijgevoegd.
Ik ben bereid adviezen en brieven die ik hierover heb ontvangen te delen. In de bijlage
vindt u de adviesnota die ik heb ontvangen van mijn ambtenaren. Er zijn geen adviezen
of brieven ontvangen over deze motie van de sector.
9. De leden van de PvdD-fractie lezen in de beslisnota tevens dat de pluimveesector
heeft aangegeven dat de slachtsnelheden in sommige andere landen hoger zijn dan in
Nederland. Kan de Staatssecretaris aangeven van welke organisatie en/of welk individu
hij, of zijn ambtenaren, deze informatie hebben ontvangen?
Dit kan ik aangeven. Mijn ambtenaren hebben om deze informatie gevraagd bij Nepluvi,
als het om de cijfers van de pluimveesector gaat.
10. Kan de Staatssecretaris aangeven of hij en/of zijn ambtenaren tussen het aannemen
van de motie van het Ouwehand en het versturen van de brief over dit onderwerp hebben
gesproken met de belangenorganisatie van de pluimveeslachterijen, Nepluvi, en/of Nepluvi-voorzitter
en tevens BBB-senator Gert-Jan Oplaat? Kan hij aangeven wat hierbij is besproken?
Mijn ambtenaren hebben tijdens het aannemen van de motie en het versturen van de Kamerbrief
contact gehad met Nepluvi als vertegenwoordiging van de pluimveesector in een ambtelijk
overleg waarbij meerdere sectorvertegenwoordigers aanwezig waren. Tijdens dit overleg
is kort besproken dat de motie van het lid Ouwehand c.s. was aangenomen, dat ik geadviseerd
zou worden over de motie en dat mijn besluit naar aanleiding van dit advies gedeeld
zou worden met de Kamer. Toen de Kamerbrief werd verstuurd, zijn sectorvertegenwoordigers,
waaronder Nepluvi, per mail geïnformeerd. Met de heer Oplaat heb ik niet over dit
onderwerp gesproken in zijn functie als Nepluvi-voorzitter.
11. Kan hij alle input en/of factsheets die over dit onderwerp door Nepluvi naar het
ministerie en/of naar de Staatssecretaris persoonlijk zijn verstuurd naar de Kamer
sturen? Zo nee, waarom niet?
Er is geen input en er zijn geen factsheets over de motie van het lid Ouwehand c.s.
door Nepluvi gedeeld met mij of mijn ambtenaren tussen het aannemen van de motie en
het versturen van de Kamerbrief.
12. De leden van de PvdD-fractie vragen de Staatssecretaris of hij zich kan voorstellen
dat de eerdergenoemde beslisnota het beeld opwerpt dat hij de wens van de Kamer negeert,
omdat hij niet wil tornen aan het verdienmodel van de slachthuizen, dat onder meer
wordt vertegenwoordigd door een senator van de BBB? Zo nee, waarom niet?
Nee dit kan ik mij niet voorstellen. In de brief heb ik onderbouwd waarom ik de motie
niet uitvoer tegen de achtergrond van twee tegenstrijdige moties van de Kamer, zoals
aangegeven in de beantwoording van vraag 1 van de leden van de fractie GL-PvdA.
13. Kan de Staatssecretaris aangeven waarom in zijn Kamerbrief met geen woord wordt
gerept over het beschermen van het verdienmodel van de slachthuizen, terwijl uit de
beslisnota heel duidelijk naar voren komt dat dit een zwaarwegend argument is geweest
voor zijn besluit?
De argumenten zoals weergegeven in de Kamerbrief zijn voor mij belangrijk en zwaarwegend
geweest in de overweging om de motie niet uit te voeren. Om een gedegen beslissing
te kunnen nemen, is het echter ook belangrijk voor mij om kennis te nemen van alle
voor de beslissing relevante context. Daarom word ik geïnformeerd over de impact van
het onderwerp op de sector waar het om gaat. Volgens de Nederlandse slachthuizen heeft
de jarenlange stilstand op de verhoging van de bandsnelheid impact op hun concurrentiepositie
binnen Europa.
14. De leden van de PvdD-fractie vragen de Staatssecretaris ten slotte wat voor hem
zwaarder weegt: de hele heldere wens van de Kamer die verzoekt om af te zien van alle
atregelen, plannen en pilots die leiden tot een hogere slachtsnelheid of het verdienmodel
van de slachthuizen?
Ik verwijs hiervoor naar mijn beantwoording van de vragen van de leden van GL-PVDA-fractie,
en de eerdere vragen van de leden van PvdD-fractie.
15. Wat is er voor deze Staatssecretaris nodig om hem af te laten zien van zijn besluit
om toe te staan dat de slachtsnelheid verder wordt verhoogd, aangezien een hele heldere
Kamermeerderheid, vertaald in verschillende aangenomen moties, er voor hem blijkbaar
niet toe doet?
Zoals ik heb aangegeven in de beantwoording van vraag 1 van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie,
is er een Kamermeerderheid voor zowel de motie van het lid Van der Plas als voor de
motie van het lid Ouwehand c.s. en werken deze elkaar tegen. Ik zal daarom een keuze
moeten maken. Daarnaast is er op basis van het eerder genoemd wetenschappelijk onderzoek
van Wageningen Livestock Research geen reden voor mij om anders te beslissen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Aardema, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
R.P. Jansma, griffier